Vragen mbt gebruik van de Bijbel tijdens een pastoraal gesprek

Vragen om over na te denken of te bespreken over het gebruik van de Bijbel tijdens een pastoraal gesprek

  • Wat is je eigen omgang met de Bijbel?
  • Met welk doel lees je uit de Bijbel?
  • Wat leer je voor je eigen omgang met de Bijbel van de gesprekken die je hebt?
  • Hoe kies je een Bijbelgedeelte? Op welke Bijbelgedeelten val je terug?
  • Wat is de reactie van de ander op het gelezen gedeelte?
  • Welke omgang heeft de ander met de Bijbel? Waarbij kun je aanknopen?

 

Advertenties

Preek zondag 30 november – middagdienst

Preek zondag 30 november – middagdienst
Titus 2:11-15

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is in een klas op een middelbare school.
De sfeer is goed en de klas is rustig aan het werk.
De docent merkt dat hij even iets moet doen buiten de klas.
Hij bereidt zijn klas erop voor en zegt dat hij even weg moet.
Hij zet hen aan een opdracht waarmee ze bezig moeten zijn zolang hij weg is.
De klas begint aan de opdracht en de docent loopt de klas uit.
In de eerste minuten gaat het goed: het is nog stil en de klas werkt nog door.
Maar dan komt er gefluister, eerst zacht vooraan en dan door de hele klas.
Opeens vliegt er een prop door de klas.
Gegooid van voor uit de klas op de tafels van een van de leerlingen
die ondanks het toenemende rumoer nog steeds met de opdracht bezig is.
Dan krijgt de leerling die de prop gooide vanuit een andere hoek een gum tegen zijn hoofd gegooid.
Verontwaardigd staat hij op en stormt op degene af die de gum heeft gegooid.
Het rumoer in de klas wordt steeds luider en luider.
Ver op de gang is de herrie al te horen.
Maar in de klas niemand die er om maalt,
want de leraar is er niet en ze kunnen nu hun gang gaan,
even wat anders dan de opdracht die ze moeten doen.
Ze kunnen de hele dag nog wel naar school.
Terwijl de proppen en gummen door de lucht gegooid worden,
gaat de deur open
en in de deuropening … verschijnt de conrector.
Het is gelijk stil in de klas als ze de conrector daar zien staan in de deuropening
en vooral als ze zijn gezicht zien,
want die staat niet vrolijk.
Je ziet het al aan het gezicht: er zwaait wat voor deze klas.
De conrector heeft het rumoer gehoord en ging een kijkje nemen
en zo verscheen hij in deze klas.
Problemen voor deze klas: in ieder geval een stevige toespraak en misschien ook wel straf.

De conrector die verschijnt in de opening van de deur van in het lokaal.
Dan gebeurt er wat met de leerlingen in dat lokaal: de orde wordt hersteld.
Paulus schrijft aan zijn vriend Titus ook over iemand die ergens verschijnt:
Want de zaligmakende genade van God is verschenen.
Christus Jezus is verschenen als de zaligmakende genade van God.
En Christus verscheen ook om orde op zaken te stellen:
om goddeloosheid en wereldse begeerten te verloochenen.
Om bepaald gedrag af te leren, om ons, u, jou, mij te corrigeren
zoals de conrector de klas ook moest corrigeren,
zoals de conrector bepaald gedrag van de klas moest afleren,
namelijk dat de klas gaat herrieschoppen zodra een leraar weg is
om hen te leren dat zij netjes aan de opgegeven opdracht moeten werken.
Is Christus dan ook verschenen net als de conrector
om met gezag en met straf de orde weer te komen brengen?
Dat zou toch niet zo verwonderlijk zijn?
Dat zou toch het recht zijn dat God heeft
om de mensen die tegen Hem ingegaan zijn weer op die manier te corrigeren, te straffen?
Want zijn wij niet als mensen zoals die klas
die van de afwezigheid van de leraar gebruik maakte om de boel op de kop te zetten,
hebben wij niet op  dezelfde manier gebruik gemaakt van Gods afwezigheid
om ook de boel op de kop te zetten
door net te doen alsof God niet meer terugkomt en we Hem ook niet meer nodig hadden?
Dat uitte zich dan niet in het gooien van proppen,
maar in wat Paulus heel beknopt en kernachtig omschrijft als goddeloosheid en wereldse begeerten.

Goddeloosheid en wereldse begeerten – dat zij in ieder geval geen zaken
die alleen bij anderen voorkomen,
mensen die niet geloven, mensen van buiten de kerk,
zodat we met elkaar hier tevreden zouden kunnen zijn
en tegen elkaar kunnen zeggen: van die goddeloosheid hebben wij hier mooi geen last meer van.
En die wereldse begeerten, daar hebben wij hier gelukkig hier niets van doen.
Je vindt dat wel, hier, en ook hier op het dorp, maar in ons leven gelukkig niet.
Zou het echt zo zijn, gemeente, dat de Heere Jezus bij Zijn verschijnen
ons niets te melden zou hebben
en alleen maar complimenten zou geven: wat heb je je keurig gedragen bij Mijn afwezigheid?
Nee, de Heere Jezus moest juist komen,
en Hij kwam niet alleen voor de anderen, Hij kwam ook voor mij.
Omdat in Mijn leven aan te wijzen: er zit iets mis.
Er zit iets goed mis.
Laat mij je ervan redden: van je goddeloosheid.
Laat mij dat nou uit je leve weghalen dat je altijd de neiging hebt om het zelf op te lossen
zonder de Heere erbij te betrekken
of Hem pas als allerlaatste als je er zelf niet meer uitkomt – goddeloosheid.
Goddeloosheid? Is dat niet te scherp?
Christus verscheen om te laten zien dat wij zonder God leefden.
Om zonder God te leven hoef je echt geen slecht iemand te zijn.
Je kunt ook een hele mooie, vrome buitenkant hebben,
waar iedereen van onder de indruk is,
terwijl in jezelf iets ontbreekt
en misschien heb je dat bij jezelf niet door en hebben anderen dat ook niet door
omdat ze onder de indruk zijn van hoe je overkomt.
Maar in je hart mist er iets: vertrouwen op God,
werkelijk leven met de Heere, oprechte liefde tot Hem
het geloof dat je niet zonder Hem kunt en ook de wil om het niet zonder Hem te doen.
Als je dat niet hebt: goddeloosheid.

Daarom kwam de Heere Jezus naar de aarde:
om dat ons voor te houden: je leeft zonder je schepper, je denkt niet aan God.
Maar – en gemeente dat is het bijzondere
en al hebt u dat vaak gehoord en kijkt u niet meer van op – het blijft bijzonder
Hij is verschenen als de zaligmakende genade van God.
Niet als een conrector die de orde terugbrengt door zijn gezag te laten gelden
en sancties oplegt om te voorkomen dat de klas de volgende keer weer uit de bocht vliegt.
Nee, als een Kind, een baby: kwetsbaarder kan niet,
want zo hulpeloos en zo afhankelijk van Maria.
God zelf die niet verschijnt als rechter die nu eens eindelijk rechtspreekt
of als een boze eigenaar die verhaal komt houden
omdat wij mensen er met de pet naar gooien.
Als baby: God nam verworpen mensenvlees tot kleed
om broos genoeg te zijn voor doodlijk leed
.
Zo is ons God verschenen: in de kribbe in Bethlehem.
Op een bijzondere manier – om ons op die manier te verlossen van onze goddeloosheid
om ons daaruit weg te roepen.
Hij kwam niet naar de aarde om onze vertedering op te roepen,
maar om ons iets te leren: dat we zonder God niet kunnen, niet mogen leven,
dat op de weg die wij gaan ook een omkeer mogelijk is.
Verschenen … om de goddeloosheid en de wereldse begeerten te verloochenen.
Zodat je daarvan loskomt, uit weggeroepen wordt, dat dat je leven niet meer beheerst.
Jezus kwam om ons vrij te kopen
maar ook als een leraar die ons uitlegt hoe het wel moet en hoe het niet moet.
Hij toont een nieuwe manier van leven: met Hem, met God.

Goddeloosheid betekent: dat je een ander hebt
een ander dan degene die je geschapen heeft,
een ander dan degene die zijn leven voor je gaf en terugkomt op de wolken.
Een ander.
Jezus toont een leven waarin God weer terug is, niet meer een ander,
maar toont het niet alleen, maar zorgt er ook voor dat het goed komt.
Zaligmakende genade.
Zaligmakend: daar zit in dat je moet veranderen en dat je dat zelf niet kunt,
maar dat Christus je verandert en je zuivert, je reinigt met Zijn bloed.
Het onvoorstelbare dat het weer goed gekomen is
door God zelf, omdat Hij Zijn Zoon zond.
En dat door Hem een eeuwig leven met de Heere mogelijk is.
Daar zit ook redding in, zoals een helikopter van een reddingsteam een drenkeling redt
die midden in zee ronddobbert en aan een touw uit het water tilt.
Zo kon het niet langer en zo hoeft het ook niet langer,
want God red je eruit.
De Heere Jezus verscheen als een baby,
maar dat is wel het reddingstouw waarmee Hij ons redde uit de verlorenheid, uit de nacht.

We leven in deze tijd in een tijd van cadeaus kopen.
Op de club is Sinterklaas gevierd. Hij is al in Oldebroek gekomen en op diverse verenigingen is hij langsgeweest: bij de voetbal, bij de brandweer.
Op zulke momenten verwacht je een cadeau, een klein geschenk.
Zo geeft God ook een geschenk,
een onverwacht geschenk, hoewel: het was al in het Oude Testament aangekondigd.
God was het niet aan ons verplicht, terwijl je in deze tijd af en toe een cadeautje verwacht.
Genade, dat is een geschenk.
Genade, dat heeft de betekenis van ‘weldoener’,  een sponsor die een substantiële bijdrage levert.
In dat geschenk zie je het karakter van de gever, de sponsor.
Jezus Christus is het geschenk van God.
Als je veel van iemand houdt, geef je het mooiste wat je hebt – da’s heel gewoon.
Omdat God van mensen houdt, gaf Hij het mooiste wat Hij had: Zijn eigen Zoon
.
Om ons te redden, terug te brengen.

Ook om ons te redden van verlangens, begeerten van deze wereld
die aan ons kunnen trekken en die ons weg kunnen voeren van God.
In vers 1-10 worden daarvoor een aantal voorbeelden genoemd.
Voorbeelden die in de tijd waarin Titus leefde misschien heel gewoon waren
en waar niemand iets verkeerds in zag
maar waarvoor Paulus Titus waarschuwt: zeg tegen je gemeente dat die krachten
je bij God vandaan houden en je leven kapot maken.
Je kunt er aan meedoen, zoals in een klas waar de docent ontbreekt, omdat iedereen meedoet,
maar toch: ze zijn niet goed, ze zijn schadelijk.

Het begint allereerst met Titus zelf en de boodschap die hij moet brengen:
een gezonde leer, een verkondiging die een gemeente gezond maakt
omdat het bindt aan Christus en niet aan een predikant
gezond, omdat het een boodschap is die door God gegeven wordt
en niet een boodschap die mensen graag horen,
een boodschap die mensen wegleidt bij de goddeloosheid en bij de wereldse begeerten vandaan.
De oudere mannen in de gemeente,
die een steunpilaar in de gemeente behoren te zijn.
Zij kunnen zich laten gaan, als er drank op tafel komt bijvoorbeeld
en daarbij vergeten dat zij een voorbeeldfunctie hebben voor anderen in de gemeente.
Zij behoren beheerst te zijn, eigenlijk: sober.
Drank is een gevaarlijke macht die bezit van je kan nemen
en teveel, het verliezen van de beheersing, van de soberheid kan leiden tot uitspattingen en geweld,
tot grenzen overgaan, je niet meer in de hand houden.
In het overleg met de burgerlijke gemeente werd ons meegedeeld
dat aan huisverboden vanwege huiselijk geweld nogal eens een teveel aan alcohol een rol speelt.
Als oudere heb je geen respect omdat je ouder bent en veel hebt meegemaakt
maar omdat je jezelf weet te beheersen en een waardigheid uitstraalt,
de waardigheid dat je van Christus bent, dat Hij je leven beheerst en niets anders.
Je leeft vanuit Christus, je leeft toe naar de grote dag van Zijn komst.
Voorbeelden als het gaat om geloof, hoop en liefde.

Oudere vrouwen, vers 3, dienen een voorbeeld te zijn voor de jonge vrouwen in de gemeente.
Niet een voorbeeld van hoe een nieuwtje snel door het dorp kan verplaatsen.
Niet een voorbeeld van hoe makkelijk er kwaad over iemand gesproken kan worden
omdat je iets hebt gehoord dat je toch graag doorverteld.
Vaak zit daarin iets liefdeloos en geesteloos, het bouwt niet op
het bouwt alleen een vooroordeel op.
Oudere vrouwen zouden juist aan de jongere moeten leren
hoe je hiermee omgaat en dat je er juist niet in meegaat
zoals een klas meegaat in het rumoer en de chaos als de docent ontbreekt,
maar juist tegenwicht, een andere weg.
Hoe je omgaat met wat je te horen krijgt over een ander.
Op de opleiding werd mij geleerd: roddel => gossip.
In de gemeente zou het van gossip => gospel moeten worden.
In plaats  van het kwaadspreken betrokkenheid en bewogenheid, zoals onze Heer dat ook zou doen
en heeft laten zien, voor ons en voor de ander over wie we spreken.
En houden van je man: waarom zouden de oudere vrouwen dat moeten doorgeven en voorleven
aan jongere vrouwen in de gemeente?
Omdat zij ervaring hebben in het volharden in de liefde
dat zij  ook ervaring hebben, levenswijsheid, hoe je na zoveel jaar huwelijk
toch van elkaar houdt en niet op elkaar uitgekeken bent
en je eigen man niet vergelijkt met anderen of verlangt naar een ander?

En jonge mannen, voor wie de wereld op ligt?
Als je jong bent, denk je dat je heel wat aankunt aan uitdagingen en werk,
aan verleidingen, dat jij degene bent die het leven beheerst.
Maar je kunt daarin vastlopen, omdat een opdracht of een studie toch te moeilijk is,
het hakt erin dat je het toch niet aankunt.
Of je hebt jezelf toch niet in de hand en je drinkt meer dan goed voor je is.
Je respecteert de grenzen van meisjes niet, want dat hoeft in deze tijd toch niet meer?
Versiercoach – ze bestaan echt en ze leren aan jongemannen dat als een meisje nee zegt
dat ze eigenlijk ja bedoelt want ze wil verovert worden.
Paulus houdt Titus voor dat hij deze jongemannen moet opvoeden
zodat ze zich leren beheersen, respect voor God en de mensen om zich heen
dat ze leren dat het in de wereld niet gaat om je eigen verlangens na te volgen
maar Gods wil te doen
omdat je Christus verwacht.

De zaligmakende genade van God is verschenen.
Het is niet om het even, het gaat om je redding.
Je bent vrijgekocht
omdat Christus verscheen op aarde
en Zijn leven gaf, stierf voor jou en je zonden om je los te maken van je zonden
met die goddeloosheid en met die wereldse begeerten keer je weer terug naar je oude leven
en is Christus voor niets gekomen.
Maar nu, Christus is gekomen, om de weg te wijzen, advies, Ik zal raad geven, mijn oog is op u.
En om te bevrijden, te redden, zalig te maken.
Om ons te reinigen en van ons, van u een volk te maken dat vol ijver is om het goede van God te doen.
Amen

Preek zondag 30 november 2014 1e zondag van Advent

Preek zondag 30 november 2014 1e zondag van Advent
Voorbereiding Heilig Avondmaal

Schriftlezing: 1 Thessalonicenzen 5:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Intro
In de gemeente waarin ik opgroeide was er elk jaar een kerkkamp voor de jongeren van 12-15 jaar.
Het was een kamp in de laatste week van de grote vakantie
met serieuze bijbelstudie, met spellen en ’s avonds in het donker een wandeling of een dropping.
Op een van de avonden moesten we van de leiding allemaal onze zaklamp meenemen
naar de zaal waarin we moesten verzamelen.
Toen we daar aangekomen waren, moesten we allemaal onze zaklampen inleveren
en werden we daarna meegenomen, in het donker, naar een plaats midden in het bos.
We werden in groepen verdeeld en moesten per groep
zonder zaklantaarn de weg in het donker terug naar de kampboerderij terug zien te vinden.
Toen heb ik ervaren wat donker is
en hoe moeilijk het is om in het donker de weg te vinden.
Want we wisten als groep niet welke kant we op moesten.
Er was nergens een licht in de verte te zien
waardoor we in ieder geval een weg zouden kunnen vinden.
In het donker konden we ook niet zien of we op een pad liepen.
We liepen als klein groepje gewoon maar een kant uit.
We liepen door doornstruiken
en dat merkten we doordat we met onze broeken aan de struiken bleven haken.
Soms viel er een, omdat hij of zij in een kuil stapte.
Je probeert je dan voor de ander groot te houden
en net te doen alsof je niet bang bent
en alsof we vanzelf wel een licht in de verte zouden zien,
waardoor we in ieder geval bij een weg zouden uitkomen.
Na een tijd zagen we in de verte een licht branden,
waarschijnlijk van een boerderij of een lantaarnpaal langs de weg.
Vanaf dat moment hadden we een punt om naar toe te lopen
en zo wisten we uiteindelijk de weg te vinden.

(2) Wie niet gelooft, is in de duisternis
Zo lopen in de duisternis, dat kan je dagelijks leven zijn.
Ook al lijkt het licht om je heen en is het klaarlichte dag,
je kunt als mens in de duisternis leven.
Wie niet in God gelooft, leeft in de duisternis.
Zo scherp is het: wie niet gelooft in God, leeft in de duisternis.
Niet omdat tegen een ander te zeggen vanuit een bepaalde zekerheid
dat wij goed zitten en anderen die niet geloven fout,
maar voor onszelf, voor u en jou zoals je hier in de kerk zit:
Als je niets met de Heere Jezus hebt, dan leef je in de duisternis.
Dan ga je je weg door het leven net zoals wij toen door het bos liepen: in het donker
zonder dat je weet welke kant je op moet.

Kenmerk van deze duisternis is dat je niet altijd beseft dat je in deze duisternis verkeert.
Je hebt het niet altijd door dat je in duisternis leeft,
misschien omdat je bent opgegroeid zonder dat je ooit over God hebt gehoord.
Er was niemand die je vertelde over God,
en als je er toch vanuit jezelf over nadacht,
was er niemand aan wie je de vragen kon stellen die je had
of  wilden ze er geen antwoord op geven.

Of het is donker in je leven, omdat je nog nooit iets hebt ervaren van de Heere Jezus.
Soms kun je pas doorhebben hoe donker het is
om je heen of in je leven
als er een licht aangedaan wordt,
zo kun je pas nadat de Heere Jezus in je leven gekomen is
ontdekken hoe donker je leven daarvoor was, toen je nog leefde zonder Hem.

Kun je daaraan lijden, dat je leeft in de duisternis?
Hebt u daaraan geleden toen u nog leefde in de duisternis?
Lijd jij eraan dat je God nog niet kent?
Voor de gemeente van Thessalonica staat de nacht hen nog helder voor de geest.
Het was nog niet zo lang geleden dat zij zelf nog in zo’n nacht rondliepen,
een nacht waarin Christus afwezig was, omdat ze Hem niet kenden.
Als ze daaraan terug dachten, hadden ze het moeilijk.
Hadden ze de Heere Jezus maar eerder leren kennen,
dan hadden ze niet zo hoeven ronddolen, hoeven zoeken naar geluk, naar God.
Hadden ze die periode van hun leven waarin ze niet bij de Heere waren maar niet gehad,
want nu hebben ze een periode gehad, waarin ze de Heere verdriet deden,
omdat ze niet bij Hem en van Hem waren.
Toen misten ze de liefde, toen hadden ze geen geloof en ook geen hoop.
Als ze erop terugkeken: een leeg leven.
Wat gunden ze het ieder ander om hen heen om ook de echte God te leren kennen.
Zodat ook voor hen de nacht over zou zijn, de duisternis voorbij.

(3) Valse zekerheid
Het is nacht als het zonlicht er niet meer is en het buiten donker is.
Zo is het voor een mens nacht als God er niet meer is.
Nacht is het als Zijn licht uit je leven wordt verbannen of niet wordt toegelaten.
Maar wij verkozen ’t duister meer
dan ’t licht door God geschapen
wij dwaalden weg van onze Heer
als redeloze schapen.

Maar heb je dat door? Lijd je eraan als je in de duisternis bent, zonder God?
Niet altijd.
In ons land zijn er weinig plekken waar het echt donker is
omdat er ’s nachts verlichting is.
Als het schemerig begint te worden springt de straatverlichting aan
en auto’s en fietsers doen hun licht aan.
In huis wordt het donker tegengegaan door de lampen aan te doen.
Met al die verlichting en al die lampen die we aandoen kunnen we ’s avonds lang doorgaan.

Ook als het in ons leven donker is omdat we God niet kennen, zonder God leven
kunnen we allerlei lampen aandoen
en onszelf nog aardig redden.
Dat is toch zo? We kunnen ook zonder God vaak toch nog wel redden?
Of komt er bij jou wel een onrust als je merkt dat je zonder de Heere leeft?
Komt er een ongerustheid of een paniek bij u op
als u merkt bij uzelf: ‘Maar ik leef zonder God! Ik leef zonder mijn Schepper,
zonder Christus, zo kan ik niet leven?’
Of doet u dan wat verlichting aan voor uzelf,
om uzelf wat behaaglijker te voelen en zodat u op dezelfde manier verder kunt leven,
want nu het niet meer helemaal donker is, kun je toch best een tijdje verder?
Dan zoek je je behoud nog bij jezelf,
dan probeer je jezelf nog een tijdje te redden, een tijdje voort te helpen.
Maar het echte donker verdrijf je daarmee niet
en de lege plaats van God heb je wel opgevuld, maar met een schijnoplossing,
een oplossing die het niet houdt als je voor de Heere komt.

Je kunt je wel inbeelden dat je veilig bent.
Dat hoorden die pasbekeerden in Thessalonica ook: ‘Het is toch vrede? We lopen geen gevaar!’
Wat maak je nou druk om een God die Zijn Zoon naar de aarde zond?
We hebben een prima leven toch? We missen toch niets?
Wat kijk je nou vooruit naar de Wederkomst?
We hebben het hier toch goed? We hoeven helemaal geen hemels Koninkrijk,
want beter dan nu kan het niet zijn.
Geen oorlog in onze buurt, alleen ver weg.
Niets dat ons leven bedreigt.
We hebben alles op orde.
Waarom zou je die vrede en veiligheid opofferen door je druk te maken over Christus?
Je hult je dan in de nacht, geeft Paulus aan.
Je bent er in gevangen. Je moet er uit worden gered.

Wij hebben dag en nacht verward,
de nacht geprezen in ons hart
en onze dag verslapen
.

Want als de Heere Jezus terugkomt, op die grote dag, wat blijft er van dit leven over?
Dan schrik je wakker en is je veilige leventje een nare droom geweest
waarmee je jezelf in slaap had gesust om je maar niet over God druk te hoeven maken.
Dan wordt je ruw wakker geschud als de Heere Jezus terugkomt.
Zoals je huis overhoop gehaald wordt door een inbreker
omdat je dacht: dat overkomt mij toch niet.
Valse gerustheid.

(4) Maar u bent kinderen van het licht en kinderen van de dag
Maar dan die woorden die Paulus schrijft aan de gemeente:
Maar u leeft in het licht.
Als ik dat hier in de kerk zou zeggen en dat het de boodschap zou zijn van de preek
zou er straks bij de koffie worden gezegd:
‘Dat gaat wel erg makkelijk. Er is helemaal geen worsteling.’
Toch zegt Paulus dit over de gemeente in Thessalonica.
Geweldig als dat over je kan worden gezegd.
Dat je niet meer in de nacht bent, zonder God, maar dat je in het licht bent.
Als je uit die nacht weggegrepen bent, weggeleid.
Als dat in je leven is gebeurd dat God in je leven terugkwam,
je hart openging voor de Heere Jezus.
Weet je wat er dan gebeurt:
de heerlijkheid van de Heere omstraalde hen,
dan valt het licht van God over je leven
en dan zegt de Heere tegen je: ‘Je leeft niet langer in het duister, maar je bent van Mij.
Al je zonden en je tekorten heb ik weggedragen, verzoend,
het is weer goed tussen God en jou, tussen u en Mij.’
Wat een groot wonder, want dan is de nacht voorbij.
U bent allen kinderen van het licht.
Paulus kan dat over de hele gemeente zeggen.
Hij zegt niet: er zijn er enkelen die zo gelovig zijn, die zijn een licht, een voorbeeld voor de rest.
Nee, hij zegt: U allen!
Zouden wij dat over heel de hervormde gemeente van Oldebroek mogen zeggen:
U bent allen kinderen van het licht en kinderen van de dag?
U weet wat de duisternis was, maar nu leeft u gelukkig allemaal in het licht,
omdat de Heere Jezus in het leven van eenieder uit de gemeente gekomen is?
Wat zou het rijk zijn als dat van iedereen mag gelden.
Als de Heere dat over jou en over u kan zeggen: je hebt Mij weer toegelaten in je leven.
Je bent weer van Mij.
Ik heb je met Mijn eigen bloed van de duisternis vrijgekocht
en je ging met Mij mee uit de duisternis naar Mijn licht!
Mijn licht straalt over jouw, uw leven – zoals het over de herders in Bethlehem straalde.
Je bent niet meer in de duisternis, je bent niet meer in de nacht!
Gemeente, als dat over je gezegd wordt, als dat voor je geldt
dan kun je dat vol verwondering zeggen – zingen!
Ik wandel in het licht met Jezus – het donkere dal ligt achter mij
en ik weet mij in Zijn trouw geborgen

Gemeente, laat het geen valse gerustheid zijn.
Valse gerustheid is zekerheid buiten de Heere Jezus.
Je kunt je hier aardig redden, maar het is een schijnzekerheid, uiteindelijk red je het niet zonder Hem

(5) Koppeling naar het Heilig Avondmaal
De komende week, de week van voorbereiding, is bedoeld om bij onszelf na te gaan:
leven we in een valse gerustheid, beelden we ons in het licht al te hebben,
maar leven we toch in de nacht – al willen wij dat zelf niet onder ogen zien,
of geldt het ook voor u, wat Paulus over de gemeente van Thessalonica zegt: U bent in het licht,
u bent van Christus.
Dat is de vraag waar het om gaat.
Bent u al uit de nacht?
Dat wil zeggen: beseft u dat u – als u zonder Christus leeft – het nog donker is in uw leven?
OF zeg je: ik heb over de Heere Jezus gehoord. Hij is mijn licht.
Ik zie in hoe Hij gestorven is, hoe het nacht werd in Zijn leven, een dikke duisternis op Golgotha
waar Hij het moest uitroepen dat Hij door God verlaten was.
Daarmee verbrak Hij voor u, voor jou de nacht!
Zoals de zon het donker verdrijft, zo verdrijft Christus de nacht, een leven zonder God, uit ons leven.
Door in te staan voor onze keuze.
Hij nam het oordeel op zich, dat wij hadden verdiend.
Geloven in de Heere Jezus betekent dan: dankbaarheid, omdat je uit de nacht mag gaan.
Niet dat je dan perfect bent, en nooit meer worstelt – was dat maar waar.
Maar je weet: ik ben van Hem en ik hoor aan Zijn tafel.
Niet omdat ik het zo goed doe, niet omdat ik zoveel licht verspreid,
maar omdat ik niet meer zonder Hem kan.
Ik kijk naar Hem uit, volgende week om aan Zijn tafel te zitten,
maar ook later, op die dag dat Hij terugkomt.

Misschien is het voor u komende week een week van spanning:
voldoe ik wel in Gods ogen?
Heb ik genoeg geloof en vertrouwen?
Leef ik wel zo, als God van mij vraagt.
Als ik eerlijk ben, dan ben ik het toch niet waard om aan Zijn tafel te zitten?
Daar ben ik toch nog te zondig, te onrein voor, toch nog teveel in de nacht?
Maar daarvoor komt u niet aan het Avondmaal, gemeente,
om te laten zien dat u het zo goed doet,
want die zonden en die gebreken blijven in ons, totdat wij heengaan
of totdat de dag dat Christus terugkomt, Hij ons verandert.
Maar nu al mag u van Hem zijn, mag Zijn licht over uw leven schijnen.
Wie aan het Avondmaal aangaat schijnt niet zijn eigen licht,
het is Zijn licht dat het dag maakt, voor u en voor jou.
Een voorbode van de dag die eens komen gaat,
de dag waarop de nacht helemaal voorbij is,
de zon is dan niet meer nodig en de nacht is helemaal voorbij
omdat Christus het licht is, in  dat nieuwe Jeruzalem. Maranatha!
Zo heffen we ons hart omhoog naar de Heere Jezus die in de hemel is
vanwaar Hij terugkomt.
Avondmaalsvoorbereiding is dat je dat licht niet afwijst,
maar toelaat in je leven, omdat je niet meer zonder kunt, zonder de Heere Jezus.
Amen

Preek zondag 23 november 2014

Preek zondag 23 november 2014 – eeuwigheidszondag
1 Thessalonicenzen 4: 13-18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als Paulus schrijft over degenen die ontslapen zijn,
kan iedereen daar wel een gezicht of een naam bij bedenken
van iemand die er niet meer is.
Voor de een is dat een opa die dit jaar overleden is,
voor de ander een zus met wie de band heel hecht was,
of een moeder die al langer geleden begraven werd.
Als je aan diegene denkt die ontslapen is,
kan er van alles boven komen,
zoals mooie herinneringen.
Je herinnert je hoe je opa zijn uiterste best deed om je bruiloft mee te maken
en hoe gelukkig hij was dat hij jouw bruiloft nog mee kon maken.
Je herinnert hoe je moeder er steeds was voor jou,
nooit deed je tevergeefs een beroep op haar.
Je denkt aan je vriendin, die zo jong nog ziek werd,
maar haar ziekte dapper heeft gedragen
en voor jezelf een voorbeeld is geweest van wie je veel hebt geleerd.
Op aarde kan een hechte band geweest zijn,
waar je nog steeds in dankbaarheid op terug kan kijken,
maar er is een moment gekomen
waarop er afscheid genomen moest worden
en je alleen verder moet
zonder opa, moeder, broer, vriendin.

Dat kan soms best moeilijk zijn
om het leven weer op te pakken, alleen, zonder de vriendin met wie de band zo hecht was.
Om zonder moeder verder te leven,
Degene die je op de wereld heeft gebracht, die je steeds met raad en daad bijstond.
Maar je leven gaat wel verder.
Er komen momenten, die je voor het eerst alleen meemaakt:
een verjaardag, een bruiloft, een geboorte.
Ze zijn er niet meer bij, ze maken het niet meer mee,
maar vergeten ben je ze niet
en juist op zulke dagen kun je aan hen denken:
‘Dit moest opa eens weten.’ ‘Had ik dit maar kunnen delen met mijn vriendin.’
‘Wat zou mijn moeder hier blij mee geweest zijn.’

Wat merk je dan weer opnieuw hoe hard de dood is
en je kunt dan binnenin in je ziel, of zelfs in je lijf, het verdriet voelen
en met je meedragen.
Het verzachten van de dood helpt niet, want de dood is afschuwelijk en maakt kapot.
De dood is de laatste vijand, zegt Paulus.
Diezelfde Paulus zegt hier over degenen die overleden zijn, dat zij ontslapen zijn.
Paulus gebruikt het beeld van de slaap.

Soms kun je staan bij de kist waarin de overledene ligt
en dan net lijken of de overledene slaapt,
zo rustig ligt hij of zij erbij.
Dan kan het zo bij je boven komen: straks wordt hij zo wakker en is alles een nare droom.
Soms kan het zijn of iemand slaapt
en je zou willen dat je oma wakker wordt.
Of heeft je kleine broertje of zusje tegen je gezegd:  ‘Wanneer wordt opa weer wakker?’
Dan  weet je: dit is geen slaap, dit is de dood.

Toch spreekt Paulus, die weet hoe hard en ruw de dood kan zijn, over ontslapenen.
Zou hij dat hier gebruiken om toch verzachtend over de dood te spreken?
Dat gebeurt nogal eens, om niet onder ogen te hoeven zien
dat sterven confronterend is voor degenen die blijven leven.
Soms wordt er van iemand gezegd: hij heeft een mooie dood gehad,
vaak wordt dan een sterven bedoeld zonder een lijdensweg die voorafgegaan is.
Maar hoe kan de dood nu ooit mooi zijn?

Paulus heeft een reden om te spreken over degenen die ontslapen zijn.
Hij doet dat niet om de dood te verzachten
om een soort troost te bieden
of omdat hij niet de harde, ruwe werkelijkheid van de dood onder ogen wil zien.
Nee, Paulus gebruikt dat beeld vanuit een rotsvast vertrouwen op God,
vertrouwen op God die Zijn Zoon uit de dood heeft geroepen
tot het leven.
Want slaap betekent dat je weer wakker geroepen wordt
als een nieuwe dag begint.
Daarom spreekt Paulus over ontslapen.
Een kind kan soms zo diep in slaap zijn dat het uit zichzelf niet wakker wordt.
Dan komt zijn moeder bij zijn bed en roept het kind bij zijn naam wakker:
‘Peter, wakker worden, het is al dag!’
Zo houdt Paulus ons voor dat er een moment komt
waarop God aan ons graf zal staan en ons bij onze naam zal roepen:
‘Wakker worden, Mijn dag is aangebroken!’
Zoals de wekker afgaat en iemand die in nog slaapt wakker maakt,
zo zal op die dag van God de bazuin klinken
om alle doden te wekken uit de slaap, zodat ze zullen opstaan.
Paulus heeft niet de bedoeling om de dood te verzachten.
Hij zegt niet: de dood valt wel mee, troost je daar maar mee.
Nee, Paulus gelooft dat er aan de dood een einde komt
op die geweldige dag als Christus vanuit de hemel neerdaalt
en iedereen zal opstaan en de dood iedereen moet laten gaan.

Als wij slapen, doen wij dat om uit te rusten.
Maar ook dat is niet de reden voor Paulus de reden om over de dood als een slaap te spreken.
Het is voor Paulus geen zoete, zachte dood.
Want de dood is een macht, zoals de slaap ook een macht is
die over ons kan komen waartegen we niet bestand zijn.
Zo is de dood een macht die over ons komt en ons meeneemt,
Waartegen we niet bestand zijn, als een vijand die ons mee wil roven.
Maar… maar … houdt Paulus ons voor:
aan die macht komt er een einde, zoals er aan de macht van de slaap een einde komt,
omdat God ons wekt.
Dat is de troost die Paulus heeft.

Daarom kan Paulus tegen de gemeenteleden in Thessalonica zeggen:
weest niet bedroefd!
Het is een mooie, bemoedigende tekst, maar tegelijkertijd ook een scherpe tekst
waarmee we zo maar nog niet klaar zijn:
Maar ik wil niet, broeders, dat u onwetend bent ten aanzien van hen die ontslapen zijn,
opdat u niet bedroefd bent, zoals degenen die geen hoop hebben
.
Degenen die geen hoop hebben, die hebben reden om bedroefd te zijn.
Paulus verwijst daarmee naar de opvoeding die zijn gemeenteleden in Thessalonica hebben gehad.
Bijna iedereen in die gemeente was opgegroeid in een ander geloof,
ook met andere gedachten over wat er na de dood gebeurt
dan wat Paulus hen voorgehouden had.
Ze waren opgegroeid met een geloof, waarbij degenen die overleden waren
naar het dodenrijk gingen en vandaar niet meer terug konden komen.
De overledenen kwamen niet meer terug, bleven in het rijk van de dood als gevangenen.
Dat geloof was hen van jongsaf aan bijgebracht.
Maar toen kwam Paulus en vertelde hun een heel ander verhaal
over een God die Zijn Zoon naar de aarde zond,
die aan het kruis stierf vanwege de zonden
en de straf van de zonde droeg en daarmee ook de oorzaak van de dood wegdroeg.
Deze Jezus werd door God uit het graf geroepen,
waarmee God liet zien: de macht van de zonde én de macht van de dood is gebroken.
Ze gingen inzien dat hun eigen goden dood zijn
en de verhalen niet kloppen.

Paulus zal hen vast verteld hebben wat er in Jesaja 44 staat.
Op een aantal Bijbelkringen is dit hoofdstuk al aan de orde gekomen.
Je hebt iemand die een stuk hout heeft.
Dat stuk hout breekt hij in tweeën.
Met het ene stuk steekt hij de kachel aan en van het andere stuk maakt hij een beeld van zijn god.
Met zulke verhalen zijn ze opgegroeid, in zulke goden hebben ze geloofd
totdat ze de verhalen en de boodschap van Paulus hoorden
en ze gingen in Jezus geloven.
In Jezus die aan het kruis voor hen gestorven was, voor hun zonden, voor hun schuld.
Maar ze wisten ook: Hij komt eens terug!
Ze hadden Paulus er vol enthousiasme over horen vertellen:
over de grote dag van Christus’ wederkomst.
Dat sloeg over op de gemeente, ze keken naar die dag uit!
Ze zullen er over gezongen hebben, ze zullen er met elkaar over gesproken hebben.
Ik kom dat ook hier in de gemeente tegen,
het uitzien naar die dag, de dag dat Christus zal wederkomen.
O welk een dag zal dat wezen!
Mooi is dat , als dat met elkaar gedeeld wordt,
als je met elkaar naar die dag uitziet, naar de ontmoeting met de Heere.
Want daar ging het de gemeenteleden in Thessalonica om.
Ze hadden al zoveel over Christus gehoord!
Ze wilden bij Hem zijn!
De dag dat Christus terugkomt, zal de dag zijn waarop ze hun Heer mogen ontmoeten,
dat ze aan Zijn voeten mogen neerknielen, uit eerbied en overgave,
uit liefde en dankbaarheid: Heer, hier zijn we. We zijn van U! Dankzij Uw genade!
Gemeente, dat houdt ons een spiegel voor.
Hoe kijkt u naar die dag uit? Houd u daar ook rekening mee
en dan niet uit angst, maar uit verlangen?

Maar ze merkten nog wel, dat ze op aarde leefden.
Dat ze nog niet bij Christus zijn.
Want er waren gemeenteleden, die hen heel dierbaar zijn,
die ze moesten begraven.
Hoe zit dat dan met hen? Zouden zij die grote dag meemaken?
Of zou die dag, van de ontmoeting met de Heere, aan hen voorbij gaan
omdat ze nog gevangen zijn in het dodenrijk,
omdat de dood hen niet wil laten gaan?
Nee, zegt Paulus, de dood heeft een einde,
want Christus kwam uit de dood, zo zullen allen uit de dood komen
die van Christus zijn.
Troost elkaar met deze woorden.
Gemeente, dat mogen we tegen elkaar zeggen
als we aan het graf staan:
de dood is hard en ruw, maar de dood heeft niet het laatste woord.
Wij zaaien het lichaam in de aarde
en vertrouwen het daarmee toe in de handen van de levende God
in de verwachting van de opstanding op de Jongste Dag!

Gemeente, dat is de troost.
Maar je kunt ook die troost missen, zegt Paulus.
Wie niet in die verwachting leeft om later bij de Heere te zijn,
die heeft geen troost.
Die heeft als de dood komt alleen het gevoel
dat de dood een sterke golf is die alles stukslaat en veel kostbaars meesleurt
en niets prijsgeeft.
Natuurlijk, je kunt elkaar dan wel proberen te troosten, als achterblijvers.
Dat gebeurt vaak, bijvoorbeeld in de songs van Marco Borsato:

Afscheid nemen bestaat niet
Ik ga wel weg maar verlaat je niet
Lief, je moet me geloven
Al doet het pijn…

Ik wil dat je me los laat
En dat je morgen weer verder gaat
Maar als je eenzaam of bang bent
Zal ik er zijn..

Kom als de wind die je voelt en de regen
Volg wat je doet als het licht van de maan
Zoek me in alles dan kom je me tegen
Fluister mijn naam,
en ik kom eraan

Zie, wat onzichtbaar is
Wat je gelooft is waar
Open je ogen maar
En, dan zal ik bij je zijn
Alles wat jij moet doen
Is mij op m’n woord geloven

Afscheid nemen bestaat niet

Was dat maar waar, dat afscheid nemen niet bestaat.
Je kunt elkaar nog zo troosten met deze woorden en ze maken vaak indruk,
maar waar zijn ze niet,
want er is wel degelijk een afscheid.
Die grens komt – onherroepelijk, voor iedereen.
We kunnen met elkaar ons zo druk maken over het leven voor die grens,
dat korte stukje,
terwijl we soms die eeuwigheid uit het oog verliezen.

Paulus spreekt hier trouwens niet over de eeuwigheid en ook niet over de hemel.
Ik denk dat hij dat bewust doet.
Niet omdat hij er niet in gelooft, maar omdat dat niet de kern is van het leven na de dood.
De kern is niet het eeuwige, niet het paradijselijke.
De kern, het mooie, de troost: is dat we van Hem zijn en bij Hem zijn,
onze Heere, dat onze Heere ons ophaalt en meeneemt naar Zijn heerlijkheid
om bij Hem te zijn.
Gemeente, dat is de troost, de enige troost in leven en sterven: van Hem te zijn.
De hemel is mooi om naar uit te kijken, omdat Hij, Christus onze Heer er is.
De eeuwigheid zal nooit vervelen en is om naar te verlangen
omdat we dan nooit meer gescheiden zullen zijn van onze Heer
en voor altijd bij Hem mogen zijn.
Een hemel zonder God – ze is er niet en al zou die er zijn, zou een lege troosteloze hemel zijn,
Waar we hooguit schimmen zijn, gevangen in de macht van de dood.
Maar omdat Christus de levende is en onze God de levende God
zal er een dag komen, waarop de dood allen moet laten gaan
die van Hem zijn, die geleefd hebben, die gestorven zijn in dat geloof.
Gemeente, troost elkaar met deze woorden,
zodat we met elkaar naar onze Heer verlangen, die in de dood geweest is, voor ons
om ons thuis te halen, om ons voor eeuwig bij Hem te laten zijn.

Jezus leeft en ik met Hem!
Dood waar is uw schrik gebleven?
Hem behoor ik en zijn stem
roept ook mij straks tot het leven,
opdat ik zijn licht aanschouw,-
dit is al waar ik op bouw

Amen

Ik geloof in de wederopstanding van het lichaam en een eeuwig leven

Ik geloof in de wederopstanding van het lichaam en een eeuwig leven
Christelijke hoop in het aangezicht van de dood

Hoop – en vooral hoop op een leven na de dood – is een specifiek kenmerk van het christelijk geloof. In 1 Petrus 1:3-9 wordt God de Vader geprezen, omdat Hij Jezus uit de doden opwekte en daarmee ook een opwekking van de gestorvenen belooft.
Voor Paulus stort het christelijk geloof als een kaartenhuis in als er geen opstanding van de gestorvenen is. Want dan is ook Christus niet uit de doden opgewekt (1 Korinthe 15). Paulus wilde met dit argument het geloof in de opstanding versterken.

ANASTASI3

Sinds de Verlichting wordt het argument van Paulus van de opstanding van Christus en de opstanding van de doden gebruikt tegen het christendom. In de Verlichting vervluchtigde niet alleen het geloof in de opstanding, maar in het geloof van het leven in het hiernamaals in het geheel. Er werd afscheid genomen van de opstanding, van het laatste oordeel en van een geloof in de lichamelijke opstanding van Christus. Hooguit hield men vast aan een eeuwig voortbestaan van de ziel zonder lichaam.
Vanaf de 19e eeuw werd, door onder andere de opkomst van een naturalistisch wereldbeeld, de dieptepsychologie en het Marxisme,  ook de hoop op een eeuwig voortbestaan bekritiseerd. Hoop op een onsterfelijk bestaat was een illusie of een vorm van opium om het volk in erbarmelijke omstandigheden rustig te houden.
Vandaag de dag wordt de ziel gezien als een vorm van ervaring van het zelf. De ziel is een psychologisch verschijnsel dat alleen in onze gedachten en ervaring bestaat, maar niet werkelijk bestaat.

Karl-Marx

Verkondiging
Met deze veranderingen is het geloof in de opstanding van het lichaam en de hoop op een eeuwig leven haaks komen te staan op wat veel mensen vandaag de dag geloven en ervaren. In ervaren en denken is de nadruk komen liggen op het leven in het hier en nu en is het nadenken over het leven in het hiernamaals een restverschijnsel geworden.
Deze ontwikkeling heeft ook de kerk niet onberoerd gelaten. In veel theologische en kerkelijke stromingen is het spreken over een lichamelijke opstanding op de achtergrond geraakt. De traditionele voorstelling van een leven na de dood komt in veel preken nauwelijks meer voor. Omdat de traditionele voorstellingen bij predikanten en/of kerkgangers niet meer voldoen. Omdat door het verdwijnen van een geloof in het leven in het hiernamaals de aanknopingspunten verdwenen zijn.

Fragmentarisch leven
In de maatschappij en in delen van de kerk kan dan afscheid genomen zijn van een geloof in de opstanding en in het leven na de dood, de werkelijkheid van de dood en de werkelijkheid van het kwaad zorgen ervoor een optimistische kijk op het leven in het hier en nu niet voor iedereen houdbaar is.
Het optimisme van de Verlichting met zijn nadruk op het leven in het hier en nu is na de beide wereldoorlogen stukgebroken. In plaats daarvan is weer volop aandacht voor de werkelijkheid van het kwaad. Bovendien wordt erkend dat het leven in het hier en nu vooral een fragmentarisch leven is. Het is een leven dat sterfelijk is en geregeld ingrijpende verlieservaringen kent. Elk leven kent niet alleen ervaringen van geluk en voldoening, maar ook van mislukken en verlies. Eigen dromen komen niet uit, wensen worden niet voltooid, doelen niet gehaald. Wie in relatie leeft, draagt in zich ook de pijn aan verlies van degenen die er niet meer zijn.

Relatie met God
In deze wereld van fragmenten, van geluk en breuken, van zegen en falen, van voldoening en verlies, klinkt de boodschap van de opstanding van het lichaam en het eeuwig leven. Het christelijk geloof verbindt dit fragmentarisch leven aan God. In het licht van die relatie met God is het fragmentarische van ons leven aan de ene kant een oordeel, aan de andere kant een bestaan waarover het licht van Gods genade valt.

Hoop op de opstanding
Vanuit het nadenken over de opstanding dient er onderscheid gemaakt worden tussen de dood en het sterven. Het christelijk geloof laat zien dat er een leven na de dood mogelijk is, omdat de dood door Christus overwonnen is. Tegelijkertijd is duidelijk dat het sterven nog niet voorbij is. Ieder mens zal nog sterven. Iemand die in het reine komt met zijn of haar sterven en daar bewust naar toeleeft, hoeft nog niet in het reine te komen met de dood. We kunnen toeleven naar ons sterven, maar het overwinnen van de dood is ons niet gegeven. Overwinning op de dood is opwekking uit de dood en opwekking uit de dood is volgens het christelijk geloof een daad van God.

Nieuw licht
Als de overwinning op de dood, namelijk de opwekking uit de dood, een daad van God is, valt er een nieuw licht op het fragmentarische menselijke leven. De voltooiing van het leven wordt door God gegeven. De last om het fragmentarische leven tot een zinvol geheel te maken ligt niet meer bij de mens die dat leven leidt.
Dat het fragmentarische leven van de mens (na de dood) door God wordt voltooid, is de hoop die de opstanding uit de doden geeft. De basis voor deze hoop is gelegen in de opwekking van Christus uit de dood.

N.a.v. Ulrich H.J. Körter, ‘ “Ich glaube an die Auferstehung der Toten und das ewige Leben”. Christliche Hoffnung im Angesicht des Todes’, in: Ulrich H.J. Körnter, Wie lange noch, wie lange? Über das Böse, Leid und Tod (Neukirchen-Vluyn 1998) 95-119.

Frozen – 2

Frozen -2

Na het lied van de ijswerkers volgt een cruciale scène uit de kindertijd. Anna maakt in de nacht haar zus Elsa wakker om met haar te spelen. Elsa wil eerst niet, want zij wil verder slapen. Maar als Anna haar vraagt om sneeuw te maken, gaat ze over stag.
Elsa heeft namelijk een kracht in zich waarmee ze sneeuw kan maken. Elsa verandert de grote hal in het kasteel in een sneeuwlandschap.

Bevroren
Het gaat echter mis als Anna te snel gaat en Elsa haar niet bij kan houden. Dan raakt Elsa Anna met haar toverkracht en Anna raakt bevroren. Anna kan alleen ontdooid worden door de trollenkoning. De trollenkoning weet haar bevroren hoofd te ontdooien en wist alle herinneringen aan de magische kracht van Elsa.

Verandering
Door deze gebeurtenis verandert Elsa heel sterk. Het is haar eerste verandering in de film. Elsa wordt angstig en juist als zij angstig is verandert alles wat zij aanraakt in ijs. Om haar te beschermen sluiten haar ouders de poorten van het land. Elsa isoleert zich op haar kamer en wil niet meer met Anna in contact komen. Ook niet als zij Elsa steeds vraagt om een sneeuwpop te maken.

Dat isolement verandert niet als de ouders van Elsa en Anna in een schipbreuk omkomen. Elsa blijft in haar isolement op haar kamer.

Olaf, Kristoff en Sven
In deze episode komen ook personages voor die verderop in de film een rol spelen. Tijdens het spelen met het sneeuw in de hal creëert Elsa de sneeuwpop Olaf. Kristoff, de zoon van het ijswerkersvolk, en zijn rendier Sven zien op de terugtocht van hun werk de ontmoeting van de koning met de trollenkoning en zien hoe hij Anna weer ontdooit.

Ingrijpende gebeurtenis
Deze scène laat zien dat een enkele gebeurtenis grote gevolgen heeft voor de rest van het leven. Het maken van een ijswereld was een spel en deze kracht werd vooral spelenderwijs gebruikt. Totdat er tijdens dat spel iets ingrijpends gebeurt en het leven nooit meer hetzelfde is. In het leven is er nu een last dat voor altijd meegedragen moet worden.

Klaus Berger – Das Vater unser

Klaus Berger – Das Vater unser. Mit Herz und Verstand beten (2014)

COVER 33458-0 BERGER Vaterunser

Klaus Berger is een fascinerende exegeet: scherpzinnig én scherp én toch ook weer vroom. Niet elke zin of uitspraak van hem neem ik voor mijn rekening. Maar vaak zijn de exegeses van hem zeer de moeite waard en verdiepend. Steeds meer en meer verweeft hij zijn achtergrond als nieuwtestamenticus met zijn betrokkenheid op het kloosterschap. Een goede mix om over het Onze Vader te schrijven. Niet voor niets staat het hart voorop, maar niet voor niets volgt het verstand daarna ook.

Uitgegeven bij Herder Verlag.

Leseprobe: http://www2.herder.de/medien/leseprobe/978-3-451-33458-0/blaetterkatalog/index.html