Preek zondag 25 augustus 2019

Preek zondag 25 augustus 2019
Genesis 25:19-34

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn begintijd in Oldebroek, nu bijna 8 jaar geleden, had ik een manier
om te achterhalen hoe het wonen in Oldebroek werd beleefd.
Ik vroeg aan de stelletjes, die ik ging trouwen
of ze blij waren om in Oldebroek te kunnen wonen
of dat ze juist blij waren om weg te kunnen uit Oldebroek.
In het ene geval zei het toekomstige bruidspaar: ‘We zijn blij om weg te zijn.’
In het andere geval: ‘We willen voor geen goud weg uit Oldebroek.’
Twee heel tegengestelde reacties.

Wellicht herken je je in een van die reacties:
Als ik straks voor mijzelf kan kiezen, dan ben ik blij dat ik weg kan gaan.
Helemaal opnieuw beginnen, zonder dat de anderen hier al weten wie ik ben,
me in een hokje stoppen waar ik niet in pas
en als ik iets geks doe daar gelijk over beginnen te roddelen.
Ik wil zo snel mogelijk weg hier.

OF je hebt juist die andere reactie: Ik moet er niet aan denken om weg te gaan.
Hier ben ik opgegroeid. Hier heb ik mijn familie en vrienden.
Ik weet hier hoe de mensen in elkaar zitten.
Dit is mijn thuis. Hier hoor ik.
Hier kom ik weg, veur mien hiele leben

Ben ‘k met dizze horizon verweben


In dit verhaal over Ezau en Jakob gaat het om de vraag:
Hoe kijk je naar de plek waar je vandaan komt?
Hoe waardeer je de plek waar je geboren bent en opgegroeid?
Is dat een plek, die je zo snel je kunt achter je wilt laten,
op zoek naar een plek waar je jezelf kunt zijn, zonder de beperkingen van hier?
Of ben je blij dat je hier geboren bent en ervaar je dat de Heere je hier geplaatst heeft?

Dan niet zozeer deze locatie, maar vooral je thuisbasis in geloof:
Wat je meegekregen hebt thuis aan geloof, aan kennis over God, het leven in de Bijbel, bidden, geloven, het leven met de Heere.
Je krijgt het wel van je ouders mee, maar het pakt je niet, het doet je niets,
je ziet niet in waarom het voor jou is, je zou dat liever achter je laten
en op zoek gaan naar wat wel bij je past.

In het verhaal is Ezau degene die het thuis niet kan vinden.
Ezau heeft een andere levensstijl dan zijn ouders en zijn broers.
Ezau heeft namelijk een bepaalde kennis die zijn ouders niet hebben:
Hij heeft kennis van het jagen. Hij is goed thuis in de jacht.
Daarbij moeten we niet denken aan een hedendaagse jager,
die het jagen vaak als hobby heeft, naast zijn baan, een vaste woonplaats heeft
en alleen op bepaalde dagen gaat jagen.
In Oldebroek heb ik heel wat verhalen gehoord van de oudere generatie,
die zelf jaagden of meehielpen bij de jacht: samen een dag de polder in
en dan afsluiten met een gezamenlijke borrel en dan weer naar huis.
Ezau’s levensstijl is een andere.
Het is een thuis niet kunnen aarden bij zijn ouder en broer.
Dat was geen probleem geweest als hij niet uit een bijzondere familie kwam,
een familie die door de Heere uit een heel ander deel van de wereld hier gebracht was,
een land dat aan hen beloofd was, om hier op deze plek voor andere volken tot zegen te zijn
door het leven met de Heere voor te leven,
te laten zien wie God is en te laten zien welke manier van leven de Heere vraagt.
Als oudste zoon is hij de drager van de erfenis en toch kiest hij ervoor om erop uit te trekken
en thuis voor thuis te laten en alleen maar bezig te zijn met zichzelf.
Koningen in het Oude Nabije Oosten lieten zich graag als jagers afbeelden
om te laten wat voor een geweldenaar ze waren,
Dat niemand tegen hen opgewassen was en niemand aan hen kon ontsnappen.
Hier in dit gedeelte zegt het gegeven dat Ezau kennis van de jacht heeft
ook dat hij voor zichzelf leeft, dat zijn familie hem niets ze zeggen heeft
En al helemaal de zegen van God niet.
Van zijn familie los, van God los. Ik leef voor mijzelf alleen.
De anderen kunnen mij niet schelen.
De roeping die God mij en mijn familie geeft – ik heb er niet zoveel mee.
Ik stippel mijn eigen weg wel uit. Ik ben baas over mijn eigen leven.
De opdracht van God om tot zegen te zijn beperkt mij om te leven zoals ik wil.
Ik hoef mijn thuis niet in God te hebben, maar ik trek rond in de wereld
op zoek naar wat mij aanspreekt, waarvan ik vind dat het mij gelukkig maakt.
Misschien is het jagen ook wel zo aantrekkelijk, omdat je voelt dat je leeft.
De spanning die je hebt als je op jacht gaat: kom ik een dier tegen dat ik kan schieten,
of zal ik met mijn val erin slagen om een dier in de valstrik te lokken?
Op zijn zwerftochten als jager zal hij tot ver in de omgeving hebben rondgetrokken
en gezien hoe het leven bij de Kanaänieten was.
Dat blijkt ook wel later, als hij een vrouw uit de Kanaänieten neemt
en daarmee helemaal openlijk aangeeft, dat hij voor de wereld kiest en niet voor God.
Dat hij zijn achtergrond prijsgeeft, zijn opvoeding van thuis
en dat hij liever kiest voor de Kanaänitische levensstijl,
de stijl die in de Bijbel altijd egocentrisch is, op jezelf gericht, hard en wreed voor anderen,
een levensstijl om de ander te onderwerpen.

Die gevoeligheid voor die harde, wrede stijl van de Kanaänieten zal er al jong in.
Als hij geboren wordt, ziet hij er rood uit.
Dat heeft niet met zijn haar te maken, maar met zijn huid.
Een rode huid is een teken, dat er iets bijzonders is.
Deze jongen kan uitgroeien tot een held. Je mag bijzondere verwachtingen hebben.
Hij heeft ook een andere kant: harig.
En dat geeft hem iets dierlijks.
Twee kanten: een heldhaftige kant en een dierlijke kant – welke kant van hem zal winnen?
Zal hij inderdaad de held worden en iedereen versteld doen staan?
Of zal hij iemand zijn die je vreest, waar je voor uitkijkt, waar je voor uit de weg gaat?
Als hij jager wordt, heeft dat er veel van weg dat het dierlijke aspect wint.
Iemand waar je voor op de hoede moet zijn, die zijn instincten volgt,
op jacht gaat naar een prooi.

In dit verhaal gaat het ook om ons.
Ook wij kunnen twee kanten hebben: een kant die ons boven onszelf doet uitstijgen.
Dan zweef ik op de wind, gedragen door uw Geest en door de kracht van uw liefde.
Of zoals in Psalm 18 staat: Want met U ren ik door een legerbende,

met mijn God spring ik over een muur. (Psalm 18:30)

Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.
Sinds de zondeval ook een andere kant: dat dierlijke,
geneigd om onze driften hun gang te laten gaan,
ons te laten leiden door onze boosheid of verongelijktheid, onze lust, onze pijn.
Een leven zoeken waarop wij meer krijgen voor onszelf,
al moeten we daarvoor ons met de ellebogen omhoog werken
en anderen naar beneden trappen.
Welke kant heeft in ons de overhand. Wat wint er bij ons?
Twee wegen: Welzalig de man die niet wandelt in de raad der goddelozen.
Of de weg van mijn manier?
Worden we een Jakob of een Ezau?

Ja, Jakob staat er niet goed op, omdat hij op een zwak moment van Ezau,
als hij uitgeput, meer dood dan levend, het tentenkamp behaalt
en Jakob zijn kans grijpt om Ezau iets afhandig te maken,
dat alleen Ezau heeft en Jakob zo graag zou willen hebben:
de eerste plek in het gezin en daarmee de erfenis:
het bezit van zijn vader dat later voor een groot deel van Ezau zal zijn.
Jakob wordt vaak gezien als iemand die zijn plek niet kent en meer wil
en niet in staat is om te wachten tot God geeft,
Wat de Heere voor hem, Jakob, bedoeld heeft.
Ik houd ook een andere uitleg voor mogelijk.
Jakob die ziet dat Ezau zijn verantwoordelijkheid als oudste zoon ontloopt
en niets geeft om de opdracht van God om tot zegen te zijn
en zijn schouders ophaalt bij de zegen die God beloofd heeft.
En Jakob maakt zich zorgen, dat als Ezau zo doorgaat,
het gedaan is met zijn familie, zich vermengt met de mensen in de omgeving
en oplost, niet meer bestaat.
En daarmee is ook de weg van God een mislukking – einde voor God op aarde.
Jakob neemt die verantwoordelijkheid wel door niet erop uit te trekken
en voor eten te zorgen.
Dan op een keer ziet hij dat Ezau thuiskomt.
Het kan zijn dat hij Ezau er wel op aangesproken heeft:
Ezau, jouw manier van leven berokkent ons schade, is een minachting voor God,
Ezau, je bent mijn broer, maar jouw manier van leven brengt je niets.
Want de weg van de goddeloze loopt dood.
Ezau, op de weg die jij gaat, vind je de dood. Daar vind je het leven niet.
Het brengt je niets.
Er is een bijzonder gezang voor het Liedboek voor de Kerken,
dat sinds ik het voor het eerst hoorde mij altijd is bijgebleven,
omdat het iets van het rusteloze zoeken van mensen verwoordt:
Hij overmant de wilde dieren,
vaart uit op zeeën en rivieren,
doorzoekt der aarde donkre schoot.
Ja, hij snelt voort op hoge winden
om de allerlaatste grens te vinden.
Zo vindt hij onverhoeds de dood.
Altijd maar op zoek gaan. Altijd maar kijken of je niet meer kunt vinden.
Als een grens wordt aangegeven, niet stoppen, maar kijken of je toch verder kunt.
Zo vindt hij onverhoeds de dood.
Zo is het met Ezau ook: meer dood dan levend komt hij aan.
Zijn manier van leven, zijn kennis van de jacht, levert het niets op,
laat hem gruwelijk in de steek.
Het scheelt niet veel of zijn leven is voorbij.
In die conditie klopt hij thuis aan.
Als een verloren zoon, die beseft dat hij te ver gegaan is,
met zijn manier van leven zo’n groot risico genomen heeft,
maar dat risico altijd weggewuifd heeft, omdat hij in zichzelf geloofde.
Hij hoefde God niet, want hij kon zichzelf wel bedruipen.
Zo vindt hij onverhoeds de dood.
Maar dan is thuis er nog. Zo klopt hij thuis aan,
De man die niet thuis wilde zijn, maar erop uit trok om elders te vinden.
Nu heeft hij thuis nodig om in leven te blijven, om überhaupt te kunnen bestaan.
Maar zijn manier van thuiskomen heeft iets onverschilligs:
Geef me dat rode daar.
En als Jakob voorstelt om het eten te ruilen voor het eerstgeboorterecht,
laat hij zien dat het eerstgeboorterecht hem niets kan schelen,
zo gefixeerd is hij op het eten:  als hij maar in leven blijft.
Het dierlijke komt in hem boven. Hij wil dat rode opschrokken, als een dier.
Al het menselijke is hij kwijt.
Meer een wolf, die leeft door zijn instinct om te eten en zo in leven te blijven.
Dan maakt het niet uit wat je eet en welke prijs je ervoor betaald.
Ik sluit niet uit, dat het een test van Jakob is,
een provocatie om tot Ezau door te dringen.
Ezau, jager die ondanks al je kennis van de jacht met lege handen thuis komt,
lucht en leegte, alleen meer leegte, jouw manier van leven.
Weet je dan niet dat je hier een taak hebt,
Een taak die God je opgedragen heeft, omdat je als eerste geboren werd.
Wat maak je ervan waar?
Steeds zijn er twee wegen, twee manieren van leven waaruit je als mens kunt kiezen.
De ene is de weg die God wijst, die de Heere opdraagt om te gaan.
De andere is de weg, die je als mens zelf kiest, omdat je Gods weg niet wil gaan,
Gods opdracht om op zijn manier te leven als een beperking wordt ervaren
en niet als een manier van leven, waarop je door God gezegend wordt,
omdat Hij meegaat.

Wat Jakob hier Ezau voorhoudt, zijn ook de twee wegen
die Christus voorhoudt uit Mattheüs 7: de brede en de smalle weg.
De brede weg is makkelijk te vinden en velen kiezen voor die weg.
De smalle weg is moeilijk te vinden, die ga je voor je gevoel alleen,
niemand die met je meegaat.
Het is de opdracht die Jozua voorhoudt: Kies heden wie u dienen wilt.
Welke weg kiest u, kies jij?
Er is één weg die het leven brengt, de weg van God.
Jakob begreep dat, al was ook hij gevoelig om zelf zijn weg uit te stippelen.
Ezau haalde zijn schouders op/
Het wordt ons niet verteld om nu eens een stevige mening over Ezau te hebben,
maar zodat wij naar onszelf gaan kijken.
Het is God die ons die keuze voorhoudt.
Het is Christus die ons roept om de juiste weg te gaan,
die de juiste weg heeft voorgeleefd en voor ons gebaand.
Zodat ook wij die weg kunnen gaan.

 

Heer, wijs mij uw weg en leid mij als een kind

dat heel de levensweg slechts in U richting vindt. 

Als mij de moed ontbreekt om door te gaan,

troost mij dan liefdevol en moedig mij weer aan.

 

Heer toon mij uw plan; maak door uw Geest bekend

hoe ik U dienen kan en waarheen U mij zendt.

Als ik de weg niet weet, de hoop opgeef,

toon mij dat Christus heel mijn weg gelopen heeft.
Amen

 

Moeten mannen over hun innerlijke gevoelens kunnen praten?

Moeten mannen over hun innerlijke gevoelens kunnen praten?
– Pastoraat aan en door mannen; Blog 2

In mijn vorige blog, waar ik een introductie gaf op pastoraat aan mannen, meldde ik dat mannen vaak anders communiceren dan vrouwen. Mannen communiceren over hun innerlijke gevoelens door te vertellen over wat zich buiten hen afspeelt. De vraag die daarbij opkomt is: moeten mannen wel over hun innerlijke gevoelens kunnen praten?

(Een intermezzo, omdat ik even afstap van de lijn van het boek van Kuratle & Morgenthaler) 

Voordat ik iets meer zeg over deze vraag, eerst even een voorbeeld van hoe mannen praten over hun innerlijke gevoelens door te praten over iets dat buiten hen is:

Een keer klaar
Een predikant-in-opleiding komt in het ziekenhuis op bezoek bij een man van 33, die een bedrijfsongeval heeft gehad. Als de predikant-in-opleiding de zaal betreedt, staat de man bij het raam en kijkt naar buiten. Wanneer de predikant-in-opleiding aan de man vraagt hoe het gaat, vertelt hij dat hij nog een keer onder het mes moet, omdat zijn arm niet wil.

Patiënt: ‘Ik weet dat mijn elleboog stijf blijft. Daar heb ik mij al bij neergelegd. maar nu moet het toch een keertje klaar zijn? Misschien kan ik mijn arm helemaal niet meer gebruiken of moet mijn arm eraf. Weet u, dominee, dan vraag je je toch echt af of onze lieve Heer dat wel wil? Ik kan toch niet voor invalide gaan spelen? Met 33 jaar arbeidsongeschikt zijn? Nee, dat wil ik niet?’
Predikant-in-opleiding: ‘Ben je bang dat je niet meer zult kunnen werken?’
Patiënt: ‘Niet meer is teveel gezegd. Maar aan een bureau hangen en rekeningen betalen, dat is niets voor mij.’
Predikant-in-opleiding: ‘Misschien heeft je baas nog wel ergens een plek voor je, waar je kunt doen wat je wel leuk vindt?’
Patiënt: ‘Ach, dan moet ik steeds mijn arm meeslepen. Dan vraag je je toch af, waar ik het aan verdiend heb om met 33 jaar al invalide te zijn? Of kijk naar die Pool’ (hij wijst naar de man verderop in de zaal. ‘Hij is hier gekomen omdat hij hier een paar cent meer kon verdienen dan thuis. En nu heeft hij bij een bedrijfsongeval zijn beide benen verloren. Heeft thuis vrouw en kinderen? Dan vraag je je toch af: waarom zit deze wereld zo in elkaar?

Wel aangevoeld?
Als de predikant-in-opleiding dit gesprek in zijn intervisiegroep inbrengt, komt de vraag op of hij wel aangevoeld heeft wat de man, die hij bezocht, bezig hield. Er is een gesprek over het verlies van zijn arm en van zijn werkplek. Hij verwijst ook naar een man die ook een ernstig bedrijfsongeval heeft gehad. Wat houdt de man bezig?

Het is niet zijn verlies van werkplek, want daar is nog wel een mouw aan te passen. Het gesprek begint ermee, dat hij zich afvraagt of hij nu niet genoeg operaties heeft ondergaan. Hij meldt dat hij onzeker is of hij zijn arm nog wel kan behouden. Nu heeft hij zijn arm nog wel. Verderop in zijn gesprek verwijst hij naar iemand die al wel lichaamsdelen is kwijtgeraakt.

Bang
Dat geeft het vermoeden dat deze man bang is om zijn arm te verliezen. Hij wil heel graag zijn arm behouden en heeft zich erbij neergelegd dat zijn arm niet helemaal meer zal doen wat hij wil. Blijkbaar is hij bang dat hij, als zijn arm moet worden geamputeerd, hij meer verliest dan zijn arm. Wellicht iets aan zijn status als goede werknemer, als man, als sporter. Of vul maar in.

De angst dat zijn lichaam niet meer compleet zal zijn en dat hij daardoor aan status verliest, verwoordt hij door te vertellen over de operatie, over zijn arm die niet wil en zijn zaalgenoot die uit Polen komt en reeds twee benen is kwijtgeraakt.

Noodzakelijk?
Is het nodig dat hij over zijn innerlijke gevoelens weet te praten? Is het voor elke man noodzakelijk om dat te kunnen? Moet je als gesprekspartner niet accepteren dat het typisch iets voor mannen is om dat niet te kunnen?


De rol van innerlijke gevoelens
Om daar een antwoord op te kunnen geven, is het nodig om te kijken naar de rol die innerlijke gevoelens spelen. Innerlijke gevoelens geven vaak feilloos aan hoe iemand zich op een bepaald moment of in een bepaalde situatie voelt.

Zeker in gesprekken en relaties spelen de innerlijke gevoelens een rol. Zij laten voelen of iemand blij is met de opmerking van een gesprekspartner. Of registreren dat iemand door een opmerking, door een gebaar of een gezichtsuitdrukking wordt herinnerd aan iemand anders, die een belangrijke rol in zijn of haar leven speelde.

‘Doe de deur even dicht!’
Als een vrouw in de woonkamer tegen haar man zegt: ‘Doe de deur even dicht!’ kunnen daar verschillende innerlijke gevoelens bij bovenkomen.
Het kan het gevoel zijn van hulpvaardig willen zijn. De opdracht kan ook een gevoel van irritatie opleveren, omdat er sinds hij is thuisgekomen nog niet het idee heeft gehad dat er echt contact is geweest. Ze heeft hem niet echt gezien sinds hij thuisgekomen is en nu heeft ze hem opeens nodig, omdat ze zelf niet naar de deur wil lopen.

De opdracht of de intonatie kan herinneren aan zijn eigen moeder, met wil de man niet echt een goede band had, omdat hij steeds weer klusjes moest doen zonder dat hij voelde dat zijn moeder hem waardeerde. De opdracht kan verkeerd vallen, omdat de man vindt dat het er op lijkt dat zijn vrouw hem probeert op te voeden. Hij doet de deur niet dicht en denkt bij zichzelf: ‘Ik ben geen kind!’

Stemming
Een eenvoudige opdracht kan dus verschillende innerlijke gevoelens oproepen, die signaleren hoe de relatie op dat moment is tussen de man en de vrouw. Die gevoelens geven ook aan hoe de stemming van de man is. Deze gevoelens sturen de reactie van de man aan.

Als hij het gevoel heeft dat hij zich nuttig kan maken, zal hij wellicht vrolijk aan tafel gaan bij de maaltijd. Wanneer hij het gevoel heeft, dat zijn vrouw hem nog niet echt gezien heeft, zal hij met een innerlijke distantie aan tafel gaan en zich afwezig gedragen of kribbig reageren op alles wat zijn vrouw zegt.

Wanneer hij vindt dat zijn vrouw hem als een kind probeert op te voeden, kan hij zich kinderachtig gedragen. Ook als zijn vrouw hem ergens herinnert aan zijn dominante moeder, zal de man niet gelukkig aan tafel zitten en op zijn hoede zijn.

Waarnemen van innerlijke gevoelens
In contacten en relaties is het daarom belangrijk om de innerlijke gevoelens waar te nemen en te luisteren wat zij te zeggen hebben. Want zij geven aan hoe je je op dat moment in die relatie bevindt en wat er allemaal speelt.

Het ingewikkelde is vaak, dat die gevoelens onbewust waargenomen worden. Iemand voelt wel dat er iets aan de hand is, en merkt ook dat hij vanuit die gevoelens reageert. Vaak gebeurt dat echter zo impliciet en tussen de regels, dat de ander nooit opmerkt wat er aan de hand is.
Behalve dat de relatie stroef verloopt. ‘Er is weer wat op zijn werk gebeurt en hij reageert het op mij af’, denkt de vrouw. Ze voelt zich gepikeerd, want ze heeft haar best gedaan op de maaltijd om te laten zien dat ze echt voor haar man wil zorgen. Ze vindt dat hij ondankbaar is.

Niet geleerd
Mannen hebben vaak niet geleerd hun innerlijke gevoelens waar te nemen en daarnaar te luisteren. In hun opvoeding werd daar niet over gesproken. Ze hadden geen vader die dat deed. Als vrienden onderling, praatten ze over heel wat andere zaken. Onbewust kregen ze misschien mee, dat een man die zijn emoties toont een zwakkeling is en ze grendelden de toegang tot hun innerlijk af. Of ze schaamden zich voor hun innerlijke gevoelens, omdat het geen fijne emoties waren: schaamte, boosheid, wrevel. Of het is onmacht om aan te kunnen haken de gesprekken aan tafel, omdat er al van binnen een distantie was.

Congruentie
In de psychologische hulpverlening is congruentie van belang. Congruentie betekent, dat iemand in staat is om waar te nemen wat er in een situatie of na een opmerking van binnen gebeurt. Congruentie betekent ook dat iemand naar aan de ander in het gesprek of in het contact laat merken wat er van binnen gebeurt.

Zonder verwijt
Als een man in de opdracht van zijn vrouw om de deur dicht te doen, het gevoel heeft dat zij hem nog niet echt heeft gezien, kan hij dat verwoorden. Als iemand net naar zijn gevoelens heeft leren luisteren, zal dat als een verwijt gebeuren: ‘Hé, je merkt dus toch dat ik er ben.’ Hoe klinkt het zonder verwijt? ‘Ik merk dat we samen een belangrijke stap is overgeslagen. We hadden even moeten signaleren dat we er weer zijn. Ik ben binnengestapt zonder te signaleren dat ik thuis ben en jij hebt had ook duidelijker kunnen laten weten, dat je zag dat ik er weer was.’ Dan komt er ook ruimte om te vertellen, waarom iemand zo binnenstapt of de ander niet nadrukkelijk reageert op de binnenkomst.

Verwoorden
Is het noodzakelijk dat een man over zijn innerlijke gevoelens kan spreken? Noodzakelijk niet, maar het maakt een relatie wel eenvoudiger als hij in staat is om te verwoorden wat er van binnen speelt.

Daarbij kan het nodig zijn dat de gesprekspartner ook een stap zet naar de man toe, die niet goed in staat is om zijn innerlijk waar te nemen. De vrouw had de binnenkomst van haar man wat nadrukkelijker kunnen signaleren. Door even te stoppen met haar werkzaamheden. Door oog en oor te hebben voor hoe zijn dag was en door te laten merken dat ze het fijn vindt dat hij er weer is. Door hem te helpen om de omschakeling van zijn werk naar thuis te maken, zodat hij thuis ook echt aanwezig kan zijn als aanwezige echtgenoot en vader.

Bouwstenen voor conflict
Het is daarbij van belang om de manier van communiceren van zichzelf en van de ander te begrijpen. De vrouw kan bij binnenkomst van haar man ook allerlei innerlijke gevoelens waarnemen, die bouwstenen opleveren voor een conflict. Omdat zij zich niet gezien voelt. Omdat hij aan haar vader doet denken. Omdat zij voorziet dat de maaltijd weer een bron van ergernis wordt. Omdat zij denkt: ‘Moet ik hem alweer opvoeden?’

Van belang is ook om goed te luisteren en te registreren wat de man zegt en aan te voelen, waarom hij dat zegt. Niet door in te vullen, maar ook door te checken of een bepaalde gedachte klopt. In het gesprek met de man in het ziekenhuis had de predikant-in-opleiding verscheidene mogelijkheden aan te haken bij wat de man letterlijk zei en daarmee de gevoelslaag aan te boren, die de man eigenlijk wil communiceren:
– ‘Nog een operatie…!’
–  ‘Je arm wil nog steeds niet!’
– ‘Je bent er voorlopig nog niet klaar mee!’
– ‘Dat ongeval heeft echt een impact voor je!’
– ‘Zo, dat is niet niets.’
– ‘Na die operatie moet alles goed zijn?’
Wanneer een pastor in staat is om door middel van de juiste woorden de gevoelslaag te bereiken, geeft de pastor erkenning aan de man. Door die erkenning is de man meer in staat om zijn angst waar te nemen. De pastor helpt dan ook de patiënt om te vertellen wat hem hem werkelijk bezig houdt.

Tempo in het gesprek
Wat ik nog niet verwerkt heb, is het tempo in gesprekken. Omdat mannen vaak niet geleerd hebben om naar hun innerlijke gevoelens te luisteren, kost het hen tijd om in een gesprek antwoord te geven op een vraag naar hoe zij iets zien of beleven. Daarbij komt dat ze vaak ook testen of het gesprek veilig genoeg is om wat zij zelf vinden in te brengen. Is het gesprek niet veilig genoeg, dan trekken ze zich uit een gesprek terug. Of kiezen ze ervoor om over hun innerlijke gevoelens te praten door iets dat zich buiten hen afspeelt. Daarom is ook de Rogeriaanse voorwaarde acceptatie van groot belang voor een goed gesprek.

Verwijzingen naar andere blogs:
– Een psychologisch model van gespreksvoering, waarbij nadrukkelijk naar de innerlijke emoties gekeken wordt, is het model van Friedemann Schulz von Thun.

 

 

Pastorale gesprekken met mannen

Pastorale gesprekken met mannen
– blog 1: introductie

Waar blijven de mannen? Het viel David Kuratle en Christoph Morgenthaler dat mannen in pastorale gesprekken vaak ontbreken. Kuratle en Morgenthaler zijn beiden theoloog met een grondige training in psychologische hulpverlening. Kuratle is predikant en Morgenthaler hoogleraar praktische theologie. Beiden hebben ze zich bekwaamd in de systematische benadering: aandacht voor de gesprekspartner in het pastorale gesprek of de therapeutische sessie in het geheel van de relaties die iemand heeft. Juist vanuit hun ervaring in de systematische benadering viel het hen op dat de mannen in pastorale gesprekken ontbreken.

Daarbij ligt het voor de hand om te denken dat mannen zelf geen behoefte hebben aan een pastoraal gesprek. Volgens cijfers van het telefoonpastoraat is slechts 30% van de bellers een man. Morgenthaler en Kuratle schatten dan ook dat zo’n 30% van de pastorale gesprekken binnen de gemeente door een man wordt aangevraagd.

David_Kuratle
David Kuratle

Niet aanwezig hoeft te zijn
Ze signaleren echter dat het ontbreken van de mannen in het pastoraat ook vanuit een andere zijde komt. Het komt nogal eens voor dat vrouwen die om een pastoraal gesprek vragen of zich voorbereiden op een kerkelijke gebeurtenis, zoals de doop, aangeven dat hun echtgenoot niet bij het gesprek hoeft te zijn. Hun echtgenoot is niet zo geïnteresseerd in de kerk, in het geloof, of spreekt er niet zo makkelijk over. Of kan juist de confrontatie zoeken als iemand van de kerk langs komt.
41LnJDxb3fL

In een systematische benadering is het van belang dat er aandacht is voor alle personen een een (gezins)systeem. Als de echtgenoot, die toch een belangrijk persoon in het gezinssysteem afwezig is tijdens een gesprek, kan hij zijn eigen visie niet geven. Er wordt door zijn echtgenote voor hem besloten dat hij niet geïnteresseerd is.

Ogenschijnlijke desinteresse
Het kan ook zijn dat achter de ogenschijnlijke desinteresse iets heel anders schuil gaat: De echtgenoot heeft niet de vaardigheid om aan de gesprekken over de kerk en het geloof mee te doen. De echtgenoot heeft heel andere verwachtingen van de kerk of andere beelden van God, maar voelt niet de ruimte om zijn perspectief in te brengen. De manier waarop het in de kerk gaat, spreekt hem niet aan. Hij mist de aansluiting met de andere mannen in de kerk. De levensvragen waar hij mee bezig is, komen niet aan de orde. De manier, waarop over mannen gesproken wordt, hun idealen, hun angsten en worstelingen doet geen recht aan wat hij beleeft. De desinteresse is een manier om zijn onmacht en onvermogen om over zijn eigen geloof, gevoelens of inzichten te spreken te camoufleren.
morgenthaler
Christoph Morgenthaler

Een andere benadering
Het zou wel eens kunnen zijn dat een andere benadering mannen wel de mogelijkheid geeft om betrokken te zijn op de kerk of een plek te geven in het pastorale gesprek. Ze schreven daarom samen het boek: Pastoraat aan en door mannen. Impulsen voor een pastorale praktijk die gevoelig is voor gender.

Kuratle & Morgenthaler willen zich niet beperken tot pastorale gesprekken met mannen alleen, maar zich richten op allerlei soorten ontmoetingen waarin mannen betrokken zijn. Ze hopen bij te dragen aan een pastorale praktijk in de kerken die sensibel is voor wat mannen bezighoudt.

Vraagstelling
De vraagstelling in het boek is: Welke mogelijkheden zijn er om het pastoraat zo vorm te geven dat mannen ruimte ervaren waarin hun interesses, vragen en verlangens serieus genomen worden en zij in geestelijk opzicht een stap verder kunnen zetten?

Daarbij komen een aantal vragen om de hoek kijken: Is er een verschil op te merken tussen pastorale gesprekken met mannen en pastorale gesprekken met vrouwen? Is er een verschil op te maken in manier waarop het gesprek gevoerd wordt en welke thema’s daarin aan de orde komen? Welke vragen en thema’s houden mannen eigenlijk bezig. Kuratle en Morgenthaler geven aan, dat deze vragen gek genoeg zelden zijn gesteld.

Theologische doordenking ontbreekt
Bovendien ontbreekt er een theologische doordenking van wat het betekent om man te zijn. Dit ondanks de kerkelijke mannenbeweging, die al enkele decennia binnen de kerk actief is. En ondanks de inzichten van de feministische theologie, die ook in het kader van het pastoraal veel inzichten heeft opgeleverd.

Minderheid in de kerk
In de laatste decennia is een kentering in de kerken waar te nemen. Mannen zijn in het kerkelijke leven vaak minder aanwezig dan vrouwen.  Op steeds meer plekken is het zo, dat vrouwen meer kerkelijke taken voor hun rekening nemen dan mannen. We gaan naar een tijd, waarin het merendeel van de predikanten vrouw is. Morgenthaler en Kuratle verbazen zich erover dat er nog geen onderzoek gedaan is, hoe dat voor mannen is om man tot de minderheid binnen de kerk te behoren of als man pastor te zijn in een kerk waarin het merendeel van de actieve personen vrouw is.

A-typisch persoonlijkheidsprofiel
Maar is de kerk in de afgelopen eeuwen niet altijd gedomineerd door mannen? Dat is wel zo, maar het is goed om te beseffen dat het vaak om een bepaald type mannen gaat. Zoals studies sinds de jaren-’90 laten vermoeden, ontmoeten mannen vaak pastores die in hun mannelijkheid afwijken van het gros van de andere mannen. Mannen die in de kerk werken hebben vaak in vergelijking met andere mannen een a-typisch persoonlijkheidsprofiel. Ook met mannelijke dominantie in de kerk kunnen mannen afhaken, omdat ze in de aanwezige mannen of de mannelijke predikanten hun manier van man-zijn niet terug zien.

Traditioneel beeld loslaten
Is pastoraat wel iets voor mannen? Volgens Kuratle en Morgenthaler is het in de ontmoeting met mannen niet verstandig om een traditioneel beeld van pastoraat te hebben. In onderzoeken verwoorden ze zich vaak minder religieus dan vrouwen, terwijl het maar de vraag is of ze minder religieus zijn. In hun zoektocht naar zin gaan ze vaak liever eigen wegen.
In hun boek laten Kuratle en Morgenthaler zien dat mannen vaak meer vragen over geloof en de kerk (zoals de theodicee) hebben dan vrouwen en dat ze zich daardoor meer op een afstand houden van kerk en geloof, omdat ze geen ruimte voelen hun vragen te uiten of te houden.
19f8a7
In pastorale gesprekken met mannen moeten daarom soms nieuwe wegen ingeslagen worden, of duidelijkheid gegeven worden wat pastoraat is. In een aantal gevallen is pastoraat niet vanzelfsprekend en moet er ‘gestoeid’ worden om helder te krijgen wat pastoraat is of zelfs flink ‘gestoeid’ worden om een pastoraal gesprek voor elkaar te krijgen.


Geen kant-en-klare uitspraken
In pastorale gesprekken werkt het vaak niet om theologische uitspraken kant-en-klaar in het gesprek te droppen. Ook in gesprekken met mannen gaat dat niet werken: theologische uitspraken slaan dood of bewerken het tegendeel als ze niet in het proces van het gesprek betrokken zijn of in respect, empathie en authenticiteit tot uitdrukking komt. Alleen als dat gebeurt wordt iets van het wezen van het evangelie zichtbaar.


Innerlijke gevoelens
Voor predikanten zijn pastorale gesprekken met mannen niet altijd eenvoudig, omdat ‘mannen vaak over hun innerlijke gevoelens spreken door over iets in de wereld buiten hen te spreken. Zij ordenen hun innerlijke wereld door de buitenwereld te ordenen.’ De weg van de Seelsorgebewegung is duidelijk: aan mannen moet dmv accepterende en empathische toewending door (gesprekken over) deze buitenwereld heen een weg naar het innerlijk worden geopend. Of mannen hun innerlijke wereld kunnen en willen openen, wordt verder geëxploreerd.

‘Kunstmatige vereenzaming’
Volgens de psychotherapeuten W. Neumann & B. Stüfke hebben mannen in hun socialisatie geleerd om juist over uiterlijke dingen te spreken wanneer ze eigenlijk over hun innerlijk (willen) spreken. Zij hebben geleerd om zich van hun innerlijk te distantiëren. Voor therapie met mannen betekent dat vaak een confrontatie om hen uit hun “kunstmatige vereenzaming” te lokken. In deze confrontatie sluit de therapeut letterlijk aan bij wat de man zegt. De therapeut wordt dan als bedreigend, brutaal of “een moment lang als vijand” beleefd. Doel van deze confronterende benadering is om in direct menselijk contact met de gesprekspartner te komen en de cliënt in staat te stellen meer contact met zichzelf te vinden.

Inzichten uit de psychotherapie met mannen
Volgens Kuratle en Morgenthaler zijn de volgende inzichten vanuit de therapeutische gesprekken met mannen van belang:

(1) Zelfreflectie als basis: Het is van belang dat een therapeut gereflecteerd heeft (en dat in de therapeutische gesprekken ook blijft reflecteren) op hoe zijn of haar eigen biografie als man of als vrouw is gevormd, welke manier van waarnemen hij of zij heeft, hoe hij of zij handelt. Daarmee kunnen zij mannen, die in hun socialisatie en in de maatschappij waarin ze leven tegenstrijdige visies op hun rollen meegekregen hebben, op een open manier ontmoeten. Door zelf gereflecteerd te hebben kunnen zij de mannen, die bij hen in therapie komen, helpen om kritisch met hun eigen beelden over hun mannelijkheid om te gaan en hen aanmoedigen om hun leven zo te leiden, zoals ze zelf zouden willen.

Houding
(2)
Houdingen: Echtheid, acceptatie en empathie zijn voorwaarden om het vertrouwen van mannen te krijgen, om zich aan het tempo van mannen aan te passen en om met hun nieuwe gedragingen die voor hen ongewoon zijn te oefenen.

Mannen waarderen discussie, uitdaging en confrontatie, die hen ertoe brengen om de vanzelfsprekendheden die ze hebben ter discussie te stellen. Dit kan hen helpen om bolwerken van afweer te verlaten en een nieuwe weg te wagen. Een omzichtige omgang met (gevoelens van) schaamte helpt hen om zich te openen. Humor, gevoel voor het absurde en woordkunst helpen om hen weg te lokken bij wat zich bij hen heeft vastgezet aan gewoonten, beelden, gedragingen.

Meervoudig partijdig zijn helpt mannen om zich in hun relaties op een nieuwe manier te zien en hen in beweging te brengen.

Relaties
(3) Vormen van relaties en reflectie op relaties: Een gescherpte opmerkzaamheid voor vormen van overdracht en tegenoverdracht, waar speciaal mannen mee te maken hebben, voor macht en concurrentie, voor nabijheid en erotiek schept voorwaarden om vastgeroeste patronen en beelden over wat een man is of hoort te zijn opnieuw te overdenken. Het is handig als een therapeut in staat is om te spelen met de gebruikelijke therapeutische regels, om mannen zover te krijgen dat zij bereid zijn om zich te veranderen of anders te gedragen.

Sinds de eeuwwisseling komen therapeuten in toenemende mate mannen tegen, die minder door het traditionele beeld van mannen is gevormd. Zij engageren zich meer in hun gezin, hebben makkelijker toegang tot hun emoties en hebben begrip voor een gelijke behandeling. Zij zijn eerder bereid om zich in (relatie)therapie in te zetten. Ondanks deze verandering hebben ze nog wel te maken met tegenstrijdige beelden over wat een man is of hoort te zijn.

Volgende bijdrage: een intermezzo over de vraag of mannen wel over hun emoties moeten kunnen spreken.

N.a.v. David Kuratle & Christoph Morgenthaler, Männerseelsorge. Impulse für eine gendersensible Beratungspraxis (Stuttgart: Verlag W. Kohlhammer, 2015) 7-32.

Jakob en Ezau en de ruil met een bord linzensoep

Jakob en Ezau en de ruil met een bord linzensoep
Uitleg van Genesis 25:19-34

Het verhaal van Ezau en Jakob is het verhaal van twee rivaliserende broers. Wie het verhaal ooit in een kinderbijbel heeft gelezen, zal er een moralistische uitleg van het verhaal hebben meegekregen: Jakob die zijn broer Ezau slinks het eerstgeboorterecht afneemt.

Nu kan ik dat bij een kinderbijbel nog wel begrijpen, omdat die vaak geschreven zijn in een tijd waarin er nog geen aandacht was voor bijbelse vertelkunst. Doordat in die kinderbijbels geen aandacht wordt geschonken aan de manier waarop er verteld wordt, wordt er in het verhaal vaak een moralistische boodschap meegegeven. Ook veel hedendaagse commentaren, die wel aandacht hebben voor de manier waarop er verteld wordt, geven aan het verhaal van Ezau, die zijn eerstgeboorterecht inruilt voor een bord soep, een moralistische draai en verwijten Jakob dat hij een zwak moment van Ezau gebruikt om hem uit te schakelen. In de manier waarop het verhaal verteld wordt, zitten echter genoeg aanwijzingen voor een andere boodschap.

Nageslacht van Izaäk
Allereerst begint het verhaal met de aanwijzing dat het nu over het nageslacht (toledoth) van Izaäk gaat. Dit is de 8e keer dat het gebeurt. Met de toledoth van Izaäk, die in feite over Jakob gaan, begint het achtste hoofdstuk van Genesis. Deze achtste inzet volgt op het nageslacht van Ismaël, de oudste zoon van Abraham. Voor deze oudste zoon, geboren uit de slavin Hagar, is de erfenis van Abraham niet. Die erfenis van Abraham bestaat niet alleen uit het bezit van Abraham, maar ook uit Gods belofte aan en opdracht voor Abraham (Genesis 12).

Ismaël blijkt een groot nageslacht te krijgen: net zoveel zonen als Jakob zal krijgen. Zijn zonen brengen koningen voort, die over een groot gebied regeren. Het nageslacht van Izaäk steekt daar schril bij af. Izaäk trouwt vrij laat: op zijn 40e. De eerste twintig jaren van het huwelijk komen er ook nog eens geen kinderen. Izaäk moet een appèl doen op God voor zijn vrouw.

Broederstrijd
Als Rebekka uiteindelijk wel zwanger wordt, wordt zij tijdens haar zwangerschap verscheurd door de strijd tussen de twee zonen. Zij gaat bijna aan die strijd ten onder en in haar wanhoop roept ze het uit: Als dit zo is, waarom overkomt mij dit? Haar lijden noopt haar om de Heere te raadplegen. Het antwoord van God is weinig geruststellend: de strijd zal na de geboorte zich voortzetten, zelfs in de strijd tussen twee volkeren. De jongste zal net zo lang strijden tot hij de oudste de baas is.

Ambivalent
Dan wordt de tweeling geboren: twee jongens. De eerste jongen is een bijzondere jongen: hij is rood van kleur. Die rode kleur heeft geen betrekking op zijn haren, maar op zijn huid. Een rode huid is het teken van een speciale voorbestemming. Deze pasgeborene zou wel eens een bijzonder leven kunnen krijgen, zelfs uitgroeien tot een held.

Deze jongen heeft echter een ander kenmerk, dat juist een heel tegengestelde weg doet vermoeden: deze jongen is heel harig. Dat geeft de jongen iets dierlijks. Ezau heeft vanaf zijn geboorte al iets ambivalents: zal hij uitgroeien tot een held, of zal net bij als koning Nebudnezar het dierlijke de overhand krijgen? Ezau is iemand tegen wie je op gaat kijken en tegelijkertijd iemand voor wie je op je hoede bent.

Jakob
Als zijn broer geboren wordt, blijkt hij de hiel van Ezau vast te hebben. Is dat al een signaal dat de strijd na de geboorte verder gaat? Zijn ouders hebben daar wel iets bijzonders in gezien, want ze geven een naam die dat vasthouden van de hiel in herinnering houdt: Jakob. Overigens, bij de verklaring die in het Oude Testament gegeven worden bij een naam gaat het vaak niet om een letterlijke betekenis, maar om een associatieve overeenkomst. De naam Jakob zou eerder met Jakob-El in verband gebracht kunnen worden. Dan is de betekenis: “God die beschermt”.

Jager
De oudste zoon wordt jager. Of zoals verteld wordt: een kenner van de jacht, een man van het veld. Jagen heeft in het Oude Testament niet iets onschuldigs: Nimrod was een jager. Het gegeven dat Ezau jager wordt, geeft aan dat hij trekken van de nakomelingen van Kaïn krijgt, in de buurt komt van Nimrod. Hij zwerft zoveel rond, dat hij de omgeving kent. Als oudste zoon had zijn plek thuis moeten zijn: als rechterhand van zijn vader had hij mede de leiding over de groep nomaden met hun vee, in een gebied waarin je als nomade op de hoede moest zijn voor de andere volkeren die er wonen. Denk aan de vele conflicten, onder andere over het gebruik van land en van bronnen.

Opvoeding op losse schroeven
Ezau ontloopt die verantwoordelijkheid en trekt rond. Daarmee wordt hij als jager een persoon, die zich niet aan zijn thuis gelegen laat. En daarmee ook zijn opvoeding op losse schroeven zet en laat zien dat wat zijn ouders hem meegegeven en de identiteit van de groep hem weinig deren. Brengt hij met de jacht en het verwaarlozen van de leiding geen schande over deze groep nomaden? Laat hij niet zien dat hij zich liever buiten deze groep plaatst dan met hen op te trekken en hun lot te delen? Daarmee geeft hij aan, dat hij ook niets geeft om de belofte dat ze van God een plek hebben gekregen. En ook dat hij er niets om geeft dat ze van God een opdracht hebben gekregen om als nageslacht van Abraham tot zegen van de volkeren te zijn.

Individualist
Ezau is een individualist, die alleen aan zichzelf en zijn eigen passies denkt. Zijn afkomst is voor hem niet belangrijk en de zegen die Abraham beloofd is legt voor hem nauwelijks gewicht in de schaal. Een jager is ook iemand, die er niet voor terugdeinst om geweld te gebruiken. Dat Ezau individualist is, blijkt ook wel als hij vrouwen neemt hij de volken in de buurt. Ezau is een kameleon, die oplost in de wereld en zijn status als apart-gezet opgeeft, omdat hij daar de waarde niet van inziet. De wereld is is zijn thuis, niet  de zegen van God. Opvallend trouwens dat de liefde voor Izaäk naar Ezau uitgaat. Er is daar een reden voor: Ezau brengt vlees van de jacht mee. Hij houdt van zijn zoon om wat hij doet, wat hij inbrengt.

Afkomst
Voor Jakob daarentegen is zijn afkomst wel belangrijk. Hij blijft bij zijn tent en als een echte oudste zoon voelt hij de verantwoordelijkheid voor de zegen die aan deze familie is meegegeven. Hij is geen doetje, want gaat de strijd aan met zijn iets oudere broer. De liefde van Rebekka gaat naar Jakob uit. Voor haar liefde wordt geen verklaring gegeven. Ze houdt dus niet van hem, omdat hij bij de tent is en wel zijn verantwoordelijkheid neemt. Ze houdt van hem.

Oprecht
Ondanks de verantwoordelijkheid die Jakob neemt voor de plek die ze van God gekregen hebben, de roeping die ze als familie te leven hebben, staat hij er niet goed op. De ruil van het eerstgeboorterecht voor een bord soep zal daarmee te maken hebben. Bijna elke uitlegger valt over deze handeling, omdat Ezau op sterven na dood thuis komt. Het probleem is echter dat Jakob oprecht (Hebreews: tm)  genoemd wordt. Dit woord betekent eigenlijk overal oprecht, rechtschapen, integer. De meeste commentaren geven aan, dat tm hier anders vertaald zou moeten worden, omdat het een contrasterend parallel wordt gezien met Ezau als jager. Dan zou het betekenen dat Jakob stil is, of geciviliseerd.

Nu kan een woord in een bepaalde context een andere betekenis krijgen, maar die uitleg is niet sterk als het woord elders niet die betekenis krijgt.  In Spreuken gaat het bij “tm” om mensen die in staat zijn om te kiezen tussen het goede en het kwade, om het vrezen van God duidelijk weten te onderscheiden van een dwaze levensstijl. Genesis is geen wijsheidsliteratuur. Maar toch: het wekt de suggestie dat het om de 2 menstypen uit Spreuken (of Psalm 1) gaat. Het verhaal van de rivaliteit tussen Ezau en Jakob is de rivaliteit van de twee wegen uit Psalm 1. Of van de rivaliteit van Kaïn en Abel. Daarbij valt op dat God steeds voor de zwakkere kiest (Izaäk ipv Ismaël, Jakob ipv Ezau) en niet voor de geweldenaar.

Redeloos dier
Opvallend is dat geen enkele uitleg van de mogelijkheid uitgaat, dat Jakob Ezau uittest. Ezau komt thuis van de jacht. Meer dan uitgeput. De jager is net zelf een hijgend hert dat aan de jacht is ontkomen. Meer dood dan levend komt hij aan. Daar zit een ironie in: Zijn levensstijl brengt hem niets, brengt hem in de buurt van de dood. Dat had hem tot nadenken moeten stemmen. Maar Ezau is net een redeloos dier. Hij denkt alleen maar aan eten. Hij valt binnen en wijst op het eten. Er zit weinig beschaving in Ezau: hij kan van het eten alleen maar de kleur noemen en wil het als een dier verorberen. Het woord voor eten dat Ezau in de mond neemt, wordt alleen gebruikt om het eten van dieren aan te geven: verorberen, slobberen, vreten.

Ruil
Als Jakob voorstelt om een bord linzensoep te geven in ruil voor het eerstgeboorterecht, weet hij natuurlijk wel dat het een onbehoorlijk voorstel is. Maar zou het ook niet een provocatie van Jakob zijn aan Ezau om te zien hoe hij over zijn thuisbasis denkt? Is het tentenkamp, waar Ezau de leiding over hoort te hebben, alleen een hotel, waarbij hij kan binnenvallen om te eten? Nu zijn manier van leven faalt, klopt hij thuis aan om wat te krijgen. Als ze hem iets geven, kan hij daarna zijn vrije, ongebonden leven voortzetten en is thuis er alleen voor geval van (echte) nood.

Als een dier aanvallen
Dat thuis hem niet echt interesseert, blijkt wel uit hoe hij over het eten van Jacob praat. Hij benoemt alleen de kleur en wil als een dier aanvallen. Hoe noem je het hoe een dier eet? Slobberen? Vreten? “Laat mij slobberen, vreten van dat rode.” De test van Jakob is of Ezau echt om zijn thuisbasis geeft of hij zijn thuis alleen als ‘hotel’ ziet. De vraag is of Jakob zelf weet had dat in de Godsspraak het eerstgeboorterecht voor hem was bestemd. Het gaat niet om aftroggelen maar om te laten zien waar Ezau’s taak ligt. Wat de ruil waard is, moet nog blijken. Ook al is ze door Ezau met een eed bekrachtigd. Wanneer zijn vader de zegen wil doorgeven, geeft Ezau niet aan dat hij zijn plek heeft afgestaan, maar is hij boos als Jakob er alsnog met de zegen vandoor gaat.

Twee wegen
Als het in dit verhaal inderdaad om de twee wegen gaat, de twee wegen van Psalm 1, van Spreuken, de keuze tussen een leven als Kaïn of een keuze voor een leven als Abel, dan is dat ook de boodschap voor ons? Voor welk leven kiezen we? Worden we een zwerver, net als Ezau, die de geloofsopvoeding van thuis loslaat en de wereld intrekt en niets aan het onderwijs over God heeft en de thuisbasis, de geestelijke verworteling zomaar inruilen voor iets onbenulligs, dat ons voor eventjes in leven lijkt te houden? Of kiezen we voor het leven van Jakob, die zijn verantwoordelijkheid neemt, omdat hij beseft dat hij in Kanaän, waar hij zijn familie maar een kleine minderheid vormt, geroepen is om het leven te laten zien dat God heeft bedoeld?