Niet de crisis van de cultuur, maar de crisis van de prediking

Niet de crisis van de cultuur, maar de crisis van de prediking

Prof. dr. A. van de Beek is op de GB-conferentie Geestelijk leiding geven in een tijd van crisis gevraagd om te spreken over profetische prediking. Deze crisis is niet zozeer crisis van de cultuur, maar van de prediking.

Van de Beek start met de vraag waar de crisis het ergst is. Waar moet op ingezet worden? Op  brood en spelen? Op atheïsten? Zo’n inzet zou de standpunten alleen nog maar bevestigen. Er moet niet bij de cultuur worden ingezet, maar bij de prediking. De prediking moet de cultuur bereiken. Niet andersom Voor je het weet bepaalt de cultuur wat er kan en mag gezegd worden.

Verkondiging
Daarom is de vraag die gesteld moet worden: Wat is prediking? De crisis is dat de prediking waarschijnlijk niet meer onder kritiek wordt gesteld. Daarmee stuiten we op een paradox: door te streven naar maatschappelijke relevantie maak je jezelf overbodig, want je verkoopt prietpraat. Er is een goede theologie nodig!
De kerk moet nadenken over de inhoud van de verkondiging: “De dood is overwonnen.” Het gaat om de verbijstering over Gods grote daden. Veel mensen vieren Pasen en Pinksteren, omdat deze bij de rituelen horen. De kerk moet vandaag de dag beginnen te geloven dat Gods grote daden waar zijn.
We moeten verlost worden van de vraag of dit op de cultuur ingaat. De vraag die de predikant zichzelf moet stellen is: geloof ik het zelf nog? De boodschap van Jezus Christus en die gekruisigd is geen wijsheid van deze wereld. Aansluiten bij de cultuur loopt uit op een nonsenseverhaal dat alsnog christelijk wordt geduid.

Kritiek op verbondstheologie
Van de Beek heeft kritiek op de verbondstheologie, zoals die binnen de Gereformeerde Bond leeft. Deze is hem – paradoxaal genoeg – te subjectief en te weinig objectief. De term berit is sterker dan ons woord verbond, want het gaat om een testament. De verbondstheologie suggereert alsof Nederland vergeleken kan worden met Israël. In de hermeneutiek van Van de Beek kan men niet rechtstreeks putten uit de oud-testamentische profeten. Deze profetieën zijn in Christus vervuld en moeten dus ook als reeds in Christus gepreekt worden.
Zonder Christus moeten we ons bij Elia voegen. Net als Mozes sterft hij buiten het  beloofde land. Bij de Nebo, waar het volk Israël zich te buiten ging. (Tijdens de bespreking gaf Van de Beek aan, dat hij steeds meer ontdekt hoe de structuren van OT en NT op elkaar lijken.)
Als we ons zouden richten op de (nationale) samenleving moeten we putten uit het Nieuwe Testament en niet het Oude.
De crisis in de prediking is volgens Van de Beek veroorzaakt door slechte hermeneutiek. Men is vergeten – volgens kritiek is nadrukkelijk voor de groep bestemd! – dat Christus de waarheid is. Men heeft een voorzienigheidsprediking die Christus dreigt te verdringen. Men vergeet dat het om de voorzienigheid van het lam gaat: God zelf zal in een brandoffer voorzien.

identiteit in Christus
De eerste pinksterpreek gaat over Christus, die gij gekruisigd hebt. De kruisiging is een oordeel. Van Christus zijn betekent je leven verliezen in een nieuwe identiteit. De grootste vreugde voor een christen is dat hij bevrijd wordt van zichzelf en je identiteit ontvangt van Christus. Je bent als christen niet meer het subject van je geschiedenis.
Dit dient het kader te zijn van waaruit gesproken wordt over de cultuur. En dat is niet gemakkelijk.

Verlichting

Van de Beek gaat kritisch in op de zelfbevestiging die er in onze cultuur aanwezig is. In de Verlichting werd er een verschil gemaakt tussen hoe de mens is (sein) en hoe de mens behoort te zijn (sollen). Er is een discrepantie: eigenlijk is mijn werkelijkheid nog geen werkelijkheid. De meeste aanhangers van de Verlichting waren optimisten, die geloofden dat de mens deze werkelijkheid uit zichzelf kon bereiken. Kant was pessimistischer: je zult er toch eens aan sterven.
Volgens Genesis 1 is de bij een discrepantie tussen hoe de mens is en hoe hij behoort te zijn het menszijn dood en het komt niet meer goed. Er is een verschil tussen werkelijkheid en goddelijk gebod. Het leven is geen menselijk leven meer en daar worden wij juist van bevrijd. Alleen door de dood van Christus is er redding mogelijk.
De verleiding is om wel de discrepantie te zien en optimistisch te zijn over het toewerken naar hoe de mens moet zijn. Daarbij wordt Christus vergeten.

Postmoderniteit
Vandaag de dag is er een andere discrepantie: die tussen zijn en mensen. Het gaat niet meer om wat we hebben, maar om wat we willen hebben; niet meer om het goede, maar om het gewenste.
Hebben mensen er eertijds naar gejaagd om vroom te leven en daarna om goed te leven, nu jaagt men naar alles wat men wil, niet het goede, maar het gewenste. Wat zijn de onderwerpen die het doen? Dat zijn sport, reizen, spelletjes, moderne muziek, internet. Wat ze allemaal gemeenschappelijk hebben, is dat ze ons weghalen uit de gewone werkelijkheid. Om niet het gesprek met jezelf te hoeven aan te gaan.
Onder dit zoeken van verstrooiing zit in wezen een diepe ver­achting van de werkelijkheid. Mensen willen weg uit hun werkelijkheid. De wereldverachting van de christen valt in het niet bij de wereldverachting van de postmoderne mens.
De schuld van de ander is dat mijn wensen niet worden vervuld. Ik heb het recht om… Ik heb de vrijheid om… De ander en de overheid dienen te zorgen voor de vervulling van mijn wensen, maar ze mogen de verantwoordelijkheid en de rekening niet bij mij neerleggen.
De postmoderne mens kan daarom niets meer met de instellingswoorden bij het Heilig avondmaal. Hij kan avondmaal alleen nog maar vieren als een agapè-maaltijd die verstrooiing biedt. De verstrooiing staat lijnrecht tegenover de theologia crusis.

Prediking
Er zijn twee wegen: of we preken in lijn met de hedendaagse mens met zijn behoefte aan troost. De prediking en de liederen versterken de oppervlakkigheid. Het spreekt de mensen aan omdat het niets meer zegt.
De andere mogelijkheid is de confrontatie. Dat ook de postmoderne mens als zondaar bevrijd moet worden. Niet door wetten en regels, maar door confrontatie met de gekruisigde Christus. Jezus dwingt je om na te denken over de verborgen ruimte in je leven waarvoor je wegvluchtte. In Jezus leer je jezelf te verliezen zonder verloren te gaan. De prediking loopt een risico over het leven te preken zonder het afsterven. We kunnen door de veranderde tijd niet meer hetzelfde zeggen. Een moreel beroep werkt niet meer. De inhoud verandert niet, maar wel de woorden en de vormen.
Christenzijn betekent een nieuw leven; geen emancipatiebeweging of anti-emancipatiebeweging. In de Vroege kerk had de prediking te maken met het dagelijks leven: met overgave tot de dood, met het leven zo te leven dat er geen abortus nodig is, door de afwijzing van de militaire dienst (we hoeven niet meer voor ons behoud te vechten). We moeten het in de prediking weer aandurven om die dingen te zeggen die confronterend zijn: confronterend voor mensen die van zonde niet meer willen weten én confronterend voor mensen die een ogenschijnlijk solide christelijke wijze van bestaan voor ogen hebben, die echter slechts onze eigen vorm van zelfhandhaving is.
Deze laatste confrontatie –met wat we denken dat christen-zijn is– kon in onze kringen wel eens de hardste zijn, maar als we die confrontatie aandurven, zou dat ongetwijfeld meer mensen raken dan de aanpassende prediking vol compromissen die nu dreigt.

Aanvulling tijdens de discussie
Je moet de cultuur kennen om te weten hoe de christen sterft aan zichzelf. Waarom is Van de Beek vaak zo kritisch op de cultuur? Cultuur houd je af van sterven, omdat het veiligheid biedt. De startpunt is wat wij te zeggen hebben over Jezus. Paulus sluit op de Areopagus aan bij de cultuur om de cultuur de nek om te draaien. Van de Beek bepleit het belang van het avondmaal. De christen is aan de avondmaalstafel meer thuis dan aan de keukentafel. Wat betekent het om de dood van Christus te vieren? Het begint met een boodschap die confronterend is, een vraag aan mijn leven omdat mijn leven reeds geoordeeld is.
Geestelijk leiding geven betekent de gemeente bewaren in de waarheid van de apostelen. Predikanten moeten de gemeente het niet altijd aanzeggen. De gemeente is geen heiden. Dat vindt Van de Beek te Barthiaans.
De prediking gaat niet alleen in tegen idealen en vooruitgang, maar ook tegen de angsten. Wat kan ons schaden, wat kan ons scheiden? Christus is opgewekt! – daar moet het in de prediking over gaan.
In de prediking moet het niet gaan om het concrete wereldgebeuren. Het doet er niet meer toe en daarom moet er in de prediking erover gesproken worden om te zeggen dat het er niet meer toe doet. De gemeente gaat over tot de orde van de Grote Dag.
Wij zijn geen profeet, want de profetieën zijn in Christus vervuld. Bovendien is de duiding te selectief. We hebben het wel over een vliegtuig met 100 mensen dat neerstort, maar niet over de miljoenen die in Congo en Uganda omkomen.

M.J. Schuurman

In het Reformatorisch Dagblad stond deze samenvatting: http://www.refdag.nl/opinie/opinie/predikant_moet_weer_durven_confronteren_met_ongeloof_1_481125

Geestelijk leiding geven aan de kerk als contrasterende gemeenschap

Geestelijk leidinggeven aan de kerk als contrasterende gemeenschap

De kerk staat er niet goed voor. De invloed van de kerk loopt terug. Dat is nog niet het enige probleem? Weten de kerkgangers nog wel wat de kerk is? ‘Er is iets gaande’, zegt  De Leede. Hij was op de conferentie gevraagd om te vertellen hoe liefde voor de kerk weer gekweekt kan worden. Er is iets gaande, want liefde voor de kerk was altijd het kenmerk van de Gereformeerde Bond. Wanneer die weer aangeleerd moet worden, is er feitelijk sprake van een breuk met de traditie.

De Leede wil 3 publicaties gebruiken om te peilen wat er gaan de is:
* James Kennedy, De stad op een berg
* Charles Tayler, Een seculiere tijd
* De grenzenloze generatie en de eeuwige jeugd van hun opvoeders.

De overbodigheid van de kerk
Bij Kennedy doet De Leede de volgende inzichten op:
(1) Bij Kennedy ziet De Leede, hoe het komt dat de verzuiling het niet gehouden heeft. De verzuiling was een stoere vorm van godsdienst, maar uiteindelijk ook kwetsbaar. Nadat de emancipatie van de gereformeerden en de katholieken was voltooid in de jaren-’60 hielden de zuilen het niet meer.
De verzuiling vereiste een bepaald soort kerk: de beginselkerk (o.a. GKN, GKv). In de Nederlandse Hervormde Kerk werd deze beginselkerk gecorrigeerd door de volkskerk. Deze volkskerk was echter vooral in agrarische omgeving aanwezig. Wat De Leede nog meer van Kennedy leert, is dat de scheiding van kerk en staat al scherp getrokken was ten tijde van de verzuiling. De verzuiling bestond bij de gratie van de scheiding van kerk en staat. De cultuur was godloos, maar vanwege de verzuiling had men dat niet door. Het Nederlands protestantisme was verkerkelijkt en de publieke ruimte neutraal.
(2) Het maatschappelijk middenveld was in de tijd van de verzuiling erg sterk – juist door die zuilen. Volgens de godsdienstsocioloog Gerard Dekker was dat tevens ook de reden waarom het christelijk geloof overbodig werd. Onze civiele cultuur (en daarmee ook de civil religion) is niet door het christendom gestempeld, maar door het humanisme. De verzuiling heeft de kerk uiteindelijk overbodig gemaakt. De humanistische moraal kan blijkbaar zonder een groot verhaal.
(3) Het is voor de kerk een verleiding om invloed te hebben in de samenleving. Dit is de verleiding van de theocratische hartstocht. Volgens Kennedy heeft de kerk in de jaren-’50 en –’60 haar hand overspeeld.
Geestelijk leidinggeven in tijden van crisis betekent dat we de kritiek op de theocratie en de bijbehorende ecclesiologie moeten verwerken. De Leede vraagt zich af of deze kritiek wel echt verwerkt is. Het houdt in dat we afstand moeten nemen van de kerk als zichtbare machtsfactor en moeten accepteren dat ook de Protestantse Kerk in Nederland een minderheidskerk in een democratische samenleving is geworden.

Contrasterende gemeenschao
De noodzaak om de kritiek op de theocratie is om te voorkomen dat we terugvallen in de nostalgie (Bart-Jan Spruyt), ressentiment of de apocalyptiek. Ook moeten we niet streven naar een kerk met sociaal kapitaal. Hoe interessant het ook is, dat er uitgerekend wordt hoeveel kerkelijke vrijwilligers er zijn en wat de kerk maatschappelijk betekent, dit sociaal kapitaal is slechts een bijproduct. Door in te zetten op de kerk als cement van de samenleving maken we de kerk overbodig. De kerk moet er niet meer naar streven om een speler te zijn op het maatschappelijk middenveld. Want dan vormt de kerk geen christenen, maar nette burgers. Dit is voortdurend de theologische aanvechting van de kerk. Terwijl kerkgangers vaak niet naar de kerk komen om als nette burger te worden gevormd.

De oplossing voor deze situatie is volgens Kennedy de kerk als contrastgemeenschap. Kennedy ontleent dit idee aan Stanley Hauerwas.
De kritiek van De Leede op Kennedy is dat hij vindt dat Kennedy te sterk op de ethiek inzet. Van de contrasterende ethiek wordt geacht een missionaire kracht te hebben. Volgens De Leede is er meer nodig om een contrasterende gemeenschap te zijn

Geestelijk leiding geven & secularisatie (Charles Taylor)
Volgens Charles Taylor heeft de secularisatie het hart van het christelijk geloof bereikt. De secularisatie begon lang geleden in Frankrijk.
Taylor laat het niet bij een analyse, maar wil ook een uitweg bieden. Ook Taylor komt uit bij de contrasterende gemeenschap. De mens is niet alleen een handelend wezen, hij is ook receptief.
De conclusies van Taylor t.o.v. de secularisatie:
* Het huidige wereldbeeld is gesloten.
* Er is geen aanknopingspunt meer in de civil religion. De Protestantse Kerk is dus geen nationale kerk meer.
* Wie niet meer participeert, heeft niets meer met het geloof.
Geestelijk leiding geven vandaag de dag houdt in, dat met de conclusie van Taylor rekening gehouden wordt. De predikant dient dit aan te voelen. Foto’s van de hubbletelescoop brengt de westerling niet meer op de knieën. Er is eerder een verlegenheid met de hemel.
Geestelijk leiding geven betekent ook theologisch doordenken waarom een natuurramp zowel bij gelovigen als ongelovigen geen schuldbelijdenis oproept. De overheid wordt verantwoordelijk gehouden.

De grenzenloze generatie
De traditionele burgers, de groep waarin de kerk haar meeste leden was, zit geen groei meer. De groei zit vooral bij degenen die beleving hebben. Vandaag de dag wordt de secularisatie gekenmerkt door een snelle banalisering en vulgarisering. Het is een treurigmakend beeld; religie speelt nauwelijks nog een rol. God is helemaal afwezig in het rijk van de vrijheid.
Het boek De grenzenloze generatie en de eeuwige jeugd van hun opvoeders is overigens wel een seculiere boetepreek.

DEEL II: Hoe geven wij hier geestelijk leiding aan?
Volgens Hauerwas dient de kerk een contrasterende gemeenschap te zijn. Bij Hauerwas zijn er de volgende contrasten:
* Het onderscheid tussen kerk en wereld is heel nadrukkelijk.
* De doop is belangrijk als toegang tot het lichaam van Christus
* Het wezen van de gemeente is God leren kennen en ervaren.
* In de sacramenten gaat het om de reële presentie van Christus. Hauerwas benadrukt de heiligheid van de kerk. De kerk is een mystieke grootheid, met de reële aanwezigheid van haar Heer in haar midden. In het leren kennen van God zit dus het contrasterende.
Hauerwas geeft aan dat we ons niet moeten focussen op de ethiek. De kerk is afgezonderde tijd. Het contrast zit bij hem in de schuldbelijdenis, de lof, de toewijding en de tucht van het leven.
Kan de protestantse traditie de gedachte van de porti coeli opnemen? In de reformatorische traditie wordt de eenheid tussen Woord & sacrament benadrukt. De prediking dient sacramenteler te zijn. Dat vereist een andere bijbeluitleg. Er moet een duidelijke boetepraktijk in prediking en pastoraat komen. Geestelijk leiding geven betekent: toeleiding naar het Heilig avondmaal (zie de bijdrage van De Leede in het maart-nummer van Kontekstueel).

DEEL III: De verbinding met de eigen traditie

Volgens De Leede zijn we te vertrouwd geraakt met de eerste twee nota ecclesiae (zuiverheid in de bediening van Woord en sacrament), dat we de derde zijn vergeten: de zuiverheid van ons leven. Door de boetepraktijk dient de derde weer te worden opgewaardeerd. In de tucht gaat het om het bewaren. De kerk staat in eschatologisch kader. In de kerk moet er weer geleefd worden uit verkiezing, roeping, doop, vreemdelingschap, discipelschap en de gemeenschap van brood en wijn.
Aan het avondmaal wordt zichtbaar dat de kerk contrasterende gemeenschap is. Bij de kerk als een contrasterende gemeenschap zijn ook de ambten nodig. Zij behouden de kerk bij haar katholiciteit. Het episcopale aspect mag in de prediking sterker worden benadrukt: het ambt staat ten dienste aan de katholiciteit en het contrast. Deze vorm van geestelijk leiding geven dient niet alleen in de gemeente te gebeuren, maar ook bovenplaatselijk.
Geestelijk leidinggeven impliceert:
* Het doordenken van de ecclesiologische dimensie. Dat betekent dat de theocratie, de volkskerk en de kinderdoop niet meer op deze manier kunnen functioneren. De theocratie en de volkskerk dienen losgelaten te worden. De doop niet meer uit het verbond, maar vanuit de eschatologie en het geloof.
In de catechese gaat het om een mystagogische toewijding tot het avondmaal
* Het episcopale aspect van de predikant wordt belangrijker. Bijvoorbeeld door contact met de andere kerken, bedoeld om de gebroken avondmaalstafel te helen en de ambten over en weer te erkennen.
* Leiding geven aan een contrasterende gemeenschap in liturgie, boeteprediking en ethiek, waarbij men het smalle pad dient te bewandelen om niet als sekte te eindigen. De sekte kent een gesloten karakter. De ethiek van de sekte stoot af en sluit buiten. De ethiek dient wervend te zijn.

M.J. Schuurman

NB: De lezing is volgens mijn weergave. De Gereformeerde Bond geeft te zijner tijd een brochure uit, waarin de echte lezing is terug te lezen.

Welke aanknopingspunten biedt de gereformeerde theologie in deze tijd?

Welke aanknopingspunten biedt de gereformeerde theologie in deze tijd?

In welke tijd leven we? Hoe moeten we ons tot die tijd verhouden? Herman Oevermans, docent filosofie aan de CHE was gevraagd om te vertellen wat de veranderde tijd betekent voor de identiteit van de Gereformeerde Bond. 

Oevermans zet gelijk in met een kritische vraag: ‘Waarom zouden de hervormd-gereformeerden hun identiteit moeten bewaren?’ Het begrip identiteit is volgens niet eens zo oud: afkomstig van de psycholoog Erikson. ‘Misschien is de Geest bezig om vormen af te breken.’
De eenheid van het leven is verdwenen. Voorheen deed je als gelovige alles binnen de zuil. Oevermans wijst erop, dat er een verlangen is om die eenheid terug te willen. Een voorbeeld hiervan vindt hij het boek van Bart-Jan Spruyt over ds. J.T. Doornenbal. Hij vraagt zich af of dat verlangen naar die eenheid ermee te maken heeft, dat voor het gevoel van de aanwezige predikanten dit de enige context waarin te preken valt over zonde en genade.

In welke tijd leven we? Hoe moeten we ons tot die tijd verhouden? Herman Oevermans, docent filosofie aan de CHE was gevraagd om op de conferentie, die de Gereformeerde Bond en de IZB hadden belegd over Geestelijk leiderschap in tijden van crisis te vertellen wat de veranderde tijd betekent voor de identiteit van de Gereformeerde Bond.

Welke factoren maken de Gereformeerde Bond onrustig?
Volgens Oevermans maken we nu het ineenstorten mee van de utopie van het neokapitalisme. Oevermans verwijst naar de boeken van Hans Achterhuis (De utopie van de vrije markt) en van Ton Lemaire (De val van Prometheus). Op basis van deze auteurs wijst hij op de spirituele crisis, die ten grondslag ligt aan de economische crisis. Christenen moeten volgens hem aan de bak. Dat geldt ook voor de milieucrisis. De seculariserende machten die in deze crises aanwezig zijn, zijn reële machten die invloed hebben (Ad Verbrugge spreekt over sferische machten).
Progressie is niet altijd positief. Oevermans verwijst naar de meditatie van Walter Benjamin over een schilderij van Paul Klee. Dit schilderij, getiteld Angelus novum, was voor Benjamin de verbeelding van de engel van de geschiedenis. De engel kijkt achteruit, maar wordt door de wind van de vooruitgang weggeblazen uit het paradijs. De engel is ziet er geschonden uit.

Netwerksamenleving
De tijden zijn veranderd. Aan de verdwijning van de eenheid van het leven liggen 3 factoren ten grondslag: (1) democratisering, (2) het verdwijnen van de standenmaatschappij, (3) de verdwijning van de burgerlijke waarden.
De levensstijl van de huidige dertigers past bij de netwerksamenleving. In de hectiek van deze samenleving zijn zij op zoek naar kwaliteit. De zondagse eredienst moet voor hen kwaliteit hebben. 60% van de CHE-studenten gaan, voordat zij zich aansluiten bij een gemeente, eerst op zoek naar een kerk die bij hen past. Volgens Oevermans moeten we dit zoeken naar een eigen gemeente niet veroordelen.
De veranderde levensstijl heeft gevolgen. Ongemerkt kan men de kerk uitglijden. Niet omdat men het plotseling niet meer geloofd. Het geloof is langzaamaan van hen afgegleden. Oevermans wijs op een interview dat hij voor Wapenveld hield met de historicus Peter van Rooden, die theologie studeerde om predikant te worden.

Welke intuïties uit de gereformeerde traditie kunnen helpen?
Prof. dr. A.van de Beek hield op de CHE een lezing over het verschil tussen evangelischen en reformatorischen. Dat verschil moest niet overdreven worden. Het werkelijke verschil tussen hen zit in de antropologie. Bij de reformatorischen gaat het (in tegenstelling tot de evangelischen niet om de activiteit van de mens), maar om de receptiviteit. De mens is een ontvangend wezen. Het gaat om ontvankelijk, om aanspraak. Zoals Van de Beek in zijn boek Jezus Kurios zegt, dat hij gelooft omdat hij aangesproken is.
Deze receptiviteit kan in het beeld gevangen worden van het leven als een reis. Deze reformatorische gedachte kan de hedendaagse mens aanspreken. Het leven is geen project dat ik zelf moet verwerkelijken, zoals de postmoderniteit zegt, maar een reis. Of, zoals reformatorischen ook zeggen: een voortdurend afsterven en opstaan.
(Overigens, Oevermans gaf dat niet aan, maar volgens de socioloog Peter L. Berger is het levensproject niet iets waar de hedendaagse mens voor kiest. De postmoderne mens wordt gedwongen om het project van zijn eigen leven te voltooien.)
Hij wijst op 3 publicaties waarin het beeld van de reis voorkomt:
* Kluun, Komt een vrouw bij de dokter, waarin de hoofdpersoon na onstuimig leven in Australië tot zichzelf komt.
* Susanne van der Schot, De minnaar, de monnik en de rebel. In dit boek doet Van der Schot verslag van haar zoektocht naar discipelschap. Zij leest het Markusevangelie. Voordat zij dit boek schreef, had Van der Schot (die zonder geloof is opgevoed) enige tijd in het klooster gezeten.
* Gerard Visser, een filosoof die van huis uit katholiek was. Deze filosoof is bezig met onder andere levensfilosofie. In een essay over de ziel, dat hij schrijft aan de hand van een bespreking van het gedicht Awater van Martinus Nijhoff geeft Visser aan, dat er in het leven niets kado is.

M.J. Schuurman

NB: Deze lezing is mijn eigen samenvatting. Het is de bedoeling dat de lezingen van de GB-conferentie worden gepubliceerd.

Pleidooi voor een nieuw elite, die contact houdt met het volk

Pleidooi voor een nieuwe elite
De visie van Ad Verbrugge op de rol van religie in de moderniteit

De Gereformeerde Bond heeft predikanten uitgenodigd op een conferentie om na te denken over “geestelijk leiderschap in deze tijd”. De eerste lezing wordt verzorgd door dr. Ad Verbrugge. In zijn visie heeft de crisis van het christendom te maken met het verdwijnen van de burger. Hij ziet de toekomst voor de kerk en de predikant in de vorming van een nieuwe elite, die contact houdt met het volk. Een synthese van aristocratie en democratie.

Verbrugge vindt de secularisatie zorgelijk. Hij verwijst naar de Bijbel als een boek vol verhalen van een volk die haar religie verloren heeft. Volgens hem duidt Nietzsches beschrijving van “de dod van God” niet alleen op een probleem voor de religie, maar voor de gehele samenleving.
In de leegte die ontstaat, kunnen andere machten hun invloed uitoefenen: de dictatuur in de jaren-’30 en -’40 en het individualisme van de jaren-’60. Bij religie is de gemeenschap in het geding. Volk en vaderland kunnen niet zonder religie.

Verlichting
Niet voor niets ontstaat in de tijd van de Reformatie een nieuwe staatsvorm. Wanneer religie zich bevrijdt, krijgen bepaalde andere groepen een nieuwe sociaal-economische rol. In plaats van de aristocratie komt de burger. De Reformatie was ook anti-feodaal. De bevrijding op religieus vlak was ook een bevrijding op sociaal-politiek vlak. In Nederland kreeg deze nieuwe vorm regenteske trekken.
De visie dat de Verlichting zich tegen de religie keerde is slechts gedeeltelijk waar. Locke schreef in een puriteinse samenleving en Kant was van oorsprong een piëtist. In de Verlichting zijn elementen uit de Reformatie geradicaliseerd,  gerationaliseeerd en ontdaan van de metafysica.  
Bijvoorbeeld de reformatorische visie van de individuele band met God. De leus “Vrijheid, gelijkheid en broederschap” kwam in feite voor binnen de protestantse geloofsgemeenschap en werd binnen de Franse Revolutie gebruikt zonder metafysische oorsprong. In plaats van de christelijke geloofsgemeenschap komt de natiestaat, gebaseerd op de volkssoevereiniteit.
Dit opkomend nationalisme werd volgens Verbrugge in Nederland door de verzuiling getemperd. In Nederland was er sprake van bemiddeld nationalisme. De verzuiling was eigenlijk ook een romantische illusie: men ging ervan uit dat het leven een eenheid was.

De jaren-’60
De jaren-’60 waren volgens Verbrugge een veret tegen de nationale burgerman. In plaats van nationalistisch werd men kosmopolitisch. Het individu werd ook op het terrein van het lichamelijke bevrijd. Dit leidde tot een paradox: de zelfverwerkelijking werd een zelfverlies. Toppunt was “de volgende morgen  niet meer weten wat je de vorige avond had gedaan”. Het centraal stellen van het individu en zijn beleving leidde tot het verdwijnen van het individu.

Kentering
In de 21e eeuw komt er een kentering. De seksuele revolutie was alleen een reactie en creëerde geen nieuwe vormen van gemeenschap. De babyboomers waren niet in staat om aan te geven wat het goede leven was.
Verbrugge ziet een kentering, die effect heeft op de rol van religie in deze maatschappij. Er is sprake van opnieuw doordenken van wat vrijheid is. Men is sceptisch ten opzichte van rationaliteit (zelfs tot het romantische toe). Het nationale komt weer in de politiek voor. Denk aan het pleidooi van Jan Marijnissen voor een Nationaal Historisch Museum.
Verbrugge is een denker die gemeenschap belangrijk vindt. Hij kan nog niet aangeven welke geloofsvormen deze verschijnselen aannemen. De burger heeft behoefte aan regenten. Hij geeft Job Cohen als voorbeeld, wiens ogenschijnlijke regenteske uitstraling als verademing werd ervaren.
Hij kan daarom niet aangeven of de burger (de sociale basis van het protestantisme) terugkeert. Volgens hem is er behoefte aan een synthese tussen democratie en aristocratie.
Daar ligt ook de betekenis voor religie. Wat hem betreft betekent dit geen terugkeer naar de vormen van vroeger. Maar die vormen moeten wel een bezieling hebben. 
De predikant kan hierin een rol spelen: juist in die synthese. Het religieuze moet zijn verantwoordelijkheid nemen ten opzichte van het collcetieve. Ook de staat is voor hem van belang. De staat is de enige macht die bestand blijkt tegen de economische orde.

M.J. Schuurman

Als ze maar geholpen worden

Als ze maar geholpen worden

De gesprekken waren voor de catechisanten ook belangrijk. In dat gesprek kon ik hun leven belichten vanuit de bijbel en het geloof. Het was een eye-opener voor hen om te zien dat het geloof nog meer voor hen kon betekenen.

Hoewel ik wist dat ze met geloof bezig waren, kwam erachter dat het geloof ook echt wat voor ze betekende. Ik hoorde ook waar ze tegen aanliepen. Bijbellezen vinden ze moeilijk. Zeker om er voor zichzelf een betekenis uit te halen. De bijbel blijft geregeld dicht. Niet omdat ze niet zouden willen! Maar omdat ze er zelf niet in slagen om er een boodschap uit te halen.
Als ze maar zien wat het geloof voor hun leven betekent en uitgedaagd worden. Als het hen maar helpt om hun eigen leven en de maatschappij te begrijpen. Als ze maar geholpen worden met bijbellezen. Als hun ervaringen geduid worden en ze hierbij geholpen worden tijdens catechese, tijdens de preek, tijdens gesprekken. Dan betekent de kerk en het geloof veel voor hen.
Ze hebben behoefte aan geloof dat hen helpt in het dagelijks leven. Om keuzes te maken. Om gesprekken te voeren met anderen die niet geloven. Om niet het gevoel te hebben dat ze de enige zijn die geloven. Ik heb gemerkt dat de kerk ook echt iets voor hen betekent. Door naar kerk te gaan, weten ze dat ze niet de enigen zijn. Ze zouden graag leren van de ervaringen, die anderen met het geloof hebben.
Ze hebben ook behoefte aan basale uitleg. Uitleg over hoe het geloof werkt. Over waarom avondmaal gevierd wordt en wat je ervaart bij het avondmaal. Hoe de kerkdienst is opgebouwd. Hoe je in contact komt met God. Wat het betekent om als christen te leven.
Ze hebben behoefte aan basale bijbelstudie: wat er staat en wat ze er mee kunnen in hun dagelijks leven. Bijbelgedeelten die zij kunnen lezen als ze blij zijn. Wat ze kunnen lezen als ze zich neerslachtig voelen. Daarom heb ik Psalm 88 een keer met ze besproken.
Mijn ervaring is dat als ze het belang voor hun dagelijks leven zien, dat ze bereid zijn om over veel dingen na te denken. Zelfs de geloofsbelijdenissen. Wanneer de formulieren over avondmaal en doop geen plechtige taal heeft, maar eenvoudige taal, dan zullen ze hun best doen om te begrijpen waar het bij de sacramenten om gaat. Ze zullen iets meer van de betekenis begrijpen.
De laatste tijd is er aandacht voor de inwijding in het geloof. Ik merk dat de jongeren behoefte hebben aan een gids, die hen helpt op hun levens pad, op het pad van hun geloof. Is er zo’n gids, dan zijn ze bereid om volgeling van Christus te worden.
De komende tijd ga ik hen betrekken bij de voorbereiding van de preek. Ik nodig niet alleen de jongeren uit. Want de bovengenoemde behoeften leven niet alleen onder jongeren, maar ook bij andere gemeenteleden. Wanneer ik ze bij elkaar breng, sla ik twee vliegen in één klap. Veel zullen ze tijdens de voorbereidingen niet zeggen. Ze zullen vooral luisteren naar de ervaringen van ouderen. Ze zullen er vooral veel van leren.

Afgelopen maanden heb ik met de oudste groep catechisanten afzonderlijk gesprekken gevoerd. Ik heb met hen gevraagd of zij belijdenis wilden doen. Wanneer zij aangaven dat ze er nog niet aan toe waren, vroeg ik hen op welke manier zij gestimuleerd kunnen worden om ooit wel belijdenis te doen.

ds. M.J. Schuurman

Geschreven voor HWConfessioneel

Een volgende bijdrage voor HWConfessioneel gaat over hoe je jongeren kunt inwijden in het christenleven. Dat ga ik doen aan de hand van wat Stanley Hauerwas zegt (Een robuuste kerk).

Vijanden in de preek…

Vijanden in de preek…

Afgelopen zaterdag werd in het Reformatorisch Dagblad de Duitse theoloog Manfred Josuttis aangehaald. Volgens Josuttis komen we in de prediking te weinig vijanden tegen. Josuttis (overigens erg omstreden vanwege zijn verwerking van esoterie) bedoelde echter geen verdediging van de waarheid. Verdediging van de waarheid beperkt geloof tot iets cognitiefs. Wat Josuttis bedoelde met vijanden zijn niet de mensen of theorieën van buitenaf, maar de tegenstand die in de kerk zelf aanwezig is. Op onze situatie toegepast: Josuttis zal niet de seculiere intolerantie bekritiseren, maar de conservatief-christelijke stroming. De bevindelijke traditie wil ook de ethiek die uit de Bijbel opkomt, in praktijk brengen. De bijbelse norm loopt in de praktijk het risico een verdediging van de moderne burgerlijke moraal met bijbelteksten te worden i.p.v. een werkelijk door de bijbel gezuiverde moraal. Kan dit risico eigenlijk wel voorkomen worden?

M.J. Schuurman

Het artikel van Josuttis staat in “Rhetorik und Theologie in der Predigtarbeit” (München: Chr. Kaiser, 1985).

Avondmaalsformulier met (verklarende) aantekeningen

Avondmaalsformulier met (verklarende) aantekeningen
Gemeente van Christus[1]

Woorden van de instelling[2]
Luister[3] naar de instelling van het heilig Avondmaal, zoals deze beschreven is door de apostel Paulus:
Want wat ik heb ontvangen en aan u heb doorgegeven, gaat terug op de Heer zelf. In de nacht waarin de Heer Jezus werd uitgeleverd nam hij een brood, 24 sprak het dankgebed uit, brak het brood en zei: ‘Dit is mijn lichaam voor jullie. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en hij zei: ‘Deze beker is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt. Doe dit, telkens als jullie hieruit drinken, om mij te gedenken.’ Dus altijd wanneer u dit brood eet en uit de beker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat hij komt. (1 Korinthe 11:23-26; NBV).


Zelfonderzoek
[4] en schuldbelijdenis[5]
Gemeente van Christus, het avondmaal wordt gevierd tot onze troost[6]. Om die troost te ontvangen, is het van belang dat we onszelf op de juiste wijze[7] toetsen[8].
In de eerste plaats[9] overdenke ieder zijn zonden[10] met als doel dat wij onze eigen huichelarij[11] doorkrijgen en ons voor God verootmoedigen[12].
In de tweede plaats toetst eenieder zijn hart[13] of hij de stellige[14] belofte[15] van God gelooft[16], dat hem al zijn zonden vergeven[17]zijn in Jezus Christus, de gekruisigde en opgestane Heer.
In de derde plaats toetst eenieder zichzelf, of hij gezind[18] is voortaan met zijn gehele leven de waarachtige dankbaarheid[19] aan de Here in praktijk te brengen; de intentie hebbend om.[20] Dat in praktijk brengen van de dankbaarheid aan de Here gebeurt door oprecht[21] voor Gods aangezicht te wandelen. Dat in praktijk brengen van de dankbaarheid aan de Here gebeurt ook het voornemen zonder te huichelen[22] alle vijandschap, haat en nijd[23] af te leggen[24] en door serieus voor te nemen om voortaan in waarachtige liefde en eensgezindheid met zijn naaste te leven.

Verkondiging van Gods genade[25]
Allen die zo gezind zijn wil God zeker[26] in genade aannemen[27] en voor waardige gasten[28] van de tafel van Christus houden.
Die daarentegen het getuigenis van de Geest[29] met betrekking tot zonde en vergeving niet gelooft en zich van zijn zonden niet wil bekeren, vermanen[30] wij om zich van de tafel des Heren te onthouden. Aan hem verkondigen wij dat hij geen deel heeft aan het Rijk van Christus.[31]
Dat betreft[32]:
– allen die afgoden[33] in welke gestalte ook voor de Here in de plaats stellen. (Het eerste gebod)
– allen die God op een zelfbedachte manier vereren (Het tweede gebod).[34]
– allen die de Naam van God ontwijden en misbruiken[35], die zich bezighouden met occulte praktijken[36] (Het derde gebod).
– die God en zijn heilig Woord verachten[37] (Het vierde gebod)
– die aan hun ouders of andere gezagsdragers ongehoorzaam zijn[38] (Het vijfde gebod)
– allen die zich aan menselijk leven vergrijpen[39], haat koesteren tegen hun naaste[40] en zich niet met hen willen laten verzoenen[41] (Het zesde gebod).

ds. M.J. Schuurman


[1] Gemeente van Christus: Als het goed is heeft de gemeente een band met Christus, haar  Heer. Daar wordt de gemeente op aangesproken.

[2] Woorden van de instelling: de gemeente heeft het heilig Avondmaal niet zelf bedacht. Door het heilig Avondmaal te vieren is de gemeente gehoorzaam aan Christus. Om te laten zien, dat de gemeente het avondmaal niet zelf verzonnen heeft, wordt een tekst uit de Schrift aangehaald. Een bijzondere tekst, want hierin wordt de Here Jezus zelf geciteerd.

[3] Luister: bedoeld in de dubbele betekenis van (a) aanhoren, (b) gehoor geven aan, gehoorzamen.

[4] Vanuit de gedachte, waarmee Calvijn zijn Institutie begint, dat zelfkennis alleen mogelijk is vanuit de kennis van God. Zelfonderzoek vindt plaats voor het aangezicht van God.

[5] Zie voor meer informatie over schuldbelijdenis: https://mjschuurman.wordpress.com/2010/03/20/herwaardering-van-de-schuldbelijdenis/ en https://mjschuurman.wordpress.com/2010/02/11/de-biecht-schuld-belijden-voor-gods-aangezicht-kans-om-opnieuw-te-beginnen/

[6] Het klassieke formulier heeft hier tot hulp en troost. In de visie van Calvijn zijn de sacramenten gegeven vanwege onze menselijke zwakheid. De Here komt ons zwak geloof daarin tegemoet.
Troost: dit woord betekent houvast als gelovige, de kracht in dit aardse leven en de basis voor het leven in de eeuwigheid. Troost ontvangt de gelovige, omdat de Here in het avondmaal Zichzelf geeft.
Troost heeft te maken met: (1) dat je van Christus bent en niet van de duivel of een andere macht, (2) dat je zonden vergeven zijn, (3) dat de Vader voor je zorgt, (4) dat de Heilige Geest je bijstaat om als volgeling van Christus te leven.
Vergelijk zondag 1 uit de Heidelbergse Catechismus:  Wat is uw enige troost, zowel in leven als in sterven? Antwoord: Dat ik met lichaam en ziel, zowel in leven als in sterven, niet mijzelf toebehoor, maar het eigendom ben van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus. Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen voldaan en mij uit alle heerschappij van de duivel verlost. Hij waakt met zoveel zorg over mij, dat zonder de wil van mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja zelfs dat alle dingen mij tot mijn heil moeten dienen.
Daarom verzekert Hij mij ook door zijn Heilige Geest van het eeuwige leven en maakt mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven.

[7] Op de juiste wijze: Wanneer je jezelf toetst, moet dat wel op de goede manier gebeuren. Dat betekent: (1) als er zonde in je leven is, moet je dat voor God belijden. Bij het avondmaal ontvang je immers Christus. Christus en zonde dat gaat niet samen. (2) dat je niet krampachtig op zoek moet gaan naar wat je verkeerd doet.
Het vervolg van het avondmaal geeft namelijk aan, dat niemand uit zichzelf waardig is. Die waardigheid wordt aan ons geschonken. Je toetst jezelf op de juiste manier als je in die toets (weer) bij Christus uitkomt. Je hebt Hém nodig! Je verlangt naar Hem! Je gelooft en vertrouwt de Here Jezus.

[8] Het toetsen van onszelf: afkomstig uit het vervolg van 1 Kor. 11, namelijk vers 31. Jezelf toetsen betekent, dat je naar je leven kijkt zoals God kijkt naar je leven. Een klassiek woord hiervoor is: zelfonderzoek. Voor Johannes Calvijn (een belangrijke inspirator van onze manier van Avondmaal vieren) bestaat geloven uit (1) kennis van God en (2) kennis van onszelf. Zelfkennis kan alleen door God te kennen.

[9] In de eerste plaats: Deze stap mag niet de enige zijn. Over je zonden nadenken heeft altijd tot doel dat je weer tot Christus geleid wordt. Christus moet centraal staan. Johannes Calvijn zegt: ‘Zo wordt een ieder door de kennis van zichzelf niet alleen aangezet tot het zoeken van God, maar ook als het ware aan hand ertoe geleid om Hem te vinden.’ Institutie I,I,1. Bij hem staat niet de schuldbelijdenis in het middelpunt, maar dat God zich naar ons toegewend heeft.

[10] Zonden: zonde is vooral ongeloof, dat wil zeggen opstand tegen en vervreemding van God. Calvijn vult nader in wat zonde is: eigen ontwetendheid, ijdelheid, (geestelijke) armoede, slechtheid. De mens wordt ontmaskert als huichelaar. Vergelijk Heidelberger Catechismus vraag & antwoord 5: wij kunnen dit niet volbrengen, omdat ik van nature geneigd ben God en mijn naaste te haten.

[11] Eigen huichelarij: hier staat eigenlijk een mishagen aan jezelf hebben, dat wil zeggen: je staat jezelf niet aan. Bedoeld wordt dat je als zondaar niet te positief over jezelf moet denken. Kenmerk van de zonde is zelfbedrog: je beeldt je in dat je Gods wil doet. Dat zelfbedrog wordt doorgeprikt. Daarom kun je alleen een goed beeld van jezelf kennen door God te kennen.

[12] Voor God verootmoedigen: bedoeling is niet dat we blijven steken in dat negatieve beeld over onszelf, maar ons richten op Christus. Dat is het doel van het Avondmaal.
Verootmoediging voor God betekent dat we het oude leven achter ons laten. Een belangrijk onderdeel van het doen van belijdenis en van Avondmaal is we ‘de oude mens afleggen’, het afzweren van de Boze. Deze breuk geeft aan dat het oude leven zonder God ingeruild wordt door het nieuwe leven (‘de nieuwe mens aandoen’). 

[13] In de bijbelse zin van het woord, namelijk bedoeld als kern van ons hele bestaan. Ons hart is de kern van ons persoon-zijn. Vandaar uit denken we, voelen we, nemen we onze beslissingen, observeren we. Bekering kan in de Bijbel niet voor niets worden beschreven als het ontvangen van een nieuw hart, waarin de Geest woont.

[14] De basis van het Avondmaal (en de kinderdoop!) is de zekerheid van Gods belofte. We gaan aan het avondmaal in de zekerheid van het geloof dat de Here ook daadwerkelijk zal geven wat Hij beloofd heeft. Vergelijk het met de Wederkomst: de christen leeft met het oog op de verschijning van Christus vanwege de belofte van Christus’ Wederkomst. Het stellige geloof in Gods belofte is gebaseerd op Gods betrouwbaarheid. Als God iets belooft, komt Hij het na.

[15] Dat de belofte van God de basis van het Avondmaal is, is kenmerkend voor de gereformeerde traditie. Niet door middel van brood en wijn ontvangen wij Christus, maar door middel van de belofte van God. Zie verderop bij het sursum corde: het lichaam wordt gevoed met brood, het hart ontvangt door de Geest de in de hemel tronende Christus. De Heilige Geest maakt die belofte waar en zorgt ervoor dat die belofte werkelijkheid wordt. De inhoud van de belofte is, dat Hij ons in Christus aanneemt als Zijn kinderen.

[16] Deelnemen aan het avondmaal is in de gereformeerde traditie een vorm van belijden. Door deel te nemen belijdt en beaamt men Gods belofte. De inhoud van de belofte is, dat Hij ons in Christus aanneemt als Zijn kinderen.

[17] Het ontvangen van  vergeving van zonden van vergeving wordt vaak gezien als het belangrijkste van deelname aan het avondmaal, maar is een onderdeel van de gemeenschap met Christus. In het avondmaal gaat het om de vereniging met Christus: het ontvangen van Christus en Zijn weldaden (waaronder dus de vergeving).

[18] Gezind: het gaat om het voornemen, de bereidheid. In de gereformeerde traditie leeft het besef dat het nieuwe leven gepaard gaat met vallen en opstaan. Deze nieuwe gezindheid komt door de Geest die in de gelovige woont en werkt.
 In dit leven zijn onze beste werken onvolmaakt en met zonden bevlekt (Heidelberger Catechismus antwoord 62). In het gedeelte over de dankbaarheid is de Heidelberger Catechismus positiever van toon. Er is meer aandacht voor de vrucht van het geloof en de mogelijkheid om door ons leven anderen te winnen voor Christus (Heidelberger Catechismus antwoord 86).

[19] Dankbaarheid: het nieuwe leven, dat geleid wordt door de Geest, is een leven van dankbaarheid. Aandacht voor dat nieuwe leven als christen is kenmerkend voor de gereformeerde traditie. In de Heidelberger Catechismus is het grootste gedeelte gewijd aan dit leven vanuit de dankbaarheid.  In dit gedeelte wordt de Wet en het gebed behandeld.

[20] Voor Gods aangezicht wandelen: Bijbelse aanduiding voor een leven in gehoorzaamheid aan de Here.

[21] Tegenovergestelde van huichelarij. Zie noot 11.

[22] Zie noot 11 en 21. 

[23] Zoals verderop blijkt is Avondmaal een onderdeel van de gemeente. Avondmaal vieren heeft ook betekenis voor hoe men met elkaar omgaat. Het tweede belangrijke gebod is: de naaste liefhebben als jezelf.

[24] In Efeze 4 wordt het beeld gebruikt van de oude mens afleggen. Dat houdt in dat men nadrukkelijk afstand neemt van dit oude leven. Vergelijk ook Heidelbergse Catechismus, vraag & antwoord 89: de afsterving van de oude mens bestaat in een oprecht berouw, [vanuit het zelfinzicht dat wij] God door onze zonden vertoornd. Berouw betekent echter ook een afkeer hebben en mijden van de zonden.

[25] Dit gedeelte wordt verkondiging van Gods genade. Op het oog een merkwaardige aanduiding voor een gedeelte, dat de deur dicht doet voor bepaalde mensen. De mensen worden van het avondmaal geweerd in de hoop dat zij breken met het leven dat zij leiden en zich alsnog de genade kunnen ontvangen. De prediking van de zonde leidt als het goed is tot Christus.

[26] De basis van het Avondmaal is de zekerheid van Gods belofte.

[27] Onderdeel van de gemeenschap met Christus is dat zondaren in Christus aangenomen worden als kinderen van God (zie: Romeinen 8).

[28] Het formulier heeft hier deelgenoten. Dit oudere woord benadrukt het geschenk dat de Avondmaalsganger van Christus ontvangt.

[29] De nieuwe gezindheid is afkomstig van de Geest.  De Geest overtuigt ons van zonde, gerechtigheid en oordeel. Vgl. Joh. 16.

[30] Vermanen (het Bijbelse woord voor tucht) heeft twee betekenissen: (1) troosten en (2) corrigeren, vermanen, aanscherpen. De bedoeling om iemand aan te spreken is om de gelovige, die op het verkeerde pad is geraakt aan te sporen weer terug te keren naar Christus. Als de gelovige echter geen gehoor geeft, is er geen ruimte aan de tafel. Er ontstaat dan immers een ondraaglijke tegenstelling: hij wil Christus ontvangen, maar tegelijkertijd niet zijn leven leiden in gehoorzaamheid aan Christus. Een mooi boek dat dit woord vermanen uitwerkt voor de prediking en het pastoraat is: Chr. Möller, Seelsorglich predigen (20033).

[31] De kerk heeft dit gezag van haar Heer ontvangen. Zie de Heidelberger Catechismus, die de sleutels van het hemelrijk behandeld in verband met het Heilig Avondmaal. De gereformeerde traditie kent de mogelijkheid om een gelovige, die ondanks de vele vermaningen hardnekkig blijft volharden in zijn zonde buiten de gemeente te sluiten. Dit buitensluiten hoeft niet definitief te zijn. Als men oprechte berouw aan de Here toont, is er weer de mogelijkheid om opgenomen te worden. Bij dat oprechte berouw gaat het niet alleen om de intentie, maar ook om de getoonde praktijk. Degene die buitengesloten was, dient zich in zijn levenspraktijk te laten zien als iemand die met zijn zondige leven heeft gebroken.
Bij de tucht gaat het natuurlijk wel om gezag aan Christus, niet aan kerkelijke regels.

[32] De wet is de pedagoog (tuchtmeester), die de gelovige bij Christus brengt. Zie Galaten 3:24. In de Naardense Bijbel staat:  zodat de Wet voor ons een opvoeder tot Christus is geweest. Daarom wordt in veel reformatorische kerken de Wet voorgelezen. Zie ook noot 25.
De opsomming is gebaseerd op de Tien Geboden, die in de reformatorische traditie de wil van God verwoorden. Die Tien Geboden zijn daarom ook voor het dagelijks leven de norm. De christen is immers geroepen om te leven naar Gods wil.

[33] Een afgod is: alles waar men op vertrouwt om niet op de Here te hoeven te vertrouwen. In het leven gaat het om één vraag: wat is je enige houvast in leven en sterven? (zie noot 6) Jezus spreekt erover dat we geen twee heren kunnen dienen: niet God en de mammon. De mammon (afgeleid van amen) is niet alleen geld, maar alles waar ons vertrouwen op gestoeld is behalve op het ware fundament (namelijk God).
Hedendaagse christenen kunnen zich bij dit eerste gebod vaak geen voorstelling maken. Om dit actueel te maken, is het goed om aan woorden van de reformator Luther uit de Grote Catechismus herinnerd te worden: ‘Wat betekent: een God hebben of: wat is een God? Antwoord: een God noemt men dat, waaarvan men alle goeds verwacht en waarheen men kan vluchten in alle noden. Daarom betekent ‘een God hebben’ niets anders, dan men van harte op Hem vertrouwt en in Hem gelooft (…).’ Volgens hem zijn er wel degelijk afgoden: ‘Menigeen meent, dat hij God heeft en van alles genoeg, wanneer hij geld en goed heeft, zich daarop verlaat en er zich daarop verlaat en er zich op beroemt, dat hij om niets anders geeft. Zie, deze mens heeft ook een god, die heet Mammon, dat is geld en goed, waarop alleen hij zijn hart gezet heeft; deze is de meest voorkomende afgod op aarde.’ Vergelijk ook HC antw 95: ‘Afgoderij is in plaats van of naast de enige ware God, die zich in zijn Woord heeft geopenbaard, iets anders bedenken of hebben waarop men zijn vertrouwen stelt.’
Zie voor een recente verwerking het nieuwste boek van Tim Keller, Namaakgoden. Vgl: http://www.refdag.nl/artikel/1473145/Tim+Keller+Alles+kan+een+afgod+zijn.html

[34] Het tweede gebod heeft te maken met: (a) hoe wij tegen God aankijken, bijvoorbeeld godsbeelden, (b) met het vereren van God. In beide gevallen moet men zich houden aan wat God in zijn Woord heeft bekend gemaakt. Was in het verleden het dienen en vereren van God vooral een probleem, tegenwoordig is vooral het eerste een probleem. Wat wij over God weten, komt niet op uit onze gedachten of ervaringen, maar uit wat God zelf over zich bekend heeft gemaakt. Een visie op God, waarin geen plaats is voor bijvoorbeeld zijn toorn, voor zijn liefde, voor Christus als de vanuit de hemel gezonden Zoon van God, past niet binnen het christelijk geloof.
In de uitleg van de HC wordt dit gebod op beelden in de kerk betrokken. Dat kan vandaag de dag niet meer, omdat beelden in de kerk niet meer de zeggingskracht hebben die ze in de Middeleeuwen (en in de tijd van de Bijbel!) hadden. Mijn belangrijkste bezwaar tegen dit verband, is dat het tweede gebod buiten werking wordt gesteld en van zijn kritische scherpte wordt ontdaan.

[35] Over het algemeen wordt hier vloeken mee bedoeld. Ook hier geldt: dat is slechts een interpretatie die dit gebod afzwakt. Het vloekverbod is een verburgerlijking van het derde gebod. (Wat niet wil zeggen dat vloeken is toegestaan!)
De Naam van God wordt ontwijd wanneer zijn Naam wordt verbonden aan een aardse zaak en zo die zaak moet legitimeren: God wil het! Dit derde gebod houdt in dat we kritisch moeten zijn naar alles wat zich met de naam ‘christelijk’ tooit. Of het nu gaat om de kerk, een partij, een school, een vorm van politiek of literatuur: de christelijke naam kan een dekmantel zijn, die de heilige Naam schade berokkent. Zich presenteren als christelijk kan nooit zonder zelfkritiek. Dat geldt overigens ook voor kritiek op anderen die zich presenteren als christelijk.

[36] Waarom kan occultisme niet? (a) omdat het een vorm van magie is: willen beschikken over een bepaalde kracht, het willen heersen over God en zijn kracht. Dit geldt niet alleen voor praktijken die duidelijk niet-christelijk zijn. Ook binnen de christelijke wereld kan men hierop stuiten. Bijvoorbeeld in bepaalde vormen van gebedsgenezing en bevrijdingspastoraat. (b) omdat occultisme een zekerheid biedt, die je van God afhoudt. Je laat je in met een sterke macht, waarvan je als christen juist bevrijd was: de duivel en zijn gehele rijk.

[37] Het vierde gebod gaat over de rustdag. In de uitleg van de HC wordt hieraan verbonden dat de verkondiging in standgehouden dient te worden. Overigens spreekt de HC ook over ‘de armen christelijke hulp betonen’. Dat gedeelte wordt in het avondmaalsformulier niet genoemd.

[38] In de HC wordt de uitleg van het 5e gebod breder getrokken: naar alle gezagsdragers. Vanuit de gedachte dat gezag van God afkomstig is en God door middel van gezagsdragers ons regeert.

[39] Ook hier wordt het gebod breder getrokken. De achtergrond van het 6e gebod is dat het leven van God afkomstig is. Dit gebod is ook de reden waarom in het Vroege Christendom christenen geen soldaat konden worden. Ook vandaag de dag zijn er christelijke pacifisten, zoals John Howard Yoder en Stanley Hauerwas. In lijn met dit gebod heeft de christelijke traditie altijd moeite gehad met moord, doodslag, abortus en euthanasie.

[40] De vijand wordt gezien als naaste! Dit houdt echter niet in dat men zich zomaar moet schikken. In zowel het Oude en als het Nieuwe Testament staan gebeden, waarin God wordt gevraagd om wraak te nemen op de vijand. Zie hiervoor: https://mjschuurman.wordpress.com/2009/12/11/wraakpsalmen/

[41] Dit is een typisch christelijke interpretatie van de Tien geboden. Door de komst en het sterven van Christus is verzoening tussen God en mens mogelijk geworden en dient die verzoening de basis te zijn van de verzoening. Net als bij de verzoening tussen God en mens is bij de intermenselijke verzoening het zelfonderzoek, de waarachtige schuldbelijdenis en de boetedoening van belang. Dit gebod wordt slachtoffers vaak voorgehouden. Naar mijn idee is deze uitwerking vooral voor de dader bedoeld. Zoals God niet verzoend moet worden, maar de mens – moet ook het slachtoffer niet verzoend worden, maar de dader. De offercultus in het Oude Testament is er op gericht om de schuld van de dader af te nemen. Verzoening is geen goedkope schuldsanering, waarbij de dader gemakkelijk van zijn schuld afkomt!
Van belang is het om te zien dat de toorn van God vaak gericht is op degenen die niet oprecht hun schuld willen belijden. Dat God de dader vergeeft, betekent nog niet dat het slachtoffer in de kou blijft staan. Er is ook het laatste oordeel waarop God rechtspreekt.