De plek van ellendekennis op de geloofsweg

De plek van ellendekennis op de geloofsweg.
(In gesprek met de theologie van de Gereformeerde Gemeenten)

In zijn commentaar op de Heidelbergse Catechismus stelt Klaas Schilder bij zondag 2 dat de kennis van ellende niet mogelijk is zonder geloof. Hij zegt het daar in zijn commentaar als kritiek op Remonstranten en op bepaalde vooraanstaande personen uit de GKN van zijn tijd (prof. dr. V. Hepp, dr. P. Prins), die uitgaan van algemene Godskennis buiten het geloof om. Bij mensen die niet geloven zou er ook een bepaald besef zijn van onze vervreemding van God. Volgens Schilder is dat echter niet mogelijk. Die vervreemding, die er wel degelijk is, wordt pas erkend als iemand is gaan geloven.

Bij het lezen van die passage moest ik denken aan de Gereformeerde Gemeenten. Naar mijn idee gaat men daar uit van een fase van de kennis van onze ellende, die voorafgaat aan het geloof. Dan zou de theologie van de Gereformeerde Gemeenten in een bepaald opzicht dicht tegen de Remonstrantse theologie aanzitten. Dat wordt soms wel gezegd: dat de uitersten elkaar raken. Maar klopt mijn indruk van de theologie van de Gereformeerde Gemeenten wel? Ik besloot het op Twitter na te vragen.

Daaruit kreeg ik eigenlijk twee soorten antwoorden. Voor de een klopte het inderdaad dat de kennis van onze ellende voorafgaat aan het geloof. Wanneer je genoeg onder de indruk bent van de ellende is op er op een keer een moment dat de balans van ongeloof naar geloof omslaat. Anderen gaven echter aan, dat de kennis van de ellende wel degelijk onderdeel uitmaakt van het geloof. Afscheid nemen van de zonde, inzien hoe erg de zonde is, zou dan een eerste stap zijn in de weg van geloof. Mij werd ook verteld dat dit verschil in het plaatsen van de kennis van de ellende in de weg van geloof het onderscheid uitmaakt tussen de Gereformeerde Gemeenten en andere reformatorische kerken.

Een ander inzicht dat ik opdeed, was dat er onderscheid gemaakt wordt in kennis van God en in kennis van Christus. Wanneer iemand nog niet tot geloof gekomen is, is er wel kennis over God. Dat is dan alleen kennis over God-in-het-algemeen, de onbekende God. Dat is nog niet de Verbondsgod, nog geen kennis over Christus. Dat bracht mij in verwarring: wordt er onderscheid gemaakt tussen God en Christus? Na wat overwegingen begreep ik, dat het hier niet om een verschil in wezen gaat, maar om een verschil in kennen. In de fase waarin iemand nog niet gelooft, kan hij wel allerlei indrukken van God hebben, maar omdat hij nog niet gelooft, is het geen echte kennis over God. Echte kennis kan alleen komen uit geloof, uit een levende relatie met Christus.

Nu gaat het bij verschil in opvattingen tussen kerken vaak om wezenlijke vragen, die voor alle gelovigen van belang zijn. Dat het om zulke wezenlijke vragen gaat, wordt niet altijd duidelijk omdat het verschil vaak in polemiek wordt uitgevochten zonder uit te leggen om welke wezenlijke vraag het gaat. In de polemiek ligt men overhoop vanwege het antwoord dat gegeven wordt en de consequenties voor het preken en gemeentezijn die vaak heel zichtbaar kunnen zijn. Om een discussie te begrijpen is het van belang om helder te hebben welke vraag hier ten grondslag ligt. Het duurde voor mij ook wel even voor ik helder had om welke wezenlijke vraag het gaat.

Naar mijn idee gaat het hier om enkele wezenlijke vragen, die niet alleen binnen de reformatorische kerken spelen. Ik kwam op de volgende vragen: (1) Wanneer is het moment dat je als gelovige ‘omgaat’ van ongelovige naar gelovige? (2) Wat is voor een gelovige nodig om ‘om te gaan’? (3) Wanneer komt in het proces van overgaan van ongeloof naar geloof de mens in beeld? (4) Welke kennis over God heeft iemand in de fase waarin hij nog niet gelooft en wat verschilt die kennis met de kennis van wanneer iemand wel is gaan geloven?

Het is duidelijk dat de kennis over God (4) verschilt wanneer iemand nog niet gelooft van iemand die wel gelooft. Wie niet gelooft, kan God niet vertrouwen. De zonde zorgt voor wantrouwen. Wanneer iemand met wantrouwen naar een ander kijkt, is de kennis over de ander altijd gekleurd. Schilder zegt steeds: als iemand in zonde ligt, houdt hij de kennis over de eigen ellende en over wie God werkelijk is eronder. Diegene duwt de kennis over God weg om niet te hoeven geloven.

De overgang van ongeloof naar geloof is een wezenlijke (1). Het is niet minder dan de overgang van dood naar leven, van verloren zijn naar behouden worden. Voor veel mensen in de reformatorische kerken is die overgang ongrijpbaar, omdat er allerlei barrières opgeworpen zijn. Die barrières zijn er om je niet te vergissen en je niet rijk te rekenen. Om niet te denken dat je behouden zult worden, terwijl je nog in verloren staat bent. Een van die barrières is, dat in dit proces de mens er nergens aan te pas komt. Wanneer de mens er wel aan te pas zou komen, zou dat geen stand houden. Alleen als de hele weg Gods werk is, kan iemand gered worden.

Daarmee blijft de overgang iets schimmigs hebben. Bekering is eigenlijk een onmogelijkheid aan menselijke kant. Bekering gebeurt echter wel, omdat God iemand bekeert. Die onmogelijkheid wordt naar mijn idee ook breder dan de Gereformeerde Gemeenten gedeeld. Ook in de kerk waar ik opgroeide was bekering aan mensenkant onmogelijk. Dat bekering mogelijk was, kwam omdat God werkte. Hij zorgde ervoor dat een mens overstag gaat. Alleen moet een mens dat wel eigen maken, toe-eigenen (3). In de praktijk is het voor kerkgangers van belang om te weten, wanneer ze mogen zeggen dat ze geloven, dat ze van Christus zijn. Of nog een stapje eerder: dat ze de genade mogen aannemen? Daar verschillen kerken juist weer in.

In de kerk waarin ik opgroeide, kwam door de toe-eigening de mens in beeld. Dat had in de praktijk ook een voordeel, omdat je als kerkganger wist wanneer jijzelf aan de beurt was om iets te doen. Omdat dat bij andere kerken minder het geval is, krijgt bekering iets mysterieus. In de praktijk gaat het dan om een zo’n ingrijpende ervaring, dat je als mens weet dat je niet meer terug kunt. Dat gemeenteleden zo’n overgang van ongeloof naar geloof (of misschien meer van geloven naar durven accepteren dat je gelovig mag zijn) niet goed helder hebben, merk ik in de gemeente ook. Vaak gaan mensen een stap in geloof maken na een ingrijpende gebeurtenis, zoals een ervaring van overlijden of ziekte. Dat is echter gevaarlijk, omdat de overgang niet gekoppeld wordt aan de beloften van God of aan de Bijbel, maar aan de eigen ervaring.

Nu gaf ik aan dat het om wezenlijke vragen te maken heeft die voor iedere gelovige van belang zijn. De theologie van de Gereformeerde Gemeenten heeft iets kritisch naar allerlei ervaringen, die mensen dan weer duiden als ervaring van God: een zonneschijn, een regenboog, een vlinder die fladdert, een rustig gevoel dat over je komt, het gevoel gedragen te worden. Vanuit de theologie van de Gereformeerde Gemeenten bedenk ik nu: heb je dan echt met God te maken in die ervaringen? En is die kennis genoeg om zalig te worden of is er meer nodig?

Naar de Gereformeerde Gemeenten toe zou mijn vraag zijn: is de ene ervaring, die wellicht terecht bekritiseerd wordt omdat de link met de kennis die zaligmaakt niet helder is, niet ingeruild voor een andersoortige ervaring? Is het niet juist de beleving hier die op een dwaalspoor brengt en in plaats van iemand bij God te brengen om de zaligheid te ontvangen achter laat in een mistig gebied, waarin iemand de weg naar God niet kan vinden en daarmee de zaligheid dreigt mis te lopen?

Preek 21 juli 2019 avonddienst

Preek 21 juli 2019 avonddienst
1 Johannes 2:18-23, 1 Johannes 4:1-6

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de brief die Johannes schrijft gaat het steeds over het kennen van God.
Nu zijn er, schrijft Johannes ook mensen, die ons een verkeerd beeld van God willen geven.
Ze doen dat expres, bewust.
Want ze willen dat we het beeld dat we van God hebben wordt ingeruild
voor een ander beeld.
In het beeld dat ze willen schetsen, past Christus niet.
Als je aan God denkt, moet je Christus weg-denken.
Als je aan God denkt, moet je niet aan Christus denken
en helemaal niet aan een Christus die hangt aan het kruis,
Die daar voor jou hangt.
Ze willen ons doen geloven, dat het beeld dat Johannes ons schetst, een omweg is,
een overbodige omweg,
want voor Johannes kunnen we God alleen kennen als we via Christus gaan.
Wil je buiten Christus om bij God komen, dan is dat niet mogelijk.
Als Johannes schrijft, dat we moeten bidden in de naam van Jezus
– dat zeggen we vaak aan het eind van het gebed: om Jezus’ wil, om Christus’ wil –
is dat niet een beleefde zin, die je nu eenmaal hoort te zeggen.
Nee, we zeggen dat we dit gebed alleen maar kunnen bidden
omdat we dat via Christus doen, omdat Hij voor ons de weg is tot God,
omdat we Hem hebben leren kennen.
Nu schrijft Johannes over mensen, die dat onzin vinden, overbodig.
Je kunt wel zonder dat om-Jezus’-wil.
Er is een weg buiten Jezus om tot God.
Je moet Christus inruilen. In plaats van Christus moet je God nemen.
In plaats van is in het Grieks: anti.
Anti-Christ betekent: je ruilt Christus in voor iets of iemand anders.
Antichrist kan ook betekenen: iemand die de plek van Christus overneemt
en Christus aan de kant schuift.
De antichrist komt eraan en er zijn nu al veel antichristen gekomen, schrijft Johannes.
Eén persoon, of één macht die groter is dan één persoon
die komt om de plek van Christus over te nemen en Hem overbodig te maken.
En die ene persoon of die ene macht krijgt grote invloed,
omdat voor de komst van die macht er al velen zijn, die zich laten beïnvloeden
en de plek, die Christus in hun leven innam, ingeruild hebben
en daarmee een lege plek hebben gecreëerd
die door die ene macht zo ingenomen kan worden.
Johannes legt niet uit, wie of wat hij op het oog heeft met die macht.
Dat kan bewust zijn, zodat we niet naar één kant kijken
en daardoor niet het gevaar zien dat van de andere kant komt.
Je wordt in de rug aangevallen.
Of je wordt beïnvloed zonder dat je er op bedacht bent
omdat je de tactiek niet kent die nu gebruikt wordt
om Christus in jouw leven van Zijn plek te krijgen.

Met die macht (of die persoon) die komt om de plek van Christus in te nemen,
wordt nog helderder waarom het kennen van God voor ons zo belangrijk is.
Alleen als je God kent, ben je in staat om te zien wat echt van God is.
Alleen dan ben je in staat om te zien dat wat je hoort echt door God gezegd wordt.
Heb je nu echt God in je leven? Of heb je de verkeerde in je hart?
Dat maakt nogal uit.
en als gelovige moet je, zegt Johannes, dat verschil kunnen zien.
Je moet in staat zijn als gelovige om onderscheid te maken
tussen wat wel van God komt en niet van God komt.
Dat zou wel eens een aardig criterium kunnen zijn
om te zien of iemand belijdenis van het geloof kan afleggen:
kun je bij iets aangeven of je met God te maken hebt of niet?
En zeker van ambtsdragers mag je ervan uit gaan,
dat ze dat verschil kunnen aangeven.
Iemand vertelt op huisbezoek een stukje levensverhaal,
allerlei gebeurtenissen die iemand meegemaakt heeft
En als ambtsdrager moet je in staat zijn om te zien of daarin God aan het werk is
of juist niet.
En dat is belangrijk, want er is in deze wereld een macht aan de gang
die ons juist bij God vandaan wil hebben en ons zover brengt dat we Christus inruilen
of een macht die de plek van Christus in ons leven wil overnemen.
Iemand die je – om het plat te zeggen – beduvelt.
Of om het anders te zeggen: de duivel die nog één probeert om een slag te slaan.
Want bewust een verkeerd beeld over God neerzetten,
en willen dat je Christus inruilt en uit je leven wegdoet
en via valse boodschappen invloed op je leven willen krijgen,
moeten we dat niet herleiden op de duivel die God tegenwerkt.

Dat is niet iets om ons bang te maken,
Want juist als de duivel zich roert, zegt Johannes,
mag je weten dat de Wederkomst dichtbij is: de laatste uur.
Daarom moeten we niet onder de indruk raken,
maar scherp blijven: beproef de geesten of ze uit God zijn.
De toets op basis waarvan je kunt bepalen of je met God te maken hebt
is dat je het in verband kunt brengen met Christus.
Dat je het kunt verbinden aan de komst van Christus op aarde.
In de afgelopen dagen is er veel aandacht geweest voor de eerste landing op de maan.
Er zijn in totaal 6 maanlandingen geweest.
Op de vierde missie ging James B. Irwin mee,
Een astronaut die zich later een wedergeboren christen noemde.
Hij zei: Op de maan werd het mij duidelijk dat het belangrijker is dat Christus
een voet op de aarde heeft gezet dan dat de mens een voet op de maan zette.
We kunnen als mens nog zulke technologische hoogstandjes creëren,
maar het belang ervan haalt het niet bij de komst van Christus op aarde.
Dat Christus een voet op aarde zette en dat daarmee God mens werd
en uit de hemel kwam en in onze wereld en onder ons kwam,
zodat we Hem konden zien en konden aanraken,
dat we konden zien hoe Hij de tekenen deed en vooral Zichzelf gaf aan het kruis:
dat is God – daar kennen we God.
Als je dat niet kunt accepteren, als je dat niet kunt geloven,
dan heb je God zelf ook niet.
Geen God zonder Christus, hoe mooi de verhalen over God ook gebracht worden.
Niet alles wat over God gezegd wordt komt ook echt van God.
Kun je dat in onze tijd ook nog merken, dat er over God gesproken wordt
zonder dat je echt iets merkt van Christus,
gelovigen voor wie het niet nodig was dat Jezus naar de aarde kwam?
Je kunt dan naar hele moderne kerken kijken, waar nauwelijks over Jezus gesproken wordt.
Of naar juist hele behoudende kerken waar Christus zo ver weg is
en het kruis zo onbereikbaar, dat je er niet komt.
Ik denk alleen niet dat het goed is om naar anderen te kijken,
maar naar de gevaren die wij zelf lopen, hier in onze omgeving
en binnen de kerk zoals we die hebben.
Om te voorkomen dat we in slaap vallen
en zonder dat we er erg in hebben gevaar lopen.

Nu kun je denken dat in slaap vallen niet zo erg is.
Als dat achter je bureau is of in een luie stoel is dat misschien niet erg.
Maar wel als je in een auto zit en onderweg bent en je ogen vallen dicht.
Dan raak je van de weg en bots je tegen een ander op of duik je een greppel in.
Daar wil Johannes ons voor waarschuwen, zodat we wakker zijn,
net als die 5 wijze meisjes, die voorbereid waren op de komst van de bruidegom.

Houd ons gemoed voor U bereid,
Opdat het blij Uw komst verbeid’,
Daar ’t in een stil vertrouwen leeft,
Dat Gij ons onze schuld vergeeft.

Bescherm ons, in den bangen tijd
Van zielsverzoeking en van strijd;
Laat nooit den bozen vijand toe,
Dat hij ons enig’ hinder doe.
Amen

Preek nieuwjaarsmorgen 2019

Preek nieuwjaarsmorgen 2019
Hebreeën 12:1-2

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Aan het begin van het nieuwe jaar kijken we vooruit,
benieuwd wat het nieuwe jaar ons brengt.
Misschien wordt dit jaar wel een bijzonder jaar voor je,
omdat je dit jaar verkering krijgt, een vaste baan, gaat trouwen, een kind verwacht.
Dat zijn momenten om naar uit te kijken.
Je kunt ook opzien tegen het nieuwe jaar, gespannen,
omdat je niet goed weet wat het jaar gaat brengen.
En nu je hier in de kerk bent, is er een gebed in je hart:
‘Heere, zegen mij en allen die bij horen.
Geef ons een goed jaar, waarin we het goed hebben met elkaar
een jaar waarin we dicht bij U mogen leven en mogen groeien in geloof.

We beginnen het nieuwe jaar op deze eerste dag met de aansporing uit Hebreeën:
Houd je oog op Christus gericht!
Dat is toch de beste manier om dit nieuwe jaar te beginnen.
Door op te zien naar de hemel, waar Christus is,
onze Heer die op aarde geweest is en nu in de hemel is,
Waar Hij aan Gods rechterhand zit en samen met Zijn Vader regeert
over ons leven en over deze wereld.
Richt je gedachten op onze Heer, die in de hemel is
en stel je hart open voor Hem, zodat Hij in je hart kan wonen!

 

Die aansporing om de aandacht op Jezus in de hemel te houden
klinkt niet zomaar in de Hebreeënbrief.
De aansporing om Jezus in het oog te houden is gericht aan gelovigen
die allerlei zorgen hebben, waardoor ze vergeten aan Jezus te denken.
De gelovige wordt hier voorgesteld als iemand die mee doet aan een hardloopwedstrijd,
waarbij het niet er niet om gaat wie als eerste over de finish komt
Je kunt het meer vergelijken met een sponsorloop,
zoals die over enkele weken in onze gemeente gehouden wordt tbv de winteractie.
Het gaat om het volhouden.
De wedstrijd vraagt om uithoudingsvermogen,
waarbij je, als je voelt dat je moe wordt, niet opgeeft, maar verder gaat.
Het geloof in Christus is niet iets dat je zomaar doet,
het kost inspanning en kracht en vooral: je moet niet zomaar opgeven als het niet lukt,
maar je moet jezelf aansporen en volhouden, verdergaan.

De wedstrijd van het geloof loop je niet in je eentje.
Er zijn mensen gekomen die je willen aanmoedigen.
Het zijn Abel en Noach en Abraham, Sara, Mozes en Rachab
en al die anderen die eerder geleefd hebben.
Op de tribune kunnen ook familieleden van je zitten, een vader of moeder, opa of oma,
een broer of zus, die de wedstrijd ook gelopen hebben en de eindstreep hebben gehaald
en mogen uitrusten van de wedstrijd die ze hebben afgelegd.
Ze kijken in de hemel niet werkloos toe, met hun rug naar de aarde gekeerd.
Nee, ze zitten op de tribune om je aan te moedigen om vol te houden.
Zo zijn we verbonden met degenen die al overleden zijn en ook in Christus hebben geloofd.
Misschien zie je wel allerlei bekenden daar op de tribune zitten.
Als er supporters zijn, dan voel je je tijdens een wedstrijd meer gestimuleerd.
Je ervaart de steun, juist als het geloven niet iets dat je zo maar even fluitend doet,
is er de support van al diegenen die zelf deze wedstrijd ook hebben gelopen.

Als je deze wedstrijd loopt, heb je niets aan allerlei ballast.
Hardlopers nemen geen complete rugzak aan bagage voor onderweg mee,
maar trekken alleen het hoognodige aan kleren aan.
En wielrenners zorgen er dat hun fiets zo licht mogelijk is
om onderweg geen last te hebben van het gewicht
en zwemmers maken hun zwemuitrusting zo,
dat ze zo min mogelijk last hebben van de weerstand van het water.
Zo moeten we als gelovige zo min mogelijk extra bagage meenemen.
Het is niet helemaal duidelijk wat er mee bedoeld wordt.
Je kunt allerlei zorgen met je meedragen, die als een zware rugzak op je rug hangt
en je weet: ik moet die zorgen eigenlijk in Gods handen leggen
en ook aan het begin van het nieuwe jaar moet ik erop vertrouwen
dat het beter is om ze in Gods handen te leggen dan er zelf mee te zeulen,
maar je geeft ze niet zo makkelijk af
en als je ze afgeeft, dan blijven ze rondspoken in je hoofd en in je hart.
Doe dat niet en geef aan het begin van het nieuwe jaar je zorgen uit handen
in handen waar ze horen: Gods handen en richt je aandacht op Christus!

Bij een wedstrijd heb je ook tegenstanders, die je zoveel mogelijk uit je ritme houden,
om te voorkomen dat je de eindstreep haalt,
die je onderweg willen laten struikelen, die willen zorgen dat je uit de bocht vliegt,
zodat je moet stoppen en niet aankomt bij de finish.
Hier wordt gesproken over zonde, waardoor je als gelovige onderweg struikelt,
die je belemmeren om voluit te rennen in de kracht van Christus.
Het is altijd goed om tegen de zonde te strijden,
maar hier wordt een extra reden gegeven:
het zijn obstakels, waardoor je niet vrijuit kunt gaan.
Het wordt hier niet concreet uit de doeken gedaan om welke zonden het zou kunnen gaan.
Ik denk dat iedereen voor zichzelf wel weet, welke zonde voor jou een belemmering is,
die jou wil doen laten struikelen.
Voor de één is dat je graag roddelt.
Voor een ander dat je allereerst aan jezelf denkt en je niet met anderen bezig houdt.
Of je bent gevoelig voor luxe en ga je grenzen over om die luxe te bereiken.
Het kunnen seksuele verleidingen zijn.
De aandacht richten op Jezus is bedoeld, dat je daarmee niet gericht bent op de zonde
die probeert om je hart een plek te veroveren om daar voor altijd te zijn.
Kijken naar Jezus is bedoeld als een manier om sterk te staan in de strijd tegen je zwakten.

Hoe kun je Jezus dan zien?
In de preek van Tweede Kerstdag heb ik aangegeven
dat het voor de gelovigen van die tijd niet zo eenvoudig was om Jezus voor zich te zien.
Hoe kunnen ze dan naar Jezus kijken?
Ook dat past in het beeld van de wedstrijd, die we als gelovigen lopen.
Bij een wedstrijd kon er een eregast zijn,
die was uitgenodigd om de wedstrijd meer gewicht te geven.
Die eregast reikte dan ook de prijs uit, waardoor je als winnaar nog meer eer ontving.
Hier is Christus de eregast.
Dat betekent in ieder geval, dat Hij ook aanwezig is tijdens de wedstrijd van het geloof.
De hindernissen en hobbels die je als gelovige kunt hebben,
kunnen je soms het idee geven dat je maar in je eentje loopt,
zonder dat iemand weet heeft van de strubbelingen die je doormaakt.
Maar met het beeld van Christus als eregast wordt juist aangegeven dat Hij er bij is,
dat Hij niet afzijdig staat, maar je ziet en aanmoedigt
en aan de finish wacht om je de prijs te overhandigen, die Hij je alleen kan geven.
Je aandacht richten op Jezus is dus mogelijk, omdat Hij erbij is,
je ziet en je aanmoedigt.
Als je je aandacht richt op Jezus, dan ontvang je de kracht die Hij je wil geven,
om vol te houden, om verder te gaan.

Het is Jezus, die aangekomen is in de hemelse heerlijkheid
en zijn werk op aarde heeft verricht en is aangekomen bij Zijn Vader.
Dat Hij in de hemel is, betekent niet dat Hij ons heeft achtergelaten.
Vanuit de hemel moedigt Hij ons aan en stimuleert ons: Hou vol, ga in Mijn kracht!
Je aandacht richten op Jezus die in de hemel is, dat is net als bij het avondmaal:
Je gaat in gedachten, je gaat in je hart in de hemel en je komt bij Christus.
Maar je mag daarbij ook denken aan de weg die Jezus zelf heeft afgelegd.
Hij kwam naar de aarde en legde de hemelse heerlijkheid af,
Hij werd mens, net als wij.

Er is een reden waarom we het steeds over Jezus hebben
en waarom we onze aandacht op Hem moeten richten.
Jezus is namelijk degene die vooropgaat, de aanvoerder.
Jezus wordt hier vergeleken met een veldheer,
die op een paard zit en boven iedereen uitsteekt en bovendien als eerste de strijd aangaat.
Zijn moed, zijn kracht om te strijden geeft ons weer moet we gaan achter Hem aan.
Zoals een vermoeide soldaat zijn aanvoerder zit en zich weer krachtig voelt,
omdat zijn heer voorop gaat in de strijd en daardoor zich bij elkaar raapt en gaat.
Een aanvoerder is iemand die in onrustige tijden
als niemand weet wat er gedaan moet worden
het voortouw neemt en duidelijk de koers uitzet
en iedereen mee weet te krijgen de nieuw tijd in.
Een aanvoerder is iemand, die als eerste durft, die als eerste de strijd waagt.
Zo kijken we aan het begin van het nieuwe jaar naar Jezus,
Die vooropgaat, waardoor we kunnen volgen, die ons kracht en moed geeft.
Op Hem is ons geloof gebaseerd.
Hij is het fundament waarop ons levenshuis gebaseerd is.
Wat er ook aan mooi weer, of wat er ook aan stormen komt in het komende jaar,
als ons huis op dit fundament is gebouwd, staat het stevig.

Over Jezus wordt meer gezegd dan dat Hij voorop gaat.
Hij is ook degene die ons geloof voltooit, af maakt, wat onvolmaakt is, volmaakt maakt.
En dat is maar goed ook, want als geloof betekent dat er veel van ons gevraagd wordt,
Dat we ons volledig moeten inzetten, kunnen er momenten zijn,
Waarop het niet lukt, waarop we stagneren of zelfs struikelen of uit de bocht vliegen.
Er kunnen momenten zijn, waarop je denkt: mijn geloof valt helemaal in stukken
en ik ben niet meer in staat om het te maken.
Dat zal je in het komende jaar ook kunnen overkomen.
Ook daarom moeten we naar Jezus kijken: die heel kan maken,
die kan voltooien wat wij niet kunnen voltooien.

Als je je aandacht op Christus richt, kun je ook terugdenken
aan de weg die Hij heeft afgelegd, een bijzondere weg.
Hij kwam uit de hemel en daalde op aarde neer, zonder de hemelse heerlijkheid.
Het was geen makkelijke weg, die Hij hier op aarde had.
In een van de formulieren die we lezen, staat dat Hij vanaf het begin van Zijn menswording
de straf van God voor ons heeft gedragen.
Vanaf het begin dat Hij mens werd, toen Hij in de kribbe lag en de herders kwamen
en de wijzen uit het oosten kwamen omdat ze geroepen werden door een ster.
Alle fouten die wij dit komende jaar zullen maken,
heel het oordeel van God dat over 2019 zal liggen, heeft Hij toen al gedragen.
En dat heeft Hem heel veel gekost: het was een weg van spot, van schande,
waarin Hij zichzelf vernederde.
Dat mag ons troost en houvast geven aan het begin van het nieuwe jaar:
dat de misstappen die we maken, de zonden die we begaan,
al weggedragen zijn, omdat Jezus ze meegenomen heeft aan het kruis.
Dat is niet om ons gemakzuchtig te maken.
Integendeel, als je kijkt naar Jezus aan het kruis,
dan kun je daar toch niet gemakkelijk over denken,
dan kun je toch niet verder gaan met achteloos leven, met God negeren,
met je volop aan de zonde overgeven als je weet, dat dat toen allemaal gedragen is.
Christus had dat voor ons over,
want Hij keek vanaf het kruis naar de hemel, niet voor zichzelf alleen,
maar ook voor ons.
Want Hij wist, toen die weg ging, zal er later voor u, voor jou een plek in de hemel zijn,
gereinigd door Zijn bloed. Daardoor hield Hij stand.
Zoals Hij naar ons keek en voor ons ging,
zo kijken wij aan het begin van het nieuwe jaar naar Christus,
naar hoe Hij aan het kruis ging en volhield en niet opgaf, omdat Hij dacht aan ons.
Zo kijken we naar Hem, die nu al in de hemel is, om plaats te bereiden.
We weten niet wanneer we daar zullen aankomen,
of wanneer Hij terugkomt om ons te halen.
We weten niet of dat in het komende jaar al gebeurt, of dat er nog jaren zullen volgen.
Bij alles wat ons bezig houdt, weten we dat we gesterkt worden,
omdat er Iemand is die we in het oog kunnen houden: Jezus Christus, onze Heer.
Toen aan het kruis en nu in de hemel.

Laten wij met volharding  e wedloop lopen die voor ons ligt,
terwijl wij het oog gericht houden op Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof.
Amen


 

Meditatie Psalm 27 – Zo ik niet had geloofd

Meditatie Psalm 27 – Zo ik niet had geloofd

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Psalm 27 begint en eindigt met dezelfde woorden, met de naam van God:
De Heere is mijn licht en mijn heil, zo begint de Psalm
en de Psalm eindigt: ja, wacht op de Heere.
De Heere – het begin en het einde,
zoals Christus dat zei: Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde.
De psalm wordt omsloten door de naam van God,
net zoals ons leven omsloten wordt door de naam van God.
Aan het begin van ons leven, toen we geboren werden,
ja, zelfs toen we door de Heere gedacht zijn en Hij ons het leven schonk was Hij daar
De Heere is mijn licht en mijn heil.
en ook als het einde van ons leven komt, zal Hij daar zijn: ja, wacht op de Heere.
Aan het begin en aan het einde de naam van God. Heere is Zijn naam.
Die naam betekent: Ik zal zijn, Die Ik zijn zal, Ik zal er zijn, Ik sta klaar.
De naam die aangeeft: op Mij kun je aan, want Ik ben betrouwbaar.
Met Mij kun je leven, want Ik ben je God. Ik sloot een verbond met je
in de doop Mijn naam aan jouw leven verbonden werd,
zoals Mijn naam aan Israël verbonden was.
Mijn naam die zegt: Ik geef niet prijs wat Mijn hand begon.
Ook jou laat Ik niet vallen, al komt de hele wereld op je af
en wordt je omringd door tegenstanders die jij niet de baas kunt.

De Heere is mijn licht.
God is mijn licht – Zijn liefde en genade omstraalt mij,
zoals daar in de velden van Efratha het licht over de herders viel, het hemelse licht van God
en zij hoorden van het goede nieuws dat er voor hen een redder geboren was, de Christus
die in een kribbe lag, in doeken gewikkeld.
Als God er niet is, dan is het duister in mijn leven
en ben ik overgeleverd aan alle duistere machten die mijn leven kunnen verwoesten,
heb ik geen leven meer, omdat het leven van God komt.
Zoals de schepping n4iet zonder zon kan leven, kan de mens niet leven
zonder het licht van God.
Hoe diep die duisternis kan zijn horen we van mensen die niet meer de kracht hebben
om verder te leven, voor wie alles donker is, voor hun eigen gevoel zonder hoop,
in donkerheid gevangen.
God is niet alleen mijn licht, maar ook mijn behoud, die mijn leven redt.

Licht is nodig om de weg te wijzen:
zoals vliegtuigen niet zonder de lichten kunnen die de landingsbaan aangeven
of een schip in het donker een vuurtoren het licht nodig heeft
om niet op de rotsen te varen, vast te lopen en averij op te lopen,
zo hebben wij het licht van God nodig om ons de weg door het leven te lopen,
om mij thuis te brengen bij Hem.
Leid, vriend’lijk Licht, mij als een trouwe wacht, leid Gij mij voort!
‘k Ben ver van huis en donker is de nacht, leid Gij mij voort!
Schoon ook de toekomst mij verborgen zij, licht stap voor stap mij met uw schijnsel bij.

Als het licht weg is, is er een onheilspellende dreiging.
In deze psalm komt de dreiging van mensen, mensen die maar al te bekend zijn,
Waar je niet tegen opgewassen bent,
omdat hun scherpe woorden je steeds weer van binnen raken,
omdat hun blikken je laten weten dat je er toch niet bij hoort, wat je ook probeert,
Die wanneer je ze nodig hebt, je kunnen laten vallen
of wanneer je even niet oplet je plek overnemen.
Kwaadwillenden: ze hebben kwaad in de zin.
Kwaaddoeners: het kwaad dat ze aanrichten, blijft niet in hun hoofd,
maar je krijgt ermee te maken omdat hun slechtheid blijkt in wat ze doen.
Ze hebben het op je gemunt.
Tegenstanders, vijanden, die niets van je heel willen laten: ze willen je verslinden.
En steun is er niet, zo alleen, zegt David: mijn vader en moeder hebben mij verlaten.
Verrassend is dan de steun van God,
want gaat het eerder niet zo dat als de hele wereld tegen je is,
je ook gaat geloven dat God tegen je optrekt en je aanvalt?
Het zijn geen mooie woorden alleen over God als jouw licht, jouw behoud, jouw redding,
nee, ze zijn waar, zoals Zijn naam waar is: Ik zal er zijn, Ik zal er voor jou zijn,
Ik zal je uitredden bij het aanbreken van de morgen.
Omsingeld door vijanden en toch gaat er een deur open:
de deur van Gods heiligdom.
Nergens meer veilig, omdat overal gevaar dreigt en niemand meer te vertrouwen is
en God die je dan bij Hem verbergt, doet schuilen, bij wie je kunt onderduiken,
veilig tegen elk gevaar dat je zou kunnen bedreigen.

Dat heb je altijd al gewild. Het enige dat echt telt, een verlangen dat niet stopte:
Wonen bij God, bij Hem zijn, voor altijd.
Om Hem te mogen zien in al Zijn heerlijkheid,
niet alleen indrukwekkend en groots, maar ook in Zijn tederheid, Zijn schoonheid,
zoals de Heere is voor wie Hem liefhebben, voor wie bij Hem horen.
Zo kun je de Heere ontmoeten. Zo kun je bij Hem blijven.
Je raakt niet uitgekeken op Hem, niet op Zijn liefde, niet op wat Hij doet, niet op Wie Hij is.

Als je dan zo veilig bent bij God, als je dan elke dag bij Hem verkeren, je verdere leven lang
waarom dan dat hartstochtelijke appèl aan God,
een beroep op God om Zijn aangezicht niet te verbergen, om je niet te laten vallen?
Misschien is dat wel een van de grote vragen die een gelovige kan hebben:
Waarom kan er toch die angst je overvallen, terwijl je weet dat de Heere er is,
waarom moet je Hem zoeken, wanhopig zelfs, terwijl je bij Hem mag zijn.
Waarom kun je het gevoel hebben dat je alles kwijt raakt,
terwijl je weet dat je alles hebt, omdat je de Heere hebt.
Waarom net als Petrus, die naar de golven kijkt die om hem heen opspringen
en de wind die hem om de oren suist en als hij dan even Jezus niet meer ziet
naar beneden zakt, de diepte in en alleen maar gered kan worden als Jezus hem grijpt.
Zo ik niet had geloofd – dat geloven is niet iets dat wij zo maar even doen,
niet iets dat ons komt aanwaaien,
maar steeds weer aangevochten wordt, op de proef gesteld wordt
door alles wat ons overkomt.
Elke dreiging weer, elke verandering die het leven op de kop kan zetten,
kan als een rukwind voelen, die het geloof haast omver blaast
En je houdt je hart vast als je geloof het niet meer houdt,
je houdt je hart vast als God er deze keer niet blijkt te zijn,
Zo ik niet had geloofd – in de Psalm wordt het niet afgemaakt.
Daar moet je niet over nadenken, dat is te erg, dat kun je niet aan,
dan blijft er nog minder van je over dan wanneer die vijanden je verslinden.
Ik was vergaan – zo ik niet had geloofd.
Maar is de Heere niet de Alpha en de Omega, de God met wie alles begint
en ook met Wie alles eindigt
en die alles wat er in dit leven tussendoor gebeurt in Zijn hand houdt,
hoe diep ik ook moet gaan.
Als ik dat geloof niet had
en hoezeer de winden rukken aan het geloof,
Hoezeer de donkere wolken boven mijn leven kunnen komen, vol dreiging van noodweer,
als ik niet dat geloof had, niet mijn geloof, maar de Geest die dat vertrouwen wekt.
Wacht op de Heere, houdt moed, geloof dat Hij zal komen, op Zijn tijd.
Je moet dat steeds weer opnieuw tegen jezelf zeggen, jezelf aanspreken:
Wacht op de Heere, verlies niet alle moed, wees sterk,
want Hij is er, Hij zal er zijn. Hij zal je hart sterk maken
en zorgen dat je, wanneer je het zelf dreigt kwijt te raken, je weer geven.
Wacht op de Heere, wees sterk en Hij zal uw hart sterk maken, wacht op de Heere.
Hij die jouw licht is, jouw behoud, Hij is dat niet voor even maar voor altijd,
vanaf het begin van je leven totdat je einde nadert.
En hoe donker het kan worden – en het kan donker worden.
God is mijn licht, mijn behoud. Wacht op de Heere. Amen

Overdenking in de zangdienst van 15 juli 2018. Thema: Zo ik niet had geloofd

Zangdienst 15 juli 2018  – Zo ik niet had geloofd

Voor degenen die een zangdienst hebben te leiden (bijvoorbeeld op een camping , evt in het buitenland) hierbij de teksten die ik uitsprak tijdens de zangdienst van zondag 15 juli 2018. Thema: Zo ik niet had geloofd. (Meditatie komt in een apart blog)

Zangdienst 15 juli 2018  – Zo ik niet had geloofd

Zingen: Op Toonhoogte (versie 2005) nr 301 Samen in de naam van Jezus

Stil gebed. Votum en groet

Als ik het geloof niet had, zegt iemand tijdens een gesprek,
dan zou ik niet weten hoe ik het zou moeten volhouden.
Ik hoor dat vaker zeggen, als ik met iemand spreek die te maken heeft met tegenslag,
als iemand bijvoorbeeld te maken heeft met een sterven van iemand die heel dierbaar is.
Het leven is ingrijpend veranderd; niets is meer hetzelfde.
Wel dezelfde God, Die juist dan er is.
Wat dit leven ook brengt: vreugde of droefheid – Hij is nabij.
Als Hij erbij is, dan kunnen we gaan, kunnen we verder.
Leer mij die weg te gaan, samen met U: draag mij, leid mij, houd mij in evenwicht
dat ik voor Uw aangezicht, wandel in het volle licht,
ook als er tegenslag komt, als ik vrees voor wat er komen gaat: leer mij Uw weg.

Zingen: Op Toonhoogte 202 Leer mij Uw weg, o Heer

Zo ik niet had geloofd.
Zouden we ooit zonder geloof kunnen?
Zou er ooit een moment kunnen zijn, dat we het zonder de Heere zouden redden?
We hebben Hem elke dag nodig, elk moment van ons leven, elk uur, elk ogenblik.
We hebben Hem nodig als we het goed hebben en ons gezegend weten.
Als er tegenslag is en het leven anders gaat, ook dan kunnen we niet zonder Hem.
Dan geeft Hij ons kracht, dan draagt Hij ons, wil Hij ons op Zijn weg verder leiden.
Ik heb U steeds nodig, elk uur, elk ogenblik.
Daarom komen we bij U en vragen wij, bidden wij om Uw zegen:
O zegen mij, mijn Heiland, ik kom tot U.

Zingen: Johannes de Heer 80 Elk uur, elk ogenblik

Zo ik niet had geloofd – als ik niet steeds gemerkt had dat de Heere er was,
dat Hij kracht van boven geeft.
hoe de Heere mijn leven leidt, hoe Hij mij kracht geeft steeds weer opnieuw.
Ik wil Hem belijden en vertellen over al het bijzondere dat Hij heeft gedaan:
hoe God die deze wereld schiep ook mijn God wil zijn en mij draagt dag aan dag,
hoe Zijn Zoon voor mij naar de aarde kwam en voor mij naar het kruis ging
om mijn schuld en zonde te dragen, zodat er voor mij vergeving is,
hoe Zijn Geest woont in mijn hart.
Zelfs als de storm opsteekt en om mij heen raast,
dan zal deze God mij behoeden. Hij houdt voor mijn heil de wacht.
Na de belijdenis zingen we: Gezang 178:7 Ruwe stormen mogen woeden.

Geloofsbelijdenis – daarna: zingen: Gezang 178:7 (NH Bundel 1938)

Als er een storm over je leven raast, kan dat het gevoel geven dat je er alleen voor staat,
dat er niemand is die je hebt: geen mens die je helpt en God die er niet is.

Maar als ik het spoor goed bekeek, zag ik langs heel de baan,
daar waar het juist het moeilijkst was, maar één paar stappen staan.
Ik zei toen “Heer waarom dan toch? Juist toen ik U nodig had,
juist toen ik zelf geen uitkomst zag, op het zwaarste deel van mijn pad…”

Dan is de verleiding groot om alleen verder te gaan. Als God er dan toch niet is.
Doe dat niet, want die weg is te zwaar
en te zwaar om te dragen is de eenzaamheid en het verdriet.
Laat Eén uw Helper wezen.
Er is een God, een God die hoort.
Heel wat heeft Hij al aangehoord. Er is al heel wat bij Hem geklaagd,
heel wat tranen die vloeiden in het gebed,
vaak zelfs waren er geen tranen meer, omdat het verdriet te groot was.
Hij heeft al zovelen gedragen en bijgestaan. Daar kan u, kan jij ook nog wel bij.
Ga niet alleen, ga tot uw Middelaar.

Zingen: Johannes de Heer 53: 1, 2, 5

Wie steunt op Zijn ontfermen is nooit alleen.
Dat moeten we vaak leren: steunen op Zijn vertrouwen
En geloven dat als we Zijn weg gaan, Hij mee gaat,
dat als er tegenslag is, waaraan ik niet kan ontkomen, de Heere mij omringt,
dat als ik er aan onderdoor gaat, Hij mij redding geeft en leven schenkt.
Als ik niet had geloofd.
Maar dat geloof is niet altijd even sterk, gaat vaak onderuit
en we durven het niet aan, omdat we dat vertrouwen missen dat Hij zal meegaan,
de twijfel die in ons boven komt en ons aanvliegt.
Als we dat geloof hebben, kunnen we zingen – met heel ons hart Zijn eer vermelden,
Maar midden in de storm, als we Hem niet kunnen vinden, is het een gebed,
meer zelfs nog: een roep naar omhoog, vanuit ons hart naar de hemel
Verlaat niet wat Uw hand begon, o levensbron, wil bijstand zenden.

Zingen: Psalm 138: 1, 4 Oude Berijming (en daarna gebed)

Als ik het geloof niet had.
In de Heidelberger Catechismus is geloven een weten wat er in de Bijbel staat over God,
maar evengoed ook een vast en zeker vertrouwen,
een vertrouwen dat de Heilige Geest in mijn, uw, jouw hart werkt.
Zo ik niet had geloofd, als ik niet over God wist wat er in de Bijbel staat
en als ik niet dat vertrouwen had in God, waar was ik dan?
Waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?
Ik stel mijn vertrouwen op de Heer mijn God, want in Zijn land ligt heel mijn levenslot.

Zingen: Op Toonhoogte 444 ‘k Stel mijn vertrouwen
(Daarna Schriftlezing: Psalm 27 – collecte – Psalm 42: 3, 5 – overdenking – Psalm 27: 1, 7)

Mijn licht, mijn heil is God – dat spreekt van een intieme relatie,
een Heiland die mij dierbaar is, omdat Hij mijn Verlosser is en ik van Hem mag zijn,
schoongewassen, gereinigd in Zijn bloed
Dat geeft mij pas rust, een vrede.
Wanneer ik niet zou geloven, zou ik deze vrede, deze rust niet kennen.
Dan zou ik er naar moeten zoeken, zonder het te vinden.
Nu heb ik het gevonden – in Hem, mijn dierbare Heiland, mijn Verlosser.
Nu heb ik Hem gevonden en ik wel Hem daarvoor eren: Lof en ere zij het Lam.

Zingen: Johannes de Heer 43 Dierb’re Heiland, mijn Verlosser.

Leven en sterven aan zijn zijde – dat is niet teveel gezegd.
In dat vertrouwen, dat ik van Hem ben, gekocht, betaald met Zijn bloed en gereinigd,
In dat vertrouwen kan ik door het leven gaan, zolang ik hier op aarde ben.
Ik kan mij in Zijn handen overgeven, van Hem die heel het heelal regeert.
Die wolken, lucht en winden, wijst spoor en loop en baan, zal ook wel wegen vinden,
waarlangs uw voet kan gaan.

Zingen: Gezang 180:1 Beveel gerust uw wegen

Gebed

Zingen: Gezang 300A:1, 2, 4

Zegen



Preek Tweede Paasdag 2018

Preek Tweede Paasdag 2018
Filippenzen 3:1-16
Tekst: Opdat ik Hem mag kennen, en de kracht van Zijn opstanding, en de gemeenschap met Zijn lijden, doordat ik aan Zijn dood gelijkvormig wordt, om hoe dan ook te komen tot de opstanding van de doden. (Filippenzen 3:10-11)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Kennen van Jezus
Paulus schrijft: Opdat ik Hem mag kennen.
Kent u Christus? Ken jij Christus?
Dan bedoel ik niet of je de verhalen over Jezus kunt vertellen
en dat je kunt uitleggen dat Pasen te maken heeft met Zijn opstanding,
maar dat jij Hem zelf ook kent als de opgestane Heer, persoonlijk als jouw Heer.
Wanneer Paulus spreekt over het kennen van Christus
moeten we voor de betekenis naar het Oude Testament,
Waarin kennen een heel intieme klank heeft, zoals een man en vrouw elkaar kennen.
Zoals een man en vrouw elkaar door en door kennen,
samen leven, samen slapen, van elkaar zijn en bij elkaar horen, intiem.
Zulke kennis is niet alleen kennis over iemand.
Als je de leeftijd van iemand kent, de belangrijkste gegevens uit iemands levensloop,
als je wat verhalen en anekdotes over iemand weet je vertellen,
dan ken je iemand al een beetje,
maar dat is nog niet het kennen van het Oude Testament en van Paulus.
Dat is niet alleen maar kennis over iemand, maar kennis die je hebt
doordat je het leven deelt met iemand, een hele intieme relatie, waarin je in elkaar opgaat:
Opdat ik Hem mag kennen, Christus als de opgestane Heer echt mag kennen, persoonlijk.
Kent u Christus op deze persoonlijke, intieme manier?
Zodat Christus, die gekruisigd was en opgestaan is, leeft in uw, in jouw hart?
Misschien was er wel heel wat nodig voor u Hem zo persoonlijk kende, voor jij ging geloven.
Net als er voor Paulus heel wat nodig was.
Paulus kende de verhalen over Jezus die was gekruisigd en was opgestaan,
maar moest er helemaal niets van weten van die Jezus.
Hij verafschuwde die verhalen en had een hekel aan Zijn volgelingen.
En er was geen enkele reden waarom Paulus zou gaan geloven.
Een mooier leven was er niet: geboren als kind van het verbond,
met een kennis over God en een leven in dienst van God waar velen jaloers op waren,
om zijn inzet voor Gods zaak geprezen en beroemd geworden.
Een in zijn eigen ogen waardevol leven
– totdat Paulus deze Jezus echt ontmoette, Christus in zijn leven kwam.
Toen zag er alles opeens anders uit:
Het leven dat hij had opgebouwd, de status die hij had bereikt, de gelovigheid die hij had:
allemaal waardeloos, hij had er niets aan en kon er niets mee als hij voor God kwam.
Een leven in schijn, al kon hij er hier mee voor de dag komen.
Alleen als je Christus echt kent, persoonlijk en intiem, een relatie hebt, van Hem bent,
dan heb je echt een leven: opdat ik Hem mag kennen.

(2) Kennen van de kracht van Zijn opstanding
Paulus maakt duidelijk wat het kennen van Christus inhoudt:
dat je niet alleen de verhalen over de opstanding van Christus kent,
maar dat je in je eigen leven ook die kracht van Zijn opstanding ervaart,
dat je merkt dat de opstanding van Christus ook effect op je eigen leven heeft.
Opstanding betekent voor Paulus niet alleen dat Christus uit het graf kwam,

dat de steen voor Christus werd weggerold en Jezus als de levende tevoorschijn kwam,
maar dat ook ieder die in Christus gelooft,
uit dat graf mee komt, opgestaan – uit de macht van de zonde, die ons gevangen hield,
een nieuw leven met Christus.
Dat je merkt, dat jij die dood was door de zonde, met Christus ook levend wordt.
Op Pasen vieren wij niet alleen dat Christus uit het graf kwam,
maar vieren we ook dat wij opnieuw kunnen leven.

 

Ontwaak, gij die slaapt en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten!

Sta op uit de doden, o zondaar, en leef, dat Christus ook over u lichte!


Ik kwam een citaat van Calvijn tegen bij een andere tekst van Paulus(Efeze 2:1),
maar we kunnen dat ook hierbij aantekenen: ‘We worden als doden geboren en leven als doden, totdat wel deelgenoot gemaakt worden van het leven van Christus.’
Dat Paulus dood was, had hij in zijn oude leven nooit gedacht.
Je kunt die dood ook goed camoufleren en vaak besef je pas hoe dood je was
als Christus in je leven gekomen is om je tot leven te wekken.
Paulus dacht dat hij juist een goede band had met God, dat zijn geloof levend was.
Maar zonder Christus die in zijn leven kwam had hij niets, schade was het zelfs,
schadelijk voor hemzelf, want het beeldde hem in dat hij God kende en met God leefde,
hij ging er vanuit dat God in zijn leven was en had niet door dat het niet zo was.
en de ogen gingen open toen Christus in zijn leven kwam,
een radicale verandering, waar Paulus nog steeds intens dankbaar voor is
en de komst van Christus in zijn leven heeft een verlangen in hem aangewakkerd:
Christus kennen en ook de kracht van Zijn opstanding in zijn eigen leven.
Want daardoor leeft hij in een nieuw leven: mijn getrouwe Heiland Jezus Christus eigen ben.
In een zondige wereld al een nieuw leven,
niet meer bezig om hier op aarde alles uit het leven te halen,
Alles op je reputatie hier te zetten, of alles van je gezondheid hier te verwachten,
je geluk te koppelen aan aardse bezittingen, maar een gerichtheid op Christus
en opgestaan in een nieuw leven, het nieuwe leven dat Christus is, de Opgestane, Levende.
En dat hier op aarde al een nieuw leven, hier in dit bestaan reeds opgestaan.
Het kennen van Christus en het kennen van de kracht van Zijn opstanding is dat leven
waarin de zonde ons niet meer beheerst, maar Christus in ons leeft
en wij in staat gemaakt worden om Zijn wil te doen.
Daaraan merk je de kracht van Zijn opstanding in je leven.
Een verandering in je wil, in wat je doet en wat je nalaat, Christus kunnen dienen.
Dat is niet pas in de hemel, dat nieuwe leven, maar hier op aarde al.

(3) Kennen van de gemeenschap met Zijn lijden
Hier op aarde al – dan heeft Paulus wat uit te leggen over zijn eigen situatie.
Paulus zit namelijk gevangen.
Daarmee wordt zijn boodschap, dat Christus is opgestaan, toch ongeloofwaardiger?
Als Christus is opgestaan uit de dood, als er een nieuw leven is, dat Paulus nu al heeft,
Waarom dan nog die gevangenschap?
Waarom moet Paulus dan rekening houden met een mogelijke doodvonnis?
Als hij dat nieuwe leven al heeft, dan hoeft hij toch niet gevangen te zitten?
En in de gemeente is er een andere zorg, die zijn boodschap ongeloofwaardig maakt:
De spanning en de zorg die er in de gemeente is:
een andersoortige boodschap dan het evangelie die verteld wordt, die aanhang krijgt.
Als er dat nieuwe leven is, als we dat nieuwe leven al kunnen kennen:
Waarom die onderlinge strijd, waarom die verdeeldheid?
Waarom dan nog lijden voor de individuele gelovige en de gemeenschap als geheel?
Staat dat dan niet haaks op de boodschap dat Christus is opgestaan
en dat wij Zijn opstandingskracht al in ons eigen leven mogen ervaren?

Nee, zegt Paulus, mijn situatie in de gevangenis ontkracht Pasen niet
en het lijden dat mij overkomt en dreigt te overkomen moet jullie niet in twijfel brengen,
want dit lijden en deze tegenslag is bedoeld om Christus nog beter te leren kennen
en nog meer te vertrouwen op Zijn opstandingskracht.
Als ik Christus meer wil leren kennen, heb ik het ook nodig om Zijn lijden te leren kennen,
Ik ben niet meer dan mijn Heer en als mijn Heer lijdt, waarom zou ik dan niet lijden?
Als Hij gevangen genomen werd en werd gedood, waarom zou dat mij bespaard blijven?
Als ik van Jezus ben geworden, kan het ook zijn dat ik deel in Zijn lijden,
dat het leven voor mij anders loopt dan ik van tevoren had gedacht.
Wanneer je gaat geloven in Jezus, wanneer Hij in je leven komt,
wordt je leven er vaak niet makkelijker op.
Tot geloof komen is geen recept voor een makkelijk leventje.
Ik denk dat heel wat gelovigen weten, dat vanaf dat ze echt gingen geloven
er ook heel wat worstelingen bijgekregen hebben, strijd en aanvechting,
misschien ook wel spot en tegenstand, of zelfs ziekte, ontslag.
Maar ook al is het er niet makkelijker op geworden, wel een gelukkiger leven,
omdat Christus in je leven gekomen is en dat is alles waard!
Maar het blijft steeds leren, zodat je geloof in Christus steeds dieper wordt,
zoals je als man en vrouw ook steeds weer moet groeien in je relatie
en dat gebeurt vaak door wat je meemaakt,
niet alleen de mooie dingen die je samen meemaakt,
maar je leert ook door de tegenslagen, de ernstige, verdrietige dingen die je meemaakt
en samen draagt en waar je samen doorheen gaat.
Misschien hebt u in uw relatie ook wel heel wat samen doorgemaakt
en het dat samen doormaken en samen dragen gaat niet vanzelf
dat kost vaak het nodige aan gesprekken, botsingen wellicht, spanningen, en toch…
zo is het delen in het lijden van Christus niet iets dat je even doet, of er even bij,
maar het kost je veel, misschien wel alles en toch … het geeft je Christus.
Opdat ik Hem mag kennen en Zijn opstandingskracht en kennen ook te delen in Zijn lijden.


(4) doordat ik aan Zijn dood gelijkvormig wordt
Let wel, het leren kennen van Christus door Zijn opstandingskracht staat voorop.
Het delen in Zijn lijden staat in het teken van Pasen
en  Pasen in ons leven dat is niet iets dat nog komt, maar dat er nu al is,
Zelfs als we te maken hebben met ziekte
en zelfs als we weten dat we niet lang meer te leven hebben
en haast niet kunnen geloven dat voor ons dat nieuwe leven al gekomen is
omdat we nog zoveel van die oude wereld die lijdt aan de vergeefsheid ervaren
of als we nog steeds worstelen met onze zonde
en haast niet kunnen geloven dat voor ons dat nieuwe leven al gekomen is
omdat we nog zoveel van de oude mens in onszelf aantreffen,
is Pasen een werkelijkheid in ons leven en delen we al in Zijn opstanding
en kunnen we de kracht van Zijn opstanding meer en meer leren kennen,
Zelfs dwars door ziekte en dood heen,
dwars door de zonde die tegen onze wil nog in ons is overgebleven heen.
We zijn er nog niet, niet in de nieuwe wereld waarin we zonder zonde zullen zijn,
maar al wel in een nieuw leven, Pasen is werkelijkheid in ons leven,
we zijn met Christus al opgestaan uit de dood van de zonde
al zal er nog een opstanding zijn, waardoor we een verheerlijkt lichaam zullen krijgen.
Hier op deze aarde, in die wereld die nog steeds lijdt,
kunnen we nog steeds lijden, gemeenschappelijk zijn in het lijden met onze Heer,
maar wel met één verschil: Christus stierf voor ons.
Als we hier op aarde kruisdragen is dat niet om Christus te redden of ons te redden,
als we delen in Zijn lijden, als dat lijden ons overkomt en we ermee te maken hebben,
dan is dat om ons te laten weten, dat Zijn dood ook voor ons geldt,
dat Christus ons meegenomen heeft naar het kruis,
dat we reeds zijn gestorven, al leven we hier volop,
dat we al opgestaan zijn, al zullen we nog door de dood heen moeten gaan.

Het is mogelijk dat deze boodschap van Paulus mensen in verwarring bracht,
Dat ze er nu al waren, dat er geen opstanding meer zal komen, en geen hemel.
Dat ze er al zijn.
Maar dat is wat Paulus niet bedoeld heeft.
We leven al in een nieuw bestaan, we delen in een nieuw leven,
maar er komt ook nog een nieuw leven.
Ik heb het nog niet verkregen, ik ben nog niet volmaakt, het volmaakte moet nog komen.
Als Christus komt en we na onze opstanding in de hemel worden opgenomen.
Delen in het lijden van Christus kan ook er zijn om ons te herinneren
dat er ons nog een eeuwigheid te wachten staat,
dat we niet al onze kaarten op het leven hier op aarde moeten zetten.
Dat we er nog niet zijn, want dan is het gevaar groot om in het oude leven terug te vallen.
Gelijkvormig worden aan Zijn dood is dat we meegestorven zijn aan het kruis, meegekruisigd
En daarmee onttrokken, gered van de zonde en in een nieuw leven zijn gezet.

(5) Om hoe dan ook te komen tot de opstanding van de doden
Delen in zijn lijden wijst, hoe moeilijk dat ook is, wijst vooruit
naar wat met u, met jou zal gebeuren als je Christus persoonlijk kent.
Als je mag zeggen, al is het misschien heel voorzichtig of stamelend,
Ik ken Christus en ik leer Zijn opstandingskracht ook steeds beter kennen
en zeker ook in mijn leven is er van het lijden van Christus iets te merken
het geeft mij het besef hoe diep Hij voor mij moest lijden
en dat besef brengt mij dichter bij Hem.
Dan mag je weten dat je er ook een toekomst wacht,
je hebt al een heden, een leven in het hier en nu,
omdat je met Christus leeft, door Christus levend geworden bent,
daarom zal er een dag aanbreken, wanneer de graven opengaan,
als Christus terugkomt, dat het graf jou ook moet laten gaan,
of je graf nu bekend is of niet, God weet waar je begraven bent
en Hij zal je dan uit het rijk van de dood roepen, zoals Hij Zijn eigen Zoon riep uit het graf.
Om hoe dan ook te komen tot de opstanding van de doden.
Dat is een zekerheid voor Paulus.
Het lijkt er even op, dat er toch weer onzekerheid komt.
Kunnen we er echt op aan, dat ook wij zullen opstaan, zoals Christus opstond?
Nee, het is geen onzekerheid, geen twijfel, ook al is het ongelofelijk om te geloven.
Hier op aarde is het er nog niet, het komt nog.

Het is verwoord in een oud gezang, een lied voor Hemelvaartsdag (Gezang 75 NH Bundel):

’t Oog omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet!
’t Ware leven, lieven, loven is maar, waar men Jezus ziet.
Wat men hoort of ziet op aard’ is ons kost’lijk hart niet waard;
wil men leven, lieven, loven:’t oog omhoog, het hart naar boven!

Trek tot U ons hart naar boven, dat w’ U eeuwig lieven, loven

Kent U Christus? Ken je Hem?
Wanneer je gedoopt bent, is er voor je gebeden dat je Hem zou leren kennen:

Wij bidden U, pleitend op uw grondeloze barmhartigheid,
dat U deze kinderen in genade wilt aanzien
en door Uw Heilige Geest in Uw Zoon, Jezus Christus, wilt inlijven,
opdat zij met Hem in Zijn dood begraven worden
en met Hem mogen opstaan in een nieuw leven.

Dat is in de kerk voor je gebeden, door je ouders, door de aanwezige gemeenteleden.
Dat zal in de hemel voor je gebeden zijn door de engelen om de troon van God,
door Christus zelf, die in de hemel voor ons bidt.
Zodat ook jij, u Hem leert kennen.
Amen

Wat is geloven?

Wat is geloven?
Georg Plasger over “Geloven vandaag de dag met de Heidelberger Catechismus” – deel 3

Wat is geloven? De Amerikaanse auteur Ambrose Bierce heeft daar een duidelijke mening over. Want in zijn Woordenboek van de duivel geeft hij de volgende definitie: Geloof: dingen voor waarhouden, waarvoor er geen parallellen zijn te vinden, waar geen bewijzen voor zijn te vinden en die iemand verkondigt zonder daar kennis van te hebben.

Ook binnen de kerk is niet altijd duidelijk wat geloven is. De Nederlandse theoloog Harry M. Kuitert schreef eens een boek met de titel: Het algemeen betwijfeld christelijk geloof. Met de titel al wilde hij aangeven dat er veel mensen (buiten en binnen de kerk) zijn die niet meer het geloof van de kerk voor hun rekening kunnen nemen. Het geleefd geloof van veel mensen wijkt sterk af van de officiële leer van de kerk. Het geloof wordt betwijfeld. Houdt dat in, dat geloven een individuele mening is?

Het verschil tussen het geleefd geloof en de officiële leer van de kerk is niet nieuw. In de 17e eeuw kwamen het Piëtisme en de Verlichting op. Beide stromingen benadrukten op hun eigen manier het verschil, maar leggen beide de nadruk op het individu.

Piëtisme
Voor het Piëtisme lag de nadruk op het persoonlijk geloof, waarbij men zich niet kon verschuilen achter de leer van de kerk. Het onderschrijven van de kerkelijke leer hield nog niet in, dat men geloofde.

Verlichting
Bij de Verlichting gaat het erom, dat verstand de opvattingen van de kerk moest beoordelen. Bepaalde onderdelen van de kerkelijke leer moesten het afleggen tegen de rationalistische doordenking van het christelijk geloof.

Orthodoxie
Beide stromingen waren een reactie op de Orthodoxie. De orthodoxie was een stroming uit de tijd na de Reformatie en na het opstellen van de Heidelberger Catechismus. De orthodoxie wilde de waarheid van de Reformatoren vasthouden. Voor hen ging het er juist om, dat de gelovige de officiële leer van de kerk overnam.
Onze tijd en hedendaagse visies op geloven zijn meer door de Verlichting en het Piëtisme gestempeld dan door de Orthodoxie

Niet het geloof staat voorop
De Heidelberger Catechismus, die in de tijd vóór de Orthodoxie opgesteld is, begint niet met de definitie van geloven. Een definitie wordt pas in vraag en antwoord 21 gegeven. In deze catechismus ligt de nadruk niet op het geloof of op de mens die gelooft. De Heidelberger Catechismus stelt niet de vraag: wat maakt de gelovige anders ten opzichte van de niet-gelovige? Ook niet met de vraag: Wat doen mensen als zij geloven.

Handelen van God
De Heidelberger Catechismus start met Jezus Christus, waarlijk God en waarlijk mens en die geschonken is tot onze volkomen verlossing en gerechtigheid. Voor de Heidelberger Catechismus gaat het om het handelen van God: God schept, roept. De mens reageert op het handelen van God doordat hij in geloof antwoordt. Geloven begint met een communicatie die eenzijdig begonnen wordt (namelijk door God).
Dat is ook een rode lijn in het Nieuwe Testament: Gods komen in Jezus Christus geschiedt en de mens gelooft door dit komen. De opstanding geschiedt en daardoor beginnen mensen te geloven. De Geest komt naar Jeruzalem en de kerk, de gemeenschap van degenen die in Jezus Christus geloven, groeit.
De nadruk op de eenzijdig door God begonnen communicatie mag niet uit het oog verloren worden, wil de Heidelberger Catechismus begrepen worden.

Wat is een echt geloof?
De Heidelberger Catechismus gaat zozeer uit van het handelen van God dat niet gevraagd wordt welke godsdienst de juiste is. In deze catechismus wordt geloven aan de orde gesteld binnen de relatie die er tussen God en de gelovige is.
In het antwoord op de vraag wat een waar geloof is worden 3 begrippen genoemd:
– weten
– voor waarachtig houden
– vast vertrouwen

Een echt geloof is niet alleen een stellig weten of kennen waardoor ik alles voor waarachtig houd wat God ons in zijn Woord heeft geopenbaard, maar ook een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving van zonden, eeuwige gerechtigheid en heil door God geschonken is, louter uit genade, alleen op grond va Christus’ verdienste.

Kennis van God
In het antwoord wordt er gesproken over kennis. In navolging van Calvijn gaat het om kennis van God. Calvijn start zijn catechismus met de vraag: Wat is de bestemming van het menselijk leven? Daarop antwoordt de leerling: Dat wij God, door wie wij geschapen zijn, erkennen.
In de Heidelberger Catechismus gaat het om de kennis van God, zoals deze in de apostolische geloofsbelijdenis is verwoord.
Deze belijdenis is niet een toevoeging, maar een essentieel bestanddeel van het geloven. In deze apostolische geloofsbelijdenis gaat het eveneens om het handelen van God. De kennis en het belijden van God gaat om kennis van de in Jezus Christus openbaar geworden humaniteit van God. Dit kennen gebeurt met het gehele menselijke bestaan, met huid en haar, met lichaam en ziel.

Wanneer gelovigen vandaag de dag niet in staat zijn om te verwoorden wat zij geloven is dat een teken van de onmondigheid waarin veel christenen zich vandaag de dag bevinden, aldus Plasger.

Voor waarachtig houden
Deze formulering is enigszins merkwaardig, maar gaat terug op een Bijbelse manier van denken. Het gaat om het verwerken van het Hebreeuwse woord èmèt (trouw). God is de ware God, omdat Hij trouw is: trouw aan Zichzelf en trouw aan Zijn schepping. Daarom is ook zijn Woord te vertrouwen.
Door deze gedachte wil de Heidelberger Catechismus laten zien, dat het in geloven en het voor waarachtig houden van wat God spreekt ook gaat om een overwinning op de zonde. Want de zonde – waar het in het vierde deel over zal gaan – bestaat uit wantrouwen ten opzichte van God en van wat Hij spreekt. In het geloof is dat wantrouwen overwonnen. De gelovige kan Gods Woord weer als betrouwbaar aannemen.

Hartelijk vertrouwen
Voor de christen is geloof niet alleen een overtuiging, maar ook een geschenk van God. Ieder mens stuit op de vraag of geloof niet iets is wat hij of zij zelf heeft ingebeeld, een wensbeeld of een projectie. Voor niet-gelovigen is geloof vooral een persoonlijke overtuiging. Dat is geloof ook. Maar voor de Heidelberger Catechismus is geloven een geschenk van God.
Het is namelijk de Heilige Geest die in mijn hart werkt. Ik hoor door de Heilige Geest dat het evangelie ook voor mij is: dat Christus voor mij gestorven is, dat de vergeving ook voor mij geldt, dat het evangelie aan mij is geadresseerd.
Geloof is dus geen bezit of prestatie, maar een vertrouwen in het evangelie dat door de Geest in ons wordt gewekt en gewerkt.

Samen
Deze 3 aspecten horen bij elkaar. K.H. Miskotte wees er in zijn uitleg van dit antwoord erop, dat het antwoord ook voor misverstanden kan zorgen door te gaan denken dat deze aspecten van elkaar gescheiden kunnen worden. Of door het vertrouwen los te koppelen van de kennis van God.
In de kerkgeschiedenis is het voortdurend voorgekomen, dat men een van deze aspecten eruit lichtte en overaccentueerde:
– De Orthodoxie bijvoorbeeld verwisselde geloven met kennis van de Bijbel en/of van de catechismus. Maar dan wordt geloven is van het verstand alleen en wordt geloven een menselijke prestatie.
– Wanneer de nadruk op het voor waarachtig houden komt te liggen, zoals in het Piëtisme, ligt alle accent op de beslissing om te gaan geloven.
– Wanneer de nadruk ligt op het hartelijke vertrouwen dan bestaat het gevaar dat God als tegenover uit beeld verdwijnt en dat het niet meer gaat om Zijn handelen aan ons en in onze werkelijkheid.
Miskotte benadrukte terecht dat het in de geheiligde kennis van God reeds om vertrouwen gaat.

Kanaal
Voor zowel de Heidelberger Catechismus als de daarin gethematiseerde Apostolische Geloofsbelijdenis ligt het accent op het handelen van God. Dat roept de vraag op in hoeverre het menselijke geloof er nog toe doet.
De Heidelberger Catechismus stelt ook deze vraag: Maar wat baat het nu dat gij dit alles gelooft? (Vraag 59) Antwoord: Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam van het eeuwige leven.
In het handelen van God om de mens. Bovendien gaat het bij kennis van God altijd om de relatie die er tussen God en mens is. Het geloof is het kanaal waardoor de mens alles van God ontvangt: de kennis van God, de rechtvaardigheid, het geschenk van het eeuwige leven, de gemeenschap met Christus, het vertrouwen.

Daarom staat deze catechismus bewust niet stil bij de vraag hoe sterk het geloof moet zijn of wat een kenmerk is van een echt geloof. Deze vragen doen vergeten dat het geloof geen menselijke prestatie of bezit is. Het geloof is een geschenk van God, een kanaal waardoor wij alles van God ontvangen. Wat God ons geeft is genoeg en betrouwbaar. Geloven is niets anders dan – met dankbaarheid – in te stemmen met deze gave en met Gods trouw en betrouwbaarheid.

N.a.v. Georg Plasger, ‘Wissen, Für-Wahr-Halten und Vertrauen – oder: Was ist “glauben”?, in: Idem, Glauben heute mit dem Heidelberger Katechismus (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2012) 41-54