Preek nieuwjaarsdag 2018

Preek nieuwjaarsdag 2018
Exodus 33:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We zijn hier vanmorgen in de kerk om aan de Heere te vragen
of Hij met ons meegaat het nieuwe jaar in,
net als het volk Israël dat bij de berg Sinaï was aangekomen
om vandaar de Heere mee te vragen naar het land dat hen beloofd is.
Zo staan we op de drempel van een nieuw jaar, net begonnen
En we kijken een toekomst in en weten niet wat die toekomst ons brengen zal
met in ons hart het gebed: ‘Heere, wilt U ons niet alleen laten,
maar met ons meegaan en voor ons uitgaan?’

Want we moeten er niet aan denken, dat de Heere niet met ons mee zou gaan
en dat Hij niet voor ons uit zou gaan.
We moeten er niet aan denken, dat terwijl wij verder gaan in de tijd
de Heere achterblijft en Zelf niet meegaat.
Want wat zou er van ons terecht komen, als de Heere niet voor ons uit gaat
om de weg te wijzen?
Dan zouden wij niet weten welke kant we op moeten gaan
en zouden we een verkeerde weg inslaan die niet goed voor ons is.
Wat zou er van ons terecht komen, als de Heere niet voor ons uit zou gaan,
Om voor ons een weg te banen?
Dan zouden we ergens lopen waar geen weg is en zouden we struikelen en verdwalen.
Waar zouden we zijn als de Heere niet meegaat om ons onderweg te beschermen,
moed in te spreken en te dragen?

Daarom vanmorgen dit gebed van Mozes:
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Houd ons tegen, Heere, als wij wel verder gaan, terwijl U achterblijft
en wij dan verder zouden gaan zonder U in ons midden.

Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Het is een tekst die ik in het verleden nog wel eens in een trouwdienst werd meegegeven.
Je ziet het voor je: een jong stel, samen aan een nieuwe toekomst begonnen
en dan als herinnering van de dominee die de preek hield in de trouwdienst:
Vergeet de Heere niet mee te nemen in je reis door het leven.
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Hoe zou het zo’n jong stel vergaan?
In de eerste weken wordt dit advies misschien nog wel opgevolgd om God erbij te betrekken,
maar als het weer wat gewoon is om bij elkaar te zijn,
Als er weer gewerkt moet worden, als je weer verder gaat met sporten
en als er later kinderen komen, als er de gewone dagelijkse beslommeringen zijn,
dan kan dat er zo bij in schieten om de Heere erbij te betrekken.
Vaak helpt het om een vast moment te hebben,
zoals vanmorgen, aan het begin van een nieuw jaar, om de Heere weer mee te vragen.
Daarom zijn we hier in de kerk bij elkaar, om deze vraag bij de Heere neer te leggen.
Voordat we verder gaan, voordat we familie op gaan zoeken om nieuwjaar te wensen,
voor we in huis bezig zijn of buiten de rommel van de nieuwjaarsnacht opruimen:
Eerst even de tijd nemen om hier bij God te zijn,
voordat we opgeslokt worden door onze alledaagse bezigheden
om te voorkomen dat er zo een week voorbij kan zijn voordat we God hebben gevraagd
om met ons mee te gaan en voor ons uit te gaan.

Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Met minder dan God zelf doen we het niet.
Zelfs een engel die meegestuurd wordt is nog niet genoeg, want God zelf moet mee!

Er is een reden waarom de Heere tegen Mozes en tegen het volk zei:
Jullie moeten zonder Mij hier van deze berg verdergaan; Ik kán niet meegaan!
Want in het voorgaande had het volk een beeld van goud opgericht in de vorm van een kalf
en dat gouden kalf dat zij door Aäron hadden laten maken
zagen zij aan voor de God die hen uit Egypte had geleid
en ze hadden om de aanwezigheid van deze god gedanst en feest gevierd:
De Heere is in ons midden! Hij is er!
We hoeven er niet meer aan te twijfelen: We kunnen Hem zien, we kunnen Hem aanraken.
We kunnen Hem meenemen, we hoeven ons nooit meer af te vragen
of de Heere wel met ons meegaat en voor ons uitgaat, want we hebben Hem bij ons.
In dat gouden kalf dat meegaat, gaat God zelf mee.
Ze hadden het mis, want ze hadden zelf een god in elkaar geknutseld
die hun eigen zelf in elkaar geknutselde god aangezien voor de levende God,
aangezien voor de God die hen uit Egypte had uitgeleid.
Het was een vergissing, een verwisseling die de Heere hoog opnam:
Ze hadden God ingewisseld voor een ander
en het was geen vergissing die per ongeluk gebeurde, maar bewust.
Een halsstarrig volk – een volk dat de nek niet wil buigen, dat niet wil knielen,
maar trots en fier overeind wil blijven staan.
Met zo’n volk kan ik gewoonweg niet meegaan.
Daar is God te heilig voor en het volk zou het niet uithouden bij deze heilige God.
Het zou het niet uithouden bij deze heiligheid, maar daardoor vernietigd worden.
Het contrast tussen de heiligheid van God en de onheiligheid van het volk was te groot.
In die zin was het ook een bescherming dat God niet mee zou gaan,
maar dat er ‘slechts’ een engel mee zou gaan.

Door een engel mee te sturen zou het volk wel gespaard blijven.
Een engel konden ze nog wel verdragen, maar niet de heilige God.
Een engel, misschien ook net zo zichtbaar als dat gouden kalf
dat ze gemaakt hadden om God zichtbaar in hun midden te hebben.

Zo gek was het niet om een beeld te maken,
omdat er bij heel veel mensen de behoefte is om God te zien,
om Hem zichtbaar in je midden te hebben, om Hem te zien, te kunnen aanraken,
want dan weet je dat Hij er is, dat Hij meegaat.
Is Hij niet zichtbaar, dan kan er altijd de vraag zijn: Is Hij wel mee.
Maar juist als wij God zelf zichtbaar maken, zetten we ons op het verkeerde been,
dan kunnen we er te gemakkelijk vanuit gaan dat God meegaan,
omdat wij Hem zichtbaar maken.
De Heere kan alleen op Zijn eigen manier in ons midden zijn.
Niet op de manier waarop wij Hem willen hebben.
Omdat het volk dit niet accepteert
en steeds zichtbaar wil hebben en bevestigd wil zien, dat God er is, kan God niet mee.
Hij kan niet leven in een sfeer van wantrouwen, van voortdurend zich te moeten bewijzen.
Daarom: Ik kan niet mee. Jullie gaan en krijgen een engel mee,
zodat jullie wel veilig en wel in het land komen dat Ik beloofd heb,
maar jullie zullen het daar zonder Mij moeten doen.

Dan gebeurt er iets bij het volk, als Mozes met deze mededeling terugkomt.
Nu dringt het tot het volk door wat er is gebeurd bij dat gouden kalf.
Ze komen in actie, een actie die eerst wat vreemd overkomt:
De sieraden worden afgedaan en het volk gaat rouwen,
rouwen om het achterblijven van de Heere, terwijl het zelf verder moet.
Sieraden werden echter naar alle waarschijnlijkheid gebruikt
om als vrouw op te vallen bij de mannen,
door een prostituee om mannen te verleiden bij haar in de tent te komen.
Het afleggen van sieraden houdt in: we bieden ons niet meer aan andere goden aan.
We kiezen voor de ene God, de ware God, de God die ons werkelijk bevrijdde,
die ons uit Egypte hier bracht en die beloofd had om ons door de woestijn te geleiden.
Het is een gebaar van inkeer, van schuldbelijdenis,
een gebaar waarmee alle andere goden worden afgezworen:
We zijn alleen van Hem.
Zo beginnen wij ook dit jaar alleen met de Heere
en zeggen het tegen Hem: we zoeken het alleen bij U,
een andere god hebben wij niet nodig, wij zoeken niet ergens anders steun of geluk.
U bent onze Heer, wij hebben geen leven zonder U.
En dan staat er een regel bij: Vanaf die dag droegen de Israëlieten geen sieraden meer.
Nu hoeven wij niet zonder sieraden te leven,
die mogen wij best dragen,
maar de achterliggende gedachte is wel voor ons van belang:
We behoren alleen Christus toe, in ons leven, in ons sterven.
We bieden ons nergens anders aan, we flaneren niet om elders geluk mee te krijgen.
Voor ons geen ‘meidenmarkt’ waarop we ons aanbieden voor andere goden.

Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.

Dan doet Mozes iets gewaagds, waarmee Hij de Heere uitdaagt.
Als de Heere niet in het midden van Zijn volk kan wonen, dan maar een eindje erbuiten.
Als iedereen maar naar Hem toe kan gaan.
Als iedereen God maar kan zoeken en Hem kan vinden.
Wellicht is het zijn eigen tent geweest
en hij geeft het de naam, die de tent van God zou krijgen als die gebouwd zou worden,
De tent waarin God in het midden zou wonen.
Maar als God niet in hun midden kan zijn, dan zal de tabernakel ook niet worden gebouwd.
De tabernakel, de tent waarin de Heere woont tussen Zijn volk
en daarom een tent van ontmoeting van mens en God zal zijn.
Dan maar zijn tent buiten het kampement om daar God te raadplegen.
Want hoe kun je als mens zonder de raad en de bijstand van God?
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Het is een eigen initiatief van Mozes.
Daar zit ook iets hardnekkigs in, iets van protest.
Als U niet meegaat, Heere, dan zoeken we U steeds weer op.
Dan creëren wij een plek, waar we naar toegaan om U te zoeken,
net zolang tot we U vinden.
Het is een protest van Mozes tegen zijn God, die aankondigt niet mee te gaan
van Mozes die beseft, dat het volk niet zonder zijn God kan
en daarom op zoek moet naar een manier om God te blijven ontmoeten.
Deze hardnekkigheid van Mozes wens ik u en jou en ons als gemeente toe,
dat we niet rusten als God er niet is, maar dat we Hem blijven zoeken, blijven benaderen.
Als de Heere niet onder Zijn volk kan zijn, tussen de tenten van Israël,
dan maar net erbuiten, wat op afstand, een afstand die wel te overbruggen is.

Hier blijkt Mozes God te kennen en Gods weg met Israël te kennen.
Hij weet dat de Heere het volk niet achter kan laten,
niet op pad kan sturen zonder zelf mee te gaan.
Want God heeft Zijn naam verbonden aan dat volk.
Mozes gebruikt zijn bijzondere relatie die hij met de Heere heeft
om de Heere over te halen, te verbidden: U moet mee.
Mozes die vriend van God genoemd wordt
en als vriend tegen de Heere kan zeggen: U moet mee.
Als U werkelijk om mij geeft, als ik echt genade gevonden heb in Uw ogen,
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Mozes krijgt hier iets van Christus: tussen God en het volk in,
om een goed woord voor het volk te doen.
Laat hen niet zonder U verder gaan, dat gaat niet goed.
Dat weet U zelf ook.
Alleen als U zelf in ons midden bent, zijn we dat bijzondere volk.
Alleen dan kunnen we Uw weg gaan, de weg die U voor ons hebt uitgestippeld
Alleen dan kan Uw plan met deze wereld in vervulling gaan.
Verbidden: God op andere gedachten brengen,
door aan te knopen bij Zijn barmhartigheid, bij God zelf, Zijn eigen karakter, Zijn belofte.
Ik wens u toe dat u zo dit komende jaar steeds weer een beroep doet
op Gods barmhartigheid, op Zijn karakter, op Zijn belofte:
U hebt het zelf beloofd.
Als U dat niet doet, wat komt er dan terecht van Uw werk in deze wereld?
Wat komt er dan terecht van Uw kerk?
Wat komt er dan terecht van ons die U geroepen hebt tot Uw dienst?
Waar God zegt: Ik kan niet mee, zegt Mozes: U moet. Het kan niet anders.
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Zo vragen ook wij Gods aanwezigheid, God persoonlijk mee.
Het kan niet anders. Het moet.
Want wat komt er anders van ons terecht?
Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, laat ons dan niet van hier verder trekken.
Amen

Preek oudjaarsavond 2017

Preek oudjaarsavond 2017
Genesis 48

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We nemen in ons leven heel wat keren afscheid.
Als je van de basisschool verlaat en naar de middelbare school gaat.
Je weet dat al als je aan groep 8 begint: dit is het laatste jaar op deze school
en dat maakt groep 8 een bijzonder jaar.
Het hele jaar is anders: de cito-toets, schoolkamp, de musical.
Je werkt naar het afscheid toe, je leeft ernaar toe dat je naar een nieuwe school gaat.

Je neemt afscheid als je aan een nieuwe baan begint.
Je gaat niet meer naar deze locatie, vaak naar een andere plaats zelfs.
Afscheid van collega’s met wie je soms heel lang hebt samengewerkt.
Afscheid neem je bij een verhuizing: van de buren naast wie je woonde
met wie je soms veel hebt opgetrokken.
Als je naar een andere plaats verhuist,
neem je afscheid van mensen die je geregeld tegen kwam op straat, in de kerk, in winkels.

Afscheid neem je bij een overlijden,
zoals er ook in 2017 heel wat families afscheid moesten nemen
van een vader of een moeder, van een man, een vrouw, van een dochter, een zoon.
Van iemand uit je familie, van een vriend of vriendin, van een goede bekende.

Afscheid nemen is niet altijd makkelijk.
De Fransen hebben het spreekwoord: Afscheid nemen is een beetje sterven.
Bij het afscheid nemen raak je iets kwijt dat iets van jezelf was,
je raakt iets vertrouwds kwijt wat lang niet altijd wordt opgevuld.
Dat begint al als je afscheid neemt van de basisschool.
Je ziet niet iedere klasgenoot terug.
Soms kun je met iemand met wie je veel optrok nooit meer terugzien
omdat hij of zij naar een heel andere school ging.
De juffrouws en de meesters die je op de basisschool
die heel jou goed kende en die voor jou heel vertrouwd waren geven je geen les meer.
Als je van baan verandert kun je bepaalde collega’s gaan missen, de sfeer op het werk,
het doel dat je werk je gaf.
Er zijn er heel wat die als ze met pensioen gaan de moeite hebben om de draai te vinden
of die vervroegd met hun werk moesten stoppen het werk echt missen.
Je kunt buren missen, voor het vertrouwde loopje, even een praatje.
Soms kun je het gevoel hebben dat de hele buurt veranderd is.

En zeker als er iemand overlijdt met wie je een goede band hebt,
dan is afscheid nemen niet alleen maar een klein beetje sterven.
In het afgelopen jaar waren er heel wat van wie het overlijden onverwacht kwam.
Geen tijd om afscheid te nemen, om nog te zeggen wat je wilde zeggen.
Dan gaat de schok lang mee en komt het verlies nog veel harder aan
omdat je niet voorbereid bent op dat afscheid, omdat je nog veel samen had willen doen.

Van Jozef kun je niet zeggen dat hij geen tijd had om afscheid te nemen.
Na jaren waarin hij zijn vader niet heeft kunnen zien, mocht hij met hem verenigd worden.
Een tijd lang heeft Jakob nog in Gosen in Egypte mogen wonen.
Als er dan het bericht komt dat zijn vader ernstig ziek is,
Bedenkt Jozef zich geen moment en gaat naar zijn vader toe, nu het nog kan.
Hij neemt zijn zonen Manasse en Efraïm mee,
zonen die in Egypte zijn geboren terwijl Jozef al onderkoning was geworden.

Het wordt een intiem bezoek, zoals dat wel eens gebeurt
als iemand te horen krijgt dat hij of zij ernstig ziek is,
dat degene in de weken die nog overblijven iets deelt van wat er in hem of haar omgaat.
Het is een gesprek waarvan je hoopt dat zo’n gesprek er komt
in de laatste weken dat iemand nog te leven heeft: persoonlijk en heel intiem.
Ook een terugblik, heel open, over hoe de Heere heeft gewerkt in zijn leven.
De oude Jakob verzamelt nog eens al zijn krachten om te kunnen vertellen:
‘Toen ik het land uit moest vluchten, daar bij Luz, de plek die ik later Beth-El noemde
is God de Almachtige aan mij verschenen.’
God de Almachtige – dat is niet zomaar een naam van God,
maar de naam waarmee Hij Zich ook aan Abraham bekend maakte:
‘Ik ben God de Almachtige, wandel voor Mijn aangezicht.’
Dat was de opdracht voor Abraham. En Abraham kreeg een belofte mee.
Toen Jakob moest vluchten voor zijn broer Ezau verscheen God ook aan hem:
Jakob, Ik ga met je mee en Ik zorg dat je weer terug komt in dit land
en dat jouw nakomelingen dit land zullen bezitten.
God de Almachtige, dat is niet alleen de kracht van God,
maar ook de naam van God die Zijn belofte waarmaakt,
Zijn belofte nog eens meegeeft, juist als het er niet op lijkt dat die belofte in vervulling gaat.
Jakob, die het land dat hem beloofd werd, juist moet ontvluchten.
Hij mocht door Gods leiding, door Gods hulp echter terugkeren.
Degenen die afscheid moesten nemen van het afgelopen jaar, kregen ook de belofte mee
dat God er zal zijn op dagen waarop het gemis er is.
Ik hoop dat deze belofte ook uitgekomen is en dat u de Heere mocht ervaren.
Dat u mocht merken dat de Heere naar u toekwam, dat Hij aan u verscheen.
Of dat je dat, nu terugkijkend het afgelopen jaar op een andere manier mocht ervaren
dat de Heere aan je verscheen, dat Hij er voor je was.
Omdat je een kind mocht ontvangen, omdat je een relatie kreeg, mocht trouwen,
je studie afrondde, een jubileum mocht vieren.

God heeft mij gezegend, zegt Jakob.
Gezegend op het moment dat ik het land moest verlaten,
terwijl daar helemaal nog niets van zichtbaar was, wel meegegeven als belofte.
Nu hij oud geworden weer in een vreemd land is, herinnert hij zijn zoon,
die hij jarenlang dood waande en weer terug mocht zien aan deze belofte
dat zijn nageslacht niet hier in Egypte hoort, maar een thuis heeft in Kanaän.
Ook de zonen van Jozef, ook al zijn ze hier in Egypte geboren,
ze horen daar in Kanaän te wonen, dat is het thuis van Egypte.
Zij zullen, als het Gods tijd gekomen is, dit land verlaten,
zoals Jakob ook terugkeerde uit Mesopotamië, waar hij jarenlang Laban diende.

Want deze jongens van jou, die al geboren waren voor ik in Egypte kwam,
het is ook mijn nageslacht, de lijn van mijn lieve vrouw Rachel,
die ik het meest boven alles heb liefgehad.
Deze twee jongens van jou, geboren uit jou en je Egyptische vrouw,
Ze hebben voor mij dezelfde positie als Ruben en Simeon,
Dezelfde positie in het gezin als mijn oudste twee zonen.
Dat is een gevaarlijke beslissing van Jakob: om twee kleinkinderen te promoveren
en dezelfde rechten te geven als de twee oudste zonen.
Jakob wist toch wel dat er in zijn eigen leven ook een gedoe was over de zegen
die voor de eerstgeborene was bestemd,
Dat hijzelf als tweede zoon, en ook nog eens op de tweede plaats gesteld
de zegen ontving, volgens zijn oudere broer de zegen affutselde, aftroggelde.
Toch doet Jakob het, als eerbetoon aan Rachel die hem zo vroeg ontvallen is,
de vrouw van wie hij hield, een blijk van liefde voor deze vrouw voor wie hij 14 jaar werkte.
Wanneer iemand je ontvalt, kan dat gemis een leven lang mee gaan.
Na al die jaren is hij Rachel niet vergeten, ook al moest hij haar al vroeg missen.

Die zegen speelt een belangrijke rol in deze familie.
Deze familie is niet alleen begonnen met de opdracht van God om weg te trekken,
maar ook met de zegen van God
en de zegen van God is een rode draad in de geschiedenis van deze familie:
Abraham krijgt deze zegen.
Izak geeft deze zegen door aan Jakob, zijn tweede zoon
en nu gaat Jakob deze zegen weer doorgeven.
Het gezin waaruit Jakob en Jozef komen is een gezin waarin de zegen wordt doorgegeven.
Deze zegen is de dragende grond onder dit gezin, al die geslachten door.
Jakob heeft voor al zijn zonen een zegen.
Geen enkele van de 12 wordt buitengesloten van de zegen, niemand loopt de zegen mis.
Nu het einde van Jakob gekomen is, gaat hij de zegen ook weer doorgeven.
Bijzonder, zo’n gezin met de zegen van God als rode draad, als familieverhaal.
Bijzonder, om afscheid te nemen met de zegen,
om je kinderen, je kleinkinderen de zegen op te leggen.
Want de zegen opleggen, dat is God meegeven,
God die met jou meegegaan is, een leven lang, ook als je daar niet altijd de leiding van zag.
Je geeft de kracht van God door, de aanwezigheid van God door.
Je geeft door hoe God er voor jou was aan degene die na je komt.

Deze kleinzonen, ze betekenen niet alleen veel voor hem
omdat dit het nageslacht is van zijn lievelingsvrouw, de vrouw die hij zo moet missen,
maar deze twee jongens die met Jozef meegekomen zijn voor hem ook zichtbaar teken
van Gods leiding, dat God inderdaad de Almachtige is, zoals Hij aan hem verscheen:
God die Zijn beloften waarmaakt.
Die zijn leven zo geleid heeft dat hij niet alleen zijn zoon in de armen kon sluiten,
maar ook zijn kleinzonen.
Deze leiding, deze belofte geeft hij door aan de kinderen,
die voor hem het zichtbare teken zijn dat God leidt en werkt.
Zo gaat Jakob afscheid nemen van dit aardse leven,
door deze God en Zijn leiding door te geven.
Bij het afscheid nemen van 2017 willen wij zo aan elkaar Gods leiding en zorg doorgeven.
We nemen afscheid met een zegen, al wens u ik toe dat het niet betekent
dat we afscheid moeten nemen van het aardse leven,
maar dat de Heere ons nog veel gezegende jaren geeft.

Jakob geeft de zegen aan de twee zonen die Jozef heeft meegebracht.
Er wordt in de uitleg een heuse discussie gevoerd
of het nog maar jongens zijn of volwassen zonen.
Zijn ogen zijn dof geworden, maar zijn kleinzonen zien als zichtbaar teken kan hij nog wel.
Jozef zegt het ook: Het zijn de zonen die God mij gegeven heeft hier in Egypte.
Ook in Egypte werkt God, zoals Hij ook in Mesopotamië werkte.
Hij laat zich niet door grenzen tegenhouden.
De zegen die Jakob aan zijn kleinzonen meegeeft, zijn een lofprijzing op God.
God is mijn herder geweest, mijn leven lang.
Hij gaf mij een engel die voor mij uitgegaan is om mij op mijn weg te beschermen.
Moge die God die voor mij een herder was ook jullie herder zijn,
Moge Hij ook voor jullie Zijn engel vooruitsturen.’
Twee kleinzonen die daar voor de oude man op de knieën liggen,
De oude man voor wie het leven erbij op zit, die heel wat meegemaakt heeft
en ook mag terugkijken op Gods leiding in Zijn leven.
Hij legt zijn handen die heel wat hebben meegemaakt en vastgepakt, oud en gerimpeld,
op de hoofden van deze twee jongens om de zegen op hen te leggen.

Dan wil Jozef ingrijpen, als de zegen al achter de rug is.
‘Het is verkeerd, vader,’ zegt Jozef, ‘u zegent de verkeerde.’
Jozef pakt de handen die de zegen geven al op om ze te verwisselen,
maar nee, zegt Jakob, ik ken je jongens, ik weet wat ik doe.
Ik weet dat ik de jongste de belangrijkste zegen geef,
zoals ik als jongste ook de belangrijkste zegen krijg.
De eerste plaats is niet voor wie er recht op heb, maar voor de mindere.
Niet degene die vooraan staat, niet degene die de beste papieren heeft.
God kiest niet voor de hoogstgeplaatste, voor degene van wie de weg reeds is uitgestippeld
niet voor de rechtmatige opvolger, maar voor wie op het tweede plan is geraakt.
God doorbreekt de menselijke vanzelfsprekendheden.
Degene die het minst de zegen verwacht, krijgt de zegen.
Toch krijgen ze allebei de zegen.
Zegen is niet altijd direct resultaat.
Op de vervulling kan geregeld lang moeten worden gewacht.
Maar de zegen is wel de zegen: De kracht van God, Zijn bijstand,
Zijn aanwezigheid, Zijn leiding.
Het is een zegen die het verlangen opwekt om ook zo de zegen te ontvangen.
Moge God u maken als Manasse en als Efraïm.
Moge Hij voor u een herder zijn, moge Hij Zijn engel voor u uitsturen.
OOk in het komende jaar.
Zo nemen we van dit jaar afscheid als met Gods zegen, als gezegende mensen.
Amen

Nazareth

Nazareth

In de nieuwste “Theologische Beiträge” schrijft Rainer Riesner over wat er door archeologisch onderzoek bekend is geworden over Nazareth. Riesner is een nieuwtestamenticus die graag archeologische gegevens verwerkt in zijn exegese en reconstructie van het leven van Jezus en het Vroege Christendom.

Kon men in de 20e eeuw nog zeggen dat Nazareth niet bestond, inmiddels zijn er volop bewijzen voor een stichting van Nazareth in de 2e – 1e eeuw voor Christus (munten, scherven). Dat Jezus uit Nazareth afkomstig is geldt tegenwoordig als een van de weinige gegevens waarover onderzoekers eens zijn.

Tot aan de tweede eeuw was Galilea dunbevolkt doordat in de 7e en 6e eeuw de inwoners waren weggevoerd naar Assyrië of Babylonië. Vanaf de 2e eeuw komen er mensen uit Judea zich settelen in Galilea. De inwoners van Nazareth waren dus niet (half)heidens. Dat berust op een verkeerde uitleg van Mattheus 4:15.

Niet bij Josephus genoemd
Nazareth wordt niet bij Josephus genoemd. Vandaar dat men in de 20e eeuw dacht dat Nazareth niet bestaan heeft en men de naam Nazareth aan Jezus verbond om hem een torah-trouwe Jood te maken. Dat Josephus Nazareth niet noemt, heeft met de geringe omvang te maken. Op basis van de teruggevonden begraafplaats gaat men uit van een inwonersaantal van 200-500. Een andere reden waarom Josephus Nazareth niet noemt, is dat in dit kleine plaatsje niets gebeurde ten tijde van de Joodse Opstand. Nazareth werd ook niet verwoest, zoals wel eens wordt aangenomen.

Afgebroken
Omdat in de eerste onderzoeken geen muren gevonden werden dachten sommigen (die niet bij de opgravingen betrokken waren) dat men in grotten woonden. De huizen lijken echter afgebroken te zijn om er een kerk en klooster te bouwen.

Torah-trouw Joden
Bij opgravingen zijn kalkstenen vaten gevonden. Deze niet heel praktische vaten golden binnen het toenmalige Jodendom als cultisch rein (wat zou kunnen duiden op torah-trouwe Joden). Daarnaast is er een restant van wat duidt op een ritueel bad gevonden. Samen met de aanwijzing in Lukas 4:16-20 van een synagoge duidt dat op aanwezigheid van torah-trouwe Joden.
In een oppervlakte-onderzoek uit 2008-2009 kwam naar voren dat er een culturele kloof was tussen Nazareth en het nabijgelegen Sepphoris. In Nazareth grensde men zich meer af voor de hellenistisch-Romeinse omgeving dan in Sepphoris.
Nazareth was mogelijk net als de rest van Israël drietalig: Hebreeuws (vanwege Judese afkomst inwoners en taal van de vroomheid), Aramees en Grieks (vanwege handel met nabijgelegen Sepphoris).

Jodenchristenen
Mattheus brengt het geboorteverhaal vanuit het perspectief van Jozef. Zijn afkomst uit Nazareth is niet onmogelijk, omdat er bericht is van Julius Africanus (ca 160-240) dat hij verwanten van Jozef uit Nazareth sprak. Nog in de 6e eeuw na Christus is er sprake van een gemeenschap van Jodenchristenen in Nazareth. De gemeenschap van Jodenchristenen is in Israël in die eeuwen veel groter geweest dan gedacht. In Mattheus 2:23 wordt de woonplaats van Jezus verbonden met de profetie van Jesaja 11:1 (nzr, spruit). Ook de naam Nazareth komt het meest waarschijnlijk van het woord nzr (spruit). De volgelingen van Jezus worden geregeld Nazareeers genoemd (Handelingen 24:5, nosrim, nasrani).

Davidische komaf
Voor de geboorteverhalen zoals Mattheüs die vertelt is het wezenlijk dat Jezus een nakomeling van David is. Ook in Lukas komt deze gedachte naar voren, zelfs verbonden met zijn komaf uit Nazareth (Lukas 18:37). De uitroep van Nathanaël – ‘Kan uit Nazareth iets goeds voortkomen?’ is geen ontkenning van de davidische komaf van Jezus. Integendeel, juist een bevestiging. Wie niet ziet dat Johannes kennis heeft van de geboorte van Jezus in Bethlehem en zijn davidische afkomst, mist de ironie van Johannes (1:46, 5:29, 7:40-42). Johannes en zijn lezers hadden kennis van deze traditie.

Familie
Als de sporen van de familie van Jezus in Nazareth en zijn volgelingen tot in de 6e eeuw te vinden zijn, zijn de gegevens over Jezus in Nazareth mogelijk serieuzer te nemen. zoals de gedachte dat Geboortekerk gebouwd is op het woonhuis van Jozef en Maria.
In dat geval behoorde de familie van Jezus niet tot de armsten maar tot de (eenvoudige) middenklasse. Galilea was niet het armste deel van Israël maar bleek juist in die tijd economisch het meest stabiel te zijn.

Consequenties voor het onderzoek naar de historische Jezus
Consequenties voor het onderzoek naar historische  Jezus:
(1) Jezus groeide op in een vrome Joodse beweging.
(2) Hij behoorde niet tot de armsten van het land.
(3) Het is niet uit te sluiten dat Jezus Hebreeuws sprak.
(4) In de synagoge werd hij onderwezen in de traditie. Jezus was geen ongeschoolde autodidact, maar iemand die in zijn woonplaats werd geschoold. Met die kennis werd hij de messiaanse leraar leefde vanuit de Schrift van Zijn volk.
(5) davidische oorsprong was een levende traditie, die in Nazareth werd doorgegeven in de families die uit Judea afkomstig waren.

N.a.v. Rainer Riesner, ‘“Was kan aus Nazareth Gutes kommen?” (Johannes 1,46). Archäologie und Geschichte des Heimatortes Jesu’, Theologische Beiträge 48/8 (2017) 324- 339

 

Preken in een tijd van het creatieve gebod: Wees origineel!

Preken in een tijd van het creatieve gebod: Wees origineel!

We leven volgens de Duitse socioloog Andreas Reckwitz in een tijd van het creatieve gebod: Wees origineel! Dat heeft volgens praktisch-theoloog Julia Koll ook gevolgen voor de preekvoorbereiding.

Volgens Koll zijn er de afgelopen decennia de volgende typologieen ontwikkeld mbt creativiteit in de preekvoorbereiding:

Typologieën

(1) Creativiteit is een vrucht van goddelijke inspiratie, verkregen door mediteren (Emanuel Hirsch, Rudolf Bohren).

(2) Volgens Ernst Lange is het geen geestelijk gebeuren maar iets cognitiefs dat gebeurt als je de hermeneutische cirkel van tekst en situatie geregeld doorloopt. Dan krijg je creatieve invallen.

(3) Voor de vroege Josuttis was creativiteit iets psychologisch, dat geremd kon worden door perfectionisme en gestimuleerd door in brainstorm de gedachten de vrije loop te laten gaan.

(4) voor Gerhard Marcel Martin en Albrecht Grözinger heeft het creatieve van de preekvoorbereiding iets van het creatieve proces van een kunstenaar.

Martin Nicol en Alexander Deeg zijn met hun dramaturgische homiletiek verder gegaan op dat laatste spoor: creativiteit is onderdeel van het hele proces van preekvoorbereiding, van verzamelen en uitwerken tot verbeelden en evaluatie.

Koll mist twee elementen in de discussie in de afgelopen decennia:
(5) Creativiteit van de luisteraar.
(6) huidige context van het creatieve gebod: Wees origineel!

Moeten
De Duitse socioloog Andreas Reckwitz typeert onze tijd als de tijd van het creatieve gebod: Wees origineel! We willen van onszelf en moeten van onze omgeving origineel en creatief zijn. Of het nu gaat om de enscenering van ons eigen leven (Facebook, Snapchat, Instagram), of om de event-cultuur  of creative industry – steeds gaat het er om scheppend bezig te zijn aan de hand van kunstzinnige, esthetische idealen.

Invloedrijk
Maatschappelijk werken deze esthetische idealen door op alle terreinen, beroepsmatig en privé: als is gebaseerd op zintuiglijke waarneming en positieve gevoelens en emoties spelen een kernrol. De toename van de esthetiek in onze maatschappij heeft ermee te maken dat je gezien en opgemerkt wilt / moet worden.
Omdat dit op alle terreinen is gaan spelen is het creatieve gebod (‘Wees origineel!’) zo sterk en invloedrijk geworden. Dit creatieve gebod kon zo’n invloedrijke positie krijgen, doordat op het sociale terrein de economie de norm ging worden en alles, ook het privéleven, tegenwoordig via media (zowel mainstream, als social media) gaat.

Effect
Effect van de centrale plaats van dit creatieve gebod is een toenemend gevoel van belasting, het gevoel voortdurend overvraagd te worden (met burnout, depressie, verslaving enz als mogelijke gevolgen) en een toename van verstrooiing en afname van concentratie en aandacht.

Ambivalent
Als de analyse van Reckwitz klopt, dan is creativiteit een ambivalent maatschappelijk thema, waar niet alleen de predikant in de preekvoorbereiding mee te maken heeft. Ook het gehoor heeft een ambivalente houding mbt creativiteit.
Ook de eredienst en de preek hebben te maken met deze maatschappelijke ontwikkeling. Daarom: wie klaagt over het verlies van argumentatie en stevige inhoud in de preek ziet deze maatschappelijke ontwikkeling over het hoofd.

Scheppende kracht
In de homiletiek gaat het niet alleen om aan te sluiten of juist kritisch te reageren op de maatschappij, maar ook om het eigene van de Schrift. Daarom: welke vorm van preken past bij de scheppende kracht van het Evangelie?

Lange duur
Reckwitz schetst twee alternatieven. Hij geeft allereerst aanaan dat er in deze tijd een esthetiek van de herhaling gevraagd wordt. Deze esthetiek is een verzet tegen het activisme dat steeds op zoek is naar iets nieuws. Het gaat om aandacht voor niets steeds veranderd wordt of moet worden, maar voor de lange duur en voor wat voortdurende oefening vereist. Met behoud van het creatieve. Dat geeft ruimte aan de inbedding van de preek in de liturgie (zoals in de laatste decennia als steeds aangegeven wordt).

Onthaasting
Dat biedt voor de preek als middel tot ‘Entschleunigung’ (onthaasting, verlangzaming). Zoals Michael Meyer-Blanck dat verwoordde: zie het esthetische als een poging de hoorder een behuizing voor langere tijd te bieden, waar hij/zij rust vindt om na te denken. In die rust vindt de hoorder de mogelijkheid om op een creatieve manier God en de wereld te ontmoeten. Julia Koll: de onthaasting leidt tot hernieuwde waardering van concentratie en stilte (waarvoor geen creativiteitsacrobatiek nodig is). De verlangzaming in de preek richt zich niet op de beleving, maar op de verdieping.

Deelnemers
Een tweede alternatief van Reckwitz’ visie is creativiteit zonder publiek. Je richt je niet op een publiek van wie je de opmerkzaamheid moet verdienen, maar je gaat ervan uit dat er slechts deelnemers en betrokkenen zijn. Ook dat is niet nieuw in de homiletiek en de liturgiek: de hoorders zijn geen passieve consumenten, maar luisteraars die zelf actief betrokken zijn in het creatieve proces. Julia Koll pleit ook voor letterlijk meer betrokkenheid doordat gemeenteleden zich kunnen uiten. Vergelijkbaar met de jazzimprovisatie. Dit creatieve kan ook in het overige gebeuren in de gemeente opgepakt worden, bijv dmv biblioloog

Julia Koll, ‘Predigtkunst in Zeiten des kreativen Imperativs’, Praktische Theologie 52/3 (2017) 169-176.

Preek Tweede Kerstdag 2017

Preek Tweede Kerstdag 2017
Mattheüs 2:1-23
Tekst: vers 14-15

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Er is een oude profetie die zegt dat als er een kind geboren zal worden
het voorbij is met het  marcheren van de soldaten van de vijand,
die je met hun gestamp je angst inboezemen,
dat de wapens waarmee ze hebben huisgehouden onbruikbaar geworden zijn
en de uniformen waar de sporen van de strijd nog aan te zien zijn
in het vuur verbrand zullen worden.
Er zal een bevrijding zijn en vrede
omdat er een Kind geboren is, een Zoon die aan ons gegeven wordt,
die regeren zal, die de verantwoordelijkheid zal hebben om te regeren.
Deze vredevorst zal voor altijd regeren.

Als dat Kind dan geboren is, gebeurt juist het tegenovergestelde van deze profetie:
Een van de zwartste bladzijden van de Bijbel wordt geschreven
als de soldaten van Herodes het dorp inmarcheren
om in het dorp Bethlehem en de hele omtrek uit voorzorg alle jongetjes te doden.
Herodes laat zich van zijn meest wrede kant zien
omdat de wijzen niet gekomen zijn om hem van informatie te voorzien.
Een stem is in Rama gehoord, geklaag, gejammer en veel gekerm; Rachel huilde over haar kinderen, en wilde niet vertroost worden, omdat zij er niet meer zijn.
Er is geen troost te bedenken voor het dorp dat getroffen is.
Mooie woorden worden er niet geaccepteerd.
Er zit verzet in deze houding: mijn kinderen hebben ze afgenomen,
Ze nemen mij ook niet het verdriet om mijn kinderen af, want ze zijn er niet meer.
Het is de harde werkelijkheid van de wereld waarin wij leven,
Waarin dit Kind geboren is, die de Vredevorst zal zijn.
Een engel waarschuwt Jozef
en nog diezelfde nacht, onder de bescherming van het duister,
gaat Jozef op pad naar een ander land, naar Egypte, samen met het Kind en Zijn moeder.
Balling zijn ze daar in dat land, waar eerder al Abraham naar vluchtte
omdat er in het land dat God hem gegeven had honger dreigde.
Balling net als Jerobeam, die ook voor zijn leven moest vluchten
nadat de profeet Ahia hem tot opvolger van Salomo had aangewezen
en Salomo dat te weten kwam en Jerobeam om het leven wilde brengen.
Zo moet ook Jezus vluchten voor Zijn leven en een veilig heenkomen zoeken in Egypte,
omdat er een koning is die Hem wil doden.
Nog maar net zijn er wijze mannen geweest uit het oosten
om Hem te aanbidden als de nieuwe Koning van Israël die net geboren is.
Ze hebben geknield bij de kribbe
en toen ze vertrokken waren kreeg Jozef een droom en meteen verliet hij Bethlehem.
Een Koning in ballingschap, waar Hij in een vreemd land moet opgroeien.
Dat Christus de hemel verliet en als hulpeloze baby geboren werd,
dat was al een bijzondere weg, dat was al een weg van vernedering, van kruisdragen,
de beloofde Redder, die Koning zal zijn en elke macht zal verbreken,
wordt geboren als een kwetsbaar kindje dat verzorgd moet worden.
Die kwetsbaarheid en die zorg wordt nog groter
als blijkt dat er gevlucht moet worden.
De Zoon van God, de beloofde redder en koning, wordt een vluchtelingenkind.
Zoals zoveel mensen door de eeuwen heen hebben moeten vluchten voor hun leven.
Jezus deelt in hun misère.
Het is al het eerste kruis dat Hij in Zijn leven te dragen heeft.

Dat Gods Zoon een vluchteling wordt heeft de spot opgeroepen.
Enkele eeuwen later was er een felle bestrijder van het christelijk geloof: Celsus.
Hij dreef de spot met deze vlucht:
Als Jezus God was en de macht en het gezag had van God
dan had Hij toch niet hoeven vluchten.
Voor deze Celsus was het een teken van zwakte, ongeloofwaardig,
dat Jezus een veilig heenkomen moest zoeken.
Hij zag het al voor zich: een God op de vlucht, mooie God is dat.
Een God die een zwerverskind is, een asielzoekerskind.
Er is iemand die deze Celsus bestrijdt: Origenes.
Deze Origenes wijst erop dat dit de weg is die God vaak kiest
En zeker met Jezus gaat: De eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten de eersten.
God draait de verhoudingen om.
Machtigen, die geloven dat aan hun macht nooit een einde komen, vallen van de troon.
Jezus draait alle verhoudingen om: de meeste wordt de minste, de Heer een knecht.
En het loopt er op uit dat omgekeerd de minste de meeste wordt,
We zongen het afgelopen zondagmiddag:

Sterk mij door uw tere handen,
maak mij door uw kleinheid groot,
maak mij vrij door uwe banden,
maak mij rijk door uwe nood,
maak mij blijde door uw lijden,
maak mij levend door uw dood!

Omkering van de rollen: het loopt uit op de opstanding van de doden.
Om dat voor ieder mens te laten gelden moest Jezus ook  helemaal mens worden.
Door te vluchten deelt Jezus in ons bestaan;
anders kon Jezus niet de hoop zijn voor al die mensen die door al de eeuwen heen
moesten vluchten voor een beter bestaan of moesten vluchten voor hun leven.
Anders konden al die mensen zeggen: Mooi verhaal, maar wat heb ik er aan?
Wat heeft het met mij te maken,
ik die mijn land moest verlaten omdat ik anders gedood zou worden
en doordat ik gevlucht ben, heeft mijn familie moeten boeten.
Jezus deelt in het leed, in de wonden, in de vlucht, de dreiging voor gevaar.
Toch is dat niet het enige wat Mattheüs ons wil meegeven:
God die weet wat het is om kwetsbaar te zijn, om op de vlucht te moeten,
die weet wat is om bedreigd te worden.
Wat Mattheüs wil zeggen: Kijk verder dan deze Herodes en alle Herodessen die er zijn.
Want als de tijd van Herodes voorbij is komt deze Koning weer terug,
keert de balling naar huis – Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.
De Herodessen in deze wereld hebben het niet voor het zeggen.
Ook al lijkt het er wel op als we het nieuws op ons laten inwerken.
Dictators die hun macht niet uit handen willen geven
en met een woord, een gebaar een hele stad kunnen uitmoorden.
Er zijn heel wat namen te noemen:
Oradour-sur-Glane, Lidice, Putten, Halabja, Tiananmenplein in Peking
– zij weten wat het is om met Rachel mee te treuren over de kinderen die er niet meer zijn.
En toch … Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.
Dat citaat uit de profeet Hosea geeft Mattheüs
nog voordat hij schrijft over de gruweldaad van Herodes.
Uit Egypte, waar de jongetjes in de Nijl geworpen moesten worden,
Waar de vaders zo hard moesten werken,
dat ze geen tijd meer hadden om bij elkaar te komen,
maar dag en nacht als dwangarbeiders moesten werken,
zodat het volk kapot gemaakt zou worden.
Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.
Het Egypte, waar de noodkreten van een lijdend volk naar de hemel stegen
en bij God in de hemel aankwamen,
en al duurde het nog tachtig jaar voordat Mozes geroepen werd
om het volk uit te leiden, tachtig lange, harde jaren,
de poort van Egypte ging open.
Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.
Uiteindelijk mag Israël uit Egypte gaan, uitgeleid door de sterke hand van God.
Steeds als er een Egypte is, een hard bestaan, dan zal er ook een uittocht zijn.
Ook al houdt Herodes nog huis, zijn macht is slechts voor korte duur.
Het is de draak uit Openbaring 12 die wacht tot hij het kind kan verslinden,
maar uiteindelijk zelf verslagen wordt en het onderspit moet delven
en hoe hij ook tekeergaat en slachtoffers maakt, zijn macht is van korte duur,
gebroken is zijn macht en vernietigd.

Uit Egypte heb ik Mijn Zoon geroepen – dat is ook de troost voor Rachel
die niet getroost wil worden, die zich verzet tegen elke troost
En haar machteloosheid, haar waarom, haar verdriet naar de hemel schreeuwt
en ook door God niet getroost wil worden.
Om de pijn en het verdriet van Bethlehem te beschrijven
grijpt MAttheüs terug op een oude gebeurtenis, ook diep ingrijpend,
nooit vergeten door Bethlehem, als een oude wond, nog steeds een litteken.
In de tijd dat de Babyloniërs kwamen om de kinderen van Rama mee te nemen,
als ballingen weggevoerd naar Babel, naar de concentratiekampen ver weg.
Rachel, ze weent om haar kinderen, omdat ze er niet meer zijn, niet meer bij haar,
maar ver weg, onbereikbaar,
ontroostbaar is ze, want die kinderen zullen nooit meer terugkomen.
Voorgoed kwijt.
Een diep, intens verdriet, dat nu in Bethlehem door Herodes wordt herhaald.
De kinderen, ze komen niet meer terug.

Er is iets bijzonders met de tekst die Mattheüs aanhaalt.
Mattheüs die in zijn evangelie een echte bijbelkenner blijkt te zijn laat iets weg.
Want de tekst die hij aanhaalt, geeft juist aan dat er voor de ontroostbare Rachel
troost is, omdat de Heere ingrijpt
en de kinderen uit Babel zal laten terugkeren naar Israël.
Rachel, die ontroostbaar is, zal worden herenigd met haar kinderen.
Maar voor die tweede Rachel?
Mattheüs laat de troost weg.
Hij vertelt alleen dat Herodes sterft en dat er een engel verschijnt aan Jozef
en Jozef opdraagt om terug te keren naar Israël.
Er is bij Jozef nog wel aarzeling, omdat er een zoon van Herodes nu regeert.
Is het wel veilig?
Is dat de troost voor Rachel? Dat Jezus weer terugkeert? Of is er geen troost?
Mattheüs kan alleen maar vertellen over Jezus die terugkeert met Jozef,
nog niet helemaal veilig en daarom maar de uitwijk moet nemen naar Nazareth
en daar verder opgroei.
Mattheüs kan alleen maar vertellen dat de tijd van Herodes voorbij is
en de tijd van Jezus is gekomen.
Mattheüs kan alleen maar vertellen hoe na dertig jaar na het drama van Bethlehem
deze Jezus rondtrekt door Zijn land, als de nieuwe koning,
met meer gezag dan de Schriftgeleerden, lerend over een nieuwe wereld die komt:
Gods koninkrijk, waarin degenen die treuren getroost worden,
waarin de zachtmoedigen het land zullen bezitten
en dat dit koninkrijk er is voor hen die vanwege de gerechtigheid worden vervolgd.
Mattheüs vertelt verder, een heel evangelie lang, over deze koning
tot deze Jezus komt te staan voor iemand die Herodes opgevolgd heeft: Pilatus.
Pilatus die voor elkaar krijgt wat Herodes niet gelukt is:
Om deze koning te doden, uit de weg te ruimen.
Hoe deze koning aan het kruis wordt bespot als een machteloze,
iemand die zei dat Hij een redder zou zijn, maar zichzelf niet kan redden,
iemand die de koning van Israël zou zijn, maar daar troont op een kruis
gekroond met een doornenkroon en sterft aan het kruis
Daarmee is het verhaal van Mattheüs niet uit.
Rachel, het verhaal van dit Kind van jou gaat verder,
Treur niet te lang, wees niet ontroostbaar,
want kijk wat er op de eerste dag van de week gebeurt,
Als de sabbat voorbij is, de dag waarop God rustte van Zijn werk:
De engel die afdaalt en de steen wegrolt en opnieuw de Zoon wegroept uit Egypte,
Uit het Egypte van de dood
En zoals de soldaten van Herodes Jezus niet konden doden, God hen te snel af is,
Kunnen de soldaten van Pilatus Jezus niet in de dood houden,
ook hen is God te snel af.
Daar komt Hij uit het graf, die gekruisigd is geweest en leeft.
En nog, Rachel, is Zijn verhaal niet, van deze Zoon van jou.
Het eindigt ermee, dat Hij op de berg staat en tegen Zijn leerlingen zegt:
Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
Houd dit voor ogen: Ik ben bij jullie, alle dagen, tot aan de voleinding van de wereld.
Zo is Hij ook jou nabij, Rachel, in je verdriet,
Zoals Jezus er is als er weer een nieuw Bethlehem is,
als er weer een stem van geween uit Rama klinkt, en Rachel niet getroost wil worden.
In het donker van de wreedheid,
als je machteloos moet toekijken hoe je kinderen worden je worden afgenomen.
Ik ben bij je – Mij is gegeven alle macht.
Is dat het einde van het verhaal?
Nee, pas als de wereld voltooid is, dan is het verhaal voorbij.
Dan is de rouw van Rachel voorbij,
Want dan worden ook haar kinderen uit het Egypte van de dood geroepen
en bij Rachel teruggebracht,
Dan is de boze vijand, dan is Herodes en alle Herodessen die er zijn geweest,
Verslagen en de draak zal geen dreiging meer kunnen uitoefenen.
Dan wordt het waar als het Koninkrijk van de hemelen er is en Christus koning.
degenen die treuren getroost worden,
de zachtmoedigen het land zullen bezitten
dat dit koninkrijk er is voor hen die vanwege de gerechtigheid worden vervolgd.
Samen met Rachel kijken wij uit naar die dag
dat er werkelijk vrede komt op deze wereld
en ondertussen weten we en houden we ons eraan vast,
dat geen enkele Herodes hier het laatste woord heeft,
maar dat vooraf aan wat er komen gaat deze belofte staat:
Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen, uit elk Egypte, zelfs  uit het rijk van de dood.
en Hij legde Zijn rechterhand op mij en zei tegen mij: Wees niet bevreesd,  Ik ben de Eerste en de Laatste. en de Levende, en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid.
Amen.

Preek Eerste Kerstdag 2017

Preek Eerste Kerstdag 2017
Lukas 2:8-20
Tekst: en de heerlijkheid van de Heere omscheen hen (vers 9).

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als Jezus geboren wordt, zijn er buiten het stadje Bethlehem, in het veld herders.
Als het nacht is houden deze herders de wacht over de schapen die ze bij zich hebben.
Ze beschermen de schapen tegen het gevaar dat er in de nacht kan zijn:
het gevaar van schapendieven die in het donker een schaap willen stelen,
het gevaar van de wilde dieren die van het donker gebruik willen maken
om onder de beschutting van het donker een makkelijke prooi te hebben.
In de nacht waarin de meeste mensen slapen, zijn de herders wakker,
omdat zij de schapen moeten bewaken en beschermen.

Dan is er in die nacht een engel, die voor hen een boodschap heeft:
Er is een Kind geboren, niet zomaar een kind dat hen grote vreugde zal brengen,
voor iedereen die het geloven wil.
Voordat de engel deze boodschap uitspreekt, gebeurt er eerst iets anders.
Als de engel neerdaalt bij de herders, brengt hij een licht mee,
zo helder en indrukwekkend, geen gewoon licht,
maar het licht uit de hemel, het licht dat bij God vandaan komt.
De herders die in het donker van de nacht bij elkaar zijn om te waken
worden in dat hemelse licht van God geplaatst:
de heerlijkheid van de Heere omscheen heen.
De heerlijkheid van de Heere – dat is meer dan het licht van de dag, meer dan zonlicht,
het is het licht van God zelf, zo stralend en indrukwekkend.
Wie de heerlijkheid van de Heere ziet, kan zeggen dat hij God zelf gezien heeft.
Hier in de nacht, waar de herders zijn bij hun kudde, komt dat licht van God,
zijn heerlijkheid, als een verschijning van God zelf.
Dat licht van God breekt de nacht open en plaatst de herders in dat licht van God.
De engel brengt Gods licht mee naar de aarde en brengt het licht van God op de aarde
om daarmee aan te kondigen dat er een tijd zal komen
dat de hemel op aarde zal zijn en dat God zelf hier op aarde zal zijn, tussen ons mensen
en dat de nacht, die soms zo heel duidelijk aanwezig kan zijn, voorbij is en beëindigd is
door God die zelf komt en die Zijn licht op aarde breekt.

Het is nacht als de herders bezig zijn met hun werk.
De nacht – dat kan gewoon het tijdstip zijn:
ze zijn aan het werk, terwijl veel andere mensen slapen.
Zoals er nu nog mensen zijn die ‘s nachts moeten werken.
Het kan ook een subtiele aanwijzing zijn, dat het donker is om deze herders heen.
Een donkere tijd waarin ze leven.
Het kan voor u op dit moment ook wel donker zijn,
waardoor Kerst dit jaar anders is dan vorig jaar.
Je hebt een moeilijk jaar achter de rug van gevecht tegen de depressies,
je werd ziek of je moet iemand uit je directe omgeving omgeving missen, die overleden is.
Dan kun je tegen Kerst opzien, zoveel mensen die het gezellig hebben,
maar in jouw leven is dat er niet, omdat de glans ervan af is, voor even of voorgoed.
De glans die de engel op aarde bracht, die zie je niet, meer het donker waarin je zit.
Je kunt je heel alleen voelen, juist met deze dagen waarop het gezellig hoort te zijn.

De komst van de engel, zijn boodschap en het licht dat hij uit de hemel meebrengt
is bijzonder: de engel laat aan de herders en aan ons weten
dat God ons op de aarde niet alleen laat,
maar dat Hij zelf neerdaalt waar het donker is, waar dat licht van Hem gemist wordt,
daar komt Hij hoogst persoonlijk, om dat licht weer terug te brengen.
Het volk dat in duisternis wandelt, zo kondigde de profeet Jesaja aan, zal een groot licht zien
Zij die wonen in het land van de schaduw van de dood, over hen zal een licht schijnen.
Dat is wat er bij de herders gebeurt.
Het is een aankondiging, dat God de aarde niet vergeten is,
dat Hij zelf uit de hemel neerdaalt, met die engel mee
en ook in dat kleine kindje dat geboren is in de stal en in doeken gewikkeld ligt.
Het is het begin van een missie, waarop God aan ons laat weten
dat elke duisternis verdreven zal worden van de aarde, die ons gevangen houdt.
En dat licht dat de engel uit de hemel meebrengt, kondigt aan hoe de wereld zal worden
als dat Kind dat geboren is, als Jezus Zijn werk zal volbrengen aan het kruis
en als Hij uit de hemel weer terugkeert:
dan zal de hele wereld vol zijn van deze heerlijkheid van God, van dit licht van God.
De engel kondigt het aan: de duisternis, dat donker is niet het laatste,
dat de glans er voorgoed af is, is toch niet het laatste.
De engel, zijn komst is een voorbode van een nieuwe tijd,
Waar we als kerk ook naar uitkijken: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, een nieuw leven
dat er zal komen, omdat dit Kind voor ons geboren is, omdat Jezus kwam in een kribbe,
God die mens werd, vanuit de hemel waar Zijn heerlijkheid en glans is,
naar de aarde waar Gods nabijheid zo vaak gemist wordt,
waar de glans wordt gemist omdat je iemand kwijt raakt,
omdat mensen elkaar pijn doen, landen in oorlog zijn, mensen elkaar geweld aan doen
of leven in een wereld waarin gevochten wordt, waarin onrecht heerst,
zonder dat het er op lijkt dat er een einde aan komt.
Er is zoveel donkerheid op deze wereld.
In de Bijbel wordt die donkerheid niet ontkend, ook in de Bijbel zien we het leed van mensen,
lezen we hoe mensen de vreugde missen en snakken naar een teken van God.
Tegelijkertijd geeft de Bijbel ook aan dat God bezig is
om het donker te verdrijven, om een nieuwe wereld te brengen
zonder lijden, zonder dood, zonder onrecht, zonder zonde.
Het begint heel klein: een klein kindje geboren, hulpeloos en teer – en toch: Gods Zoon.
Een engel die aan een klein groepje mensen verschijnt
en aan hen Gods heerlijkheid en licht brengt,
in een wereld waarin de keizer van Rome het voor het zeggen lijkt te hebben
en met één bevel de hele wereld in beweging kan brengen
omdat hij wil weten hoeveel mensen er in zijn rijk zijn,
om te weten hoe groots zijn aanzien is
en om te weten hoeveel mensen hij kan ronselen
voor de oorlogen die gevoerd moeten worden om de vrede te behouden.
Dan is het licht van die engel maar een klein lichtje in die grote donkere wereld.
en toch geweldig, want die engel maakt waar wat er in Psalm 139 staat:
Als het nacht is, zal die nacht helemaal licht worden, verlicht worden,
omdat God zelfs in het donkerste van de nacht er zal zijn
en sterker is dan welke macht van het donker ook.
Geen wonder dat de herders bevreesd zijn.
Moet je voorstellen: dat Gods heerlijkheid hier vanmorgen over ons komt.
Dat we ons opeens bevinden in een heilig licht van God afkomstig,
omdat God zelf hier in ons midden afdaalt.
En toch: vreest niet, ik kom met goed nieuws voor iedereen, voor heel het volk.
Niet alleen voor jullie, herders, maar het is een boodschap vol vreugde voor iedereen.
Die heerlijkheid, die glans die jullie nu mogen zien, die over jullie komt
En waar jullie van huiveren, komt er terug op aarde.
Het Kind dat geboren is in de kribbe zal het terugbrengen.
Het Kind dat geboren is, Jezus, klein en teer, is het teken
dat er een andere tijd zal komen, dat Gods tijd weer zal aanbreken
en dat is goed nieuws voor ons.

De herders zullen het vol verbazing hebben aanschouwd.
En als de heerlijkheid, die glans over hen nog niet genoeg is,
komt er een heel koor van engelen, die de boodschap van de eerste engel onderstreept:
Ere zij God, vrede op aarde, in mensen een welbehagen.
De hemel is vol vreugde, vol engelen, die de herders willen aansporen
om met eigen ogen te gaan kijken dat het waar is wat de engel zegt.
Ook ons sporen de engelen aan om te kijken, te kijken in geloof
om met de herders mee te gaan, naar de stal van Bethlehem
om daar in eerbied mee te knielen
om daar in eerbied mee te knielen
Om mee te zingen met de engelen,
om het net als de herders te vertellen tegen iedereen die we tegen komen

Wij staan aan een kribbe, aanschouwen de bron,
de oorsprong der schepping, de rijzende zon:


Hoe diep ook het  duister waarin Hij verschijnt,
zijn ster aan de hemel heeft alles omlijnd.
Hij is ons tot lichtbron in donkere nacht.
Het zonlicht van Pasen wint hier al aan kracht.,
Amen

Preek 17 december 2017

Preek 17 december 2017
Preek jongerendienst. Thema: Wat trek jij aan met Kerst?
N.a.v. Romeinen 13:8-14
24232378_1724355950931116_7173329242606294367_nVanmiddag komt mijn broer met zijn vrouw
om hier bij ons het kerstdiner te gebruiken.
Ik ben de hele week al bezig met nadenken:
Wat doen we met dit kerstdiner? Wat zetten we op tafel?
Want ja, mijn broer heeft stijl.
Misschien komt dat wel door zijn vrouw…
En weet je hoe hij er altijd uitziet?
Het is altijd, ja hoe zal ik het zeggen: verrassend,
een soort sjiek, maar dan ook weer een soort losjes.
Als hij komt, dan kijk ik toch altijd naar zijn kleren
en dan heb ik het idee dat ik zelf er maar gewoontjes bijloop, wat ik ook aantrek.
Daarom ben ik er al een paar dagen mee bezig, wat ik aantrek.

[voorbeelden: colberts/gilet & pyjama]

Hebben jullie dat ook, dat je al heel lang van tevoren
erover nadenkt wat je zult aantrekken?

Ik weet nog goed hoe toen ik klein was
Er een kerstboom uit ons tuintje
in de kamer werd gezet.

Ach nee, bij ons werd er nooit een kerstboom in de tuin gezet,
dat was heidens.
Wat we wel eens deden: na nieuwjaar kerstbomen bij ons in de tuin zetten.
Hadden we toch een kerstboom.
En een kerstdiner hadden we ook niet,
want we moesten veel naar de kerk:
Op Eerste Kerstdag 2x
en op Tweede Kerstdag hadden we ‘s morgens een gewone kerkdienst
en ‘s middags een lange kerstviering van de zondagsschool in de kerk.
Daarom aten we altijd heel eenvoudig met kerst.
Heel af en toe hebben we met Kerst gegourmet,
als ik de foto’s mag geloven
maar ik kan me het niet meer herinneren.

En toch, weet je: de kerstvieringen vond ik altijd bijzonder.
Ook de kerstviering op school:
‘s avonds laat nog naar school (zo voelde het), de zondagse kleren aan.
in het donker op school, kaarsen aan, de kerstliederen,
de sfeer, de vertelling uit de Bijbel, het kerstverhaal.
Heb jij ook een mooie herinnering aan de kerstvieringen?
Ik weet nog goed hoe toen ik klein was
Weet je, voor mij hebben die kerstvieringen mij geholpen, denk ik zo,
om als kind te geloven in dat Kind dat kwam,
Gods eigen Zoon in de kribbe,
Dat Hij kwam voor mij.

Daarom is het voor mij een feest dat veel betekent, ik hoop voor jullie ook.
Maar ja, nu komt mijn broer met kerst
en ik ben nu veel meer bezig met hoe het in de kamer er uit moet zien, hoe de sfeer is,
Wat er op tafel moet staan, wat ik aantrek.
Kun jij ook zo er mee bezig zijn hoe anderen over je denken?
Hoe zij het bij jou vinden om bij jou in huis te zijn?

Ik ben daar haast meer mee bezig dan waarom ze komen
en waarom we feestvieren,
Waarom het gezellig is:
Omdat er een Kind geboren is, niet zomaar een Kind, de Redder.
Hij kwam in een wereld, die helemaal niet zo gezellig was,
in een stal, omdat niemand zijn ouders een plekje in huis wilde geven, nergens welkom.
De Redder – en nergens welkom!
Kun jij dat voorstellen, dat je nergens welkom bent
en dat je maar in een schuur geboren wordt
en neergelegd wordt in een kist waar eerst dierenvoer in zat?
Kun je je voorstellen dat je ouders nadat je geboren bent
snel hun spullen moeten pakken
en op de vlucht moeten naar een ander land,
omdat je anders gedood wordt?
Wat kunnen wij ons dan druk maken over wat we moeten aantrekken!
Is Hij bij jou wel welkom?
In jouw hart, in jouw leven?

Er komt een dag, waarop Jezus terugkomt, het Kind van Bethlehem.
Hij komt dan niet terug als kind, maar als Koning.
Ben jij daarop voorbereid?
Want je kunt je wel, net als ik, op een feestje met elkaar voorbereiden,
maar uiteindelijk gaat het erom, dat we deze Koning kunnen ontmoeten.
Dat betekent niet, dat je elk moment aan Hem moet denken,
maar wel dat als Hij komt, dat je dan niet verrast bent,
maar juist blij bent: Heere Jezus, mijn HEER, U bent gekomen!
Ik heb er naar uitgekeken!

Weet je, zegt Paulus, die dag komt snel dichterbij.
Nu is het nog donker op deze wereld, niet gezellig donker,
maar duister, verkeerd en dreigend.
Mensen die alleen maar denken aan zichzelf
en dat zij het maar goed hebben en een ander laten stikken.
Die van anderen kunnen stelen – ik kan me dat niet voorstellen
wat daar aan is, dat je van een ander steelt.
Die vriendschappen of relaties kapot maken, omdat ze alleen maar met zichzelf bezig zijn en hoe zij gelukkig kunnen worden,
ook al is dat ten koste van anderen.
Ze kunnen zich soms heel mooi voordoen, mooi aankleden,
de duurste kleren kopen
en indruk maken met hoe ze voor de dag komen
en toch is het leeg in hun leven, hebben ze niets en zijn ze niets.

Weet je wanneer je pas iets bent en iets hebt?
Als je gelooft in Jezus, als je Hem toegelaten hebt.
Weet je wat je er gebeurt als je gaat geloven?
Dan wordt het weer licht in je leven, dan wordt het dag,
het licht gaat schijnen in je leven en over je leven.
Net zoals toen de engel bij de herders kwam.
Het is dan niet meer donker, niet meer duister.
Je mag opstaan, een nieuw leven krijgen.

Er kunnen van die dagen zijn, waarop je moeilijk kunt opstaan.
Misschien heb je dat juist wel in deze dagen als het donker is en koud.
Je weet niet wat je aan moet trekken
en daarom ga je eerst maar eens naar beneden om te ontbijten
om als je wakker bent dan te kijken wat je aandoet.
Ook al is het donker, dan is er toch al een nieuwe dag begonnen.

Zo legt Paulus uit hoe het voor ons om uit te kijken naar de Wederkomst.
Het lijkt nog donker om je heen:
Je ziet zoveel mensen die niet geloven in Christus,
er niet mee bezig zijn dat er er een God is,
of er niet voor hen zelf mee bezig zijn.
Misschien jijzelf ook nog niet.
Dan slaap je nog, terwijl het al dag geworden is!
De dag is al begonnen zegt Paulus, want Jezus is al geboren,
Hij is al gestorven en jij mag geloven dat Hij ook voor jou gekomen is.
Maar dan moet je ook opstaan
en je pyjama uitdoen,
want in het echt ga je ook niet met je pyjama aan naar school,
naar de kerk, naar vrienden, naar de winkel.
Je trekt kleren aan, op een gewone dag misschien gewone kleren
en op een speciale dag speciale kleren
waar je al lang over nagedacht hebt.

Als je gelooft, heb je een nieuw leven, ben je aan de dag begonnen,
je slaapt niet meer, maar je bent wakker geworden.
Daar horen nieuwe kleren bij: Bekleed je met de Heere Jezus Christus.
Trek Christus aan, zoals je elke morgen aankleedt.

Hoe doe je dat dan?
Dat is allereerst: geloven. Geloven dat Jezus ook jouw Heer wil zijn.
Dat je zegt: Wilt U ook in mijn hart komen?
Heb je dat al eens gedaan?
Maar ook: dat je als christen leeft.
Dat je in wat je doet bewust bent: Ik hoor nu bij Christus.
Dat is ook wat anderen aan mij zien.
Liefde en bewogenheid, de liefde en bewogenheid van Christus.
Je doet een aantal dingen niet meer, omdat ze niet bij Christus horen.
Alles wat niet bij Christus past, dat doe je uit, zoals je je pyjama uitdoet.
Daarmee kun je Christus niet onder ogen komen
als Hij terugkomt.
Wat moet je dan uitdoen? Wat kan niet meer?
Teveel eten, vreten – want dan denk je alleen aan jezelf
en is je buik je god waarvoor je knielt.
Niet teveel drinken en niet dronken worden.
Niet steeds aan seks denken of porno kijken.
Geen ruzie meer maken
of ook niet ervoor zorgen dat twee anderen ruzie met elkaar krijgen.
Niet jaloers meer zijn.
Daarmee kun je niet voor Christus komen als Hij komt.
Alleen als je Hem aangetrokken hebt,
als je gelooft, als Hij in je hart leeft en ook als je leeft uit Hem.

Dat kan best moeite kosten – dat kost strijdt.
de werken van de duisternis afleggen
en de wapens van het licht aandoen
[Geestelijke wapenrusting: met Kerst uniform aandoen!]
Maar het is de moeite waard! Neem dat maar van mij aan.
En je bent goed voorbereid voor als Jezus terugkomt.

Dus … wat trek je aan met Kerst?
Dat mag van alles zijn. Zelfs je pyjama.
Als je maar de Heere Jezus hebt aangedaan.
Als je opgestaan bent en leeft alsof het al dag is,
alsof het al de dag is dat Christus is teruggekomen.
Dat als Hij komt je niet schrikt,
maar zegt: Welkom HEER. Ik had U al verwacht. Amen