Dubbele geesteshouding

Dubbele geesteshouding

Op 2-3 juni werd de predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond gehouden. Deze conferentie ging over het boek van Stefan Paas, Vreemdelingen en priesters.

Op de tweede dag was er een lezing van collega C.M.A. van Ekris. Hij pleitte voor een houding van parrhesia: met een vrijmoedig geloof midden in de seculiere cultuur staan (zonder geïmponeerd te raken door de seculiere cultuur). Dat houdt voor hem een dubbele geesteshouding in:

  • Een geesteshouding van mystiek: afgekeerd van de wereld en nauw in contact met God, een leven uit de Schrift en het gebed.
  • Tegelijkertijd een houding waarbij we midden in onze eigen tijd en eigen cultuur staan en ons daar helemaal aan geven: een delen in de mooie kanten van onze cultuur maar ook in het lijden van deze cultuur. (aangedaanheid).

Het gaat hem om een geestelijk leven dat niet afdingt aan een van deze beide zijden. De parrhesia kan alleen als je midden in de cultuur staat en daarin ‘verantwoordelijkheid voor God neemt’ (Rowan Williams). Parrhesia is dan in de seculiere cultuur wandelen in de vrijheid God.

https://www.youtube.com/watch?v=CQnLl1aRdVI

Deze dubbele geesteshouding is voor ons als predikanten van belang. Het is ook van belang om deze geesteshouding de gemeente aan te leren. Deze geesteshouding is niet een bedoeld als een optimistische houding die al het negatieve wegwuift. Wel een houding die rekening mee houdt dat God in elke samenleving en elke tijd – ook de meest seculiere – kan ingrijpen.
Als de gemeente deze dubbele geesteshouding geleerd wordt, is het van belang zowel de ervaring van God als het gemis aan God door te geven. De dubbele geesteshouding is dan een vorm van volharding, die volhoudt in het geloven als de ervaring van God achterwege blijft.

Het viel Van Ekris op dat veel van zijn generatiegenoten niet geleerd is om weerbaar in het geloof te zijn. De kerk moet die weerbaarheid gaan aanleren. Hij doelde niet op een apolegetische houding, waarbij men de discussie niet schuwt, maar een innerlijke houding om niet geïmponeerd te raken door deze cultuur of door het gemis aan God.

Reflectie
1) Van Ekris raakt een belangrijk punt m.b.t. de weerbaarheid en de ervaring van Gods afwezigheid.
Het valt mij op dat deze ervaring nooit in methoden van (belijdenis)catechisatie aan de orde wordt gesteld. In Hou(d)vast komt het wel even aan de orde, maar dan op een theoretische manier. Het is van belang om in de catechese (en helemaal in de belijdeniscatechese) te leren wat aanvechting is en kan doen en welke houding daarbij nodig is.

Enkele jaren geleden kreeg ik een flink aantal jaargangen uitgeschreven preken (Genade voor genade, Uit de levensbron). Ik schat in dat het aantal preken die de aanvechting serieus neemt op één hand te tellen is. Van de preken die ik zelf gehoord heb, ging zelden een preek over de ervaring van aanvechting en het uithouden van de aanvechting. Meestal werd de aanvechting óf uit de weg gegaan óf weggeredeneerd.

2) Van Ekris pleit voor een dubbele geesteshouding. Het valt mij in de praktijk van de gemeente dat velen de mystiek of de verborgen omgang met God ontzettend ingewikkeld vinden. In het afgelopen seizoen van de belijdeniscatechisatie kwam steeds de vraag terug hoe in een druk leven toch tijd voor God gevonden kan worden en hoe we de signalen die God op ons afzendt kunnen waarnemen.
Daarnaast valt het me ook voortdurend op dat veel gemeenteleden eigenlijk niet kunnen bidden. Bijbel lezen gebeurt wel als praktijk. Maar ik schat in dat de meeste gemeenteleden niet goed weten hoe ze de Bijbel moeten lezen als versterking van hun geloof of als een luisteren naar Gods stem.
Naast het aanleren van de weerbaarheid is het ook van belang de gemeente in te wijden in de omgang met God.

3) Het is bij de dubbele geesteshouding van belang om midden in deze tijd te staan. Zelf kom ik uit de traditie waarin een combinatie was van een mijden en een antithese. De cultuur moest gemeden worden of er moest een verantwoord alternatief geboden worden.

Onlangs kreeg ik de vraag of ik iets wilde schrijven over het gebruik van films op catechisatie of tijdens de kerkdienst. Mijn eerste reactie was: dat kan alleen vanuit die dubbele geesteshouding. Films (of andere voorbeelden) kunnen in de kerkelijke praktijk alleen maar gebruikt worden als je films kijkt omdat je houdt van het kijken naar films. Niet omdat je op zoek bent naar illustraties. Want dan instrumentaliseer je een middel zoals een film. Dat geldt ook voor het lezen van literatuur, gebruik van songs, enz.

Ik merk dat ik slechts voor een deel midden in de cultuur sta. Ik kijk wel films maar bewust weinig tv en volg het nieuws slechts op beperkte schaal. Ik heb een bepaalde afstand nodig naar media en nieuws toe om de mystiek, de verborgen omgang met God niet in het gedrang te laten komen. Wanneer ik teveel opga in deze cultuur ben ik te onrustig voor Bijbel en gebed. De monniken hebben goed begrepen: je trekt je af en toe terug uit deze wereld om je aan God toe te wijden. Door deze toewijding kunnen ze dan weer zich beter toewijden aan hun dienst in de wereld. Het zou voor de gemeente goed zijn om bepaalde monastieke gebruiken te integreren in het dagelijks leven.

Welke aanknopingspunten biedt de gereformeerde theologie in deze tijd?

Welke aanknopingspunten biedt de gereformeerde theologie in deze tijd?

In welke tijd leven we? Hoe moeten we ons tot die tijd verhouden? Herman Oevermans, docent filosofie aan de CHE was gevraagd om te vertellen wat de veranderde tijd betekent voor de identiteit van de Gereformeerde Bond. 

Oevermans zet gelijk in met een kritische vraag: ‘Waarom zouden de hervormd-gereformeerden hun identiteit moeten bewaren?’ Het begrip identiteit is volgens niet eens zo oud: afkomstig van de psycholoog Erikson. ‘Misschien is de Geest bezig om vormen af te breken.’
De eenheid van het leven is verdwenen. Voorheen deed je als gelovige alles binnen de zuil. Oevermans wijst erop, dat er een verlangen is om die eenheid terug te willen. Een voorbeeld hiervan vindt hij het boek van Bart-Jan Spruyt over ds. J.T. Doornenbal. Hij vraagt zich af of dat verlangen naar die eenheid ermee te maken heeft, dat voor het gevoel van de aanwezige predikanten dit de enige context waarin te preken valt over zonde en genade.

In welke tijd leven we? Hoe moeten we ons tot die tijd verhouden? Herman Oevermans, docent filosofie aan de CHE was gevraagd om op de conferentie, die de Gereformeerde Bond en de IZB hadden belegd over Geestelijk leiderschap in tijden van crisis te vertellen wat de veranderde tijd betekent voor de identiteit van de Gereformeerde Bond.

Welke factoren maken de Gereformeerde Bond onrustig?
Volgens Oevermans maken we nu het ineenstorten mee van de utopie van het neokapitalisme. Oevermans verwijst naar de boeken van Hans Achterhuis (De utopie van de vrije markt) en van Ton Lemaire (De val van Prometheus). Op basis van deze auteurs wijst hij op de spirituele crisis, die ten grondslag ligt aan de economische crisis. Christenen moeten volgens hem aan de bak. Dat geldt ook voor de milieucrisis. De seculariserende machten die in deze crises aanwezig zijn, zijn reële machten die invloed hebben (Ad Verbrugge spreekt over sferische machten).
Progressie is niet altijd positief. Oevermans verwijst naar de meditatie van Walter Benjamin over een schilderij van Paul Klee. Dit schilderij, getiteld Angelus novum, was voor Benjamin de verbeelding van de engel van de geschiedenis. De engel kijkt achteruit, maar wordt door de wind van de vooruitgang weggeblazen uit het paradijs. De engel is ziet er geschonden uit.

Netwerksamenleving
De tijden zijn veranderd. Aan de verdwijning van de eenheid van het leven liggen 3 factoren ten grondslag: (1) democratisering, (2) het verdwijnen van de standenmaatschappij, (3) de verdwijning van de burgerlijke waarden.
De levensstijl van de huidige dertigers past bij de netwerksamenleving. In de hectiek van deze samenleving zijn zij op zoek naar kwaliteit. De zondagse eredienst moet voor hen kwaliteit hebben. 60% van de CHE-studenten gaan, voordat zij zich aansluiten bij een gemeente, eerst op zoek naar een kerk die bij hen past. Volgens Oevermans moeten we dit zoeken naar een eigen gemeente niet veroordelen.
De veranderde levensstijl heeft gevolgen. Ongemerkt kan men de kerk uitglijden. Niet omdat men het plotseling niet meer geloofd. Het geloof is langzaamaan van hen afgegleden. Oevermans wijs op een interview dat hij voor Wapenveld hield met de historicus Peter van Rooden, die theologie studeerde om predikant te worden.

Welke intuïties uit de gereformeerde traditie kunnen helpen?
Prof. dr. A.van de Beek hield op de CHE een lezing over het verschil tussen evangelischen en reformatorischen. Dat verschil moest niet overdreven worden. Het werkelijke verschil tussen hen zit in de antropologie. Bij de reformatorischen gaat het (in tegenstelling tot de evangelischen niet om de activiteit van de mens), maar om de receptiviteit. De mens is een ontvangend wezen. Het gaat om ontvankelijk, om aanspraak. Zoals Van de Beek in zijn boek Jezus Kurios zegt, dat hij gelooft omdat hij aangesproken is.
Deze receptiviteit kan in het beeld gevangen worden van het leven als een reis. Deze reformatorische gedachte kan de hedendaagse mens aanspreken. Het leven is geen project dat ik zelf moet verwerkelijken, zoals de postmoderniteit zegt, maar een reis. Of, zoals reformatorischen ook zeggen: een voortdurend afsterven en opstaan.
(Overigens, Oevermans gaf dat niet aan, maar volgens de socioloog Peter L. Berger is het levensproject niet iets waar de hedendaagse mens voor kiest. De postmoderne mens wordt gedwongen om het project van zijn eigen leven te voltooien.)
Hij wijst op 3 publicaties waarin het beeld van de reis voorkomt:
* Kluun, Komt een vrouw bij de dokter, waarin de hoofdpersoon na onstuimig leven in Australië tot zichzelf komt.
* Susanne van der Schot, De minnaar, de monnik en de rebel. In dit boek doet Van der Schot verslag van haar zoektocht naar discipelschap. Zij leest het Markusevangelie. Voordat zij dit boek schreef, had Van der Schot (die zonder geloof is opgevoed) enige tijd in het klooster gezeten.
* Gerard Visser, een filosoof die van huis uit katholiek was. Deze filosoof is bezig met onder andere levensfilosofie. In een essay over de ziel, dat hij schrijft aan de hand van een bespreking van het gedicht Awater van Martinus Nijhoff geeft Visser aan, dat er in het leven niets kado is.

M.J. Schuurman

NB: Deze lezing is mijn eigen samenvatting. Het is de bedoeling dat de lezingen van de GB-conferentie worden gepubliceerd.

Pleidooi voor een nieuw elite, die contact houdt met het volk

Pleidooi voor een nieuwe elite
De visie van Ad Verbrugge op de rol van religie in de moderniteit

De Gereformeerde Bond heeft predikanten uitgenodigd op een conferentie om na te denken over “geestelijk leiderschap in deze tijd”. De eerste lezing wordt verzorgd door dr. Ad Verbrugge. In zijn visie heeft de crisis van het christendom te maken met het verdwijnen van de burger. Hij ziet de toekomst voor de kerk en de predikant in de vorming van een nieuwe elite, die contact houdt met het volk. Een synthese van aristocratie en democratie.

Verbrugge vindt de secularisatie zorgelijk. Hij verwijst naar de Bijbel als een boek vol verhalen van een volk die haar religie verloren heeft. Volgens hem duidt Nietzsches beschrijving van “de dod van God” niet alleen op een probleem voor de religie, maar voor de gehele samenleving.
In de leegte die ontstaat, kunnen andere machten hun invloed uitoefenen: de dictatuur in de jaren-’30 en -’40 en het individualisme van de jaren-’60. Bij religie is de gemeenschap in het geding. Volk en vaderland kunnen niet zonder religie.

Verlichting
Niet voor niets ontstaat in de tijd van de Reformatie een nieuwe staatsvorm. Wanneer religie zich bevrijdt, krijgen bepaalde andere groepen een nieuwe sociaal-economische rol. In plaats van de aristocratie komt de burger. De Reformatie was ook anti-feodaal. De bevrijding op religieus vlak was ook een bevrijding op sociaal-politiek vlak. In Nederland kreeg deze nieuwe vorm regenteske trekken.
De visie dat de Verlichting zich tegen de religie keerde is slechts gedeeltelijk waar. Locke schreef in een puriteinse samenleving en Kant was van oorsprong een piëtist. In de Verlichting zijn elementen uit de Reformatie geradicaliseerd,  gerationaliseeerd en ontdaan van de metafysica.  
Bijvoorbeeld de reformatorische visie van de individuele band met God. De leus “Vrijheid, gelijkheid en broederschap” kwam in feite voor binnen de protestantse geloofsgemeenschap en werd binnen de Franse Revolutie gebruikt zonder metafysische oorsprong. In plaats van de christelijke geloofsgemeenschap komt de natiestaat, gebaseerd op de volkssoevereiniteit.
Dit opkomend nationalisme werd volgens Verbrugge in Nederland door de verzuiling getemperd. In Nederland was er sprake van bemiddeld nationalisme. De verzuiling was eigenlijk ook een romantische illusie: men ging ervan uit dat het leven een eenheid was.

De jaren-’60
De jaren-’60 waren volgens Verbrugge een veret tegen de nationale burgerman. In plaats van nationalistisch werd men kosmopolitisch. Het individu werd ook op het terrein van het lichamelijke bevrijd. Dit leidde tot een paradox: de zelfverwerkelijking werd een zelfverlies. Toppunt was “de volgende morgen  niet meer weten wat je de vorige avond had gedaan”. Het centraal stellen van het individu en zijn beleving leidde tot het verdwijnen van het individu.

Kentering
In de 21e eeuw komt er een kentering. De seksuele revolutie was alleen een reactie en creëerde geen nieuwe vormen van gemeenschap. De babyboomers waren niet in staat om aan te geven wat het goede leven was.
Verbrugge ziet een kentering, die effect heeft op de rol van religie in deze maatschappij. Er is sprake van opnieuw doordenken van wat vrijheid is. Men is sceptisch ten opzichte van rationaliteit (zelfs tot het romantische toe). Het nationale komt weer in de politiek voor. Denk aan het pleidooi van Jan Marijnissen voor een Nationaal Historisch Museum.
Verbrugge is een denker die gemeenschap belangrijk vindt. Hij kan nog niet aangeven welke geloofsvormen deze verschijnselen aannemen. De burger heeft behoefte aan regenten. Hij geeft Job Cohen als voorbeeld, wiens ogenschijnlijke regenteske uitstraling als verademing werd ervaren.
Hij kan daarom niet aangeven of de burger (de sociale basis van het protestantisme) terugkeert. Volgens hem is er behoefte aan een synthese tussen democratie en aristocratie.
Daar ligt ook de betekenis voor religie. Wat hem betreft betekent dit geen terugkeer naar de vormen van vroeger. Maar die vormen moeten wel een bezieling hebben. 
De predikant kan hierin een rol spelen: juist in die synthese. Het religieuze moet zijn verantwoordelijkheid nemen ten opzichte van het collcetieve. Ook de staat is voor hem van belang. De staat is de enige macht die bestand blijkt tegen de economische orde.

M.J. Schuurman

De film “Chocolat”: parodie op genade en christelijke moraal

Geproefd van een nieuw soort vrijheid.

De film “Chocolat” (2000): een parodie op de genade en de christelijke moraal

De ervaring van genade is aan anderen vaak lastig uit te leggen. Kun je als christen onder woorden brengen wat geloven met je doet? De film Chocolat wordt door sommigen gezien als een film over genade. Helpt deze film om die ervaring onder woorden te brengen?

Verhaal
Vianne Rocher (Julienne Bincohe) komt aan in het dorp Lansquenet. Een dorp dat bestuurd wordt door een dominante burgermeester (Alfred Molina). Deze burgermeester wil dat zijn dorp zich houdt aan een strenge, ascetische levensstijl. Hij gaat zelfs zover dat hij de preken van de jonge priester corrigeert. In dit dorp opent Vianne Rocher tijdens de Vastentijd (de periode voor Pasen) een chocolaterie.

De burgermeester is fel gekant tegen de komst van Vianne Rocher. Chocolade zorgt voor zo’n sterke sensatie, dat men de strenge moraal niet meer kan handhaven. Bovendien past Vianne niet binnen de gebruikelijke moraal. Ze is een ongetrouwde moeder, gaat op zondag niet naar de kerk.

Vianne blijft echter in het dorp en weet steeds meer weerstanden te overwinnen. Vlak voor Pasen richt zij haar etalage in met veel chocolade. De burgermeester wil de uitstalling vernielen. Hij komt de winkel binnen. Tijdens het kapotslaan proeft de burgermeester echter van de chocolade. De sensatie is zo groot, dat hij de verleiding niet kan weerstaan. Het gevolg is een soort bekering: hij laat zijn strenge moraal los en krijgt oog voor de vrijheid.

 De sensatie van chocolade
In de film speelt de sensatie van de chocolade een belangrijke rol. Vandaar ook de titel. In de ogen van de ascetische burgermeester is deze sensatie een belangrijke verzoeking: als men eenmaal geproefd heeft, dan wil men niet meer de strenge ascese beoefenen.
Voor degenen die geproefd hebben, betekent het een bevrijding uit de sleur en uit de strenge wetten van de moraal. In dat opzicht heeft de burgermeester gelijk. Op die manier wordt de chocolade de verboden vrucht.

 Vervanging van de geloofservaring
Het christelijk geloof komt negatief aan bod. Dat blijkt al uit de kleuren. De film is mooi, maar het is wel somber en grauw. Vianne zorgt letterlijk en figuurlijk voor kleur. De dorpelingen zuchten onder de strenge moraal van de burgermeester en de kerk.

Uiteindelijk blijkt het proeven van de chocolade een bevrijdende werking te hebben. De chocolade heeft hetzelfde effect als het geloof. Op dat punt wordt de film ongeloofwaardig. Door het proeven maakt de burgermeester een ‘bekering’ door. Hij is daardoor niet meer zo streng en kan voorzichtig deelnemen aan het door Vianne georganiseerde feest, dat op Pasen wordt gevierd. Zelfs de preek van de priester corrigeert hij niet meer.
Zo wordt Pasen het feest van de bevrijding. Maar dan geen bevrijding uit de macht van de duivel of de zonde, maar uit de macht van de strenge regels.

Een prachtige film over genade?
Daarom is de film Chocolat is geen christelijke film. De film is eerder een kritiek op de strenge moraal van het christelijk geloof. Het gaat om vrijheid – vrij van beknellende morele regels. In mijn ogen is deze film een parodie op de genade.

Tegelijkertijd laat deze film zien dat de smaak van chocolade is niet zo intens als de ervaring van Gods liefde. Het is de uitdaging aan ons om te laten zien hoe krachtig en bevrijdend het ‘smaken’ van Gods goedheid is.

Matthijs Schuurman

Interpretatie gedicht Willem Jan Otten

Niet dit zwaktebod
De moderne mens en zijn moeite met opstanding. (N.a.v. een gedicht van Willem Jan Otten)

 Willem Jan Otten trad een aantal jaar geleden toe tot de Rooms-Katholieke kerk. Zijn overstap werd betreurd door zijn collega’s. In zijn meer recentere gedichten probeert hij onder woorden te brengen, wat die bekering is.
Enkele jaren geleden droeg Otten enkele ingepubliceerde gedichten voor, waaronder het Gebed voor de afschaffing van de ziel. Dit gedicht verwoordt de moeite die moderne mensen hebben met de opstanding uit de doden.

Gebed voor afschaffing van de ziel

Als u bestaat, verlos ons dan tenminste
van het onbesuisde denkbeeld van de ziel
Het maakt ons leven veel te vijftienjarig,
meisje worden wij er van gevouwen om een kind
dat in de verste verte nog niet is verwekt.
Geef ons een godendenkbeeld, niet dit zwaktebod,
want als de ziel bestaat dan zijn wij
onherroepelijk een kwestie van bevallen,
nu, en in het uur van de onze dood.

                        Willem Jan Otten

Het woord gebed[1] in de titel is ironisch bedoeld. De ‘ik’, die in dit gedicht aan het woord is, is geen gelovige. Hij gelooft niet in het bestaan van een ziel. Tegelijkertijd bidt de ‘ik’ om de afschaffing van de ziel. Als u bestaat…Misschien wel een typerende ambivalentie voor een ongelovige: men heeft toch behoefte om te bidden. Desnoods tot een eigen denkbeeld. 
Wie zou die u moeten zijn? God? Voor een gelovige is de ziel een werkelijkheid die niet te ontkennen valt. De ziel geeft immers diepgang aan het menselijk leven vanwege de relatie met God.
Het gedicht suggereert dat men door de ziel te aanvaarden de werkelijkheid ontkent: de ziel  is niet meer dan een denkbeeld. Geen werkelijkheid.
Geloof zorgt ervoor dat men de werkelijkheid te rooskleurig inziet: het maakt ons leven veel te vijftienjarig. Zoals een verliefd meisje de werkelijkheid helemaal door een roze bril beziet en niet de negatieve kanten kan zien van degene op wie zij verliefd is. Bovendien worden wij door het denkbeeld van de ziel een meisje dat ervan droomt om en kind te krijgen (en dus zwanger is van een nog niet verwerkt kind). Een onrealistische droom: een onbesuisd denkbeeld. Er is er niet goed over nagedacht. Net zo goed een bevlieging als een vijftienjarig meisje, dat zwanger wordt om een kindje te hebben. Een gelovige heeft zijn verstand ingeleverd en leeft op een roze wolk.
Liever heeft de ‘ik’ een godendenkbeeld: denkbeeld van hoe god is. Dat denkbeeld heeft hij zelf bedacht. Dan kan hij zelf bepalen hoe er over God gedacht wordt. Hij bepaalt zelf wel hoe God is. In de joods-christelijke traditie is dit zonde: door een eigen beeld van God samen te stellen dient men een andere god in plaats van de ware, levende God.
Het gedicht is dat het ‘speelt’ met de zwangerschap. Eerst de naïeve droom van het vijftienjarig meisje. Zo heeft de gelovige geen oog voor de werkelijkheid, houdt er rekening met iets dat er niet is. Een gelovige gaat zelfs van iets uit dat er voor de ‘ik’ niet is.
De geboorte speelt een belangrijke rol in het werk van Willem Jan Otten. Het heeft te maken met zijn vinden van God. Geboorte heeft bij hem altijd iets van het nieuwe leven in Christus (hier op aarde en na de dood) en de opstanding van Christus.
In Specht en zoon vindt de climax van het boek plaats tijdens de bevalling, terwijl de schilder er niet is. Hij gaat vreemd. De jongen die geschilderd wordt is dood en wordt als het ware tot leven gewekt door het schilderij. Toneelstukken en romans spelen niet voor niets vaak in de tijd voor Pasen. Voor Otten heeft zijn stap naar het christelijk geloof ook iets van het ondergaan van een geboorte: nieuw leven, waar je zelf niet de oorzaak van bent. Het overkomt je.
Bevallen heeft twee betekenissen: (1) baren, (2) men heeft plezier in de ander. Beide betekenissen zijn m.i. belangrijk. De eerste betekenis past in de thematiek van de zwangerschap en het nieuwe leven. De tweede betekenis sluit nauw aan bij een ander thema, dat voor Willem Jan Otten van belang is: zien en gezien-worden. Voor hij christen werd, had hij al behoefte aan dat hij gezien werd, opgemerkt werd. Maar ook sinds hij christen is, komt dit thema terug. In Specht en zoon is het een van de thema’s. Het is onherroepelijk: je wordt door God gezien en je bevalt God. Je wordt door Hem gezien.
Maar bevallen gebeurt niet alleen in het nu, maar ook bij de dood. In het woord bevallen klinkt het woord vallen mee. Sterven heeft ook iets van vallen (in het lege niets). Sinds hij zich overgegeven heeft aan het christelijk geloof, wordt hij getroost door de opstanding van Christus. Je valt niet in het lege niets. De opgestane vangt je op. Hij ziet je ook, als het leven je ontvalt (in het uur van de dood). Dat mis je als je niet gelooft. Dat mis je als je de ziel negeert.
Als de ziel bestaat, bestaat God en vangt Hij ons liefdevol op en schenkt ons het nieuwe leven van de opstanding. Dat is de positieve interpretatie van dit gedicht.
Maar het gedicht is negatief. Dit gedicht laat het verzet van mensen zien tegen het christelijk geloof. Men wil deze troost niet. Het is een zwaktebod. Liever een filosofische constructie, een hoge en verheven god – ongenaakbaar voor mensen. Maar geen God die mens werd en stierf.  Dan nog liever eindigen met de dood. Dood is dood. Dat is nog beter te verdragen dan zelfverloochening.
Dit gedicht laat zien waarom het christelijk geloof niet populair is: de autonomie van de mens moet gekruisigd worden. Onderworpen aan God. Daarvoor heeft de Nederlander zich in de zestiger jaren niet vrijgevochten.

                        Ds. M.J. Schuurman

                        Ilpendam-Watergang (N.-H.)


[1] De schuin gedrukte woorden zijn citaten uit het gedicht.

De tocht naar de Ararat levert geen geloof op

De tocht naar de Ararat levert geen geloof op

Frank Westerman komt niet los van zijn doop.

Frank Westerman is een journalist die een aantal bestsellers heeft geschreven. Als baby is hij gedoopt, maar hij heeft echter gebroken met de kerk, omdat het geloof hem niets meer zei. Hij is opgevoed met de verhalen uit de bijbel over de schepping en de zondeval.

Die verhalen blijken niet stand te houden in de aardrijkskundeles. En zeker niet als hij aan de universiteit studeert. Zijn leermeester is een fervente tegenstander van het creationisme. Zo is Frank Westerman een van de zovelen die met de kerk braken, omdat het geloof niet tegen de wetenschap op kan. Het creationisme kan de tegenstanders niet overtuigen. Het geloof verdwijnt niet helemaal uit zijn leven. Steeds als hij zijn ouders ziet, gelovige ouders, wordt hij zich bewust dat hij anders is. Er is bij hem een breuk.

Doop
Dat blijkt al helemaal als hij vader wordt. Als zijn dochter niet wordt gedoopt, wordt er gebroken met een traditie. Het verbond wordt verbroken. Dat zet hem aan het denken. Wat betekent het voor hem dat hij is gedoopt? En waarom wordt zijn dochter dan niet gedoopt?

Ark
Hij besluit om op zoek te gaan naar de ark van Noach. De ark speelt immers een rol bij de doop. De doop is net als de ark: je wordt gered van de dood.
Maar de ark is voor hem ook een symbool. Het symbool van de tweespalt: hoort hij bij zijn ouders, die geloven? Of behoort hij tot de ongelovigen, net zoals zijn vrouw en zijn leermeester? Hij besluit op zoek te gaan naar de ark. En zo naar de betekenis van de doop en van het geloof. Of nog sterker: naar de reden waarom hij niet gelooft.

Reddingssloepgevoel
Westerman heeft het verhaal van de ark altijd een mooi verhaal gevonden. Het verhaal geeft hem een ‘reddingssloepgevoel’, zoals hij dat noemt. En hij herinnert zich ook eerdere gebeurtenissen waarin hij bespaard bleef van de dood.

Bijna-verdrinking
Het boek begint met een bijna-verdrinking. Op vakantie in Oostenrijk wordt hij meegesleurd door de Ill, een rivier. Op 23 juli 1976 draait een ingenieur van de Vorarlberger Illwerke ag de sluizen van de stuwdam open. Op dat moment was Frank aan het spelen in die rivier en overleefde de vloedgolf ternauwernood. Ook bij een grondverzakking komt hij bijna om het leven. De doop heeft de betekenis van door te sterven het leven ontvangen. De oude mens sterft en staat op met Christus.

Op zoek naar de Ararat
Westerman besluit om op zoek te gaan naar de ark, op de Ararat. Het wordt een moderne pelgrimage, een zoektocht naar geloof. Als een moderne pelgrim moet Westerman veel barrières overwinnen. Hij kost hem moeite om op de Ararat te komen. De berg blijkt een internationale twistappel te zijn. De berg is in handen van de Turken, maar is voor de Armenen belangrijk. Voor de Armenen is deze berg het begin van hun land.

Pelgrimage
Toch zijn er ook wel verschillen met een pelgrimage. De beklimming van de berg wordt nauwelijks beschreven. Het gaat vooral om de voorbereidingen en om de mogelijk reacties. Bovendien staat zijn keuze al vast. Hij kan helemaal niet tot geloof komen.
Zijn vrouw probeert hem van de reis af te houden. Zij is bang dat hij door dat geloof een ander zal worden. Dat ze hem zal kwijtraken. En zijn uitgever wil geen bekeringsverhaal uitgeven. Vóór de reis is de keuze al gemaakt. Zelf wil hij niet in het kamp van de fundamentalisten komen. Westerman mag niet veranderd terugkomen.

Geen geloof
Westerman komt erachter, dat fundamentalisten graag de Ararat beklimmen. Zij willen bewijzen dat het zondvloedverhaal echt gebeurd is. Deze beklimmers zijn van tevoren al overtuigd van het geloof. En door de ark te vinden willen zij anderen overtuigen van de waarheid van het geloof.
Zo is ook Westerman al van tevoren overtuigd. Hij zal niet gaan geloven. Westerman klimt voor zichzelf. Om zijn eigen ongeloof te bewijzen. Als hij op de top aankomt, vindt hij niets dan leegte.

            Matthijs Schuurman

 

N.a.v.: Frank Westerman, Ararat (Amsterdam / Antwerpen: Atlas, 2007).

 

Eerder gepubliceerd in: Maandblad Réveil