Preek zondag 23 juni 2019

Preek zondag 23 juni 2019
1 Johannes 1
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Tekst: Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens.  – want het leven is geopenbaard en wij hebben het gezien. (1 Johannes 1:1-2a)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je leest van Johannes hier schrijft, kun je daar jaloers op worden,
Johannes die Christus heeft horen spreken, die Christus gezien heeft, meegemaakt heeft.
Konden wij onze Heere ook maar zo van dichtbij zien, Hem horen spreken,
Zijn aanwezigheid merken, in Zijn nabijheid zijn.
Johannes was erbij, maakte het allemaal mee
en vanuit die ervaring wil hij de gemeente, waaraan hij schrijft,
aanmoedigen en sterken in het geloof.
Wie zou dat niet willen, dat je zo kunt terugkijken op je ontmoeting met Christus.
Dat je met Hem optrok en Zijn onderwijs aanhoorde
en dat je met die ervaring – dat je zo dicht bij Christus was – andere gelovigen mocht helpen.

Als ik Johannes in deze brief lees, dan is het hem er niet om te doen
om die ervaring uniek te maken.
Alsof het iets van hem alleen is, omdat hij achter Jezus aanging
en alles zag wat er om Jezus gebeurde.
Hij heeft het over “wij”: wij hebben gehoord, wij hebben met onze ogen gezien,
wij hebben aanschouwd, wij hebben het Woord des levens aangeraakt.
Daarmee bedoelt hij ook de gemeenteleden die deze brief krijgen
En ik denk dat wij ons daar ook bij mogen insluiten en het op onszelf mogen betrekken:
wij hebben gehoord, wij hebben met onze ogen gezien,
wij hebben aanschouwd, wij hebben het Woord des levens aangeraakt.
Dat is niet een ervaring die zich beperkt tot de twaalf leerlingen, die met Jezus meegingen
en ook niet tot de Joden die erbij waren toen Jezus gelijkenissen vertelde of wonderen deed.
Wij mogen, wij kunnen ons erbij insluiten: ook wij hebben gehoord en gezien,
Wij hebben aanschouwd en met onze handen aangeraakt.
Het lijkt erop, dat Johannes wil aangeven dat hij ooggetuige was, dat hij er zelf bij was.

Maar het gaat toch om iets anders, om iets dat ook wij kunnen meemaken.
Namelijk een overweldigende ervaring, waarbij je niet goed meer uit je woorden komt.
Als je verliefd bent op iemand en gaat stamelen,
Of als je een belevenis van de natuur had, die zo bijzonder was, dat je er stil van wordt.
Zo bijzonder, je kunt het niet onder woorden brengen, het raakt niet aan wat je meemaakte.
Dan gaat het Johannes hier om een ervaring die nog bijzonderder is, overweldigender is:
de ervaring iets van God mee te maken.
Je kunt het als Bijbellezer er niet goed uithalen, maar de woorden die hier staan,
zijn niet vloeiend geschreven, het is een stamelen,
een proberen onder te brengen van iets dat niet onder woorden te brengen is:
probeer maar eens onder woorden te brengen wat je meemaakt van onze Heere.
Johannes probeert het, maar het lijkt wel of hij er niet uitkomt, in ieder geval niet vloeiend.
Of het moet een lied zijn, dat hij citeert, waarvan de woorden als je gezongen hoort
wel kloppen, omdat ze een loflied zijn om de glorie van Christus te prijzen.
Je moet ze horen, misschien wel gezongen, of je moet de woorden zelf zingen:
Wat er was vanaf het begin
Wat wij gehoord hebben
Wat wij gezien hebben met onze ogen
Wat wij aanschouwd hebben
en onze handen getast hebben van het Woord des levens.
Wat er was vanaf het begin – niet alleen maar het begin dat God in ons leven kwam
en wij begonnen te geloven, het prille begin van ons als christen, als gelovige,
maar verder terug, niet terug naar het moment dat Christus op aarde kwam,
maar nog verder terug, zelfs naar het moment voor de wereld er was.
Toen de wereld nog niet geschapen was, er geen hemel en aarde was,
was er al wel een God – Vader, Zoon en Heilige Geest.
Voordat wij er waren, voordat onze wereld er was.
De reden waarom hierover gemediteerd wordt, hierover gezongen wordt,
is dat onze Heere die toen er reeds was een beweging maakte naar ons toe,
steeds dichterbij kwam: je kon Hem horen komen, aangekondigd in het Oude Testament
en nadat Hij geboren was en opgroeide, rondwandelde, wonderen deed en sprak,
was Hij voor mensen met eigen ogen te zien,
konden ouders hun kinderen bij Jezus brengen om gezegend te worden
En kon Thomas zeggen:
Ik wil Jezus zelf aanraken om te geloven dat Hij werkelijk is opgestaan.
Hoe menselijk Jezus ook werd – echt mens – Hij bleef wel God
En was er al voor de wereld geschapen werd.
Zo indrukwekkend en groots is God dat de hemel Hem niet kan bevatten
en toch wordt Hij mens en komt Hij onze wereld binnen, kunnen wij Hem ontmoeten.

Het is wat gebeurd, is dat we over Hem horen.
Een stem die in je leven klinkt, uitnodigend om bij Hem te horen,
om alle twijfels die er kunnen zijn, nu eens aan de kant te leggen
dringend, om je op te roepen tot geloof en niet meer zonder Hem te leven.
Dat horen over Hem kan ook op een manier die niet zo spectaculair is:
Iemand die uit de Bijbel leest, vertelt, je liederen leert, of je leert bidden, een preek houdt,
iemand die je uitlegt, dat je het avondmaal niet moet vermijden,
maar juist daar moet zijn omdat je dan Christus ontmoet.
Wat wij gehoord hebben – over God en dat kan ook door God gebruikt worden,
waardoor de Heere iets van Zichzelf laat horen:
Ik kwam voor jou uit de hemel, dat was toen, maar ook nu nog laat Ik van Mij horen
en Ik wil dat je naar Mij toekomt, dat je niet weg blijft.
Dat je niet allerlei belemmeringen en bezwaren opwerpt voor jezelf.
Luister naar Mij en kom!
De stem van God die tot ons komt en wij die horen,
Dat geeft aan dat God naar ons op zoek is, ons bij Zich wil hebben, in Zijn gemeenschap,
weer een band wil, dat we van Hem zijn.

God die ons wil hebben en daarom in deze wereld kwam en in ons leven komt.
Eerst hoorbaar, maar ook zichtbaar.
Wij hebben met eigen ogen gezien.
Dat kunnen we heel makkelijk verbinden aan Jezus die hier op deze aarde rondliep,
vertelde en genas, voor Pilatus stond en veroordeeld werd, de weg liep door Jeruzalem
op weg naar het kruis, waar Hij aan zou hangen, waar Hij stierf
en daarna de opgestane Heer die verscheen: aan de vrouwen, aan de discipelen.
Ik ben dood geweest en zie Ik leef. De dood overwonnen.
Zijn er ook momenten waarop we Christus kunnen zien in ons eigen leven.
Dat we Hem niet alleen maar horen, maar ook zien?
We geloven dat als we als gemeente samenkomen onze Heer er ook is. Aanwezig is.
Dat als we avondmaal vieren, Hij aan de tafel staat en ons het brood aanreikt
En ons aanspreekt: het brood dat je krijgt wijst naar het kruis waar Ik aan hing,
waar Ik mij gaf voor jou – verbroken tot volkomen verzoening van al je zonden.
Hij komt dan zo dichtbij, omdat Hij wil dat wij dichtbij Hem zijn, bij Hem zijn, van Hem zijn.
Als je het brood aanraakt, naar je mond brengt en eet.
Er zijn gelovigen die zeggen: dat brood, dat wordt Christus: je raakt Hem aan,
je eet Zijn lichaam.
Als gereformeerde protestanten zijn we wat voorzichtiger,
omdat je daar ook misbruik van kunt maken,
als je Christus zo in een stukje brood kunt hebben.
Maar we geloven wel, dat als je brood eet, dat Hij dan zichzelf geeft,
dat als je de wijn drinkt en in je lichaam naar binnen voelt gaan,
Dat Hij zo in je wil komen, om je lichaam te reinigen van de zonde.
Neemt, drinkt, gelooft, dat het kostbaar bloed van onze Heere Jezus Christus
vergoten is tot volkomen verzoening van al onze zonden.
Hoorbaar – zichtbaar – al is dat voor de ogen van het geloof
En dat is wat Johannes bedoelt met aanschouwen.

Want je kunt avondmaal zien – dat geldt misschien wel helemaal voor de kinderen
die dan in de kerk zitten en alleen maar kunnen kijken wat er voor in de kerk staat,
Wat daar gebeurt: een tafel, met daarop borden met brood en bekers wijn,
mensen die naar voren lopen en gaan zitten bij de tafel,
brood en wijn dat wordt rondgedeeld en mensen die dat eten en drinken.
Dat heeft allemaal betekenis.
Er staat een tafel in de kerk. Wat doe je met een tafel? Je kunt aan een tafel zitten.
Alleen of gezamenlijk. Op die manier laat tafel gemeenschap zien:
dat je bij elkaar hoort, als gezin bijvoorbeeld, of als vriendengroep.
Aan die tafel zitten mensen die bij de kerk horen – maar het is ook de tafel van Christus.
Is Hij er bij? Ja, Hij is gastheer.
Een tafel wordt ook gebruikt om dingen op te zetten: een vaas met bloemen bijvoorbeeld.
Zo staat er brood en wijn op de tafel.
Waarom brood en wijn?
Wat betekent dat?

Met zien alleen ben je er nog niet. En met horen ook niet.
Het gaat om geloof, om eigen maken, dat het van jezelf wordt.
Dat je onder de indruk komt en van Christus gaat houden,
Dat je met Hem wilt leven – Johannes noemt dat aanschouwen.
In het evangelie van Johannes is dat ook steeds zo: ooggetuige zijn is nog niet genoeg.
Het gaat erom, dat je ziet dat God erin aan het werk,
dat de Jezus die daar rondloopt, voor Zijn geboorte bij de Vader was en één met Hem.
Dat is in het evangelie van Johannes ook zo:
Als Jezus water in wijn verandert, gaat het niet om het wonder als zodanig,
net als de blindgeborene die weer kan zien, waarbij het ook niet om het wonder alleen gaat.
Maar om het werk van Christus dat zichtbaar wordt:
Dat Hij laat zien dat Hij gekomen is om het Koninkrijk van God te brengen,
De wijn die vooruit wijst naar het hemelse feest: de bruiloft van het Lam.
Hoe Jezus gekomen is, om de blindheid, die er vanaf onze geboorte is,
de geestelijke blindheid, waardoor wij God niet kunnen waarnemen, geneest
en ons ogen geeft om God te zien – om God te geloven.
Dat is aanschouwen: in wat je ziet God opmerken, God aan het werk zien.
In je eigen leven, in de kerkdienst,
in het avondmaal: de tafel die er staat,
het brood dat al gesneden is en gebroken gaat worden
de wijn die reeds ingeschonken is en rondgedeeld gaat worden,
Waarin we Christus kunnen zien en horen, die tegen ons zegt: dat heb ik voor jou gedaan.
Blijf niet weg, maar kom, geloof, laat je reinigen van je zonden en laat je sterken in je geloof.

Het spreekt – dat brood en die wijn. Het spreekt van onze Heer.
Het verwoordt Zijn roepstem: Kom!

En waarom je zou komen? Omdat het hier om leven gaat:
Christus die het leven is, die je levend maakt,
Die je het leven geeft, dat je kwijtgeraakt was.
Het leven is geopenbaard – schrijft Johannes.
Dat kun je op twee manieren zien: de komst van Christus, Zijn gang naar het kruis,
Dat Hij daar moest hangen – laat zien hoe het met ons gesteld was.
Stevige woorden gebruikt het formulier daarvoor: zonden en vervloeking,
die we bij onszelf moeten overdenken.
Om ons wakker te schudden
en aan te geven dat we er niet te licht over mogen denken,
moeten beseffen, hoe ernstig te zonde is.
We mogen daar niet voor weg lopen.
Maar er is ook een andere kant: Christus die laat zien, dat Hij het leven is.
Als in de Vroege Kerk er een afbeelding van het kruis was,
dan werd het kruis afgebeeld als een boom,
een boom die altijd groen blijft en vrucht geeft.
Een manier om te laten zien hoe Christus aan het kruis ons leven geeft.
Brood is voedsel – zonder voedsel kun je niet leven.
Honger naar God, Christus.
Wijn is drinken – zonder drinken overleef je het niet.
Dorst naar Christus – Psalm 42: zo verlangt mijn ziel naar U.
U alleen kunt mijn hart vervullen.
Leven – verkrijgbaar, te vinden. Bij Christus, die uit de hemel kwam om dat leven te brengen
en ons te geven.
Omdat wij het leven buiten onszelf zoeken in Jezus Christus.
We hebben het zelf niet – Christus heeft het. En Hij wil het geven.
Alleen dan kunnen we zeggen, dat het goed zit.
Komende week moeten we er weer over nadenken, hoe het met ons zit.
Hebben wij dat leven? Hebben wij dat al aangenomen?
Leven we daar echt uit? Of zijn we het inmiddels kwijt?
Wel met een doel: om bij Christus uit te komen.
Er is van alles dat ons volgende week kan weghouden, uit de kerk, bij de tafel.
Het formulier noemt dat ook – en zegt erbij, dat je daar nooit los van komt.:
de strijd met de zwakheid van ons geloof, begeerten die ons naar de ondergang brengen.
Je hele leven blijf je daarmee te maken hebben
en als dat je criteria zijn, om te bepalen of je naar voren mag komen en mag aangaan,
dan kom je er nooit, want er is nooit een moment dat je geloof perfect is,
dat je zonder zonde bent, op geen enkele verleiding ingaat.
Maar je komt ook niet, omdat je het zelf zo goed doet,
maar je komt, omdat Christus daar is.
Omdat Hij zichzelf geeft. Omdat je niet zonder Hem kunt,
Want je weet: Zonder Hem ben ik verloren.
En ik hoef niet verloren te gaan, want Hij geeft mij het leven  – eeuwig leven.
Hoezeer mijn zwakke geloof mij aanklaagt, en de duivel mij influistert: daar hoor je niet.
Christus roept en spreekt mij aan: Luister, kom!
Wie zijn wij om als Christus roept dat te negeren. Daaraan voorbij te gaan?
Amen

Preek nieuwjaarsmorgen 2019

Preek nieuwjaarsmorgen 2019
Hebreeën 12:1-2

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Aan het begin van het nieuwe jaar kijken we vooruit,
benieuwd wat het nieuwe jaar ons brengt.
Misschien wordt dit jaar wel een bijzonder jaar voor je,
omdat je dit jaar verkering krijgt, een vaste baan, gaat trouwen, een kind verwacht.
Dat zijn momenten om naar uit te kijken.
Je kunt ook opzien tegen het nieuwe jaar, gespannen,
omdat je niet goed weet wat het jaar gaat brengen.
En nu je hier in de kerk bent, is er een gebed in je hart:
‘Heere, zegen mij en allen die bij horen.
Geef ons een goed jaar, waarin we het goed hebben met elkaar
een jaar waarin we dicht bij U mogen leven en mogen groeien in geloof.

We beginnen het nieuwe jaar op deze eerste dag met de aansporing uit Hebreeën:
Houd je oog op Christus gericht!
Dat is toch de beste manier om dit nieuwe jaar te beginnen.
Door op te zien naar de hemel, waar Christus is,
onze Heer die op aarde geweest is en nu in de hemel is,
Waar Hij aan Gods rechterhand zit en samen met Zijn Vader regeert
over ons leven en over deze wereld.
Richt je gedachten op onze Heer, die in de hemel is
en stel je hart open voor Hem, zodat Hij in je hart kan wonen!

 

Die aansporing om de aandacht op Jezus in de hemel te houden
klinkt niet zomaar in de Hebreeënbrief.
De aansporing om Jezus in het oog te houden is gericht aan gelovigen
die allerlei zorgen hebben, waardoor ze vergeten aan Jezus te denken.
De gelovige wordt hier voorgesteld als iemand die mee doet aan een hardloopwedstrijd,
waarbij het niet er niet om gaat wie als eerste over de finish komt
Je kunt het meer vergelijken met een sponsorloop,
zoals die over enkele weken in onze gemeente gehouden wordt tbv de winteractie.
Het gaat om het volhouden.
De wedstrijd vraagt om uithoudingsvermogen,
waarbij je, als je voelt dat je moe wordt, niet opgeeft, maar verder gaat.
Het geloof in Christus is niet iets dat je zomaar doet,
het kost inspanning en kracht en vooral: je moet niet zomaar opgeven als het niet lukt,
maar je moet jezelf aansporen en volhouden, verdergaan.

De wedstrijd van het geloof loop je niet in je eentje.
Er zijn mensen gekomen die je willen aanmoedigen.
Het zijn Abel en Noach en Abraham, Sara, Mozes en Rachab
en al die anderen die eerder geleefd hebben.
Op de tribune kunnen ook familieleden van je zitten, een vader of moeder, opa of oma,
een broer of zus, die de wedstrijd ook gelopen hebben en de eindstreep hebben gehaald
en mogen uitrusten van de wedstrijd die ze hebben afgelegd.
Ze kijken in de hemel niet werkloos toe, met hun rug naar de aarde gekeerd.
Nee, ze zitten op de tribune om je aan te moedigen om vol te houden.
Zo zijn we verbonden met degenen die al overleden zijn en ook in Christus hebben geloofd.
Misschien zie je wel allerlei bekenden daar op de tribune zitten.
Als er supporters zijn, dan voel je je tijdens een wedstrijd meer gestimuleerd.
Je ervaart de steun, juist als het geloven niet iets dat je zo maar even fluitend doet,
is er de support van al diegenen die zelf deze wedstrijd ook hebben gelopen.

Als je deze wedstrijd loopt, heb je niets aan allerlei ballast.
Hardlopers nemen geen complete rugzak aan bagage voor onderweg mee,
maar trekken alleen het hoognodige aan kleren aan.
En wielrenners zorgen er dat hun fiets zo licht mogelijk is
om onderweg geen last te hebben van het gewicht
en zwemmers maken hun zwemuitrusting zo,
dat ze zo min mogelijk last hebben van de weerstand van het water.
Zo moeten we als gelovige zo min mogelijk extra bagage meenemen.
Het is niet helemaal duidelijk wat er mee bedoeld wordt.
Je kunt allerlei zorgen met je meedragen, die als een zware rugzak op je rug hangt
en je weet: ik moet die zorgen eigenlijk in Gods handen leggen
en ook aan het begin van het nieuwe jaar moet ik erop vertrouwen
dat het beter is om ze in Gods handen te leggen dan er zelf mee te zeulen,
maar je geeft ze niet zo makkelijk af
en als je ze afgeeft, dan blijven ze rondspoken in je hoofd en in je hart.
Doe dat niet en geef aan het begin van het nieuwe jaar je zorgen uit handen
in handen waar ze horen: Gods handen en richt je aandacht op Christus!

Bij een wedstrijd heb je ook tegenstanders, die je zoveel mogelijk uit je ritme houden,
om te voorkomen dat je de eindstreep haalt,
die je onderweg willen laten struikelen, die willen zorgen dat je uit de bocht vliegt,
zodat je moet stoppen en niet aankomt bij de finish.
Hier wordt gesproken over zonde, waardoor je als gelovige onderweg struikelt,
die je belemmeren om voluit te rennen in de kracht van Christus.
Het is altijd goed om tegen de zonde te strijden,
maar hier wordt een extra reden gegeven:
het zijn obstakels, waardoor je niet vrijuit kunt gaan.
Het wordt hier niet concreet uit de doeken gedaan om welke zonden het zou kunnen gaan.
Ik denk dat iedereen voor zichzelf wel weet, welke zonde voor jou een belemmering is,
die jou wil doen laten struikelen.
Voor de één is dat je graag roddelt.
Voor een ander dat je allereerst aan jezelf denkt en je niet met anderen bezig houdt.
Of je bent gevoelig voor luxe en ga je grenzen over om die luxe te bereiken.
Het kunnen seksuele verleidingen zijn.
De aandacht richten op Jezus is bedoeld, dat je daarmee niet gericht bent op de zonde
die probeert om je hart een plek te veroveren om daar voor altijd te zijn.
Kijken naar Jezus is bedoeld als een manier om sterk te staan in de strijd tegen je zwakten.

Hoe kun je Jezus dan zien?
In de preek van Tweede Kerstdag heb ik aangegeven
dat het voor de gelovigen van die tijd niet zo eenvoudig was om Jezus voor zich te zien.
Hoe kunnen ze dan naar Jezus kijken?
Ook dat past in het beeld van de wedstrijd, die we als gelovigen lopen.
Bij een wedstrijd kon er een eregast zijn,
die was uitgenodigd om de wedstrijd meer gewicht te geven.
Die eregast reikte dan ook de prijs uit, waardoor je als winnaar nog meer eer ontving.
Hier is Christus de eregast.
Dat betekent in ieder geval, dat Hij ook aanwezig is tijdens de wedstrijd van het geloof.
De hindernissen en hobbels die je als gelovige kunt hebben,
kunnen je soms het idee geven dat je maar in je eentje loopt,
zonder dat iemand weet heeft van de strubbelingen die je doormaakt.
Maar met het beeld van Christus als eregast wordt juist aangegeven dat Hij er bij is,
dat Hij niet afzijdig staat, maar je ziet en aanmoedigt
en aan de finish wacht om je de prijs te overhandigen, die Hij je alleen kan geven.
Je aandacht richten op Jezus is dus mogelijk, omdat Hij erbij is,
je ziet en je aanmoedigt.
Als je je aandacht richt op Jezus, dan ontvang je de kracht die Hij je wil geven,
om vol te houden, om verder te gaan.

Het is Jezus, die aangekomen is in de hemelse heerlijkheid
en zijn werk op aarde heeft verricht en is aangekomen bij Zijn Vader.
Dat Hij in de hemel is, betekent niet dat Hij ons heeft achtergelaten.
Vanuit de hemel moedigt Hij ons aan en stimuleert ons: Hou vol, ga in Mijn kracht!
Je aandacht richten op Jezus die in de hemel is, dat is net als bij het avondmaal:
Je gaat in gedachten, je gaat in je hart in de hemel en je komt bij Christus.
Maar je mag daarbij ook denken aan de weg die Jezus zelf heeft afgelegd.
Hij kwam naar de aarde en legde de hemelse heerlijkheid af,
Hij werd mens, net als wij.

Er is een reden waarom we het steeds over Jezus hebben
en waarom we onze aandacht op Hem moeten richten.
Jezus is namelijk degene die vooropgaat, de aanvoerder.
Jezus wordt hier vergeleken met een veldheer,
die op een paard zit en boven iedereen uitsteekt en bovendien als eerste de strijd aangaat.
Zijn moed, zijn kracht om te strijden geeft ons weer moet we gaan achter Hem aan.
Zoals een vermoeide soldaat zijn aanvoerder zit en zich weer krachtig voelt,
omdat zijn heer voorop gaat in de strijd en daardoor zich bij elkaar raapt en gaat.
Een aanvoerder is iemand die in onrustige tijden
als niemand weet wat er gedaan moet worden
het voortouw neemt en duidelijk de koers uitzet
en iedereen mee weet te krijgen de nieuw tijd in.
Een aanvoerder is iemand, die als eerste durft, die als eerste de strijd waagt.
Zo kijken we aan het begin van het nieuwe jaar naar Jezus,
Die vooropgaat, waardoor we kunnen volgen, die ons kracht en moed geeft.
Op Hem is ons geloof gebaseerd.
Hij is het fundament waarop ons levenshuis gebaseerd is.
Wat er ook aan mooi weer, of wat er ook aan stormen komt in het komende jaar,
als ons huis op dit fundament is gebouwd, staat het stevig.

Over Jezus wordt meer gezegd dan dat Hij voorop gaat.
Hij is ook degene die ons geloof voltooit, af maakt, wat onvolmaakt is, volmaakt maakt.
En dat is maar goed ook, want als geloof betekent dat er veel van ons gevraagd wordt,
Dat we ons volledig moeten inzetten, kunnen er momenten zijn,
Waarop het niet lukt, waarop we stagneren of zelfs struikelen of uit de bocht vliegen.
Er kunnen momenten zijn, waarop je denkt: mijn geloof valt helemaal in stukken
en ik ben niet meer in staat om het te maken.
Dat zal je in het komende jaar ook kunnen overkomen.
Ook daarom moeten we naar Jezus kijken: die heel kan maken,
die kan voltooien wat wij niet kunnen voltooien.

Als je je aandacht op Christus richt, kun je ook terugdenken
aan de weg die Hij heeft afgelegd, een bijzondere weg.
Hij kwam uit de hemel en daalde op aarde neer, zonder de hemelse heerlijkheid.
Het was geen makkelijke weg, die Hij hier op aarde had.
In een van de formulieren die we lezen, staat dat Hij vanaf het begin van Zijn menswording
de straf van God voor ons heeft gedragen.
Vanaf het begin dat Hij mens werd, toen Hij in de kribbe lag en de herders kwamen
en de wijzen uit het oosten kwamen omdat ze geroepen werden door een ster.
Alle fouten die wij dit komende jaar zullen maken,
heel het oordeel van God dat over 2019 zal liggen, heeft Hij toen al gedragen.
En dat heeft Hem heel veel gekost: het was een weg van spot, van schande,
waarin Hij zichzelf vernederde.
Dat mag ons troost en houvast geven aan het begin van het nieuwe jaar:
dat de misstappen die we maken, de zonden die we begaan,
al weggedragen zijn, omdat Jezus ze meegenomen heeft aan het kruis.
Dat is niet om ons gemakzuchtig te maken.
Integendeel, als je kijkt naar Jezus aan het kruis,
dan kun je daar toch niet gemakkelijk over denken,
dan kun je toch niet verder gaan met achteloos leven, met God negeren,
met je volop aan de zonde overgeven als je weet, dat dat toen allemaal gedragen is.
Christus had dat voor ons over,
want Hij keek vanaf het kruis naar de hemel, niet voor zichzelf alleen,
maar ook voor ons.
Want Hij wist, toen die weg ging, zal er later voor u, voor jou een plek in de hemel zijn,
gereinigd door Zijn bloed. Daardoor hield Hij stand.
Zoals Hij naar ons keek en voor ons ging,
zo kijken wij aan het begin van het nieuwe jaar naar Christus,
naar hoe Hij aan het kruis ging en volhield en niet opgaf, omdat Hij dacht aan ons.
Zo kijken we naar Hem, die nu al in de hemel is, om plaats te bereiden.
We weten niet wanneer we daar zullen aankomen,
of wanneer Hij terugkomt om ons te halen.
We weten niet of dat in het komende jaar al gebeurt, of dat er nog jaren zullen volgen.
Bij alles wat ons bezig houdt, weten we dat we gesterkt worden,
omdat er Iemand is die we in het oog kunnen houden: Jezus Christus, onze Heer.
Toen aan het kruis en nu in de hemel.

Laten wij met volharding  e wedloop lopen die voor ons ligt,
terwijl wij het oog gericht houden op Jezus, de Leidsman en Voleinder van het geloof.
Amen


 

Preek Hemelvaartsdag 2017

Preek Hemelvaartsdag 2017
Kolossenzen 1:12-23

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn eerste maanden als predikant, nu zo’n 10 jaar geleden,
kreeg ik een mentor toegewezen.
Deze mentor moest mij ni de eerste maanden als beginnend predikant wat op weg helpen.
Tijdens de ontmoetingen deelden we wat we meemaakten.
Een voorval, die hij tegen mij vertelde, ben ik nooit vergeten
En ik heb er geregeld wat aan gehad, wat die oudere collega mij vertelde.
Hij was in het ziekenhuis bij het bed van iemand die in coma lag.
De dienstdoende zuster zei tegen hem:
‘U hoeft niet meer met haar te bidden, want ze hoort het toch niet.’
Waarop hij antwoordde: ‘Maar Hij hoort het wel.’ En hij wees naar boven.

Dit voorval dat hij mij toen vertelde, kwam weer bij mij boven,
toen ik erover nadacht wat de hemelvaart van onze Heere Jezus Christus voor ons betekent.
Dat voorval, bedacht ik, dat laat iets zien van de hemelvaart.
Dat je als gelovige, waar je je ook bevindt, dat je dan niet alleen bent,
maar dat Christus er ook is.
Hij is niet zichtbaar, maar Hij is er wel.
Hij is niet alleen bij je, naast je, maar je bent zelf als gelovige in de werkelijkheid van Christus
en die werkelijkheid is altijd meer dan je ziet.
Wat je ziet, is dat er iemand in bed ligt, aan de beademing is aangesloten, de ogen dicht,
Iemand die niet meer lijkt te reageren als ze wordt aangesproken,
niet meer reageert op een aanraking, ze leeft nog wel maar onbereikbaar.
Ik heb best wat keren zo aan een ziekenhuisbed gestaan
en dan steeds gedacht: ‘Maar Hij hoort het wel!’
Altijd dankbaar voor dat kleine voorval dat door mijn collega werd doorverteld.
Dat is voor mij hemelvaart:
Dat we als gelovige hier op aarde al in de werkelijkheid van Christus zijn,
een werkelijkheid die meer is dan we met onze ogen kunnen zien,
een werkelijkheid waarin Christus regeert, Heer en meester is over heel onze aarde,
over heel het universum
en vanuit de hemel Zijn macht op aarde laat merken, als teken van Zijn betrokkenheid
op onze wereld, die Zijn schepping is.

Hemelvaart, dat is: er wordt geregeerd – vanuit de hemel.
Onze aarde dobbert niet stuurloos rond in een eindeloos leeg heelal,
maar vanaf de allereerste scheppingsdag is er boven de aarde een hemel.
Ik heb mij afgevraagd, waarom er in het allereerste vers van de Bijbel staat:
In het begin schiep God de hemel en de aarde
en mijn vraag daarbij, was waarom God als eerste de hemel schiep en dan pas de aarde.
Voor mijzelf ontdekte ik het antwoord:
Nooit is er een minuut waarop de aarde zonder de hemel erboven geweest is
En dan de hemel, waarin de troost stuurt,
de hemel van waaruit God de aarde en heel het ontzaglijke universum overziet en bestuurt.
Boven het paradijs was er de hemel en God daalde geregeld af
om in het paradijs onder de mensen te zijn, Hij zocht hen op.
Ook bij en na de zondeval was er een hemel boven de aarde:
God keerde zich niet van de aarde af, ook niet toen de mensen op aarde
zich van God hadden losgemaakt.
Ook in de tijd van voor de zondvloed, toen de slechtheid op aarde de overhand kreeg,
Ook tijdens de zondvloed was er boven de aarde een hemel, waarin God was
En die zicht hield op de aarde en toch – ook in het oordeel –
de aarde niet aan haar lot overliet, omdat deze aarde door Hem geschapen is,
met liefde en zorg uit Zijn hand voortkwam
en God het niet over Zijn hart kon verkrijgen om de aarde te verwoesten of weg te doen.
Dat God schepper is, betekent niet alleen dat Hij de aarde een begin gegeven heeft,
maar vanaf de allereerste dag, tot aan de laatste dag van deze geschiedenis
zich verantwoordelijk weet voor het lot van de aarde.
Vanaf de allereerste dag, zolang de aarde bestaat, zal er een hemel zijn
van waaruit wordt geregeerd over deze aarde.
En de aarde zal er altijd zijn,
alleen vanaf de wederkomst en het laatste oordeel wel een vernieuwde aarde
en toch diezelfde aarde, die door God nooit is of zal worden afgeschreven.

Er wordt geregeerd, er is een hemel boven de aarde, waarin de troon van God staat,
Dat is wat we met hemelvaart vieren.
En we vieren dat, omdat niet alleen met ons hoofd te weten,
maar dat we elke dag leven met die werkelijkheid dat Christus regeert
en elke dag leven in die werkelijkheid van Christus, als een wereld om in te leven.
Want als we dat niet vieren, dan kunnen we heel snel gaan kijken naar onze wereld
als een wereld zonder God, waarin niet wordt geregeerd.
Kolossenzen 1 geeft een antwoord wie er in de hemel regeert: Christus.
Om de gelovigen bij de zorgen die er zijn in de gemeente omhoog te wijzen.
De gelovigen die zich helemaal niet sterk voelen staan.
Weet je wel, dat de Heer die je bent gaan dienen, alle macht heeft in hemel en op aarde.
Misschien is het al even dat je dat ervaren hebt
en zie je er op dit moment helemaal niets van,
Er is meer dan je op dit moment ziet en meer dan je nu kunt ervaren,
want een deel is nog toekomstmuziek:
We hebben een erfenis in de hemel.
Waar Jezus nu naar toe gegaan is, terug naar de hemel,
daar zullen we als gelovigen ook mogen komen.
Dat ligt al klaar, dat staat te wachten: de erfenis (vers 12).
Daar in de hemel zijn er al heel wat, die eerst op aarde hebben geleefd,
die gestorven zijn met Christus en nu al bij Hem mogen zijn.
Daar mag je ook komen, omdat God alle belemmeringen heeft weggenomen,
De breuk die er was geheeld en wat er nog aan ontbrak aangevuld.
God heeft ons bekwaam gemaakt, schrijft Paulus en hij bedoelt daarmee,
dat het zondige van ons afgewassen is, het verkeerde weggenomen is
en dat we door Christus, die nu in de hemel is, heilig gemaakt zijn,
We zijn geschikt gemaakt, we zijn veranderd, door Christus om in de hemel te komen.
Hemel-waardig gemaakt.
Dat was wel een hele overgang: van de duisternis naar het licht,
van de afgrond naar de heerlijkheid, van de zonde en de duivel naar God en Christus,
van onheilig en onwaardig naar heilig gemaakt, de waardigheid ontvangen.
Overgebracht naar de werkelijkheid van Christus – dat geldt nu al.
Nu al verbonden met Christus die in de hemel is, die regeert.
De wereld is niet stuurloos,
het is niet zoals met een kabinetsformatie, dat God moet onderhandelen met andere machten,
of dat Hij wegloopt, omdat Zijn punten niet binnengehaald kunnen worden.
Het is niet zo dat God de brui eraan gegeven heeft, omdat Hij niets voor elkaar krijgt,
integendeel, als er Eén is, die macht heeft, alle macht, dan is dat God.
Zelfs aan het ziekbed, waarin iemand die in coma ligt niet meer voor ons bereikbaar is,
zelfs in een tijd van oorlog, waarin er geen vrede lijkt te komen.
zelfs in een tijd waarin iedereen bang is dat het einde van de wereld komt.
Zelfs als de kerk achteruit gaat: er wordt geregeerd in de hemel.

Dat is niet altijd gemakkelijk om te geloven.
Afgelopen dinsdag gaf ik een lezing voor studenten over de toekomst van de kerk.
In de discussie over die lezing vroeg één van de studenten:
Wat als de kerk zo klein geworden is, dat het evangelie niet meer doorgegeven kan worden,
Wat komt er van de kerk terecht?
Misschien is dat ook wel een vraag die de jongeren vandaag ook wel bezighoudt:
Als wij ouder geworden zijn, zal er nog een kerk zijn, een gemeenschap
van mensen, die geloven dat Christus regeert
of zal het helemaal voorbij zijn, het geloof gedoofd en zal het toch niet waar blijken te zijn
dat er in de hemel wordt geregeerd.
En is onze geschiedenis niet vol momenten, waardoor je kunt gaan twijfelen
of er wel wordt geregeerd in de hemel.
In Amsterdam werd Jan Wolkers gevraagd om een monument te maken
ter gedachtenis aan de Shoa, de moord op de meer dan honderdduizend Nederlandse Joden.
Hij maakte een monument met gebroken spiegels die op de grond liggen.
Hij gaf aan: Je vraagt je af of er wel een hemel was boven Auschwitz,
in ieder geval kun je niet meer ongebroken naar de hemel kijken.
Het lijkt er vaak op dat heel wat andere machten heersen:
in het groot oorlog, geweld en onrecht, moord,
in het klein, jaloezie, ruzie, ziekte om verschillende te noemen.

Nee, zegt Paulus, al die machten moeten het afleggen tegen Christus,
Hij heeft God zichtbaar gemaakt en door te komen naar de aarde
en door te sterven aan het kruis nog eens laten weten,
dat Hij sterker is dan die machten, door ze te verslaan
en door Zijn heerschappij op aarde weer te vestigen:
Christus maakt zichtbaar dat er een God is, dat onze God heerst.
Al die machten die er zijn, die zijn door God geschapen,
al zijn er ook machten, die van God zijn afgevallen, die zich hebben afgekeerd,
die gericht zijn op het stuk maken van de schepping, van Gods wereld.
Maar uiteindelijk is geen van de machten tegen Christus, tegen God opgewassen,
want Christus heeft al overwonnen,
kijk maar naar het kruis, kijk maar hoe Hij kwam uit het graf.
Nu Hij in de hemel is weten we het zeker: het komt weer goed.

Want met Christus laat God ook zien, wat Hij met deze wereld wil:
eerstgeborene van heel de Schepping.
Zoals Christus is, zo had God ons bedoeld en zo zal Hij ons weer maken.
Hij heeft alles gemaakt, Hij heeft getriomfeerd en Hij zal de kerk en u als gelovigen
bewaren tot de dag van Zijn wederkomst en dan mag u, mag jij bij Hem zijn.
we hebben een Heer in de hemel, die ons in Zijn werkelijkheid heeft overgezet
en ons daar voor altijd bewaart, wat er ook op aarde met ons en met de wereld gebeurt.
Als Paulus schrijft over Christus en over Zijn macht,
dan wordt Hij lyrisch, vol van al het bijzondere van Christus,
in de hoop dat de gemeenteleden in Kolosse en wij er in mee gaan,
dat het niet alleen theoretische kennis is over Christus,
maar dat we hoop hebben en vertrouwen en ons aan Christus kunnen overgeven
omdat we weten: uiteindelijk komt het goed.
Wat er met mij ook gebeurt: ik ben bij Hem geborgen, in de hemel, veilig.
Onze taak, onze roeping is om dat nooit te vergeten en zo te leven,
in dat vertrouwen op God.

Het is geen gemakkelijk gedeelte, ook omdat Paulus woorden en beelden gebruikt,
die de gemeente van Kolosse helpen om weer moed te hebben, hoop vestigen op Christus
met Hem en uit Hem leven.
Ik kwam een mooi verhaal tegen van Barend Kamphuis,
tot voor kort hoogleraar in Kampen, de universiteit van de vrijgemaakte kerken.
Hij is niet alleen theoloog maar ook vogelaar.
Hij mocht onlangs mee naar wat hij noemde het raarste en smerigste eiland van Nederland.
IJsseloog. Ik had er niet van gehoord,
Maar IJsseloog is een kunstmatig eiland net voor Kampen
waar de IJssel in het Ketelmeer komt, gevormd door een dijk in een cirkel,
bedoeld om in die cirkel giftig slib dat onder andere via de IJssel komt wordt gedumpt.
Een slibdepot, een vuilstortplaats voor de giftigste grond van Nederland.
Bedoeld om zorgvuldig opgeborgen en afgeschermd te worden.
Het bijzondere is dat om die smerige put een prachtig natuurgebied is ontstaan.
Deze Kamphuis schrijft erover, omdat hij er pas naar toe mocht.
Hij zag daar nachtegalen, zwartkopjes, karekieten, grasmussen en andere zangvogels.
Af en toe zelfs een ijsvogeltje, krooneenden.
Bij het bezoek moest hij denken aan deze tekst, omdat hij – zo schrijft hij –
naast vogelaar ook theoloog blijft.
Beeld van de onzichtbare God, alles is door Hem geschapen
De schepping vertoont het gelaat van Jezus Christus.
Alle machten zijn aan Hem onderworpen.
Ook de macht van zware metalen en dodelijk gif.
Daarom zingen nachtegalen boven smerig slib.
Ze bezingen het Leven, Jezus Christus, ze bezingen Hem die sterker is dan de dood.

Het paradijs wordt echter toch nog steeds bedreigd door de dood.
Dit keer niet in de gedaante van de slang, maar van de vos.
Toen het een aantal jaren geleden eindelijk weer een beetje winter was,
vroor ook het Ketelmeer dicht.
Voetje voor voetje slopen vossen over het dunne ijs, naar dat interessante eiland.
Sinds hun komst is het afgelopen met de meeuwenkolonies.
Er broeden ook geen ganzen meer op IJsseloog.
En de weidevogels, toch al zo bedreigd, zijn ook hier uitgeroeid.
Midden in het leven blijken we toch weer omringd door de dood.

Ook IJsseloog is daarom een roep om vrede en verzoening door het bloed van Christus.
Weer Kolossenzen 1: “In Hem (Christus) heeft heel de volheid willen wonen en door Hem en voor Hem alles met zich willen verzoenen, alles op aarde en alles in de hemel, door vrede te brengen met zijn bloed aan het kruis”.

Verzoening gaat niet alleen over de relatie van God en mens.
Het gaat om alles in de hemel en alles op aarde.
Door het kruis van Christus slaapt straks niet alleen de wolf bij het lam,
maar ook de vos bij de grutto. Niets en niemand sticht dan nog onheil.
Pas dan is het smerigste eiland van Nederland werkelijk een paradijs.
(theologenblog RD)

Er wordt geregeerd, in de hemel door deze Heer, die hemel blijft altijd boven de aarde,
Hoeveel gebroken spiegels er ook zijn en hoeveel vragen er rijzen,
ze nemen de werkelijkheid van Christus niet weg.
Eens komt de dag, dat deze Heer terugkomt

Kroon Hem, de Vredevorst, wiens macht eens heersen zal,
van pool tot pool,van zee tot zee, ’t klink’ over berg en dal.
Als alles voor Hem buigt en vrede heerst alom,
wordt d’aarde weer een paradijs. Kom, Here Jezus, kom.

Dat is toekomstmuziek en toch … Zijn macht heerst al. Hij regeert nu al.}
Wij mogen die vreude nu al hebben en zingen van Zijn grootheid, Zijn macht,
om het weer te weten, het weer te geloven,
ons geloof dat soms moedeloos is weer te versterken,
om mee te zingen met het koor van de engelen, met al degenen die nu al voor Zijn troon zijn
en die uitzien tot wij daar ook zullen zijn.
In het loflied zijn we, ondanks dat zij in de hemel zijn en wij op aarde, verbonden
En we weten dat we eens verenigd zullen zijn, als Hij terugkomt.

Looft des Heeren grote macht,
In den hemel Zijner kracht;
Looft Hem, om Zijn mogendheden,
Looft Hem, naar zo menig blijk
Van Zijn heerlijk koninkrijk,
Voor Zijn troon en hier beneden.
Amen


Iets over ‘Christus in zijn lijden’ van Klaas Schilder

Iets over ‘Christus in zijn lijden’ van Klaas Schilder

In deze Lijdenstijd heb ik een het laatste deel van Christus in zijn lijden van Klaas Schilder gelezen. Een van de vragen die tijdens het lezen bij mij bovenkwam, was waarom dit werk niet meer zo bekend is. Dat kan aan de schrijfstijl liggen: een expressionistische schrijfstijl met een geladen toon.

Dat gaat niet helemaal op,  want vergelijkbare werken van Miskotte en Noordmans zijn ook niet eenvoudig te lezen. Ook Miskotte heeft een barokke schrijfstijl, waarbij zinnen geregeld herlezen moeten worden om de pointe te begrijpen. Noordmans heeft juist een heel sobere, eerder stugge schrijfstijl. Hij schrijft echter vaak zo cryptisch dat zinnen ontcijferd moeten worden.

Imago
Zou het er aan kunnen liggen dat Miskotte en Noordmans een beter imago hebben? De meditaties van Noordmans hebben het imago van diepzinnigheid. Miskotte heeft de naam dat hij goed aanvoelde wat er in de cultuur speelde en dat verwerkte in zijn theologiseren. Schilder heeft het imago overdadig te schrijven, een moeilijk mens te zijn, die volop polemiseerde en daarin doordraafde en brokken maakte. Nu gaat het mij er niet om het imago van Noordmans of Miskotte aan te tasten. Hun betekenis voor de theologiegeschiedenis en hun betekenis voor vandaag zijn onmiskenbaar. Voor mij doet Schilder niet onder. Als het gaat om aanvoelen wat er in de cultuur gaande was, deed hij niet voor Miskotte onder. Er wordt over Schilder gezegd dat hij de eerste theoloog is die de secularisatie theologisch verwerkte. Ook wat diepzinnigheid doet hij niet voor Noordmans onder.


Stroming
Naar mijn idee wordt de theologiegeschiedenis van de eerste helft van de twintigste eeuw teveel in stromingen geduid. Alsof het neocalvinisme een aparte stroming is naast de ethische (en later: Barthiaanse) theologie. Het hanteren van stromingen heeft slechts relatieve betekenis: de wisselwerking tussen de verschillende theologen is zo intens en de grenzen lopen per theoloog weer anders. De Nederlandse theologiegeschiedenis kan niet bestudeerd worden zonder oog te hebben voor de onderlinge verwevenheid. Wie Van Ruler wil begrijpen, dient niet alleen Th.L. Haitjema en Barth te bestuderen, maar ook Kuyper en Schilder intensief te bestuderen. Wie Miskotte wil begrijpen, doet er ook goed aan om Schilder te lezen om te zien hoe een theoloog met wie veel raakvlakken zijn, op dezelfde ontwikkelingen in de cultuur reageert. Omgekeerd geldt ook dat Schilder tekort gedaan wordt als hij niet gelezen wordt in de context van Haitjema, Miskotte, Noordmans en Van Ruler. En dan noem ik alleen de namen, die nu nog enigszins herinnerd worden en gelezen worden. Hepp, Geelkerken, De Hartog, Eekhof en nog vele anderen horen hier ook bij om een goed beeld te krijgen.


Skandalon
Elke theoloog moet in zijn eigen tijd gelezen worden. Dat geldt zeker voor Schilder en zijn trilogie over
Christus in zijn lijden. Deze trilogie over de gang van Jezus naar Golgotha is een groots werk, waarin Schilder discussieert en polemiseert met verschillende fronten. De trilogie is existentieel. De verhalen gaan niet buiten hem om. Voortdurend ziet hij zichzelf voor Christus geplaatst. Christus: of je gelooft in Hem óf je ergert je aan hem. Schilder neemt het skandalon van het kruis op een existentiële wijze serieus.

Schrijfstijl
Aan zijn schrijfstijl is te zien dat Schilder zichzelf als theoloog van de moderniteit ziet. Geladen, expressionistische beelden en zinnen komen ook in de literatuur van die tijd voor. Schilder verwerkt dichters en polemiseert tussen de regels door met dichters en schrijft soms ook bewust in poëtische stijl en vorm. Schilder is in zijn werk getriggerd door hoe Christus in de kunst en de cultuur wordt afgebeeld: de bleke Christus van de dichter Albert Verweij en de schilder Jan Toorop. De bleke Christus roept vooral medelijden op en laat het lijden van de wereld zien. Voor Schilder is dat medelijden een verkeerde psychologische reactie, omdat dit medelijden teveel op het lijden als zodanig geconcentreerd is en niet wil zien dat het lijden een doel heeft: namelijk het wegdragen van het oordeel van God.

Apocalyptisch
Schilder deelt de apocalyptische stemming, die na de Eerste Wereldoorlog in cultuur, filosofie, literatuur en theologie heerst. Het oordeel zal als een catastrofe komen. Die catastrofe wordt nog getemperd door God zelf: de schok wordt uitgesteld. In zijn weg naar het kruis en aan het kruis ondergaat Christus wel die catastrofe en draagt daarmee het oordeel weg. De reactie hoort niet medelijden te zijn, maar huiver en ontzetting. Geregeld spreekt hij de lezer toe: zwijg, huiver, zie! Tegelijkertijd is huiver niet de enige reactie. De gelovige kan en moet zelfs zingen als hij ziet dat Christus zelf er voor kiest om het oordeel te ondergaan.

Daad
Van groot belang is dat Christus voortdurend zelf kiest om deze weg te gaan. Het is geen lot dat hem overkomt. Voortdurend stelt hij een daad, weliswaar een daad van gehoorzaamheid, maar wel een daad. Christus in zijn lijden is aan de ene kant Christus die aan heel wat lijden onderworpen wordt: door de Joden en de Romeinen, door de satan en Godzelf. Uiteindelijk is het Christus zelf die steeds de keuze maakt om dit lijden te accepteren, te ondergaan en er niet voor weg te lopen.

Bevindelijkheid
Het front van Schilder ligt niet alleen buiten de kerk en buiten de theologie. Fel verzet hij zich ook tegen een bepaalde vorm van bevindelijkheid. Het is een bevindelijkheid die het lijden verpsychologiseert en voortdurend in de exegese in de weer is met wat Christus moet doormaken en met wat wij erbij zouden moeten ervaren. Moeite heeft Schilder hiermee, omdat het tot een sentimentele lezing van de Schrift komt. Het draait dan om onze ervaring en emoties en niet meer om wat er in de Schrift geopenbaard wordt. Het is goedkope en sentimentele psychologie, die door een robuuste Schilder bespot wordt. Het is een sentimentele bevindelijkheid, die op de verkeerde momenten rust kiest en daardoor de verleiding van de satan niet doorziet. De trilogie is een grootse poging om Christus als sacramentum naar voren te schuiven en een grootse kritiek op een leeswijze die in de lijdensverhalen Christus als exemplum ziet.

Loci
In de meditaties klinken allerlei stemmen mee. Zinnen van dichters en filosofen die Schilder ooit las. Dogmatische loci uit de gereformeerde en uit de meer specifiek kuyperiaanse traditie worden op een (soms te) creatieve manier gebruikt: de leer van de drie ambten van Christus, de vernedering en verhoging van Christus, algemene en bijzondere genade (gemene en bijzondere gratie), de christologische leeswijze van het OT. Verrassend vond ik om te merken dat Schilder niet zo veel moet hebben van een archeologische onderbouwing van de Bijbelverhalen. Dat geeft teveel speculatie, teveel legendevorming. Het past voor Schilder ook in de manier waarop God openbaart: Hij wist de sporen uit van Golgotha. Waar het kruis precies gestaan heeft, weten we niet. Het is voldoende dat de Schrift laat zien dat het tussen de Godsstad Jeruzalem en de mestvaalt Gehinnom gestaan heeft.

Christologische mystiek
Indrukwekkend vind ik dat de triologie als één geheel gelezen kan worden, terwijl er volop ruimte is voor het detail van elke tekst. Wanneer er dubbelingen zijn, die Schilder bewust invoert, verwijst hij terug of vooruit. Veel lijnen uit zijn theologie komen hier samen. Christus in zijn lijden is een van de hoofdwerken van Schilder.

In de recente bundel Wie is die man? geeft Ad de Bruijne aan dat Schilder met dit werk een voorbeeld van een gereformeerde mystiek heeft willen geven, die gericht is op Christus. Ondanks de overdaad en scherpheid die soms irriteert en vermoeit, is de trilogie inderdaad een indrukwekkend voorbeeld van een christologische mystiek, die ook nog eens een grote gevoeligheid voor de cultuur laat zien. Schilder voelt scherp aan, soms te scherp. Maar ook in zijn scherpheid dwingt hij tot nadenken en laat hij zien dat een gereformeerde theologie in de moderniteit een kritische theologie is, die in de kritische reactie de cultuur serieus neemt.

Schilder heeft wel een nadeel: je kunt het niet zomaar kopiëren. Toch is dat voor degene die de tijd neemt een voordeel: hij neemt je mee en plaatst je voor Christus, hij daagt je uit om zelf over je eigen verhouding met Christus na te denken.

Preek zondagmorgen 15 januari 2017
Johannes 1:19-34

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Johannes heeft alles in zich om de aandacht naar zich toe te trekken:
dat hij doopt en dat veel mensen op zijn doop afkomen
trekt zoveel aandacht dat er een officiële delegatie vanuit Jeruzalem gestuurd wordt
naar de Jordaan waar Johannes doopt
om erachter te komen wie die man is die doopt
waarom hij dat doet en waar hij het gezag vandaan haalt om te dopen.

Tegen de mannen die vanuit Jeruzalem gestuurd zijn om te achterhalen wie hij is
had Johannes uitgebreid kunnen vertellen over zijn doop
en over de reden waarom hij mensen uit zijn eigen volk doopt,
terwijl zij al bij het verbond van God met Zijn volk horen
en als teken daarvan de besnijdenis hebben ontvangen.
Johannes had deze priesters, die in de tempel de dienst aan God verrichten
kunnen vertellen dat zijn doop een kritiek is  
op het werk van de priesters en levieten is in de tempel.
Die kritiek zouden ze dan kunnen bespreken en wellicht ter harte zouden kunnen nemen.
Johannes heeft de gelegenheid dat zijn stem wordt gehoord in Jeruzalem,
door de priesters en de Levieten en de Farizeeën, dat zijn boodschap besproken wordt.

Maar Johannes wil deze aandacht niet voor zichzelf.
Hij heeft maar één doel: alle aandacht naar Christus.
Als mensen met hem bezig zijn, gaat dat ten koste van de aandacht voor Christus
en dat is niet wat Johannes wil: geen aandacht voor zichzelf.
Johannes is als een gemeentelid die tegen een predikant zegt:
Niet teveel aandacht voor de personen  in de Bijbel,
maar vooral aandacht voor Christus,
want als je je met de personen van de Bijbel bezig bent,
kun je zo maar met hen als mensen bezig zijn
en kun je uit het oog verliezen dat het hen om Christus gaat.
Als je bij personen uit de Bijbel stil staat, zoals Johannes
is om hen tot voorbeeld te maken,
zodat wij aan Johannes kunnen zien hoe wij Christus centraal kunnen stellen.
Als een schijnwerper die in op een donkere avond een gebouw verlicht,
zodat het gebouw toch zichtbaar is – zo wil Johannes zijn,
die Christus in het volle licht wil zetten:
het gaat om Hem – en niet om mij.
Dat is wat Johannes zegt: ik ben Hem niet.
Hij is er al wel, dichterbij dan je denkt, hier in ons midden, onder ons,
Hij heeft zich nog niet bekend gemaakt en dat mag ik gaan doen.
Dit is het getuigenis van Johannes – daar gaat het om,
om de persoon om wie dat getuigenis draait: Jezus Christus.
Hoe spreek je zo over Jezus Christus
dat de mensen niet met jou als spreker bezig zijn, maar met je Heer,
Met Christus zelf en dat ze door je woorden heen Christus zelf mogen zien?
Dat er geloof in Hem gewekt wordt.
Getuigenis – dit is een woord dat in later tijd een bijzondere betekenis krijgt.
Martyria – daar groeit later het woord ‘martelaarschap’ uit,
omdat christenen een hoge prijs moesten betalen voor het getuigenis over Christus.
In de tijd dat Johannes zijn evangelie schreef al: je kon buiten de synagoge worden gezet,
het geloof in Christus kon ervoor zorgen dat je buiten je familie komt te staan
en niemand meer met je te maken wil hebben.
En als de boodschap over Christus over het Romeinse Rijk wordt verspreid
wordt de prijs nog hoger: dan worden gelovigen vanwege hun getuigenis gedood,
ze worden martelaar; omdat ze het getuigenis niet wilden opgeven, werden ze gedood.
Ze hielden vast aan hun Heer.

Onlangs ging ik in een gemeente voor, waarin ook een Pakistaans gezin was.
Ik sprak hen na afloop, omdat ik niet wist of ze christen of moslim waren,
want in het land is nog geen 5% christen
en ik wilde er zeker van zijn dat ik hen niet ten onrechte als christen had bestempeld.
Ze waren inderdaad christen, afkomstig uit een familie van predikanten en pastors.
Ze waren gevlucht, omdat de vrouw een Bijbel had gegeven aan een collega.
Deze collega leek heel oprecht geïnteresseerd in het christelijk geloof,
maar verraadde haar bij de politie en het gezin werd opgepakt en opgesloten en mishandeld.
Ze vluchtten naar Nederland en wachten hier op de mogelijkheid om asiel aan te vragen.

Getuigenis – dat is niet alleen maar met woorden, niet alleen het gesprek aangaan,
maar getuigenis is een manier van leven,
waarmee je voor jezelf en voor anderen wil aangeven:
in mijn leven is Christus het allerbelangrijkste.
Al het andere in mijn leven is daaraan ondergeschikt
en door te getuigen, of dat nu met je woorden is, of met je hoe je bent, hoe je doet,
hoop je dat anderen in je omgeving daar iets van oppikkken,
gaan nadenken over Christus, geprikkeld worden: hier moet ik meer van weten,
nieuwsgierig worden: zou het ook iets voor mij zijn?
Op zoek gaan: dat wil ik ook, dat leven, die Heer in mijn leven,
hebben ze het over Christus? Daar wil ik meer van weten. Kan dat ook voor mij?
Johannes is gelukkig als de mensen die op hem afkomen het over Jezus hebben
en Christus vinden.
Zijn discipelen zet hij ook op het spoor van Christus, zodat ze niet meer bij hem blijven
maar Jezus gaan volgen.
Hij is gelukkig als anderen door zijn woorden en door wat hij doet over Jezus horen
dat ze gaan zien hoe Hij in hun leven aanwezig is,
Hij is al dichterbij dan je denkt, in jullie midden, onder ons.
Waarom zijn jullie zo met mij bezig, ik ben Hem niet. Je hebt de verkeerde!
Je moet Christus hebben en ik ben Hem niet.


Soms kan het zijn dat mensen met je bezig zijn vanwege je geloof,
Dat ze vinden dat je een raar geloof hebt, merkwaardige opvattingen
en soms zelfs dat die opvattingen zo raar en vreemd zijn, dat ze bestreden moeten worden
en uit de wereld geholpen.
Dan kunnen mensen met je bezig zijn: hoe kun je nou geloven?
Jij bent toch niet dom, toch niet onredelijk?
In de vorige gemeente vertelden catechisanten dat ze dat geregeld meemaakten,
dat medestudenten dat vol verbazing tegen hen zeiden: ‘Jij? Ben jij gelovig?’
Dat irriteerde hen, omdat daaruit de suggestie sprak dat geloven iets vreemds is.
Voor Johannes gaat het niet om hem en om de merkwaardige dingen die hij zegt en doet.
Niet om zijn woorden en om zijn dopen, maar om degene die na hem komt
en die er al voor hem was: Christus.

Ook al heeft het dopen van Johannes genoeg in zich om rumoer te veroorzaken,
om voor opschudding te zorgen, dat mensen erover spreken
en zelfs een officiële delegatie erop af komt/.
De doop heeft de betekenis van: terug naar af, opnieuw beginnen,
zoals Christus zelf dat later tegen Nicodemus zegt: als je niet opnieuw geboren wordt,
helemaal opnieuw, vanaf het allereerste begin beginnen, terug naar af.
De doop van Johannes geeft aan: een nieuwe start is nodig, een nieuwe start met God.
Alsof iemand straks bij de uitgang van de kerk staat en tegen u als gemeente zegt:
jullie zijn als baby gedoopt, maar dat moet nog een keer gebeuren,
helemaal opnieuw beginnen.
Geen wonder dat er een delegatie wordt gestuurd, waaruit de nodige verontrusting blijkt.
Wie is die man daar bij de Jordaan?
Waarom doet hij dat en met welk doel?
En waar haalt hij zijn bevoegdheid vandaan?
Heeft hij niet zichzelf aangesteld?
Ik zag ooit een Amerikaanse film waarin iemand zichzelf doopte,
omdat hij tot de overtuiging gekomen was dat hij een missie had die hij alleen moest beginnen.
Dat is het gelijk van deze mannen uit Jeruzalem:
een roeping mag worden getoetst: aan de Schrift.

Het is een officiële delegatie: priesters, Levieten en farizeeën.
Dat zijn niet de minsten. Het is nogal officieel:
priesters die in de tempel dienst doen, dienst aan God.
de verbinding tussen de mensen en God tot stand brengen,
hen meenemen in de liturgie naar Gods troon,
voor hen de offers brengen, die hun dankbaarheid tot uitdrukking brengen,
de offers die ze brengen vanwege hun zonden, om gereinigd te worden
en God weer onder ogen te kunnen komen, tot hem bidden, met Hem leven.
Levieten, die de priesters daarbij helpen, als diakenen of kosters,
die het volk onderwijs geven over Gods Woord, als catecheten, kerkelijk werkers, ouderlingen.
Farizeeën, die vinden dat het dienen van God niet alleen in de woorden zit,
niet alleen in mooie, indrukwekkende erediensten, met een mooi koor, goede zangers,
maar dat het als je buiten de tempel bent, ook in praktijk gebracht moet worden.
Johannes bevindt zich op hun terrein, hij doet wat zij horen te doen.

Je zou verwachten dat zulke mensen hun inlichtingen al klaar hebben.
Dat ze weten dat hij Johannes heet.
Ze zullen het nodige over Johannes gehoord hebben.
Wat ze komen doen is vragen naar zijn identiteit.
In het evangelie van Johannes is dat een belangrijk thema: identiteit.
Allereerst de identiteit van Jezus – is Hij echt de zoon van God
en hier ook naar de identiteit van Johannes.
Johannes, wie ben jij werkelijk? Wat gaat er in jou om? Wie dien je? Wie heeft je aangesteld?
Ben jij soms de Christus?

Ook dat is een kenmerk van het Johannesevangelie: die vragen.
Ben jij soms de Christus?
Nee, zegt Johannes, ik ben Hem niet.
Zijn doop, zijn optreden, zijn woorden, ze roepen wat op.
En de delegatie zet hoog in: zou Johannes soms de beloofde messias zijn?
Nee, die ben ik niet.
In dit antwoord gaat het eigenlijk al om Christus,
het wijst vooruit naar Jezus die wel zal zeggen: IK BEN.
Ik ben … het licht van de wereld, ik ben … de goede herder. Zeven keer “Ik ben”.
Jullie moeten niet met mij bezig zijn,
maar met Hem, die wel kan zeggen: IK BEN het.
Met zijn nee richt Johannes de schijnwerper op Christus.
Bij Hem moet je zijn.
In het evangelie van Johannes krijgt Johannes de Doper, Johannes de Getuige
een bijzondere rol.
Niet de voorloper zoals bij de andere evangeliën,
die het volk gereed moet maken om de messias te kunnen ontvangen,
niet een voorbereider, maar een aankondiger,
iemand die onthult wat er al reeds is.
Jezus die gekomen is, die al op aarde rondloopt en zich elk moment kan laten zien,
zodat ook zij, de priesters en Levieten, de farizeeën Jezus kunnen zien.
Hier koos de Heer zich vaste voet.
Hij heeft zijn stappen al gezet, zonder dat jullie dat opmerkten.
Hij is al aan zijn missie begonnen, zonder dat jullie je daarvan bewust waren.
Jullie zijn dan wel met mij bezig, met mijn doop,
Maar weet je wel dat Hij er al is? Het woord is vlees geworden – en dat woont nu onder ons.

De volgende dag hoeft Johannes niet alleen met woorden over Jezus te spreken
en niet alleen door woorden op Jezus te wijzen,
maar mag Johannes Jezus ook aanwijzen, omdat Jezus naar hem toekomt.
Zie, het lam Gods dat de zonde der wereld wegdraagt.
Ook dat “Zie!” is bij Johannes een belangrijk woord:
dat houdt in: laat het op je inwerken en geloof het.
Je mag het zelf ook zien en ervaren.
Het Lam van God dat de zonde der wereld wegdraagt.
Waarom sta je bij mijn doop stil, als je in Hem iemand hebt gevonden,
die je niet alleen zegt dat je opnieuw moet beginnen, die niet alleen die boodschap heeft,
confronterend en radicaal,
maar die er ook voor zorgt dat je opnieuw kunt beginnen:
het Lam van God dat de zonde der wereld wegdraagt.
Ik doop met water, maar weet je waar Hij mee doopt?
Dat kan ik je niet geven: Hij zal je dopen met de Heilige Geest.

Dit is het getuigenis van Johannes,
dat hij mag aanwijzen wie Jezus is,
dat hij mag onthullen dat Jezus gekomen is, op aarde.
Het gaat niet om Johannes zelf, maar om dat Lam van God, om Christus,
het gaat om ons getuigenis, dat wij het Johannes kunnen nazeggen,
waarbij de woorden in ons resoneren, omdat ze woorden van geloof zijn, onze eigen woorden:
Ik heb gezien en getuigd dat Jezus de zoon van God is.
Hebt u dat ook gezien? Is dat ook uw getuigenis?
amen

Christenen lezen het Oude Testament te veel vanuit een westers perspectief

Christenen lezen het Oude Testament te veel vanuit een westers perspectief

Het Oude Testament (OT) is onder veel christenen minder populair dan het Nieuwe Testament (NT). De Amerikaanse hoogleraar Oude Testament John Goldingay draait de zaak echter om in zijn nieuwste boek: je moet het NT lezen door de bril van het OT.

Hebben christenen het Nieuwe Testament eigenlijk wel nodig? Meestal wordt deze vraag gesteld met betrekking tot het Oude Testament. De gedachte is dat een christen aan het Nieuwe Testament genoeg heeft en het Oude Testament van minder waarde is. Als reactie op de onderwaardering van het Oude Testament draait John Goldingay de vraag om. Goldingay is een evangelicale Bijbelwetenschapper en hoogleraar Oude Testament aan het Fuller Theological Seminary in Pasadena, in de Amerikaanse staat Californië.
In zijn jongste boek Do we need the New Testament? Letting the Old Testament Speak for Itself verdedigt hij de stelling dat het Nieuwe Testament ten opzichte van het Oude Testament nauwelijks iets nieuws bevat. Goldingay spreekt ook liever niet over het Oude Testament, omdat die naam de suggestie doorklinkt dat dit deel van de Bijbel verouderd is. Hij spreek over het Eerste Testament.


9780830824694

De verhouding van het Oude tot het Nieuwe Testament moet niet als een probleem worden behandeld, zoals vaak gebeurt, vindt Goldingay. Hij vergelijkt de relatie tussen het Eerste en het Nieuwe Testament met de bekende Amerikaanse films over Jason Bourne. Het eerste deel van die film was een zelfstandige film, waarbij een vervolg niet noodzakelijk was. Die eerste film kan dan ook gezien worden los van andere delen.

Buiten werking gesteld
Zo is het niet noodzakelijk dat Eerste Testament gelezen wordt vanuit het Nieuwe Testament. Het Eerste Testament heeft een eigen boodschap. Wanneer de tekst van het Eerste Testament wordt gecorrigeerd vanuit het Nieuwe Testament wordt de boodschap van het Eerste Testament buiten werking  gesteld. Wat buiten werking wordt gesteld zijn vooral ethische noties die kritisch zijn ten opzichte van de westerse cultuur. Een christologische lezing van het Eerste Testament komt het westen erg goed uit.

Verkeerde bril
Wat Goldingay ook signaleert is dat een christologische lezing van het Eerste Testament een verkeerde bril geeft om het heden te duiden. De Brit Goldingay die nu werkzaam is in de Verenigde Staten verbaast zich erover dat daar in de VS de gedachte heerst dat de kerk in ballingschap is. Van de kerk in Europa kan hij dat begrijpen. Van de kerk in de VS niet. De invloed van de kerk neemt weliswaar af, maar de kerk in de VS staat er nog redelijk goed voor. De kerk in de VS wordt wel aangevallen, maar Jeruzalem is nog niet gevallen. Als er een vergelijking gemaakt wordt met die periode van Israël is het gepaster om de link te leggen met de periode voor de ballingschap. Waarbij de kritische boodschap van Jeremia tegen Jeruzalem ook voor de kerk van nu geldt.

Wij zijn Babylon. Wij zijn Amalek
Een voorbeeld waarbij de boodschap buiten werking wordt gesteld, omdat de ethische boodschap het westen niet goed uitkomt,  is het spreken over oorlog en geweld. Pacifisten kunnen zich niet op het Eerste Testament beroepen. In het Eerste Testament wordt gesproken over oorlogen die door de koningen worden gevoerd, zonder dat die strijd wordt bekritiseerd. In het Eerste Testament is er wel een verschil tussen geweld dat door God is gelegitimeerd en geweld dat in het teken staat van onrecht dat begaan wordt door mensen die niet van God willen weten.
Dit gebruik van geweld wordt nogal eens vanuit het Nieuwe Testament bekritiseerd vanuit het gebod van de naastenliefde. Goldingay tekent hierbij aan dat de ethiek van de naastenliefde een opdracht voor individuen is en niet voor overheden of staten. Bovendien kunnen de westerse christenen zich niet vergelijken met het kwetsbare Israël. Vanwege hun koloniale verleden en hun huidige macht in de wereld zijn de westerse landen niet met Israël te vergelijken. Israël was een speelbal tussen de grootmachten. Wij zijn Babylon. Wij zijn Amalek (Deuteronomium 25: 17-19). Zowel Babylon als Amalek waren sterke machten die de zwakke aanvielen.

Psalm 137
Die koppeling tussen de westerse christenen en de dreigende grootmachten uit het Oude Testament legt Goldingay ook in de uitleg van de wraakpsalmen. Veel westerse christenen hebben moeite met deze psalmen, maar ze vergeten dat die psalmen tegen ons westerse christenen zijn bedoeld.
Als voorbeeld geeft hij Psalm 137. Deze psalm is berucht vanwege het slot waarin gebeden wordt of de kinderen van Babylon tegen de rotsen te pletter gegooid mogen worden. Goldingay wijst erop dat deze psalm van groot belang is geweest voor de Rastafari’s op Jamaica in hun verzet tegen de Britse koloniale overheersers. Psalm 137 was de inspiratiebron voor een van de belangrijkste verzetsliederen: Rivers of Babylon. De ironie is dat dit lied nummer 1 werd in Groot-Brittannië. De Britten hadden niet door dat dit lied tegen hen was gericht en vooral tegen de Britse overheersing van Jamaica.

Wraakpsalmen
Hoewel christenen uit het westen vaak moeite hebben met wraakpsalmen, kunnen zij deze psalmen wel bidden. Maar dan met het oog op de christenen die worden vervolgd. Wij moeten ze bidden, maar dan vanuit het besef dat wij met onze wereldpolitiek aan de verkeerde kant staan, omdat het westen vanwege de overmacht zwakkere landen kan aanvallen en overheersen. Met deze wraakpsalmen bidden wij om onze eigen bekering. Goldingay is daarom fel tegen een allegorische interpretatie, omdat we daarmee de wraakpsalmen onschadelijk maken voor onszelf: wij willen niet graag Amalek zijn. Volgens hem is klopt de klassieke regel, dat wat in het Eerste Testament verborgen is in niet Nieuwe Testament onthuld wordt, niet. Het is volgens hem andersom: Wat in het Eerste Testament onthuld is, wordt in het Nieuwe Testament verborgen.


En Jezus dan?
En Jezus dan? Goldingay stelt dat Jezus geen nieuwe boodschap over God had ten opzichte van het Eerste Testament. Wat nieuw is, is dat Jezus de belichaming is van wat het Eerste Testament over God verkondigt. In zijn boodschap was Jezus niet op zichzelf gericht, maar op God. Een christologische interpretatie van het Eerste Testament hanteert daarom een maatstaf die niet alleen vreemd is aan het Eerste Testament, maar ook haaks staat op het Nieuwe Testament.

* John Goldingay, Do we need the New Testament? Letting the Old Testament Speak for Itself (Downers Grove, Illinois: IVP Academic, 2015).

Recensie geplaatst in het Friesch Dagblad van 22 februari 2016

Preek zondagmiddag 1 november

Preek zondagmiddag 1 november
Mattheüs 20:1-16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als het kerkelijk centrum moet worden verbouwd,
is er een bepaalde groep vrijwilligers al vanaf het moment dat het plan er is
bezig met de verbouwing:
eerst lopen ze met elkaar door dat kerkelijk centrum
en bekijken ze wat er allemaal moet gebeuren.
Daarna komen ze een aantal keer bij elkaar om een bouwtekening te maken,
om de kosten te berekenen, om te bedenken wie er allemaal ingeschakeld kunnen worden.
Bij de verbouwing zijn ze ook betrokken.
Er gaat geen dag voorbij, of ze zijn er. Om te kijken of het goed gaat.

Nadat de werkzaamheden vorderen, springen er steeds meer gemeenteleden bij.
Tot slot komen er ook gemeenteleden kijken, hoe het er voorstaat,
ze drinken koffie mee en helpen met wat kleine dingen in de afwerking
en het schoonmaken van het gebouw.
Als de verbouwing helemaal klaar is, organiseren de kerkrentmeesters
een bijeenkomst voor heel de gemeente.
Tijdens die bijeenkomst krijgt elk gemeentelid van de kerkrentmeesters
een aantal VVV-cadeaubonnen.
Als de gemeenteleden die envelop openmaken,
blijkt iedereen hetzelfde bedrag te hebben gekregen.
De mannen die vanaf het allereerste uur van de voorbereidingen betrokken zijn,
hebben evenveel gekregen als de gemeenteleden die op het einde even kwamen kijken
en als enige werkzaamheid wat ramen hadden schoongemaakt.
Een van de mannen die bij het allereerste moment betrokken was, krijgt dat door
en loopt diep beledigd naar huis
en wil niet alleen niets meer van het kerkelijk centrum weten,
maar bedankt ook voor de kerk.
Ze hadden niets hoeven te geven,
maar nu ze wel iets geven en dat iedereen hetzelfde krijgt,
ook degenen die alleen maar een kopje koffie kwamen drinken,
heeft hij een wrang gevoel bij al zijn werk.
Is hij daarvoor al die dagen en al die avonden in sjouw geweest voor de kerk?
Nu pas voelt hij hoe moe hij is en hoe hij zijn rug en zijn spieren heeft belast
bij dit vrijwilligerswerk.

Want zo is het koninkrijk der hemelen, zegt Jezus in de gelijkenis,
en vertelt daarin dat degenen die van de hele dag zwoegen
evenveel krijgen als degenen die alleen maar het laatste uurtje komen werken.
Want zo is het Koninkrijk der hemelen.
Wat bedoelt de Heere Jezus daarmee? Wat is het koninkrijk der hemelen?
Het Koninkrijk der hemelen, of het Koninkrijk van God,
daarover hebben we gezongen in Psalm 24:
Al d’ aard’ en alles wat zij geeft,

Met al wat zich beweegt en leeft,

Zijn ’t wettig eigendom des Heeren.
De aarde, dat is Oldebroek, dat is Zeist en De Bilt,
dat is Syrië en Irak, Centraal-Afrika en Sudan,
waar bloedig gevochten wordt en vele mensen omkomen of moeten vluchten voor hun leven.
De aarde, dat zijn de Griekse eilanden, waar de vluchtelingen op aankomen,
de zeeën om die eilanden heen waarover de bootjes komen
en waarin een deel van de vluchtelingen verdrinkt.
De aarde is het wettig eigendom, omdat de Heere deze aarde geschapen heeft.
De wereld is van Hem
en omdat de wereld van Hem is, wordt iedereen op deze wereld,
hier in Oldebroek, in Zeist, De Bilt, maar ook in Syrië en Irak,
op alle gebieden die op de wereld zijn,
in de grote steden op de wereld, op het platteland, in de vluchtelingenkampen,
in de gevangenissen, de martelkamers
wordt iedereen opgeroepen de Heere als koning van deze wereld te erkennen.
Het koninkrijk der hemelen, het koninkrijk van God houdt in
dat het niet alleen een oproep is aan de wereld, van eenvoudige burger tot staatshoofd,
Van gevangene tot beul, van bewoner in een rustig land tot soldaat in oorlogsgebied.
Het koninkrijk van God is niet alleen een oproep,
het is er, het gebeurt, het is werkelijkheid,
Dat God koning over deze wereld is en dat iedereen op deze wereld
Zijn macht erkent en zich voor Hem neerbuigt en aanbidt: U bent mijn Heer, mijn God,
Koning van heel het universum en over mij.
Dat is het koninkrijk van God, de heerschappij van God die zich over heel de wereld doorzet.
Ook in mijn leven, waarbij ook ik erken, dat de Heere God is en Koning over alles.

Dat belijden van de Heere als koning over alles, dat gaat zo makkelijk nog niet,
omdat ik er vanuit mijzelf niet aan wil.
Erkennen en neerknielen voor de Heere, dat is een hele stap.
Er zijn mensen die dat al heel vroeg in hun leven hebben geleerd.
Omdat ze gedoopt zijn en vanaf het allereerste begin het teken van Gods trouw
hebben ontvangen, ouders die hen vertelden, juffrouws en meesters op school.
Zij zijn altijd bij de Heere gebleven, zijn niet afgedwaald, maar zijn altijd naar de kerk gegaan.
Zij behoorden al vroeg tot dat Koninkrijk van God.
In hun leven was de Heere God en koning.
Je zou toch verwachten dat de Heere dankbaar is met diegenen
en dat Hij hen tot een voorbeeld maakt:
zie je, het kan wel, je hele leven lang christen zijn, bij de Heere horen.
Volg hun voorbeeld na – zou je denken.
Maar Christus zegt: Vele eersten zullen de laatsten zijn.
Dat is toch wat: Als je heel je leven je best doet, met vallen en opstaan,
christen te zijn, trouw te blijven aan de Heere,
dat je er al vroeg bij was en dat je toch achteraan moet sluiten, de laatste plaats.
Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten.
Zoals dat gebeurt bij die eigenaar van de wijngaard.
‘s Morgens vroeg gaat hij er al op uit, om mannen te halen
die op die dag in zijn wijngaard willen werken om de druiven te plukken.
Er wordt onderhandeld, want zowel de eigenaar van de wijngaard
als de mannen die dat zware werk moeten doen hebben er belang bij:
de eigenaar dat hij goede werkkrachten heeft en de werkers dat ze een eerlijk loon krijgen.
Ze worden het eens over het loon:
ze krijgen het volle bedrag wat ze op zo’n dag kunnen verdienen.
Ze kunnen ermee thuis komen, een eerlijk loon waar ze hard voor hebben gewerkt.
De mannen die aan de slag gaan, ze hebben het maar getroffen.
Ze zijn voor deze dag zeker van een goed loon.

Wie heeft de Heere Jezus op het oog?
Wie zijn diegenen die als eerste in de wijngaard werken?
Dat zijn degenen die vanaf het begin betrokken zijn bij Gods verbond.
Dat bent u, als u gedoopt bent en vanaf kinds af aan door uw ouders bent meegenomen
naar de kerk, naar zondagsschool of club, een christelijke school, catechisatie,
als u naar de kerk bent blijven gaan en belijdenis hebt gedaan.
Dan bent u bevoorrecht, want dan mag u al heel uw leven delen in het verbond
en ook in de zekerheid die bij het verbond hoort, die de Heere geeft door de doop
en door het werk van de Heilige Geest in u:
de zekerheid dat God als Vader voor u zorgt,
dat Hij als Zoon uw zonden heeft vergeven en voor u is gestorven,
dat Hij als Heilige Geest ervoor zorgt dat u gaat geloven,
Dat jij bij de Heere Jezus hoort.
Dat is een voorrecht, omdat je je hele leven lang zeker bent van Gods trouw en liefde.
Je hoeft dan niet te twijfelen, zoals dat meisje dat nooit is gedoopt
En al een aantal jaren twijfelt of ze wel bij God mag horen.
Wanneer is zij goed genoeg om bij de Heere Jezus te horen?
Je bent dan bevoorrecht, omdat de Heere je vanaf het allereerste begin van je leven
jou heeft zien staan en met je bezig is geweest.

Terwijl de mannen, die ingehuurd worden, aan de slag gaan,
gaat de eigenaar erop uit.
Dat is het voorrecht van een eigenaar,
dat je het zware werk niet zelf hoeft te doen, maar kunt overlaten aan anderen
en dat je erop uit kunt trekken.
Het zou kunnen zijn dat de man een wandelingetje maakt om zich te ontspannen,
op weg gaat om met vrienden te praten, want het werk gaat toch wel door.
Dat kan hij aan anderen overlaten.
Als hij door het dorp loopt, ziet hij een groepje mannen staan op de markt.
Hadden ze de eerste keer, toen hij bij de markt kwam, daar niet gestaan?
Want dan had hij ze ook mee laten gaan, aan de slag in zijn wijngaard.
Deze mannen, ze voeren niets uit.
Dan moeten we oppassen met een oordeel, want zo heel makkelijk kun je voor anderen invullen, terwijl je niet echt weet wat ze doen en waarom ze daar staan.
Het kan dat ze lui zijn, of te laat komen opdagen, zich verslapen,
omdat ze niet stipt genoeg zijn, maar wie zegt dat iemand hen niet heeft afgekeurd
op basis van wat hij van hen zag op de markt.
De man ziet ze staan, doelloos. Ledig, zegt de oude Statenvertaling.
Dat heeft twee kanten: dat kan luiheid zijn, leeg omdat er niets uit je handen komt,
maar het kan ook een leegheid zijn, omdat de mannen zich nutteloos voelen.
Er is niemand die hen kan gebruiken, niemand die hen nodig heeft of vraagt.
De eigenaar ziet hun leegheid.
Dat is een detail in het verhaal dat we niet zomaar moeten overslaan,
want de Heere Jezus hiermee iets van zichzelf zien.
Hoe hij onze leegheid ziet: onze luiheid wellicht,
maar ook de leegheid die we ervaren, die in ons is, omdat niemand ons kan gebruiken.
Omdat we voor niemand nuttig zijn
en ons daarom afvragen, wat we hier op aarde nog doen?
In zijn evangelie vertelt Mattheüs, die ons deze gelijkenis doorgeeft,
Dat de Heere Jezus op diezelfde manier door Galilea en Judea trekt,
er op uit trekt om onder de mensen te zijn,
om te zien wat hen bezighoudt, om hun lijden, hun nood te zien,
de blinden, de doven, de mensen die lijden onder bezetenheid.
Hij komt tussen hen lopen, zodat ze zich aan Hem kunnen vastklampen
om gered te worden.
Jezus ziet!
Ik hoor wel eens mensen vertellen: als ik binnenkom, dan weet mijn moeder al
hoe het met me gaat zonder dat ik iets heb gezegd.
Als ik de telefoon opneem, weet mijn man al dat er iets mis met me is
aan hoe ik door de telefoon klink.
Jezus ziet, zoals de eigenaar van de wijngaard die mannen daar ziet staan met hun leegheid,
hun dag zonder doel, zonder inhoud, wachten, ja wachten op wat?
Totdat de eigenaar komt, en hen naar zijn wijngaard stuurt:
‘Maak je niet druk om wat je krijgt, het zal eerlijk zijn, rechtvaardig!’

Hoe zullen degenen die vanaf het eerste begin in de wijngaard hebben gewerkt?
Zij zijn al meer ervaren, weten wat mag en wat niet mag.
Wanneer er pauze gehouden wordt, wat de gebruiken zijn.
Ze kunnen de anderen op weg helpen, inwerken, zich thuis laten voelen.
Misschien zijn ze ook wel blij voor diegenen die er wat later bij komen,
omdat ze zelf ook maar al te goed weten, die leegheid
en dat ze zelf ook dankbaar zijn dat de eigenaar van de wijngaard hen heeft gevraagd
en dat ze het fijn vinden dat de eigenaar hen gevonden heeft.
Zo gaat het in het geloof toch ook, dat je dankbaar bent als er iemand weer terug komt
in de kerk en het geloof weer oppakt, door de Heere Jezus is gezien en gevonden?
Ik ken er heel wat die dan dankbaar zijn en er veel voor over hebben
dat diegenen die er later bijkomen hun draai in de kerk kunnen vinden,
omdat ze zelf ook weten dat ze zonder God zo’n leegheid in hun leven ervaren.

Als de dag bijna voorbij is, gaat de eigenaar weer op pad?
Zou het weer een wandeling zijn om even te ontspannen?
Of zou het een gericht zoeken zijn, waarbij de eigenaar weet waar hij moet zijn?
Bij de cafés waar deze mannen de doelloosheid wegdrinken,
in de donkere stegen waar de mannen hun leegheid proberen te verdoven door drugs?
Op de parkeerplaatsen waar ze hun lichaam aanbieden voor geld
om toch nog iets van verdiensten mee naar huis te kunnen nemen,
ook al is hun waardigheid dan helemaal weg.
De eigenaar vindt hen en als de Heere Jezus daarmee
iets van Zijn eigen rondgang door de wereld laat zien,
is het geen toeval, maar weet Hij waar Hij moet zijn om de leegheid te vinden,
het leven zonder zin en doel.
Hij zoekt hen op en vindt hen.
Is Jezus niet de goede Herder die het verloren schaap zoekt, net zolang tot Hij vindt?
‘Waarom hang je hier maar rond?’ vraagt de eigenaar. ‘Wat is er met je aan de hand.’
Het antwoord klinkt moedeloos of bitter
en de woorden laten het horen, wat het betekent dat iemand nooit is gezien,
wat het betekent als mensen langs je heen lopen zonder je aan te zien als mens:
‘Niemand heeft ons gevraagd.’
We kregen de kans niet. Ze hadden geen vertrouwen in ons. Wij kunnen het niet.
Wij tellen niet mee. We horen er niet bij.
Hoe moeten  voor hen die woorden van de eigenaar geklonken hebben:
‘Gaan jullie ook maar naar mijn wijngaard.’
Er wordt niet eens over een beloning gesproken,
Dat ze worden aangesproken, dat ze een kans krijgen, dat ze mogen,
dat is voor hen al een wonder, een zegen.

Dan krijgen ze als eerste uitbetaald en ze krijgen net zoveel als degenen
die als eerste in de wijngaard mochten werken,
die de hele dag hebben gewerkt met de zekerheid van loon,
de zekerheid dat ze gezien worden, dat wat ze kunnen zinvol is.
Als ik dat op catechisatie vertel,
bijvoorbeeld aan de hand van de verloren zoon,
die al het geld van zijn vader opeist, dat geld erdoor heen jaagt
en uiteindelijk thuiskomt en als zoon weer welkom geheten wordt,
is de reactie altijd: dat is niet eerlijk.
Dan kun je toch beter leven als die verloren zoon?
Dan kun je toch beter rondhangen, zoals die laatste groep mannen hebben gedaan,
totdat je ook gevonden wordt door de Heere Jezus?
De mannen die als eerste mochten beginnen, zijn vergeten dat zij de hele dag zekerheid hadden en de status van nuttig.
De zekerheid om te mogen behoren tot het verbond met Christus,
om al jong zeker te zijn van de genade en de liefde van de Heiland,
het is opeens weg, omdat opeens de last wordt gevoeld,
van wat je allemaal als christen niet mag,
de regeltjes waaronder je zuchtte,
de strijd om jezelf te beheersen, om verleidingen de baas te zijn.
Dan had ik mijzelf ook kunnen laten gaan, in uitspattingen, in onverschilligheid.
Geloven is dan ploeteren in de volle zon, de last van de hele dag werk.
Dan kijk je opeens anders aan tegen je leven met Christus

en voel je het kruis op je schouders, niet vanwege de verbondenheid met de Heere Jezus,
maar vanwege de last, het ongemak om christen te zijn.
Het is gemopper, het gemurmureer van de Israëlieten in de woestijn,
die niet doorhadden, dat ze de levende God bij zich hadden
en dat ze daarom bevoorrecht waren, omdat ze bij Hem mochten horen.
Maar dat zagen ze niet, dat de levende God in hun midden was en hen voorging,
ze zagen niet zijn zorg in het manna,
ze zagen alleen de woestijn waar geen einde aan was, de weg waarvan het begin nu in de woestijn een soort paradijs werd, waarbij het slavenbestaan in Egypte werd verdrongen,
hunkerend naar een ander leven.
Alles beter dan dit leven – dit leven met God.

Maar besef je dan niet, dat dat de echte leegheid is?
De leegheid die de anderen hebben gedragen, al die tijd dat ze niet bij de Heere waren?
Besef je dan niet, hoe bevoorrecht je bent, dat je bij God bent en van Christus bent?
Dat ik met lichaam en ziel het eigendom ben van mijn getrouwe Heiland, zaligmaker,
die mij met zijn bloed heeft vrijgekocht, van de zonde, van de duivel.
Als je dat besef niet meer hebt, maakt wordt de zelfverloochening een zwaar offer
en niet meer een vrolijk kruisdragen,
waar we bij de doop om bidden:
dat deze gedoopte kinderen hun kruis in de dagelijkse navolging vrolijk dragen mogen.
Op dat gemopper, dat gemurmureer, die opstand, heeft de eigenaar maar één antwoord:
Dan is er hier geen plaats in de wijngaard.
Het verbaast me, dat de scherpheid van de eigenaar zelden wordt opgemerkt.
Ga heen – je hebt hier niets te zoeken.
Je vergat de gunst, je vergat dat je bevoorrecht was, genade ontving,
je doet alsof het je toekomt, omdat je er voor gewerkt hebt.
Wij horen niet bij God, omdat we ervoor gewerkt hebben, omdat we laten zien wat we kunnen, omdat wijzelf ons leven zinvol maken.
ons geluk komt van God, die ons roept om bij Hem te zijn
en met Hem te leven.
Hoe eerder we geroepen worden, hoe groter de genade, het geluk,
omdat je dan minder de last hoeft te dragen van een vergooid, een schuldig leven.
Ook als we vroeg geroepen zijn en daar vroeg mochten beginnen
in Gods wijngaard, is het Gods goedheid.
De gelijkenis eindigt met een vraag, die open lijkt,
maar vraagt om ons antwoord een “ja” van onze kant op God,
een belijdenis, een neerknielen in dankbaarheid.
Is uw oog boos? Zie je alleen het slechte, kun je alleen het negatieve zien?
Zie je niet dat ik goed ben, voor alle mensen,
voor hen die mij al vroeg leerden kennen
en voor degenen die hun leven zich tegen mij verzetten?
Als jij, u Mijn goedheid ziet, ervaart, aanvaardt, dan wordt Mijn koninkrijk uitgebreid.
Amen