Preek zondagmiddag 1 november

Preek zondagmiddag 1 november
Mattheüs 20:1-16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als het kerkelijk centrum moet worden verbouwd,
is er een bepaalde groep vrijwilligers al vanaf het moment dat het plan er is
bezig met de verbouwing:
eerst lopen ze met elkaar door dat kerkelijk centrum
en bekijken ze wat er allemaal moet gebeuren.
Daarna komen ze een aantal keer bij elkaar om een bouwtekening te maken,
om de kosten te berekenen, om te bedenken wie er allemaal ingeschakeld kunnen worden.
Bij de verbouwing zijn ze ook betrokken.
Er gaat geen dag voorbij, of ze zijn er. Om te kijken of het goed gaat.

Nadat de werkzaamheden vorderen, springen er steeds meer gemeenteleden bij.
Tot slot komen er ook gemeenteleden kijken, hoe het er voorstaat,
ze drinken koffie mee en helpen met wat kleine dingen in de afwerking
en het schoonmaken van het gebouw.
Als de verbouwing helemaal klaar is, organiseren de kerkrentmeesters
een bijeenkomst voor heel de gemeente.
Tijdens die bijeenkomst krijgt elk gemeentelid van de kerkrentmeesters
een aantal VVV-cadeaubonnen.
Als de gemeenteleden die envelop openmaken,
blijkt iedereen hetzelfde bedrag te hebben gekregen.
De mannen die vanaf het allereerste uur van de voorbereidingen betrokken zijn,
hebben evenveel gekregen als de gemeenteleden die op het einde even kwamen kijken
en als enige werkzaamheid wat ramen hadden schoongemaakt.
Een van de mannen die bij het allereerste moment betrokken was, krijgt dat door
en loopt diep beledigd naar huis
en wil niet alleen niets meer van het kerkelijk centrum weten,
maar bedankt ook voor de kerk.
Ze hadden niets hoeven te geven,
maar nu ze wel iets geven en dat iedereen hetzelfde krijgt,
ook degenen die alleen maar een kopje koffie kwamen drinken,
heeft hij een wrang gevoel bij al zijn werk.
Is hij daarvoor al die dagen en al die avonden in sjouw geweest voor de kerk?
Nu pas voelt hij hoe moe hij is en hoe hij zijn rug en zijn spieren heeft belast
bij dit vrijwilligerswerk.

Want zo is het koninkrijk der hemelen, zegt Jezus in de gelijkenis,
en vertelt daarin dat degenen die van de hele dag zwoegen
evenveel krijgen als degenen die alleen maar het laatste uurtje komen werken.
Want zo is het Koninkrijk der hemelen.
Wat bedoelt de Heere Jezus daarmee? Wat is het koninkrijk der hemelen?
Het Koninkrijk der hemelen, of het Koninkrijk van God,
daarover hebben we gezongen in Psalm 24:
Al d’ aard’ en alles wat zij geeft,

Met al wat zich beweegt en leeft,

Zijn ’t wettig eigendom des Heeren.
De aarde, dat is Oldebroek, dat is Zeist en De Bilt,
dat is Syrië en Irak, Centraal-Afrika en Sudan,
waar bloedig gevochten wordt en vele mensen omkomen of moeten vluchten voor hun leven.
De aarde, dat zijn de Griekse eilanden, waar de vluchtelingen op aankomen,
de zeeën om die eilanden heen waarover de bootjes komen
en waarin een deel van de vluchtelingen verdrinkt.
De aarde is het wettig eigendom, omdat de Heere deze aarde geschapen heeft.
De wereld is van Hem
en omdat de wereld van Hem is, wordt iedereen op deze wereld,
hier in Oldebroek, in Zeist, De Bilt, maar ook in Syrië en Irak,
op alle gebieden die op de wereld zijn,
in de grote steden op de wereld, op het platteland, in de vluchtelingenkampen,
in de gevangenissen, de martelkamers
wordt iedereen opgeroepen de Heere als koning van deze wereld te erkennen.
Het koninkrijk der hemelen, het koninkrijk van God houdt in
dat het niet alleen een oproep is aan de wereld, van eenvoudige burger tot staatshoofd,
Van gevangene tot beul, van bewoner in een rustig land tot soldaat in oorlogsgebied.
Het koninkrijk van God is niet alleen een oproep,
het is er, het gebeurt, het is werkelijkheid,
Dat God koning over deze wereld is en dat iedereen op deze wereld
Zijn macht erkent en zich voor Hem neerbuigt en aanbidt: U bent mijn Heer, mijn God,
Koning van heel het universum en over mij.
Dat is het koninkrijk van God, de heerschappij van God die zich over heel de wereld doorzet.
Ook in mijn leven, waarbij ook ik erken, dat de Heere God is en Koning over alles.

Dat belijden van de Heere als koning over alles, dat gaat zo makkelijk nog niet,
omdat ik er vanuit mijzelf niet aan wil.
Erkennen en neerknielen voor de Heere, dat is een hele stap.
Er zijn mensen die dat al heel vroeg in hun leven hebben geleerd.
Omdat ze gedoopt zijn en vanaf het allereerste begin het teken van Gods trouw
hebben ontvangen, ouders die hen vertelden, juffrouws en meesters op school.
Zij zijn altijd bij de Heere gebleven, zijn niet afgedwaald, maar zijn altijd naar de kerk gegaan.
Zij behoorden al vroeg tot dat Koninkrijk van God.
In hun leven was de Heere God en koning.
Je zou toch verwachten dat de Heere dankbaar is met diegenen
en dat Hij hen tot een voorbeeld maakt:
zie je, het kan wel, je hele leven lang christen zijn, bij de Heere horen.
Volg hun voorbeeld na – zou je denken.
Maar Christus zegt: Vele eersten zullen de laatsten zijn.
Dat is toch wat: Als je heel je leven je best doet, met vallen en opstaan,
christen te zijn, trouw te blijven aan de Heere,
dat je er al vroeg bij was en dat je toch achteraan moet sluiten, de laatste plaats.
Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten.
Zoals dat gebeurt bij die eigenaar van de wijngaard.
‘s Morgens vroeg gaat hij er al op uit, om mannen te halen
die op die dag in zijn wijngaard willen werken om de druiven te plukken.
Er wordt onderhandeld, want zowel de eigenaar van de wijngaard
als de mannen die dat zware werk moeten doen hebben er belang bij:
de eigenaar dat hij goede werkkrachten heeft en de werkers dat ze een eerlijk loon krijgen.
Ze worden het eens over het loon:
ze krijgen het volle bedrag wat ze op zo’n dag kunnen verdienen.
Ze kunnen ermee thuis komen, een eerlijk loon waar ze hard voor hebben gewerkt.
De mannen die aan de slag gaan, ze hebben het maar getroffen.
Ze zijn voor deze dag zeker van een goed loon.

Wie heeft de Heere Jezus op het oog?
Wie zijn diegenen die als eerste in de wijngaard werken?
Dat zijn degenen die vanaf het begin betrokken zijn bij Gods verbond.
Dat bent u, als u gedoopt bent en vanaf kinds af aan door uw ouders bent meegenomen
naar de kerk, naar zondagsschool of club, een christelijke school, catechisatie,
als u naar de kerk bent blijven gaan en belijdenis hebt gedaan.
Dan bent u bevoorrecht, want dan mag u al heel uw leven delen in het verbond
en ook in de zekerheid die bij het verbond hoort, die de Heere geeft door de doop
en door het werk van de Heilige Geest in u:
de zekerheid dat God als Vader voor u zorgt,
dat Hij als Zoon uw zonden heeft vergeven en voor u is gestorven,
dat Hij als Heilige Geest ervoor zorgt dat u gaat geloven,
Dat jij bij de Heere Jezus hoort.
Dat is een voorrecht, omdat je je hele leven lang zeker bent van Gods trouw en liefde.
Je hoeft dan niet te twijfelen, zoals dat meisje dat nooit is gedoopt
En al een aantal jaren twijfelt of ze wel bij God mag horen.
Wanneer is zij goed genoeg om bij de Heere Jezus te horen?
Je bent dan bevoorrecht, omdat de Heere je vanaf het allereerste begin van je leven
jou heeft zien staan en met je bezig is geweest.

Terwijl de mannen, die ingehuurd worden, aan de slag gaan,
gaat de eigenaar erop uit.
Dat is het voorrecht van een eigenaar,
dat je het zware werk niet zelf hoeft te doen, maar kunt overlaten aan anderen
en dat je erop uit kunt trekken.
Het zou kunnen zijn dat de man een wandelingetje maakt om zich te ontspannen,
op weg gaat om met vrienden te praten, want het werk gaat toch wel door.
Dat kan hij aan anderen overlaten.
Als hij door het dorp loopt, ziet hij een groepje mannen staan op de markt.
Hadden ze de eerste keer, toen hij bij de markt kwam, daar niet gestaan?
Want dan had hij ze ook mee laten gaan, aan de slag in zijn wijngaard.
Deze mannen, ze voeren niets uit.
Dan moeten we oppassen met een oordeel, want zo heel makkelijk kun je voor anderen invullen, terwijl je niet echt weet wat ze doen en waarom ze daar staan.
Het kan dat ze lui zijn, of te laat komen opdagen, zich verslapen,
omdat ze niet stipt genoeg zijn, maar wie zegt dat iemand hen niet heeft afgekeurd
op basis van wat hij van hen zag op de markt.
De man ziet ze staan, doelloos. Ledig, zegt de oude Statenvertaling.
Dat heeft twee kanten: dat kan luiheid zijn, leeg omdat er niets uit je handen komt,
maar het kan ook een leegheid zijn, omdat de mannen zich nutteloos voelen.
Er is niemand die hen kan gebruiken, niemand die hen nodig heeft of vraagt.
De eigenaar ziet hun leegheid.
Dat is een detail in het verhaal dat we niet zomaar moeten overslaan,
want de Heere Jezus hiermee iets van zichzelf zien.
Hoe hij onze leegheid ziet: onze luiheid wellicht,
maar ook de leegheid die we ervaren, die in ons is, omdat niemand ons kan gebruiken.
Omdat we voor niemand nuttig zijn
en ons daarom afvragen, wat we hier op aarde nog doen?
In zijn evangelie vertelt Mattheüs, die ons deze gelijkenis doorgeeft,
Dat de Heere Jezus op diezelfde manier door Galilea en Judea trekt,
er op uit trekt om onder de mensen te zijn,
om te zien wat hen bezighoudt, om hun lijden, hun nood te zien,
de blinden, de doven, de mensen die lijden onder bezetenheid.
Hij komt tussen hen lopen, zodat ze zich aan Hem kunnen vastklampen
om gered te worden.
Jezus ziet!
Ik hoor wel eens mensen vertellen: als ik binnenkom, dan weet mijn moeder al
hoe het met me gaat zonder dat ik iets heb gezegd.
Als ik de telefoon opneem, weet mijn man al dat er iets mis met me is
aan hoe ik door de telefoon klink.
Jezus ziet, zoals de eigenaar van de wijngaard die mannen daar ziet staan met hun leegheid,
hun dag zonder doel, zonder inhoud, wachten, ja wachten op wat?
Totdat de eigenaar komt, en hen naar zijn wijngaard stuurt:
‘Maak je niet druk om wat je krijgt, het zal eerlijk zijn, rechtvaardig!’

Hoe zullen degenen die vanaf het eerste begin in de wijngaard hebben gewerkt?
Zij zijn al meer ervaren, weten wat mag en wat niet mag.
Wanneer er pauze gehouden wordt, wat de gebruiken zijn.
Ze kunnen de anderen op weg helpen, inwerken, zich thuis laten voelen.
Misschien zijn ze ook wel blij voor diegenen die er wat later bij komen,
omdat ze zelf ook maar al te goed weten, die leegheid
en dat ze zelf ook dankbaar zijn dat de eigenaar van de wijngaard hen heeft gevraagd
en dat ze het fijn vinden dat de eigenaar hen gevonden heeft.
Zo gaat het in het geloof toch ook, dat je dankbaar bent als er iemand weer terug komt
in de kerk en het geloof weer oppakt, door de Heere Jezus is gezien en gevonden?
Ik ken er heel wat die dan dankbaar zijn en er veel voor over hebben
dat diegenen die er later bijkomen hun draai in de kerk kunnen vinden,
omdat ze zelf ook weten dat ze zonder God zo’n leegheid in hun leven ervaren.

Als de dag bijna voorbij is, gaat de eigenaar weer op pad?
Zou het weer een wandeling zijn om even te ontspannen?
Of zou het een gericht zoeken zijn, waarbij de eigenaar weet waar hij moet zijn?
Bij de cafés waar deze mannen de doelloosheid wegdrinken,
in de donkere stegen waar de mannen hun leegheid proberen te verdoven door drugs?
Op de parkeerplaatsen waar ze hun lichaam aanbieden voor geld
om toch nog iets van verdiensten mee naar huis te kunnen nemen,
ook al is hun waardigheid dan helemaal weg.
De eigenaar vindt hen en als de Heere Jezus daarmee
iets van Zijn eigen rondgang door de wereld laat zien,
is het geen toeval, maar weet Hij waar Hij moet zijn om de leegheid te vinden,
het leven zonder zin en doel.
Hij zoekt hen op en vindt hen.
Is Jezus niet de goede Herder die het verloren schaap zoekt, net zolang tot Hij vindt?
‘Waarom hang je hier maar rond?’ vraagt de eigenaar. ‘Wat is er met je aan de hand.’
Het antwoord klinkt moedeloos of bitter
en de woorden laten het horen, wat het betekent dat iemand nooit is gezien,
wat het betekent als mensen langs je heen lopen zonder je aan te zien als mens:
‘Niemand heeft ons gevraagd.’
We kregen de kans niet. Ze hadden geen vertrouwen in ons. Wij kunnen het niet.
Wij tellen niet mee. We horen er niet bij.
Hoe moeten  voor hen die woorden van de eigenaar geklonken hebben:
‘Gaan jullie ook maar naar mijn wijngaard.’
Er wordt niet eens over een beloning gesproken,
Dat ze worden aangesproken, dat ze een kans krijgen, dat ze mogen,
dat is voor hen al een wonder, een zegen.

Dan krijgen ze als eerste uitbetaald en ze krijgen net zoveel als degenen
die als eerste in de wijngaard mochten werken,
die de hele dag hebben gewerkt met de zekerheid van loon,
de zekerheid dat ze gezien worden, dat wat ze kunnen zinvol is.
Als ik dat op catechisatie vertel,
bijvoorbeeld aan de hand van de verloren zoon,
die al het geld van zijn vader opeist, dat geld erdoor heen jaagt
en uiteindelijk thuiskomt en als zoon weer welkom geheten wordt,
is de reactie altijd: dat is niet eerlijk.
Dan kun je toch beter leven als die verloren zoon?
Dan kun je toch beter rondhangen, zoals die laatste groep mannen hebben gedaan,
totdat je ook gevonden wordt door de Heere Jezus?
De mannen die als eerste mochten beginnen, zijn vergeten dat zij de hele dag zekerheid hadden en de status van nuttig.
De zekerheid om te mogen behoren tot het verbond met Christus,
om al jong zeker te zijn van de genade en de liefde van de Heiland,
het is opeens weg, omdat opeens de last wordt gevoeld,
van wat je allemaal als christen niet mag,
de regeltjes waaronder je zuchtte,
de strijd om jezelf te beheersen, om verleidingen de baas te zijn.
Dan had ik mijzelf ook kunnen laten gaan, in uitspattingen, in onverschilligheid.
Geloven is dan ploeteren in de volle zon, de last van de hele dag werk.
Dan kijk je opeens anders aan tegen je leven met Christus

en voel je het kruis op je schouders, niet vanwege de verbondenheid met de Heere Jezus,
maar vanwege de last, het ongemak om christen te zijn.
Het is gemopper, het gemurmureer van de Israëlieten in de woestijn,
die niet doorhadden, dat ze de levende God bij zich hadden
en dat ze daarom bevoorrecht waren, omdat ze bij Hem mochten horen.
Maar dat zagen ze niet, dat de levende God in hun midden was en hen voorging,
ze zagen niet zijn zorg in het manna,
ze zagen alleen de woestijn waar geen einde aan was, de weg waarvan het begin nu in de woestijn een soort paradijs werd, waarbij het slavenbestaan in Egypte werd verdrongen,
hunkerend naar een ander leven.
Alles beter dan dit leven – dit leven met God.

Maar besef je dan niet, dat dat de echte leegheid is?
De leegheid die de anderen hebben gedragen, al die tijd dat ze niet bij de Heere waren?
Besef je dan niet, hoe bevoorrecht je bent, dat je bij God bent en van Christus bent?
Dat ik met lichaam en ziel het eigendom ben van mijn getrouwe Heiland, zaligmaker,
die mij met zijn bloed heeft vrijgekocht, van de zonde, van de duivel.
Als je dat besef niet meer hebt, maakt wordt de zelfverloochening een zwaar offer
en niet meer een vrolijk kruisdragen,
waar we bij de doop om bidden:
dat deze gedoopte kinderen hun kruis in de dagelijkse navolging vrolijk dragen mogen.
Op dat gemopper, dat gemurmureer, die opstand, heeft de eigenaar maar één antwoord:
Dan is er hier geen plaats in de wijngaard.
Het verbaast me, dat de scherpheid van de eigenaar zelden wordt opgemerkt.
Ga heen – je hebt hier niets te zoeken.
Je vergat de gunst, je vergat dat je bevoorrecht was, genade ontving,
je doet alsof het je toekomt, omdat je er voor gewerkt hebt.
Wij horen niet bij God, omdat we ervoor gewerkt hebben, omdat we laten zien wat we kunnen, omdat wijzelf ons leven zinvol maken.
ons geluk komt van God, die ons roept om bij Hem te zijn
en met Hem te leven.
Hoe eerder we geroepen worden, hoe groter de genade, het geluk,
omdat je dan minder de last hoeft te dragen van een vergooid, een schuldig leven.
Ook als we vroeg geroepen zijn en daar vroeg mochten beginnen
in Gods wijngaard, is het Gods goedheid.
De gelijkenis eindigt met een vraag, die open lijkt,
maar vraagt om ons antwoord een “ja” van onze kant op God,
een belijdenis, een neerknielen in dankbaarheid.
Is uw oog boos? Zie je alleen het slechte, kun je alleen het negatieve zien?
Zie je niet dat ik goed ben, voor alle mensen,
voor hen die mij al vroeg leerden kennen
en voor degenen die hun leven zich tegen mij verzetten?
Als jij, u Mijn goedheid ziet, ervaart, aanvaardt, dan wordt Mijn koninkrijk uitgebreid.
Amen



Advertenties

naastenliefde

Naastenliefde

31567-1_Soeding_Naechstenliebe_V7.indd

Naastenliefde is een toonaangevend begrip in de christelijke ethiek, omdat naastenliefde in het onderwijs en het leven van Jezus een belangrijke plaats innam. Die naastenliefde geldt ook voor degene met wie je het niet goed kunt vinden: ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. (Matteüs 5:44-45a)

Deze woorden van Jezus zijn zo bekend, dat gemakkelijk de indruk bestaat dat hij de liefde voor de naaste heeft ingevoerd. Dat is niet zo. Door deze opdracht aan zijn leerlingen te geven toont Jezus zich een zoon van Israël. Als hij in de bergrede de opdracht tot naastenliefde geeft, citeert Jezus uit de torah een gebod dat de Heer aan zijn volk heeft gegeven: Heb je naaste lief als jezelf (Leviticus 19:18, 34). Ook in de radicale uitleg, waarmee hij de opdracht tot naastenliefde uitbreidt tot het liefhebben van de vijand, is Jezus niet uniek. In de context van de Heiligheidswet (Leviticus 19-26) wordt ook de vreemdeling, de niet-Israëliet als naaste gezien. Ook op andere plaatsen in het Oude Testament wordt de vreemdeling als naaste gezien. Zo mag een Israëliet niet het hoofd wegdraaien als hij ziet, dat de lastdier van een niet-Israëliet onder de last bezwijkt (Deuteronomium 22:1-4).

Ethiek op ooghoogte

In de torah de Heer de basis van de naastenliefde. Omdat de Heer Israël liefheeft en Israël heeft uitgekozen is, krijgt het volk de opdracht om als volk van de Heer die liefde naar anderen uit te dragen. Niet alleen binnen het eigen volk, maar ook over de grenzen van het eigen volk. De Heer is immers de enige God die er is en Schepper van hemel en aarde. De andere volken hebben ook hun leven aan de liefde en zorg van de Heer als schepper te danken. Naastenliefde is het doorgeven dan de zorg en de liefde die Israël zelf van de Heer ontvangt God. In de uitwerking van de naastenliefde in de Heiligheidswet wordt zichtbaar dat de naastenliefde is een ethiek van aangezicht tot aangezicht is.een ethiek op ooghoogte waarbij men elkaar in de ogen kijkt om elkaar echt te zien.

Vervulling
Het is niet verwonderlijk dat het gebod tot naastenliefde een belangrijke kern is in het onderwijs van Jezus. In zijn onderwijs werkt hij steeds die ethiek van aangezicht tot aangezicht uit. Zijn optreden wordt steeds gekenmerkt door die ethiek op ooghoogte, waarbij de ander echt wordt gezien. Maar niet alleen in zijn onderwijs en zijn praktijk is de naastenliefde voor Jezus belangrijk.
Het unieke van Jezus is dat de naastenliefde een christologische invulling krijgt: Zijn eigen leven en zijn komst naar deze aarde is zelf uitdrukking van de naastenliefde die God heeft. Ook in de radicalisering om de vijanden lief te hebben. Jezus geeft van zichzelf aan dat hij  de vervulling van de wet. Die vervulling van de wet houdt in dat Jezus niet de wetten en richtlijnen van de Heer uit de torah afschaft, maar de oorspronkelijke intentie met zijn eigen leven vervult. De naastenliefde staat in het teken van Jezus’ zending en van zijn boodschap over het koninkrijk van God. Zijn komst naar de aarde is de belichaming van Gods liefde, ook voor degenen die God afwijzen. Zijn komst, zijn optreden en zijn sterven aan het kruis is Gods naastenliefde.  Hij vervult met zijn woorden en daden en met zijn leven dit gebod.

Spanning
In het Oude Testament wordt het gebod van de naastenliefde wel gekenmerkt door een spanning.  Wanneer iemand vijandig tegenover God is, is dat in het Oude Testament vaak wel een grens: Zou ik niet haten wie u haten, HEER, niet verachten wie tegen u opstaan? (Psalm 139:21). De haat tegenover Gods vijanden krijgt echter niet een plaats in de ethiek. De Israëliet wordt niet opgeroepen de vijanden van God te doden. Deze haat krijgt een plaats in het gebed: in de worsteling met God, waarbij de bidder een appèl doet op Gods gerechtigheid.
Daarmee draagt de naastenliefde in het Oude Testament een spanning in zich: Ieder met wie men omgaat is een naaste. Wanneer men zich echter tegen God keert is een grens bereikt: de grens van Gods gerechtigheid. In het Vroege Jodendom blijft die spanning bestaan. De naaste is dan vaak de mede-Israëliet. De haat tegen de vijanden van God blijft ook aanwezig. Niet als een oproep om geweld tegen hen te gebruiken, maar als een oproep voor de Jood om zich van de kwaaddoeners af te keren.
In het onderwijs van Jezus krijgt deze spanning ook een plaats, door voor de vijand het tegenovergestelde te doen: in plaats te wreken te reageren met een zegen en een gebed voor de vijand. Jezus bracht dat zelf ook in praktijk doordat hij, terwijl hij aan het kruis werd geslagen, bad om vergeving voor zijn vijand. In de bergrede gaf Jezus aan, dat dit gebed in lijn staat met wat God doet:
Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen ( Mattheüs 5:45).

Navolging
Jezus draagt zijn leerlingen op hem na te volgen. Door de naastenliefde in praktijk te brengen, wordt men onderdeel van het koninkrijk van God, dat Jezus verkondigde en dat in Jezus is aangebroken. Naastenliefde is een vorm van zelfverloochening en het dagelijks opnemen van het kruis. In de gemeenten die ontstaan krijgt de naastenliefde een belangrijke rol. Naar binnen toe is de liefde die men zelf ontvangt de norm voor hoe men met anderen omgaat. Ook in conflicten die de gemeenten verdelen. Naar buiten toe is naastenliefde een manier om aan anderen de goedheid en genade van Christus uit te dragen. Kort nadat de gemeenten ontstaan begint ook de eerste vervolging. In die tijd neemt de naastenliefde toe: in het verdragen van het onrecht en het gebed om bekering van de vervolgers.

N.a.v. Thomas Söding, Nächstenliebe. Gottes Gebot als Verheißung und Anspruch (Freiburg / Basel / Wien: Herder Verlag, 2015)

Wees voorbereid

Wees voorbereid
U dan, wees ook bereid, want op een uur waarop u het niet zou denken, zal de Zoon des mensen komen. (Lukas 12:40)

medium-1443431313

Niet thuis? Licht aan! Maak het inbrekers niet makkelijk. Doe alsof je thuis bent.  Zo staat het op een poster van de rijksoverheid en de politie, waarbij we gewaarschuwd worden tegen inbrekers. In de komende maanden is het vroeg donker en laat licht. Als het vroeg in de avond in een bepaald huis donker is, weten de inbrekers dat de bewoners niet thuis zijn en kunnen ze ongestoord hun gang gaan. Daarom worden we gewaarschuwd om alert te zijn en alles te doen om inbraak te voorkomen. Inbrekers slaan hun slag als de bewoners er niet op bedacht zijn, omdat bewoners zelf nooit op het idee zouden komen om ergens in te breken. Ben je als bewoner er wel op bedacht, dan doe je alles om te voorkomen dat inbrekers hun slag kunnen slaan.

De Heere Jezus gebruikt dat een soortgelijk voorbeeld voor de discipelen, waarmee hij hen aanspoort om alert te zijn. Om voorbereid te zijn op zijn Wederkomst. Hij zegt tegen zijn discipelen: ‘Als een eigenaar geweten had dat er een inbreker zou komen, had hij klaargestaan om de inbreker op te wachten.’
De Heere Jezus houdt het daarmee ook ons voor: ‘Je bent voorbereid op veel narigheid dat op je af kan komen. Je maakt je huis zo veilig mogelijk. Ben je net zo voorbereid op het mooiste dat je kan overkomen, namelijk Mijn terugkomst?’
Want ook Christus’ Wederkomst zal er onverwacht zijn. Dat onverwachte is de overeenkomst met de inbreker, die zijn slag slaat als iedereen denkt dat er niets zal gebeuren.
Hoewel: onverwacht? Heeft de Heere Jezus niet gezegd dat Hij terug zal komen? Is Zijn komst dan echt onverwacht? Nee toch? Daar houdt u toch ook rekening mee? Wat onverwacht is, is het tijdstip, het moment. Wat niet onverwacht is, is Zijn Wederkomst. Zijn terugkomst heeft Hij reeds aangekondigd voordat Hij van de aarde zou gaan. Hij deed dat om op aarde, bij Zijn volgelingen het verlangen op te wekken. Zodat zij zouden uitkijken naar Zijn komst. Zodat u uitkijkt naar Zijn komst.
We bereiden ons voor op wat op aarde ons kan overkomen. Zo beveiligen we ons huis tegen inbraak. En terecht. Hoe komt het dat we ons wel voorbereiden wat we op aarde kunnen meemaken, maar dat we die zekerheid van Christus’ Wederkomst vaak uit het oog verliezen? Betekent dat voor ons het leven op aarde uiteindelijk belangrijker is dan het leven in Gods heerlijkheid, het eeuwige leven dat Christus geeft? Begrijpelijk is het wel, want dat leven op aarde dat zien we, dat maken we mee. Dat leven dat Christus ons wil geven, dat moet nog komen. En toch: echt gelukkig zijn we pas als we beseffen dat er nog een leven volgt. En dat we daarnaar uitkijken. Naar die dag, waarop Christus terugkomt.


Welk een vreugde zal het wezen.
Als mijn oog Hem schouwen mag,

en mijn oor Zijn stem zal horen,
op die grote, blije dag!

Preek zondagmorgen 18 oktober 2015

Preek zondagmorgen 18 oktober 2015
1 Samuël 25:2-35

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In het zuiden van Israël aan de grens, het niemandsland waar zelfs de soldaten van de koning niet durven komen zo gevaarlijk is het er, woont een man op wie je jaloers zou kunnen worden, omdat hij in het gebied waar alleen de sterkste het uithoudt een enorm groot bedrijf heeft, een bedrijf waar zelfs de zwaarste criminelen geen vinger naar uit durven steken. Ik stel me voor dat alles wat deze man heeft, bedoeld is om indruk te maken op degenen met wie hij omgaat: zijn landgoed, de manier waarop hij zijn bedrijf voert, zijn omgangsvormen is bedoeld om te imponeren, zodat je – als je al bij hem in de buurt durft te komen – tegen hem opkijkt. Als je zijn huis zou mogen betreden, zou je haast geen durven verzetten, uit angst dat je het peperdure parket dat op de vloer ligt zou beschadigen. Het is een man die precies weet hoe het er met zijn bedrijf voorstaat, exact weet hoeveel schapen hij heeft. Een man bij wie je niet zou moeten proberen om te vertellen dat er een van de schapen is kwijtgeraakt, omdat er tijdens een moment van onoplettendheid een roofdier of een schapendief kan toeslaan. Je zou deze man in staat achten om na een feest te laten uitrekenen wat iedereen tijdens het feest aan eten en drinken heeft genuttigd, de koekjes na het koffiedrinken natelt om zo de mensen met wie hij omgaat, zijn vrienden, zijn handelspartners in de gaten te houden. Een man die schuilgaat achter zijn bezit, achter zijn onderneming. Zijn bedrijf is in de gehele regio bekend, het vermogen op miljoenen geschat,
maar wie hij zelf is, dat is de grote vraag.Een grote onbekende. Hij is wat hij bezit, zijn bedrijf dat is zijn identiteit. Hij treedt alleen onder de mensen als er flink te verdienen valt of als hij de mensen die hem loyaal zijn weer wil paaien om ze te vriend te houden.
Dan pas klinkt zijn naam, een naam waarvan je je afvraagt of dat een naam is door de mensen in de regio hem gegeven, een naam die ze alleen onderling gebruiken om hem te bespotten. Of dat het toch zijn echte naam is: Nabal – als de mensen uit de regio, degenen hem niet mochten, maar die niet tegen hem opgewassen waren, deze naam gebruikten moest er wel een spottende glimlach om de mond komen.

Echt zo’n man om jaloers te worden, zoals Psalm 73 aangeeft, omdat het een man is die God niet nodig heeft. Gods zegen heeft hij niet nodig, omdat hij het zelf wel voor elkaar krijgt. Gods bescherming niet nodig heeft, omdat hij zijn eigen veiligheid heeft gewaarborgd, zodat niemand het lef heeft om een vinger naar hem of naar zijn schapen uit te steken. Een man om jaloers op te worden omdat hij het zich ook kan permitteren om zonder God te leven. Want jaloers was ik, omdat ik de vrede zag van de goddelozen. (Psalm 73:2)
Hard en slecht in zijn optreden, zo wordt zijn karakter in enkele woorden getypeerd (HSV), hard en meedogenloos (NBV). Geloven is in een God is voor hem alleen maar lastig, omdat hij dan ook een geweten moet hebben.

Hun mond tast zelfs den hemel aan;

Gods albestuur schijnt hun een waan; (Psalm 73:5 OB).

Het bestaan van mensen als Nabal, het roept niet alleen intense jaloezie op, omdat je zelf ook iets, al is het maar een klein beetje van dat immense bezit zou willen hebben, terwijl je zelf zo moet zwoegen, elke dag weer opnieuw, met de hondenbaan die je hebt. Zo’n man hoeft alleen maar hoeft te komen kijken als zijn vermogen nog meer toeneemt. Niet alleen jaloezie, maar je kunt er net als Asaf in Psalm 73 met God overhoop liggen,  omdat God zulke mensen laat begaan. Als je met zo’n man te maken hebt, als zo’n man op je weg komt, ga je wel afvragen of er wel een God is, omdat Hij het wrede en onrechtvaardige laat bestaan.

Je kunt je afvragen wat het David heeft bezield om deze man te helpen. Doet hij dat om in een eventuele strijd om de opvolging van Saul zich te verzekeren van de steun een van de meest aanzienlijke mensen uit zijn land, iemand om wie andere invloedrijke mensen niet heen kunnen? Doet hij dat om te bewijzen dat hij een goede koning zou zijn door in een niemandsland waar alleen de sterkste crimineel overeind blijft orde en rust te brengen met zijn manschappen? Naar mijn idee moet het wel te maken hebben met zijn toekomstige koningschap, omdat al die hoofdstukken te maken hebben met Davids weg naar het koningschap over Israël en ook omdat David diep beledigd is doordat Nabal afschildert rebel, een terrorist. Nabal die David wel degelijk blijkt te kennen: de zoon van Isaï. Hij moet  ook wel ebben geweten dat in de tijd dat David in zijn gebied rondhing hij geen enkele schaap heeft gemist. Nabal, zijn naam betekent dwaas – in de zin dat hij niet om God geeft. Zulke dwazen zijn niet dom en ook Nabal is iemand met een sluwe mensenkennis, die David weet te raken in zijn zwakke plek. David die in de woestijn alles op alles zette om te laten zien  dat hij op geen enkele manier zijn loyaliteit aan Saul, aan Gods gezalfde wil verbreken. Nabal geeft aan: moet ik iemand die geen gezag boven zich duldt, een weggelopen slaaf, een rebel, een terrorist iets geven? Wat denkt hij wel? Heel de uitstraling van Nabal is dat David niet opgewassen is tegen de invloed van Nabal.

Dan blijkt dat de dwaasheid van Nabal besmettelijk is. Driftig geworden door de denigrerende opmerkingen verliest David zijn waardigheid en verlaagt zich tot hetzelfde niveau als Nabal, net zo grof in de mond als Nabal en net zo dwaas, omdat hij in zijn beledigd-zijn niet met meer aan God denkt, van Wie hij nog maar net in de confrontatie met Saul heeft beleden  dat zijn leven in Gods handen is, dat zijn zaak behartigd zal worden door God als rechter en dat de Heere het onrecht dat hem, David is aangedaan, zal wreken. Op het ogenblik dat de mannen van David terugkomen met Nabals nee en belediging raakt David dat besef, dat vertrouwen in de Heere helemaal kwijt. David die in de confrontatie met Saul nog vol van God was en in Saul, die op hem jaagde, nog de gezalfde van God zag, die hij moet laten leven, omdat God hem zal wreken, raakt in de confrontatie met Nabal vol van zichzelf en zijn eigen wraakgevoelens. David verliest zijn schoonheid en wordt net zo lelijk als Nabal.
Kan ons dat allemaal overkomen, wat er met David gebeurt, dat hij in een kort moment alles kwijt dreigt te raken, omdat zijn hart volstroomt met zijn eigen boosheid en zijn eigen behoefte iemand die hem niet wil helpen uit de weg wil ruimen? Wat er met David gebeurt, laat zien dat het gebed, waarmee we antwoord geven op de preek voor ons allemaal van belang is: Leid ons in geen verzoeking ooit (Gezang E). Want het is geen garantie dat wij zelf in zo’n confrontatie wel overeind blijven en wijs blijven, omdat we vertrouwen dat de Heere ons zal wreken en dat we het dus niet zelf moeten doen. Heere, behoed ons ervoor dat wij ooit in zo’n situatie komen, net als David, waarbij we in de verleiding komen om onszelf te moeten wreken. Doe ons, juist wanneer het er om spant en de boosheid en de drift ons aanvliegt, de kalmte bewaren en het vertrouwen dat ons leven in Uw hand ligt en dat wat er ons overkomt ook door U gezien wordt  en dat u daar niet onverschillig aan voorbij gaat.

Hoe belangrijk het geloof en vertrouwen is dat de Heere onze rechter is en het wreken alleen Hem toe behoort, kwam ik ooit in een voorbeeld tegen. Een voorbeeld van iemand die vrijwilliger was bij een telefonische hulpdienst:
Op een avond werd zij opgebeld door een vrouw in paniek. De vrouw die opbelde vertelde dat zij met een bijl in de hand stond en dat ze op het punt stond naar haar man te gaan, die nu bij een andere vrouw was. Ze zou er heen gaan om haar man en de vrouw bij wie hij was te vermoorden om zich op hen beiden te wreken. De vrijwilligster bij de hulpdienst wist niet hoe ze moest antwoorden en viel stil tot haar – tot haar eigen verrassing een tekst binnenviel –  die ze hardop denkend ook door de telefoon zei: Mij komt de wrake toe zegt de Heere. Ik zal het vergelden. De vrouw aan de andere kant van de lijn kwam onverwacht tot rust, ze kalmeerde. Dankuwel, zei ze tegen de vrijwilligster van de hulpdienst, dit is wat ik nodig heb.

Het is een populaire gedachte dat religie, geloof tot geweld leidt. Geloof kan echter ook geweld stoppen en iemand vol woede en drift  tot bedaren brengen, zodat iemand eraan herinnerd wordt, dat je jezelf niet hoeft te wreken. Geloof als onderbreking, het doorbreken van geweld, van verkeerde patronen. Iemand tot de orde roepen door het vertrouwen op God weer te herstellen. Voed het oud vertrouwen weder (Psalm 42:3 OB) het vertrouwen dat er was, voor dat de drift toesloegen dat weer nodig is om de drift te beteugelen. Het is Abigaïl die op Davids weg komt, om het voor het kwade te behoeden. Ze doet dat op een kwetsbare manier, door geknield de weg voor David te blokkeren.
Wil David Nabal geweld aandoen en het hele bedrijf van Nabal treffen met een wrede strafexpeditie en uit de herinnering uitbannen, moet hij voorbij deze mooie vrouw, die daar kwetsbaar haar afhankelijkheid van David laat zien. Een vorm van afhankelijkheid die David ook een spiegel voorhoudt. Want het is niet zozeer een tactische handeling, het is een gestalte, een vorm van gebed, Abigaïl die knielend – niet alleen voor David, maar ook voor zijn, voor haar God, voor de God van Israël voorover ligt. Dat is haar schoonheid. Schoonheid is niet alleen maar iets van de buitenkant,  maar ook van de binnenkant. Abigaïl is een icoon las ik ergens – en daarmee werd bedoeld: Abigaïl laat de liefde van Christus door haar heen stralen  en houdt David een spiegel voor. Waar David op weg is voor de confrontatie met Nabal, stuit hij op zijn vrouw, die hem een andere houding laat zien. Niet de houding van wraak in eigen hand, zelf opkomen voor je eer, laten zien dat je de ander de baas bent, maar de spiegel van de liefde van Christus, waarbij David niet alleen in de ogen van Abigaïl kijkt, maar ook in de ogen van de Heere. David, Ik ben er ook nog. Weet je dat niet meer? Ben je dat vergeten? Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden. Ik de Heere, de rechter. Zei je onlangs niet tegen Saul dat Ik jou zal wreken?

Abigaïl, ze zal het moeilijk gehad hebben in haar huwelijk met Nabal. Nabal zal op haar gevallen zijn vanwege haar schoonheid, haar mooie uiterlijk, maar haar echte schoonheid, diep van binnen in haar band met de Heere, zal hij nooit opgemerkt hebben. Zijn ogen hebben de liefde van Christus in de ogen van zijn vrouw nooit willen zien en naar de woorden die door de Heere tegen hem gesproken zijn bij monde van zijn vrouw Abigaïl heeft hij nooit willen luisteren, want er is geen God, je moet ook geen God willen, dat is alleen maar lastig. Hier op deze weg is er iemand die wel naar haar luistert en in de spiegel kijkt. David. David is geen perfecte koning en heeft veel verkeerde dingen gedaan. David was geen onschuldige jongen. Als je de verhalen over David leest, vraag je je soms af waarom David de man naar Gods hart werd genoemd. Zo werd hij niet genoemd vanwege zijn daden. Naar mijn idee wordt hij zo genoemd, omdat hij zich steeds weer laat aanspreken door de woorden die God hem op zijn pad brengt en dat hij steeds weer kijkt in de spiegel die hem in Gods naam wordt voorgehouden.

De houding van Abigaïl laat enkele dingen zien, die ook voor ons van betekenis zijn:
* Abigaïl laat zien dat je als individu soms zin heeft om een ander standpunt in te nemen.
Om niet mee te gaan met de massa die zich laat ophitsen.  Dat juist de kwetsbaarheid, de afhankelijkheid van de Heere, in het gebed meer invloed heeft dan we soms kunnen vermoeden.
* Abigaïl laat zien dat het iemand door een enkele uitspraak kan veranderen, omdat iemand – in dit geval David, maar ik heb ook hedendaagse voorbeelden gehoord, dat iemand door een enkele opmerking tot verandering kwam omdat in die opmerking de stem van de Heere werd gehoord die aandrong op een verandering, een bekering, een omwending.
* Abigaïl laat zien dat in tijden waarin de Heere gemist wordt, waarin hij afwezig lijkt, op een verborgen manier handelt, Waarbij Hij mensen, zoals Abigaïl inschakelt. Onze structuur van de kerk, met ambtsdragers die verkozen worden is daar ook op gebaseerd, dat in de verkiezing Gods stem op een gemeentelid afkomt en dat in wat een ambtsdrager doet in de gemeente Gods handelen zichtbaar wordt.
* Denk niet te snel dat de Heere er niet is. Hij werkt, op een verborgen manier, door mensen terug te roepen van een verkeerde weg. Een weg waarbij ze niet alleen zichzelf verliezen maar ook de Heere.
Amen

  • Het voorbeeld van de vrouw die contact opnam met de telefonische hulpdienst is afkomstig van Manfred Josuttis. Ik heb het voorbeeld enigszins aangepast.
  • Bij deze preek heb ik mij laten inspireren door de biografieën over Poetin van Wierd Duk en Peter d’Hamecourt.
  • Abigaïl als icoon heb ik ontleend aan Eugene H. Peterson, David en God.

Preek zondagmiddag 11 oktober 2015

Preek zondagmiddag 11 oktober 2015
1 Samuël 24

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In welke periode van uw leven heeft u het meest geleerd over de Heere?
In welke periode leerde u Hem beter kennen
En verdiepte uw kennis van Hem en leerde u dat uw leven echt veilig, geborgen is
bij de Heere en dat Hij de beloften die Hij gedaan heeft, waar maakt?
Is dat in een periode waarin alles goed ging?
Of was dat in een tijd waarin het stormde in uw leven?

In veel verhalen in de Bijbel is er altijd wel een moment waarop het leven anders verloopt.
De Bijbel laat ons vaak mensen zien,
die op hun levensweg een behoorlijke omweg moeten maken
om uiteindelijk uit te komen bij het doel waar de Heere hen wilde brengen.
Komen de mensen waar de Bijbel over verteld daarmee niet heel dicht bij ons?
Ook al leven ze in een heel andere tijd
en maken ze heel andere dingen mee,
toch kunnen we ons soms heel goed herkennen in de weg die gegaan moet worden.
Ook David maakt zo’n omweg mee naar het koningschap.
Dat wist hij niet en dat was hem ook niet verteld.
Hij wist alleen dat hij – onverwacht – tot koning was gezalfd door de oude profeet Samuël.
Daarna leek het alsof zijn weg naar de troon een gemakkelijke weg zou zijn.
Met zijn muziekspel op de harp kon hij koning Saul weer rustig krijgen
en doordat hij de reus Goliath wist te verslaan
mocht hij trouwen met Michal en werd hij de schoonzoon van de koning.
Zal hij in die tijd niet hebben gedacht: Nu maakt God waar wat Hij beloofde?
Hij baant voor mij een weg.
God doet wat Hij belooft en maakt mij koning over Israël.
Zo kun je in een periode waarin het goed gaat je heel dicht bij God weten
en ervaren dat God Zijn beloften vervult.
We hebben die beloften vanmorgen in de doopdienst weer gehoord:
Dat God als Vader voor ons wil zorgen
en dat Hij alle kwaad van ons wil weren.

In het doopformulier wordt die belofte ook nog aangevuld met een andere belofte.
Daar heb vaak veel moeite mee gehad,
Want hoe kun je nu zomaar zeggen van de moeilijkheden die een mens overkomen,
van het kwade dat ons toch overkomt en waarvoor God ons niet behoedt,
Dat God die moeilijkheden doet meewerken ten goede?
Dat daarin Gods Vaderhand zichtbaar wordt?
In al die jaren dat ik predikant ben,
heb ik geleerd hoe God het kwade laat meewerken ten goede
in de verhalen die ik van gemeenteleden hoorde
over de weg die zij moesten gaan, een moeilijke weg vaak,
het overlijden van een vader of een moeder, van een man of een vrouw,
een ziekte die voor veel spanning en onrust zorgde.
Als ik dan vroeg hoe ze het volgehouden hadden,
was het antwoord: als ik mijn geloof niet had.
Als God mij niet gedragen had. Als de Heere niet droeg.
Dat is ontroerend om mee te maken.
Ik hoop dat de ouderlingen, de bezoekbroeders en bezoekzusters die ervaring ook hebben
dat ze geregeld door een huisbezoek ook zelf bemoedigd worden,
omdat u ook die verhalen hoort
Dat iemand ondanks alle moeiten die er zijn toch houvast in de Heere vindt.
Dat het waar is, dat God een toevlucht is voor de zijnen.

Voor David is het ook waar.
David is iemand van wie ik veel kan leren en ik hoop u ook.
Want op momenten dat je zou verwachten dat David het niet meer weet,
omdat hij opgejaagd wordt door koning Saul en zijn leven niet zeker is,
is er in hem een rotsvaste overtuiging: God is mijn toevlucht.
Mijn leven is veilig in Gods hand.
Het valt mij op dat David juist tijdens zijn zwerftocht de Heere beter leert kennen.
En voor hem is het waar, dat tijdens zijn omweg naar het koningschap
en zijn zwerftochten door Israël op de vlucht voor Saul
dat hij daarin de Heere beter leert kennen.
En dat is daar in de grot in de buurt van En-Gedi aan de orde.
Er is sprake van een confrontatie, niet alleen tussen David en Saul,
maar ook tussen David en zijn mannen.
En de vraag is: Wie kent de wil van de Heere het best.
Wie kan duiden wat er gebeurt.
Wie kan uit de gebeurtenissen afleiden wat Gods wil is?
Zijn dat de mannen van David, die zeggen:
David, de kans die je krijgt om Saul te doden is een door God gegeven kans?
David, de situatie zoals zich die voordoet, dat is niet zomaar een kans,
Maar God geeft die aan jou. Dit is Zijn weg met jou.
Is dat Saul die achter David aan gaat om hem met 3.000 van de beste soldaten
op te jagen alsof David een grote vijand is?
Heeft Saul in David niet alleen een concurrent van de troon gezien,
maar ziet hij in David ook iemand die Gods plan met Saul ondergraaft
en ziet hij in de jacht op David ook iets van een heilige oorlog die hij in Gods naam tot een goed einde moet maken, omdat de vijanden van Saul ook de vijanden van de Heere zijn?
Of is dat David die de gelegenheid laat lopen en zegt: Dit is Gods tijd niet.
Dit is niet Gods wil.

De soldaten zeggen  als Saul in de grot verschijnt, alleen,
om zich even af te zonderen (waarschijnlijk om even naar de wc te gaan)
en zo zonder soldaten om zich heen heel kwetsbaar is:
Zie, de dag waarvan de HEERE u gezegd heeft: Zie, Ik geef uw vijand in uw hand, en u kunt met hem doen zoals het goed is in uw ogen!
David, dat moet je toch zien, daar hoef je toch geen profeet voor te zijn,
een profeet die er in getraind is om Gods stem op te vangen
en getraind om in de dingen die gebeuren de aanwijzingen van God op te vangen
en in staat is om te zeggen wat er gedaan moet worden.
Dit is de dag die de Heere je geeft!
Heeft de Heere die belofte niet aan je gedaan, dat Hij jouw vijand aan je zal uitleveren?
Hoe sterk moet wel niet de verleiding voor David zijn geweest?
De druk van de mannen die bij hem in de grot zitten
en die met hem op de vlucht zijn voor Saul.
De druk van de situatie om nu zijn kans te grijpen en voor altijd af te zijn van de angst,
van het opgejaagd zijn en de rust te krijgen, waar hij over gezongen heeft:
De Heere is mijn herder, mij ontbreekt niets.
Hij doet mij nederliggen in grazige weiden en leidt mij naar stille wateren.
Hij verkwikt mijn ziel.
In die bekende Psalm 23 heeft David ook een regel opgenomen die vaak ondersneeuwt
en vaak niet wordt genoemd:
Hij leidt mij in het spoor van Zijn gerechtigheid.
In die psalm gaf David aan: Ik hoef helemaal niet te gissen naar Gods wil.
God heeft voor mij een weg uitgestippeld.
In Psalm 23 gebruikt David het beeld van een spoor dat reeds ingesleten is.
Ik hoef mijn weg niet te zoeken, ik hoef niet te dwalen,
maar de Heere heeft als mijn herder mijn weg reeds gebaand.
In de psalm zijn het de geboden die de Heere gegeven heeft.
Wil ik weten wat God van mij vraagt?
Ik hoef daar niet steeds naar te gissen, want in de geboden die Hij heeft gegeven
kan ik opmaken wat Hij van mij vraagt.
Ook daar in de grot, op dat spannende moment valt David daar op terug:
Gij zult niet doden.
Ook al lijkt heel de situatie er om te roepen:
Grijp toch de kans door God u gegeven.
David zegt: nee, dit is niet een kans die door de Heere wordt gegeven.
Daar moet je sterk voor in de schoenen staan,
om tegen je eigen mannen in te gaan,
waarbij de keuze van David grote gevolgen heeft voor zijn manschappen
omdat voor hen de rust nog uitblijft en er geen grazige weiden zijn,
maar een droge woestijn en een kille grot,
een opgejaagd blijven.

Ik denk niet dat David zou zeggen: ik sta sterk in mijn schoenen.
Ik heb het allemaal zelf gedaan.
Wat ik proef bij David is een sterke innerlijke overtuiging
die niemand hem kan afnemen: God is er ook nog.
Ik hoef niet voor God te handelen.
God leidt mij in het spoor van de gerechtigheid
En Hij heeft dat spoor uitgestippeld.
Ik moet alleen maar wachten tot God Zijn plan uitvoert.
Ik hoef niet, ik mag zelfs de Heere een handje helpen.
Een innerlijke zekerheid bij David, zoals dat later in het Spreukenboek verwoordt zal worden:
In de vreze des Heeren is een sterk vertrouwen
en voor Zijn kinderen zal Hij een toevlucht zijn. (14:26)
NBV: Ontzag voor de HEER geeft een krachtig vertrouwen,
het biedt je kinderen een schuilplaats. (14:26)
Dat is een mooie spreuk, een mooie spreuk om aan de wand te hangen
om jezelf er steeds weer aan te herinneren,
maar vooral ook om die vreze voor de Heere te hebben, dat ontzag voor de Heere
zoals David dat had: de Heere doet het.
David weet wat de naam van de Heere betekent:
Ik ben er voor je, Ik sta klaar om je te redden.
Ook al weet David niet wanneer – dat doet er nu niet toe.
Zijn taak is om af te wachten, om zich te voegen naar Gods wil.
Als Gods tijd nu niet is, dan later.
Dat houdt hij vol naar zijn eigen mannen toe en ook naar Saul.
Door zijn vertrouwen op de Heere durft David tegen de stroom in te roeien
en te zeggen: Wacht maar af op God.
Vanuit een vaste overtuiging dat God het ziet
en vanuit een vaste overtuiging dat God niet onverschillig toekijkt naar wat er gebeurt
en zomaar al het onrecht dat er gebeurt op zijn beloop laat.
God zal rechtspreken tussen u en mij.
Niet ikzelf bepaal dat ik gelijk heb.
Ook al bent u, Saul, nog koning en zolang u nog koning bent
zal ik u mijn respect betonen,
maar dat wil niet zeggen dat omdat u koning bent dat u dan gelijk hebt.
Dat bepaalt de Heere.
Hij die alles weet wat er gebeurt,
Hij die de harten doorgrondt,
Hij die opkomt voor degenen die geen recht meer hebben.
God is rechter. Hij overziet alles en uiteindelijk zal God een vonnis vellen
Over mijn leven, over u, over het conflict dat zich tussen ons afspeelt.
Wat die uitkomst ook zal zijn, ik leg mijn leven in Gods hand,
omdat ik weet, dat wat de Heere doet, wat Hij zegt,
helemaal eerlijk, op en top rechtvaardig is, waar niets op af te dingen valt.
Hij weet het, dat hijzelf ook onder het oordeel van God valt.
Een slechte daad valt met een vroom praatje niet goed te praten,
een ernstige misdaad valt niet met vrome woorden weg te poesten.
Voor de mensen misschien wel, maar niet voor God.
Hier laat David al iets zien van waar de Heere Jezus later over zal spreken
als een opdracht voor al Zijn volgelingen,
om ook je vijand lief te hebben en voor het welzijn, het zieleheil van je vijand te bidden,
vanuit het besef dat je samen onder Gods oordeel valt
en dat God de rechter is die uiteindelijk beslist.
Maar Ik zeg u:  Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en  bid voor hen die u beledigen en u vervolgen;
zodat u kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

Hij die rustig en stil, Zich steeds voegt naar Gods wil,
Hem in alles vertrouwt en gelooft; Die slechts hoort
naar Zijn stem, Zich geheel geeft aan Hem, Smaakt
een vreugde, die nimmer verdooft.
Zie slechts op Hem, Volg gehoorzaam Zijn stem;
blijf maar rustig vertrouwen, Altijd ziende op Hem.

Wordt u moeite en strijd Door de mensen bereidt;
Zie op Hem; slechts Zijn blik schenkt ons moed.
Hij draagt u; ook uw kruis, Brengt straks veilig u thuis,
Zorgt dat alles hier meewerkt ten goed
.
Zie slechts op Hem, Volg gehoorzaam Zijn stem;
blijf maar rustig vertrouwen, Altijd ziende op Hem.

Dat is geen eenvoudige weg.
Dat kan, zoals bij David een omweg zijn, een weg door de woestijn,
een weg van opgejaagd zijn.
Voor David is dat juist de weg, waarop hij leert om op het spoor te gaan
van Gods gerechtigheid
en zijn eigen leven, ook zijn strijd met degenen die hem dwars zitten,
in Gods handen te leggen.
Zie slechts op Hem, Volg gehoorzaam Zijn stem;
blijf maar rustig vertrouwen, Altijd ziende op Hem.
Als je moeite en strijd wordt bezorgd dan kan dat zo ver weg zijn
dat je ‘slechts, alleen maar op Hem’ moet zien,
om ‘rustig te vertrouwen’.
Want je ziet God niet altijd, je ervaart Zijn hulp niet direct.
In dit hele hoofdstuk wel steeds een beroep gedaan op Gods wil
en zijn er mensen die zeggen Gods wil te kennen,
maar ook hier – net als in 1 Samuël 23 – wordt niet verteld wat God doet
en toch weer wel – in het diepe besef dat David draagt
Dat ons leven, Zijn leven voor Gods aangezicht afspeelt
en dat God ziet wat ons overkomt daar eens zijn oordeel over velt.
Daarom kan hij vertrouwen
en daarom kan Jezus dat ook van ons vragen
om onze vijanden lief te hebben en voor hen te bidden,
zodat er voor hen net als voor ons vergeving mogelijk is
als ze voor de troon van God staan, als Hij het oordeel over hen velt.
Amen

Preek zondagmorgen 11 oktober 2015

Preek zondagmorgen 11 oktober 2015
Bediening Heilige Doop
Markus 9:2-13

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Het zal een indrukwekkende ervaring zijn geweest
die Petrus, Johannes en Jakobus hebben meegemaakt.
Er zijn heel wat bijzondere ervaringen die je je leven lang bijblijven, die je nooit vergeet,
zoals de verwachting van een kind en de geboorte.
En toch, deze ervaring van de Heere Jezus, om Hem zo te zien,
dat moet nog indrukwekkender zijn,
een ervaring die je nooit vergeet, een ervaring die je leven voorgoed verandert.
Dat zul je als ouders willen uitleggen aan je kinderen, dat dit de Heere Jezus is.
In al de verhalen die je over de Heere Jezus zult vertellen of zult voorlezen uit de kinderbijbel
wil je als ouders niets liever dan dat je kind ontdekt wie de Heere Jezus is.
3 discipelen mogen daar op de berg even iets van zien
als ze meegenomen worden door de Heere Jezus
en de Heere Jezus voor hun ogen van gedaante verandert.
Hij heeft niet alleen maar de gestalte van een mens,
maar heeft een lichtglans zoals alleen God maar heeft, zo helder wit en zuiver.
Petrus en Johannes en Jakobus worden door de Heere Jezus meegenomen
de berg op, om die ervaring op te doen, om erbij te zijn.
Zo zou je als ouders je kind ook willen meenemen
naar de Heere Jezus toe, door over Hem te vertellen, zodat je kind begrijpt
wie de Heere Jezus is en gaat geloven in Hem.
Wat dat is toch het doel waarom je vandaag je kind hebt laten dopen,
dat hij, zij ook in de Heere Jezus gaat geloven.
Zelf vind ik dat altijd het mooie, het waardevolle van de kinderdoop:
dat je je kind zo heel dicht bij de Heere Jezus mag brengen.
Je kind hoeft alleen nog maar te kijken en zelf te geloven
(- al kan dat soms een hele weg zijn; dat moeten we niet onderschatten!)
Als je aan je kind de verhalen vertelt en als je vertelt over de doop,
dan kan je kind de Heere Jezus zien
en zelf kun je ook ervaren dat de Heere Jezus er opeens is
als je over Hem vertelt
of vanmorgen met de doop, waarbij je net als de discipelen ontdekt wie Christus echt is,

zoals de discipelen de Heere Jezus mogen zien in een andere gestalte:
als Zoon van God met de heerlijkheid uit de hemel
en dat vlak voordat de Heere Jezus aan Zijn lijdensweg naar het kruis begon.
Daarom is het van groot belang om steeds over Hem te vertellen,
zodat als je over Hem vertelt je kind Hem steeds voor ogen kan zien.

De Heere Jezus zien, zien zoals Hij is,
zoals de discipelen Hem ook zagen op de berg.
Dat klinkt heel mooi en het is ook heel mooi als dat echt gebeurt,
maar gebeurt dat wel?
Is het niet zo, dat als je over de Heere Jezus vertelt
Dat je zou willen dat je er zelf bij was,
dat Hij jouzelf riep, dat Hij naar je toekwam en jou aanraakte en zegende,
Dat jij Hem mag zien zoals de drie discipelen op de berg zagen?
Is het niet zo, dat we er vaak tegenaan lopen, dat we zulke ervaringen missen?
Zulke ervaringen, waardoor je nou eens zeker wist: God bestaat.
Zulke ervaringen, waardoor je het nou eens zeker weet: ik ben een kind van God.
Dat is toch zo, dat als we eerlijk zijn, ons geloof helemaal niet zo zeker is
En dat daarom de belofte, die je net bij de doop gegeven heeft, ook zwaar kan voelen:
je hebt beloofd om je kind bij de Heere Jezus te brengen,
terwijl je eigenlijk zelf nog steeds zo op zoek bent,
naar een veel zekerder geloof en misschien zelfs wel naar Christus zelf.

Ik kijk nu ook even naar de broeders die afgelopen donderdag verkozen zijn.
Toen het bericht vanuit de kerkenraad kwam dat je op de lijst stond
kan er wel een schrik geweest zijn: Hoe kan de kerkenraad nu bij mij komen?
Hoe kan het zijn dat er gemeenteleden waren die mij hebben ingediend?
Ze moesten eens weten hoe vaak ik zelf worstel met mijn geloof
om de Heere Jezus te dienen, om de Heere Jezus te vinden,
om iets te horen, te zien in mijn eigen dagelijkse leven.
Hadden ze niet iemand kunnen kiezen die een sterker geloof had,
die vanuit eigen ervaring zou kunnen vertellen wie Christus is
en vanuit zijn eigen geloofservaringen anderen kunnen opzoeken,
kunnen aanspreken en bemoedigen?
Wat heb ík nu aan anderen te vertellen?
Als dat uw vragen zijn, broeders, dan zou ik willen zeggen:
de verkiezing is niet voor niets en zie daar niet alleen de stem van de gemeente in,
maar ook van Christus zelf, die tegen u persoonlijk zegt:
Kom, ga met me mee, ik wil je wat laten zien.
Ik wil je laten zien wie Ik ben.
De eerste taak is niet om iets te brengen of iets te vertellen over mij,
maar allereerst om te kijken wat Ik je wil laten zien,
hoe Ik iets van Mijzelf laat zien,
zodat je zelf ook weer in je eigen geloof gesterkt wordt in de bezoeken die je aflegt.
Je mag iets van Mij zien, van Mijn heerlijkheid, van Wie Ik ben
en wat Ik vandaag nog doe, hier in de hervormde gemeente van Oldebroek.
Je kunt verlangen naar een eigen ervaring met de Heere Jezus
en wat ik meemaak is dat juist in ontmoetingen met anderen,
op huisbezoek of tijdens de Bijbelkring,
wanneer we met elkaar in gesprek raken over de Heere Jezus
dat ik ontdek en ervaar dat de Heere Jezus zelf ook aanwezig is in het gesprek.

Uit de kring van de discipelen kiest de Heere Jezus er 3 uit: Petrus, Johannes en Jakobus.
Later zal Paulus over deze 3 discipelen zeggen in Galaten 2:
Zij zijn steunpilaren in de gemeente.
Door Christus geroepen en aangesteld om een belangrijke taak in de gemeente te dragen.
Nu dragen mensen de gemeente niet.
Christus zelf draagt de gemeente.
Wie als ambtsdrager verkozen is, hoeft niet te denken dat je als mens de gemeente draagt.
De Heere zelf bouwt de gemeente
en dat geldt ook voor jullie als ouders:
wat je voor je kinderen doet is belangrijk, vertellen en voorleven
en toch het geloof geven en het geloof opbouwen van je kind kun je niet,
ook al zou je dat willen.
Je mag wel vertellen en voorleven en je mag erop vertrouwen dat de Heere het gebruikt
voor je kind, voor de gemeente.
Ook als je zelfs soms nog zo op zoek bent, mag je je kind meenemen,
want het kan ook leren van je eigen zoektocht.
Je hoeft er niet pas over te vertellen als je voor je gevoel er helemaal uit bent.
Ik kom ze wel tegen – het zijn vaak mannen,
die zoeken, tot ze helemaal zeker zijn en zich dan pas kunnen overgeven.
Die op zoek zijn tot ze het helemaal begrijpen,
tot op alle vragen die ze hebben een antwoord hebben en dan pas de stap kunnen maken
en tot die tijd zoeken en maar niet kunnen vinden.
Of die op zoek zijn naar zo’n intense, indrukwekkende ervaring zoals de 3 mannen hebben
die door de Heere Jezus zijn meegenomen op de berg.

Maar juist deze 3 mannen, die later steunpilaren van de gemeente worden genoemd,
zijn geen perfecte gelovigen,
zijn geen mensen die alle aanwijzingen die de Heere Jezus geeft direct door hebben.
Hoe lang lopen ze al niet mee met de Heere Jezus
en wat hebben ze ondertussen niet meegemaakt?
Petrus en Jakobus en Johannes – zij waren het die mee gingen het huis van Jaïrus in,
zij waren erbij toen de Heere Jezus dat dochtertje opwekte uit de dood,
en deze drie zijn er ook bij in Gethsemané,
waar zij hadden kunnen zien hoe de Heere Jezus worstelde met het lijden
dat op Hem afkwam en toch de weg in gehoorzaamheid ging.
Ze hadden dat kunnen zien, als ze niet in slaap waren gevallen.
Ook hier hebben ze niet door wat er gebeurt.
Ik zeg dit niet uit betweterigheid, maar om aan te geven,
dat de Heere Jezus je juist meeneemt – ook als je nog niet alles helder hebt,
omdat je juist zo zoekt en zo weinig nog zeker hebt,
om juist dan te laten zien Wie Hij werkelijk is.
Zo neemt de Heere Jezus ons vanmorgen ook mee,
ook als je nog zo heel aarzelend gelooft, ook als je nog zo weinig van Hem ervaren hebt,
ook als je er eigenlijk helemaal nog niet zo veel mee bezig bent
en zegt tegen jou, tegen u, tegen mij: Kijk nu eens wie Ik ben!
Weet u wat de Heere Jezus ons wil laten zien?
Die indrukwekkende gebeurtenis op de berg roept herinneringen op uit het Oude Testament.
Uit de tijd dat het volk Israël bij de berg Sinaï was, vanuit Egypte op weg naar Kanaän,
door de woestijn, kwam het bij de berg Sinaï en Mozes klom omhoog,
samen met 3 andere mensen: met Aäron, Hur en Jozua
en als Mozes met die 3 mannen op de berg is, daalt God zelf neer
vanuit de hemel op de berg.
Als Jezus op de berg van gedaante verandert,

wordt voor de 3 discipelen op de berg voor heel even duidelijk wie Jezus is: God de Zoon
(zoals Christus in het doopformulier wordt genoemd).
met de heerlijkheid van de Vader, de heerlijkheid waarmee Christus zal terugkomen
bij de Wederkomst wordt voor deze 3 discipelen even zichtbaar.
Dit is Jezus! Zo zullen we Hem zien als Hij terugkomt.
Het is een bijzonder moment wanneer Jezus van gedaante verandert.
De Heere Jezus is in deze dagen begonnen om Zijn discipelen te vertellen
over Zijn weg naar het kruis o p Golgotha, waar Hij zal lijden en sterven.
Voordat die weg begint, de weg naar Jeruzalem, mogen de discipelen alvast verder kijken,
naar de Wederkomst.
De weg naar het lijden moet nog wel komen, het kruis komt er aan.
Het is wel dezelfde Jezus: deze heerlijkheid, deze stralende glans had Hij in de hemel
en die legde Hij af om hier op aarde te komen,
diezelfde heerlijkheid heeft Hij weer als Hij terugkomt.
Dat lijden en sterven aan het kruis, dat hoort bij de Heere Jezus. Zo is Hij!
En ook Zijn heerlijkheid, waarmee Hij terugkomt! Zo is Hij!
Dat is wat je aan je kind mag vertellen over de Heere Jezus:
dat Hij vanuit de hemel kwam op aarde, dat Hij hier op aarde stierf voor ons
en dat we vooruitkijken naar die dag, waarop Hij weer terugkomt.
Dat is wat mijn taak is als predikant, om u als gemeente hier aan te herinneren
dat de Heere Jezus voor ons uit de hemel kwam
en deze heerlijkheid aflegde, dat Hij stierf aan het kruis voor ons
En dat er een dag is, waarop Hij weer terugkomt
en mijn taak hier in de gemeente is om het verlangen aan te wakkeren,
zodat u naar die dag uitkijkt, waar op Hij komt.
Dat laat ook zien waarom de doop van belang is, ook voor een klein kind.
Zodat we beseffen dat we op reis zijn,
door dit leven heen, op weg naar een eeuwig leven.
De doop is een oproep aan de kinderen die worden gedoopt,
maar ook aan ons als gemeente om open te staan voor de aanwijzingen van de Heere,
om te zien wat de Heere doet en vooral te geloven.
U, jij hebt al heel vaak een doop gezien en dat ontroert vaak heel erg.
Heb je bij de doop ook de roep van de Heere Jezus zelf gehoord: kom naar Mij toe?
Ga met Mij mee! Geloof in Mij en dan heb je het eeuwige leven
en mag je bij Mij in mijn heerlijkheid zijn.

Die oproep hebben we steeds weer nodig, want geloven is vaak een weg.
We kunnen dat aan Markus zien, hoe hij zijn evangelie schrijft:
geloven is geen plotselinge bekering – al kan dat wel en gebeurt dat ook,
dat mensen opeens alles achterlaten en Jezus achteraan gaan,
maar bij Markus is geloven bijna altijd: steeds met Jezus meelopen
en steeds weer ontdekken wie Hij echt is
en dat ontdekking is steeds weer nodig, omdat we het niet altijd doorhebben,
niet altijd zien, wat Jezus ons wil laten zien
en dat we maar zoeken en tasten.
Net als Petrus, die de geweldige ervaring wil vasthouden.
Petrus denkt dat de eindtijd al begonnen is
en dat ze dit moment moeten vasthouden, voor altijd bewaren.
Maar de stralende glans om Jezus verdwijnt
en voordat Jezus alleen overblijft, klinkt de stem van God uit de wolk
tegen de discipelen, tegen ons:
Dit is Jezus – luister naar Hem!
Want Hij gaat de taak vervullen die Ik, de Vader, op Hem legde,
Mijn geliefde Zoon, Hij zal doen wat Ik van Hem vroeg.
Als wij gedoopt worden in de naam van de Zoon verzegelt ons de Zoon dat Hij ons wast in Zijn bloed van al onze zonden
en dat Hij ons inlijft in de gemeenschap van Zijn dood en opstanding.
Jezus sterft voor ons – en draagt wat voor ons was bestemd: Gods oordeel.
Daardoor wordt – door Hem – voor ons ook die heerlijkheid die om Jezus hangt mogelijk.
Geloof Hem – zegt God zelf tegen ons.
Want Hij is onze redding – onze heerlijkheid.
Amen

6 jaar blog

6 jaar blog

6 jaar geleden begon ik met dit blog. Op dit blog plaats ik oa preken, artikelen en stukjes die door mij geschreven zijn.

Dit zijn de statistieken na 6 jaar:
856 blogs
307.618 keer opgezocht
107.478 bezoekers

Meest bekeken pagina’s in 2015:
* homepage: 22.837 x
* persoonlijk: 1.998 x
* de betekenis van Pasen uitgelegd aan anderen: 1.229 x
* uitleg over Psalm 1: 931 x

Meest bekeken blogs van 2015:
* Lichtkring om het kruis: 377x

De laatste tijd gaan mijn blogs – naast preken – vooral over proces van preken maken, pastoraat en over boeken die door mij gerecenseerd worden.