Een kerk vertelt van het geloof

Een kerk vertelt van het geloof

Brengt u tijdens uw vakantie met uw kinderen ook een bezoek aan een kerk? Een bezoek aan een kerkgebouw is een goede gelegenheid om kinderen in aanraking te brengen met het christelijk geloof. Door de ruimte van een kerkgebouw binnen te stappen kunnen zij ervaren hoe mensen God door de eeuwen door hebben gezocht en gediend. Zij kunnen de stilte en de akoestiek ondervinden. Binnen en buiten is voor hen vaak veel te zien, dat hen kan vertellen over Christus en het leven met Hem.

Christian Möller schreef eens over de ‘prediking van de stenen’: het kerkgebouw zelf vertelt over het geloof en geeft aan kinderen de gelegenheid om de wereld van het geloof binnen te stappen.

dyn001_original_640_427_jpeg_2546155_82896877c7d6f079dbece222aef25da3

In de jaren-’90 heeft men ontdekt dat het de moeite was om het kerkgebouw te gebruiken om volwassenen en kinderen in aanraking te brengen met christelijk geloof en het in te wijden in wat christenen geloven en vieren. Sindsdien is de kerkpedagogiek in opmars: het rondleiden van volwassenen en kinderen om hen kennis te laten maken met het kerkgebouw, de betekenis van wat er in een kerkgebouw te vinden is uit te leggen en hen te laten ervaren hoe het is om in een kerkgebouw het geloof te beleven.

Deze opmars heeft verschillende oorzaken: Het aantal bezoekers van een kerkdienst mag wellicht afnemen, het aantal bezoekers van een kerkgebouw niet. Velen die geen kerkelijke binding meer hebben bezoeken graag als toerist een kerkgebouw en raken gefascineerd door wat de kerkelijke ruimte hen te bieden heeft. Daarnaast zal de opmars van de kerkpedagogiek te maken hebben met het besef, dat kerkgebouwen (kunst)historische waarde hebben. In Duitsland kreeg de kerkpedagogiek ook een Schwung door restauratie van kerken, die in de tijd van de DDR waren verwaarloosd. Met als bekend voorbeeld de heropbouw van de Frauenkirche in Dresden.

67-Frauenkirche-Dresden

Een mooie suggestie voor een rondleiding die de kerk zelf van het geloof laat spreken kwam ik tegen bij Christian Möller. Deze rondleiding is naar mijn idee ook heel geschikt voor kinderen. Hij noemt deze rondleiding door de kerk: Een kerk vertelt over het geloof. Een rondleiding voor toeristen, die de tijd hebben en graag meer willen weten over de kunstgeschiedenis van de kerk maar ook open staan voor de boodschap die deze kerk vertelt.

Deze rondleiding begint bij de doopvont. Vroeger stond de doopvont buiten de kerk, omdat de doop vroeger de toegang tot de kerk bood. Er zijn doopvonten die bijvoorbeeld door middel van houtsnijwerk een hele dooptheologie laten zien: van de zondvloed en de uittocht uit Egypte via de doop van Jezus en het bevel uit Mattheüs 28 tot aan de ark als metafoor voor de doop (1 Petr 3:20). Bij het doopvont zou de groep een dooplied kunnen zingen en het water en de doopvont aanraken (eventueel als een herinnering aan hun eigen doop).

watergang_wkansel-01 watergang_wkansel-05

De groep maakt dan een gang door het kerkgebouw om de ruimte van het gebouw te ervaren: een wijdse ruimte, die toch geborgenheid geeft. Hierdoor kunnen de bezoekers, zonder dat het hen nadrukkelijk gezegd wordt, een ervaring hebben van Gods grootheid en zich toch bij Hem geborgen voelen. Veel kerken zijn in oostelijke richting gebouwd, omdat vandaar de zon opkomt: een heenwijzing naar de opstanding van Christus. Veel kerken zijn zo gebouwd, dat het licht van de opkomende zon de kerk binnenvalt. De gids kan hier vertellen dat de kerk is leeft en gedragen wordt door de opstanding van Christus. De groep neemt plaats in de banken om te ervaren hoe het is om onderdeel te zijn van een vierende gemeente. Ze ervaren hoe hun ogen worden getrokken naar de kansel en het altaar of de avondmaalstafel en krijgen te horen dat dat niet voor niets is: de preek en het avondmaal zijn belangrijke onderdelen van de eredienst. De kinderen mogen voor één keer de kansel beklimmen. De kansel biedt de gelegenheid om te vertellen, waarom de preek zo’n grote plaats inneemt in de reformatorische liturgie. De gids zou de groep kunnen uitleggen hoe de gemeente in de preek het Woord van God verneemt. Bij het altaar of avondmaalstafel kan brood en wijn worden getoond. De gids kan hier vertellen wat de heilsbetekenis is van Christus’ sterven aan het kruis.
Zo kunnen de ruimte, alles wat in het gebouw aanwezig is, de bouwgeschiedenis spreken van het leven van God met mensen en omgekeerd.

Literatuur:
– Christian Möller, “Die Predigt der Steine. Zur Ästhetik der Kirche”, in: Jürgen Seim / Lothar Steiger (Hg.),
Lobet Gott. Beiträge zur theologischen Spiritualität.FS Rudolf Bohren (München: Chr. Kaiser, 1990) 171-178.
– Birgit Neumann / Antje Rösener, Kirchenpedagogik. Kirchen öffnen, entdecken und verstehen. Ein Arbeitsbuch (Gütersloh: Gütersloher Verlagshaus, 2009 – 4e druk).
– Hartmut Rupp (Hg.), Handbuch der Kirchenpädagogik. Kirchenräume wahrnemen, deuten und erschließen (Stuttgart: Calwer Verlag, 2008 – 2e druk).

Advertenties

De opbouw van de zondeleer bij Karl Barth

De opbouw van de zondeleer bij Karl Barth

Zonde kan worden gedefinieerd als een afkeren van de mens van zijn Schepper, Verzoener en Verlosser die aan de mens zelf te verwijten valt. Zonde is daarmee een begrip dat te maken heeft met de (verbroken) relatie met God.
Hoe kunnen we weten of iets zonde is? Daarvoor zijn twee manieren:
(1) Het leven van de mens te zien in de spiegel van Gods geboden. In theologische vaktermen: door de wet van God.
(2) Het leven van de mens te zien in de spiegel van Gods barmhartigheid. In theologische vaktermen: door het evangelie.

De eerste manier (door middel van Gods wet) is de klassieke in de theologie. Vergelijk de Heidelbergse Catechismus: Waaruit kent gij uw ellende? Uit de wet Gods.
Barth kiest voor de tweede manier en ontketende daarmee een revolutie in het doordenken van wat zonde is. Maar Barth kreeg er wel weinig bijval mee.

Er zijn enkele oorzaken geweest, waardoor Barth kwam met deze eigenzinnige visie op het herkennen van de zonde:
* De belangrijkste verandering in zijn Kirchliche Dogmatik is, dat hij alles steeds meer ging zien vanuit het ene gezichtspunt van de christologie. Zo zet hij bijvoorbeeld in KD II/2 een antropologie op vanuit een christologisch gezichtspunt: vanuit het ware menszijn van Jezus Christus.
* Dit christologische uitgangspunt, dat hij in de antropologie heeft voorbereid, werkt Barth in de zondeleer verder uit.
* In de jaren-’30 kwam er een stroming in kerk en theologie die het christelijk geloof trachtte te verzoenen met de nazi-ideologie of het völkische gedachtengoed. (Hoewel er sterke overeenkomsten zijn mogen deze niet over een kam worden geschoren!) Theologen die deze verzoening nastreefden beriepen zich op het gebod van God (de eerste manier).
Barth was van mening dat wanneer zowel het kennen van Gods wil (gebod) als de zonde losgekoppeld werden van de kennis over Christus er geen weerwoord was tegen de verzoeningspoging. Vandaar zijn felle verzet tegen het kennen van Gods wil buiten Christus om. In lijn hiermee ligt zijn stelling, dat zonde niet buiten Christus om gekend kan worden.
Barth heeft daarom ook geen zelfstandige plaats voor de zondeleer, maar knipt deze op en verwerkt zijn visie in de christologie, waarbij de zonde de tegenstelling is van wat Christus is.

Barth bouwt dus zijn zondeleer op vanuit de christologie: als spiegel van Christus. Zijn christologie bouwt hij op vanuit de 3 ambten: Jezus Christus als priester, koning en profeet. Na de uiteenzetting van de christologische paragrafen komt de zonde aan bod: hoogmoed, traagheid en leugen. Waarbij aangetekend dient te worden dat Barth uitging van de mens als lid van het corpus christianum of als lid van een kerk.
* Priester: De Heer die knecht wordt => de zelfovergave van Christus tot verzoening.
De mens reageert hierop met de zonde van de hoogmoed => de weigering om gediend te worden.
* Koning: de knecht die verhoogd wordt tot Heer.
De mens reageert hier op met de zonde van de traagheid => de weigering om meegenomen te worden in de erkenning van deze Heer.
* Profeet: de ware getuige.
De mens reageert hierop met de zonde van de leugen.
(Door deze systematisering komt – volgens Beintker – zonde als ongeloof er bij Barth bekaaid af.)

De zonde uit zich vaak niet in extremiteiten, maar juist in een doorsneeleven: als passieve gedachteloosheid, als weigering om verantwoordelijkheid te nemen (traagheid), als leugen door wensdenken die de werkelijkheid niet onder ogen wil zien. Barth geeft dus als het ware een theologische onderbouwing van de banaliteit van het kwaad (Hannah Arendt). De rebellie tegen God gebeurt hierin in het verborgene. Zonde camoufleert zich, verstopt zich, dekt zich in.
Zonde kan zich zowel in de twee tegenovergestelde polen van hoogmoed en traagheid uiten: als hybris en overtreding of als zwakheid en passiviteit. De mens wordt hoogmoedig door eigenmachtige misbruik van legitieme gaven die de mens heeft ontvangen. Dat het hoogmoed is, wordt pas zichtbaar in de spiegel van Christus’ vernedering.
|
De zonde wordt door Jezus Christus overwonnen: een volkomen vrijkomen uit de schuld, uit de slavernij van de traagheid en de verblinding van de leugen. Dus: vrijgemaakt tot een leven in verzoening met God, tot verantwoordelijkheid en waarheid.

n.a.v. Michael Beintker. “Hamartiologie und Christologie. Die Bauformen der Sündenlehre in KD IV/1-3”, Zeitschrift für Dialektische Theologie. Jahrgang 27/1 (2011) 39-59.

De Heidelbergse Catechismus als symfonie

De Heidelbergse Catechismus als symfonie

20100912_zoc_rkf_herreweghe_tcm8-230326

Hoe zou de Heidelbergse Catechismus klinken als muziekstuk? Als een pianoconcert van Sergej Rachmaninov? Als een orgelsonate van Alexandre Guilmant? Als een symfonie of juist als een cantate van Bach?

Gerrit Noltensmeier doet een suggestie:

(1) Preludium: Consolatio (vraag en antwoord 1)
(2) Over de menselijke ellende: Grave ma non troppo (1e stuk)
(3) Over de verlossing van de mens: Con spirito (2e stuk)
(4) Over de dankbaarheid (gebod en gebed): Final grazioso (3e stuk)

widor noten 5

Een interessante en creatie gedachte om de verschillende motieven en stemmen van de Heidelbergse Catechismus te verklanken!

N.a.v.: Gerrit Noltensmeier, “Der Heidelberger Katechismus – eine Komposition”, in: M. Heimbucher / Christoph Schneider-Harpprecht / Aleide Siller (Hg.), Zugänge zum Heidelberger Katechismus. Geschichte – Themen – Unterricht (Neukirchen-Vluyn, 2012) 24-30.

Genesis 3: een verhaal over de zonde?

Genesis 3: een verhaal over de zonde?

Noem Genesis 3 en de doorgewinterde Bijbelkenner weet om welk hoofdstuk het gaat: het verhaal van de slang die de vrouw en de man in de hof van Eden verleidt om de verboden vrucht te nemen. Hierin wordt de zondeval beschreven.

Adam_en_Eva_hof_van_Eden-Wenzel_Peter

Is dat wel zo? Gaat Genesis 3 wel over de zondeval? Volgens Jürgen Ebach niet. Hij wijst erop, dat zowel het woord ‘zonde’ als ‘val’ niet in dit hoofdstuk voorkomen. Volgens hem is ook het verdrijven uit de tuin geen straf, maar een gevolg van de verkozen autonomie.
Ebach is een oudtestamenticus die ik, zodra hij over een tekst of onderwerp geschreven heeft, altijd raadpleeg. Door zijn manier van exegetiseren (vooral het stellen van vragen) weet hij de tekst dichtbij te brengen. Zijn uitleg is vaak uitdagend en provocatief. In zijn exegese van Genesis 3 overtuigt hij mij niet. Naar mijn idee laat hij zich teveel leiden door het genderaspect en ziet hij belangrijke kenmerken van de tekst over het hoofd.
Voor mij gaat Genesis 3 wel degelijk over de zondeval. Ook al worden de woorden niet letterlijk ‘zonde’ en ‘val’ niet genoemd, dit hoofdstuk is een narratieve hamartiologie (hamartiologie = de technische term voor zondeleer):

* Het woord ‘zonde’ wordt niet letterlijk genoemd in dit gedeelte, maar er komen wel woorden en begrippen voor die een plaats hebben in de christelijke leer over de zonde:
– In de tuin staat een boom van kennis van goed en kwaad. Dat woord kwaad heeft in de Bijbel de betekenis van goddeloosheid. Goddeloosheid heeft in de Bijbel de betekenis: bij het handelen bewust geen rekening houden dat er ook een God is die oordeelt; een vorm van praktisch atheïsme.
– Al bij de inzet van het hoofdstuk wordt duidelijk, dat het erom gaat de mensen uit de gemeenschap van de HEERE God te halen. De slang, die de vrouw aanspreekt, wordt getypeerd als ‘sluw’. In Spreuken kan dat een positieve betekenis hebben (‘wijs’), maar in de rest van het Oude Testament is de betekenis negatief. Volgens NIDOTTE betekent dit woord dan: kennis die tegen God ingaat.
– De slang spreekt een halve waarheid, die een hele leugen is. Hij suggereert dat God een verbod voor alle bomen heeft opgelegd en suggereert daarmee dat God de mens niets gunt. Door deze halve waarheid creëert de slang bewust een negatief beeld van God.
– De man en vrouw eten van de vrucht, terwijl dat door de HEERE verboden is. Het overtreden van het gebod van de HEERE is in de Bijbel altijd een vorm van zonde.
– De tuin waarin de mensen geplaatst zijn, is niet alleen een mooie tuin. In deze tuin leven de mensen samen met de HEERE God. De HEERE wandelt in deze hof. De mensen zullen ook met de HEERE hebben gewandeld, want zij verbergen zich op het moment dat zij de HEERE horen wandelen. Wandelen met de HEERE is in het Oude Testament ook een ethische formulering: je houden aan Gods geboden en inzettingen. De mens wordt buiten deze hof, waarin zij met de HEERE verkeerden, geplaatst en de toegang geblokkeerd.
Voor mij zijn dit signalen dat het in dit hoofdstuk wel degelijk om een ‘zondeval’ gaat: een door eigen handelen uit de gemeenschap van de HEERE geraken en dat door een handeling die tegen de HEERE ingaat. Door deze handeling werd de mens van bondgenoot een tegenstander van de HEERE.

lucas-cranach-d.-ae.-adam-und-eva-02044

* In dit gedeelte wordt een sprekende slang opgevoerd. Omdat het een bekend gedeelte is, ben je als lezer geneigd om hier overheen te lezen. Toch is het uitzonderlijk dat er een sprekend dier wordt opgevoerd. Zo vaak komt dat niet voor in de Bijbel: de ezelin van Bileam is net als de slang een uitzondering.
De sprekende slang laat zien dat het in dit gedeelte gaat om het aanspreken van de mens. Door wie laat de mens zich aanspreken: door de HEERE God of door een andere stem, die de mens op het verkeerde pad brengt (een weg die niet de weg van de HEERE is)? Op welke stem gaat de mens in? Dit motief wordt versterkt door het roepen van God, de HEER: ‘Adam, waar zijt gij?’ Een belangrijk onderdeel van de christelijke antropologie (de christelijke leer over de mens) is dat de mens leeft door het aanspreken van de HEERE. De HEERE roept de mens en vraagt om zijn antwoord in woord en daad.

* De slang spreekt als eerste de vrouw aan. Waarom eigenlijk? Dat heeft te maken met het vorige hoofdstuk, waar de vrouw aan de man is gegeven als ‘hulp tegenover’. Deze hulp tegenover is geen sloof of dienstmeisje, maar iemand die de man recht in zijn gezicht kijkt en hem stimuleert en corrigeert. De vrouw als hulp tegenover spreekt haar man aan. Volgens Ebach (en hierin volg ik hem wel) is de vrouw niet uit de rib van Adam geschapen, maar uit zijn zijde: de vrouw hoort bij haar man en is van hem, maar wezenlijk een ander: een tegenover, een aangezicht, nadrukkelijk geen projectie of verlengstuk, maar iemand die tegen hem in durft te gaan. (Daarmee is deze tekst niet voor niets een basistekst voor het christelijk huwelijk.)
Waarom wordt deze hulp tegenover aan de man geschonken? Omdat het God, de HEER, opvalt dat de mens alleen is. Het valt de mens zelf niet op. De hulp tegenover wordt geschonken vanwege de boom van kennis van goed en kwaad. De hulp tegenover moet de mens behoeden om de vrucht van die boom te eten. De hulp tegenover is dus geschonken om de ander te behoeden buiten de gemeenschap van God te geraken. De hulp tegenover is geschonken om te behoeden voor de zondige daad, om de keuze voor een weg bij de HEERE vandaag te blokkeren.
Juist deze hulp tegenover wordt door de sluwe slang aangesproken. Het is daarom de vraag of het Adam te verwijten is dat hij de schuld afgeschoven heeft op de vrouw. De door de HEERE gegeven hoedster van de man faalde. (Ik ben van mening dat het genderaspect in geen enkel opzicht relevant is voor dit gedeelte. Het had ook omgekeerd kunnen gebeuren: de door de HEERE gegeven hoeder van de vrouw faalde. Het accent ligt niet op het genderaspect, maar op de hulp die door de HEERE gegeven is en de opgedragen taakstelling niet nakomt.)

* Opvallend is het gebruik van de Godsnamen: de verteller spreekt steeds over God, de HEERE (Elohim JHWH) of de HEERE God (JHWH Elohim), maar de slang laat de Godsnaam JHWH weg. Naar mijn idee laat de slang deze naam bewust weg. Het is de naam wijst vooruit naar het verbond dat gesloten gaat worden, de God van Abraham, Izaäk en Jacob, de God van Israël. De slang maakt van de God van Israël een algemene god. De slang degradeert de God van het verbond, de enige God die er is, tot een algemene, inwisselbare god.
De slang suggereert dat de mensen kunnen worden als deze algemene god. (Merkwaardig genoeg vertaalt de NBV ‘Elohim’ in vers 6 als ‘goden’; een misser die de NBV ook in Genesis 6:1 maakt.)

* De slang suggereert dat de mensen kunnen worden als God. Want God kent goed en kwaad. Als de slang hier wel de waarheid spreekt, is dat een spannend theologisch gegeven: God kent het goede dat van Zijn kant komt, maar kent ook het kwaad van de goddeloosheid. De slang suggereert dat de mens incompleet is en door deze god wordt kleingehouden. Om echt kennis te hebben, moet je ook de zonde en het kwaad kennen. Om juist te kunnen handelen moet je ook weten wat het verkeerde is. De slang suggereert dus dat het nodig is om zonde en kwaad vanuit ervaring te kennen. Alleen dan kan de mens juist handelen.

* Hij suggereert ook dat de ogen zullen opengaan. Voor het eerst ziet de vrouw de boom. Tot dan toe heeft zij de boom genegeerd. Zij had genoeg aan wat de HEERE gaf. Nu de slang de aandacht op de boom vestigt ziet zij hoe aanlokkelijk de vrucht van de boom is. Bovendien is er in haar een verlangen om nog wijzer te zijn dan zij al is. De boom zou haar die wijsheid kunnen schenken.
Na het plukken, het eten en het delen merken zij beiden dat zij naakt zijn. Daarmee komt naast het kwaad van het overtreden van het gebod van de HEERE er niet alleen distantie tot de HEERE maar ook tot elkaar. Zij schamen zich niet alleen voor de HEERE, maar ook voor elkaar. De eenheid tussen de man en zijn zijde, de eenheid tussen de mens en zijn tegenstem is verbroken. Dat blijkt al in het doorgeven van de schuld: man en vrouw zijn geen eenheid meer; de schuld wordt niet meer gedeeld maar doorgeschoven. De mensen voelen zich niet meer verantwoordelijk voor elkaar (Genesis 4:9)
Ook de eenheid met de HEERE is verbroken. De komst van de HEERE roept vrees op. Normaal gesproken betekent ‘vreze des HEEREN’: liefde en ontzag voor de HEERE. Deze vreze is veranderd in vrees. De mensen verbergen zich voor de HEERE.

* Door het overtreden van het gebod van de HEERE komen de mensen buiten de tuin terecht. De zegen wordt vervangen door de vloek. Zegen en vloek zijn belangrijke trefwoorden in het Bijbelboek Genesis. Wanneer exegeten dit buiten-de-tuin-geraken duiden als een autonoom worden, geven zij aan deze verbanning wel een erg positieve draai. Volgens mij is die duiding ook niet houdbaar met wat er in Genesis 3 en in het vervolg wordt gedeeld. (Zo blijft er een hang naar de tuin: Kaïn trekt weg naar het oosten, de kant op van de tuin.)

* Ebach heeft gelijk dat er geen sprake is van straf. Hij ziet over het hoofd dat er wel sprake is van vloek. Is vloek niet hetzelfde fenomeen als de toorn van God. Ook de toorn is niet persé straf of woede. Vloek is in mijn ogen een door de mens over zichzelf afgeroepen effect van zijn daden. Omdat de gevolgen een vloek inhouden en negatief zijn, ligt het naar mijn idee wel dicht tegen straf aan. In ieder geval houdt de vloek in dat de mens deze over zichzelf heeft afgeroepen.

bsgd0011

* Ondanks de vloek is er toch sprake van Gods genade. Allereerst blijft God, de HEERE, zich met Zijn verbondsnaam vertonen. Hij sticht bovendien vijandschap tussen het nageslacht van de slang en het nageslacht van de vrouw. Daarbij zal de suggestie zijn, dat de HEERE partij kiest voor het nageslacht van de vrouw. Ondanks hun overtreding worden zij niet aan hun lot overgelaten. Hij blijft mensen aanspreken (Genesis 4:9). Hij blijft hen gedenken door hen nakomelingen te geven. Hij laat zich aanroepen (Genesis 4:26). En wellicht is ook de verbanning uit de tuin een daad van barmhartigheid: om te voorkomen dat de mens eet van de levensboom. In ieder geval gaat Hij Zijn weg met het nageslacht van de vrouw. Een weg die uitmondt in Abraham en in Israël, een keuze die tot zegen is bedoeld voor heel de mensheid.

Genesis 3 gaat naar mijn idee dus wel degelijk over zonde. Maar als tegenhanger ook over de genadige trouw van de HEERE.

Indië

Indië

Weer zijn de politionele acties in het nieuws. Allereerst omdat een van de soldaten in het NRC in een interview aangaf betrokken te zijn geweest bij executies. In de tweede plaats omdat twee dienstweigeraars alsnog rehabilitatie willen. Met als motivatie: als de rechter had geweten wat er in Indië zich afspeelde, had hij hen nooit veroordeeld. Bij zulke berichten denk ik aan de oud-Indië-gangers die ik in de loop van jaren heb ontmoet. En aan wat zulke berichten bij hen oproepen. Aan de slapeloze nachten die zij (weer) zullen krijgen. Aan de wrevel die zulke berichten bij hen oproepen.
Als het over de Nederlandse soldaten in Indië gaat, gaat de aandacht vooral uit naar de misstanden die er door de Nederlanders zouden zijn gepleegd. Zelden is er aandacht voor wat de Nederlandse soldaten hebben doorgemaakt. Een groot deel van de Nederlandse soldaten is als dienstplichtige naar Indië gestuurd. Niet om daar een oorlog te voeren, maar om de orde terug te brengen. Daarom werd er ook gesproken over politionele acties.

De meesten hebben daar een lange tijd gezeten. Soms meer dan 3 jaar. Deze mannen hadden als tiener de Tweede Wereldoorlog meegemaakt. Na de oorlog werden zij naar Indië gestuurd. Op Bevrijdingsdag bad ik tijdens een kerkdienst voor degenen die de gevolgen van de oorlog nog ondervinden, en ook voor degenen die elders hebben gediend bijvoorbeeld in Indië. Na afloop van de dienst werd ik aangesproken door iemand: ‘Het is voor het eerst dat voor mij gebeden is.’ Hij had in Indië gediend. ‘Hoe was dat?’ vroeg ik. Veel wilde hij er niet over zeggen: ‘Eerst de oorlog met de Duitsers en daarna Indië. Ik heb een verloren jeugd gehad. Nou, dan weet u wel genoeg.’

Zij kwamen in een wereld die voor hen totaal onbekend was. Het begon al met de heenreis: ‘Aan boord brak tyfus uit. Bij aankomst stonden honderden ambulances klaar. Onderweg waren er al overleden. Zij kregen een zeemansgraf.’

Ze kwamen in een wereld met een voor hen vreemd klimaat, vreemde talen. Ze maakten ingrijpende gebeurtenissen mee. ‘Wie niets heeft meegemaakt, heeft daar alleen maar achter de meisjes aangezeten.’ Ze hebben meegemaakt hoe kameraden sneuvelden en soms ter plekke begraven moesten worden. Een bracht het er levend vanaf, terwijl de soldaat links en de soldaat rechts van hem sneuvelden. Ze hebben gezien hoe mensen die voor hen werkten op afschuwelijke manier verminkt werden teruggevonden. Ze werden beschoten en liepen in hinderlagen. Ze hebben zelf geschoten en gedood. Wachtlopen hield in dat je beschoten kon worden door een onzichtbare vijand. Of overvallen. Altijd moest je paraat staan. Wachtlopen in Indië was wat anders dan wachtlopen op een kazerne op de Veluwe. 2526 soldaten zijn gesneuveld of overleden aan verwondingen. Daarnaast zijn er nog 2225 soldaten omgekomen bij een ongeluk of overleden na een ziekte. Deze cijfers geven aan, dat het een ingrijpende tijd voor de meesten moet zijn geweest.

Wat moet je dan aan je vrouw en je kinderen vertellen? Zij zijn er niet bij geweest. ‘Hoe moet je erover vertellen? Dat kan gewoon niet. Er is teveel gebeurd.’ Bovendien is de publieke opinie voor hen nooit gunstig geweest. Dat begon bij terugkomst al. ‘We kregen 200 gulden om weer burgerkleding te kopen. We kregen geen onthaal. We gingen van boord en toen werd er tegen ons gezegd: “Succes in de burgermaatschappij”. Dat was alles.’ Daarna werd er over Indië gezwegen. En toen er wel over gesproken werd, ging het vooral over misstanden. Erkenning hebben ze zelden gekregen. Wel is er aandacht als er foto’s opduiken met executies. Of als dienstweigeraars rehabilitatie willen. Ik zeg niet dat daarover gezwegen moet worden. Wel dat wij in 2013 voorzichtig moeten zijn met wijsheid achteraf. In 1946, bij de eerste politionele actie, was Groot-Brittannië nog in bezit van koloniën en mandaatsgebieden. In 1954 en 1960 had Frankrijk moeite om koloniën los te laten. Het was de tijd waarin men het opkomende communisme vreesde. Spreken over Indië kan niet zonder de geest van die tijd.

Wat ik mij ook afvraag: waarom geen aandacht voor wat de soldaten (dienstplichtig of beroeps) hebben doorgemaakt? Waar blijft de aandacht voor de terreur van Indonesiërs waaraan Nederlandse soldaten een einde moesten maken? Waarom geen reportages van de soldaten die daar gesneuveld zijn en ginds begraven liggen?

Moet het wel allemaal opgehaald worden? Ik weet het niet. De meesten willen er niet over praten. Het vraagt in ieder geval om fijngevoeligheid en om een niet-veroordelende en respectvolle houding. Ik vroeg na wat iemand moest doen om het verhaal van zijn vader of opa te horen. ‘Niets’, was het antwoord. ‘Onbegonnen werk. Als iemand er niet over wil praten, dan zal hij dat nooit doen.’
Aan de andere kant: het wordt steeds opgehaald. Vaak op een voor de veteranen weinig positieve manier. Dát mag wel eens anders.
Ik ben betrokken geraakt bij de gebeurtenissen in Nederlands-Indië. Omdat er ik in verhalen op stuitte. Omdat ik me realiseerde dat ik signalen heb laten liggen van gemeenteleden die daar hebben gediend. Uit die verhalen en signalen begrijp ik enigszins hoe ingrijpend deze periode is geweest voor degenen die daar hebben gediend. Enigszins, want ik heb het alleen van horen zeggen. Ik ben er niet bij geweest. Maar als ik steeds de verhalen hoor en de gevolgen zie, denk ik: deze verhalen mogen niet vergeten worden. Want ze werden in opdracht gestuurd, maakten veel mee en kregen daarna de last te dragen. Dat mag – naast de misstanden – ook niet vergeten worden!

Epiloog
Kort na de acties in Indië kwam de oorlog in Korea. Nog erger dan in Indië en nog meer vergeten dan de politionele acties. Nu 60 jaar na de wapenstilstand is het ook goed om onze betrokkenheid bij dat land te blijven gedenken. Samen met de soldaten die daar hebben gediend. Daarbij niet vergetend degenen die daar gevallen zijn.

Belijdeniscatechisatie voor ouderen – les 3

Belijdeniscatechisatie voor ouderen – les 3

N.a.v. Filippus en de kamerling (Handelingen 8:26-40)

1) Wat spreekt u in dit verhaal het meest aan?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………..

2) Wat leert u van dit verhaal?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………..
3) Om welke boodschap(pen) gaat het in dit verhaal?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………..

4) Als ik deel uitmaakte van het verhaal, dan was ik:
a) De kamerling
b) Filippus
c) Iemand uit de karavaan van de kamerling
d) Een toevallige voorbijganger

5) Als u een vraag zou mogen stellen aan de betrokkenen: welke vraag zou u stellen? En aan wie?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………..

6) Zijn er voor u mensen geweest die u over Christus hebben verteld?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………..

7) Na één gesprek wil de kamerling gedoopt worden. Wat gebeurde er volgens u?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………..

8) Bij u is de weg naar Christus een andere weg geweest. Langer wellicht. Met meer aarzelingen. Hoe zag die weg eruit?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………..

9) Wat brengt u zover om Hem te belijden? Of: Wat moet er nog met u gebeuren voor u ook bij Christus wil horen?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………..

10) Welke psalm of welk gezang / lied past volgens u bij dit verhaal?

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………..

Competentiegericht godsdienstonderwijs

Competentiegericht godsdienstonderwijs

In het huidige onderwijs spelen competenties een belangrijke rol: Einddoelen in het onderwijs kunnen worden opgesteld aan de hand van competenties. In het onderwijs sluit de leerkracht aan bij de competenties die een leerling reeds heeft en tracht nieuwe competenties aan te leren.
Ook godsdienstonderwijs ontkomt niet aan deze trend. Om (aankomende) godsdienstleraren voor te bereiden op een competentiegericht godsdienstonderwijs schreef Heike Lindner, hoogleraar Godsdienstpedagogiek aan de Universiteit van Keulen een heldere, beknopte introductie.

Het boek is in twee delen opgezet. In het eerste deel komt de inhoud en de methode van het godsdienstonderwijs aan bod.
Allereerst gaat Lindner de verschillende disciplines van de theologie (Bijbelwetenschappen, kerkgeschiedenis, systematische theologie, praktische theologie en godsdienstwetenschap) na en laat zien, welke vakcompetenties, welke algemene competenties en welke vakoverstijgende competenties aan bod een rol spelen.
In het volgende hoofdstuk laat zien welke specifieke competenties er binnen de verschillende disciplines van de theologie een rol spelen en welke didactische middelen gebruikt kunnen worden om bij deze competenties aan te sluiten. Hierbij grijpt Lindner terug op methoden uit de algemene didactiek.

In het tweede deel staan de interacties tussen docent, leerling, leerstof, e.d. centraal. Aan de hand van het model van Felix von Cube laat Lindner zien welke processen er in en voorafgaande aan de les een rol spelen. Met dit model wil Lindner handvatten bieden om te kunnen reflecteren op een les.
Daarna komt de opbouw van de les aan de orde: een structuurplan waarbij de les van stap tot stap in een schema wordt geplaatst en per stap wordt aangegeven welke werkvormen, competenties, interacties tussen docent en leerlingen, middelen, enz. worden ingevuld.
In het volgende hoofdstuk komen de voorwaarden om een godsdienstles te kunnen laten slagen aan bod: de sfeer op school, de status van de godsdienstles, de mate waarin geloof een rol speelt in het leven van de leerlingen, op welke manier bij competenties kan worden aangesloten. Het boek sluit af met een hoofdstuk over reflectie op het lesgeven en met aanzetten om deze vakdidactiek in praktijk te kunnen brengen.

Interview met Heike Lindner: ‘Kinder sind neugierig auf die großen Fragen’

N.a.v. Heike Lindner, Kompetenzorientierte Fachdidaktik Religion. Praxishandbuch für Studium und Referendariat (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2012)