Les 5 zonde en schuld

Les 5 zonde en schuld

Intro
Marieke zit in de kerk en luistert naar de preek. De dominee gebruikt geregeld het woord zonde. Ergens weet ze wel wat het betekent, namelijk dat er iets niet goed zit bij haar. Toch blijft ze er over nadenken: Wat zit er eigenlijk niet goed bij haar? Moet ze zich ergens schuldig over voelen? Waar zou ze zich schuldig over moeten voelen? En hoe moet ze daarmee verder? Deze vragen worden in de preek niet echt behandeld. Het lijkt wel alsof de predikant ervan uitgaat dat iedereen weet wat zonde is. Ze gaat met meer vragen de kerk uit dan ze binnen kwam.

De familie Jansen is – zoals elke zondagmorgen – na kerktijd op bezoek bij oma Jansen. In de afgelopen week is er iets heftigs gebeurd. Twee mannen hebben een winkel overvallen en daarbij de eigenaar doodgeschoten. Deze gebeurtenis zorgt voor veel gespreksstof. Iedereen is verontwaardigd over wat er gebeurd is. ‘Ze moeten de doodstraf weer invoeren,’ zegt een van de familieleden. Dan zegt oma Jansen: ‘Het is erg wat er gebeurd is, maar niemand van ons is een haar beter. Wij zijn ook in staat om zoiets ergs te doen. Alleen bewaart de Heere ons er gelukkig voor om zoiets ergs te doen.’

Vraag 1: Marieke weet niet goed wat zonde betekent. Heb jij wel een idee wat zonde is?




Vraag 2: Welke vragen heb jij bij het thema ‘zonde’?



Vraag 3: Stel jij was bij de familie Jansen aanwezig geweest, hoe zou jij reageren op oma Jansen?


Uitleg
In de Bijbel wordt op twee manieren gesproken over zonde: (1) Zonde kan een concrete daad zijn, iets wat je doelbewust verkeerd doet, (2) Zonde wordt ook gezien als een macht, die je leven gaat beheersen. Daardoor heb je niet meer zelf de regie over je leven, maar stuurt de zonde jou aan: de zonde bepaalt wat je denkt, wat je voelt, wat je doet of wat je nalaat. Zonde heeft altijd effect op anderen: God of de mensen om je heen worden beschadigd of pijn gedaan. Daarom neemt God de zonde altijd serieus.

 

  • Doel missen: Wij zijn als mensen geschapen om God te eren. Dat was het doel waarvoor God ons schiep. Door onze zonde voeren we deze taak niet uit.
  • Misdaad: een daad die niet goed was, waarmee iemand God of een ander mens tekort doet of beschadigt. Meestal gebeurt dat doelbewust.
  • Contractbreuk: er is een contract of verbond dat niet gehouden wordt en bewust verbroken wordt. Dat verbond kan het verbond met God zijn of een contract tussen mensen onderling.

 

In het Oude Testament wordt steeds verteld hoe het volk Israël steeds bij God vandaan ging door andere goden te eren. Daarnaast kwam het geregeld voor dat de koning of andere leiders van het volk geen zorg droegen voor de kwetsbare mensen, maar de armen, de weduwen, wezen en rechtelozen uitbuitten. Dan stuurt de Heere profeten om deze misstanden aan te kaarten bij de leiders.
In het Nieuwe Testament vertelt de Heere Jezus dat zonde zich ook verborgen kan houden in je innerlijk, in je hart. Aan de buitenkant is dat niet te zien. Je kunt aan de buitenkant heel vroom overkomen, maar van binnen een minder vrome bedoeling hebben. Je kunt ogenschijnlijk heel eerlijk zijn, maar het van binnen een heel oneerlijke intentie hebben. Zonde heeft te maken met je hart: wat leeft daar?

Vraag 4: Stel dat je iets verkeerds doe: hoe weet je dat het verkeerd is?



Vraag 5: De zonde kan een macht zijn die je beheerst. Dan doe je niet wat je zelf wil, maar dan neemt de zonde de regie als het ware in je over. Wanneer merk je iets van dat de zonde de regie in je over neemt?


God heeft de wereld zonder zonde geschapen. De zonde is in de wereld gekomen nadat Adam en Eva van de vrucht hadden gegeten, waarvan ze niet mochten eten. Dat lijkt een onschuldig vergrijp van Adam en Eva. Toch is het heel ernstig geweest. Wanneer Adam en Eva van de boom van kennis van goed en kwaad zouden eten, zouden ze ook weten wat slecht is. Dan zouden ze gemeen kunnen zijn, oneerlijk, niet meer integer. Sindsdien zijn de mensen anders geworden dan God heeft geschapen.
De gevolgen zijn groot: niet alleen in het omgaan met elkaar is er veel slechtheid gekomen, maar met onze zonde kunnen wij niet met God leven. Zonde betekent dat wij ons losgemaakt hebben van God en dat wij tegenover God zijn komen te staan, als vijanden van God. Zonder God kunnen we echter niet leven en gaan we verloren.
De Heere had alle reden om ons weg te sturen bij Hem vandaan. Maar Hij wilde niet dat wij verloren zouden gaan. Daarom vertelt Hij direct nadat de mensen gezondigd hebben, dat er Iemand komt om ons te bevrijden van de zonde.
Zonde was geen vergissing. Dat gebeurde niet per ongeluk. Maar het was een bewuste daad tegen God, vanuit wantrouwen tegenover God. Ieder mens is sinds Adam en Eva daarom schuldig tegenover God. Daarnaast kan er een schuld zijn die we hebben naar God of andere mensen toe, omdat we bewust iets verkeerd deden.

Zonde heeft de neiging om te zeggen: het valt wel mee. Zo verkeerd is het niet. Zie bijvoorbeeld in het paradijs: ‘Het is niet zo erg om van die boom te eten. Sterker nog, je wordt er wijzer van.’ De zonde zaait echter wantrouwen en het gevolg is dat je God niet meer vertrouwt. Omdat je Hem niet meer vertrouwt, bouw je je leven niet meer op Hem. Je zoekt ergens anders raad. Je zoekt iets of iemand anders dat je gelukkig maakt. Daarbij laat je God in de steek. Zo gebeurde dat in het paradijs. Zo gebeurde dat steeds met het volk Israël.

Lees Genesis 3

Vraag 6: Wat de slang zegt, klopt niet (vers 1). Wat klopt er niet? (Zie vers 2 en 2:16-17)



Vraag 7: Waarom gaat Eva toch van de vrucht eten?



Vraag 8: Wat is het gevolg?



Vraag 9: Waarom verstoppen Adam en Eva zich voor God?



Vraag 10: Welke straf krijgen Adam en Eva?



Vraag 11: Welke belofte krijgen Adam en Eva?


Geloofsbelijdenis – Heidelberger Catechisms
Zondag 1, vraag 2: Wat moet u noodzakelijk weten om in deze troost godvruchtig te leven en te sterven?
Drie dingen: (1) Hoe groot mijn zonde en ellende zijn, (2) Hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost wordt, (3) Hoe ik God dankbaar kan zijn voor deze verlossing.

Zondag 3, vraag 8:  Zijn wij dan zo verdorven dat wij geheel en al bekwaam zijn tot iets goeds en geneigd tot alle kwaad?
Ja, tenzij wij door de Geest van God wedergeboren worden.

Advertenties

Vragen bij Romeinen 7

Vragen bij Romeinen 7

1) In de preek zijn twee mogelijkheden om het ‘ik’ te duiden: hier spreekt (a) of de oude mens buiten Christus (Adam en zijn nakomelingen) of (b) hier spreekt de mens die reeds met Christus verbonden is. Welk ‘ik’ is volgens jou aan het woord? Waarom?

2) In de preek wordt een gedeelte van zondag 1 van de Heidelberger Catechismus geciteerd: mijn troost is dat ik eigendom ben van Christus, verlost uit de heerschappij van de duivel. Zou je dat van jezelf kunnen zeggen? Waarom wel / niet?

3) In de preek wordt gekozen voor de visie dat het ‘ik’ de oude mens is. Tegelijkertijd wordt er gezegd: dat oude leven ligt nog op de loer. Door veronachtzaming van de bevrijding kan de zonde weer macht over je krijgen. Wanneer gebeurt dat? Maak dat eens praktisch!

4) In de preek wordt de herinnering van het door Christus bevrijd zijn gekoppeld aan de herinnering aan de doop en aan de voorbereiding van het avondmaal. Op welke manier ben je bezig met je doop? Houd je je doopdag in herinnering? Welke andere vormen heb je om het besef levend te houden dat je gedoopt bent?

5) En hoe ga je om met het avondmaal? Hoe bereid je je voor? Waar ligt het accent op: op de zonde, op de verlossing of op de dankbaarheid? Waar blijkt dat uit?

6) In de preek wordt wel heel stellig gezegd dat het nieuwe leven voor mij is. Is dat terecht? Moet daar het accent op liggen? Of meer op de waarschuwing? Op welke manier zou een waarschuwing kunnen klinken, die mensen echt aan het nadenken zet en bij Christus brengt?

7) In de preek wordt gezegd dat je je ellende alleen door God (of door Zijn wet) kunt kennen. Ben je het daarmee eens? Hoe is dat bij jouzelf gegaan?

 

Preek zondag 12 november 2017

Preek zondag 12 november 2017
Schriftlezing: Genesis 3:1-6; Romeinen 7:14-26
Tekst: vers 20-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wie is die ‘ik’ waar Paulus over spreekt?
De ik die zegt: Want het goede dat ik wil, doe ik niet,
maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.

Er zijn twee mogelijkheden:
De ‘Ik’ die hier spreekt is de oude mens, degene die niet van Christus is.
Of: de ‘ik’ is de gelovige, die reeds van Christus is, bij Hem hoort
en nog steeds – ondanks de band met Christus – een innerlijke worsteling in zich herkent:
de worsteling dat je in jezelf nog steeds een neiging hebt
om precies het tegenovergestelde te doen: het goede niet te doen en het kwade wel.
Wie is die ‘ik’ die hier aan het woord is?

Ik heb altijd meegekregen dat de ‘ik’ die hier aan het woord is
de gelovige is, die na verbonden te zijn met Christus
nog steeds in zich heeft om voor het verkeerde te kiezen.
Ook als je in Christus bent gaan geloven, ben je nog niet los
van die neiging die voor het verkeerde kiest.
Binnen in jezelf weet je dat je het niet moet doen,
maar je doet het toch, omdat er iets in jezelf sterker is waardoor je het toch doet.
Je weet dat je niet mag roddelen, maar toch is er die neiging
om dat verhaal toch door te vertellen – ook al ben je met Christus verbonden.
Je weet dat je iemand niet mag haten, en toch je hebt zo’n sterk gevoel
dat je iemand echt niet mag – ook al behoor je Christus toe.
Ook nadat we bij Christus zijn gekomen, aan Hem toebehoren,
heeft ons eigen ‘ik’ een neiging in zich die destructief is, die kapot kan maken,
dat ondanks alle waarschuwingen die je in de wet van God hoort, je er toch voor te kiest
omdat er in jezelf een neiging is die sterker is, die niet van God komt.
En al wil je het zelf niet, je doet het toch.
Een wil, een verkeerde wil, zondig en vijandig tegenover God, die de macht in je overneemt.

De vraag is alleen of deze uitleg wel helemaal recht doet
aan wat Paulus hier schrijft in zijn brief aan de gemeente in Rome.
Paulus is hier namelijk een verschil aan het uitleggen tussen vroeger en nu:
Vroeger in de tijd zonder Christus,
toen je Hem nog niet kende, toen je nog niet aan Hem verbonden was,
Toen je nog leefde in de macht van de zonde,
was je niet jezelf en kon je niet je eigen gang gaan,
maar was er een ander die over je heerste: de zonde was je te sterk.
Er is echter iets veranderd: een nieuw leven, een leven waarin die macht verbroken is.
Dat andere leven is ook zichtbaar gemaakt, gemarkeerd: door de doop.
De doop – ondergegaan in het water – betekent dat je een nieuw leven bent ingestapt.
De doop en ingaan in dat nieuwe leven betekent ook,
dat er ook een Ander gekomen is, die over uw leven heerst.
Niet meer de zonde die alle macht heeft in je leven,
die macht is verbroken en je hebt een andere Heer gekregen: Jezus Christus.
Je bent bevrijd!
Het is de troost waar zondag 1 van de Heidelberger Catechismus over spreekt:
Mijn enige troost in leven en sterven is, dat ik eigendom ben
van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus.
Hij heeft mij uit de heerschappij van de duivel verlost.
Geworden van een ander, de eigendom van een ander.
Ik behoor niet meer de zonde toe, maar Christus die voor mij stierf aan het kruis.

Ooit sprak iemand mij aan na een kerkdienst.
In de dienst had ik die eerste zondag van de Catechismus gebruikt als geloofsbelijdenis
en het had geklonken dat het een troost is, dat ik nu eigendom ben van mijn Heer.
Ze sprak mij aan, omdat ze zich stoorde aan het woord eigendom.
Het gaf haar helemaal geen troost dat ze eigendom geworden was van Christus.
Dat benauwde haar.
En toen vertelde ze haar levensverhaal.
Hoe ze vastgelopen was in haar relatie,
en dat ze in die relatie steeds meer zichzelf was kwijtgeraakt.
Ze had het gevoel dat ze steeds meer eigendom werd van haar man.
Die relatie was gesprongen, de breuk was heftig geweest
en nu ze op zichzelf woonde, kon ze weer zichzelf worden, vrij zijn, ademen, opleven.
Dat woord eigendom deed haar denken aan die relatie, waar ze juist net uit was.
Eigendom van Christus – dat gaf haar een benauwd gevoel.

Juist die bevrijding uit een band die knelt, waarin je niet meer jezelf kunt zijn,
maar gedwongen om anders te zijn dan je bent
En anders te doen dat je vanuit jezelf zou willen,
de ervaring van die bevrijding dat is juist wat Paulus hier wil aangeven}
en ook wat de Catechismus in het antwoord op zondag 1 aangeeft.
Nog intenser bij Paulus, bij de Catechismus,
Een echte bevrijding, omdat het oude leven, waarin er een macht over je heerst
verbroken is, de gevangenis van de zonde is opengegaan
En het mogelijk is dat die neiging die in ons is, gestopt wordt,
het niet meer voor het zeggen heeft
en dat het patroon om steeds het verkeerde te doen, het verkeerde dat God verboden heeft,
om dat toch te doen – dat het patroon verbroken is.
Romeinen 7 gaat over het oude leven, het schrikbeeld van een leven zonder Christus,
overgeleverd aan die destructieve macht die over ons wil heersen
en ons tegen God wil laten ingaan.
Zo was het vroeger – nu is het anders; God zij dank.
Dat was het oude leven – nu hebben we een nieuw leven ontvangen.
Door Christus onze redder, die ons bevrijdde uit die macht.
Waarom dan nog aandacht voor dat oude leven?
Waarom nog zo vertellen over dat oude leven, op zo’n levendige manier
waardoor je als gelovige, bevrijd en verbonden aan Christus,
jezelf nog kunt herkennen in wat Paulus hier in Romeinen 7 beschrijft?
Omdat dit oude leven nog op de loer ligt om je terug te trekken,
omdat de zonde je niet zomaar wilt laten gaan.

Onlangs was ik samen met Rianne in het Bevrijdingsmuseum in Groesbeek.
Toen we binnenkwamen, zei de mevrouw die bij de kassa zat:
Dit is een Bevrijdingsmuseum, geen oorlogsmuseum.
Er wordt wel over de oorlog verteld en dat maakte ook wel indruk.
De strijd die geleverd is in vanaf september 1944 tot in het voorjaar van 1945 in die regio
door de parachutisten en de grondtroepen, de vele soldaten die gesneuveld zijn.
(We zijn later ook bij een grote Canadese begraafplaats geweest,
indrukwekkend om daar te lopen, de leeftijden te zien
en ook te zien dat een aantal na de oorlog is overleden, waarschijnlijk aan verwondingen).
Het museum was een Bevrijdingsmuseum:
Het verhaal van de oorlog wordt verteld om aan de bezoeker te laten weten:
Je vrijheid is bijzonder. Daar is heel wat aan vooraf gegaan.
Er is een groot offer voor gebracht, door soldaten van ver weg,
die hier meestal vrijwillig kwamen om te strijden, om ons te bevrijden van een vijand.
Te bevrijden van een dictatuur.
Hoe ga je met die vrijheid om? Hoe waardeer je die vrijheid? Hoe vul je die in?
Dat de oorlog veel gekost heeft, dat was mij wel bekend.
Ook in Veenendaal, waar ik opgroeide, was dat besef er.
Omdat dit strijdtoneel geweest is, in de meidagen van 1940
en laat bevrijd als een van de laatste plaatsen.
Daar in dat museum en daar lopend in die regio van Groesbeek
maakte het weer indruk, welk offer er gegeven is.
En kun je het voorstellen hoe het leven er ongeveer uit zal zien
als we die vrijheid verkwanselen.
In een dictatuur terechtkomen zal niet snel gebeuren, daarvoor zit de vrijheid te diep.
Maar ook door onverschilligheid voor anderen, of door gemakzuchtig leven
zonder er bij stil te staan hoe bijzonder het is om in vrijheid te leven
dat we onze bevrijding te danken hebben aan dat offer dat gebracht is.

Zo schrijft ook Paulus over dat offer, dat Christus bracht voor onze bevrijding.
Een groot offer, we zijn bevrijd, we mogen in vrijheid leven.
Waar Paulus over schrijft, die macht die ons beheerste is verleden tijd, voorbij.
Maar pas op. Je moet er niet achteloos van worden.
Je moet scherp blijven, want die onvrijheid kan weer terug komen.
We kunnen onze vrijheid weer kwijtraken, weer in die gevangenschap van de zonde komen.
Daarom spreekt Paulus over deze ‘ik’.
Het is de ik van Adam, en niet alleen van de Adam die uit het paradijs is gestuurd,
maar van elke Adam die sindsdien leefde,
die erachter kwamen welke verwoestende gevolgen de zonde heeft gehad,
niet alleen op onze band met God, maar ook op ons innerlijk, op wat ons aanstuurt, aandrijft.

Hoe kom je er eigenlijk achter, dat de zonde verwoestend is.
Dat die verkeerde neiging er is, dat een ander in jou het stuur heeft overgenomen?
Ontdek je dat zelf? Kom je daar zelf achter, omdat je de negatieve gevolgen ervaart?
Nee, dat de zonde verwoestend werkt, daar kom je niet zelf achter.
Dat ontdek je door de wet.
De wet van God heeft verschillende betekenissen voor een christen.
Een van die betekenissen, een van de functies is dat de wet aanwijst  wat zonde is.
Het is de wet van God die de zonde ontmaskert, die de zonde onthult.
De wet, dat is Gods wil. De wet is heilig en komt bij God vandaan.
In dit gedeelte moet Paulus uitleggen waarom de wet goed is,
want hij heeft gezegd dat de zonde van de wet gebruik maakt om juist de zonde te doen.
Dat werkte aanlokkelijk: Wat je niet mag, dat ga je juist doen.
Wat God in Zijn wet verbood, dat ga je juist opzoeken, dat wil je doen.
Is de wet dan verkeerd, nee: de wet komt bij God vandaan.
Het zijn Gods woorden.
Maar de zonde is er mee aan de haal gegaan.
Toen God Adam verbood in het paradijs om niet van die ene boom te eten
liet God weten dat het niet goed is om te begeren,
dat het niet goed is om iets te pakken wat niet van jezelf is, wat God verboden heeft.
Maar juist daardoor werd die ene vrucht zo aantrekkelijk,
terwijl er duizenden andere vruchten waren, werd juist deze ene vrucht gegeten.
Als je niet mag roken of drinken, dan is het stoer om het wel te doen.
Als je niet veel te hard hard mag rijden of niet zonder licht mag rijden,
dan ga je dat juist wel doen. Om uit te dagen, te provoceren,
om zelf erachter te komen wat er zo slecht is
en dan valt het eerst vaak nog wel mee.
Zo maakt de zonde gebruik van de wet. Provocerend: Kijk mij eens doen wat verboden is
en het valt toch wel mee.

Nee, zegt Paulus het valt niet mee.
Het zorgt ervoor dat je niet meer jezelf bent, je vrijheid kwijt bent,
net als met een verslaving, dat je er niet tegenop gewassen bent, dat je het wel moet doen.
Het kwade dat ik niet wil, dat doe ik toch. Ik kan niet anders, die macht in mij.
Die macht in mij, die tegen God was, die ik in mijn leven heb toegelaten.
Die zorgt ervoor dat ik Gods wet niet meer kan houden.
Die zorgt voor een verscheurd ik, in mijzelf:

Mijn God, gewapend tot de tanden, voeren twee mannen in mij strijd:
één wil dat ik te rechter tijd voor U in liefde zal ontbranden,
de ander wil uw recht aanranden en drijft mij tot opstandigheid.

Ik zoek vrede, maar oorlog maak ik, roep vrede, en pleeg snood verraad.
Het goede willen geeft geen baat. Naar werken van vrede haak ik,
maar ‘t goede dat ik wil verzaak ik, en doe het kwade dat ik haak.

Kom mijn verscheurde hart genezen, o Heer, door uw genade groot;
Ik ben het zelf die weerstand bood. Herstel de eenheid van mijn wezen
en laat U dienen en U vrezen wie eens slaaf was van de dood.

Christus is gekomen, zegt Paulus – God zij dank.
Die verscheurdheid is niet het enige verhaal meer voor wie gelooft,
Die macht over je, die heeft niet meer het laatste woord over jou.

En toch is het goed om dat verleden, dat wat eens was, niet te vergeten,
omdat je er nog mee kunt worstelen,
Zoals er na de oorlog niet gelijk een nieuw bestaan was,
maar de schade hersteld moest worden van de steden die vernield waren,
huizen die bijgebouwd moesten worden, een woningnood die lang aanhield
En in Duitsland degenen die in Hitler en het nationaal-socialisme hadden geloofd
dat gedachtengoed uit hun hoofd moesten krijgen en anders moesten gaan denken,
anders leven, anders handelen, nu gericht op vrede en democratie.
Een nieuw leven, maar niet door dat oude leven te vergeten,
maar te herinneren als het verleden waar we vandaan kwamen, wat achter ons ligt
en wat ons steeds weer kan bedreigen als we losraken van Christus.

Ik kwam tegen dat dit gedeelte gelezen zou kunnen worden
bij een voorbereiding van het avondmaal.
Om weer helder te hebben waarom Christus moest komen, moest lijden, moest sterven
voor onze zonde die over ons leven gekomen was, omdat wij God inruilden
voor die andere macht, meer luisterden naar de slang dan naar God.
En dan dit gedeelte als verootmoediging.

Dit gedeelte zou ook gelezen kunnen worden als herinnering aan onze doop.
Meestal doen we niet zoveel met onze doop. Wellicht als er een doopdienst is.
Maar je zou op de dag waarop je gedoopt bent, dit gedeelte kunnen lezen.
Dat wat ik lees was mijn oude leven. Ik mag nu een nieuw leven hebben.
Maar ik moet wel waakzaam blijven.
Niet denken dat ik dat oude leven heb overwonnen,
maar dat ik dat nieuwe leven heb gekregen – genade van God, door Christus.
Dan lezen we dit gedeelte ook vanuit dankbaarheid.
zoals Paulus eindigt met dankbaarheid:
Ik ellendig mens, wie zou mij kunnen verlossen? Ik dank God, door Jezus Christus.
Ook bij de kinderdoop gaat het om dat verleden, dat wat eens was, dat oude leven
en het nieuwe leven dat gegeven wordt.
Belijd u dat deze kinderen, hoewel ze in zonde ontvangen en geboren zijn,
toch in Christus geheiligd zijn en daarom gedoopt horen te worden.
Ook voor onze kinderen mag het gelden: de macht van de zonde is al verbroken.
Dat nieuwe leven is er ook voor hen.
Ze zullen die strijd wellicht herkennen, maar ze hoeven niet hopeloos te zijn
als ze weer een nederlaag lijden, en toch weer een verkeerde keuze maken
en gehoor geven aan die neiging.
De zonde heeft de macht verloren – die neiging kan soms weer opvlammen,
die innerlijke strijd kan er zijn, je kunt er moedeloos van worden.
En toch, je mag danken, ook al lijkt het voor jezelf moedeloos,
Ik dank God, in Christus. Ons staat een sterke held terzij, die God ons heeft verkoren.
De strijd is reeds gestreden, de overwinning reeds behaald
en het is mogelijk om daar reeds in te delen,
maar dan moet je er wel naar leven.
Het verbond, dat ook met de doop twee kanten heeft: een leven in gehoorzaamheid.
Dat kan – ook al voel je vaak die neiging van de zonde.
Het kan, omdat Christus gekomen is, overwonnen heeft
en jou, u bevrijd heeft en Zijn Geest geeft om het goede te leren,
het goede te doen, te leven naar de richtlijnen en de geboden van God.
Dan wordt de wet niet alleen maar iets wat aanwijst waar het fout gaat
en de zonde onthult, ontmaskert, maar ook een aanwijzing voor hoe wij
moeten en ook kunnen leven – tot eer van God.
Ik kan dat niet uit mijzelf – ik was ten dode opgeschreven,
maar God kwam, in Christus, om mij te bevrijden en dat nieuwe leven te geven.

We vieren onze bevrijding door Christus:

W’ ontkwamen haast des vogelvangers net,

Den lozen strik, tot ons bederf gezet:

De strik brak los, en wij zijn vrij geraakt.

De Heer’ is ons tot hulp op ons gebed;

Die God, die aard’ en hemel heeft gemaakt.


Amen


Les 4 Vertrouwen op God in moeilijke tijden

Les 4 Vertrouwen op God in moeilijke tijden

Intro
Ouderling Jansen ziet op tegen het huisbezoek van vanavond. Toen hij een afspraak maakte met het Theo en Annemarie waar hij vanavond naar toe gaat, merkte hij door de telefoon een aarzeling bij Annemarie. Toch mocht hij komen. Hij houdt er rekening mee dat er heel wat komen gaat. Na een korte kennismaking zegt het echtpaar ook: ‘U ziet ons niet in de kerk. Eerlijk gezegd zijn we teleurgesteld geraakt in God.’ En dan volgt het verhaal: de moeder van de Annemarie is na een ziekbed jong overleden. Theo is enige tijd geleden zijn baan kwijtgeraakt en het ziet er niet naar uit dat hij binnenkort weer aan de bak kan. Ouderling Jansen voelt aan dat dit echtpaar de laatste tijd heel wat zorgen en spanningen heeft meegemaakt. Hij zegt het ook: ‘Jullie hebben heel wat te verduren gehad de laatste jaren. En voor jullie gevoel was God er niet.’

Marieke heeft ook het nodige meegemaakt. Ze was nog jong toen haar vader ziek werd. Haar vader leefde daarna nog vijf jaar. Soms waren er tijden waarin de ziekte even weg was. In de periode van spanning en ziekenhuisopname was Marieke veel met God bezig. Vaak bad ze dan intensief voor haar vader en voor de rest van het gezin. Wanneer het wat beter ging, raakte God wat op een tweede plan. Net of het niet meer nodig was om te bidden. Nadat haar vader overleden was, is ze nooit boos geweest op God. Ze mist vader. Elke dag. Hij leefde zelf dicht bij God en droeg zijn ziekte heel gelovig.

Vraag 1 Op wie lijk jij het meest?


Vraag 2 Wat zou jij zeggen als jij de ouderling was die bij Theo en Annemarie op bezoek zou komen?


Als er tegenslag in het leven is, zijn er twee manieren om daarop te reageren. De één wordt boos op God, of raakt teleurgesteld in Hem. Het wordt moeilijker om naar de kerk te gaan, om uit de Bijbel te lezen of te bidden. Er kan ook wel helemaal met God gebroken worden.
De ander wordt door tegenslag er bij bepaald dat hij of zij God nodig heeft. Iemand kan door tegenslag ervaren dat God hem of haar stil zet om te laten weten: Ik ben er ook nog! Vergeet je God niet. Iemand kan juist ervaren in een moeilijke periode dat de Heere heel dicht bij is en kracht geeft.
Het is van belang om je voor te bereiden op tegenslag en vooral ook hoe je in geloof met tegenslag zou kunnen omgaan. Tegenslag kan een hele test voor je geloof zijn: Blijf je dicht bij God? Of kom je juist ver bij Hem vandaan te staan? Je weet nooit van tevoren hoe je zal gaan reageren en toch is het verstandig om daar mee bezig te zijn.

Vraag 3 Weet jij hoe je reageert op tegenslag


Vraag 4: Hoe bereid jij je voor op tegenslag in je leven?

Bijbel
De rode draad van de Bijbel is dat God te vertrouwen is én dat Hij ons leven leidt. We zien zijn leiding in het volk Israël. We lezen in verhalen en in Psalmen hoe God leven van mensen leidt.
In de Bijbel kunnen we lezen dat tegenslag, ziekte of andere moeilijkheden vaak veel vragen oproept. Tegenslag maakt het niet altijd makkelijk om het vertrouwen op God te hebben. In Psalmen kunnen we lezen dat gelovigen God vragen of tot God roepen: Waarom? (Psalm 22)  Hoe lang moet dit nog duren? (Psalm 13) Bijna alle Psalmen eindigen met een lofzang of een uitspraak van vertrouwen. Alleen Psalm 88 niet. Het is geen ongeloof als er zulke scherpe vragen aan God gesteld worden. Integendeel. Vaak is het een teken van diep geloof: als er iemand was geweest die iets had kunnen doen, was dat God wel. Maar waarom doet Hij dat niet? In de Bijbel kun je door deze vragen bij God zelf te brengen, aan God zelf te stellen bij de Heere uitkomen.
Dat klinkt heel makkelijk. Nogal eens gebeurt het in een tijd van tegenslag, dat het gebed achterwege blijft. Iemand kan door teleurstelling of door boosheid niet meer bidden. Er kan alleen maar in boosheid of verbittering over God gesproken worden. De Bijbel houdt ons voor dat we beter tot God kunnen bidden.

Lees Psalm 42

Vraag 5 In Psalm 42 wordt er steeds gewisseld: Er wordt verteld hoe moeilijk het gaat. Vervolgens wordt er weer vertrouwen gevonden.  Dan zijn die moeiten er weer. Dan weer het vertrouwen op God. Waar herken jij je het meeste in? Hoe komt dat?



Vraag 6 Vestig je hoop op God, zorg dat je het vertrouwen weer terug krijgt, zegt David steeds in de psalm. Hoe doe jij dat: het vertrouwen in God weer terugkrijgen? Wat is daarvoor nodig?



Vraag 7 Op welke manier kunnen anderen – familie, vrienden, gemeenteleden – jou helpen om dat vertrouwen weer terug te krijgen?


In de Bijbel lezen we dat de Heere Jezus op aarde is gekomen. Hij kwam om te lijden en te sterven aan het kruis. Hij weet wat het is om te lijden, om pijn en verdriet te hebben. Soms kunnen gelovigen in hun eigen ziekte iets herkennen van het lijden van de Heere Jezus. Dat geldt niet voor elke gelovige.
De Heere Jezus kwam op aarde om met Zijn sterven ook te zorgen voor een nieuwe tijd, een tijd waarin er geen tegenslag, geen moeite, geen verdriet meer is. Als de Heere Jezus terugkomt, dan zal die tijd ook aanbreken. Tot die tijd kunnen ook gelovigen heel wat meemaken. Als je gelooft, dan blijven moeilijkheden je niet bespaard. Wel mag je weten dat er voor wie gelooft er ooit een heel andere tijd zal zijn: in de hemel bij God zal het alleen maar goed zijn. Dat we weten dat het anders zal worden, zien we ook in de opstanding van de Heere Jezus: de dood is overwonnen. In het Nieuwe Testament worden ook verhalen verteld, waarin de Heere Jezus zieken geneest. Die gebeurtenissen wijzen vooruit naar die nieuwe wereld, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.
Hoop hebben betekent nog niet, dat je het niet moeilijk mag hebben. In de Bijbel staat ook dat de Heere Jezus huilt als Zijn vriend Lazarus gestorven is (Johannes 11:35). Dat is bij Hem geen verdriet uit machteloosheid, maar verdriet omdat Hij ziet wat de dood aanricht.

Als je zelf niet met tegenslag te maken hebt, kun je wel in je familie of vriendenkring daarmee te maken krijgen. Hoe moet je daarmee omgaan? Want je zegt al gauw de verkeerde dingen. Het beste is een meelevende houding, waarin je echt aandacht hebt voor de ander en allereerst luistert en dat je beseft dat het heel wat is wat die ander doormaakt. Soms kunnen mensen te kort door de bocht reageren. Tegen een ouder die een kind is verloren, kan er gezegd worden: ‘Maar je hebt je andere kinderen toch nog?’ Het verdriet van de ander wordt dan kleiner gemaakt, alsof het er niet mag zijn. Het is meestal niet nodig om God te verdedigen. Die neiging kan er wel zijn. Beter is het om te laten zien, hoe er in de Bijbel ook geworsteld wordt met Gods leiding of Gods afwezigheid. Vaak brengt dat iemand dichter bij God dan goedkope antwoorden.
In een tijd van tegenslag merk je hoe belangrijk het is als mensen om je heen staan. Medechristenen die met je meeleven, die voor je bidden, die je een kaartje ter bemoediging sturen, die aan je denken. Soms kan het zo zijn, dat als jij (even) niet kunt geloven, dat anderen dat voor jou doen. Tot jij weer dat vertrouwen in de Heere terug hebt. Wanneer mensen om je heen met je meeleven is dat echt een geschenk van de Heere.

Vraag 8 Welke steun is het voor jou dat de Heere Jezus ook geleden heeft?



Vraag 9 Heb je ervaring met andere christenen of gemeenteleden die met je meeleven? Op welke manier gebeurde dat? Gaf het je troost?



Vraag 10  Hoe voorkom je dat je bij iemand die veel meemaakt met te goedkope troost aankomt?



Vraag 11 Heb je ervaren dat mensen voor jou gebeden hebben?

 

Goed gereedschap is het halve werk

Goed gereedschap is het halve werk

Onlangs kwam er een boek uit dat geschreven is door Kees en Margriet van der Kooi. Prof. dr. C. (Kees) van der Kooi is hoogleraar Dogmatiek aan de VU. Zijn vrouw Margriet is ziekenhuispredikant in Woerden.

Samen schreven zij een boek over het belang van theologie in het pastoraat. Ze gaven het boek de titel mee: Goed gereedschap is het halve werk. Dit boek heb ik in één adem uitgelezen. De vraag is of dat wel verstandig is. Want het is ook een boek om heel aandachtig te lezen en steeds te overdenken. Ik geef uit het boek een aantal gedachten en citaten:

‘Als er een zo heel groot verdriet is, kan het gebeuren dat er geen tranen zijn, omdat we wel weten dat, als het verdriet eenmaal is losgebroken, de tranen niet toereikend zijn. Daarom is het volgens Kees en Margriet van der Kooi niet vreemd als het verdriet een ‘een tijdje in de wacht wordt gezet’.

– Een gezonde zondeleer spoort aan tot een soort realisme dat de wereld vanuit Gods genade inkijkt. De christelijke zondeleer heeft een verfijnd netwerk opgebouwd van onderscheidingen die men in het pastoraat kan gebruiken. Een belangrijke vernieuwing gebeurde door het verwerken van de inzichten van de contextuele benadering van Boszormenyi-Nagy. Patronen van kwaad die door de generaties heen blijven bestaan als ze niet ergens doorbroken worden. We zijn onderdeel van die patronen. Deze patronen die door de generaties heen worden doorgegeven kan met in theologisch opzicht vergelijken met erfzonde /tot in het 4e geslacht. Uitspraak van een psychiater, geciteerd in het boek: ‘Pas als een sterk kind opstaat dat de ban van familiegeweld, ingesteld, verslaving, criminaliteit doorbreekt kan er iets nieuws beginnen’. Die inspanning is vaak te groot en te onmenselijk. Margriet vd Kooi: We leven van het Verhaal dat er zo’n Kind is geweest.

– Goede theologie maakt onderscheid tussen wat we wel en wat we niet kunnen weten en tussen wat we wel en niet moeten willen weten.

– Menselijke ervaringen zoals moederschap en vaderschap kunnen op hun beste momenten een venster worden tot op God.

– Goed gereedschap
is het halve werk is pleidooi om woord ‘zielzorg’ weer in ere te herstellen. Er is een mens in het geding die persoon, eenheid en geheim is.

– Systematische theologie krijgt een verrassende zin en betekenis als we weer leren te denken vanuit verschillende concrete levenspraktijken.

– Goed gereedschap is het halve werk is een pleidooi voor herwaardering van de notie algemene openbaring – of liever: van de universaliteit van God.

– En een pleidooi voor onderscheiding der geesten (waarbij profetie en dromen niet afgewezen worden, maar wel getoetst mogen/moeten worden)

– Goede theologie maakt onderscheid tussen wat we wel en wat we niet kunnen weten en tussen wat we wel en niet moeten willen weten.

– We leven in een imperfecte wereld en de christelijke theologie is daarover realistisch. De mens is niet perfect, het leven is niet perfect.

– Gods voorzienigheid is niet een verklaring voor alles wat er gebeurt maar heeft meer met iets wat in de nood tegemoet komt.

– 
Gesprekken die bij het leven niet gevoerd zijn, kunnen niet altijd aan een ziekbed worden ingehaald.

Preek zondag 5 november 2017 – kinderdienst

Preek zondag 5 november 2017 – kinderdienst
Schriftlezing: Mattheüs 5:13-16 / Mattheüs 21:28-32.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is tussen de middag en Thessa zit samen met haar moeder en broertje aan tafel.
Na het eten zegt haar moeder: ‘Thessa, ruim jij de tafel af?’
Thessa zucht: ‘Waarom moet ik altijd helpen?’
Ze gaat gauw naar de wc en als ze klaar is gaat ze gauw even naar haar kamer
om zogenaamd iets voor school te pakken.
Dan gaat ze naar beneden en trekt ze haar jas aan.
‘Mam,’ roept ze, ‘het is tijd. Ik ga. Doei!’
En in de kamer staat de tafel nog steeds gedekt. Thessa heeft niet opgeruimd.

Uit school gaat Thessa naar een vriendinnetje, Lisa.
Tegen etenstijd krijgt de moeder van Thessa de vraag
of Thessa mag blijven eten bij Lisa. Het mag.
Na het eten wordt Thessa thuisgebracht.
De moeder van Lisa is enthousiast:
Tegen de moeder van Thessa zegt ze:
‘Je hebt een leuke dochter en ze is zo behulpzaam!
Na het eten heeft ze geholpen met tafel afruimen en de keuken opruimen!
Nou, als ik iets aan Lisa vraag, dan voert ze niets uit.
Nu met Thessa erbij hielp ze mee. Thessa was een goede hulp!
Je hebt je dochter een goede opvoeding gegeven!’

Wat moet de moeder van Thessa nu:
Moet ze boos zijn omdat ze thuis niet hielp
of moet ze blij zijn dat Thessa bij een ander wel geholpen heeft?
Want Thessa heeft door te helpen wel voor een goede naam gezorgd.

Zo moeten jullie ook een stralend licht zijn voor de mensen.
Als Thessa door te helpen bij Lisa ervoor zorgt
dat de moeder van Lisa positief is over de opvoeding van Thessa,
dan laat ze iets zien, dat ze iets van haar moeder heeft geleerd
en dat wat haar moeder belangrijk vindt ook in praktijk brengt.
Dat is hoe wij hebben te leven als we geloven in de Heere Jezus,
als we de Heere Jezus kennen en van Hem houden en bij Hem willen horen.
Dan kunnen wij iets van de Heere Jezus laten zien.
Dan kunnen wij, dan kunnen jullie iets van de Heere Jezus uitstralen,
een licht in de wereld.
En zo’n licht zijn, de Heere Jezus laten zien aan andere mensen,
kan door wat je doet, wat je moet doen van de Heere Jezus.

Als je ruzie hebt bijvoorbeeld met iemand
en je gaat naar de kerk om de Heere God te danken
en Hem iets te geven omdat je dankbaar bent,
dan moet je naar huis gaan, voordat je iets geeft
en het goedmaken met die persoon met wie je ruzie hebt.

Of je kunt je heel erg boos maken om iemand die een moord heeft gepleegd.
Daarover zegt de Heere Jezus: Dat is ook heel erg verschrikkelijk.
Mijn Vader in de hemel heeft dat niet voor niets verboden.
Maar als je op iemand kwaad bent, is dat niet minder erg.
Een ander ziet dat niet, aan de buitenkant kun je heel erg aardig doen.
Maar van binnen kun je allerlei lelijke gedachten hebben over degene
op wie je kwaad bent, of zelfs allerlei verschrikkelijke dingen doen in je gedachten.

Of als je ruzie hebt en het loopt op vechten uit
en iemand slaat je in je gezicht, dan moet je niet terugslaan
maar je moet je hoofd omdraaien, want dan kan die ander je nog een keer slaan.
Je hebt mensen aan wie je een hekel hebt
of mensen die aan jou een hekel hebben.
Die jou steeds pesten, die zich naar gedragen.
Je moet van die mensen houden, zegt de Heere Jezus
en zelfs voor hen bidden. Bijvoorbeeld of de Heere hen anders wil maken
en ervoor wilt zorgen dat ze zich wel aardig gedragen.
Want dan doe je net als de Heere God.
De Heere God maakt ook geen verschil tussen mensen die goed leven
en mensen die slecht leven.
Als het regent, dan regent het ook voor slechte mensen
en als de zon schijnt, kunnen ook mensen die slecht leven van de zon genieten.
Als er koren is, kunnen slechte mensen eten krijgen
en als er vrede is, hebben ook mensen die slecht leven vrede.
God is goed voor iedereen, voor iemand die goed leeft én voor iemand die slecht leeft.

Dat is niet makkelijk: van iemand houden die je steeds dwarszit
en voor iemand bidden die je pijn doet of pest.
Het is niet makkelijk om eerst je boosheid kwijt te zijn of eerst iets goed te maken
voordat je de Heere God dankt.
Geen wonder dat er mensen zijn, die net als Thessa zeggen: Ik heb er geen zin in.
Net als die leerling die zijn huiswerk niet wil maken.
Het kost teveel moeite. Ik moet er teveel voor doen
en dan kan ik ondertussen veel leukere dingen doen.

Het is ook niet makkelijk om zo te leven.
Dat weet de Heere Jezus ook.
Daarom vertelt Hij een verhaal over twee zonen.
De ene zoon krijgt een opdracht. Hij zegt “Ja!” maar uiteindelijk doet hij het niet.
Een andere zoon krijgt ook de opdracht.
Deze zegt eerst “Nee!” maar doet het toch.
Wie is er dan het meest gehoorzaam?
Dat is toch degene die het uiteindelijk wel doet,
ook al zegt hij eerst nee?

Als je het doet, als je doet wat de Heere Jezus van je vraagt,
Dan ben je een licht, dan schijnt je licht voor alle mensen.
Als de Heere Jezus over licht spreekt, dan is dat niet zomaar een woord,
maar het licht hoort bij God. God is licht, staat er in de Bijbel.
En de Heere Jezus heeft eens gezegd: Ik ben het licht van de wereld.
In het begin van de Bijbel, bij de schepping, lezen we dat God als eerste licht maakt.
Nadat Hij de hemel en de aarde heeft geschapen,
wil Hij dat er allereerst licht is.
Op de aarde mag geen donker zijn, geen duisternis.
Geen nare dingen als ziekte of pijn, of liegen en iemand bedriegen,
geen mensen die slecht zijn of verkeerde dingen doen.
Alles is goed, helemaal vol van het licht van God.
Duisternis mocht er niet zijn.
Maar die is er wel gekomen, jullie weten dat vast wel
en je kunt dat ook merken, om je heen, bij anderen uit de klas, of in de straat,
zelfs bij je vrienden of vriendinnen, zelfs in je eigen familie
en ook bij jezelf, in je eigen hart.
Dat wij als mensen allemaal in staat zijn om slechte dingen te doen:
Soms liegen we als dat beter uitkomt, soms zijn we lui als we geen zin hebben,
soms ongehoorzaam, of soms zijn we zomaar gemeen tegen iemand,
soms vertellen we zomaar iets door over een ander dat niet klopt
maar ja, het is zo’n leuk verhaal.

Dan zegt de Heere Jezus: je moet anders leven.
Je moet daar niet aan mee doen: niet aan pesten, niet aan liegen,
niet aan gemene dingen doen of verhalen over anderen vertellen die niet kloppen.
Als je zo leeft, ben je een licht.
Als heel veel mensen om je heen, misschien wel allemaal, iets verkeerd doen
of iets slechts in zich hebben, of iets gemeen doen, dan ben jij anders.
In een wereld die donker is, omdat er zoveel slechtheid of oneerlijkheid is,
ben jij anders en daarom straal je iets uit: het licht van God.
De mensen om je heen zien iets aan je,
namelijk dat er een God is en ze gaan over God nadenken,
omdat ze aan jou merken, dat er een God is, die voor deze wereld zorgt.
Het geeft gevolg – net zoals de leerlingen voor een huiswerk leren,
er iets voor doen er een beter cijfer mee krijgen,
zo heeft het ook gevolg wat we doen, wat we in naam van de Heere Jezus doen.
Niet dat andere mensen over ons gaan praten
en ons zo bijzonder vinden, maar ze gaan nadenken over God
En ze gaan nadenken of ze zelf ook niet aan de Heere moeten denken, moeten geloven
en of zij zelf ook niet anders moeten gaan leven.
Wees een stralend licht – straal iets van God uit, door wat je doet.
Dat doe je allereerst voor God, en ook voor de mensen om je heen.
Nogmaals, het is niet makkelijk.
Het is niet makkelijk om niet mee te doen, als de hele klas wel meedoet,
als er kinderen uit je klas ruziezoeken met kinderen van een andere school.
Of als iedereen uit de klas wel meedoet met pesten
en je durft niet te stoppen, omdat je bang bent voor wat de anderen dan met jou doen.
De Heere Jezus zegt er ook niet bij dat het makkelijk is,
maar wel dat je het niet voor jezelf doet,
of dat je het doet om er zelf beter van te worden.
Je doet het voor God, om Hem te dienen.

Je mag ook weten dat de Heere God ziet, als je niet meedoet terwijl anderen dat wel doen.
Je mag ook weten, dat de Heere ziet wat het je kost,
dat het je niet gemakkelijk afgaat.
Hier op aarde heb je het dan misschien niet makkelijk,
maar er komt ook een ander leven, als ons leven op aarde voorbij is.
Dan is er het echte geluk.
Het echte geluk is dan voor jou, als je weet dat je God nodig hebt.
Of zoals het ook gezegd kan worden: Zalig de armen van Geest.
Want dan mag je bij God in Zijn koninkrijk komen.
Het echte geluk is voor wie verdriet heeft, want God zal je troosten.
Het echte geluk is voor jou als je vriendelijk bent, als je doet wat God wil
en als je vindt dat wat God wil het allerbelangrijkste is, dan zal God je moeite belonen.
Voor mensen die eerlijk zijn, die vrede sluiten, die lijden omdat ze doen wat God wil.
Je hoort bij de Heere en daarom wil je zo leven.
Dan wordt het misschien niet door de mensen om je heen gezien.
Maar God ziet het wel en Hij vergeet het niet. Je doet het niet voor niets.

Wees een stralend licht – misschien wel tussen allerlei mensen, die geen licht laten zien.
Mensen van de kerk, mensen hier in het dorp, kinderen uit je eigen klas.
Je kunt niet zeggen: ja maar iedereen deed mee,
Of niemand deed wat U vroeg. Iedereen deed als Thessa of als die ene leerling,
als die oudste zoon die zei ik doe het, maar het uiteindelijk toch niet deed.

Als je bij een voetbalclub hoort, heb je een tenue die je aan hebt met wedstrijden.
Als je bij die club hoort, ben je er trots op dat je dit tenue mag dragen.
Misschien draag je dat ook wel eens doordeweeks.
Maar als je bij een voetbalclub hoort, heb je nog meer, heb je regels.
Ik kom wel eens bij voetbalclubs en dan zie je bij de ingang of bij de kantine altijd regels:
Dat je respect hebt voor je medespelers én voor je tegenstander én voor de scheids.
Dat je niet scheldt en vloekt, dat je sportief bent
en dat je niet steeds je tegenstander expres hard onderuit schopt.
Soms hangt er ook iets over hoe ouders zich langs de lijn hebben te gedragen.
Eigenlijk zijn die regels bij elke voetbalclub hetzelfde:
Of je nu bij Owios zit of bij VSCO, bij CSV of Westerholte, DOS of Go Ahead.
Maar dat zijn regels aan de muur, regels op papier.
Het gaat er om wat er op het voetbalveld mee gebeurt:
Wat je als team doet, wat de ouders bij de wedstrijd doet, of een scheids eerlijk is.
zo is het ook met de woorden van de Heere Jezus:
Je moet ze doen, je moet ze opvolgen, gehoorzamen,
want anders straal je geen licht uit
En zeggen de mensen: hoort hij nu bij God? Ik merk er anders niets van.

Het gaat niet altijd fout.
Toen ik bij een supermarkt begon te werken, zei iemand van die supermarkt:
We nemen graag jongelui aan die bij de kerk horen,
want die zijn vaak eerlijk en betrouwbaar, die zijn bereid om hard te werken.
Die kun je goed in een winkel hebben.
Dan laat je een lichtstraal zien.
De Heere Jezus zegt erbij: Het kan ook veranderen.
Je kunt een lamp ook ergens onder zetten. Onder je bed, of onder een emmer.
Dan is er wel licht, maar je hebt er niets aan.
Dat kan eigenlijk niet, net zoals zout zijn smaak verliest.
Daar heb je niets meer aan, dat gooi je weg.
Zout werd in die tijd gebruikt om eten te bewaren (ze hadden geen koelkasten)
maar ook om de grond vruchtbaar te maken.
Eigenlijk kan het niet, dat zout niet meer zout is.
Ja, in die tijd was zout vaak vermengd met zand, of gruis van de rotsen.
Echt zuiver zout had je vaak niet.
Je leeft als christen ook tussen mensen die niet goed leven,
en dat kunnen ook gelovigen zijn. Het kan eigenlijk niet, maar het gebeurt wel.
Daar wil de Heere Jezus voor waarschuwen.
Wees een stralend licht – het is ook een waarschuwing.
Stop dat licht niet weg.
Dat doe je als je wel meedoet met pesten, wel kwaad blijft en het niet wil goed maken.
Overigens – soms zijn er redenen waarom je wel kwaad mag blijven.
Als iemand pijn gedaan is, of als het oneerlijk aan toegaat.
En toch … juist dan kun je een stralend licht zijn, omdat je weet: God heeft het gezien,
dat het niet eerlijk aan toeging – ik geef het maar aan God,
Hij moet er dan voor zorgen en nu hier op deze aarde,
of later als Hij terugkomt het goed maken.

Nog één ding: de goede dingen die je doet, zullen ervoor zorgen,
dat de mensen om je heen de hemelse Vader eren.
Hemelse Vader- die naam van God die kennen we, die kennen jullie
namelijk: uit het gebed: Onze Vader die in de hemelen zijt, trouwe Vader in de hemel.
Op een goede manier leven, eerlijk zijn, trouw, vriendelijk – en bidden
het hoort bij elkaar.
Je kunt niet oneerlijk zijn, gemeen, slecht – en bidden.
Dat kan wel, maar toch past dat niet. Dan moet je eerst je hart veranderen,
laten veranderen door de Heilige Geest, die ons nieuw wil maken.
Maar ook omgekeerd, als je bidt dan kun je niet zeggen:
nu zit mijn taak erop, ik hoef niets meer te doen.
Ja, soms kun je er niets meer aan doen.
Maar bidden maakt niet lui. Bidden en doen – dat hoort bij elkaar.
Bidden betekent ook, dat je God steeds om kracht vraagt:
Help mij om een stralend licht te zijn,
laat mij een zegen zijn.
Bidden betekent dat je aan de Heere vraagt om vergeving
als je geen licht was, niet durfde te zijn, niet wilde te zijn:
Wilt U mij vergeven en help mij om toch weer een licht te zijn.
Wilt U mij weer gebruiken om iets van uw licht uit te stralen?
Bidden betekent ook vragen om wijsheid, of God wil uitleggen, duidelijk maken
op welke manier jij als een licht kunt stralen, zodat de mensen om je heen zien:
Er is een God, dat zien we aan hem, aan haar.
Bidden betekent: dat je tegen God zegt:
Er komt een nieuwe wereld, waarop alles weer licht zal zijn.
Al het donker van zonde, van verkeerde dingen, van ziekte en pijn,
van oneerlijkheid en slechtheid, geen oorlog of geweld – het zal er niet meer zijn
en iedereen die van de Heere Jezus houdt en bij Hem hoort
mag daar zijn in het land van alleen maar licht, het land van Hem, bij God in de hemel.
Bidden betekent: dat je vraagt of God dat land, die wereld wilt laten komen
en dat je vraagt: Heere Jezus, wilt U komen met Uw koninkrijk, met dat land?
En tot die tijd zal het vaak donker zijn op deze wereld.
U hebt dat niet gewild.
En in die donkere wereld mogen wij een licht zijn, mogen wij stralen,
zodat de mensen weten: Er is een God in de hemel, die ons niet vergeten is.
Mogen ook wij Hem leren kennen?
Zodat de mensen weten: Er komt een andere tijd, waarop alles weer goed zal zijn:
de wereld en de mensen, zoals God heeft bedoeld.
amen


Preek Dankdag 2017

Preek Dankdag 2017
Deuteronomium 26

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je lang ergens woont, kan het heel gewoon worden dat je er woont.
Het krijgt iets vanzelfsprekends.
Je weet dat het hier mooi wonen is en je geniet er bij tijd en wijle ook wel van,
maar toch, het krijgt iets vanzelfsprekends.
Je kijkt er niet meer van op, dat de bomen van kleur veranderen,
want je woont in een boomrijke omgeving en dan is het vanzelfsprekend
dat als het herfst wordt de bladeren verkleuren en nu of iets later gaan afvallen.
De polder met de weilanden vallen je niet meer op, omdat je ze zo vaak hebt gezien
– elke dag haast, het hoort er gewoon bij, bij deze omgeving, bij jouw leven.
De vogels die hier in de lucht vliegen, die je niet overal in Nederland vindt,
maar die hier heel gewoon zijn: de roofvogels, de uil, de specht.
Je kijkt er niet meer van op.
Je kijkt er pas weer van op, als je weet dat de omgeving ook anders kan zijn.

Dankdag is er voor bedoeld, dat je je weer verwondert over wat je hebt
en over wat er om je heen is.
Dat wat vaak heel gewoon is, dat je daar bij stilstaat, dat het niet gewoon is.
Dat het bijzonder is dat je werk hebt – een zegen.
Dat het bijzonder is dat je eten en drinken hebt, een huis hebt om in te wonen
– allemaal zegeningen van de Heere onze God.
Als het allemaal gewoon wordt, vanzelfsprekend,
dan merk je niet meer zo snel de hand van God erin op.
Dan is de wisseling van de seizoenen, die je in de bomen ziet,
iets dat bij deze tijd van het jaar hoort en niet meer Gods trouw aan de schepping,
waarmee Hij zorg draagt voor de seizoenen, elk jaar weer opnieuw.
Dat er herfst komt en winter en straks weer lente en zomer,
dat is Gods trouw aan deze aarde, zoals Hij aan Noach had beloofd na de zondvloed.
De weilanden, de vogels, andere dieren hier in deze omgeving,
ze laten iets van de Schepper zien, van Zijn grootheid, van Zijn zorg,
maar je hebt er geen oog voor als je het als vanzelfsprekend beschouwt.

Deze dankdag is er om de verwondering weer te hebben:
dit is allemaal wat God geeft, het is helemaal niet vanzelfsprekend.
Het is een zegen, het is een geschenk.
De Heere heeft er recht op dat we Hem daarvoor danken
en dat we dat niet alleen vandaag doen,
maar dat we die dankbaarheid en die verwondering altijd hebben.
Dat dankbaarheid, verwondering onze levenshouding is.
Christenen zijn dankbare mensen – horen dankbare mensen te zijn,
horen elke dag weer opnieuw met verwondering en dankbaarheid aan de dag te beginnen,
vanuit die verwondering en dankbaarheid te werken en te leven.

Het volk Israël krijgt van Mozes een hulpmiddel mee
om die verwondering en dankbaarheid vast te houden,
om niet te vergeten dat wat ze hebben gekregen ten diepste een geschenk van God is.

Elk jaar moet het eerste van het land worden verzameld
en aan de Heere worden getoond.
Dat moet ten overstaan van een priester gebeuren.
Deze priester representeert God.
Als je nadenkt over die eerste oogst:
Na het zaaien en bewerken van de grond en lang wachten
is de eerste opbrengst niet voor jezelf.
terwijl je er hard voor hebt gewerkt en er naar hebt uitgekeken.
Van oogst van vorig jaar is misschien nog weinig overgebleven.
Wat er nog is, is niet meer vers.
Of misschien was je voorraad wel op en had je moeten bijkopen bij een andere boer.
Van dit vers geoogste graan zou je lekker brood kunnen bakken.
Anders dan dat muffe brood met het graan van vorig jaar.
Van de verse vruchten zou je een heerlijke salade kunnen maken.
Anders dan die verlepte en beschimmelde vruchten die nog zijn overgebleven.
De eerste oogst zou met een grote winst verkocht kunnen worden,
zoals het eerste vaatje vers gevangen haring met enorme bedragen wordt geveild.
Het eerste, het verse wordt aan God gewijd.
Wij geven het U, uit uwe hand.
In een ritueel dat het besef levendig wil houden dat dit land geen eigendom is
en dat we hier op welk stukje grond dan ook ‘geen blijvende stad’ hebben.
Ook het land van de belofte, door de God van Israël aan Zijn volk gegeven,
wordt nooit eigendom.
We kunnen nooit zeggen: Dit is mijn land.
Hoe lang het ook in onze familie is, het blijft Gods aarde, Zijn land.
We blijven hier gasten op deze aarde, ook op dit stukje grond waar ik al zo lang woon,
waar ik vergroeid mee ben, waar mijn familie een thuis gevonden heeft.

Bij het aanbieden van een mand met de eerstelingen van de oogst
moet men een verklaring, een belijdenis uitspreken:

Het land waar deze vruchten van geoogst zijn, is niet mijn eigendom.
Dit land is eigendom van de Heere.
Dat ik het mag gebruiken, heb ik te danken aan de belofte die God aan mijn verre voorouders heeft gegeven.
Deze voorouders hadden geen eigen land.
Ze zwierven als vreemdeling rond in dit land.
Later trokken ze naar Egypte, waar we uitgroeien tot een groot volk.
Wij – de geschiedenis van onze voorvader is onze geschiedenis.
Ik maak daar onderdeel van uit.
De geschiedenis van zwerven en onderdrukking, van verhoring en uittocht is niet alleen de geschiedenis van onze voorouders maar ook van ons.
Wij werden door de Egyptenaren hard onderdruk,
maar God hoorde onze noodkreten en verhoorde ons.
De Heere leidde ons uit dit ellendige bestaan en gaf ons dit land,
dat Hij had beloofd aan onze voorouders.
Dit land van de belofte is een goed land.
Heere, als dank dat ik deze grond mag bewerken
en bebouwen en als dank voor die bevrijding zijn de eerste vruchten voor U.
Al is ons leven anders.
Al is het contrast groot: Zij moesten zwerven, wij hoeven niet meer te gaan.
Het verschil met onze voorouders is in de eerste opbrengst van land steeds weer te proeven, te ruiken,
te voelen, te zien.
U bracht ons hierheen.
Dit land gaf U aan ons, net als deze opbrengst, de eerste van dit nieuwe seizoen.
We mogen nog veel verwachten.
Maar voordat we alles binnenhalen, is het eerste voor U.
Niet wat we overhouden of de restanten,
maar het eerste dat anders naar onze keukens zou gaan, in onze pannen zou komen,
in onze ovens, in onze voorraadschuren. Hier is het. Het is voor U.’

Dankdag staat dus hier aan het begin van de oogst, niet aan het eind.
Het eerste geven van wat je krijgt
omdat je beseft, ik heb het van God gekregen, hoeveel ik er ook zelf aan heb gedaan,
welke arbeid ik er aan besteed heb.
Als je dat naar nu zou toehalen:
Het eerste van de vergoeding van een groot project dat je aan het afronden bent.
Het eerste deel van mijn salaris.
Ik denk dat er ook heel wat gelovigen zo in het leven staan,
dat je niet alleen kijkt naar wat je eigen gezin nodig hebt,
maar dat je ook kijkt wat je voor God kunt bestemmen,
omdat je teruggeeft van wat je zelfs hebt ontvangen.

Het eerste is voor God.
Maar het mag, nu het gewijd is aan God, worden gebruikt
voor een feestmaal van de hele gemeenschap.
De Levieten en de vreemdelingen, zij delen in de vreugde.
Zij ontvangen mede, wat wij weer van God terugkrijgen.
De Levieten en de vreemden in dit land – beide groepen hebben geen eigen land tot hun beschikking – mogen deelnemen aan deze feestmaaltijd.

In elk derde jaar, wanneer al weer enkele jaren van opbrengst zijn geweest,
waarin een voorraad opgebouwd kon worden, wordt van die oogst een tiende gevraagd.
Om de drie jaar is een tiende voor God.
En dat wordt gegeven aan degenen die zelf geen opbrengst hebben,
aan de sociaal kwetsbaren, aan degenen die snel aan het kortste eind trekken:
de Levieten, de vreemdelingen, de weduwen en de wezen.
Uitgebreid moet er voor de Heere worden verklaard
dat er geen mooie sier wordt gemaakt, maar dat ook echt het tiende wordt gedeeld.
Wat gedeeld wordt is opnieuw geen restant.
Geen afdankertjes of afschuivertjes.
Wat gedeeld wordt is geen eten dat onrein geworden is,
omdat er tijdens een onreine periode toch van dat eten gebruik gemaakt is. Wanneer er voedsel dat rein gebleven is wordt gedeeld, wanneer degene die deelt eerlijk, zuiver en rechtschapen is, mag er ook gebeden worden om een nieuwe zegening, een nieuwe oogst.

In de commentaren wordt gesteld dat deze rituelen
de identiteit van het volk Israël vormt en bepaalt als volk van de Heere.
Gods volk is een dankbaar volk.
In Deuteronomium worden aanwijzingen gegeven hoe het volk heeft te leven in dat nieuwe land, dat van God ontvangen wordt.
In dat land dient de geschiedenis van Gods leiding en verhoring
steeds een levendig besef te blijven.
Dat ligt niet achter ze.
Zoals de voorouders hebben geleefd in vertrouwen op de belofte
die eens vervuld zouden worden,
hebben ook de kinderen en het nageslacht te leven vanuit die belofte,
dat het land en de oogst door God gegeven wordt.
Hier zijn aanwijzingen voor een toekomst,
een toekomst die heden is voor degenen die Deuteronomium lezen.
Israël wordt geroepen in een samenleven met de Heere.
Het volk leeft voor Gods aangezicht.
Niet alleen als het in de tempel voor God verschijnt,
maar ook daarbuiten, op de akker, in de werkplaats, in het dorp of in de stad.
Dat leven voor Gods aangezicht schept verplichtingen naar God en de mensen,
die door God ook tot de gemeenschap worden gerekend:
de vreemdelingen, de weduwen, de wezen, de armen.
Dan is dankbaarheid niet alleen iets van woorden, maar ook iets heel praktisch.

Zodat anderen ook kunnen zingen:

Zij zullen, uit de volheid van ’t gemoed,

Gedachtig aan den milden overvloed

Van Uwe gunst, die roemen bij elkeen,

En juichen van al Uw gerechtigheen.

De Heer’ is goed en vriendlijk en weldadig,

Barmhartig, mild, lankmoedig en genadig;

Hij doet Zijn gunst aan allen klaar bemerken;

Zijn goedheid is verspreid op al Zijn werken.

Amen