Preek zondag 3 juli 2022 avonddienst

Preek zondagavond 3 juli 2022
Schriftlezing: Hooglied 2:8 – 3:6

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hooglied vertelt het verhaal van een verkering die een tijdje verbroken is geweest.
Het is al een tijdje uit
en als je de verhalen die rondgaan mag geloven, ligt de schuld daarvoor bij het meisje.
Zij had, terwijl zij al verkering had, zich ingelaten met andere jongens.
Daardoor hield de relatie geen stand.
Onduidelijk is of de breuk door de vriend komt, die het niet accepteerde
dat hij zijn vriendin moest delen met andere jongens
of dat de familie van het meisje heeft ingegrepen.
Het heeft er ook wat van weg dat de broers van het meisje hebben ingegrepen
en het meisje hebben meegenomen, naar een plek waar ze niet weg kan,
Veilig opgeborgen, zodat ze met haar lichtzinnige gedrag
niet nog meer schande over de familie kan brengen.
Terwijl ze daar opgesloten zit, gaat dit meisje nadenken over de relatie die ze had.
Als ze daar zo ver weg zit en niet meer bij hem kan zijn, voelt ze de liefde.
Ze houdt van hem. Bij hem wil ze zijn, haar eerste liefde.
Te laat. Het kan niet meer.
Ze zit hier gevangen. Haar broers zullen haar niet laten gaan.
En al zouden haar broers haar laten gaan, ze kan moeilijk aankloppen
bij haar eerste vriend die ze verraden heeft door zich met anderen in te laten.
Ze kan met heimwee aan terugdenken, de tijd dat ze samen waren.
De verliefdheid die er was, zijn nabijheid – wat was ze toen gelukkig.
Wat is ze verkeerd geweest om die liefde te verwaarlozen,
door zo achteloos om te gaan met de liefde, de liefde op het spel te zetten.

Als ze een tijd zo ver weg zit, alleen met haar gedachten, zonder enige liefde,
komen er wat berichten die ze eerst niet kan geloven.
Als ze de berichten hoort, wordt haar gezicht rood en schudt ze ongelovig haar hoofd.
‘Nee, dat kan niet waar zijn wat je nu vertelt.’
Het maakt haar in de war, ze weet niet wat ze ervan moet denken.
Want de berichten die bij haar komen, vertellen dat haar vriend nog steeds van haar houdt.
Dat kan toch niet waar zijn, na alles wat ze heeft gedaan. Ze kan het niet geloven.
Ja, ze zou het wel willen.
Ze zou wel willen dat de relatie weer zou worden hersteld.
Er komen steeds meer van zulke berichten en de verliefdheid komt weer boven.
Ze durft weer te dromen over haar vriend.
Ze ziet het al voor zich dat hij weer naar haar toekomt, van ver weg,
helemaal naar haar toe om haar op te halen en mee te nemen.
Zou het waar zijn? Maakt ze dan toch nog een kans?
Ze gaat er van dromen.
Als ze wakker is, moet ze om haar droom lachen, al hoopt ze dat de droom wel waar wordt.
Ze zag in de droom hoe haar vriend tot haar spreekt, ze hoorde zijn stem luid en duidelijk
En ze zag hoe hij aan kwam snellen:
Springend over de bergen, huppelend over de heuvels.
Hij leek wel op een gazelle, het jong van een hert, zo springerig kwam hij aangesneld.
Mijn liefste, zegt ze zacht in zichzelf. Kon ze dat nog maar tegen hem zeggen.
Kwam hij maar echt naar haar toe.

Ze denkt nog eens over de droom na, over de beelden die in de droom voorbij kwamen.
De stem die ze hoorde – een stem van iemand die roept
Ze moet een tijdje nadenken waar die zin vandaan komt
een stem van iemand die roept-.
Dat komt uit de profeten – uit Jesaja 40. God die Zijn volk aanspreekt:
Troost, troost mijn volk – troost omdat God weer terug zal komen tot Zijn volk.
Dan dat andere beeld:
Haar geliefde die over de bergen en de heuvels aan komt springen en huppelen
Ook dat komt haar bekend voor, van diezelfde profeet:
Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten van hem die het goede boodschapt.
Want die boodschap is: God is je niet vergeten, Israël. Hij geeft nog steeds om je.
Hij is je Koning en zal je niet in de steek laten, maar redden.
Ze ziet het voor zich hoe haar geliefde bij het raam komt staan
En tussen de spijlen door kijkt of hij haar kan zien.
Zou dat dan toch waar zijn. Zal hij hier aan het raam staan om te zeggen:
Kom ga met met mee? Ik houd nog steeds van jou. Voor mij ben jij de allermooiste.
Ik wil geen ander, ik wil jou!
Blijf daar niet in je kamer gevangen zitten, laat me je meenemen. Ga met mij mee!

Hooglied – het allerbelangrijkste lied dat er is, dat liefdesverhaal dat verteld wordt,
Wil ons iets duidelijk maken over onze relatie met de Heere.
Het meisje is hier Israël, het volk van God.
Zonder Israël aan de kant te zetten, kunnen we zeggen: dat gaat ook over de kerk.
Want is de kerk altijd trouw geweest in de liefde voor haar Heer.
Wat Israël is overkomen – meegenomen worden in ballingschap –
zou dat de kerk niet kunnen overkomen, om diezelfde reden: de eerste liefde vertalen.
Dat klonk al bij de eerste gemeenten.
Ik heb tegen u dat u de eerste liefde hebt verlaten.
In die brief van Efeze was het een oproep om de verkeerde weg te verlaten
en weer terug te keren.
Hier droomt het meisje ervan, dat haar vriend weer terug zal komen, haar eerste liefde
en dat hij toch haar bruidegom zal worden en dat ze samen gaan trouwen.
Het is een droom, maar die droom wordt bevestigd door wat ze uit de Bijbel weet.
De profeten hebben dit al eens gezegd.

Ze droomt ervan dat de man van wie ze nog steeds blijkt te houden
bij haar aan het raam staat en haar oproept om mee te komen:
‘Kom mee naar buiten, blijf hier niet binnen zitten treuren om wat er is geweest.
Als je binnen blijft zitten, dan zie je niet wat er buiten gaande is.
De regen is gevallen – de regen die in het voorjaar valt –  en daardoor is alles uitgelopen.
Alle bloemen bloeien.
De planten die er eerst verdord en doods uitzien, hebben hun groen weer teruggekregen.
Ook dat is niet zomaar een beeld van een nieuw seizoen,
een nieuwe lente, een nieuw geluid, een nieuwe liefde.
De regen die neervalt, de weiden die weer groen worden, de bloemen die fleurig bloeien
– dat is bij de profeten het verrassende effect van de terugkomst van God.
Het oordeel is voorbij, de straf hoeft niet meer te worden gedragen,
het land lag er eerst doods en dor bij, verlaten, vruchteloos, maar bloeit weer.
Bij monde van Hosea zegt de Heere: Ik zal voor Israël zijn als de dauw.
Het water dat nodig is om het land weer tot leven te wekken, tot bloei te brengen
– dat ben Ik, zegt de Heere.
De winter is voorbij – de winter van het oordeel, van de straf, de winter van de dood.
Kom mee naar buiten om het met eigen ogen te zien.
Geloof je me niet, kom dan zelf kijken, met je eigen ogen!

Het meisje laat zich echter niet meenemen.
Verlegen als ze is, vol schaamte, weggedoken zit ze,
Ze heeft zichzelf als een duif verborgen in de scheur van een rots.
Daar is ze veilig. Ze durft het niet aan om mee te gaan.
De duif is hier niet alleen beeld van liefde – wij kennen dat beeld ook: tortelduifjes.
De duif is ook beeld van Israël. Duif, tortelduif – zo wordt Israël genoemd.
Ondanks de stem die roept om tevoorschijn te komen, om zich te laten zien
en meegenomen te worden, blijft het meisje weggedoken, als een schuwe duif.

Misschien herken je het wel: je hoort de stem van de Heere,
maar je zit verborgen, je durft je niet bloot te geven, ondanks dat Hij roept
En ondanks dat Hij aangeeft dat er een nieuwe tijd is begonnen, vol met Zijn liefde.

De liefde die weer aan het ontluiken is, is pril en kwetsbaar.
De wijnranken staan in bloei en dragen bloesem,
nog even en de druiven gaan zich ontwikkelen,
vrucht van het geloof, vrucht van de Geest.
Maar nog voor de druiven kunnen rijpen, worden de druiven bedreigd:
kleine vossen die door de wijngaard heen sluipen,
die niet letten op de prille wijnranken, die prille bloei.
Er zijn heel wat kleine vosjes die een pril geloof kunnen stuk maken:
je vertrouwen wordt beschadigd door mensen van de kerk.
Er zijn verleidingen waardoor je weer meegenomen wordt op de verkeerde weg.
Ruzies in de kerk, geroddel over gemeenteleden.
Kleine vosjes – ogenschijnlijk kleine bedreigingen, maar ze kunnen wel veel kapot maken.
Die kleine vosjes moeten gevangen worden,
omdat het meisje anders nog meer in haar schulp kruipt,
als een duif die helemaal niet meer uit de scheur in de rots durft te komen.

Hooglied gaat over het geloofsleven, over de band met de Heere,
over het verbond dat er was tussen Israël en de Heere, dat verbroken was.
Hier begint het herstel te komen: de breuk gaat hersteld worden, de liefde is weer terug.
Het verlangen om van de Heere te zijn, dat is er weer.
Nu nog bij elkaar komen.
Het meisje droomt ervan.

Gaat dit ook over ons? Het gaat over het verbond dat weer hersteld kan worden,
over terugkomen bij de Heere omdat Hij bij ons terugkomt.
Liefde voor de Heere, omdat de Heere liefde voor ons bleef houden.

Nu nog bij elkaar komen.
De gedachte dat er weer liefde mogelijk is maakt het meisje onrustig.
Ze gaat weer op zoek.
Kan ze haar geliefde vinden?

Hoe liep ik als een dwaas te dolen,
ik zocht naar U en vond U niet;
ik hield mij ver van U verscholen,

Wat je hier in Hooglied merkt, is dat er een tijd tussen zit
tussen wat de profeten zeggen, namelijk dat de Heere weer terugkomt bij Zijn volk
en de vervulling ervan, de komst van God daadwerkelijk.
Die tijd ertussen kan een tijd van zoeken zijn.
Ik zocht hem, maar ik vond hem niet.
Je mist de Heere en je wilt je er niet bij neerleggen dat Hij niet bij je is
En daarom ga je maar naar Hem op zoek.
Waar zou Hij zijn?
Hooglied geeft aan dat als je de Heere mist in je leven,
je niet moet gaan zitten wachten tot Hij naar je toekomt,
maar dat je zelf ook naar de Heere op zoek moet gaan.
In de gelijkenis vertelt de Heere Jezus hoe de herder op zoek gaat,
hier zegt Hooglied dat het omgekeerde ook kan: op zoek gaan naar de Heere.

Het meisje doolt door de stad, daar in het donker.
Het is stil op straat. Er lopen maar een paar mannen. Dat zijn de wachters.
Degenen die de stad moeten bewaken.
Bij de profeten zijn de wachters de eersten die zien dat de Heere nadert.
Zij kijken op de muren al uit naar Zijn komst.
Dan moeten zij wel weten of hij al in aantocht is.
Zij hebben misschien iets van hem vernomen, haar geliefde.
Zij kunnen haar bij hem brengen.

Wachters zijn hier de leiders van het volk, de geestelijke leiders.
Zij behoren het volk bij de Heere te brengen.
Vandaag de dag zou je kunnen zeggen:
Het zijn de ambtsdragers: predikanten, ouderlingen,
De mensen die in de kerk zijn aangesteld om te waken
over het geestelijk heil van de gemeeente.
Die wachters zwijgen echter.
Ze vinden de zoekende, maar doen verder niets.
Op je zoektocht naar de Heere kunnen er ook mensen zijn,
van wie je hoopt dat ze je kunnen helpen, die je bij de Heere kunnen brengen,
die zien of Hij al in aantocht is.
Hier in dit verhaal is het een teleurstelling.

Dan is het een verrassing: ze wordt gevonden.
Terwijl ze aan het zoeken is, is hij er. Haar geliefde.
Zoek Herder mij, opdat ik vind.
Zo blij dat ze hem niet meer wil laten gaan.
Ik wil je nooit meer kwijtraken. Ik wil altijd bij je zijn.

De liefde ontbrandt weer. Ze hebben elkaar gevonden.
Eerst was het verlangen er, kwam de liefde weer terug.
Ze wilde weer van hem zijn: hem beminnen en liefhebben.
En dat gebeurt: ze neemt hem mee, de slaapkamer van haar moeder.
Hooglied speelt met de liefde en speelt met heilige beelden.
Want die slaapkamer van haar moeder, waar ze geboren is,
kan ook een beeld van de tempel zijn.
Daar in de eredienst, de samenkomst van de gemeente,
daar wordt de liefde bekrachtigd, daar wordt de liefde beleefd.

Ik spreek u als mijn liefste aan.
Dan zegt gij stil en blij mijn naam:
mijn Bruidegom, mijn God van vrede.
Amen

Preek zondag 3 juli 2022 morgendienst

Preek zondag 3 juli 2022 morgendienst
Schriftlezing: Prediker 1

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Alles is zinloos, als je Prediker mag geloven:
Een en al vluchtigheid. Dat geldt voor alles: alles is een en al vluchtigheid.
Je moet er niet op rekenen dat je werk veel voorstelt,
die prestatie die je geleverd hebt, waar je zo trots op bent – het stelt niet veel voor.
Hoe groots de prestatie ook die je leverde – het is één en al vluchtigheid.
Je hebt op een beurs een mooi aantal nieuwe klanten geworven
voor het bedrijf waar je voor werkt, een mooi resultaat om aan je baas te laten zien.
Je hebt voor de instelling waar je werkt een andere manier van werken uitgedacht,
Waardoor je collega’s meer tijd hebben voor de mensen met wie jullie werken,
waardoor er bij je collega’s en bij de mensen voor wie je werkt enorme waardering is.
Je kunt er wel trots op zijn, je kunt er voor gewaardeerd worden,
maar het is maar een en al vluchtigheid, zegt Prediker.
Het lijkt heel even wat, maar op langere termijn is het alleen maar een zwoegen,
waarvan je merkt dat je er echt wat aan hebt.
Een en al vluchtigheid. Alles is vluchtigheid.
Nou, denk je dan, heb ik het daarvoor gedaan?
Kan de Bijbel niet wat meer waardering opbrengen voor de prestatie die ik heb geleverd?

Het kan ook zijn dat je het juist herkent, wat Prediker hier zegt.
Je hebt al langere tijd had gewerkt, maar het heeft weinig resultaat opgeleverd.
Je hebt als boer steeds geïnvesteerd in milieumaatregelen,
maar toch blijkt het volgens de overheid weer nog op een andere manier te moeten,
of je krijgt de indruk dat ze het maar beter vinden dat je bedrijf helemaal verdwijnt.
Je hebt lang aan een opdracht voor school gewerkt
en je dacht dat je het goed had aangeleverd, maar je krijgt er een onvoldoende voor.
Je hebt hard gewerkt om je relatie te redden, alles gedaan wat in je macht ligt,
maar toch blijkt het niet goed te genoeg te zijn en je relatie is voorbij.
Je herkent het: alles is een en al vluchtigheid, zwoegen waar je niets mee wint.
Dat kan zo tegenvallen, als het allemaal voor niets is gedaan.

Prediker is zo somber. Het leven is zo voorbij, het stelt allemaal niets voor.
Je moet er maar wat van maken, genieten, dan heb je tenminste nog plezier gehad.
Je leeft maar één keer en die ene keer is zo voorbij.
Maar toch heb je aan dat genieten heb ook niet zoveel, want ook dat is maar vluchtigheid.

Wat moet je nu met zo´n boek in de Bijbel dat alleen maar zo kan somberen?

Nou, het maakt nogal uit in welke omstandigheden en in welke tijd je Prediker leest.
Als alles je voor de wind gaat, als je het goed hebt, een mooi gezin en een fijn salaris,
dan kan de toon van Prediker je misschien ook wel irriteren:
Man, doe niet zo somber, kijk eens om je heen!
Er is toch nog genoeg om van te genieten?

Maar naar mijn idee moeten we Prediker lezen tegen de achtergrond
van iemand die naam wil maken, die voor altijd herinnerd wil worden.
Een president die een buurland laat binnenvallen, omdat hij denkt dat het van hem is
En door dat land met een groot leger binnen te vallen naam wil maken, voorgoed:
Ik heb ons land weer groot gemaakt. Het telt weer mee in de wereldpolitiek.
Iedereen heeft weer ontzag voor ons en niemand kan om ons heen.
Dat hebben jullie aan mij te danken. Ik heb daarvoor gezorgd.

Een wethouder van een stad die een wild plan heeft om de stad op de kaart te zetten,
maar ten koste van arme inwoners van de stad,
die plaats moeten maken voor een prestigeproject,
of die de stad wil laten uitbreiden ten koste van de dorpen er om heen.
En bij de kritiek die er op de plannen is, zegt:
Je kunt het niet tegenhouden. Zo loopt het nu eenmaal. Je moet met de tijd meegaan.

Hoe groots we het ook aanpakken, hoe indrukwekkend de prestatie ook is,
het stelt weinig voor: gebakken lucht, een en al vluchtigheid.
Je moet er niet van onder de indruk raken.
Dat deden de Israëlieten vast wel – onder de indruk raken:
In Egypte toen ze slaaf waren in dat wereldrijk dat de farao had opgebouwd.
Ze moesten daar bouwen voor de farao: steden die zijn macht moesten uitstralen.
Probeer maar niet in verzet te komen, niet in opstand,
want mijn macht als farao is zo groot, zo alomtegenwoordig, een rijk voor altijd.|

En later in Babel, toen de tempel was verwoest
en het volk dacht dat de Heere hen verstoten had,
toen ze ver weg zaten, ver van huis
en om zich heen de imposante bouwwerken van Babel zagen,
indrukwekkend opgebouwde steden, tempels die de macht van de goden uitstraalden,
dan is het niet eenvoudig om daar niet van onder de indruk te raken
En te gaan geloven dat die goden van Babel de wereld besturen.

Hier zegt Prediker: Je kunt nog zo’n groot imperium opbouwen, 
nog zulke monumentale bouwwerken oprichten,
Wanneer de wind erover is gegaan, 
is het er niet meer
en zijn plaats weet er niet meer van.

Je kunt onder de indruk raken van een leider, 
geïmponeerd raken door een wereldrijk
je ziel verkopen aan een winnaar
hoe groots en machtig het ook lijkt
het is niet meer dan lucht en leegte.

Hoe kan Prediker dat nu zeggen?
Want toen ze in Egypte zaten, konden ze pas na eeuwen weg.
Honderden jaren zaten ze gevangen en werd de slavernij zwaarder en zwaarder.
Toen ze later in Babel zaten, was dat voor generatieslang.
Je moet wel een groot geloof hebben, dat verder kijkt dan je eigen leven
om ook te kunnen zien wat Prediker ziet.

Want Prediker weet van die bouwwerken die macht kunnen uitstralen,
weet dat als je tussen die gebouwen loopt onder de indruk kunt raken
en dat als je als gevangene daar binnen gebracht wordt dat je alle hoop verliest:
Hier kom ik nooit meer weg. Hier ben ik voorgoed gevangen. Dit is het einde.

Omdat Prediker de wind voelt
De wind die om die gebouwen heen blaast en de gebouwen aantast,
doet slijten door het zand dat met de wind wordt meegevoerd.
Die wind doet Prediker doet denken aan waar die wind mee vergeleken wordt:
Gods toorn.
Denk maar aan Psalm 103: Wanneer de wind erover is gegaan, is hij er niet meer

en zijn plaats kent hem niet meer.
Die psalm kan gezongen worden als er iemand overleden is,
om aan te geven dat ons leven hier op aarde zomaar voorbij kan zijn.
Door die psalm te zingen herinneren we ons aan onze eigen kwetsbaarheid.
Wij kunnen er morgen al niet meer zijn.
Al maken we nog zo onze plannen. Al hebben we nog onze toekomst zo uitgestippeld.
Het kan zomaar voorbij zijn.

Wat Prediker hier naar mijn idee zegt, is dat hij dat ook betrekt op wereldrijken,
op machthebbers en mensen die het voor het zeggen hebben,
machtig zijn en alleen maar aan zichzelf denken, een naam voor de toekomst bouwen.
Om ervoor te zorgen dat ze over eeuwen nog steeds worden genoemd.
Maak je er maar niet druk om.
Want wat hebben ze daar nu eigenlijk mee gewonnen.
Wat heb je eraan als je op je sterfbed ligt en je kunt zeggen:
dit zijn mijn prestaties die ik jullie nalaat, hier kunnen jullie nog eeuwen mee verder.
Je weet het niet. Het kan zomaar voorbij zijn.
Vroeger had je de SovjetUnie en het Warschaupact.
Niemand had in de jaren-80 kunnen voorzien dat dit machtsblok uit elkaar zou vallen
En dat  de landen uit Oost-Europa lid zouden worden van de EU en de NAVO.
Als de wind van God erover heen gaat, blijft niets daartegen bestand.

Nu zijn wij geen wereldleiders.
Sommigen van ons hebben met de lokale politiek te maken of te maken gehad.
Dan heb je lokaal maar een klein beetje invloed.
De meesten van ons zijn maar gewone mensen met een gewoon leven.
Wat hebben wij ons dan van Prediker aan te trekken.
Wat zouden we van Prediker moeten leren?

Ik denk dat het dan voor ons erom gaat waar we voor leven.
Wat maakt ons leven nu echt de moeite waard?
Stel dat je morgen te horen krijgt, dat je niet lang meer te leven hebt,
Heb je dan tijdens het leven dat je hebt gehad de aandacht aan de juiste dingen?
Heb je je tijd niet nutteloos besteed aan de dingen die er uiteindelijk niet toe deden?
Wat maakt het nu uit dat er op je grafsteen gezet kan worden dat je een bedrijf oprichtte.
Of dat er in je biografie vermeld kan worden dat je de Mount Blanc geklommen hebt.
Is het nu zo bijzonder dat je een groot geldbedag hebt nagelaten aan je kinderen?
Je kinderen en kleinkinderen zullen het zich misschien herinneren,
maar de generatie daarna zal er weinig meer van weten.
Zelfs als je een fonds opricht dat je naam draagt,
zal over een tijd niemand meer weten wie je bent.
De zon gaat onder en zo zal ook jouw roem ooit eens ondergaan.

Maar wat dan wel? Wat maakt ons leven dan wel de moeite waard in de ogen van Prediker?
Eerst iets over de naam Prediker.

Die naam suggereert dat hij een boodschap heeft door te geven.
Iemand die voor ons staat, als een deskundige, een expert, een geroepene van Godswege.
In het woord dat gebruikt wordt gaat het echter om iets anders:
om als gemeenschap bij elkaar gebracht te worden
en dan een gemeenschap voor Gods aangezicht.
Vanmorgen als gemeente van Christus zijn we ook bij elkaar voor Gods aangezicht.
Prediker is vooral een verzamelaar, bijeenbrenger.
Iemand die de gemeente van God bijeenbrengt, voor Gods aangezicht brengt
omdat dat de plek waar we als mens horen te zijn.
Prediker is niet iemand die boven de gemeenschap staat,
maar er onderdeel van is, een gelijke.
Als hij naar voren treedt, dan is dat om voor het volk te bidden,
zoals Salomo voor het volk bad toen de tempel werd ingewijd
en de Heere daar intrek in nam.

Dat is wat er toe doet: dat God ons leven ziet en dat we daar ons bewust van zijn.
Dat de Heere een oordeel velt over ons.
We kunnen wel denken dat we het beter doen dan onze ouders.
We kunnen wel denken dat we het beter zouden doen
dan onze voorouders uit de 17e eeuw die Afrikanen tot slaaf maakten
en hen over de oceaan vervoerden om daar als slaven op de plantages te gaan werken.
We kunnen denken dat we het beter zouden doen dan het kabinet, of beter dan de boeren.
Dat beelden we ons maar in. Ons hart is hetzelfde.
We hebben misschien geleerd van de blinde vlekken van onze voorouders,
maar wij hebben onze eigen blinde vlekken.
We kunnen wellicht de fouten van onze voorouders aanwijzen,
onze eigen fouten kunnen we niet altijd zien – of willen we misschien niet altijd zijn.
Dat is wat Prediker bedoeld:

Wat er plaatsvindt, dat zal weer plaatsvinden.

Er is niets nieuws onder de zon.

Is er iets waarvan men kan zeggen:

Kijk eens, dat is nieuw?

In de eeuwen die voor ons geweest zijn,

is het er al geweest.


Het wordt met ons niet beter. Onze kinderen zullen het ook niet beter doen dan wij.
En toch kun je niet zeggen dat PRediker pessimistisch is.
Prediker ziet de zon ondergaan en later weer opgaan.
Prediker weet dat als niemand nog van ons weet de aarde er nog is.
– als Christus dan nog niet is teruggekomen.
De aarde is er nog. En de zon gaat onder en weer op.
De rivieren stromen naar de zee, maar raken toch niet leeg.
Er is een orde in de wereld die Prediker ziet.
Een orde die zichtbaar is: de wind die steeds waait, al is dat uit andere richting.
De rivier die water brengt naar de zee, al verandert de bedding soms.
Achter die wind die waait en het water dat naar de zee gaat, de aarde die blijft,
is er een hand, die je niet altijd opmerkt en gemakkelijk over het hoofd ziet en vergeet.
De hand van God.
Hoe kijkt God naar deze wereld.
Hoe kijkt God naar de oorlog in Oekraïne, naar de problematiek van de boeren.
Hoe kijkt God naar mijn leven en wat ik er mee doe,
hoe ik omga met het geschenk van mijn bestaan,
Dat toch een geschenk uit Gods hand is.

Er is niets nieuws onder de zon, zegt Prediker.
Alles lijkt volgens een bepaald patroon te gaan. Niets veranderd.
Maar God dan?
Als je in de Bijbel leest over wat God doet, als de Heere ingrijpt,
dan zegt de Bijbel vaak dat God iets nieuws gaat doen.
Maar hier zegt Prediker dat er niets nieuws zal gebeuren.
Grijpt God wel in of niet.
Laat God het op een beloop of doet Hij er iets aan?
Als er niets nieuws is, dan is er toch ook geen ruimte voor Gods daden?
Ja toch wel: Prediker ontkent niet dat God ingrijpt,
maar het klopt ook als hij zegt dat er niets nieuws gebeurt.
Want de Heere heeft steeds ingegrepen.
De nieuwe daden van God zijn niet nieuw, want zo doet Hij steeds.
Net zo continu als de wind waait, net zo standvastig als het water stroomt,
net zo vast als de aarde staat – zo grijpt God in.
Nieuw was het toen Christus naar de aarde kwam
En toch ook weer niet.
Nieuw was het toen Christus aan het kruis stierf
om dat oordeel over ons leven weg te dragen
en toch ook weer niet, want het past bij hoe God altijd was.

Prediker zal beamen wat Petrus schrijft:
Want alle vlees is als gras en al de heerlijkheid van de mens is als een bloem in het gras. Het gras is verdord en zijn bloem is afgevallen.

Maar het Woord van de Heere blijft tot in eeuwigheid. En dit is het Woord dat onder u verkondigd is.
Ook dat is – God zij dank – niets nieuws onder de zon.
God blijft dezelfde. Amen

Lucht en leegte. Prediker 1:1-11 in 12 tweets

Lucht en leegte. Prediker 1:1-11 in 12 tweets

Je kunt nog zo’n groot imperium opbouwen, 
nog zulke monumentale bouwwerken oprichten,
Wanneer de wind erover is gegaan, 
is het er niet meer
en zijn plaats weet er niet meer van.

Je kunt onder de indruk raken van een leider
geïmponeerd raken door een wereldrijk
je ziel verkopen aan een winnaar
hoe groots en machtig het ook lijkt
het is niet meer dan lucht en leegte.

Je kunt door hard te werken een imperium opbouwen
door dag en nacht bezig te zijn je netwerk uitbouwen
een vaste basis onder je macht leggen
maar als je aan het einde van je leven terugkijkt
realiseer je dat je helemaal niets hebt gewonnen.
Wat heb je nu werkelijk bereikt?

Het enige dat vast is, is de zon.
Onder die zon heb je geploeterd, je afgebeuld.
O ja, die wind, die over die ruïnes waait,
is net zo blijvend, 
al is de windrichting steeds weer anders.
Wat ook blijft is dat alles uiteindelijk verdwijnt.

Je familiebedrijf, het boerenerf, de dynastie,
een opvolger kan klaar staan, 
maar eens is de draad verbroken.
Misschien niet binnen deze generatie of de volgende.
Wat je opgebouwd hebt, is net zo vergankelijk 
als jezelf sterfelijk bent.

Ook de zon gaat steeds onder.
Maar de zon is blijvend.
Als jouw geslacht is uitgestorven, 
zal de zon nog steeds rijzen,
Licht en leven geven, onbarmhartig branden,
leven wekken, laten verdorren.

Er is geen plek waar de wind niet komt:
de ene keer uit het zuiden, dan het noorden,
dan weer uit het westen of het oosten.
Een verborgen hand die ze stuurt,
die wel eeuwig is.
Niet zo sterfelijk als wij zijn,
ook al streven we nog zo hard naar onsterfelijkheid.

Over de wereld kun je verbazen,
verbazen over wat je met je ogen ziet,
verwonderen over wat onzichtbaar is.
Hoe komt het dat de zee nooit verzadigd wordt
al stroomt er nog zoveel water naar de zee.
Ongrijpbaar de hand die het leidt,
onbegrepen voor mensenverstand.

Met die wetenschap kun je het weer proberen:
een partij stichten, een rijk opbouwen, 
aanvallen, wegconcurreren.
Je bent niet de eerste die het bedenkt.
En ook zul je de eerste niet zijn
die de eigen sterfelijkheid vergeet.
Er is niets nieuws onder de zon.

Mocht je het ooit bedenken, dat je iets nieuws begint,
je bent dezelfde als je vader.
Mocht je het anders dan hem willen doen
– slimmer, beter, sluwer, omzichtiger, liefdevoller –
je hebt geen ander hart, een ander zul je nooit zijn.
Je kunt worden wie je bent, dan nog ben je niet anders.

Je kunt breken met wat eerder is geweest
en toch zal het geen verschil maken.
Er zal niet meer vrede zijn, niet minder oorlog.
Misschien meer kennis, maar meer wijsheid?
Waar haal je die wijsheid vandaan?

Eerdere generaties kunnen het niet vertellen.
Zij zijn vergeten. Want alles moet toch zelf ontdekt
worden, worden wie je bent, anders dan voorheen?
wie heeft geleerd te luisteren,
wie geleerd te leven,
wie geleerd te kijken 
naar wat er echt toe doet,
naar wat wel blijvend is?

Preek zondag 26 juni 2022 viering Heilig Avondmaal

Preek zondag 26 juni 2022 viering Heilig Avondmaal

Johannes 14:15-23

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In het avondmaal gaat het om de liefde van God,
De liefde waarin je als gelovige mag delen, de liefde van de Heere die je mag ontvangen:
Om ons vast te doen geloven dat we delen in Zijn hartelijke liefde en trouw
– daarom is het heilig avondmaal gegeven.
We mogen delen in Zijn liefde. Die liefde mogen we ontvangen.
En voor het geval we daar aan twijfelen en we die liefde niet durven aan te nemen,
niet durven te geloven, stelde Christus het avondmaal in.
Zo zegt de Heere vanmorgen tegen ons als we brood en wijn zien:
Kijk maar, dat maakt Mijn liefde voor jullie zichtbaar.
Mocht je er ooit aan twijfelen dan is hier de bevestiging.
Dit brood dat gebroken wordt en de wijn die ingeschonken wordt
laten zien hoeveel Ik om je geef, hoeveel Ik van je houd.
Als je het brood tot je neemt en de wijn drinkt, dan proef je Mijn liefde.
Zo kun je vanmorgen Mijn liefde zien, zo kun je Mijn liefde proeven.
Je mag er zeker van zijn!
De Heere Jezus zegt het ook: Mijn Vader zal hem – haar – liefhebben
en Ik zal hem – haar – ook liefhebben.
De liefde van de Vader, de liefde van Christus – daar mag je zeker van zijn.
Die is er voor je, die komt naar je toe.
Als je hier voor in de kerk zit en je ontvangt brood en je ontvangt wijn,
dan is het een bevestiging: zo komt Gods liefde steeds naar mij toe,
zo is die liefde ooit naar mij toe gekomen en zo komt die liefde steeds naar mij toe.
Die liefde wil aangenomen worden, wil geaccepteerd worden.
God heeft die liefde niet bedoeld om die af te wijzen, om te zeggen: dat is niets voor mij.
Om te zeggen: daar ben ik nog niet aan toe. Zover ben ik nog niet.
Want wanneer ben je dan zover om die liefde wel aan te nemen,
om te zeggen: nu is die liefde ook voor mij? Nu kan ik Gods liefde voluit omarmen?
Nu kan ik eindelijk zeggen: God is mijn Vader en ik mag mijzelf als Zijn kind zien?
Kijk dan naar het brood en naar de wijn:
hoe kan het nog duidelijker dan dat worden getoond wat Gods liefde is
en dat die liefde bedoeld is om aangenomen te worden,  beaamd te worden.
Om te zeggen: Ja, Heere, U houdt van mij en daarom houd ik ook van U.
Uw liefde is zo duidelijk, ik kan er niet om heen.
Uw liefde is zo groot, daar is ook liefde voor mij bij.
In de tekst lijkt de volgorde omgedraaid te worden:
Als je Mij liefhebt, dan is Mijn liefde ook voor jou.
En die liefde kun je tonen door Mijn geboden te onderhouden.
Onze liefde is hier echter geen voorwaarde.
Hoe kan onze liefde voor de Heere nu eerder zijn dan Zijn liefde voor ons.
Dat brood en die wijn die wijzen er op dat God al om ons gaf,
dat de Heere al Zijn liefde naar ons liet uitgaan toen wij er nog niet waren.
Toen dat kruis op Golgotha stond, dacht de Heere al aan ons
toen het lichaam van Christus werd verbroken aan dat kruis, ging Zijn liefde al naar ons uit.
Het is meer een bevestiging: als je weet dat die liefde voor je is,
als je die liefde hebt kunnen ontvangen, dan kun je ook brood en wijn ontvangen.
Dat is de voorwaarde om te komen, dat je weet: ik kan niet meer zonder die liefde.
Want zonder die liefde ben ik zonder mijn Heere, zonder die liefde ben ik zonder Mijn Vader.
Dan heb ik niets. Dan sta ik overal buiten.
Ik wil van Hem zijn. Ik wil bij Hem horen.
Als je dat weet, dan ben je ook verzekerd van Zijn liefde.
De Heere Jezus zegt er nog iets achteraan: Ik zal Mijzelf aan je openbaren.
Als je van Mij houdt, dan ben je verzekerd van Mijn liefde en dan zal Ik laten zien Wie Ik ben.
Vanmorgen gebeurt dat in het avondmaal, in brood en wijn.
Daarin laat Christus zien dat Hij zich voor ons, voor jou, voor u liet verbreken.
Hij toont zich ook aan ons als Gastheer.
Hij is het die ons het brood aanreikt en de wijn geeft.
Het is voor jou, proef mijn liefde, neem mijn liefde tot je.
Wees er zo van verzekerd dat Mijn liefde voor jou is.
En als Hij zich openbaart dan zegt Hij: Mijn Vader is ook jouw Vader geworden,
je deelt in die band, je bent er nu ook een van Hem.
Al zeg je dat misschien niet zomaar, eerder met schroom, omdat God zo heilig is.
Aan die heiligheid hoeven we niets af te doen.
En toch is het waar: We mogen Hem onze Vader noemen, door Christus.
Door Christus komt Hij dicht bij ons met Zijn liefde, vanmorgen in brood en wijn,
om de band die er is tussen Hem en ons te versterken.
Moet je dan niet zeker weten dat je van Hem bent, dat je er eentje van Hem geworden bent?
Die zekerheid geeft Christus hier: als je van Mij liefhebt,
Als Mijn liefde is iets je teweegbrengt, je raakt, je stil maakt – is het ook voor mij?
En als je die liefde reeds kent, mag merken hoe die liefde verdiept, meer en meer.
Het verdiepen kan gebeuren doordat je steeds meer beseft dat je niet zonder Hem kunt,
dat je Hem zo nodig hebt, elke keer weer opnieuw.
Of als er een verlangen groeit naar het avondmaal.
Het is niet meer iets waar je tegenop ziet, of dat je uit de weg gaat,
maar waarnaar je verlangt omdat je weet: Ik ben nu bij Hem, mijn Heere
en het brood neemt me mee naar Golgotha, de wijn laat me kijken daar op die plaats,
het toont mij hoe Christus werd verbroken voor mij,
het laat zien hoe door Zijn bloed er voor mij vergeving is, hoe ik weer mag komen.
Hoe er voor mij een plaats is in Zijn gemeenschap.
Je merkt het als de liefde voor de Heere toeneemt.
Je merkt het als je het voorneemt nu je aan het avondmaal bent geweest
je steeds meer wilt leven tot Zijn eer, als je merkt dat je verandert,
Gevormd wordt naar het beeld van Christus.
Ook daarin – in de groei in geloof, in verlangen om naar het avondmaal te gaan –
laat Christus zich zien.
Want die groei komt niet van onszelf, maar van Hem.
Je merkt dan hoe Hij in je leven aan het werk is en nog meer zal gaan werken.
Zoals dat brood in je komt, zo komt Gods liefde in je – van binnen.
Zoals de wijn door je heen gaat, zo werkt Christus in je.
Zo versterkt Christus de band die er is. Zo maakt Hij ons steeds meer van Hem.
Kom om Zijn liefde te ontvangen, kom om met Hem gevoed te worden.
Amen

Alleen moesten wij wel aan de armen denken

Alleen moesten wij wel aan de armen denken
Alleen moesten wij wel aan de armen denken; en ik heb mij ook beijverd juist dit te doen. (Galaten 2:10)

Het was een van de grootste discussies bij de eerste christenen: Welke Joodse gebruiken moesten de heidenen allemaal overnemen nadat ze tot geloof gekomen waren? Moesten ze zich laten besnijden? Moesten ze zich aan de Joodse reinheidswetten houden? Mochten ze het vlees dat aan de afgodenoffers nog wel blijven eten? Paulus staat een vrij ruime lijn voor en die vrijheid krijgt hij van de leiding in Jeruzalem. Eén Joodse regel is wel belangrijk om te onderhouden: het onderhouden van de armen. Als Paulus hoort dat hij zich hier wel aan moet houden, geeft hij aan dat hij dit al in praktijk brengt.
Voor Paulus en voor de leiding van de gemeente in Jeruzalem is het steunen van de armen een wezenlijk onderdeel van het geloof. De zorg voor de armen komt al in het Oude Testament voor. Bij de profeet Jesaja klinkt geregeld de waarschuwing aan de leiders van het volk, omdat ze niet om de armen denken. Als Jezus begint met optreden, vertelt hij dat Zijn boodschap ook goed nieuws is voor de armen (Lukas 4:18).
Kenmerk van armoede is niet alleen dat je zorgen hebt om rond te komen, maar ook dat je er niet bij hoort, niet in tel bent. Als je arm wordt, wordt je niet gezien. Denk aan de rijke man, die geen oog had voor de arme Lazarus die voor zijn poort lag. Van de overdaad die de rijke man in deze gelijkenis van Jezus had was er helemaal niets voor de arme Lazarus. Zelfs de restjes werden hem niet gegund.
In de Bijbel wordt over God vertelt als Iemand die wel naar de armen omkijkt. Zij horen er voor Hem helemaal bij. Onder het volk Israël mogen er geen armen zijn. Degenen die veel geld hebben, moeten steeds beseffen dat het geld dat ze hebben niet van henzelf is. De rijkdom is een geschenk van de Heere, bedoeld om te delen met degenen die minder hebben.


Willy Fries – De rijke man en de arme Lazarus

De zorg voor de armen kan dus niet worden gemist. Dat we een kerkenraad hebben met diakenen erbij is dus niet zomaar. De kerkenraad kan niet alleen bestaan uit een predikant en ouderlingen. De diaken kan niet worden gemist. Het diakenambt is ook niet minder dan dat van ouderling of predikant. De diaken herinnert ons eraan dat het een onderdeel van ons geloof is om van onze rijkdom te delen met anderen. De diaken helpt de gemeente om de zorg voor de armen praktisch handen en voeten te geven. Op die manier laat de diaken iets van de zorg van de Heere voor armen zien.
Aan de armen denken betekent hier de armen in beeld hebben, weten wie ze zijn en waar ze zijn. Het gaat niet alleen om de armen in de kerk, maar ook de armen buiten de kerk. De eerste christenen namen wat ze over hadden mee naar de kerk: eten, kleding, schoeisel. Dat werd onder de armen van de stad verdeeld. Aan de armen denken betekent hier dat het beleid van de gemeente is afgestemd om de armen in het oog te krijgen en voor hen te zorgen.
In het verleden is dat niet altijd goed gegaan. In mijn eerste gemeente was er een gemeentelid die in zijn jonge jaren wel naar de kerk zou zijn gegaan, maar nu niet meer ging. Toen ik hem vroeg waarom hij nu niet meer naar de kerk ging en vroeger wel, gaf hij aan dat hij vroeger verplicht was om naar de kerk te gaan. Zijn vader pachtte grond van de diakonie en de diakonie had zijn vader als pachter verplicht dat hij met zijn gezin naar de kerk moest gaan.
Aan de andere kant heb ik juist ook de mooie kant van de diakonie en het hart en de bewogenheid van diakenen gezien. Toen ik stage liep in een gemeente, ging ik op bezoek bij de voorzitter van de diakonie. Deze diaken vertelde dat de kerk een fonds had om de behoeftigen uit die plaats te ondersteunen. De plaats was in de tussentijd echter een welvarend dorp geworden. Hij ging toen uitzoeken of dat fonds ook kon worden aangewend voor de asielzoekers die in het dorp gekomen waren. Uit de manier waarop hij het vertelde, merkte ik op dat het met zijn geloof te maken had. Dat zei ik ook tegen deze diaken en hij was dankbaar dat ik zag dat dit helpen van de asielzoekers voor hem een wezenlijk onderdeel van zijn geloof was.
Voor Paulus was het denken aan de armen een wezenlijk onderdeel van zijn geloof. Het hoorde helemaal bij het dienen van de Heere. Hij heeft het zelf in praktijk gebracht en ook doorgegeven aan de gemeenten die door hem werden gediend. Hij schrijft het niet als een gebod aan de gemeente van de Galaten voor. Maar we proeven hierin wel de aansporing. Ook voor ons vandaag de dag. Wat zou het mooi zijn als we Paulus kunnen beamen: We hebben ons ook beijverd om dat te doen.

Preek Tweede Pinksterdag 2022

Preek Tweede Pinksterdag 2022
Schriftlezing: Galaten 4:1-7

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je een goede band met je vader, dan is het niet vreemd om op je vader af te stappen:
Pa, kun je me even helpen? Pap, kun je even komen?
Dat gaat dan heel natuurlijk. Je hoeft er eigenlijk niet over na te denken.
Dat wordt al anders als een andere man in huis komt.
Als de vader overleden is, of als ouders gescheiden zijn
en moeder weer een nieuwe relatie krijgt.
Dan is de vraag: hoe moet je als kind deze man noemen?
Moet je papa tegen hem zeggen? Moet je hem als vader gaan zien?
Dat kan toch niet. Want je hebt toch een eigen vader.
Al woont die vader ergens anders, of al is je vader overleden,
niemand kan je vader vervangen.
Het kan wel zo zijn dat zo’n nieuwe man in het gezin als een vader voor je wordt.
Dat gaat meestal niet vanzelf.
En er kunnen heel wat spanningen ontstaan als de kinderen moeite hebben
met de nieuwe man die in het gezin gekomen is.
Het kan wel goed gaan.
En dan is het vaak zo dat iemand dan zich heel terughoudend opstelt
en beseft dat hij de eigenlijke vader niet kan vervangen.
Het luistert heel nauw, het vraagt veel tact van zo’n nieuwe man.
Dan kan er een goede band groeien,
waarbij de kinderen van moeder deze nieuwe man gaan behandelen als vader
en ook zo met hem omgaan. Maar dat kost vaak tijd en het gaat niet vanzelf.

Het gaat ook niet vanzelf, schrijft Paulus, dat we God als Vader zien.
Dat doe je niet zomaar uit jezelf.
Daar heb je de Heilige Geest voor nodig.
Misschien vindt u dat maar vreemd: dat we God niet zomaar als Vader kunnen aanspreken.
Want voor ons is het toch heel gewoon dat we God als Vader zien.
We zingen heel wat liederen over God als onze Vader
en in heel wat gebeden wordt God aangesproken als onze hemelse Vader.
Ja, God is heilig en God is in de hemel.
Maar door ons bidden en door ons zingen kunnen we toch heel dichtbij Hem komen.
En doordat Hij als een Vader voor ons zorgt,
kunnen we merken dat Hij ook heel dicht bij ons wil komen.
Dat Hij niet ver van ons vandaan is.
We hoeven ook niet allerlei manieren te bedenken
of anderen in te schakelen om met God in contact te komen,
mensen die voor ons zouden moeten bidden, omdat wij te ver van God af zouden staan.
We kunnen ons rechtstreeks tot God wenden en bidden: Vader in de hemel.
Waarom zegt Paulus hier dan dat het bijzonder is als je God als Vader aanspreekt,
dat je zo vertrouwd met Hem bent, dat Hij als je hemelse Vader is?
Dat heeft ermee te maken dat Paulus schrijft aan een gemeente,
waarvan het merendeel met een ander geloof is opgegroeid.
Ze zijn opgegroeid met het idee dat er allerlei goden zijn.
Goden die lang niet altijd zich druk maken over wat er op aarde gebeuren.
Ze hebben hun eigen wereld.
Je moet ze wel trouw dienen, want als je hen vergeet, dan zullen ze niet voor je zorgen.
Dan raakt de orde die er is verstoord en krijg je allerlei rampen te verduren.
Het was een bijzondere ervaring toen Paulus bij hen kwam,
op een van de zendingsreizen door Galatië
waarbij hij hen uitlegde dat er een God is die om hen geeft,
zoveel zelfs dat Hij Zijn Zoon naar de aarde stuurde.
Deze God bleef niet in de hemel, maar verliet de hemel om op aarde te komen.
Zo mochten ze de Heere leren kennen.
Niet een god op afstand, waarbij ze geluk moesten hebben als hij naar hen omkeek,
maar God die echt met hen bewogen was.
Ze mochten heel dicht bij Hem komen en een hele intieme band met Hem krijgen.
Abba, Vader, zeiden ze.
Daar hadden hun tijdgenoten van opgekeken.
God aanspreken net zoals je je vader aanspreekt? Waarom zou je dat doen?
God is in de hemel. Wij zijn op aarde.
Je moet dat onderscheid wel in de gaten blijven houden.
Je moet wel je plek kennen. Niet te vrijpostig worden.
Spreek God aan als je hemelse Vader: Abba, Vader.
Dat had Paulus hen geleerd.
Of beter gezegd: dat had de Heilige Geest hen geleerd.
Paulus spreekt hier op een bijzondere manier over de Heilige Geest.
Het is de Geest van de Zoon.
De Geest die ons God als onze hemelse Vader laat aanspreken,
is de Geest van Christus.
Het is de Geest van de Zoon, waardoor we die woorden in onze mond nemen: Abba, Vader.
Met liefde en genegenheid God zo aanspreken, God die zo vertrouwd is.
Die Geest leert ons dat. Die Geest werkt dat in ons.
Christus is de Zoon van God en Hij ziet God als Zijn Vader.
Wij staan nu op gelijke hoogte met de Zoon, omdat Zijn Geest in ons werkt.
We zijn broeder van Christus geworden.
Hij is niet alleen onze Heer, Hij is niet alleen de Koning van de kerk
en heerser over hemel en aarde.
Hij is onze Broeder geworden.
Omdat we kind van God geworden zijn.
Dat zullen we misschien niet zomaar zeggen: Ik ben een kind van God.
Dat klinkt wel heel bijzonder. Kunnen we dat zeggen?
Ja, zegt Paulus, als je gelooft, dan heb je de Geest.
Je bent een broeder, een zuster van Christus geworden. Je mag God als Vader aanspreken.
Daar hoef je niet krampachtig over te doen.
Je mag dat zeggen: Ik ben een kind van God geworden.
En omdat je kind van God geworden bent, leert de Geest je God als Vader aan te spreken.
Dat je zo over God en tegen God kunt spreken, zo vertrouwd en intiem,
dat je Hem ook ziet als hemelse Vader – dat doet de Heilige Geest.
Dat heb je niet van jezelf. Dat heb je niet zelf bedacht of zelf gewild.
Dat werkt de Heilige Geest in je.
Daaraan kun je zien dat de Heilige Geest in je werkt.
De Geest geeft je een onbevangenheid in het geloven, een vertrouwdheid met God,
een kinderlijk geloof waarin God echt als een Vader voor je is.

Er is een reden waarom Paulus hierover begint,
Want hij krijgt de indruk dat dit onbevangen geloof, dit kinderlijk vertrouwen verdwijnt.
Dat de gemeente God misschien nog wel als Vader aanspreekt
en zo heel vertrouwd en heel intiem zegt: Abba Vader.
Maar de vertrouwdheid en de intieme band is weg.
Want Paulus ziet dat er in de gemeente allerlei voorwaarden gekomen zijn
waar je aan moet voldoen voordat je gaat geloven.
Het is niet meer genoeg dat de gelovigen God als hun Vader zien en Christus als hun redder
en het is niet meer genoeg dat je aan hen kunt merken dat de Geest in hen werkt.
Het is zelfs niet genoeg als ze gedoopt zijn en daarmee het oude leven hebben afgelegd
en Christus hebben aangenomen – bekleed met Christus.
Ze moeten ook nog de besnijdenis ondergaan
en ze moeten zich aan allerlei voorschriften houden die ook voor Joden gelden.
Als je dat nog niet gedaan hebt, mag je er niet bij horen,
kom je op een tweede plaats te staan.
Mag je niet bij de anderen aan tafel zitten om samen te eten
en dan krijg je een andere plek tijdens de avondmaalsviering.
De eenheid is dan niet meer gevormd door de Geest van Christus die in hen werkt,
maar er is een tweedeling: een groep gelovigen die verder is, die meer heeft
en de groep die nog niet zover is, die nog die stap niet heeft kunnen zetten.
Voor wie het al een hele stap was om christen te worden.
Hij ziet dat ze dat oude leven nog niet helemaal los kunnen laten,
omdat ze toch meedoen met de feesten van vroeger: de heidense feesten,
feesten voor de Romeinse en Griekse goden, die volop in de stad werden gevierd,
feesten om de keizer in Rome als god te vereren.
De samenleving van die tijd was een hele godsdienstige samenleving.
We kunnen dat ons nauwelijks meer voorstellen.
De gelovigen konden zich daar moeilijk aan ontworstelen. Ze moesten toch meedoen.
Zeker rondom de feesten die door de hele stad werden gevierd.
Paulus maakt zich daar zorgen over: dat oude leven was een slavenbestaan,
waarin je helemaal geen kind van God kon zijn.
Een leven waarin je niet vrij was, waarin je er niet bij hoorde:
Ja bij de stad misschien wel, maar niet bij de enige ware God, de levende God.
Dat hadden ze toen wellicht niet zo ervaren: dat ze slaaf waren.
Een slaaf kon het goed getroffen hebben: een goede meester hebben, goed werk doen.
Maar een slaaf was toch tweederangs, geen echte burger.
Je telde pas echt mee in de samenleving als je een vrije burger was.
Dat zijn jullie geworden, toen je tot geloof kwam in Christus.
Toen kreeg je een andere positie naar God toe: kind van God in plaats van slaaf.
Maar nu hef je binnen de gemeente die status weer op.
Je maakt het ongedaan dat je kind van God bent. Je doet weer een stad terug.
Je maakt jezelf tweederangs.
Het is niet alleen dat er een tweedeling komt in de gemeente
met gemeenteleden die verder zijn en gemeenteleden die achtergebleven zijn,
tussen gemeenteleden die het echt hebben en gemeenteleden die het nog missen.
Maar op die manier wordt ook het werk van Christus overbodig gemaakt.
Niet de komst van Christus maakt het christen, maar hun eigen prestaties.
Niet het kruis zorgt ervoor dat ze kind van God worden,
maar dat ze zelf nog er iets aan toevoegen, hun best doen, progressie maken.
Het is niet genoeg dat je Christus aanneemt, je moet er nog een schepje bovenop doen.
Je moet het eerst nog aantonen, eerst bewijzen dat je dat leven met Christus waard bent.
Niet alleen het heidense leven is een vorm van slavernij,
ook de Joodse gebruiken en rituelen kunnen dat zijn.
Paulus die zelf Jood was en altijd Jood gebleven was, trouw aan Gods geboden,
die er onder leed dat zijn eigen volk Jezus als messias afwees,
Paulus zegt: het helpt jullie niets verder als je als Jood gaat leven.
Want dan maak je de komst van Christus overbodig. Dan was het kruis niet nodig.
Dan had Gods Zoon de hemel niet hoeven te verlaten
en zich niet zo te vernederen aan het kruis.
Met jullie leven maak je het werk van Christus overbodig
en daarmee zet je je redding ook op het spel.
In deze brief aan de Galaten kan Paulus een paar keer fel uit de hoek komen,
hij vecht voor de gemeente, hij kan het niet laten gebeuren dat ze terugvallen,
dat ze daarmee Christus kwijtraken.
Jullie hebben de Geest toch in je? Jullie zijn toch van Christus?
Je weet toch hoe bijzonder het is dat je God als Vader mag zien
en dat je zo heel dicht bij Hem mag leven?
Waarom laat je dat afnemen? Waarom geloof je dat dit kinderlijke geloof te weinig is
en dat je er nog zoveel meer aan moet toevoegen?
Zou het nu ons ook kunnen overkomen dat we deze Geest kwijtraken
en dat we allerlei voorwaarden inbouwen – voor elkaar of voor anderen?
Dat we zeggen: het is niet genoeg dat je in Christus gelooft,
nee, je moet nog een stap zetten, er wordt nog iets van je gevraagd?
Dat we dat kinderlijke geloof in onszelf geen ruimte gunnen,
omdat we vinden dat het te weinig is
en dat we vinden dat anderen zich wel heel makkelijk christen noemen?
Of misschien dat we aan onszelf allerlei voorwaarden stellen
voordat we zover kunnen zijn om ons kind van God te noemen
En die vertrouwelijke band met de Heere hebben en Hem intiem kunnen naderen in gebed.
Je hebt de Geest die in je werkt, de Geest van Christus,
die je een zoon of een dochter van God maakt, die in je bezig is.
Waarom is dat niet genoeg en vind je dat er nog meer moet gebeuren?
Zelfs de verloren zoon zei nog: “Vader” toen hij terugkwam.
“Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen U.”
Hij zegt er achteraan dat hij het niet waard is om nog zoon te zijn.
Hij is bereid om een stap terug te doen: om een knecht te worden, om een slaaf te worden.
Maar Jezus is slaaf geworden – Paulus schrijft dat ergens anders: Fil 2 –
daarom hoeven wij geen slaven meer te zijn en mogen wij erbij komen,
kind van God worden, kind van God zijn.
Die Geest van Christus hebben we nodig om net zo te gaan denken en leven als Hem.
Om op Hem te gaan lijken, gelijkvormig te worden aan Christus.
Als je kind van God geworden bent, ga je ook leven als kind van God.
Als je geen eigen kind bent, dan kun je dat altijd voelen.
Dan kan er het gevoel zijn: ik ben hier wel bij de familie, maar hoor er niet bij.
Dan zeggen we dat het met de hechting niet goed gegaan is.
Maar als je kind van God geworden bent, hoef je je geen zorgen te maken of je erbij je hoort.
Je bent van Christus geworden: zijn eigendom, van Hem.
In je werkt de Geest. Hij drijft alle onzekerheid eruit en vult je met liefde.
Hij leert je te ontvangen: Hij leert je de liefde van God te ontvangen,
De Geest leert je te accepteren dat Christus ook voor jou gestorven is
En dat het genoeg is, dat er niet nog iets gedaan moet worden
voordat jij je kind van God kunt noemen.
Geest van hierboven, leer ons geloven

Hopen, liefhebben door uw kracht
Amen

Preek Eerste Pinksterdag 2022

Preek Eerste Pinksterdag 2022
Openbare belijdenis van het geloof
Schriftlezing: Johannes 14:23-29

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vorige week zag ik een krantenbericht met de kop:
Twee uitverkoren vrouwen trouwen met Jezus
en worden maagden in ruil voor ‘qualitytime met de Heer’
.
Het leek me een belachelijk bericht en ik voelde al boosheid in mij opkomen
omdat ik dacht dat er gespot werd met Christus.
Maar het ging helemaal niet om spotten, maar om iets heel bijzonders, iets heel heiligs.
Twee vrouwen hadden besloten om niet op zoek te gaan naar een man,
maar voor altijd alleen te blijven en hun leven te wijden aan Christus.
Ze werden bruid van Christus. Een katholiek ritueel, al is het wel een heel zeldzaam ritueel.
Ze stonden voor in de kerk, met nette kleren maar ook met een bruidssluier.
Ze gaven zich aan Christus,
zoals ze zich anders in het huwelijk aan een man hadden gegeven.

Nu zullen jullie het niet op die manier vertellen, dat je trouwt met Jezus.
Je geeft ook je baan niet op en ook niet je relatie op om je aan Christus te wijden.
Maar toch zullen jullie met je belijdenis aangeven dat je nu van Christus bent,
dat je bij Hem hoort, dat je leven in Zijn dienst staat.
Je blijft daarbij gewoon je werk doen.
Je blijft je huwelijk houden. Sommigen zijn net getrouwd. Anderen gaan binnenkort trouwen.
Maar het is wel een bijzondere stap in je leven:
Je geeft je ja-woord aan Christus. Je hoort bij Hem en Hij bij jou.
De keuze die je nu vandaag maakt, lijkt wel op de keuze bij een bruiloft.
Zoals bij een bruiloft gaat het om een relatie die er gekomen is, waarbij liefde komt kijken.
Je houdt van degene voor wie je kiest en je kent degene met wie je trouwt.
Zo is het ook met de keuze voor Christus vandaag:
Dat je voor Hem kiest,
is niet omdat het nu eenmaal hoort of omdat het van je verwacht wordt,
maar omdat je de liefde in je hart voelt voor Hem, je wordt naar Hem toegetrokken.
In de afgelopen jaren heb je Hem ook leren kennen.
Misschien dat er momenten waren dat je helemaal niet met Hem bezig was,
dat Hij op een afstand stond, dat je geen liefde had,
dat je niet door had dat Hij naar jou op zoek was, om in jouw leven te zijn.
In de laatste jaren is er echter een verlangen gekomen om bij Hem te horen.
Je hebt de Heere leren kennen en je bent van Hem gaan houden.
Als je een tijdje gehad hebt, waarin het geloof wat op de achtergrond was,
of waarin je er helemaal niet mee bezig was,
dan is er weer aandacht gekomen voor Christus.
Hij is in je leven teruggekomen, misschien wel zonder dat je er op gerekend had.
Het gebeurde geleidelijk aan. Of je besefte opeens: Ik moet er werk van maken.
Dat is het werk van de Trooster, zoals Jezus de Heilige Geest hier noemt.
De Geest kan in je werken: door je wakker te schudden, zodat je gaat beseffen:
Ik heb de Heere wel heel erg op een achtergrond gezet
en nu moet ik weer actief worden, weer met Hem bezig zijn, naar Hem op zoek gaan.
De Heilige Geest kan ook heel geleidelijk aan in je werken,
Waardoor je geloof in de Heere Jezus heel langzaam gaat groeien en rijpen,
tot je op een moment gekomen bent, dat je bij jezelf denkt:
Nu wordt het tijd om belijdenis te gaan doen.
Ik wil voor Hem kiezen. Nu merk in mij een verlangen om aan het avondmaal te gaan.
De Trooster, noemt Jezus de Heilige Geest hier.
De Heilige Geest wordt hier getypeerd als iemand die troost en houvast geeft.
Als je het moeilijk hebt en je kunt niet zo makkelijk steun uit je geloof halen,
dan is de Heilige Geest er. Hij komt naar je toe om die troost te bieden.
Hij verwijst dan naar de Heere Jezus. Hij zegt: Weet je niet meer wat Christus gezegd heeft?
Weet je niet meer dat Hij gezegd heeft: Ik ben bij je.
Nou, geloof dat dan, want daarin vind je juist de houvast die je nodig hebt.
Hij zal zeggen: Ben je vergeten dat Christus ook heel diep is gegaan
en dat Hij weet wat is om te lijden, dat Hij ook weet wat het is om dat door te maken?
Dat Hij ook gehuild heeft om een vriend die overleden is.
Dat Hij ook geworsteld heeft.
Dat Hij ook geroepen heeft: Mijn God, waar bent U nu? Hebt U mij verlaten?
En dat Hij daarom tegen jou gezegd heeft: Omdat Ik zo diep gegaan ben, kan Ik bij je zijn.
Waarom vergeet je dat Hij je er bovenuit kan tillen?
De Heilige Geest zorgt ervoor dat je steeds gaat terugdenken aan Christus,
aan wat Jezus heeft gezegd en heeft gedaan,
om je daarmee te troosten, moed in te spreken, te stimuleren.
Dat is bij jullie ook gebeurd en daarom zijn jullie nu vanmorgen hier in de kerk
om belijdenis te doen.
Dat is voor jullie een belangrijk moment: in het afgelopen jaar ben je er naartoe gegroeid.
Het was een bijzonder jaar, ook omdat we begonnen in de coronatijd.
Je zou het bijna vergeten, maar we zaten eerst op ruime afstand van elkaar.
En als je verkouden was, moest je je afmelden,
omdat je anderen niet in verlegenheid wilde brengen.
Toch zijn we doorgegaan en nu zijn jullie hier om je ja-woord te geven aan Christus.
Voor mij ook een bijzonder moment.
Ik mocht er getuige van zijn hoe jullie zijn gegroeid in geloof
En ik mocht een tijdje met jullie meegaan op de weg van jullie geloof.
Ik mocht getuige zijn hoe de Geest in jullie leven werkte en verder zal werken.
Ook voor jullie ouders en degenen die bij je horen vast een bijzonder moment,
Een moment om dankbaar voor te zijn.
En ook voor de gehele gemeente een bijzonder moment:
te mogen zien hoe de Geest ook nu nog zo werkt, als Steun, als Trooster.
Dat de Geest nu nog steeds bezig is om bij Christus te brengen,
dat je je ervan bewust bent: Christus is er. Ik moet er weer werk van gaan maken.
Ik moet me niet afzijdig houden.
De Geest is ook nu nog steeds bezig, misschien ook wel in jouw hart,
om je voor te krijgen, dat je je in september aanmeldt voor de belijdeniscatechisatie.
OF als je die stap te groot vindt, eerst voor de AlphaCursus.
Ook op een belijdeniscatechisatie, ook tijdens een AlphaCursus kan de Geest werken,
waardoor de woorden van de Heere Jezus weer in herinnering komen.
Waardoor je je gestimuleerd voelt, gesteund weet,
troost en houvast ontdekt in de woorden van Christus.
Nu gaan jullie verder op je weg, maar dan zonder het wekelijks bij elkaar komen.
Zonder dat ritme van elke week ermee bezig zijn, samen er over doorpraten.
Door zo samen op te trekken, ben je er intensief mee bezig
en kan het helpen om dicht bij Christus te leven.
Ik hoorde ooit iemand vertellen
dat ze na de tijd van belijdeniscatechisatie in een zwart gat viel.
De gesprekken vielen weg, het wekelijkse ritme was er niet meer.
Nu moest ze het zelf doen en dat lukte blijkbaar niet.
Het is goed om zelf iets te zoeken om ermee bezig te blijven:
Een bijbelkring, thuis erover doorpraten, met vrienden bij elkaar komen.
Daarbij mag je de steun van de Heilige Geest verwachten.
Hij bracht je bij Christus, Hij bracht zover dat je belijdenis ging doen.
Hij zal ook je weer terugbrengen bij Christus.
Als je afdwaalt, zal Hij je terugroepen. Als je in slaap valt, zal Hij je wakker maken.
Als je troost nodig hebt, zal Hij je laten weten: je Heer is er nog.
Hij is je niet vergeten. Hij heeft je niet losgelaten. Hij is niet bij je weggegaan!
Zoek Hem op, want je hebt Hem nodig!
De Geest kan dat doen doordat er herinneringen in je boven komen
over wat je eerder over Christus hebt gehoord.
Een Bijbeltekst die opeens bij je bovenkomt,
die je misschien ook wel in de bijbel op moet zoeken,
omdat je niet direct weet waar die tekst staat.
Een regel uit een lied.
Een opmerking die je ooit van iemand hoorde en die nu weer bij je bovenkomt.
De Heilige Geest kan er ook mensen voor gebruiken:
Een ouderling die bij je op bezoek komt om met je te spreken over je geloof.
Je kent de ouderling alleen maar omdat hij af en toe voor in de kerk zit
En je bent best wel gespannen: hoe zal het gesprek verlopen? Hoe zal de ouderling zijn?
Het gaat eerst wat voorzichtig. Maar zonder dat je er van bewust bent,
gaat het toch de diepte in en vertel je hoe het met je gaat,
Vertel je hoe je Christus ook in deze omstandigheden erbij wil betrekken
En op een gegeven moment is het net of je het niet alleen tegen die ouderling zegt,
maar of de Heere Jezus er zelf aanwezig is en je met Hem in gesprek bent.
Een vriend met wie je in gesprek bent
en het gesprek wordt zonder dat je dat van tevoren had bedacht serieuzer en serieuzer
En je merkt opeens dat het niet alleen maar je vriend is met wie je spreekt,
maar het lijkt wel alsof Christus zich in het gesprek mengt,
eerst op de achtergrond, je hebt het niet door, maar als het gesprek voorbij is,
is er een speciaal gevoel: het leek er wel op alsof Christus hier was.
Zonder dat je Hem ziet, kan Hij er wel aanwezig zijn.
Dat kan de Geest nu doen.
Zo is de Geest een trooster, een steun op de weg in het geloof.
Hij is er bij geweest op de weg die je tot nu hebt afgelegd.
Hij bracht je op de weg met Christus.
Hij schudde je wakker. Hij bracht het besef in je: nu moet ik deze stap zetten.
Zo zal de Heilige Geest ook meegaan. Zo zal Hij de Trooster blijven.
De Geest wordt niet voor niets gegeven.
Er zit een bepaalde zorg in:
Zorg van God de Vader die weet dat we het als mensen niet alleen redden.
Dat we Iemand nodig hebben die ons bij Christus brengt.
Die ons op de juiste weg brengt,
die ons helpt om te begrijpen hoe we Christus kunnen vinden,
Die ons laat zien hoe Christus in ons leven aanwezig is en met ons meegaat.
Het is ook de zorg van Christus voor ons, voor jullie,
dat Hij nadat Hij naar de hemel is gegaan tegen Zijn Vader zegt:
Stuur de Heilige Geest als bijstand, als hulp, als trooster, want die hebben ze nodig.
Door de Heilige Geest gaat het werk van Christus door
en kunnen we nu nog steeds Zijn stem horen, gaat het onderwijs door
en worden er steeds weer mensen bij Christus gebracht, zodat ze in Hem gaan geloven.
Als het ons gebed is: Heer, wijs mij de weg en leid mij als een kind.
Dan weten we: de Geest zal ervoor zorgen dat we geleid worden.
Dat onze levensweg richting vindt en dat als de moed ons ontbreekt
we getroost worden, aangemoedigd worden.
De Geest die ons leert hoe wij Jezus kunnen volgen, Hem kunnen dienen.
En als we niet verder kunnen, dan zal de Geest laten zien dat we niet alleen lopen:
Als ik de weg niet weet, de hoop opgeef,
toon mij dat Christus heel mijn weg gelopen heeft.
Zo onderwijst de Geest ons. Zo brengt de Geest ons Christus in herinnering.
Amen

Preken voor tijdgenoten – 2

Preken voor tijdgenoten – 2
Het leven is vaak weerbarstiger, rauwer dan in een preek naar voren komt. Dat kan een vervreemding geven tijdens het luisteren. De gedachte die bij de luisteraar opkomt, kan dan zijn: Dit gaat helemaal niet over mij. Dit gaat niet over mijn leven. In zijn boek Dialoog, dans, duel. Preken voor tijdgenoten geeft Kees van Ekris aan dat het belangrijk is dat het leven in de preek naar voren komt, zoals het leven is. In de preek moet dat rauwe en weerbarstige niet weggestopt te worden. Het is belangrijk om als predikant om oog te hebben voor dat rauwe en weerbarstige. Je hoeft dat als predikant niet zelf te hebben meegemaakt. Je kunt ook luisteren naar verhalen van tijdgenoten, verhalen die mensen binnen en buiten de kerk vertellen. In die verhalen kan geproefd worden wat er leeft, wat mensen in deze tijd bezig houdt, waar ze voor willen leven. In die verhalen kan geproefd worden welke vragen er leven, of welke vragen er juist weggestopt worden. Waar die verhalen over gaan, kan weer terug komen in de preek. ‘De gemeente trekt de preek uit de prediker’, zei ds. Andries Zoutendijk (destijds predikant van de Jacobikerk Utrecht) eens.


Een kanttekening hierbij: in het boek gaat het vooral over diepe levensvragen. Daarmee wordt geregeld geworsteld. Dat geeft aan het boek een behoorlijke ernst. In het leven is er meer dan de vragen. Er kan ook levensvreugde zijn. Degenen die in de kerk zitten, kunnen ook intens dankbaar zijn voor het mooie leven dat ze hebben, momenten van geluk hebben, genieten, verlangen. Wanneer daar ook in de preek aandacht aan besteed wordt, krijgt de preek iets lichtvoetiger en dat maakt de preek aangenamer om naar te luisteren. Van de drie begrippen krijgt met name het duel (en dan als gevecht) de nadruk. Iets meer dans had wat mij betreft wel gemogen. Maar dat zegt ook iets over mijn eigen positie: ik benerg terughoudend ten aanzien van profetisch spreken en heb mijn aarzelingen bij al te veel apocalyptiek.
Ingaan op wat er leeft, kan ook iets profetisch hebben, omdat onze manier van leven lang niet altijd heilzaam is. We leven in een samenleving waarin alles functioneel moet zijn, alles nut moet hebben. Een samenleving waarin we elkaar opjutten om nog harder te lopen en nog meer werk te verzetten.
Als je ingaat op wat leeft, kun je niet twijfel uit de weg gaan. Veel gelovigen zijn aangevochten. Geloven kan geregeld een gevecht zijn. Je kunt het gevoel hebben dat je verliest, dat je God kwijt raakt, het geloven niet meer lukt. Er kan ook verslapping zijn: niet iedereen kan de trouw opbrengen die gevraagd wordt. Er kan verveling zijn, omdat het allemaal zo bekend is en je er niet meer door in vuur en vlam komt te staan.
Als dit allemaal aan de orde gesteld wordt, is dat niet bedoeld om de gemeente te verlammen of de gemeente te beschuldigen, maar om te wijzen hoe Christus hier aanwezig is. En om aan te geven wat van de gemeente en de gelovige in deze tijd wordt gevraagd.

Vragen voor de predikant

  1. Op welke levensvragen ga je in je preken in? 
  2. Hoe kom je erachter welke vragen er leven?
  3. Welke vragen vermijd je liever? Wat is de reden dat je ze uit de weg gaat?
  4. Kun je de levensvragen vanuit het evangelie belichten?
  5. Wat is de toon van de preek: altijd serieus of heeft een preek ook iets lichtvoetigs?

Vragen voor de kerkenraad en gemeente

  1. Welke levensvragen komen er terug in de preken die je hoort? Zijn dat ook jouw levensvragen?
  2. Welke levensvragen worden gemist? Welke worden er eigenlijk te vaak aan de orde gesteld?
  3. Welke levensvragen hoor je liever niet in de preek terugkomen?
  4. Helpt de preek je een manier van omgaan met levensvragen te vinden?
  5. Wat is de toon van de preken die je hoort? Helpt dat bij het luisteren en toe-eigenen van de boodschap?


    N.a.v. Kees van Ekris, Dialoog, dans en duel. Preken voor tijdgenoten (Utrecht: KokBoekencentrum, 2022) 48-70.

Preken voor tijdgenoten – 1

Preken voor tijdgenoten – 1

In de afgelopen jaren was Kees van Ekris bezig met een boek over preken voor tijdgenoten. Op bijeenkomsten voor predikanten liet hij zien waar hij mee bezig was. Wat hij vertelde of liet lezen, was altijd hartstochtelijke theologie, existentieel, erg gevoelig voor de vragen van deze tijd binnen en buiten de kerk. Die bijeenkomsten waren daardoor altijd een hele belevenis. Onlangs kwam het boek uit. Een hartstochtelijk boek dat predikanten, kerkenraadsleden en luisteraars wil uitdagen en tegelijkertijd wil stilzetten om na te denken over wat wezenlijk is in de preek.

Ook kerkenraadsleden en kerkgangers worden uitgedaagd en meegenomen in dit boek. Het is een boek waar je als kerkenraad, als gemeente en als predikanten onderling een jaar mee bezig kunt zijn: elke keer als je samenkomt kun je je laten uitdagen door wat er in dit boek staat.

Tijdgenoten
Van Ekris wil uitdagen tot preken voor tijdgenoten. Hij gebruikt bewust het woord tijdgenoten om daarmee aan te geven dat de grens tussen kerk en wereld vaak maar heel klein is: Degenen die wel naar de kerk gaan, hebben geregeld dezelfde vragen als degenen die niet naar de kerk gaan. Degenen die wel gelovig zijn kennen ook hun momenten van twijfel en ongeloof, waardoor het verschil met zoekers, twijfelaars en niet-gelovigen niet altijd makkelijk is aan te geven. In de kerkdienst zitten niet alleen gelovigen, maar ook zoekers, twijfelaars en luisteraars die afvragen of het nog wel zin heeft om te geloven. Ook kerkgangers kunnen op weg zijn om niet meer te gaan geloven.
Omgekeerd kan de preek ook iets betekenen voor degenen die niet naar de kerk gaan: Zij kunnen zich uitgedaagd voelen om na te denken over God. Zij kunnen erkenning vinden, omdat hun worstelingen en vragen, hun uitdagingen en levensthema’s onder woorden worden gebracht. Het zou helemaal mooi zijn als ze zich uitgenodigd voelen en uitgedaagd voelen om te gaan geloven. Want in onze tijd mag het geloof dan niet vanzelfsprekend zijn, er kan wel een openheid zijn voor geloof, een nieuwsgierigheid naar God. Zij willen iets hebben om voor te leven. Kan de kerk een plek zijn om daarover na te denken? Kan de preek daarbij hen iets verder helpen?

Uitgedaagd om te gaan geloven
Van Ekris voert een pleidooi om deze tijdgenoten te betrekken bij de preekvoorbereiding. Ook als ze niet naar de kerk gaan. Of juist omdat ze niet naar de kerk gaan. In de preekvoorbereiding en in de uiteindelijke preek kunnen daardoor hun vragen en levensthema’s origineel en diepgaand aan de orde worden gesteld. Met een preek die uitdagend is en gedurfd. Een preek die de rauwe kanten van het leven niet schuwt. Een preek die zelf weet heeft van de teleurstellingen, van momenten van ongeloof en vertwijfeling. Een preek die er van weet boven deze aanvechtingen bovenuit getild te worden.

Geloven gaat vaak geleidelijk aan. Er moeten weerstanden weggenomen worden. Er moeten hobbels weggenomen. Vaak ook vooroordelen over kerk, God, geloof. Het vraagt om overgave en voor iemand zich kan overgeven aan God is er vaak ook tijd en geduld nodig. Voordat er geloofd wordt, is er vaak een hele weg af te leggen. In de preek kan die weg in alle facetten worden getoond.

Missionaire intelligentie
Preken in deze tijd en voor deze tijdgenoten vraagt om missionaire intelligentie. Met missionaire intelligentie bedoelt Van Ekris dat je als kerk en als predikant openheid toont voor wat de ander bezig houdt, dat je bereid bent om aan te horen en mee te denken. Het is een houding van gelijkwaardigheid. Niet van iemand die het beter weet.

Bij de preekvoorbereiding kan het nuttig zijn om ontmoetingen op te zoeken met mensen buiten de kerk om met de thema’s die spelen en in de preek aan de orde zouden kunnen komen op tafel te krijgen. Mensen die de lokale gemeenschap goed kennen en kunnen helpen de ziel van de lokale gemeenschap uit te leggen. Mannen en vrouwen die kunnen vertellen wat er speelt in de wijk, de dorp. Mensen die kunnen aangeven waar de lokale bewoners voor leven. Lokaal betrokkenen die kunnen vertellen welke openingen er voor het evangelie kunnen zijn.

In de komende tijd wil ik meer uit het boek laten zien. Ik wil iets van de uitdaging van het boek doorgeven. Ik wil iets laten zien van het belang om de vragen en thema’s van tijdgenoten op te pakken. Soms sla ik een andere weg in. Bij het lezen vraag ik me af en toe af of een weg die in het boek gekozen wordt een verstandige keuze is: Word je als prediker bij dit alles niet omver geblazen door alle vragen en thema’s van tijdgenoten? Wordt niet de hele wereld op de nek genomen? Iets minder gevoeligheid voor de vragen van anderen kan soms ook nodig zijn, om je niet overvraagd te voelen. Je moet soms sterk in je schoenen staan om je niet overbelast te gaan voelen bij alles wat je moet doen.

Dat is niet de intentie van het boek. De intentie is dat de preek iets gemeenschappelijks is: van de predikant, de kerkenraad en gemeente, van gelovigen, zoekers en ongelovigen, van tijdgenoten die elkaars vragen en thema’s herkennen, die iets willen hebben om voor te leven. Preken voor tijdgenoten betekent: God werkt ook in deze tijd. Ook in deze tijd gebruikt Hij daar de preek en de kerkdienst voor.

Vragen voor predikanten

  1. Geloven is vaak een weg, waarbij ook een lange aanloop genomen kan worden. Hoe komt die weg in beeld? Welke stukken van de weg komen in de preken aan de orde? Welke stukken laat je weg?
  2. Hoor je van gemeenteleden terug dat de preek hen helpt bij hun weg in het geloof?
  3. Welke tijdgenoten zouden je kunnen helpen in het proces van preken voorbereiden?
  4. Hoe zou jij kunnen werken aan missionaire intelligentie? Wie zou je nodig hebben om je missionaire intelligentie sterker te ontwikkelen?
  5. Hoe kun je tijd vrij maken om aan je missionaire intelligentie te werken? Welke taken zou je dan moeten afstoten? Zou daar ruimte voor zijn binnen het takenpakket dat je als gemeentepredikant hebt?
  6. Welke vragen en thema’s van tijdgenoten zijn ook je eigen vragen en thema’s? Op welke manier komen ze in je preken voor?

Vragen voor kerkenraden en gemeenteleden

  1. Hoe is je eigen weg in het geloof? Wat ging aan het tot geloof komen vooraf? Welke aarzelingen of hobbels waren er? Of was er nooit een moment waarop je niet geloofde?
  2. Op welke manier hebben preken je geholpen bij je weg tot geloof en je weg in geloof?
  3. Welke vragen en thema’s van tijdgenoten herken je? Waar kom je die vragen en thema’s tegen? Op welke manier komen ze in de preken terecht? En als het niet gebeurt, mis je dan dat de preken die je hoort hier niet over gaan? Hoe zouden ze dan wel aan de orde kunnen komen?
  4. Op welke manier ben je doordeweeks met de preek bezig?
  5. Hoeveel tijd en ruimte mag je eigen predikant krijgen om met tijdgenoten in gesprek te zijn? Welke activiteiten mogen daarvoor worden ingeruild?

N.a.v. Kees van Ekris, Dialoog, dans en duel. Preken voor tijdgenoten (Utrecht: KokBoekencentrum, 2022) 7-47

Preek hemelvaartsdag 2022

Preek hemelvaartsdag 2022
Schriftlezing: Openbaring 1:9-20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hemelvaartsdag als feestdag hangt er maar een beetje bij.
Deze feestdag heeft niet de status van Kerst of Pasen.
Hemelvaartsdag is niet, zoals Pasen en Kerst, een feestdag waar je naartoe leeft.
Er zijn geen extra vieringen zoals met Kerst of met Pasen.
Eigenlijk is dat heel vreemd, want wat we met Hemelvaart vieren en gedenken,
komt in de Bijbel vaker voor dan Kerst en zelfs vaker dan Pasen.
Dat kan er mee te maken hebben, dat het voor ons niet altijd duidelijk is,
wat we nu vandaag met Hemelvaart met vieren, waarom we hier in de kerk zijn.
Jezus is naar de hemel gegaan, maar waarom zouden we dat vieren?
Met Kerst kunnen we vieren dat Christus naar ons toekwam,
dat Hij bereid was om de hemel te verlaten.
Met Goede Vrijdag staan we er bij stil dat het goed gekomen is met de Heere
door het sterven van onze Heere Jezus Christus
En met Pasen is de machtige boodschap dat de dood is overwonnen.
Maar dan Hemelvaartsdag…
Dat heeft eerder iets weg van een afscheid: Jezus die ons verlaat
om naar de hemel te gaan.
En al heeft Jezus beloofd bij Zijn afscheid dat we niet als wezen achter zouden blijven,
Zijn heengaan naar de hemel
kan wel het gevoel geven dat je als gelovige alleen achter blijft.

Dat gevoel dat je alleen bent achtergebleven, op een afstand van de Heere,
Kan sterk opkomen als het in je leven niet zo makkelijk verloopt,
als het tegenzit of als er zorgen zijn.
Dan kan de gedachte zijn: was Christus maar hier om mij te helpen,
om in mijn leven verandering te brengen, ik red het alleen niet.
Als Christus niet komt, dan houd ik het niet vol op deze manier.
Dat is een zorg er eigenlijk altijd is geweest:
de zorg dat je het niet volhoudt omdat Christus ver weg in de hemel is
en je Zijn nabijheid niet opmerkt.
Openbaring is geschreven voor gemeenten
die de aanwezigheid van Christus niet altijd kunnen zien
en daarom gaan twijfelen of Hij wel in hun midden is.
Johannes krijgt op een speciale manier te zien dat Christus bij die gemeenten is:
in een visioen, een soort inkijkje in de hemel, krijgt hij de hemelse Christus te zien
die tussen de kandelaren staat.
Even later wordt uitgelegd dat met die kandelaren de zeven gemeenten worden bedoeld.
De gemeenten staan er niet alleen voor. Ze zijn niet verlaten.
Want in hun midden is de hemelse Heer, die op aarde de dood overwon,
De opgestane, de levende Heer, die nu in de hemel is.
Hij is niet afwezig. Hij is niet ver weg. Maar Hij staat tussen de gemeenten,
om die gemeenten bij te staan en te sterken, zodat ze het volhouden.

Het moet voor Johannes niet makkelijk zijn geweest dat hij op Patmos is,
op een afstand van de gemeenten met wie hij verbonden was.
Op dat kleine eiland waar hij verbannen is, bewust op een afstand geplaatst,
is hij vast geregeld naar het strand gelopen om over de zee te turen,
met zorg over de gemeenten die aan de andere kant van de zee waren.
Hoe zou het die kleine gemeenten nu vergaan, nu hij hier op Patmos is
en hen niet kan aansturen en bemoedigen, kan wijzen op hoe Christus bij hen is?
Hoe zouden degenen die nu leiding aan die gemeenten het doen?
Kunnen ze trouw blijven aan Christus? Kunnen ze het volhouden?
Het zijn kleine gemeenten in een omgeving waarin het niet makkelijk is om te geloven.
In al die plaatsen staan grote tempels voor heidense goden en godinnen
of wordt de keizer van Rome als god vereerd.
Er zal druk uitgeoefend worden op de gelovigen om weer terug te keren naar die goden.
Houden ze het vol? Was er maar iemand die hen kon laten zien hoe Christus bij hen is.
Want Hemelvaart betekent dat Christus vanuit de hemel regeert.
Hij mag dan van de aarde zijn opgevaren en nu in de hemel zijn,
maar dat betekent niet dat Hij de gelovigen hier op aarde aan hun lot overlaat.
Hij zou het die gemeenten graag willen vertellen, zondag aan zondag
en doordeweeks bij hen langs gaan om hen hierin te bemoedigen.
Maar hij zit hier op Patmos.
Johannes mag dan op Patmos zijn, ver bij de gemeenten vandaan,
hij voelt zich wel met hen verbonden.
De moeiten en de zorgen die jullie doormaken om daar als gelovige te leven,
de moeilijkheden die je daar hebt om kerk te zijn, die moeilijkheden herken ik.
Die moeilijkheden die jullie doormaken, maak ik zelf ook door.
We zijn daarin één.
Maar we hebben nog iets gemeenschappelijks: het geloof dat Christus regeert.
Dat Hij naar de hemel is gegaan om de troon te bestijgen.
Hij is nog niet teruggekomen naar de aarde, maar Hij is nu al wel Koning.
Dat geloven jullie toch ook? Dat heb ik jullie steeds voorgehouden.
Ook nu jullie deze moeilijkheden doormaken, nu je geloof zo onder druk staat,
Aan je geloof gesjord wordt, moet je het niet opgeven.
De strijd om vol te houden moet ons ook samenbinden.
De boodschap dat Christus naar de hemel is gegaan is een boodschap
die gemeenten in moeilijke omstandigheden mag bemoedigen:
Onze Heer is naar de hemel gegaan om daar te regeren.
En al is Hij dan niet zichtbaar in ons midden, Hij is er wel.
Hij heeft ons niet alleen achter gelaten.

Dat is ook voor ons een boodschap van troost.
Wij hebben als kerk en als gelovige geregeld ook onze moeilijkheden en zorgen.
Al kunnen we de zorgen die wij hebben en de moeilijkheden die wij doormaken
niet vergelijken met de gemeenten waar Johannes aan schrijft.
De gelovigen van toen hadden te maken met uitsluiting en soms met vervolging.
Er was een grote druk om het geloof op te geven
En weer over te gaan naar het heidense geloof dat ze achter zich hadden gelaten.
We hebben als kerk in Nederland twee jaar coronatijd achter de rug gehad.
Twee jaar waar in met tussenpozen het kerkelijk leven ontregeld was.
Ik merk bij collega’s dat ze nog steeds ontregeld zijn
en dat ze er nauwelijks toe komen om de afgelopen twee jaren te verwerken
en energie te vinden om er weer tegen aan te gaan, om de gemeente op te bouwen.
En mogelijk hebt u ook wel uw zorgen over onze gemeente:
Komt iedereen weer terug die voor de coronatijd onze kerkdiensten bezocht
Of zijn we ondertussen gemeenteleden kwijtgeraakt, die niet meer komen?
En als we die zorgen niet hadden,
hadden we wel de zorg dat het geloof niet meer vanzelfsprekend is in ons land.
Als gemeente moet je nu eerder rekening houden
dat het in de toekomst alleen maar minder zal worden met alles:
minder kerkgangers, minder belijdeniscatechisanten, minder geld voor de kerk.
Wij kunnen hier in onze gemeente soms zoeken om alle taken te vervullen,
maar er zijn regio’s in ons land waar de kerk er echt slecht voorstaat.
Vorig jaar was er een bericht dat in bepaalde regio’s de kerken dreigen om te vallen
omdat er geen ambtsdragers gevonden kunnen worden en er nauwelijks kerkgangers zijn.
Dat kunnen verhalen van verder weg zijn,
maar dat wordt anders als je merkt in je eigen gezin
dat het geloof niet meer vanzelfsprekend overgenomen wordt,
omdat je merkt aan je kinderen dat ze met de kerk weinig hebben
en dat als ze geloven het op hun eigen manier doen.
Als je daar in je eigen gezin mee te maken krijgt, dat je je kinderen niet meer meekrijgt
en je kleinkinderen niet meer worden gedoopt,
dan moet je soms sterk staan om zelf vol te blijven houden om te geloven.
Niet dat je zelf het wilt opgeven, maar je onbevangenheid waarmee je eerst geloofde
is weg en de sterke overtuiging die je eerder had, is veranderd, je bent meer aarzelend.
Je voelt dat je meer je best moet doen en dat het meer kost om vol te houden.
En misschien weet je ook wel dat de boodschap van de hemelvaart van Christus
je zou moeten troosten, houvast zou moeten geven,
maar je mist die houvast, omdat je weet dat als je straks je familie ziet,
zij vanmorgen heel iets anders hebben gedaan.
Je kunt dan het gevoel hebben dat je in twee werelden leeft:
Je hebt aan de ene kant je geloof, de kerk – nu vanmorgen
En vanmiddag je familie waar je nog de enige bent die nog gelooft.

Johannes moet aan gemeenten schrijven voor wie het geloof niet vanzelfsprekend is
En die zelf voelen dat er maar weinig hoeft te gebeuren of het geloof glijdt van hen af.
Of omdat ze geen zin meer hebben in geloven, omdat het hen zoveel kost,
of omdat ze de moed er niet meer hebben,
moe van alle moeilijkheden die het geloof met zich meebrengt.
Johannes krijgt de opdracht om aan die gemeenten door te geven
wat hij van Christus ziet nu onze Heer in de hemel is.
En met die boodschap moet Johannes de gemeenten bemoedigen en aansporen.
Hij krijgt een verschijning te zien van de hemelse Heer.
Johannes die ook de moeilijkheden kent en daar op Patmos ook weet
Wat het is om je best te moeten doen om vol te houden, om de moed niet te verliezen
en vertrouwen te hebben in Gods leiding.
Als je binnen de kerk verantwoordelijkheid draagt, wil niet zeggen dat je altijd sterk staat,
dat je een geloof hebt dat niet door twijfels wordt geplaagd.
Als je een verantwoordelijke taak in de kerk hebt, wil niet zeggen
dat je altijd de zorgen en de moeilijkheden naast je neer kunt leggen,
dat je altijd vertrouwen kunt hebben.
Het enige waardoor je kunt volhouden, is dat je ziet hoe Christus aanwezig is.
Dat je weet dat Christus regeert, dat Hij alles in Zijn hand heeft
en vanuit de hemel alles leidt en bestuurt.
Dat al gaat het door dalen heen en al zit het tegen dat je weet: uiteindelijk komt het goed.
Johannes heeft daar een visioen voor nodig.
Het zal niet nieuw zijn wat hij in dat visioen te zien krijgt.
Maar dat visioen is wel nodig om hem een sterke bevestiging te geven:
Christus heeft de kerk niet verlaten.
Dat Christus in de hemel is, betekent niet dat de kerk op aarde zonder haar Heer is.
In dat visioen krijgt Johannes te zien hoe Christus in de kerk aanwezig is.
Dat kijken moet hij leren: leren zien, leren opmerken hoe Christus ook nu nog aanwezig is.
Dat is onze taak op hemelvaartsdag: niet omhoog turen,
omdat Christus de aarde verlaten heeft, vanuit een soort heimwee: was Hij maar hier.
Want Christus is hier. Johannes ziet de Mensenzoon die tussen de kandelaren staat.
Een indrukwekkend portret van Christus die temidden van de gemeenten staat.
Jezus is hier niet de zachtaardige Galileeër die door het land trok en de mensen genas,
maar Christus is hier de machtige Heer, met Wie niet valt te sollen.
Hij die alle macht heeft, Hij is in de kerk aanwezig – tussen de kandelaren.
Die zelfs de macht van de dood verbroken heeft. De dood heeft geen macht meer.
Er is geen enkele kwade macht, die tegen deze Heer op kan.
De dood niet, de duivel niet, geen aardse macht.
Je kunt wel denken dat er andere machten zijn, maar er is er Eén die regeert.
Je kunt wel onder de indruk raken van alle ontwikkelingen die er zijn
en je zorgen maken over de achteruitgang van de kerk,
maar vergeet dan niet dat er de kerk een Heer heeft, die naar de hemel is gegaan
en toch bij de gemeenten is gebleven en vanuit de hemel de kerk bestuurt en regeert.
Indrukwekkend moet het zijn geweest wat Johannes te zien krijgt:
Onze Heer gekleed in een lang gewaad, met een riem omgord.
Dat geeft gezag aan: de macht die Jezus heeft in de hemel, waardigheid van een heerser.
De keizer kan wel op aarde regeren, maar er is er Eén die machtiger is,
die de keizer van de troon kan stoten.
En al het andere wat Johannes te zien krijgt, bevestigt die macht en waardigheid.
Met deze hemelse Heer valt niet te spotten.
Deze Heer in de hemel, die op aarde geweest is, die zelfs in de dood is geweest,
laat niet met zich sollen en laat zich niet tegengehouden. Er is niemand machtiger dan Hij.
Als je weet, dat Hij, dat deze Heer tussen de gemeenten staat,
ook in het midden van onze gemeente, met Zijn macht en majesteit,
Dan weet je: we staan er niet alleen voor.
Wat er in mijn leven ook gebeurt, wat er ook in de gemeente gebeurt: Hij regeert.
We vieren Hemelvaartsdag om ons daarin te oefenen:
Om te zien dat Hij regeert, om te leven in dat vertrouwen,
om te volharden, de moed niet te verliezen en niet op te geven.
Ik ben de eerste en de laatste, zegt Christus tegen Johannes.
Ik was er aan het begin en zal er aan het einde zijn.
Ik was er aan het begin van de wereld en zal er aan het einde zijn,
dan kom Ik terug, om Mijn koninkrijk definitief op aarde te vestigen.
Ik was er aan het begin van de kerk en zal er aan het einde zijn.
Ik was er aan het begin van je leven en zal er aan het einde zijn.
Jullie hebben je zorgen en moeilijkheden, je leven loopt geregeld anders dan je verwachtte.
Ik ben dood geweest, maar Ik leef.
Dat is het antwoord op je moeilijkheden en je zorgen:
Die zijn er nu nog wel, maar die hebben niet meer alle macht.
Ik heb die overwonnen. Zo, als de machtige Heer ben Ik in jullie midden.
Hemelvaart betekent niet dat ik jullie verlaten heb, maar nu in jullie midden ben,
niet als de aardse Jezus die je kon zien, maar als hemelse Heer,
Die Zijn macht en waardigheid toont.
LAter, als Ik weerkom, zul je Mij weer zien.
Maar al zie je Mij niet, Ik ben er wel. Je kunt niet met Mij spotten, Ik laat niet met Mij sollen.
Ik ben de eerste en de laatste. Ik was dood, maar ik leef, nu en tot in alle eeuwigheid.
Amen