Het huis op de rots gebouwd

het huis op de rots gebouwd.
Preekvoorbereiding bij Mattheüs 7:24-27

Komende zondag is het in de Hervormde Gemeente Oldebroek evangelisatiezondag. Dat houdt in dat de morgendienst is ‘laagdrempeliger’ is en de dienst is afgestemd op degenen die niet of niet zo vaak in een kerkdienst komen. De middagdienst is afgestemd op de gemeenteleden om hen toe te rusten om het evangelie uit te dragen.

De evangelisatiecommissie heeft voor deze zondag het thema bedacht: Waar bouwt u / jij op? Gekozen is voor de Schriftlezing uit Mattheüs 7:24-27:

Daarom, ieder die deze woorden van Mij hoort en ze doet, die zal Ik vergelijken met een verstandig man, die zijn huis op de rots gebouwd heeft;
en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, maar het stortte niet in, want het was op de rots gefundeerd.
En ieder die deze woorden van Mij hoort en ze niet doet, zal met een dwaze man vergeleken worden, die zijn huis op zand gebouwd heeft;
en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis, en het stortte in en zijn val was groot.

Hierbij enkele gedachten bij de preekvoorbereiding:

Thema
Het thema is Waar bouwt u / jij op? Voor iemand die geregeld naar de kerk gaat, is dit geen vreemde vraag. In de preek zal deze vraag vaak worden gesteld. Al is het niet eenvoudig om een antwoord onder woorden te brengen, hij of zij heeft wel een richting: God of Christus.
Zal iemand die niet zo vaak in de kerk komt, wel nadenken over deze vraag? Ik ben daar nog niet zeker van. De meesten van hen leiden misschien een ‘gewoon’ leventje, zonder zich allerlei diepgaande existentiële vragen te stellen.

Dat betekent dat in de verkondiging op een eenvoudige manier uitgelegd moet wat deze vraag betekent en waarom deze vraag van betekenis is.

Bouwen
De exegese levert ook enkele vragen op. Want in Mattheüs 7:24-27 krijgt ‘ergens op bouwen’ een ander antwoord dan in eerste instantie verwacht zou worden. Een logisch antwoord zou zijn: je hoort op God, op Christus te bouwen.
(a) In Mattheüs 7:24-27 is het Jezus er om te doen, dat degenen die Zijn woorden horen deze woorden ook in praktijk brengen. Wie de woorden niet in praktijk brengt, heeft Zijn woorden niet echt gehoord.

De vraag is hoe in de verkondiging uitgelegd kan worden dat Jezus het beeld ‘ergens op bouwen’ gebruikt om aan te sporen om ook te handelen naar Jezus woorden.

Oordeel
(b) Tijdens de exegese ontdekte ik, dat de woorden die Jezus spreekt staan in het kader van het laatste oordeel. De stormen en de waterstromen die op het huis afkomen zijn beeldspraak van het laatste oordeel. Op de achtergrond staan een gedeelte uit Ezechiël 13:11-14:

Zeg tegen hen die met kalk bepleisteren, dat hij omvallen zal. Er komt een alles wegspoelende regen en u, hagelstenen, u zult neervallen en er zal een stormwind losbarsten. Zie, als de muur omvalt, zal dan tegen u niet gezegd worden: Waar is de pleisterlaag die u aangebracht hebt? Daarom, zo zegt de Heere HEERE: In Mijn grimmigheid zal Ik een stormwind doen losbarsten, in Mijn toorn zal er een alles wegspoelende regen komen, en hagelstenen in grimmigheid, tot een vernietigend einde. Zo zal Ik de muur omverhalen die u met kalk bepleisterd hebt en Ik zal hem op de aarde neer doen storten, zodat zijn fundament blootgelegd wordt. Zo zal de stad vallen, en u zult in het midden ervan omkomen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.

Daarmee wordt de vraag Waar bouwt u / jij op? meer dan een existentiële vraag. Het is een vraag, die de kerkganger eraan herinnert: eens komen we in het oordeel van God. Hoe zal Hij over ons leven oordelen?

Cathedrale_d'Amiens_-_tympan_central_-_Christ_du_Jugement_Dernier

Het specifieke van het evangelie van Mattheüs is dat Jezus als de komende Mensenzoon het oordeel op zich neemt: Mattheüs 25:31-46. In dat oordeel zal het gaan ook over onze daden gaan. Het gaat om meer dan geloof. Het gaat zelfs om meer dan macht over de demonen (7:21-23). Het gaat om de vraag: Hebben wij Jezus’ woorden in praktijk gebracht?
Daarmee krijgt dit gedeelte een ernst. Niet alleen voor degene die zo af en toe in de kerk komt. Ook voor degene die trouw de kerkdiensten bezoekt. Al gauw wordt, als het gaat over het laatste oordeel, gesproken over de genade en over Christus die ons oordeel op zich neemt. Hier is sprake van een eschatologische ernst: Het doet er toe hoe wij leven.

Laagdrempelig?
Kan in een laagdrempelige dienst wel over het oordeel gesproken worden? Schrikt dat de mensen niet af?
Ja, het moet zelfs, zegt Corinna Dahlgrün, omdat de Bijbel spreekt over oordeel, eeuwig leven, over hemel en hel. Predikanten zijn het daarom de mensen verschuldigd om daarover te spreken. In de oordeelsaankondigingen in de Bijbel gaat het allereerst om de kans die God geeft om tot inkeer toe komen. Dat is een door God gewilde mogelijkheid. De Bijbel laat echter ook zien, dat er een te laat is en dat de veroordeling (verdoemenis) in het oordeel een reële mogelijkheid is.
Daarnaast laat het laatste oordeel zien dat mensen verantwoordelijk zijn voor hun doen en laten. Niet aan mensen, maar aan God. God is als schepper en rechter de Ander, de Tegenover aan wie mensen verantwoording hebben af te leggen.

Lukt het mij om in de verkondiging het oordeel aan de orde te stellen als een (wezenlijk) onderdeel van het evangelie? Lukt het mij om over het laatste oordeel te preken als een boodschap die vreugde geeft?

Woord van God
Kan dat wel? Is deze boodschap niet te vreemd geworden en roept deze boodschap van het laatste oordeel niet teveel weerstand op?
Volgens Dahlgrün komt het aan op het geloof van de prediker. De prediker moet zijn eigen ongeloof en twijfel door de Bijbelse beelden ter discussie laten stellen. De prediker dient zich beschikbaar te stellen voor het Woord van God.
Dat de boodschap over het oordeel veel weerstand of onbegrip oproept, komt volgens Dahlgrün door meer een ‘tekortschietende praxis piëtatis’ dan als een probleem van authenticiteit. De beelden van het laatste oordeel worden vaak slechts cognitief doordacht en krijgen niet de kans in het hart of de existentie te raken. Als ik als prediker met deze teksten ga lezen, worden het mijn teksten en kan ik er ook vanuit deze geloofswerkelijkheid preken.

Schaar ik mijzelf ook onder het laatste oordeel of sluit ik mij op voorhand van het oordeel buiten? Hoe wordt het oordeel een geloofswerkelijkheid voor mij van waaruit ik leef (en verkondig)?

De Bijbel waar niet over gepreekt wordt
Tijdens de voorbereiding moet ik denken aan de Predigtlehre van Rudolf Bohren. Om twee redenen: (1) In zijn Predigtlehre heeft hij ook een hoofdstuk over de prediking over Christus als de komende rechter . Helpt zijn uiteenzetting mij met deze preek? (2) Bohren spreekt voortdurend over stukken uit de Bijbel die in de verkondiging niet aanbod komen: de Bijbel waarover niet gepreekt wordt. Deze gedeelten komen nooit aan de orde, omdat zij bij de prediker op verlegenheid stuiten. Ze passen niet in het wereldbeeld of het geloofssysteem van de prediker.

De toekomst van de Komende
Het probleem is volgens Bohren dat er te weinig rekening gehouden wordt met het gegeven dat Christus ook nog (weder)komt: degene die gekomen is, komt nog! De prediking rondom Goede Vrijdag en Pasen zijn zonder toekomst, omdat men alleen nog meer spreekt over Christus als de gekomene, maar de ‘toekomst van de Gekomene’(Walter Kreck) niet meer benoemt. Daarmee wordt over het hoofd gezien, aldus Bohren, dat het oordeel voor de christenen ook verscherpt wordt. Daarbij verwijst Bohren naar de Bergrede en naar de Hebreeënbrief.

Vreze des Heeren
Het besef van het komende oordeel geeft vrees (vreze des Heeren!). Deze vreze voor de Heere zorgt ervoor dat voor de mensen niet gevreesd hoeft te worden. Deze vreze geeft ook moed tot eenzijdigheid. Deze eenzijdigheid kan zelfs een kenmerk worden van een Godvrezende preek. Deze vreze des Heeren heeft ook een gevolg: een missionair élan (2 Kor. 5:11). Ontzag voor de komende Rechter kan alleen bestaan als Godvrezendheid. Niet het komende lot of oordeel is te vrezen, maar de komende Heere. ‘Zonder pure Godvrezendheid zijn wij overgeleverd aan onze eigen waanbeelden.’ De vreze des Heeren, de Godvrezendheid is een vrucht van het luisteren (naar God en Zijn Woord).

Revisor
In 1985-1986 geeft Bohren college over het gebed. Die collegereeks opent Bohren met een citaat van Nikolai V. Gogol (dat hij tegenkwam in een programmaboekje van een toneelopvoering in Heidelberg):

‘Bedenk toch dat de gehele wereld een ijdele leugen is en dat alles heel anders aan ons verschijnt dan het in werkelijkheid is (…) Ons leven is zwaar en dan vergeten we nog elk ogenblik dat al onze handelingen eens voor een Revisor komen die niemand voor zich kan inwinnen (of omkopen).’

Daaruit stelt Bohren dat ons bidden ‘revisionsbedürftig’ is.
Met het oog op de prediking kunnen wij zeggen, dat alles in ons leven verlegen is om een revisie. Als alles wat wij doen verlegen is om een revisie, dan geeft dat de ernst van het oordeel aan: Hoe kunnen wij daaraan ontkomen?

Huis op de rots
Dan is het goed om vast te houden aan de belofte van Jezus: het huis dat op de rots gebouwd is, blijft overeind staan. Wie de woorden van Jezus hoort en doet en hier op aarde al rekening houdt met de revisie zal overeind staan als een huis dat op een goed fundament is gebouwd.
Het gaat Jezus dus om ons voor te bereiden op het komende oordeel en ervoor te zorgen dat we hier in het leven al daar rekening mee houden. Wie dwaas is, leeft alsof er nooit een oordeel komt. Voor wie de wijsheidsliteratuur uit het Oude Testament kent (Spreuken, Prediker) weet, dat de dwazen ook de goddelozen zijn, die zich geen rekenschap geven van God en Zijn oordeel. Zij leven hier alsof zij zonder God zijn.
Ook al vertonen hun daden de schijn van geloof, ze hebben geen geloof maar zijn slechts gericht op het leven in het hier en nu. Het komt dus aan op eerlijkheid en authenticiteit. Niet eens zozeer naar de mensen, maar allereerst naar God toe. Er kan een huis op het zand worden gebouwd: in het aardse leven lijkt het stevig en prima bewoonbaar. In het oordeel blijkt dat het slechts een schijnzekerheid geweest is.
Voor de gemeente komt het aan op de gave van de onderscheiding: want niet iedereen die de naam van de Heer in de mond neemt en in Zijn naam geweldige daden laat zien (als het uitwerpen van duivels) heeft het geloof en de levenspraktijk waar het op aankomt.

Confronterend
De verkondiging over het oordeel is confronterend. De meesten schuiven het liever voor zich uit en kiezen dan eerder de dwaze levensstijl door een huis op het zand te bouwen.
Op welke manier kan de preek dit confronterende element vasthouden waarbij de confrontatie de gemeenteleden bij Christus brengt en Zijn woorden laat doen?
Ik bedenk mij dat de nieuwtestamenticus Gerd Theiβen in 2003 (het Duitse Jaar van de Bijbel) een boek schreef om het lezen van de Bijbel te stimuleren. In dat boek houdt hij rekening met een maatschappij die steeds meer seculariseert en multireligieus wordt. In zijn boek wil Gerd Theiβen laten zien, dat de Bijbel goed in staat is om de dialoog aan te gaan met deze seculariserende en multireligieuzer wordende maatschappij.
Ik herinner mij dat hij verschillende motieven uit de Bijbel naar voren haalt en deze motieven in dialoog brengt met hedendaagse mensen, die gestempeld zijn door de secularisatie. Een van die motieven is het motief van het oordeel. Op welke wijze zou Gerd Theiβen dat aanpakken?
Bij het doorbladeren zie ik ook weer zijn eigen model en zie ik dat hij ook de kerygmatische aanpak niet onder stoelen of banken steekt: de Bijbel is een kans om in dialoog te komen met God. Het motief van het oordeel laat volgens Gerd Theiβen zien dat wij verantwoordelijk voor onze daden zijn en ook vaak de behoefte hebben om ons te verdedigen en te rechtvaardigen. Het motief van de
Net zo belangrijk aan het doorbladeren van het boek is dat hij mij (weer) op het spoor van Thomas Ruster brengt. Ruster schreef een kritisch boek over De inwisselbare God. Volgens hem is de levende God in de loop van de kerkgeschiedenis steeds ingewisseld voor allerlei menselijke constructies (afgoden). De Bijbel en de verkondiging gaan met ons de confrontatie aan om weer de levende God te zoeken en te kiezen.

Hoe wordt in de verkondiging de confrontatie op een goede manier aangegaan, zodat degenen die een huis vol schijnzekerheden op het zand hebben gebouwd ontdekken dat het anders moet.
Hoe wordt de confrontatie aangegaan, zodat de luisteraars beseffen dat zij bij Christus moeten zijn en Hem ook gehoorzamen?

Tegenover
Wordt die confrontatie uit de weg gegaan doordat men niet geloofd in God als een Persoon die aan ons rekenschap vraagt? Omdat men God als de Levende heeft ingewisseld voor een soort pantheïstische kracht? Die suggestie kwam ik tegen bij Gerd Hartmann. Hartmann liet zijn studenten rollenspellen doen, waarbij zij ook in de volmacht van Jezus de vergeving moesten aanzeggen. Hij vertelt dat zijn studenten dat niet kunnen. Zij blokkeren of wijken uit als zij dit in een rollenspel moeten uitvoeren. Een de redenen voor dit uitwijken is volgens hem dat zijn studenten onzeker zijn over de aanwezigheid van God als een Tegenover.

Betekent dit voor de verkondiging ook dat meer het besef overgedragen moet worden dat God een levende werkelijkheid is en dat Hij geen macht is, maar een tegenover die als Schepper en Rechter ons rekenschap zal vragen van wat wij gedaan hebben?

De preekopbouw
Nu er heel veel voorwerk gedaan is, is de vraag: hoe komt de preek eruit te zien? Welke opbouw: Moet ik beginnen met de confrontatie of moet ik langzaam toe werken naar de confrontatie? In het laatste geval is het beter om te beginnen bij wat herkenbaar is of gemakkelijk is uit te leggen. Wanneer de confrontatie aangegaan wordt, moet ook direct duidelijk zijn wat er dan mis is.
En ook van groot belang: hoe zorg ik dat de preek begrijpelijk wordt en kerkgangers (zowel degenen die geregeld komen en degenen die af en toe komen) zich geroepen en genoodzaakt voelen om de weg van Christus te gaan?
Tot slot, de vraag die al eerder gesteld is: hoe wordt overgebracht dat het om evangelie (d.w.z. blijde boodschap over God) gaat?

Verwijzingen
– Corinna Dahlgrün, ‘Von Auferstehung und Gericht predigen’, in: Heinrich Bedford-Strohm (Hg.), “… und das Leben der zukünftigen Welt”. Von Aufersteung und Jüngstem Gericht (Neukirchen-Vluyn, 2007) 77-89.
– Rudolf Bohren, ‘Predigt des kommenden Richters’, in: Idem, Predigtlehre (1971) 251-265.
– Rudolf Bohren, Das Gebet I. EDITION BOHREN Bd 1 (Waltrop, 2003).
-Gerd Theiβen, Zur Bibel motivieren. Aufgaben, Inhalte und Methoden einer offenen Bibeldidaktik (Gütersloh, 2003).
– Gerd Hartmann, Lebensdeutung. Theologie für die Seelsorge (Göttingen, 1993) 113-116

Avonddienst

Avonddienst

De kerkdienst op de zondagmiddag of zondagavond moet niet worden afgeschaft. Want deze dienst voorziet in een behoefte. Degenen die naar deze dienst komen, hebben vaak behoefte aan een rustmoment, aan bezinning, aan verdieping. Aldus Piet de Jong.

Gelijk heeft hij. Toen ik in Ilpendam woonde, ging ik op de zondagavonden waarop zelf niet voor hoefde te gaan naar de Noorderkerk in Amsterdam. Eerst misschien uit een gewoonte, omdat ik gewend was om 2x per zondag naar de kerk te gaan. Maar gaandeweg werd het echt ook een behoefte. Al zei de preek mij lang niet altijd iets, het was goed om er te zijn: een mooie kerk, een mooi orgel, vaak goede organisten. Maar vooral het geheel: om een tijd onderweg te zijn vanuit Ilpendam, dwars door het drukke Amsterdam. Om daar stil te worden voor God en met God.

Sinds enkele jaren woon ik in een omgeving waarin middagdiensten en avonddiensten ‘gewoonte’ zijn. Daardoor ontbreekt de waardering voor de avonddienst. Ik merk dat geregeld bij het voorgaan in andere gemeenten. Het overkomt mij namelijk geregeld, dat de ouderling van dienst tegen mij zegt – terwijl we in de bank zitten en hij mij zo de hand gaat geven: ‘O ja, we hadden nog niet gezegd dat er ’s avonds zo weinig mensen zijn.’ Ik word altijd moedeloos van zulke opmerkingen. Dan denk ik: Hier is nog een avonddienst en komen er nog gemeenteleden op af. Ik zeg dan maar: ‘Maar deze mensen zijn er toch wél?’
Degenen die er ’s avonds zijn, zijn vaak goede luisteraars. Terwijl ze de mogelijkheid hadden om thuis te blijven, zijn ze toch gekomen. Niet uit gewoonte, maar uit verlangen.

In de kantine deel je levensvragen

In de kantine deel je levensvragen
Interview met dr. H.C. van der Meulen over geestelijke begeleiding

nachdenken

Nog steeds gooit de geluksindustrie hoge ogen. Happinezz, The Secret, boeken van Dan Brown… Van dr. H.C. van der Meulen is het boek: Om het geheim van het leven. Over geestelijke begeleiding.

Wat was uw drijfveer om u te verdiepen in geestelijke begeleiding?
“Ik heb mij vaak afgevraagd waarom mensen weglopen met de religieuze thrillers van Dan Brown of boeken als The Secret. Iemand die niet naar de kerk ging, hoorde ik enthousiast over The Secret praten. Zij zocht houvast.
The Secret suggereert dat het leven een code heeft die te ontcijferen is. Plato en Einstein hebben er al iets over opgemerkt, maar nu wordt het ten volle geopenbaard. Zo staat het echt in het boek.
Maar er is een veel kostbaarder boek, de Bijbel, waarin ook over het geheim van het leven wordt geschreven. Over waar het vandaan komt en naar toe gaat. Dat is het verhaal van de Levende. Als mensen uitkomen bij The Secret komt daar een verlangen in naar voren. Dat neem ik serieus. Ik wil dat verlangen en het verhaal van Christus bij elkaar brengen.”

images

Wedervraag
U bent in 1992 gepromoveerd op een onderzoek naar Helmut Thielicke. Wat heeft u van hem geleerd?
“Heel veel. Thielicke was predikant in Hamburg en trok 3.000 mensen, van havenarbeiders en prostituées tot geleerden. Waren zijn preken dan zo geweldig? Nee, maar hij sprak over wat de mensen bezighield.
Bij vragen van mensen stelde hij een wedervraag en kwam dan uit bij het evangelie. Zo plaatste hij de vragen in een nieuw perspectief. Jezus deed dit ook. Hij neemt de rijke jongeling heel serieus, maar Hij brengt het gesprek wel verder door een wedervraag te stellen.”

Dus je beantwoordt een vraag met een wedervraag en je bent er vanaf?
“Dergelijke wedervragen moeten natuurlijk wel met een pastoraal hart gesteld worden, anders maak je je er gemakkelijk van af. Iemand wil een antwoord, hij wil verder kunnen met zijn leven. Maar soms zijn de vragen te moeilijk, zoals: waarom laat God lijden toe?
Bij de wedervraag gaat het niet om iemand iets te verkopen of iemand op te roepen tot navolging, maar om eerst iemand in de juiste positie te brengen. Om in voetbaltermen te spreken: als het standbeen niet goed staat, wordt het schieten niets. Je moet eerst in goede positie komen.”

fussball

Geef eens een voorbeeld
“Er bestaat een anekdote over G. van der Leeuw uit de tijd net na de Tweede Wereldoorlog. Hij zit op een bankje, een vrouw komt naast hem zitten en verzucht: “Och, och, waar gaat het heen?” Van der Leeuw: “Maar mevrouw, wie heeft gezegd dat het ergens heen moet gaan?” Zijn wedervraag wijst erop, dat de vraag van de vrouw een heilshistorische visie veronderstelt. Daar zou hij op door kunnen gaan door te vragen waar ze dat vandaan heeft.”

oesterreich_wandern

Zijn de vragen van mensen gemakkelijk met het verhaal van God te verbinden?
“De ene keer is het gemakkelijker dan de andere keer. Want het roept de vraag op: trek ik de ander niet teveel mijn kant op? Als God Zijn schepping gewild heeft en niet vergeet, draagt de schepping merktekenen van Zijn bedoeling. Ik zeg het voorzichtig: het is niet onmogelijk om sporen aan te wijzen van Gods bemoeienis. Dat is het geheim van het leven: Gods bemoeienis met onze zoekende aarde.”

Houdt dat geheim van het leven ook jongeren bezig?
“Ik kom het ook bij jongeren tegen, ja. Het raakt aan hun vragen: Houdt God van ons? Heeft Hij weet van mijn sores? Weet Hij van mijn hobby’s? Kent God mij? Als je nooit jongeren tegenkomt, die deze vraag stellen, moet je een andere fiets kopen.
Ik heb lang gevoetbald en na afloop van de wedstrijd dronken we nog wat in de kantine: de derde helft. Over welke thema’s gaat het dan? Thema’s die existentieel van aard zijn. Ouders die uit elkaar gaan. Een vriend die is overleden. Dan schokt het levenshuis. Achter alle stoerheid zie je het menselijk hart. Daarin leven vragen als: Wat houdt mij overeind? Wat moet ik als mijn ouders uit elkaar gaan en ik ze bij elkaar zou willen houden? Wat geeft mij houvast als alles afbrokkelt? Als je als predikant deze vragen nooit tegenkomt, doe je echt iets verkeerd.

Ze sturen dus geen mail naar de dominee waarin staat: ik heb iets vervelends meegemaakt?
“Het wordt in de kantine gedeeld. Ik ben daar niet alleen de dominee, maar ook gewoon voetballer Henk. Wie het over God, hemel of hel wil hebben, heeft het niet gemakkelijk in deze tijd. Maar zo’n voetballer die na een doelpunt gescoord te hebben dat doelpunt opdraagt aan zijn vader, wat doet hij? Heeft de Bijbel daar niets over te vertellen?

Drachen Drache blauer Himmel Flugdrache Lenkdrache 2

Ik speel thuis het lied De vlieger van André Hazes wel eens op mijn orgel en dan roept mijn vrouw: hou daarmee op! Ik ben door dit lied gefascineerd, want ik denk dat het een moderne vorm van bidden is. Wat moet je doen als niemand je geleerd heeft hoe je bidden moet? De vragen van de jongen gaan naar een ruimte toe om beantwoord te worden. De moeder kan die vragen niet beantwoorden, maar een Ander kan het wel! Je kunt je afvragen of dat liedje van De vlieger te plat of te sentimenteel is, maar het stelt wel een wezenlijke vraag: Doen mijn gebeden ertoe? Komen mijn gebeden aan? Paulus zegt: wij weten. Hoe weet Paulus dat? Het komt van de Andere kant. Deze kennis is hem van Godswege geopenbaard. Het is een corrigerend antwoord, maar wel een antwoord. Ik weet iets!
Over de vragen kun je met jongeren in gesprek raken. Jezus vertelt een gelijkenis over 100 schapen, waarbij de herder de 99 achterlaat in de woestijn om die ene te zoeken. Ik zou dat nooit gedaan hebben. Ik zou eerst gebeld hebben om een vrachtwagen en die 99 schapen veilig thuis afleveren en dan pas zoeken. Maar Jezus zegt kennelijk: die 99 schapen zijn sterk genoeg om het alleen uit te houden! Jongeren moeten er zich van vergewissen: er is er Eén naar hen op zoek. Dat gaat verder dan de boodschap: jij mag er zijn. Jij interesseert Mij!

Je hoeft jongeren niet naar de mond te praten. Je hoeft ook niet overal een antwoord op te weten. Als je hen maar serieus neemt. Dan mag je het hen best ongemakkelijk maken. Je kunt zelfs net als Paulus zeggen: ik zou willen dat je was zoals ik, een dienaar van Christus. Toen ik predikant was, ging een meisje uit de gemeente trouwen met een jongen uit het oosten van Turkije. Zijn vader was imam. Zij vroeg of ik hen in de kerk wilde trouwen. Ik heb gezegd dat we eerst moesten uitmaken in wiens Naam de zegen ontvangen wordt. Haar vriend heeft een oriëntatie op Mekka, maar daar heb ik niets te zoeken. Wij worden gezegend vanuit Sion.”

Ds. Matthijs Schuurman

9789023926849

Dr. Henk C. van de Meulen is docent Praktische theologie aan de Protestantste Theologische Universiteit (PThU). Vanaf is hij predikant. Hij promoveerde in 1992 op Helmut Thielicke. Hij schreef verschillende boeken over pastoraat, waaronder Om het geheim van het leven (2013).

Dit interview is eerder gepubliceerd in Maandblad Réveil en HWConfessioneel

Doop en sociaal milieu (1)

Doop en sociaal milieu (1)

Onze maatschappij bestaat uit verschillende sociale milieus. Deze milieus hebben allemaal hun eigen karakter. Elk milieu heeft weer een andere band met de kerk. Binnen zo’n milieu heeft de doop ook weer een andere betekenis. Het is verstandig dat de kerk oog krijgt voor deze verschillen.

villa_meissen_wohnzimmer

Voorbeeld 1
Een echtpaar meldt zich aan voor de doop. Er wordt een afspraak gemaakt voor een avond. Het huis ligt in de nieuwbouwwijk en behoort tot de grotere huizen. Bij binnenkomst blijkt aan de inrichting van het huis dat het echtpaar behoorlijk bemiddeld is, waardoor de inrichting imponeert. Of misschien ook wel irritatie oproept: kun je in deze tijd nog wel voor zoveel geld een huis kopen en voor zoveel geld een huis inrichten? In ieder geval veroorzaakt de eerste indruk bij binnenkomst een bepaalde gereserveerdheid. Ik stap in een wereld die duidelijk niet de mijne is.

large

Voorbeeld 2
Een tijd later is er een afspraak voor een doopgesprek met een ander stel. Zij wonen in een flat. Het opruimen van de kamer kost duidelijk teveel energie. Aan de muur hangt een grote flatscreen, die nog aanstaat en nog veel lawaai maakt ook. De moeder die het kind nog aan het voeden is beduidt met een handgebaar om ergens te gaan zitten en denkt er niet aan om de tv uit te doen. Door het geluid van de tv is het niet mogelijk om met elkaar een gesprek te voeren. Dat roept de vraag op: moet ik zelf aangeven dat de tv uitgezet moet worden?

Sociale milieus
Deze voorbeelden komen uit het Handboek doop. Dit handboek is een eerste deel in een nieuwe serie Kerk en (sociaal) milieu. Binnen het missionaire werk is steeds meer besef dat in de kerkelijke praktijk steeds meer rekening gehouden moet worden met de verschillende sociale milieus waaruit een samenleving bestaat. Wanneer men in de kerkelijke praktijk geen oog heeft voor dit verschil in sociale milieus kan men als kerk het contact verliezen met bepaalde milieus. De afdeling Missionair werk en kerkgroei van de Protestantse Kerk werkt met de milieus van Motivaction.
Het Handboek doop is afkomstig uit Duitsland. Daar baseert men zich op de studies van het Sinus Instituut. Dit instituut heeft veel onderzoek gedaan naar sociale milieus in Duitsland. Net als Motivaction heeft het SINUS Instituut een aantal milieus gekenschetst. In een aantal studies heeft het SINUS Instituut onderzocht wat de relatie van deze milieus is met de kerk(en).

SINUS-Model
In het onderzoek heeft het SINUS Instituut gekeken naar de sociale positie: behoort iemand hoogste klasse, tot de hogere middenklasse of de laagste (midden)klasse van de samenleving? Daarnaast heeft men gekeken naar de basisoriëntatie. Deze oriëntaties zijn ook weer opgedeeld:

– Is iemand traditioneel? Dat kan op twee manieren: door vast te houden of door te bewaren.
– Of is iemand gericht op modernisering of individualisering? Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen iemand die gaat voor levensstandaard (‘hebben & genieten’) of voor emancipatie (‘zijn en veranderen’).
– Of is iemand gericht op nieuwe waarden en normen? Daarbij kan de ene groep zich richten op een meerkeuzementaliteit en de ander op ontdekken en exploreren.

4df9823a0540a11d71655b7368fdbd8b

Door deze twee te combineren reconstrueert het SINUS Instituut dat de maatschappij uit 10 verschillende milieus bestaat, die allemaal een eigen sociale positie én een eigen basisoriëntatie hebben:
* conservatief-gevestigd
* liberaal-intellectueel
* milieu van de performers
* milieu van degenen die op expeditie uitgaan
* de burgerlijke middenklasse
* adaptief-pragmatisch
* sociaal-ecologisch
* traditioneel
* precair
* hedonistisch.

Deze verschillende milieus zijn in een grafiek ingebracht, waarbij de verticale as de sociale positie weergeeft en de horizontale as de basisoriëntatie (zie voor deze zogenaamde ‘aardappelgrafiek’: www.sinus-institut.de of www.milieus-kirche.de).

images

Doop
Voortbordurend op deze studies willen de auteurs van het Handboek doop nagaan, wat de kennis van de verschillende milieus betekent voor de praktijk van de doop:
– Welk beeld van de kerk leeft er binnen een bepaald milieu?
– Welke betekenis heeft de doop binnen zo’n milieu?
– Hoe moet een doopgesprek gevoerd worden?
– Welke thema’s moeten er aangesneden worden? Hoe legt men een verbinding met het evangelie? Wat moet wel en wat niet in een doopdienst gebeuren? (Daarover de volgende bijdrage.)

Heinzpeter Hempelmann, Benjamin Schlieβer, Corinna Schubert, Markus Weimer, Handbuch Taufe. Impulse für eine milieusensible Taufpraxis (Neukirchen-Vluyn, 2013)

Geschreven voor HWConfessioneel.

Preek zondag 23 februari 2014

Preek zondag 23 februari 2014
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Psalm 146 / Mattheüs 5:13-16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

U kunt zich voorstellen dat wij hier als dankbare ouders aanwezig zijn.
al is onze Jilke ons 4e kind, het blijft bijzonder
om uit Gods hand een kind te mogen ontvangen.
We voelen ons gezegend!
Het wordt nooit gewoon.
Elke geboorte, ook die van onze 4e, blijft bijzonder!
Die dankbaarheid was er al bij onze eerste.
Hoewel wij nog niet wisten wat het was om vader of moeder te worden,
hadden we ervoor gekozen om op het geboortekaartje
onze dankbaarheid aan de Heere te verwoorden:

God van ons hart, Gij die ons zingen doet,
uw mensen zijn wij, maaksel van uw handen.

Na elke geboorte is de verwondering en dankbaarheid alleen maar toegenomen.
Het wordt elke keer bijzonderder om een gezond kind
uit de hand van de Heere te mogen ontvangen.
Ook omdat we om ons heen zien, dat niet iedereen kinderen krijgt
en van dichtbij merken wat dat betekent.
Of de zorgen die ouders om hun kind kunnen hebben.
Des te dankbaarder zijn we dat het bij de geboorte van Jilke goed ging.

De komst van onze dochter, haar aanwezigheid,
is al een heenwijzing naar God,
die alles geschapen heeft en wilde dat haar leven er zou zijn.
Nog zonder dat zij kan spreken, spreekt haar bestaan van God als schepper
en neemt haar komst ons mee in de dankbaarheid naar de Heere toe.
De woorden uit Psalm 146 verwoorden onze dankbaarheid, de lof op de Heere:
Ik zal de Heere loven in mijn leven.
Daar zou ik het bij kunnen laten,
want dat is al heel wat als wij als mensen de lof op onze God bezingen.
Als we de tijd ervoor nemen om op ons te laten inwerken
wat de Heere doet in ons leven, om te zien en erbij stil te staan
en dat wij dat in lof teruggeven aan de Heere:
Ik loof u, om wat U doet in mijn leven!

Wie daar de tijd voor neemt, ook in het dagelijks leven,
weet dat het een vreugde met zich kan meebrengen,
een ervaring van dicht bij de Heere zijn en vol te zijn van Hem – van Hem alleen.
Ik weet zeker dat er vanmorgen ook heel wat gemeenteleden dankbaar zijn
voor wat de Heere doet in de gemeente:
dankbaar dat er weer een doopdienst is, waarin het teken van Gods genade
opnieuw zichtbaar wordt en tot ons als gemeente spreekt.
Ik loof de Heere.

Toen ik met deze Psalm bezig ging, bleef ik haken bij het eerste woord: Halleluja!
Ik had er bijna overheen gelezen.
Het is ook geen woord om zo te lezen, maar om dat uit te roepen, om het te zingen:
Halleluja!
En als het uitgeroepen wordt, gezongen wordt is het ook een woord
dat ons mee kan nemen in de lof van God.
Ik weet niet hoe dat u vergaat, maar zelf gebruik ik het woord halleluja bijna niet.
Ook niet bij de geboorte van onze dochter.
Maar wanneer er een psalm, of een lied gezongen wordt met dat woord,
neemt het me mee, naar God toe.
Want dat heb ik wel nodig, dat ik meegenomen wordt in de lof van God.
Daarom volgt na het halleluja ook een aansporing naar onszelf toe om de Heere te loven,
een oproep naar onszelf toe: Mijn ziel, loof de Heere.
We hebben dat nodig: dat we onszelf aansporen of dat we door elkaar meegenomen worden
in de lof op onze Heere.
Want de voorafgaande psalm kan er wel mee eindigen, dat we de lof van de Heere
altijd in onze mond zal zijn
en dat we de rest van ons leven vol zullen zijn van de Heere,
de praktijk is vaak, dat die lof ook snel weer kwijt zijn,
soms alleen al doordat het gewoon is.
Daarom begint deze psalm ermee: Halleluja!
Alsof de psalm het ons wil herinneren: Je zou toch elke dag en altijd vol zijn van de Heere
en je mond vol hebben over wat God doet in ons leven?
Als een herinnering, maar ook als een meenemen, bij de hand nemen,
iemand die het lied voor de Heere alvast inzet: Halleluja!

Dat gebeurt niet voor niets, want in de Bijbel is het loven van God wezenlijk voor ons mensen.
Loven is het kenmerk van menszijn. Wie God niet looft, leeft niet, is dood.
Het loven van God is een kenmerk dat wij in leven zijn.
Wie niet looft, is volgens de Bijbel dood:
het zijn de doden die God niet kunnen loven.
Ik kwam ook de uitspraak tegen dat degene die niet elke dag de Heere looft
tevergeefs geschapen is.
Want daarin, in het loven van God, ligt onze bestemming.
als je ouder geworden bent, vader of moeder, kun je nadenken over wat de bestemming is van je kind.
Als je opgroeit kun je nadenken over je eigen bestemming.
Misschien doe je dat nu wel,
nu je op school zit en erover nadenkt welke opleiding je hierna zou volgen
en denk je over de vraag na: wat is het doel van mijn leven? Waarom ben ik er?
Dan zegt de Bijbel: je bent er, omdat God dat wilde.
Daarom gaf Hij aan jou het leven. Hij wilde dat je er zou zijn.
Het loven van God betekent dan vreugde over God, omdat Hij wilde dat je er was.
Dat je blij bent met God zoals Hij is: Mijn ziel, loof de Heere.
Volgens de Bijbel ligt daarin onze bestemming: dat we God loven.
Dat we vol vreugde zijn over God, omdat Hij aan ons het leven gegeven heeft.

Misschien bleef ik daarom wel bij dat eerste woord haken,
want om te kunnen loven moet je oprecht zijn.
we kunnen niet tegen God zeggen: Ik ben blij met u – terwijl we dat niet zijn.
Zo’n schijn kunnen we naar de Heere toe niet ophouden.
Het was voor mijzelf de vraag: ben ik altijd wel blij met God?
Vind ik in mijn dagelijks leven ook die vreugde in God die ik behoor te hebben?
Is heel mijn leven vol van Gods lof?
Want dat wil Psalm 146 aangeven: Ik zal de Heere loven in mijn leven.
Daarmee wordt niet bedoeld: af en toe of zo nu en dan.
Nee, ik loof de Heere met heel mijn leven: met elke ademhaling, met elke voetstap,
met elk woord dat ik uitspreek, met elke gedachte die ik heb,
met elke handeling die ik verricht – loof ik de Heere.
Mijn hele leven is een loflied bedoeld voor God.
en doordat heel mijn leven en alles wat ik ben, en alles wat ik doe
vol is van Gods goedheid, leef ik,
weet ik dat ik leef
en geef ik God vreugde omdat ik het leven gevonden heb.
Voor minder kan het loven van God niet. Het is of helemaal of niet.
En op een andere manier leven vinden kan ook niet.

Je kunt dat niet vinden door je te verbinden aan mensen.
Ook al lijken ze voor altijd de macht te hebben
en lijken ze je een gelukkig leven te kunnen bieden.
Kijk maar naar wat er in Oekraïene gebeurt.
Er zijn veel mensen die zich verbonden hebben aan de clan van de huidige president,
want als ze aan hem verbonden waren, konden ze rijk worden.
en het is maar de vraag of er wat veranderen zal als er andere machthebbers zijn.
Maar is het ook geen begrijpelijke gedachte,
dat als je in barre omstandigheden verkeerd, zoals in Oekraïene,
als het moeilijk is om werk te vinden en bijna onmogelijk om een eigen bedrijf op te bouwen
door de corruptie die er is, dat je je richt op andere mensen.
Nee, zegt onze Psalm, je moet het van mensen niet verwachten.
Ook al hebben ze op dit moment veel macht.
De omstandigheden hoeven maar te veranderen en ze sleuren je mee in hun val.

Oekraïene is een goed voorbeeld dat de lof van God niet slechts opkomt
uit een leven waarin alles voor de wind gaat.
Het loven van God is niet een stemming die ons goed afgaat als we het goed hebben.
Loven is niet altijd een gevoel van geluk,
maar kan soms ook een dwars vasthouden aan God zijn dwars door alles heen.
In het gebed bij de doop wordt daar ook iets over gebeden:
Geef dat zij het kruis in de dagelijkse navolging vrolijk mogen dragen.
Met God leven is een vreugde – geregeld temidden van de pijn,
van het verdriet, van de tegenslag.
Dat wordt niet overstemd, dat wordt niet aan de kant geschoven.
Want God geeft die hulp aan degenen die Hem nodig hebben.
Niet aan de machthebbers, maar aan degenen die zuchten onder dictatuur.
Niet aan degenen die een goed leven hebben, maar de honger voelen.
Wanneer je in zulke omstandigheden bent, kun je gaan vergeten
dat God er nog is, dat Hij je ziet en hoort, dat Hij nog iets zal doen.
En toch, deze psalm houdt ons voor, dat Hij er dan juist is.
Er is wel een houvast – in God, een uitredding – bij God.
Zalig, zegt de Psalm, wie deze houvast kent: de God van Jakob.
die door de Heere geholpen wordt
en die bij Hem zijn hulp heeft.
Die er rekening mee houdt, dat God er niet achteloos aan voorbij gaat,
maar er op terugkomt.
Gelukkig ben je, als je God zo vertrouwt en op Hem rekent.

In onze vorige woonplaats waren we getuige van een gezin bij ons uit de gemeente
die een grote Noord-Hollandse boerderij herbouwden.
Ze hadden een boerderij gekocht en die was onbewoonbaar.
De boerderij moest worden afgebroken en helemaal opnieuw worden opgebouwd.
Ook het gebindte – een houten constructie waar zo’n ouderwetse NHse boerderij op rustte
moest worden vervangen.
Begonnen werd met een fundament en nadat het fundament was gelegd
Werd er een betonnen constructie opgericht en daarna pas de boerderij steen voor steen opgebouwd.
Zalig, zegt de Psalm, wie zijn levenshuis niet zomaar begint,
maar bouwt op de trouw van de God van Jakob,
wie het kruis van Christus de constructie laat zijn die het levenshuis draagt.
Dat fundament is er al – voordat het huis gebouwd werd.
Die constructie staat al, voordat het levenshuis steen voor steen gebouwd wordt.
God loven betekent, dat je levenshuis rust op dat fundament, op die constructie,
Dat je levenshuis gedragen wordt en dat je je ook laat dragen.

Dat is ook christelijke opvoeding: Dat u, dat jij dat ook voorleeft aan uw kinderen,
dat je levenshuis gedragen wordt door God als fundament,
Dat je op Hem steunt en bouwt.
Dat je levenshuis gedragen wordt, door Christus die het volbracht.
Wanneer je dat oprecht doet, zullen je kinderen dat ook oppikken
En helpt u hen, want zij zien aan u, hoe u uw levenshuis op Christus bouwt.
En u moet het niet alleen doen voor uw kinderen,
maar ook voor uzelf: gelukkig ben je, zalig,
want je het leven gevonden, je het God gevonden, teruggevonden.

Teruggevonden – want dat hoort ook bij de doop.
Dat wij vanuit onszelf helemaal niet ons levenshuis bouwen op Christus,
dat we de Heere helemaal niet ons fundament willen laten zijn.
In de afgelopen week was Jasper op doopbezoek geweest
en hij vroeg ons onder andere wat er voor ons dit keer uitsprong bij de doop.
Zelf gaf ik aan, dat voor mij het begin van het doopformulier steeds meer gaat klinken:
De doop laat ons zien dat wij met onze kinderen in zonde ontvangen en geboren.
Daarom zijn wij mensen op wie de toorn van God rust,
zodat wij in Zijn rijk niet kunnen komen, tenzij wij opnieuw geboren worden.
Dat het helemaal niet vanzelfsprekend is,
dat we ons levenshuis bouwen op Christus,
omdat we dat uit onszelf niet doen en uit onszelf dat onze kinderen ook niet voorleven.
Ik doe het alleen omdat ik naar dat fundament getrokken wordt
en dat ik gegrepen ben en Christus mijn levenshuis langs zijn kruis bouwt
en het zegt: ik ben ook voor jou gestorven, voor jouw gezin, voor jouw gemeente,
voor iedereen die het maar wil horen en geloven.

Misschien heeft me daarom dat eerste woord uit de Psalm ook wel getrokken.
Dat de lof van God, ook al is het niet iets van mijzelf, in mij een snaar raakt
en het halleluja mij meeneemt, de wereld van God in,
mij meeneemt naar de gemeente die de lof van God bezingt
en dat ik mij voeg in dat koor, die vreugde vindt in God
en merk dat ik tot mijn bestemming kom.
En ik hoop van harte dat u ook meegenomen wordt in die vreugde over God
en dat u het ook doet, uw levenshuis bouwen op God, op Christus
en zo het leven vindt in God
Ik hoop dat onze kinderen dat ervaren en meekrijgen.
Dat het ook waar is waar de psalm – bijna mee eindigt:
Dat onze God er is – van geslacht op geslacht, van generatie op generatie:
van onze grootouders en ouders, van onszelf, van onze kinderen en hun kinderen.
Koning tot in eeuwigheid.

Deze psalm begint met halleluja, deze psalm eindigt met halleluja.
Alles wat er over God gezegd kan worden, wordt door deze woorden omsloten.
Alles wat er over ons leven gezegd kan worden, wordt door deze woorden omkaderd.
Het gaat om kennis, dat ons raakt, en meeneemt, naar God toe, in Zijn werkelijkheid,
in Zijn dienst.
vol verwondering, dat Hij mij wilde meenemen, dat Hij werkt in het leven van ons mensen die iets anders hadden verdiend, maar het ons schenkt – door Christus – om met Hem te leven
en daar weer onze vreugde in te vinden.
Daarom zal mijn mond uw lof verkondigen – van nu aan tot in eeuwigheid.
Amen

De synagoge in de Antieke oudheid en de betrouwbaarheid van Lukas

De synagoge in de Antieke oudheid en de betrouwbaarheid van Lukas

In het Reformatorisch Dagblad van zaterdag 22 februari 2014 wordt een artikel uit het Nederlands Dagblad overgenomen. Het is een uitgebreide recensie van Rien van den Berg over een standaardwerk over synagogen in de Antieke Oudheid. Het is Van den Berg niet alleen te doen om die synagogen, maar om de historische betrouwbaarheid van de Bijbelschrijver Lukas.

De redenering van Van den Berg is: Decennialang is men er in de theologie vanuit gegaan dat de weergave van Lukas historisch niet betrouwbaar is.
Een van de argumenten daarvoor is de beschrijving van Lukas, dat Jezus optreedt in de synagoge. Dat kon niet betrouwbaar zijn, want archeologisch is het bestaan van de synagoge vóór 70 na Christus niet aangetoond. Theologen deden haalden de betrouwbaarheid nog sterker naar beneden, want zij gingen er vanuit dat Lukas en andere Bijbelschrijvers veel verschijnselen niet alleen vanuit hun eigen omgeving projecteerden op het leven in Palestina, maar ook nog eens het een en ander verzonnen om de toenmalige gemeentepraktijk te onderbouwen. Nu echter met een nieuw handboek, waarin het nieuwste archeologische onderzoek is verwerkt, wordt duidelijk dat die synagogen er wel degelijk waren in de tijd van Jezus. Dus Lukas is historisch wel betrouwbaar.

De auteur beweert dat in de theologie het bestaan van synagogen in de tijd van Jezus ontkend wordt en dat hele generaties theologen – met name aan rijksuniversiteiten – met dit beeld zijn opgeleid.
Van den Berg meldt echter niet op welke periode hij doelt als hij spreekt over hele generaties theologen. Bovendien geeft hij niet weer om welke theologen het gaat, die deze stelling aanhingen.
Daarmee is voor mij deze bewering niet te checken of te weerleggen. Toch valt wel het De redenering is daardoor naar mijn idee erg tendentieus. Daarmee bedoel ik dat de redenering niet op feiten is gestoeld, maar het een en ander bewust in een kwaad daglicht door niet alle feiten te vermelden.

Op de stelling valt namelijk nogal wat af te dingen:

(1) Voor mijzelf is de bewering, dat het bestaan van synagogen in de tijd van Jezus ontkend wordt, nieuw. Ik ben in 1997 begonnen met studeren de Rijksuniversiteit Utrecht. Ik ben deze bewering nooit tegengekomen. En ook niet als argument tegen de historische betrouwbaarheid van Lukas.
Als ik mijn studieboeken uit die tijd opsla, kom ik de bewering dat er in de tijd van Jezus geen synagogen bestonden niet tegen. Everett Ferguson (Backgrounds of Early Christianity) veronderstelt dat het fenomeen synagoge opkomt ten tijde van de ballingschap of na de ballingschap. In zijn beschrijving van de synagoge grijpt hij ook terug om aan te geven hoe het er in de synagogen aan toe ging. De auteurs van The Book of Acts in Its Palestinian Context zijn nou niet bepaald auteurs die een tegenstelling creëren tussen de gegevens uit de Bijbel en de archeologische gegevens.

(2) Als ik de standaardwerken naga, die tot mijn beschikking zijn, kom ik de genoemde bewering ook niet tegen. (De auteurs die een lemma schrijven in zo’n standaardwerk worden gezien als betrouwbare experts op een bepaald vakgebied. Zo’n lemma bevat zelden een noviteit, maar eerder een objectieve weergave van de wetenschappelijke discussie.)
Er wordt weliswaar vermeld dat het bestaan van synagogen in die tijd archeologisch gezien omstreden is. Er wordt niet de conclusie getrokken dat deze synagogen dan niet hebben bestaan. Sterker nog: sommige synagogen zijn mogelijk na het jaar 50 v Chr gebouwd (Gamla). Ook in Jeruzalem zou er voor de verwoesting van de tempel een grote synagoge geweest kunnen zijn (zie de discussie over de inscriptie van Theodotus).
Vanaf de jaren-’90 lopen er verschillende onderzoeksprojecten naar de synagoge uit de oudheid: denk aan het onderzoeksproject onder leiding van Howard C. Kee. Overigens: de auteur van het genoemde boek was al in 1992 de auteur van het lemma ‘synagogue’ in de toonaangevende Anchor Bible Dictionary.

(3) Bij de discussie over de synagoge dient men er rekening mee te houden, dat er in de tijd na Jezus twee ingrijpende gebeurtenissen zijn geweest, die mogelijk invloed hebben gehad op de synagoge: de verwoesting van Jeruzalem en het schisma tussen Joden en christenen. Doordat er weinig gegevens zijn van voor 70 n Chr is het onduidelijk of de synagoge een verandering heeft doorgemaakt. Daarom is het niet verkeerd om een zekere terughoudendheid te betrachten wanneer Bijbel en exegese aan elkaar worden gekoppeld.
(4) Als de bewering niet in standaardwerken over synagoge voorkomt, moet het wellicht in de exegetische discussie over Lukas voorkomen. In een veelgebruikte Einleitung in das Neue Testament van Udo Schnelle kom ik de bewering ook niet tegen. Schnelle gaat wel er vanuit, dat Lukas niet alles even betrouwbaar opschrijft, omdat hij van buiten Palestina komt en aan christenen van buiten Palestina schrijft. De bewering dat Lukas het bestaan van de synagogen projecteert op Palestina hanteert Schnelle niet als argument om zijn visie kracht bij te zetten.
Als ik kijk in commentaren bij Lukas 4, het gedeelte waarnaar door Van den Berg verwezen wordt, kom ik het argument ook niet tegen. Heinz Schürmann (Herder Theologischer Kommentar) die rekening houdt met het verschil tussen de historische Jezus en de theologie van de auteur, gaat er bijvoorbeeld vanuit dat Jezus als jongen heeft deelgenomen aan de eredienst in de synagoge.

(4) De discussie over de betrouwbaarheid van een Bijbelgedeelte of Bijbelschrijver is geen eenvoudige. Die discussie is afhankelijk van de waarde die men toekent aan (1) de tekst van de Bijbel, (2) aan de beschrijving van niet-Bijbelse auteurs over dezelfde periode, (3) de datering van de archeologische vondsten, (4) de mogelijkheid om archeologie en Bijbel met elkaar in verbinding te brengen.
Er zijn inderdaad theologen en exegeten die pas uitgaan van een historische betrouwbaarheid wanneer een beschrijving uit de Bijbel wordt bevestigd door buitenbijbelse bronnen. Maar niet elke theoloog gaat daarvan uit. Er zijn volop theologen die de Bijbel beschouwen als serieuze bron en uitgaan van een accurate beschrijving – tot het tegendeel blijkt. (In het Duitse vakgebied oa: Peter Stuhlmacher, Martin Hengel, Rainer Riesner, Klaus Haacker).

(5) In de exegese kan er inderdaad een verschil zijn tussen de historische werkelijkheid en de beschrijving van de Bijbelschrijver. Een bekend verschil die in de theologie gehanteerd wordt is de historische Jezus, die kan afwijken van wat de Bijbelschrijvers over hem weergeven. Vanuit de theologie die deze auteurs zelf hebben of in hun gemeente tegenkomen (of juist willen bestrijden) kunnen zij de beschrijving van de historische Jezus kleuren.
Deze tegenstelling wordt overigens niet door iedereen gedeeld. Ook hier zijn er exegeten die uitgaan van de accuraatheid van de schrijver – tot het tegendeel blijkt.
Het is wel mogelijk dat de werkelijkheid een andere inkleuring krijgt door een schrijver. Daarbij hoeft men niet altijd aan te nemen, dat zo’n auteur of de latere gemeente deze gegevens bewust verzonnen heeft. Wanneer Van den Berg weergeeft dat de gemeentetheologie in de ogen van theologen ‘ter kwader trouw’ is, omdat die theologie de feiten verzonnen heeft, geeft hij in mijn ogen een karikaturale omschrijving. De gedachte wordt wel gevonden, maar is niet gemeengoed.

(6) De historische betrouwbaarheid van Lukas als Bijbelschrijver is niet gekoppeld aan de beschrijving van synagogen. In het tweede gedeelte van zijn artikel blijkt ook de zwakte van het leunen van Van den Berg op het genoemde boek: lang niet iedereen is overtuigd van de herdateringen die in het boek worden voorgesteld.
Problematischer en meer bediscussieerd zijn Lukas’ weergave van de geografie of van de historische omstandigheden.
Het klopt dat Lukas niet als altijd betrouwbaar werd of wordt gezien. Udo Schnelle is daarvan een voorbeeld. Tegelijkertijd zijn er veel exegeten, die geen behoefte hebben om de beschrijving van Lukas te problematiseren. Zij gaan ervan uit, dat Lukas zich niet voor niets presenteert als een schrijver die zijn bronnen heeft (Lukas 1:1-4).

Christelijk pastoraat in een seculiere context

Christelijk pastoraat in een seculiere context

Wat kan christelijk pastoraat betekenen in een omgeving die ontkerkelijkt en religieloos geworden is? Het is geen wonder dat Jürgen Ziemer deze vraag opneemt.

Ziemer is al decennialang werkzaam in de oost-Duitse stad Leipzig: eerst als predikant en later als docent en hoogleraar. Leipzig ligt in de voormalige DDR, een sterk geseculariseerd gebied. De universiteit van Leipzig is nauw verbonden met de kerk uit de omgeving van Leipzig. De vragen waar de kerk mee te maken krijgt worden door hoogleraren van deze universiteit opgenomen. Vandaar dat de thematiek van de ontkerkelijking en de religieloosheid van oost-Duitsland door theologen als Jürgen Ziemer (en ook door bijvoorbeeld Wolfgang Ratzmann) opgepakt.

Ontkerkelijkt
Wat kan christelijk pastoraat in deze context betekenen? Daarvoor moet eerst die seculiere context nauwkeurig en kritisch worden waargenomen.
Het aanzicht van de stad is sterk gestempeld door het christendom. Er zijn talloze kerken die het beeld van de stad bepalen. Toch is er in deze stad met 500.000 inwoners slechts 20% verbonden met een kerk:
– Evangelische Kirche: 60.000 (12%)
– Katholiek: 12.000 (4%)
– Freikirchlich: 12.000 (4%)
Dat houdt in dat 80% van de inwoners van Leipzig niet aan een (christelijke) confessie is verbonden.

Het proces van ontkerkelijking werd in de DDR van hogerhand gestimuleerd. In godsdienstsociologische studies naar de religiositeit wordt ook wel gesproken over geforceerde seculariteit. De Wende van 1989-1990 heeft echter geen verandering tot stand gebracht in de betrokkenheid op de kerk. Hoewel eerder begonnen is de secularisatie in oost-Duitsland geen geïsoleerde trend: grote delen van Europa hebben in mindere of meerdere mate te maken met deze ontkerkelijking.

Geen thema meer
Wanneer men de kerk uittreedt heeft men daarvoor al een heel proces van afwenden van de kerk achter de rug. De kerk wordt echter niet ingeruild voor een ander geloof. Het verbreken van de band met de kerk is een overgang naar religieloosheid. Voor de meeste mensen in oost-Duitsland is God geen thema meer. Deze religieloosheid is onderdeel van de opvoeding in oost-Duitsland.
De religieloosheid is al generaties de normale situatie voor de meeste oost-Duitsers. De kerk en het geloof doen er gewoonweg niet meer toe. Jongeren en veertigers hebben niet eens meer de behoefte om zich te verontschuldigen voor een religieloosheid.
Alleen bij de generatie van 18-29 was er een ander beeld te zien: meer aandacht voor religieuze vragen in de breedste zin van het woord. Het gaat dan meer om een experimentele denkbeweging dan een stap richting persoonlijke betrokkenheid.

Dat levert overigens een paradox op: omdat men zich niet meer hoeft te verzetten tegen het christendom, kan men wel onbevangen genieten van de cultuuruitingen die gestempeld zijn door het christelijk geloof (bijvoorbeeld van een Bach-cantate).

Traditie
Komt er dan werkelijk niets in de plaats van het christelijk geloof? Uit een onderzoek naar de religiositeit binnen 3 generaties laat Monika Wohlrab-Sahr zien, dat de inwoners van de voormalige DDR bezig zijn met wat zij noemt: mittlere Transzedenten (menselijke idealen met een zekere transcedente lading). Daarbij gaat het om het ideaal van gemeenschapszin, eerlijkheid en – vooral – arbeid. Deze drie waarden garanderen in hun ogen een zinvol leven.

Respecteren
Wat kan het christelijk pastoraat betekenen voor deze mensen, die met de inhoud van het christelijk geloof weinig kunnen aanvangen, maar toch op zoek zijn naar troost, advies en hulp? De eerste aanwijzing die Ziemer geeft is: respecteer de manier waarop mensen zichzelf beschrijven. Wanneer zij zich als atheïstisch of agnostisch typeren, hebben wij dat te respecteren.
Bij degenen die afscheid hebben genomen kan men ook tegenkomen dat men positief is ten opzichte van de christelijke waarden en normen en dat men zich ook nog wel als christen wil typeren. Ook deze zelfbeschrijving dient gerespecteerd te worden.

Profiel
Opvallend is dat degenen die niet meer tot een kerk of een confessie behoren getypeerd worden vanuit een gebrek of een tekort: a-theïst, a-gnost, confessie-loos, god-loos, randkerkelijk, dissident, niet-gelovigen.
Dat veronderstelt dat kerkelijke betrokkenheid of religiositeit het normale uitgangspunt zou zijn. Is dat wel terecht? Is dat niet teveel een kerkelijke arrogantie? Voor het pastoraat is het duiden van de mensen die wij tegenkomen vanuit dit gebrek contraproductief.

Het is ook niet eenvoudig om een positief woord te vinden voor dit fenomeen. De Oostenrijkse pastoraaltheoloog Paul M. Zulehner spreekt van ‘onbekommerde pragmatici van de alledag’. Uit het onderzoek van Wohlrab-Sahr bleek dat de meesten zich als agnostisch typeren: ‘we willen alle opties openhouden’.
Christoph Morgenthaler benadrukt de ambivalentie van godsdienst: religie kan zowel een bron van conflicten zijn als een krachtbron zijn. Godsdienst kan verontrusten en houvast bieden. Dat geldt ook voor degenen die niet meer aan een confessie gebonden zijn.

Ontmoeten
Wat kan het christelijk pastoraat voor hen betekenen? Deze vraagstelling laat zien dat het op zijn minst mogelijk is om te communiceren met degenen die geen band meer hebben met de kerk of een godsdienst. Bij het herstel van de communicatie kan men op kritiek op de kerk stuiten. Deze kerkkritiek dienen we echter niet te overschatten en hoeft ook geen belemmering te zijn om dat contact te herstellen.
Hoe kan men dat contact weer herstellen? Door op zoek te gaan naar deze mensen. Bijvoorbeeld op de plaatsen waar de mensen in nood zijn of zich terzijde geschoven voelen: in ziekenhuizen, revalidatiecentra, gevangenissen, ed. Zulke vormen van pastoraat zijn nogal eens naar de achtergrond verdwenen vanuit de gedachte dat de mensen het pastoraat maar moeten opzoeken.
Een andere mogelijkheid om het contact te herstellen is het huisbezoek, waarbij de pastor te gast is bij degenen die hij bezoekt.

Ziekenhuispredikant Werner Bikuspki vertelt hoe een oude patiënt vraagt om een bezoek van de pastor. Wanneer de predikant komt benadrukt de patiënt dat hij atheïst is. De man begint over zijn leven te vertellen en geeft aan dat hij ondanks zijn geloof dat er geen God is toch nog veel vragen heeft. Hij verwacht ook geen antwoorden. Na 3 kwartier geeft hij de predikant een hand en zegt: ‘Bedankt voor het gesprek. U hebt mij erg geholpen.’
Wat had deze man nodig? Een pastor die komt maar niet beleert. Deze man wist wat een pastor was. Hij wist wat hij vroeg toen hij om een pastor vroeg.

Andere vormen van pastoraat zijn vormen die via bepaalde middelen of media: pastoraat per brief, e-mail, chatroom. Degene die om advies of raad verlegen zit kan consumeren. Zo nodig kan iemand anoniem zich met religieuze uiteenzetten.
Niet te onderschatten zijn de open vormen van pastoraat die een kerk kan aanbieden: kerkcafé, een oase van tijd, ontmoetingsplaatsen bijvoorbeeld. Zelfs een (kort) orgelconcert kan tot deze categorie gerekend worden. De kerk toont zich als gastvrouwe: mensen kunnen komen en gaan zonder hun visitekaartje te hoeven af te geven. Ook kan men denken aan aanbod van psychologische hulpverlening in kerkelijke context. Daarbij gaat het allereerst om professionele hulp in crisissituaties maar kunnen religieuze vragen en aspecten ook aan de orde komen.

Gespreksvormen
Er zijn twee modellen van gespreksvoering die erg behulpzaam zijn in het gesprek met degenen die geen religieuze verbondenheid hebben:
* het model van het interreligieuze pastoraat: hierbij gaat het niet om een dogmatische waarheid, maar om de vraag hoe mensen bij een ervaring van contingentie steun vinden om het leven aan te kunnen.
* de pastoraalpsychologisch gefundeerde gespreksvoering: hierbij gaat het niet om de vraag hoe de pastor zijn of haar gesprekspartner een bepaalde kant op krijgt of bevrijdt van een godsdienstloosheid. Het gaat om een hermeneutisch gesprek, waarbij de pastor de ander uitdaagt om zichzelf te begrijpen en te helpen ontdekken wat iemand op de been houdt en draagt.

Doelloos
Pastoraat is verwant aan poëzie. Net als poëzie heeft pastoraat geen opgezet doel. In het pastoraat gaat het om acceptatie van de ander, zonder dat er vooraf voorwaarden worden gesteld. Zoals een gevangene zei na een gesprek met de gevangenispredikant: ‘In zo’n gesprek kun je gewoon MENS zijn.’ Gewoon mens te kunnen zijn in een gesprek is van grote betekenis voor mensen.
Moet het in het pastoraat niet om meer gaan? Is dat voor christelijk pastoraat niet te weinig? Volgens Ziemer zal die vraag steeds weer opduiken. Als antwoord geeft hij een chassidische wijsheid door: ‘De mens is de taal van God.’ Het aanwezig bij mensen is al spreken van God.

Voorbeelden
Wolfgang Geilhufe is predikant in het ziekenhuis van Dresden. Wanneer hij spreekt over zijn ervaringen, vraagt hij zich tegelijkertijd af waar hij het recht vandaan haalt om te zeggen dat bij mensen die geen binding hebben met welke religie dan ook iets ontbreekt. Hij vertelt hoe hij respect heeft geleerd in de begeleiding van mensen die gestempeld zijn door een atheïstische levensbeschouwing.
Hij vertelt over zijn gesprekken. Vaak beginnen die heel terloops. Een oude ingenieur die veel onderzoek heeft gedaan vraagt om een bezoek. Voordat deze man om een bezoek vraagt, heeft hij de predikant eerst geruime tijd van een afstandje geobserveerd. Dan legt de oude man uit waarom hij de predikant laat komen: ‘Ik heb geen behoefte aan een godsdienstig gesprek. Wel aan een zinvol gesprek. Begrijpt u dat?’ Als de man vertelt, komen er veel thema’s langs. Op een gegeven moment vertelt hij over zijn dromen. Dan grinnikt hij over zichzelf: ‘Ik heb de indruk dat ik zo langzamerhand een religieus gesprek voer.’
Dan vertelt Geilhufe hoe er een ontroerende openheid was die duurde totdat deze mens stierf. ‘Er is een schaamte,’aldus Geilhufe, ‘om het religieuze terrein te betreden. Zeker als men niet geoefend is.’

Walter Bikupski vertelt over een gesprek met een gepensioneerde schooldirectrice. Er komt van alles ter sprake: het schoolwezen, de filosofie en de politiek. Zij heeft lang tijd nodig voordat zij vertelt wat haar persoonlijk bezighoudt. Het is de vraag naar schuld. In haar positie als schooldirectrice heeft zij verscheidene mensen met een andere opvatting dan de regering op een zijspoor gebracht. Zij vertelt hoe deze daden haar veel slapeloze nachten hebben bezorgd: ‘Steeds vraag ik mij af of zij door mijn actie hinder hebben ondervonden in hun leven.’ Zij geeft aan dat zij vandaag de dag het anders zou aanpakken. Bikupski ziet hoe deze vrouw uit het raam staart, alsof haar een vraag bezighoudt. Hij zegt: ‘Wat u gedaan heeft, kunt u niet meer ongedaan maken. Voor mijzelf is het van belang te weten dat er vergeving mogelijk is.’ ‘Dat kan wel zo zijn,’ zegt de vrouw, ‘voor mij is het op dit moment voldoende dat ik eindelijk mij heb kunnen uitspreken.’

De pastor heeft een lange adem nodig voor deze vrouw vertelt wat haar bezighoudt. Vergeving heeft zij (nog) niet nodig. Op dit moment is het voldoende dat zij erover vertelt. In religieuze termen was het een biecht. De vrouw vertelt, zonder dat zij een beroep doet op die vergeving. De pastor neemt haar serieus. Hij relativeert niets, want hij weet dat hij haar dan geen recht doet. Voorzichtig brengt hij de mogelijkheid van vergeving ter sprake. De vrouw gaat er niet op in. Daar doet zij nu geen beroep op. Wellicht later. Voor nu is het voldoende dat de predikant haar aanvoelt. De vrouw heeft niet voor niets voor een predikant gekozen voor haar ‘biecht’. Misschien was hij voor haar zoiets als een ‘laatste instantie’. Het religieuze blijft onuitgesproken. Omdat de vrouw zelf mocht bepalen tot hoever zij het religieuze gebied betraden, werkt het gesprek pastoraal. Het is niet uitgesloten dat de vrouw ooit eens verder gaat. Daar heeft deze oude directrice dan zelf de hand in. Zij kent immers de weg.

Jürgen Ziemer, ‘Christliche Seelsorge im Kontext “forcierter Säkularität’, in: Isabelle Noth / Ralph Kunz (Hg.), Nachdenkliche Seelsorge – seelsorgliches Nachdenken. FS Christoph Morgenthaler (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2012) 86-104