Preek zondag 6 juni 2021 avonddienst

Preek zondag 6 juni 2021 avonddienst
Voortzetting en dankzegging Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Handelingen 13:16-47

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In deze dienst danken wij de Heere voor wat we in het avondmaal mochten ontvangen.
Dankbaarheid – dat is onze reactie op de genade die weer zichtbaar werd,
die we mochten proeven in brood en wijn,
brood en wijn – tekenen van genade, die door Christus zelf werden aangereikt.
Neem dit brood en eet het
En denk eraan terug hoe Ik mijzelf voor u, voor jou liet verbreken.
Drink van de wijn
en besef dat je van binnen gereinigd kunt worden, door Mijn bloed.
Nu we weer avondmaal hebben kunnen vieren, hebben kunnen eten en drinken,
kunnen we dankbaar zijn:
dankbaar dat de Heere dit voor ons heeft over gehad.
Dankbaar de Heere weer zo dichtbij wilde komen,
door zelf de gastheer te zijn en door ons brood en wijn aan te reiken.

Dankbaarheid is wat wij als mensen de Heere teruggeven
voor wat wij in het avondmaal en in de kruisdood van Christus ontvangen hebben.
Dankbaarheid in woorden: in een dankgebed, in de liederen die we zingen,
in een stemming van dankbaarheid die er in ons hart is
en die we in de komende tijd meenemen.
Dankbaarheid blijft daar niet toe beperkt,
al is dat al heel wat dat je zingt tot Gods eer, dat je de Heere met woorden dankt
en dat je hart vol is van dankbaarheid aan de Heere,
Als je je in dankbaarheid tot de Heere richt.
Dankbaarheid laat je ook zien, in de manier waarop je leeft.
Niet voor niets staan er in de Bijbel, ook in het Nieuwe Testament, veel aansporingen
over hoe we hebben te leven.
Op die manier kunnen we in wat we doen onze dankbaarheid naar de Heere toe uiten.
Aan allen die deelnemen aan het avondmaal wordt gevraagd
om serieus voor te nemen – een ernstig voornemen te hebben –
voortaan tot eer van God en in dienst van de naaste te leven.
We loven God niet alleen met onze mond en met ons hart,
maar we loven de Heere ook met wat we doen, wat er uit onze handen komt,
Wat we zeggen tegen anderen, welke woorden we gebruiken.
Voor Paulus en Barnabas is die dankbaarheid nog verder gegaan.
Zij waren bereid om hun leven in Antiochië en Tarsis op te geven, om op reis te gaan
om overal waar ze kwamen dit goede nieuws over Christus te vertellen.
Ze hadden zelf de genade ontvangen.
Ze hebben geleerd en ervaren wat het betekent om vergeving te ontvangen
en hoe bijzonder het is om Christus te mogen leren kennen.
Het is bijzonder
als je mag weten dat door Hem het oordeel over je leven is weggedragen
En dat als je straks voor God zal verschijnen,
dat je dan mag weten dat je niet veroordeeld wordt, dat je niet verloren gaat,
maar dat Hij zal zeggen: Kom in, Mijn Zoon heeft voor je betaald,
Hij heeft Zijn leven voor jou gegeven en jouw schuld weggedaan.
Voor Barnabas en Paulus was dat een kennis om niet voor zichzelf te houden.
Ze moesten er op uit om dat ook aan anderen te vertellen,
om deze boodschap over de redding die er door Jezus is wereldkundig te maken.
Als je zelf hebt mogen ervaren dat het oordeel is weggedragen,
als je zelf hebt mogen ontdekken dat de deur naar de Heere is opengegaan,
dan gun je dat ook aan anderen.
Dat is een boodschap die je niet voor jezelf wilt houden,
maar die je ook aan anderen gunt. Anderen moeten daarover horen!
Voor Paulus is het in ieder geval een reden geweest
om met Barnabas mee te gaan en samen deze reis te ondernemen,
waar ze aangekomen zijn in Antiochië, een stad in Pisidië.
Als ze gevraagd worden om een woord van bemoediging,
dan vertellen ze hoe de geschiedenis van volk Israël uitloopt op de komst van Jezus.
Het is een boodschap die verschillende reacties oproept:
Er zijn aanwezigen die vragen of Paulus en Barnabas terug willen komen,
om nog meer te vertellen over die Christus, die gekomen is.
Er zijn er ook die deze boodschap maar bedenkelijk vinden
en protesteren als ze zien dat die boodschap op veel gehoor kan rekenen.
Paulus en Barnabas laten zich niet tegen houden.
Daarvoor heeft het evangelie te grote waarde.
Iedereen moet er over horen.
Als er dan in de synagoge ook mensen zijn die niet over Jezus willen horen,
dan zoekt Paulus een ander publiek, waar wel geluisterd zal gaan worden
naar de boodschap die hij komt brengen.
Het is namelijk zijn taak, een taak die hij van de Heere heeft gekregen.
Zo brengt Paulus zijn dankbaarheid tot uitdrukking
dat de Heere hem wilde ontmoeten op de weg naar Damaskus,
al was die ontmoeting voor hemzelf behoorlijk confronterend.
Hij werd van zijn paard gegooid en moest horen dat hij op de verkeerde weg was.
Zo kwam Christus in zijn leven.
Nu trekt hij erop uit om anderen Christus in hun leven te brengen.
Paulus verwijst naar woorden uit Jesaja,
waarin hij zijn roeping onder woorden gebracht ziet worden:
Ik heb u tot een licht voor de heidenen gesteld,
opdat u tot zaligheid zou zijn tot aan het uiterste van de aarde.
Het licht dat in zijn eigen leven scheen, dat moest ook in levens van anderen schijnen.
Dat licht moest niet alleen maar rond Jeruzalem schijnen,
waar de tempel was, waar de kruisheuvel Golgotha stond,
Waar het geopende graf te vinden was en de eerste gemeente samenkwam.
Dat licht moest verder verspreid worden, over heel de wereld,
tot in de verste uithoeken van de wereld: het licht van Christus.
Zo ziet Paulus zijn taak: hij mag het licht van Christus hier laten schijnen.
Hij wordt door zijn hemelse Heer ingeschakeld,
zodat ook in deze stad, waar er velen zijn die Christus niet kennen,
dat licht te brengen en die zaligheid die er in Christus is te vinden te brengen.
Het zal niet bij deze stad blijven.
Tot in de verste uithoeken moet dat licht schijnen.
Dat is Gods doel: er mag geen plaats zijn waar het donker blijft
en het licht niet schijnt en waar Mijn genade niet bekend is.
Het is de boodschap die Paulus drijft: God wil niet dat mensen verloren gaan.
Dat is ook de reden waarom hier avondmaal is gevierd:
God wil niet dat u, dat jij verloren gaat.
Zijn liefde wordt getoond, uitgespreid
en wij hebben er van mogen proeven, mogen eten, mogen gedenken.
We hebben mogen weer ervaren dat Hij voor ons gestorven was.
Misschien was u zich ook wel bewust van de zonden die er nog zijn
en weet jij van jezelf dat je nog geen volkomen geloof hebt
en dat je er nog meer naar kunt leven.
Toch was het avondmaal er en u mocht aangaan, het was er ook voor jou.
Die genade waar Paulus over sprak
en waarvan hij zei: Raak die nooit kwijt, vergeet die nooit!
Blijf nou voor altijd in Zijn genade leven!
Hier mag ook het licht schijnen, dat Paulus in Antiochië bracht.
Ook hier heerst geen duisternis meer
en mogen wij ook in het licht van Christus staan.
Op onze manier mogen wij dat licht van Christus ook weer aan anderen doorgeven.
Met woorden – door er over te vertellen
Met daden – door iets van Christus in je daden te laten zien.
Dat je iemand ziet staan en dat je de ander niet over het hoofd ziet,
maar aandachtig bent, belangstellend
– ook hij, zij is iemand die door God geschapen is, iemand die een ziel heeft.
In de verhalen van mensen die tot geloof komen,
is dat vaak wat terug komt: Er was iemand die aandacht had, die me zag staan.
Ik hoorde ooit het verhaal van een Willem den Hertog.
Hij begon in de jaren-’70 met het maken en verkopen van ijs.
Zijn ijs werd ook buiten Dirksland, waar hij werkte, bekend.
Nadat zijn bedrijf Hertog IJs gegroeid was, verkocht hij zijn bedrijf en ging hij evangeliseren.
Hij bezocht bijvoorbeeld gevangenissen.
Ik las een keer dat hij iemand geregeld opzocht.
Deze gevangene wilde hem echter niet binnen laten. Geen interesse.
Den Hertog kwam weer terug en klopte aan. Geen interesse.
Een volgende keer stond hij weer aan de deur. Maar de deur werd niet opengedaan.
Tien keer ging het zo door. De tiende keer deed deze man open.
Als je zo volhoudt terwijl ik je afwijs, dan moet je God wel een bijzondere God zijn.
Zo heeft het volhouden van deze evangelist de deur geopend,
niet alleen van de cel, maar ook van het hart van deze gevangene.
Zo mocht het licht in die cel schijnen en ook in het hart van deze man.
Het licht dat tot in de verste hoeken van de wereld zal schijnen.

Laat mij zijn een Godsgetuige,
sprekend van U meer en meer.
leid mij steeds door uwe liefde,
groeiend naar uw beeld, o Heer.

Amen



Preek zondag 6 juni 2021 morgendienst

Preek zondag 6 juni 2021 morgendienst
Viering Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Handelingen 13:16-47

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als Paulus en Barnabas hun woord in de synagoge hebben mogen doen
– een woord van troost en bemoediging, een woord van aansporing –
dan komen na afloop van de dienst verschillenden van die aanwezig waren naar hen toe.
Ze willen meer horen van Barnabas en Paulus.
Die troost en bemoediging, die aansporing die Paulus en Barnabas komen brengen,
heeft hen geraakt, die hebben ze nodig.
Dit zijn niet zomaar menselijke woorden, maar woorden van God die zij hebben gehoord.
Zouden ze zulke woorden maar één keer kunnen horen?
Ze laten Paulus en Barnabas niet zomaar gaan.
De beide apostelen Barnabas en Paulus, die hier gekomen zijn om over Christus te vertellen
hebben inderdaad iets voor die mensen die na afloop van de dienst naar hen toekomen.
Ze hebben voor hen een aansporing: blijf bij de genade van God.
Ze hebben vast gezien hoe de woorden die in de synagoge gesproken zijn,
iets hebben opgeroepen hebben bij de aanwezigen in de synagoge,
dat er iets met hen gebeurde, dat er een besef kwam: ook voor ons is die genade.
Waar Paulus over vertelt, die genade die er door Christus gekomen,  is ook voor ons.
Ook voor ons gaat de deur naar God open – door Christus.
En nu dan? Hoe moet dat nu verder?
Paulus en Barnabas hebben voor hen een aansporing:
Je hebt gehoord over de genade. Raak die genade niet kwijt.
Laat die genade in jullie blijven werken. Wees er actief mee bezig.
Is dat ook niet waar het avondmaal voor bedoeld is?
Om die betekenis van de genade voor onszelf levend te houden?
Om onszelf er weer van bewust te maken: dit heeft Christus voor ons gedaan.
De genade die er door Hem is, is er ook voor ons, voor mij persoonlijk.
Ook voor mij is de deur naar God door Christus open gegaan.
Als de toehoorders van Paulus en Barnabas naar hen toekomen
om te laten merken dat ze geraakt zijn en hierin verder willen,
geven ze hen deze aansporing om die genade, die ze hebben gekregen, te bewaren.
Om te voorkomen dat die genade iets gewoons wordt en je niets meer doet.
Dat die genade zo vanzelfsprekend wordt, dat je er niet meer koud of warm onder wordt.
En dan loop je het gevaar dat je die genade, dat bijzondere geschenk van God,
dat je bij Hem mag horen, dat je er een van Hem mag zijn, kwijt raakt.
Avondmaal is bedoeld om ons geloof levend te houden,
om bewust om te gaan met dat geschenk dat we aan de Heere hebben te danken.
De zondag ervoor begint de voorbereiding en in de loop van de week denk je erover na.
Ga je bij jezelf na hoe het er met je voorstaat in je leven met de Heere:
Ben ik op de goede weg? Leef ik dicht bij Hem?
Probeer ik zo te leven, zoals Hij het wil?
Je denkt alvast vooruit aan deze zondag en je gaat na hoe je hier aan tafel zit:
hoe je brood eet en wijn drinkt en hoe je weer bewust bent dat die genade er ook voor u is.
Je kunt er van tevoren al naar uitkijken, om daar bij die tafel de Heere te ontmoeten
en uit Zijn hand die tekenen van genade te ontvangen
en je weet bij jezelf: Ja Heere, in Uw genade wil ik blijven.
Ik wil niet zonder. Ik wil niet zonder U. Ik kan niet zonder Uw genade.
De aansporing die Barnabas en Paulus geven is niets anders
dan de relatie met de Heere te onderhouden, om met Hem bezig te zijn.
In avondmaal komt de genade dichtbij, omdat we er niet alleen over horen,
maar omdat we het brood proeven en de wijn drinken
en door zo te eten en te drinken de genade van Christus op ons te laten inwerken.
Je proeft daarin de goedheid van God, Zijn genade, Zijn liefde,
Zijn wens dat u van Hem bent en met Hem leeft,
Dat Hij niet meer uit uw hart weggaat en daar voor altijd blijft.
Als je die liefde hebt leren kennen, dan is het ook je eigen wens
dat de Heere in je hart blijft en dat Hij daar nooit meer uit weg gaat.
Als de Heere dan zelf bij de tafel staat
om je die tekenen aan te reiken van brood en wijn
En als je dan het brood proeft en de wijn drinkt – dan weet je weer: genade.
Genade die ik niet heb verdiend – en toch krijg.
Voor mij is Hij gestorven. Ook mijn zonden heeft Hij weggedragen.
Het is een opdracht van de Heere zelf om steeds weer opnieuw
zijn lijden en sterven te gedenken door met elkaar avondmaal te vieren,
om dat besef levend te houden dat Hij voor ons moest sterven
en ook dankbaar te vieren dat Hij wilde sterven voor ons.
Ook bij ons is het evangelie gekomen, net als bij diegenen die in Antiochië waren
en naar Paulus en Barnabas toe kwamen, omdat hun verlangen was gewekt,
omdat er bij hen iets gebeurde dat ze niet meer kwijt wilden, waarvan ze meer wilden,
omdat ze begrepen dat de Heere in hun leven kwam.
Dat we avondmaal kunnen vieren is omdat de boodschap ook hier geklonken heeft
En omdat ook uw hart voor de Heere open ging
omdat jij je getrokken voelde naar Hem toe en je kwam.
Wellicht kom je met schroom, omdat je weet dat je ook je zonden meedraagt,
omdat je beseft dat er nog zoveel is waarin je tekort schiet, zoveel dat je aanklaagt.
Misschien zou je daarom wel weg willen blijven, maar je merkt dat het niet kan,
omdat je getrokken wordt, door de Heere zelf.
Je komt omdat je Hem niet kwijt wil, je komt omdat je meer en meer wilt weten,
omdat je je leven met Hem wilt verdiepen.
Omdat je weet dat de Heere je opgedragen heeft Zijn lijden en sterven te gedenken,
zodat je weet dat je in je leven daar in je vastigheid hebt – vastigheid in de Heere.
Vanmorgen mogen we Hem ontmoeten bij de tafel waar de Heere gastheer is,
waar Hij ons nodigt om brood en wijn van Hem te ontvangen,
om gesterkt te worden met deze tekenen in ons geloof
en wij met Hem in ons hart weer verder gaan, blijvend in die genade,
totdat we eens bij Hem mogen aankomen in Zijn heerlijkheid waar Hij nu al is.
Terwijl wij onderweg zijn om eens aan te komen,
ziet de Heere vanuit de hemel ons en geeft Hij ons dit op die weg om vol te houden,
en mogen en kunnen we Hem hier toch al ontmoeten, onze Heere
die ons die genade wil geven.
Gods goedheid die ons terecht brengt, die ons thuis brengt bij Hem.  Amen

Observaties nav “Gereformeerden op zoek naar God” (prof. dr. C. Graafland)

Observaties nav “Gereformeerden op zoek naar God” (prof. dr. C. Graafland)

1) Secularisatie is een thema dat Graafland persoonlijk bezig houdt. Hij heeft twee fronten: degenen die de secularisatie wel best vinden en degenen die denken dat de secularisatie hen wel voorbij gaat.

2) Graaflands boek is een vroege missionaire bezinning binnen de gereformeerde gezindte. Hij waarschuwt de gereformeerde gezindte dat er ook daar allerlei tekenen van secularisatie zijn. Zijn boek is geschreven met een gevoel van urgentie.


3) Gesprekspartner is vooral dr. H. Berkhof. Graafland is getriggerd door Berkhof. Hij wil Berkhof serieus nemen maar neemt Berkhof ook kwalijk dat hij met zijn theologie de secularisatie in de hand heeft gewerkt.

4) Graaflands boek is ook een wens om gehoord te worden in het geheel van de kerk. De traditioneel-gereformeerden worden niet betrokken in het denken over de Godsverduistering. Terwijl zij best een en ander te zeggen hebben.

5) Graafland wil laten zien dat de gereformeerde spiritualiteit in een Godsverduistering van waarde kan zijn. Hij moet de waarde wel verdedigen, omdat deze spiritualiteit bekritiseerd wordt. (Het is de tijd van “Hulpeloos maar schuldig” van Aleid Schilder).


6) Graafland constateert bij Berkhof een ambivalentie. Zelf is hij ook ambivalent. Zijn boek is een zoektocht terwijl hij de antwoorden ook biedt. De zoektocht krijgt niet altijd kans omdat hij zich genoodzaakt ziet de gereformeerde spiritualiteit te verdedigen.

7) Graaflands boek is vooral conceptueel: het begrijpen van of lijden aan secularisatie. Gereformeerde spiritualiteit wordt vooral inhoudelijk (dogmatisch) weergegeven. De vormen ontbreken.

8) Graaflands boek is voor nu vooral inzichtgevend in zijn wens mee te spreken met Berkhof cs en in zijn waarschuwing richting gereformeerde gezindte.

9) Graaflands boek was voor nu ook actueel geweest als hij de thematiek van de Godsverduistering had gebruikt om op zoek te gaan binnen de gereformeerde traditie om zo die traditie in deze tijd te ontsluiten. Daarnaast zou het mooi geweest als Graafland had uitgewerkt welke vormen in de tijd van Godsverduistering om als gemeenschap te overleven.

10) Wie zou vandaag nog een “Gereformeerden op zoek naar God” schrijven? Zou wie zo’n zoektocht begint nu nog terugvallen op de gereformeerde traditie? Zou wie de gereformeerde traditie (enigszins) kent zich genoodzaakt voelen om zo als Graafland te zoeken?

Preek zondag 30 mei 2021

Preek zondag 30 mei 2021
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Handelingen 13:13-43

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als Paulus aankomt in Antiochië, die stad in Pisidië,
en op de sabbat naar de synagoge gaat, wordt hij gevraagd om een bemoedigend woord.
Daar spreekt vertrouwen in Paulus uit:
Deze nieuwkomer, die net de stad is binnengekomen,
zou wel eens een woord van God kunnen hebben voor ons,
een woord van God dat ons raakt en bemoedigt, ons sterkt in het geloof.

Zo bent u vanmorgen misschien ook wel naar de kerk gekomen
of hebt u deze dienst aangezet, in de hoop dat er voor u ook een bemoedigend woord bij zit.
Dat u iets hoort, dat u echt raakt en bemoedigt, waardoor u gesterkt wordt in het geloof.
Misschien zeg jij ook wel: Ik kan zo’n bemoediging goed gebruiken,
want het is voor mij best een pittige tijd geweest
en het zou fijn zijn als ik weer nieuwe moed krijg om door te gaan.

De oude StatenVertaling heeft het over een woord van vertroosting.
Ze hebben dan vast gedacht aan de profeet Jesaja, die tegen het volk Israël zei:
Troost, troost, mijn volk, spreek naar het hart van Jeruzalem.
Paulus mag hier als de profeet Jesaja de aanwezigen in de synagoge toespreken
en de aanwezigen zullen zijn woorden als woorden van troost horen.
Woorden die woorden van God blijken te zijn en daarom een enorme troost hebben.

Dat laat al zien dat het woord al op verschillende manieren vertaald kan worden:
woorden van bemoediging, woorden van vertroosting.
Er zijn ook andere vertalingen mogelijk: woorden van aansporing, woorden van vermaning.
Paulus kan hier gevraagd worden om woorden die bemoedigend en vertroostend zijn,
Maar het kan ook zijn dat de leiders van de synagoge Paulus vragen om een aansporing:
Beste Paulus, we leven hier niet in Israël, maar in heidense omgeving
en we kunnen heel makkelijk afdwalen en een leven leiden waar God op de achtergrond is,
Paulus, help ons, zeg ons iets, waardoor we weer opgescherpt worden
om God te zoeken en Hem de eerste plaats in ons leven te hebben.
We dreigen God uit het oog te verliezen, maar hebben dat niet door.
Paulus, zeg iets waardoor we weer wakker schrikken en beseffen: Het moet anders.
Het moet weer een levend geloof zijn en niet dat ingedutte geloof dat we nu hebben.
Of misschien is er nog meer nodig,
omdat het op dit moment niet goed gaat in jouw relatie met de Heere.
Er is een waarschuwing nodig, een vermaning,
Want als het zo doorgaat, ben je echt de Heere kwijt.
Je moet je echt omkeren, want je bent op de verkeerde weg.

Bemoediging, vertroosting, aansporing, vermaning
– allemaal mogelijke vertalingen van dat ene woord.
Al die verschillende betekenissen – bemoediging, vertroosting, aansporing, vermaning
hebben iets gemeenschappelijks:
Het gaat om de relatie met Christus.
Om die relatie met de Heer niet kwijt te raken en meer en meer in Hem te groeien
heeft iedereen van ons weer iets anders nodig.
De een heeft een bemoediging nodig, de ander een aansporing.
Je kunt troost nodig hebben of juist een vermaning.
In een week van voorbereiding op het heilig avondmaal worden wij allemaal gevraagd
om na te denken over onze relatie met Christus.
Hoe zit het met u eigenlijk? En hoe zit het bij jou? En bij mij?
Ben jij nog wel op de weg van Christus?
Een tijdje geleden heb je belijdenis gedaan, met enthousiasme en overtuiging,
maar als je nu bij jezelf nagaat, ben je dat nu kwijt en is het nodig
dat je weer die liefde van toen hebt, dat enthousiasme voor de Heere.
En u? U hebt al die keren gehoord over de genade die er door Christus is
en nog steeds aarzelt u om die stap te zetten naar het avondmaal,
omdat u vindt dat die stap niet zomaar gemaakt kan worden.
Het kan zijn dat u op iets wacht, voor u ook eens zo ver bent om aan te gaan.
Hebt u dan nooit gehoord en gemerkt, dat Christus ook u riep aan de tafel
om van Hem de tekenen van Zijn genade te ontvangen,
brood en wijn die heenwijzen naar het offer dat Hij op Golgotha ook voor u bracht?
Maar die zonde, die ik steeds weer doe, daar kan ik toch niet zomaar over heen stappen?
Die zonden klagen mij toch aan en houden mij toch tegen om aan te gaan?
Als het niet goed zit in je leven, wordt je toch vermaand om niet aan te gaan?
Die zonden die genoemd worden als een reden om niet aan te gaan,
daarvan moet ik toch eerlijk zeggen dat ik daarmee te maken heb.
Dan moet ik toch wel wegblijven van de tafel van de Heere?
Die heeft Hij toch alleen voor de gelovigen bedoeld?
Het avondmaalsformulier gaat echter verder met een aansporing:
Met je zonden moet je niet wegblijven, want dan blijft Christus op een afstand staan.
Het is de bedoeling dat als je over je zelf nadenkt en nagaat hoe het ervoor staat
en je merkt dat er heel wat is dat je aanklaagt, dat je daarmee naar Christus gaat:
Heere, hier ben ik, met mijn zonden en tekorten. Het klaagt mij aan.
Maar ik moet bij U zijn, want alleen U kunt mij ervan bevrijden, mij verlossen.
Ik kom met schroom. Trek mij zelf naar U toe, want ik kan het niet uit mijzelf.

Als Paulus om een bemoedigend woord gevraagd woord, een woord van troost,
haalt hij wat delen uit de geschiedenis van het volk van Israël naar voren.
De delen waar Paulus over spreekt zijn nou niet de delen waar het volk trots op kan zijn.
Hij vertelt over de uittocht uit Egypte en de reis door de woestijn.
Die uittocht uit Egypte was bijzonder: bevrijding uit de slavernij.
Ze hoefden niet meer hard te werken als slaaf voor de farao,
maar mochten vrij zijn en God dienen in die vrijheid.
Toen mocht het volk weggaan uit Egypte en kwamen ze in de woestijn.
Daar ging het mis.
Paulus zegt: De Heere heeft hun doen en laten verdragen.
Het volk wilde niet, wilde niet op Gods weg
En er was zelfs een moment waarop God zei: Mozes, Ik ga alleen met jou verder
en Ik laat het volk hier achter bij de Sinaï. Ik kan niet meer met hen verder gaan.
En toch kwam het volk aan in het beloofde land,
maar niet omdat het volk zo trouw was aan de Heere.
Het volk vroeg om een koning. En die eerste koning moest vervangen worden
door een koning die wel een man naar Gods hart was.
Een rode draad door de geschiedenis van Israël:
Eerst gaat het goed, omdat de Heere Zijn zorg liet zien en hen hielp en uitredde,
maar toen het allemaal weer gewoon was, ging het volk toch bij de Heere vandaan.
Ze hadden Hem niet meer nodig. Ze konden het zonder Hem wel af
Paulus haalt juist deze negatieve kanten naar voren
om aan te geven dat het steeds mis ging.
Het was niet zomaar, dat Johannes de Doper kwam
en dat deze Johannes tegen het volk zei: Je moet je bekeren.
Je moet op de weg die je nu gaat je omkeren, want deze weg gaat bij God vandaan.

Dat is nog niet echt een woord van bemoediging of van troost, of wel?
De mensen die onder Paulus’ gehoor gezeten hebben,
hebben vast gedacht: en wij dan? Zitten wij ook op die verkeerde weg?
Wil je nu tegen ons zeggen dat wij ons moeten omkeren?
Hebben ook wij die bekering nodig, die Johannes verkondigde?
Waar is dan het bemoedigend woord waar Paulus om gevraagd is?
Nou, dat heeft Paulus ook: God heeft een belofte gedaan. God stuurt een Redder.
Heel de geschiedenis van Israël loopt uit op deze Redder.
In het avondmaal van volgende week staat diezelfde Redder centraal.
Christus die gekomen is.
Bij het avondmaal gaat het erom dat we die belofte geloven
dat ook onze zonden vergeven kunnen worden, omdat deze Redder gekomen is.
Doordat Christus gekomen is, is er die redding mogelijk.
In de komende week gaat het er dus ook om dat u daar over nadenkt:
Geldt dat ook voor mij? Ja, u mag dat ook geloven
en als u dat gelooft, dan wordt die vergeving u geschonken.
Als u dan in uzelf een stem hoort: “Ja maar dat gaat zomaar niet.”
Dan kunt u zeggen: Inderdaad, dat gaat zomaar niet, maar dat is omdat Christus stierf.
Omdat Hij als redder gekomen is en mij dat nieuwe leven kan geven.
Dat nieuwe leven wordt mij gegeven.
Het enige dat ik er voor heb hoeven doen is dat geloven te aanvaarden.
Dankbaar dit geschenk te aanvaarden: Heere, ik heb het niet verdiend,
maar U geeft het aan mij.
Paulus zegt het tegen zijn gehoor in de synagoge:
Door deze Jezus waarover ik jullie kom vertellen, kunnen jullie vergeving krijgen.
De zonden die je gedaan hebt, worden je vergeven.
Je kunt je leven naast de wet van God leggen, de wet die Mozes ontving,
en dan besef je: Ik heb nog zoveel tekort in mijn leven, ik voldoe niet aan Gods norm.
Die wet laat je niet gaan.
Maar Christus laat je wel gaan. Hij zegt: Kom bij mij met je zonden en tekorten
en Ik neem ze van je af. Ik bevrijd je ervan en Ik geef je vergeving.
Kun je dat geloven?
Als je in de komende week nadenkt over hoe je leven met de Heere op dit moment is,
hoe het er voorstaat, kun je dan ook geloven, dat er voor jou vergeving is
en dat je bij de tafel de tekenen van Christus mag ontvangen,
die je laten ervaren dat Christus voor jou gestorven is:
Het brood dat je eet, is gebroken, zoals Christus aan het kruis gebroken is
en de wijn wijst naar het bloed van Christus, dat ook jou kan reinigen van je zonden.
Om deze boodschap te kunnen vertellen is Paulus naar Antiochië gekomen.
Hij is uitgezonden om deze boodschap over Christus uit te dragen,
ook aan de mensen, zoals hier in Antiochië, die nog niet over Christus hebben gehoord.
Die nog niet weten dat ook zij een nieuw leven kunnen en mogen beginnen.
Dat ook zij de vergeving mogen ontvangen die er door Christus is.
Wat heb je nog meer nodig dan deze woorden van bemoediging, van troost.
Dit is troost, dit is een bemoediging waar je wat aan hebt,
Waardoor je je gesterkt mag worden:
Die vergeving van zonden is er ook voor mij. Die genade mag ook ik aannemen.

Deze woorden van troost en bemoediging sluit Paulus toch af met een vermaning:
Wees nou anders dan al jullie voorouders, die hun weg bij God vandaan gingen,
die God niet nodig hadden en niet luisterden.
De Heere geeft Zijn genade, Hij heeft dit aanbod voor je.
Hij heeft Zijn Zoon gezonden. De Heere heeft dat niet voor niets gedaan.

Heer’, door goedheid aangedreven,
Zijt Gij mild in ’t schuldvergeven.
Wie U aanroept in den nood,
Vindt Uw gunst oneindig groot.

Heere, hier zijn we. We hebben U, we hebben Uw vergeving nodig.
Roep ons om te komen tot U en Uw vergeving en Uw genade te ontvangen.
Amen

Godsverduistering: de schuld van de modernen en de spiegel voor traditioneel-gereformeerden

Godsverduistering: de schuld van de modernen en de spiegel voor traditioneel-gereformeerden
Dr. C. Graafland, Gereformeerden op zoek naar God – 1

In de jaren-’80 schreef dr. H. Berkhof over Godsverduistering. Daarmee bracht hij een discussie op gang over kerkverlating en de rol van God daarin. In 1990 schrijft prof. dr. C. Graafland zijn bijdrage aan de discussie: Gereformeerden op zoek naar God. Voor zijn gevoel is de discussie al bijna voorbij en wordt alleen nog naar de praktische uitwerking gekeken. Toch wil hij zich alsnog mengen in het debat. Graafland heeft daarvoor enkele redenen:

(1) In de discussie over Godsverduistering is er niet gekeken naar traditioneel-gereformeerden, als zou daar de problematiek niet spelen.

(2) Zijn ervaring is dat de problematiek van secularisatie wel degelijk onder traditioneel-gereformeerden speelt. Misschien nog niet openlijk, maar wel als een vorm van innerlijke secularisatie die op termijn zal uitlopen op daadwerkelijke kerkverlating.

(3) Graafland is van mening dat de gereformeerde traditie kan helpen in het zoeken van een weg in deze moeilijke tijd. Hij beseft dat de gereformeerde traditie geen pasklaar antwoord heeft. Die gereformeerde traditie heeft echter wel geestelijke bronnen, waar tot nog toe nog niet uit geput is.

De schuld van de moderne theologie en ook van Berkhof zelf?
Berkhof is de eerste die over Godsverduistering begon. Met de term die Berkhof aan Martin Buber ontleende wil hij nadenken over kerkverlating.

dr. H. Berkhof

Berkhof is volgens Graafland een aanjager. De beschrijving van Berkhof roept echter verzet op binnen de kerken. Graafland is van mening dat Berkhof een terecht punt heeft en betreurt dat de discussie niet echt op gang gekomen is. In de term Godsverduistering klinkt ook door dat de mens het is die God verduisterd heeft. Graafland, die sympathie heeft voor Berkhof, heeft hem dan ook gevraagd of hij hierin ook zijn eigen schuld erkent. In de moderne theologie, waar Berkhof zelf ook aan bijgedragen heeft, zijn aspecten van God niet benoemd. Berkhof wil eerst nog wel zijn aandeel erkennen, maar benadrukt later dat de kerk machteloos is in dit proces en wijst verantwoordelijkheid dan ook af.

God wordt niet gemist
Godsverduistering is radicaler dan de God-is-dood-theologie, volgens Berkhof. In de God-is-dood-theologie is de God van de godsbeelden dood. In de Godsverduistering is God zelf van het toneel verdwenen. God is geen werkelijkheid meer. God is weg en wordt ook niet gemist. Berkhof ziet die afwezigheid van God, waarbij Gods afwezigheid niet eens gemist wordt, op allerlei terreinen een rol gaan spelen: In de politiek is er sprake van deconfessionalisering. Zo heeft de PvdA het ideaal van de kerstening van het volksleven opgegeven. In de wetenschap en de ethiek is God niet meer nodig. Dit proces van Godsverduistering is niet in de maatschappij begonnen, maar in de kerk. Miskotte constateerde in 1964 al dat de christelijke gemeente vol nihilisten-in-spé zat.

Graafland zelf heeft de zuigkracht van de secularisatie ervaren in zijn tijd in Amsterdam. Hij hoorde er ook andere collega’s over. Die collega’s leken zich niet druk te maken over de kerkverlating binnen eigen gezin, terwijl ze wel een gemeente dienden. Secularisatie kon zelfs positief geduid worden: er zijn heel wat (anonieme) christenen buiten de kerk.

prof. dr. C. Graafland

Het lege testament
Voor de kinderen die de kerk verlieten was de kerkverlating niet aangrijpend. Ze hadden in hun geloofsopvoeding alleen maar lege vormen overgedragen gekregen (Piet van der Ploeg, Het lege testament, 1985). Er was geen omgang met God. Graafland is van mening dat dit ‘lege testament’ niet alleen voorkomt in de GKN, maar ook binnen de hervormd-gereformeerde stroming zich aan het aftekenen is. In Veenendaal, waar Graafland predikant geweest is, is al een terugloop in de tweede dienst te zien. Dat houdt in dat ook Bonders niet meer het hele leven beheerst zien door hun geloofsbeleving. Op papier zijn ze nog Bonder, maar in de praktijk treedt er al innerlijke secularisatie op en raakt het onderscheid met de wereld weg.

Reformatorisch onderwijs geen oplossing
De verontrusting over verwereldlijking en vervlakking wordt binnen de gereformeerde gezindte gevoeld. Men is daarom reformatorisch onderwijs gestart. Volgens Graafland is dit niet echt een oplossing, omdat het godsdienstonderwijs op een bedroevende manier gegeven wordt. Met het godsdienstonderwijs op die reformatorische scholen slaagt men er niet in het leven te reformeren. Binnen dat godsdienstonderwijs wordt vooral de oude waarheid overgeleverd en zijn de leraren niet in staat om een verbinding met het heden te leggen.

Hervormd-gereformeerde prediking als (mogelijke) oorzaak
Ook de prediking binnen de Gereformeerde Bond kan niet meer aan het zelfonderzoek ontkomen en dient zichzelf de vraag te stellen of het ook niet meewerkt aan de Godsverduistering. Inhoudelijk is de prediking wellicht gereformeerd, maar de prediking raakt niet meer het alledaagse leven en helpt de hoorders niet meer een gereformeerd leven te leiden. De inhoud is bekend. Net als de termen die in de preek gebruikt worden. Dat geeft echter een verkeerde geruststelling, want ondanks de geijkte termen wordt God niet ervaren en niet ontmoet. ‘Juist door zo’n prediking komt het, dat ook zoveel gereformeerden niet ondanks, maar dankzij hun gereformeerdheid, God niet kennen.’ (36) Het verschil met de modernen is dat God hier wel gemist wordt. Ook hier worden compromissen gesloten, waardoor er een verwereldlijking optreedt.

Noodzaak van een zoektocht naar God
Daarom moet er een zoektocht worden gestart om de levende God te ervaren en te ontmoeten. Graafland beseft dat velen in zijn eigen kring de ernst hiervan nog niet inzien. Een enkeling begrijpt de noodzaak. De jonge generatie predikanten betreedt echter onkritisch  ‘de platgetreden paden van een uitgedroogde traditie’ (36) De prediking zelf is echter een probleem. De verlegenheid moet worden gevoeld, waardoor die verlegenheid de noodzaak wordt om op zoek te gaan naar God zelf. Zoals Berkhof de aanjager was van de modernen, wil Graafland de aanjager zijn van de hervormd-gereformeerden: Hervormd-gereformeerden moeten op zoek gaan naar de levende God. Dat deze verlegenheid en zoektocht niet gelijk de oplossing beseft Graafland maar al te goed.

n.a.v. Dr. C. Graafland – Gereformeerden op zoek naar God. Godsverduistering in het licht van de gereformeerde spiritualiteit (1990) 7-37.

Preek Tweede Pinksterdag 2021

Preek Tweede Pinksterdag 2021
Psalm 118

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het moet een bijzonder gebeuren zijn geweest, destijds in de tempel,
als het volk Israël uit alle delen van het land is samengekomen
om in de tempel God de eer te brengen.
Al die mensen bij elkaar, duizenden en duizenden mensen.
Ze hebben een reis ondernomen om tijdens dit feest in Jeruzalem aanwezig te zijn,
om hier in Jeruzalem God te ontmoeten tijdens dit feest.
De hele stad is in een feeststemming en alle pelgrims die zijn aangekomen in de stad
worden door die feeststemming aangestoken.
Een feest voor de Allerhoogste, voor de Heere die hun God is.
Een van die feesten die in Jeruzalem gevierd kunnen worden, is het Wekenfeest,
Een feest waarbij de Israëlieten uit alle delen van het land kwamen
om de Heere de eerste opbrengsten van de oogst aan te bieden,
een offer voor de Heere, om Hem te danken voor al die zegeningen.
Het eerste van de oogst is niet voor henzelf, maar wordt bij de Heere gebracht.
Later kreeg dit feest ook een andere betekenis:
Niet alleen een oogstfeest, een feest om de Heere te danken voor de eerste vruchten,
een feest om te danken voor het verbond dat Hij met hen gesloten had.
Ze trokken dan naar Jeruzalem om dat verbond te gedenken,
om het weer voor te nemen, net zoals Jozua: Ik en mijn huis, wij zullen de Heere dienen.
Ze kwamen niet alleen met het eerste graan en de eerste olijven en vijgen
om die aan de Heere aan te bieden,
maar zij waren nu zelf de vruchten en boden zichzelf aan.

Dit is de dag, de roem der dagen,
Dien Isrels God geheiligd heeft.

Laat ons verheugd, van zorg ontslagen,
Hem roemen, die ons blijdschap geeft.
Och Heer’, geef thans Uw zegeningen;
Och Heer’, geef heil op dezen dag;
Och, dat men op deez’ eerstelingen
Een rijken oogst van voorspoed zag.

Ze zijn bij elkaar gekomen in Jeruzalem, omdat daar de tempel is.
Daar in de tempel kunnen ze voor God verschijnen.
Toen ze nog thuis waren, hebben ze met heimwee gedacht aan dat moment in de tempel:

Mijn ziel verlangt, ja, bezwijkt zelfs van verlangen naar de voorhoven van de HEERE;
mijn hart en mijn lichaam roepen het uit tot de levende God
.

Nu is dat moment aangebroken dat ze voor God mogen komen,
dat ze Hem hier in de tempel mogen ontmoeten.
En dan met z’n allen, heel het volk, zoals het aanwezig is, hier in de tempel.

Van Psalm 118 wordt wel gezegd, dat we daaraan kunnen achterhalen
hoe het feest in de tempel werd gevierd.
Alle mensen hebben zich rond de tempel op de voorhoven verzameld.
Vol spanning en vol vreugde hebben ze naar dit moment uitgekeken.
De viering gaat beginnen.
De hogepriester komt het tempelplein op, feestelijk gekleed.
Hij keert zich naar het volk dat daar is samengekomen
en als een welkom voor allen die samen gekomen zijn, zingt hij het hen toe:

Looft de Heere, want Hij is goed.

Het priesterkoor dat achter de hogepriester is opgesteld en het volk dat voor hem staat
antwoorden op deze inzet:

Ja, Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

Een imponerend gezang, waarin je meegenomen wordt op de toonhoogte van Gods lof.
Al die duizenden en duizenden die samengekomen zijn, antwoorden de hogepriester
als hun eigen belijdenis:

Ja, Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
Dan richt de hogepriester zich op het volk dat voor hem samen gekomen is,
al die pelgrims die hier naartoe zijn afgereisd om de Heere te ontmoeten en te loven:

Laat Israël toch zeggen: Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

En al die duizenden pelgrims die samen gekomen zijn, beamen het met vreugde:

Ja, Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

Het is waar wat zij zingen: ze hebben zelf Zijn trouw mogen ervaren
en ze weten dat Gods trouw voor altijd duurt, voor altijd geborgen in Zijn liefde en trouw.
Dan draait de hogepriester zich om naar het koor achter hem,
de priesters die hier dagelijks mogen zijn,
hun taak hebben bij het brengen van de offers.
Voor hen zijn de festiviteiten in de tempel bekend.
Ze hebben in de afgelopen tijd de liederen als koor ingestudeerd
en het is voor hen een grote eer om hun bijdrage aan dit feest voor de Heere te geven,
om het volk voor te gaan in de lof op God,
de pelgrims te ondersteunen bij het brengen van de offers.
Het is belangrijk dat zij zelf ook geloven in wat ze doen, er persoonlijk bij betrokken zijn,
het niet alleen maar plichtmatig doen, maar met hart en ziel zich geven.
De hogepriester zingt het hen toe:

Laat het huis van Aäron toch zeggen:
Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid
.

De priesters die daar staan, weten wat hun te doen staat. Hier hebben ze op geoefend.
Met vreugde beantwoorden ze de oproep van de hogepriester:

Ja, Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

Elke dag als wij hier in de tempel bezig zijn in de dienst van de Heere
beseffen wij hoe bevoorrecht wij zijn dat wij de Heere mogen kennen
en dat wij als priesters in Zijn dienst mogen staan.
Een voorrecht om jullie, pelgrims, voor te mogen gaan in de dienst van de Heere.
Als het volk dat samengekomen is nu nog niet in de feeststemming is,
dan worden ze in het lied dat de priesters zingen ter ere van God wel meegenomen.
Zo, in het loven van de Heere, wordt hun geloof vernieuwd, het verbond herbevestigd:
U bent onze God en wij mogen Uw volk zijn.

Niet iedereen die hier in Jeruzalem aanwezig is, komt uit Israël.
Er zijn ook mensen hier aangekomen die van nog verder komen,
van buiten de grenzen van Israël, die over de Heere hebben gehoord
En die niets anders willen dan bij deze God te horen.
Hun eigen goden willen ze niet meer – goden die niet bestaan.
Ze hebben ontdekt dat er maar één God is, de enige, ware God
En die willen zij dienen.
Om Hem ook te eren zijn ze in de afgelopen weken naar Jeruzalem afgereisd.
Zij staan wat verder weg van de Israëlieten, in het voorhof van de heidenen.
De hogepriester richt zich nu op hen en betrekt hen in de festiviteiten.
Hij betrekt ook hen in de lof op de Heere. Ook zij mogen de Heere loven.
Zij zijn het die hier in de psalm genoemd worden als degenen die de HEERE vrezen.
Zij hebben in dat land buiten Israël ontzag voor de Heere gekregen,
hebben Hem lief gekregen en willen ook bij Hem horen.
De hogepriester zingt het hen toe:

Jullie die de Heere vrezen, zeg ons na:
Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid
.

Zij die van ver gekomen zijn en door de Heere naar Hem toe geroepen zijn,
ze beamen het. Ze hebben het zelf mogen ervaren. Het is waar:

Ja! Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

Dan komt er ruimte voor de persoonlijke ervaringen.
Ieder die hier aanwezig is, heeft de trouw, de goedertierenheid van de Heere
zelf in hun eigen leven mogen ervaren en ze kunnen ervan getuigen:

Uit de benauwdheid heb ik tot de HEERE geroepen,
de HEERE heeft mij verhoord en in de ruimte gezet
.

Als je hier bij de Heere bent, weet je dat je veilig bent.
Hier mag ik weer weten dat God voor mij zal strijden.

De HEERE is bij mij, ik ben niet bevreesd.
Wat kan een mens mij doen?

Hier in de nabijheid van de Heere, waar we oog in oog met Hem mogen staan,
waar we voor Hem gekomen zijn, kan ons geloof weer worden vernieuwd.
Hij is onze God en wij mogen Zijn volk zijn. Waarom zou je het nog ergens anders zoeken?
Hier in Gods aanwezigheid zegt iedereen het weer tegen elkaar,
om je jezelf eraan te herinneren als je weer thuis bent:

Het is beter tot de HEERE de toevlucht te nemen
dan op de mensen te vertrouwen.
Het is beter tot de HEERE de toevlucht te nemen
dan op edelen te vertrouwen.

Die ervaring dat de Heere er is, is er niet alleen maar daar bij de tempel,
Zijn heiligdom, het aardse huis van de Heere, waar de troon op aarde staat.
In de oorlogsdreiging was de Heere er.
Zijn leven stond op het spel en hij kon zich maar ternauwernood redden
En de redding is niet door zijn eigen kracht gekomen, maar de Heere liet hem ontkomen.
Hier in de tempel wordt de Heere uitbundig gedankt
dat hij het leven weer terug mocht krijgen, dat hij mocht ontkomen,
dat zijn leven niet eindigde, maar dat de Heere hem nog tijd gaf.
Hier in de tempel wordt de dank gebracht,
omdat we het leven aan de Heere te danken hebben:
De eerste vruchten van de oogst worden gebracht.
De dank voor de redding wordt uitbundig bezongen.

Ja, Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

Er is vreugde in Jeruzalem – vreugde omdat de Heere er is,
omdat de Heere onze God wil zijn en Hij dat laat merken:

De rechterhand van de HEERE doet krachtige daden.
Steeds zullen we hierover vertellen, aan iedereen die het wil horen.

Ik zal niet sterven maar leven, en ik zal de werken van de HEERE vertellen.


Als je voor Gods aangezicht komt, als je bij de Allerhoogste komt,
kun je alleen maar eerlijk zijn.
Je kunt je niet mooier voordoen dan je bent:

De HEERE heeft mij wel zwaar gestraft.

Er kunnen redenen zijn waarom de Heere ingrijpt.
De Heere kan laten merken dat je zonder Hem leeft,
om je te laten merken dat je het zonder Hem niet redt.
Maar dat was niet het einde. Ondanks alles hield de Heere mij vast.

Ja, Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. Zelfs voor mij.

Maar nu mag ik weer bij de Heere komen en gaan de poorten van Zijn huis open,
ook voor mij. Ook ik mag hier komen, op weg naar de Heere, Hem ontmoeten.

Zo kwamen op die Pinksterdag de volgelingen van Jezus bij elkaar in de tempel.
Een feestdag omdat het verbond met God weer zou worden vernieuwd.
Wij mogen uw volk zijn, omdat U onze God wil zijn.
Maar er was wel wat gebeurt: Christus was gedood aan het kruis.
De bouwers hadden de hoeksteen verworpen
– Petrus zegt: Jullie hebben Jezus aan het kruis gebracht.
Maar God heeft ingegrepen:

De steen die de bouwers verworpen hadden,
is tot een hoeksteen geworden.

Nu is het opnieuw een feestdag. Nu wordt inderdaad het verbond met God vernieuwd.
Deze dag is een dag van genade, een dag waarop jullie kunnen terugkeren tot de Heere.
Jullie zijn nu zelf de vruchten, de eerstelingen van de oogst.

Och, dat men op deez’ eerstelingen
Een rijken oogst van voorspoed zag.

Dit is de dag die de HEERE gemaakt heeft,

laten wij op deze dag ons verheugen en verblijd zijn.

De hogepriester mag het feest afsluiten.
Hij herhaalt waar hij mee begon:

Looft de Heere, want Hij is goed.

En iedereen die aanwezig is op het tempelplein:
De pelgrims uit Israël, de priesters, de heidenen die de Heere hebben leren kennen,
laten nog een keer hun vreugde horen: 

Ja, Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

De eerste gemeente had het met Petrus en al die anderen die gingen geloven
ook kunnen uitzingen:

Looft de Heere, want Hij is goed.
Ja, Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

En wij, zoveel eeuwen later mogen door de Geest ook zingen van Gods goedheid en trouw:

Looft de Heere, want Hij is goed.   
Ja, Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid

Amen

Preek Eerste Pinksterdag 2021

Preek Eerste Pinksterdag 2021
Handelingen 2:1-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hebt u de Heilige Geest ontvangen?
Kun jij dat van jezelf zeggen: Ik heb ook de Heilige Geest gekregen?
Dat is wel wat er op die Pinksterdag in Jeruzalem gebeurt:
Iedereen die daar aanwezig is krijgt de Heilige Geest. Niemand uitgezonderd.
Iedereen die daar aanwezig is, hoort het geluid van die stevige windvlaag.
En iedereen die daar aanwezig is, krijgt zo’n vuurvlam boven zich. Niemand uitgezonderd.
De 11 apostelen die erbij waren toen Jezus naar de hemel ging, krijgen de Heilige Geest.
En alle andere aanwezigen krijgen net zo goed de Heilige Geest.
De vrouwen die er zijn, de moeder van Jezus en zijn broers,
Matthias, die als apostel in de plaats van Judas is gekomen, krijgt de Heilige Geest.
De Geest slaat niemand over.
Als er kinderen in het huis zouden zijn, waren ze niet overgeslagen,
omdat ze te jong zouden zijn om de Heilige Geest te ontvangen.
Als er ouderen waren, zou de Heilige Geest niet aan hen voorbij gaan.
Ze zijn niet te oud om de Heilige Geest te ontvangen.
Het zijn niet alleen de leerlingen van Jezus, die steeds bij Hem waren,
die alleen de Heilige Geest ontvangen
en die toch straks voorop gaan om over hun Heer te gaan vertellen,
ook als er iemand was, die wat op de achtergrond was
en in die dagen maar weinig gezegd en alleen maar mee gebeden heeft
en mee uitgekeken heeft naar de komst van de Heilige Geest wordt niet overgeslagen.
Petrus zegt het even later: Daaraan kun je merken dat hier de Geest wordt uitgestort,
omdat iedereen hier de Heilige Geest krijgt: op alle mensen,
op de kinderen en de ouderen, op de vooraanstaanden en op degenen die minder in tel zijn.
Zo heeft de profeet Joël het aangekondigd en zo ziet Petrus het ook gebeuren.
Als hij om zich heen kijkt, ziet hij niemand die door de Geest is overgeslagen.
Daar in dat huis, waar ze bij elkaar zijn, vallen alle verschillen weg.

Zou dat ook bij ons kunnen gebeuren dat we allemaal de Heilige Geest ontvangen,
of dat we allemaal de Heilige Geest hebben ontvangen?
Zou het zo kunnen zijn dat de Heilige Geest over u is gekomen?
En dat jij de Heilige Geest in jezelf mag merken?
Of is dat alleen beperkt tot die ene dag in Jeruzalem waar deze groep bij elkaar was?
Rondom de tempel waren er ook allerlei mensen, die wel in Jeruzalem waren of woonden,
die wel merkten dat er iets gebeurde bij die groep van Jezus’ volgelingen.
Zij hoorden het wel, maar ze hadden er op dat moment nog geen deel aan.
Misschien bent u eerder geneigd om uzelf bij die groep in te delen:
bij de Parthen en de Meden, de Elamieten.
En zegt u bij uzelf: Ik weet niet of ik de Heilige Geest wel heb.
Ik ga er eigenlijk vanuit dat ik de Geest niet heb ontvangen. Ik zou het wel willen.
En misschien lijk jij wel op die mensen die erbij zijn, de Kretenzen en de Arabieren:
Zij horen over God vertellen, maar hebben nog niet helder wat dat met hen te maken heeft.
Je hoort over God vertellen, over al het bijzondere dat God doet
en je vraagt je bij jezelf af: Geldt dat ook voor mij? Kan dat ook met mij gebeuren,
dat ik de Heilige Geest ontvang? Wanneer dan en wat merk ik daarvan?
Degenen die het zien gebeuren raken in verlegenheid.
Ze kijken elkaar aan: Wat is dit? Wat gebeurt hier?
Er wordt hier over God verteld en we begrijpen het in onze eigen taal.
Als er hier in Jeruzalem iets tegen ons gezegd wordt,
moeten we goed luisteren vaak nog een keer vragen wat er gezegd wordt,
omdat we de taal die hier gesproken wordt niet begrijpen.
Als we bij de tempel staan, zien we wel wat er gebeurt,
indrukwekkend om zo’n dienst in de tempel te mee te maken,
maar we begrijpen het niet helemaal, omdat het niet onze eigen taal is.
Als het niet in je eigen taal wordt gezegd, blijf je er toch een beetje buiten staan.
Dat heb je al als je op de markt de handelaar niet goed begrijpt
of als je door de soldaten wordt aangesproken en je je best moet doen
om te begrijpen wat ze bedoelen
als je hier in de stad aan het dwalen bent en je vraagt de weg,
maar de uitleg van hoe je moet lopen gaat aan je voorbij, omdat je niet hoort wat ze zeggen
omdat het een andere taal is, een taal die jij niet kent.
Normaal gaat het meeste langs ons heen als er over God wordt gesproken,
omdat we niet begrijpen wat er gezegd wordt,
maar nu horen we over Hem vertellen in onze eigen taal.
Nu kunnen we zelf in onze eigen taal horen wie God voor ons is.
Nu begrijpen we dat God Israël heeft bevrijd uit Egypte
en hier in het land gebracht heeft.
We hebben er altijd wel flarden van opgevangen,
maar we konden er geen compleet verhaal van maken, omdat we de taal niet begrepen.
Nu we horen over God in onze eigen moedertaal, in de taal van ons hart,
nu doet het nog veel meer met ons.
Bepaalde zinnen uit een andere taal kunnen wij nog wel begrijpen:
Ich liebe dich; I love you; je t’aime.
Maar als er gezegd wordt:
ašer hèchezakticha mikzōt ha’aretz
ume’azĭlèyah qerâticha
– dan zal het vast iets moois zijn, maar het gaat langs je heen omdat je er niets van begrijpt.
Maar als je het dan in je eigen taal hoort:
jou heb ik weggehaald van de einden der aarde,
die ik van haar verste uithoeken terugriep – dan weet je dat God ook jou kan terughalen,
hoe ver je ook van Hem verwijderd bent
en dat je net als al die mensen met een andere achtergrond die daar in Jeruzalem zijn,
mogen horen dat die bijzondere daden die God heeft verricht ook voor hen gelden.
Die mensen die afkomstig zijn over heel de wereld en nu in Jeruzalem zijn,
ze staan er nu nog buiten, maar ze horen over God en dat is al het begin.
Want ook zij kunnen de Heilige Geest krijgen, zegt Petrus na zijn toespraak,
als zij geloven, als zij zich omkeren en de naam van Christus aanroepen.
Als het dan voor die mensen geldt op het tempelplein, die over God horen
en die door die boodschap geraakt zijn en bij Jezus willen gaan horen,
zou het dan ook niet voor u, voor jou, voor mij kunnen gelden,
dat de Heilige Geest gegeven wordt?
We vieren toch niet alleen Pinksterfeest, omdat eeuwen terug de Geest werd uitgestort,
maar omdat we geloven dat ook wij de Heilige Geest kunnen ontvangen
en dat ook vandaag niemand wordt uitgezonderd, niemand over overgeslagen
en dat de Heilige Geest ook nu de Geest over ons allemaal komt,
net als op die pinksterdag in Jeruzalem.
Ook vandaag de dag is de Heilige Geest niet alleen maar bedoeld voor een predikant,
voor een ouderling, voor iemand die in de kerk vooraanstaat.
Ook als jouw familie nooit zoveel met de kerk heeft gehad,
of als je overal waar je was nooit echt opviel en maar wat achteraan zat,
zal de Heilige Geest niet aan je voorbij gaan, omdat je hier niet door mensen wordt gezien.
Voor Lukas, die over die dag in de tempel vertelt waarop de Geest kwam,
is het een teken dat het laatste van de dagen is begonnen
en dat laatste der dagen betekent voor Lukas allereerst dat het hele volk God terugvindt,
dat iedereen die er is door de Geest wordt geraakt
en dat het hart van iedereen open gaat en dat God daarin komt wonen.
Een vernieuwing in het volk omdat bij iedereen God in het hart komt wonen.
Het begint bij die eerste volgelingen van Jezus die bij elkaar waren om te bidden
en het gaat verder met al die mensen in Jeruzalem die bij elkaar zijn,
niet alleen maar Joden, mensen die tot dan toe bij Gods volk behoren,
maar ook mensen die in Jeruzalem zijn en van oorsprong niet tot dat volk behoren.
Een heel rijtje volkeren worden er opgenoemd: Parthen en Meden, Elamieten,
inwoners van Mesopotamië, Judea, Cappadocië, Pontus en Asia, Egypte en Libië
– over alle continenten die er zijn, zijn ze aanwezig bij de tempel
en horen over God en krijgen later te horen dat ook zij bij God mogen horen.
Ook diegenen die veraf wonen, zullen worden geroepen door de Heere.
Ook de Nederlanders, ook de Oldebroekers.
Dat wij er niet bij genoemd worden bij al die volkeren die er in de tempel zijn,
betekent niet dat het voor ons niet is weggelegd.
Ook nog steeds gaat de Geest door, die door Christus vanuit de hemel wordt gestuurd.
Hoe je dat dan merkt? Hoe jij kunt weten of je de Geest al hebt?
Dat merk je nu niet door het geluid van een windvlaag die door je huis gaat.
En ook niet doordat er boven je een vlam komt, zo’n tong als van vuur.
En ook niet doordat je met de buren die uit Eritrea, uit Polen of Somalië
opeens in hun eigen taal over de bijzondere daden van God kunt spreken,
waarbij ze je begrijpen omdat ze in hun eigen taal worden aangesproken.
En als de Geest bij jou, bij u aankomt, wil dat wellicht niet zeggen
dat de buren zich gaan afvragen of jij nu op dit vroege uur al dronken bent.
Hoe merk jij zelf, hoe kunnen anderen merken dat je wel vol bent, maar dan van de Geest?
Door geloof.
Als je merkt dat Christus aan je hart klopt en dat je open doet,
misschien verrast bent omdat Christus jou ook opzoekt, terwijl je daar niet op rekende,
en dat Hij vraagt of Hij bij jou in je hart mag komen en je laat Hem binnen
en je merkt dat het je goed doet, dat je daar blij van wordt
en dat je dit niet meer kwijt wil, dat je Christus niet meer uit je hart wilt hebben.
De grote daden van God, maar dan in je eigen leven,
voor je gevoel misschien helemaal niet zo groots,
misschien niet echt de moeite waard om aan anderen te vertellen,
je zou niet goed weten wat je er over moet vertellen,
of hoe je dat onder woorden moet brengen
maar je weet dat Hij in je hart is – al heb je ook momenten dat je daar aan twijfelt,
maar dat zijn dan momenten waarop je niet gelukkig bent,
omdat er dan een gemis in je hart is, want je hebt daar Christus niet.
Daaraan merk je dat je de Heilige Geest in je werkt:
dat de momenten waarop je Christus kwijt bent, minder worden
en dat je meer over Hem leert en meer en meer van Christus wilt zijn,
Dat je er naar zoekt om tot Zijn eer te leven.
In normale omstandigheden zou er vandaag een belijdenisdienst geweest zijn.
Er is vandaag geen belijdenisdienst,
omdat de belijdeniscatechisatie nog maar pas geleden is opgestart.
Met een belijdenisdienst hadden we dan enkele gemeenteleden die belijdenis deden,
je hoorde hun het ja-woord uitspreken, omdat ze met Christus verder wilden gaan,
je zag dat ze knielden, om aan te geven dat hun verdere leven van Hem was,
dat ze zich aan Christus wilden toewijden: heel hun hart, heel hun leven.
Er was de mogelijkheid dat een van hen zou vertellen waarom ze belijdenis hebben gedaan.
In de afgelopen jaren zijn er, die hun verhaal hebben verteld.
In zo’n dienst, waarin je zag en hoorde hoe zij hun geloof gingen belijden,
dacht je misschien ook terug aan het moment dat je zelf belijdenis deed.
Het kan zijn dat je dat destijds vooral deed omdat het hoorde,
als afsluiting van je catechisatie, of omdat het van je verwacht werd.
En later is het pas meer voor je gaan leven, pas later toen je wat verder was,
is er een verdieping van je geloof die er nog niet was ten tijde van je belijdenis.
Of je deed dat juist heel bewust, echt je eigen keuze.
Je hebt veel geleerd van de tijd van de belijdeniscatechisatie:
van alle gesprekken met elkaar, je leefde in die tijd echt naar die avonden toe.
Het kan ook best zijn, dat je dat intensief met anderen optrekken
en spreken over de Heere nu mist, omdat je weinig samen kan komen.
Je zou wel weer wat van die tijd terug willen hebben,
omdat je, toen je er zo mee bezig was zo dicht bij de Heere leefde.
Wat ik toen had, die vreugde en het ermee bezig zijn, de verwachting, is toch wat weg.
Ik heb de Heilige Geest weer nodig om dat weer terug te krijgen.
Als er belijdenis gedaan wordt, dan wordt het zichtbaar dat de Geest werkt.
Dan weet je het weer: de Geest werkt nog steeds.
Het kan zijn dat je geen belijdenis hebt gedaan. Dat was niet gewoon bij jullie in de familie.
Je ouders hebben geen belijdenis gedaan. Zou jij het dan wel doen?
Of je voelt jezelf nog te jong.
Moet je dan niet een bepaalde leeftijd hebben om belijdenis te doen?
Wanneer zou ik dat kunnen doen: belijdenis van het geloof afleggen.
Wanneer is voor mij het moment gekomen om belijdenis te doen?
En zal ik het doen, ook als dat bij ons in de familie niet de gewoonte was?
Belijdenis kun je gaan doen, als je niet meer zonder Christus kunt,
als je merkt dat Hij naar je toe gekomen is en in jouw hart wil komen
en dat jij dat ook wilt.
Dan is de Heilige Geest in je aan het werk.
Dan kun je zeggen: de Heilige Geest die door Christus uit de hemel werd gestuurd,
is ook in mij gekomen. Ook ik mag worden vernieuwd.
Ook mijn relatie met de Heere is vernieuwd, door de Heilige Geest.
Ik ben er nog niet, het is nog maar pas begonnen.
Maar ik wil niet anders. Ik wil dat de Heere in mijn hart komt en dat het zo blijft.
Dat Hij nooit meer weggaat en dat ik voor altijd, voor de rest van mijn leven van Hem ben.
Zij komen van alle kant – zingt Psalm 68. Ik hoor erbij.
Ik kom met het geschenk van mijn hart, van mijn leven.
Mijn leven, mijn hart – het is voortaan van U. U bent mijn Koning, mijn Heer.
Ook voor mij is het Pinksteren geworden. De Geest heeft mij niet overgeslagen.
Hij is ook voor mij gekomen.
Amen

Een genereuze God die van Zijn schepping geniet

Een genereuze God die van Zijn schepping geniet
Richard J. Mouw over Algemene genade

Over de manier waarop Abraham Kuyper zijn avondgebed deed bestaat een anekdote: Hij zou elke avond naar het crucifix dat boven zijn bed hing kijken en daarna zeggen: “Ik heb vandaag weer te weinig gedaan om te delen in Uw lijden.” De bekende evangelical Richard Mouw, kenner van het werk van Kuyper, betwijfelt de waarheidsgetrouwheid van deze anekdote. Hij kan zich niet voorstellen dat Kuyper alleen oog heeft voor zijn eigen tekorten. Volgens Mouw zal Kuyper juist verteld hebben van al het mooie dat er die dag was. Dat hij die dag naar het museum was geweest bijvoorbeeld en daar genoten had van de geschilderde landschappen. Hij zou dan God gedankt hebben voor een wereld waarin kunst mogelijk is, die mensen laat genieten. Hij zou God gedankt hebben voor het diner dat hij met zijn gezin genoten had.

Abraham Kuyper

De anekdote over Kuyper is voor Mouw kenmerkend voor het ongemak dat er onder christenen is als het om genieten gaat. Genieten heeft al gauw iets leegs en botst vaak met de ellende die er is. Mouw vertelt van een predikant die hij sprak. Die predikant had een dag met verschillende belevenissen gehad: ‘s Morgens had hij een kraambezoek afgelegd. Daarna bezocht hij een jonge weduwe die haar man verloren had door kanker. Nadat hij later een overleg had met de kerkenraad over het financiële tekort van de gemeente, schoof hij aan bij een jeugdgroep om met hen pizza te eten. Later die avond keek hij met zijn vrouw een actiefilm. Mouw merkte dat de predikant eerder de moeite op God betrok dan het plezier dat hij beleefde.


Richard J. Mouw

Dat moeite en zorg eerder op God betrokken worden dan vreugde en plezier merkte Mouw ook op tijdens een theologische bijeenkomst, waarbij na een serieuze lezing in de pauze de sportuitslagen werden besproken. Mouw merkte dat het voor de andere aanwezigen twee verschillende werelden waren. Hijzelf zou die beide werelden willen betrekken op die ene God die er is: de God die bewogen is met de lijdenden in deze wereld is ook de God die deze wereld geschapen heeft waarin we kunnen genieten in het museum en in het voetbalstadion.



Om Gods compassie met de lijdenden en Gods genieten van deze wereld te kunnen combineren grijpt Mouw terug op de neocalvinistische gedachte van algemene genade. De gedachte van algemene genade gaat terug op Kuyper en Bavinck. De algemene genade is niet de genade die mensen verlost van de zonde en redt van de verlorenheid. Dat is de bijzondere genade. Algemene genade is Gods zorg en compassie voor alle mensen, zowel de gelovigen als niet-gelovigen. Ook niet-gelovigen kunnen van Gods bescherming ontvangen. Ook niet-gelovigen kunnen door God worden gezegend. Ook niet-gelovigen kunnen van God talenten en gaven hebben gekregen. Ook zij kunnen door God gezegend zijn met een goed karakter. Dat wil niet zeggen dat de breuk die er door de zonde en het ongeloof gekomen is, te verwaarlozen is. Neocalvinisten hebben in navolging van Kuyper en Bavinck altijd gezegd dat er een antithese is: een scherpe scheiding tussen gelovigen en ongelovigen. Mouw wil die antithese ook handhaven: hoe je ook een kunstwerk, een sportprestatie of een idee van een andersgelovige kunt waarderen, toch kan het betekenen dat je als gelovige op bepaalde momenten aangeeft dat je bepaalde uitgangspunten niet kunt delen. Voor Mouw staat echter voorop dat God ook geniet van wat niet-gelovigen of andersgelovigen voortbrengen. Mouw beseft dat er een bepaalde spanning is tussen de generositeit van God en de antithese. Voor hem hoort die spanning bij Gods zorg voor zowel gelovigen als niet-gelovigen.

Niet iedereen in de neocalvinistische traditie deelt de royale houding van Kuyper, Bavinck en Mouw. Mensen als Herman Hoeksema, Klaas Schilder, Corneluis van Til stelden dat die antithese tussen geloof en ongeloof zo scherp is, dat je als gelovige niet kunt genieten van wat niet-gelovigen tot stand brengen.

Klaas Schilder


Als gelovige kun je alleen genieten van kunstwerken, ideeën en prestaties van gelovigen. Zij bestreden de gedachte van de algemene genade, omdat in hun ogen de zonde wordt gelegitimeerd en wereldgelijkvormigheid wordt goedgepraat. Mouw waardeert hun werk, omdat zij aan het belang van de antithese blijven herinneren. Zelf gaat hij ervan uit dat God ook kan genieten van de prestaties van andersgelovigen. Mouw heeft zelf ontdekt dat de gedachte van algemene genade orthodoxe christenen helpt om in de maatschappij, de cultuur en de kunst te participeren zonder die wereld en de wereld van het geloof te moeten zien als twee gescheiden werelden. Sindsdien draagt hij de gedachte van de algemene genade gepassioneerd uit. Als de genereuze God van deze wereld geniet, kun je er als christen ook van genieten.

N.a.v. Richard Mouw, All That God Cares About. Common Grace and Divine Light (Grand Rapids: Brazos Press, 2020).

In gewijzigde vorm verschenen in het Friesch Dagblad

Preek hemelvaart 2021

Preek hemelvaart 2021

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het lijkt er op dat we met Hemelvaart het boek van Jezus op aarde afsluiten.
Vanaf het moment dat Christus naar de hemel ging, lijkt er een nieuw hoofdstuk te zijn:
Jezus is niet meer bij ons op aarde.
Wij kunnen Hem niet meer zien, zoals de discipelen Hem zagen,
tot het moment dat Hij voor hun ogen werd opgenomen in de hemel.
Ze hebben afscheid van Hem moeten nemen en nu moeten zij en wij verder,
terwijl onze Heer in de hemel is en niet meer op aarde bij ons.

Maar is dat echt zo? Is het boek van Jezus’ aanwezigheid op aarde afgesloten
en hebben we nu een nieuw hoofdstuk waarbij Jezus alleen nog maar in de hemel is?
In de eerste regel van zijn nieuwe boek wil Lukas dat misverstand uit de weg ruimen.
Lukas schrijft zijn tweede boek Handelingen net als zijn eerste boek voor Theofilus
– en die naam betekent: Vriend van God,
iemand die als vriend van God nauw met de Heere verbonden is en van Hem houdt.
Lukas schrijft nu aan het begin van zijn tweede boek voor Theofilus, deze vriend van God:
Beste Theofilus, mocht je bij het lezen van mijn eerste boek,
het evangelie van Jezus dat ik voor je schreef,
de indruk hebben gekregen dat aan het einde van het boek Jezus afscheid neemt
en de discipelen nu op aarde verder moeten zonder hun Heer,
dan wil ik dat gelijk recht zetten.
Jezus is toen wel begonnen met Zijn werk:
Hij heeft wonderen gedaan en onderwijs gegeven, vertelt over het Koninkrijk van God,
mensen geroepen tot bekering, hen opgezocht, met name hen die afgedwaald waren
en met hen gegeten om te laten merken dat zij weer met God mogen leven,
Zijn weg is naar Jeruzalem gegaan, waar Hij gestorven is en ook weer is opgestaan.
Maar mijn beste Theofilus, vriend van God, daarmee is het werk van onze Heer niet klaar.
Het is niet afgelopen toen Hij naar de hemel terugging
en in het tweede boek dat ik nu voor je schrijf, wil ik laten zien hoe Christus verder gaat
met Zijn werk hier op aarde.
Dat boek is niet afgesloten, al is Jezus niet meer bij ons.
Het is dezelfde Heer die toen rondwandelde, vertelde, genas, opriep tot bekering,
die nu vanuit de hemel zorgt dat Zijn werk hier op aarde verder gaat.

Wij zijn gewend dit tweede boek van Lukas de naam Handelingen te geven,
vanuit de gedachte dat nu de apostelen aan de beurt zijn om iets te doen.
In het eerste boek van Lukas gaat het dan om het leven, om de handelingen van Jezus
en nu in boek II gaat het dan om Zijn leerlingen die uitgezonden worden
om over Hem en in Zijn naam te handelen.
We kunnen dit boek wel Handelingen noemen – De praktijken, daden,
maar voor Lukas gaat het dan wel om de daden van Christus in de hemel.
De handelingen, de daden, de praktijken van Christus in de hemel zijn niet afgelopen.
Nog steeds gaan die handelingen van Christus vanuit de hemel door.
Ook wij hebben, al leven we na Zijn hemelvaart, te maken met Zijn daden, Zijn handelingen.
In onze eigen tijd, in onze eigen gemeente, in ons eigen leven merken wij Zijn praktijken.
Als er al iets nieuw is na Hemelvaart, is dat nu het evangelie over de grenzen gaat,
dat het werk van Christus niet meer beperkt blijft tot Jeruzalem, Judea en Galilea,
en dat het steeds verder komt en zo ook hier in onze omgeving gekomen is
en nog steeds over de wereld gaat.
Christus, onze Heer die naar de hemel is gegaan, nadat Zijn werk op aarde klaar was,
Christus onze Heer werkt wel door de apostelen heen.
In die zin klopt de naam van Lukas’ tweede boek: Handelingen van de heilige apostelen.
Het is dan wel Christus die door hen heen handelt.
Zo handelt Christus nog steeds: door je ouders die over Hem verteld hebben,
door een leerkracht op school die je liet zien hoe jij kunt geloven,
door een vriend die je meenam en bij Christus bracht.
Dat werk is toen in Galilea begonnen, waar Jezus de synagogen langs ging en vertelde.
En als Jezus uit de dood is opgestaan, gaat Hij verder met dat werk.
Dat werk is toen begonnen. Met dat werk is Hij niet gestopt.
Met hemelvaart wordt dus niet een boek afgesloten. Juist niet: Christus gaat door.
Hemelvaart is dan ook geen afscheidsfeest,
waarbij Jezus Zijn leerlingen en ons verlaten heeft.

Met dat tweede boek dat Lukas schrijft, over Christus’ werk door Zijn apostelen heen,
wil Lukas laten zien: En nu dan? We hebben kruis en opstanding achter de rug.
Jezus is in de dood geweest, heeft gehangen aan een kruis, en is weer opgestaan.
Wat werkt dat eigenlijk uit? Hoe gaan we merken dát Jezus is gestorven en opgestaan?
Hoe werkt dat door  in onze eigen tijd, in onze eigen gemeente, in ons eigen leven
dat Jezus is gestorven en opgestaan?

Lukas gebruikt daarvoor twee begrippen:
het Koninkrijk van God en de belofte van de Vader.
Over dat koninkrijk van God komt Jezus steeds vertellen nadat Hij is opgestaan.
Veertig dagen lang komt Hij steeds bij hen om hen duidelijk te maken
hoe het werk van God nu verder gaat nu Hij is opgestaan uit de dood.
Er stond een kruis op Golgotha, waar de macht van de zonde is verbroken,
waar het oordeel is weggedragen – een nieuw begin.
Steeds kwam Jezus laten zien dat Hij leeft, dat Hij teruggekeerd is uit de dood,
dat er een nieuwe tijd begonnen is door Hem. 
Elke keer als Jezus over dat koninkrijk van God begon, is er een verlangen gegroeid,
want als Jezus hen opdraagt om te wachten op de belofte van de Vader
vragen ze vol verwachting af: Gaat dat nu gebeuren? Komt dat koninkrijk er nu?
Is dit nu het moment dat iedereen God gaat dienen en met de Heere gaat leven?
Is dit het moment dat heel Israël tot bekering komt en de weg terugvindt naar God?
Wat zal dat een bijzonder moment zijn om mee te mogen maken:
Om te zien dat je familie, de buren, de mensen uit je straat open gaan staan voor God.
En niet alleen in je eigen buurt, maar door heel het land heen.
Dat het besef er komt: wij kunnen niet zonder God.
Het leven zonder de Heere is een verloren leven. We moeten Hem weer zoeken.
Bijzonder als je daar getuige van mag zijn: de terugkeer tot God
van al diegenen die God zijn kwijtgeraakt en hun eigen weg hebben bewandeld,
en zo door het leven hebben gedwaald.
Wat is er nodig dat zij die weg weer terugvinden?
Wat is er nodig om hun hart open te laten gaan voor de Heere,
waardoor ze gaan inzien dat ze op de verkeerde weg zijn
en het nodig hebben dat ze omkeren van hun weg en weer terugkeren naar de Heere?
Dat zal de Heilige Geest doen
en als Jezus spreekt over de belofte van de Vader bedoelt Hij het geschenk van de Geest,
die over iedereen in het volk zal komen, waardoor ze gaan beseffen:
We moeten naar God terug! We zijn op de verkeerde weg! We moeten omkeren!
Wanneer zal dat moment er zijn dat God deze belofte, die door de profeten is aangekondigd,
gaat vervullen en het hele volk in vuur en vlam voor God zal staan.
Dat de Heere door iedereen geprezen wordt en door iedereen als Koning erkend wordt?
Jezus zegt: Daar gaat alleen de Vader zelf over. Dat is niet aan jullie.
Voor jullie heb ik een taak: Wachten tot God Zijn belofte geeft
En de Heilige Geest over iedereen zal laten komen.
Dat is dus de eerste taak die de leerlingen hebben nadat Jezus naar de hemel is gegaan.
Dat is de manier waarop zij, de leerlingen van Jezus die naar de hemel is gegaan,
bezig kunnen zijn met het koninkrijk van God: Wachten op God.
Nu is wachten op God niet dat je stil moet zitten, met de armen over elkaar.
Zoals je niet moet wachten op je bekering tot God eindelijk je roept,
maar zelf ook actief op zoek moet gaan naar de Heere
is wachten op God ook niet alles maar op z’n beloop laten.
Als Christus naar de hemel is gegaan, blijven de leerlingen bij elkaar
om met elkaar te bidden – eensgezind, schrijft Lukas en ze blijven volhouden.
Ze geven het bidden niet zomaar op:
Ze zijn een hechte gemeenschap, één in Christus en één in gebed.
Ze moeten blijven wachten in Jeruzalem: de plek waar Jezus gekruisigd is
en waar Hij zich heeft laten zien als de levende, de opgestane Heer.
Jeruzalem – de plek van de tempel, de woonplaats van God op aarde.
Jeruzalem met de tempel en de stad met de heuvel Golgotha ernaast
– dat is de plek waar ze moeten wachten op God, tot Hij Zijn Geest gegeven heeft.
Als ze bij elkaar zijn, zullen ze steeds de daden van Jezus hebben gememoreerd,
hebben gesproken over de verhalen en gelijkenissen die Hij vertelde,
Zijn onderwijs in herinnering geroepen, met elkaar gesproken over het Koninkrijk van God.
Zo werkt Jezus nu al door hen heen, terwijl Hij er niet meer is.
Ze zullen Jezus’ woorden en daden niet alleen onder elkaar vertellen,
binnen hun eigen groep over de woorden en daden van Jezus spreken,
maar ook aan degenen die nooit bij de volgelingen van Jezus hebben gevoegd
en ze zullen erop uit trekken naar gebieden waar niemand over Jezus heeft gehoord.
Zo zullen ze de woorden en de daden van Jezus over de wereld brengen.
zo zal Jezus vanuit de hemel door hen heen werken.
Zo zal Jezus Zijn koninkrijk op aarde uitbreiden: Van Jeruzalem naar Judea
En vandaar over heel de wereld. Zo kwam het evangelie ook hier bij ons.

Toen zat het werk van Jezus op aarde erop, zou je denken.
De discipelen weten genoeg en krijgen binnenkort de Heilige Geest
en kunnen zij aan de slag als getuige, om over de wereld te trekken.
Het boek van Jezus op aarde is uit en nu een ander boek:
Jezus in de hemel en de discipelen op aarde zetten Zijn werk op aarde voort.
Ja, Jezus gaat wel van hen weg en de discipelen kunnen Hem deze keer niet volgen.
Ze blijven op aarde achter. Ze kijken omhoog naar de plek waar Jezus verdwenen is.
Ze moeten Hem laten gaan.
Maar al gaat Jezus van hen weg, Hij verlaat hen niet.
Hij zal nu in hen zijn en door hen heen werken:
de handelingen van Jezus door de apostelen heen, de praktijken, de daden van Christus,
de Heer in de hemel die door hen werkt, door u heen, door jou heen, door mij heen
en door zoveel anderen heen.
Voor Lukas is de overgang ook niet zo groot:
Gelijk nadat Jezus de opdracht gegeven heeft om getuige te zijn,
wordt Hij opgenomen in de hemel.
Het is voor Lukas één vloeiende beweging. Het hoort bij elkaar, onlosmakelijk.
Wij kunnen getuigen zijn, omdat Jezus naar de hemel is gegaan.
Om als wij getuigen zijn, zet Jezus Zijn werk op aarde voort door ons heen.
De hemelvaart is hier sober beschreven: Jezus die opgenomen wordt in de hemel
En door een wolk van hen gescheiden wordt, zodat ze Hem niet meer kunnen zien.
Lukas beschrijft haast meer wat er met de leerlingen gebeurt,
hoe ze kijken en zien hoe Jezus uit hun zicht verdwijnt en ze maar blijven kijken,
wachtend of ze nog iets van Jezus zullen vernemen.
Het naar de hemel gaan van Jezus gebeurt haast geruisloos:
Geen indrukwekkende triomftocht met legers engelen die Hem komen halen.
Geen wagens met vurige paarden die Jezus komen ophalen
om Hem naar de hemel te vervoeren.
Een paar mannen, die getuige zijn, de enkele leerlingen die Jezus nu heeft.
Jezus wordt opgenomen in een wolk.
Die wolk is Gods aanwezigheid op aarde.
Als de tabernakel is opgebouwd komt er een wolk, die rust op de tabernakel,
zodat Mozes er niet naar binnen kan gaan.
Zo vult Gods aanwezigheid de tabernakel.
Als Salomo de tempel gebouwd heeft, komt er een wolk die de tempel vult,
Waardoor de priesters niet meer in de tempel kunnen werken.
Zo is God aanwezig in de tempel.
Als Jezus op de berg is en Zijn gedaante een hemelse gedaante wordt,
komt God in de aanwezigheid van een wolk en omsluit iedereen die er is.
Als Jezus in de wolk wordt opgenomen, betekent dat Hij door God zelf wordt opgehaald.
Niet dat Zijn werk op aarde klaar is; Jezus zal op een andere manier nu op aarde werken.
Zoals God werkt, zal Jezus nu gaan werken: vanuit de hemel en vaak door mensen heen.
Dat Jezus werkt, kun je merken doordat Zijn leerlingen bij elkaar komen om te bidden
En door blijven gaan met bidden, volharden in het bidden,
totdat God Zijn belofte vervult en de Heilige Geest uitstort.
Dat Jezus werkt vanuit de hemel, merk je doordat er over Hem gesproken wordt.
Doordat Zijn leerlingen vertellen over wat Hij heeft gedaan.
Wat Jezus in de hemel doet, vertelt Lukas hier niet. Wel op andere plaatsen.
Daar vertelt Lukas dat Jezus aan de rechterhand van God zit:
samen met God regeert Christus als koning.
En dan komen er twee mannen – je zou denken dat het engelen zijn:
Ze zeggen: Jezus blijft niet voorgoed in de hemel.
Er komt een dag waarop Hij terugkomt.
Vanaf het moment dat Jezus naar de hemel is gegaan,
tot de dag waarop Hij terugkomt, handelt Hij hier op aarde.
Heeft Hij hier Zijn praktijken en zijn Zijn daden te merken.

De dichteres Inge Lievaart verwoordt dat op een mooie manier:

TERWIJL HIJ HEN ZEGENDE

Al heeft een wolk
zich tussen het geheim
van zijn verhoogde heerlijkheid
en onze blik geschoven

al kan geen oog
het priesterlijk gebaar
waarmee hij van ons ging
nog langer zien


Hij blijft de zegenende
onveranderd

totdat Hij komt
wentelt de aarde onder
zijn geheven handen.
Amen

Preek zondag 25 april 2021

Preek zondag 25 april 2021
Bediening Heilige Doop
1 Petrus 1:1-12

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vol van God en Zijn goedheid is Petrus,
zo vol van God dat Petrus de Heere looft: Geprezen zij God.
Vanmorgen nu we deze doopdienst hebben,
hebben we ook alle redenen om God te loven:
Hij heeft jullie een kind gegeven.
Bijzonder om een kind te mogen ontvangen, een geschenk uit Gods hand.
De Heere vertrouwde jullie zoon aan jullie toe.
Een zegen van onze hemelse Vader, die jullie dit kind gaf.

Vandaag mag jullie zoon het teken van Gods verbond ontvangen:
nog een reden om God te prijzen om Zijn goedheid.
God belooft aan jullie en aan jullie kind dat Hij als Vader voor hem zal zorgen.
Christus zegt tegen hem: Ik ben ook voor jouw zonden aan het kruis gegaan.
Kom naar mij toe met je zonden en je fouten. Ik zal ze vergeven,
Want Ik heb ook voor jou Mijn leven aan het kruis gegeven, voor jou de straf gedragen.
De Heilige Geest zegt vanmorgen: Ik zal in je leven werken,
zodat je over Christus hoort, zodat ook voor jou er de mogelijkheid is om te gaan geloven.
God belooft om dit kind niet los te laten, maar om je kind te volgen,
Hem te leiden in zijn leven, hem uit te nodigen en op te roepen om in Hem te geloven.

Dat God dat belooft en dat de Heere zo bezig is met je zoon en ook met ons,
dat is alleen maar genade. Dat is niet iets dat wij verdienen.
Jullie zoon niet, jullie niet, wij allemaal niet.
We hebben allemaal in ons leven een start in de zonde
en uit onszelf zouden wij niet op zoek gaan naar God in ons leven.
Daarom is het zo bijzonder dat de Heere deze belofte geeft.
Zo heeft de Heere jullie opgezocht in jullie leven
en in jullie het verlangen gewekt om met Hem te leven.
Zo zal de Heere ook in het leven van jullie zoon komen
en ons gebed is dat hij ook dat verlangen krijgt en zijn hart openstelt voor de Heere.

Geprezen zij God – deze lofprijzing aan het begin van de brief is een teken
dat er in het leven van Petrus en ook van degenen aan wie hij schrijft
een verandering is gekomen: ze hebben de Heere leren kennen.
Het hart van Petrus is voor de Heere open gegaan
en ook van de gemeenteleden aan wie Petrus schrijft.
Ze hebben de Heere leren kennen en daardoor zijn ze in staat te loven.
Er is een verband: Als je de Heere kunt loven, dan is je leven veranderd.
En als je de Heere leert kennen, dan ga je Hem loven.
Als je Hij in je leven komt, dan wil niet niets liever dan dat Hij alle eer krijgt.
Je zou het wel willen uitzingen.
Daarom is het een behoorlijk gemis dat we als gemeente in deze tijd niet kunnen zingen.
Als je voor jezelf twijfelt of je jezelf wel kind van God mag noemen,
omdat je voor jezelf niet weet of Hij in je leven gekomen is,
Dan kun je je afvragen of je God wil eren met je woorden, met je lied, met je daden.
Als het je verlangen is om de Heere te eren met alles wat je hebt,
dan is dat een teken van een verandering in je leven.

Petrus beschrijft die verandering als een opnieuw geboren worden.
Opnieuw mogen beginnen, maar dan met God als Vader,
die hier geprezen wordt als de Vader van onze Heere Jezus Christus.
Opnieuw beginnen met Hem, die ook de Vader is van onze Heere Jezus Christus.
Door Hem kind van God mogen zijn.
Voor de gemeenteleden waar Petrus aan schrijft, was het een bijzondere ervaring
om God als hun Vader te mogen noemen,
om Hem van zo nabij te mogen kennen, zo’n intieme band te mogen hebben.
Bijzonder dat je niet meer ver van God af staat, maar dat je Zijn kind mag zijn
en Hem je Vader mag noemen.
Als je opgegroeid bent in een christelijk gezin, gedoopt bent
en van jongsaf aan de verhalen hebt gehoord en gezongen hebt over God als je Vader,
Dan heb je niet altijd het besef wat voor een bijzondere gebeurtenis dat is,
dat je God in je leven hebt, dat je nu voortaan met Hem mag leven,
Hem mag kennen en vertrouwen.
Als je ermee opgroeit, kan het zo vanzelfsprekend zijn
– en dat heeft natuurlijk ook iets moois: dat onbevangene van een kind,
dat zo spontaan over God kan praten, voor wie het leven met de Heere er gewoon bij hoort.
God is er! Hij zorgt voor mij! Ik kan bidden, ik kan zingen, ik kan vrolijk zijn met God.
Ik denk dat heel wat mensen daar naar terug verlangen, naar dat onbevangene.
Dat opnieuw geboren worden geldt trouwens ook voor een kind.
Daarom is er ook de doop: aan de ene kant is dit kind een kind van God,
en aan de andere kant is dat opnieuw geboren worden nog wel iets dat moet gebeuren.
Je kunt niet zeggen: met de doop is het wel klaar.
De doop is een begin, op weg naar dat opnieuw geboren worden, een begin ervan.
Je hoort voor je kind de noodzaak ervan, je weet: Ik moet erover vertellen,
Ik moet met hem bidden en zingen, lezen uit de Bijbel,
zodat hij dat weet, dat er bij hem ook dat opnieuw geboren moet worden.
Als je er als kind zo in opgroeit, heeft dat voor je gevoel niet zoiets radicaals
zoals Petrus dat hier omschrijft als opnieuw geboren worden.
De doop van een kind zegt: het is nog niet klaar met dat opnieuw geboren worden,
dat moet nog bij je gebeuren.
Daarbij heeft de doop van een kind gelijk iets hoopvols:
Gelijk met de doop gaat God aan de slag in je leven. Hij is bezig om je dat geloof te geven.
En met de doop mag je zelf ook naar de Heere toegaan om te zeggen:
Heere, kom in mijn leven. U hebt dat zelf bij de doop beloofd.
Dat vind ik zelf altijd het mooie, het waardevolle van de kinderdoop.
Ik mag mijn kinderen meenemen op de weg van Christus,
in de hoop dat ze dat geloof zelf overnemen, zelf daarop verder gaan.
Zelf ook de Heere willen kennen, het verlangen krijgen om Hem te gaan loven,
niets anders willen dan leven tot eer van God.
U als ouders, wij als gemeente – wij kunnen het ze niet geven.
We kunnen het leven met Christus alleen maar voorleven,
We kunnen ze alleen maar meenemen in de verhalen, de liederen, de gebeden,
door er zelf over te vertellen en door het als ouders voor te leven.

Dat opnieuw geboren worden is een verandering die van God komt.
Ik denk dat iedereen dat kan beamen: Ik heb mijzelf niet bekeerd.
Dat ik geloof, heb ik alleen maar aan de Heere te danken. Hij is in mijn leven gekomen.
Ik heb Hem niet gezocht, maar Hij mij.
Petrus is vol van God, omdat hij Gods barmhartigheid heeft ervaren.
Dat God in mijn leven gekomen is, dat Hij naar jou toe kwam, u opzocht,
dat is Zijn barmhartigheid: Zijn hart die vol liefde voor jou, voor u klopt.
Hij wil niet dat je verloren gaat. Hij wil dat je het leven in Hem vindt.
Dat je van Hem gaat houden, dat je hart voor Hem open gaat,
en dat je zo die redding vindt, eeuwig leven mag ontvangen,
dat je weet voor jezelf: Christus heeft aan het kruis ook mijn straf weggedragen.
Het is nu goed tussen God en mij.
Dat ik, dat u, dat jij opnieuw geboren kunnen worden,
danken wij aan de opstanding van Christus uit de dood.
Dankzij Pasen kunnen wij dit leven vinden, dit leven van God ontvangen.
Dankzij Pasen kunnen ook wij, kan ook deze dopeling God als hemelse Vader leren kennen.
De toon die Petrus heeft is nog steeds de toon van de lofprijzing.
Hij kan zijn geluk niet op dat hij deze God mag kennen
en hij weet dat de gemeente waar hij aan schrijft dit geluk ook kent,
het geluk God te mogen kennen, te mogen weten dat Hij je hemelse Vader is.
En je proeft uit deze brief dat Petrus hoopt dat er veel mensen zullen zijn
die ook deze vreugde hebben: dat wij God ook als onze Vader kennen.
Hij gunt jou, hij gunt u die vreugde ook.
Petrus weet dat de gemeente waar hij aan schrijft in moeilijkheden is.
Ze weten wel van het bijzondere dat God hun Vader is,
en dat ze Hem van nabij mogen kennen, dat ze met Hem leven
en dat het een voorrecht is, dat ze daarin Gods hart mogen zien, Zijn barmhartigheid.
Maar ze merken ook iets anders: dat het leven er voor hen niet makkelijker op geworden is.
Ze horen er niet bij.
Ik denk dat de meesten van ons dat niet kunnen voorstellen,
dat er deuren dicht gaan omdat we bij Christus horen.
Dat je niet meer bij de voetbalclub mag inschrijven, dat er geen school beschikbaar is,
dat je met moeite aan een baan kunt komen
of dat je familie zegt: omdat je nu gelooft in Christus ben je er niet meer een van ons.
willen wij niets meer met je te maken hebben.
Ik weet wel dat er gemeenteleden bij wie kerkkeuze voor verdeeldheid kan zorgen.
Laten we het maar niet meer over het geloof hebben, of over de kerk.
Dat je het niet meer over de kerk moet hebben, dat begrijp ik nog wel,
maar niet meer praten over geloof?
Niet meer erover praten dat Christus in je leven gekomen is,
dat Hij aan de deur van je hart stond, dat Hij jou, u op het oog had,
en dat je elkaar helpt om de deur van je hart voor Christus te openen,
daar zou je het met elkaar toch over moeten hebben?
Daar moet je toch niet over zwijgen? Dat is toch wat je elkaar gunt.
En wat trouwens ook van groot belang is.
Want stel dat die ander van je gezin of uit je vriendengroep de Heere nog niet kent
en zonder Hem leeft. Dan mist Hij het leven met de Heere.
Dan mist hij of zij de troost: Ik ben in leven en sterven van Hem.
Ik mag Hem nabij weten, heel mijn leven lang en als mijn einde komt,
dan kan ik daar best tegenop zien, maar ik weet dat Hij er dan ook is
en met mij meegaat de weg door de dood heen
en als ik dan voor God kom te staan, weet ik dat mijn schuld is weggedragen.
Dat gun je toch iedereen: die hoop – levende hoop.
Iets dat God je geeft en dat niemand van je afpakt.
Hoe ze je hier ook dwars zitten – ze kunnen daar niet bij.

De gelovigen aan wie Petrus schrijft, hebben het zwaar, omdat ze geloven.
Ze worden gezien als vreemden, en ze voelen zich zelf ook vreemden,
verstrooid, maar kleine groepjes, nauwelijks iemand met wie ze kunnen optrekken,
met wie ze kunnen praten, ervaringen kunnen delen, elkaar kunnen vasthouden.
Die moeilijkheden, schrijft Petrus, daar moet je niet teveel van in de war raken.
Daar moet je niet teveel door gaan twijfelen.
Die laat God gebeuren om je geloof sterker te maken.
Het is altijd een bijzondere zin in het gebed vooraf aan de doop, vind ik:
Opdat hij zijn kruis in de dagelijkse navolging van Christus met vreugde mag dragen.
De weg achter Jezus aangaan, bij Hem horen en Hem dienen is kruisdragen.
En we vragen voor deze dopeling niet aan God om dat kruis weg te nemen,
maar om kracht voor hem, zodat hij dat kruis met vreugde zal dragen.
Geef hem kracht, zodat hij volhoudt en bewaar hem.
Sterker nog: Geef dat hij er gelukkig van wordt als hij mag kruisdragen,
want dan weet hij dat hij achter u aan gaat.
Dat is ook voor jou en voor u gebeden, toen u, toen jij werd gedoopt.
Dat je dat kruis met vreugde mag dragen.
Dat je, als je met moeilijkheden te maken krijgt, omdat je gelooft,
dat je dan nog steeds zegt en zingt:
Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.
Dat volhouden en met vreugde je kruis dragen, dat is niet wat zomaar even gaat.
We hebben daar Gods kracht voor nodig: de Heilige Geest.
We hebben nodig dat we weten waar we het voor doen:
Hier misschien een moeilijke tijd,
maar straks bij de Heere in Zijn heerlijkheid zal het anders zijn.
Met vreugde je kruis dragen – dat is wel iets wat je moet leren.
Het is bedoeld om je vertrouwen op God te voeden, sterker te maken.
Om te zien dat Hij er ook dan is.
Maar ook om te leren dat je hier niet zomaar bent, maar dat je een doel hebt.
Om eens bij God aan te komen, waar je Hem mag ontmoeten.
Dat maakt je dan wel een vreemde hier op aarde,
maar je krijgt wel God als je Vader. Je mag met Hem verder gaan.
Geprezen zij God – zo mag ons verdere leven tot eer van God zijn.
Amen