Preek zondag 28 februari 2021

Preek zondag 28 februari 2021
Johannes 8:12-20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Een koning roept een rabbi bij zich.
Als die rabbi bij de koning komt, zegt de koning tegen die rabbi:
‘Ik zou God willen zien.’
‘En toch wil ik Hem zien.’

De rabbi neemt de keizer mee naar buiten
‘Kijkt u maar eens recht in de zon.’

‘Dat kan helemaal niet’, zegt de koning, ‘dat is te fel voor mijn ogen, te oogverblindend.’

“Precies”, zegt de rabbi, ‘de zon is maar één van de vele dienaren van God in de wereld.
U kunt er niet eens in kijken.
Hoe zou U dan de oogverblindende majesteit van God kunnen aanschouwen?’

Het licht van de zon met alle kracht en felheid van het licht
is een dienaar van God die iets mag laten zien van de grootheid van de Schepper.
Overigens moeten we bedenken, dat er bij de schepping een onderscheid is
tussen de zon en het licht.
De zon wordt later geschapen dan het licht.
Voor ons horen het licht en de zon bij elkaar:
Als de zon niet zou schijnen, zouden wij geen licht hebben en zou het donker zijn.
God schept eerste in de schepping het licht en enkele dagen later pas de zon.
Als er iets in de schepping is, dat iets van God laat zien
en ook laat zien hoe God de wereld heeft bedoeld, dan is dat het licht.

Dan zegt Jezus hier tegen de Farizeeën: Ik ben het licht van de wereld, voor de wereld.
Dat licht dat er toen aan het begin van de schepping is gegeven,
dat licht dat nodig is om te leven en te groeien,
dat licht dat iets zichtbaar maakt van God hier op aarde – dat licht ben Ik, zegt Jezus.
Niet dat Jezus bedoelt dat Hij minder is dan de hemelse Vader.
Hij bedoelt dat Hij hier op aarde gekomen is God weer zichtbaar te maken. 
In een wereld die donker geworden was, kwam Jezus op aarde
en scheen Zijn licht in een donkere wereld.
Het was nodig dat Hij kwam, want zonder Hem was de wereld donker.
Heb je dat wel eens gerealiseerd, dat als Christus niet gekomen was, het nog donker was
En dat als Hij niet gekomen was het nog steeds donker zou zijn?
Ik bedoel niet dat er dan geen zon zou zijn en er geen daglicht meer zou zijn.
Het kan toch donker zijn, terwijl buiten de zon volop schijnt en het mooi weer is.
Een donkerheid die in ons hart zit, waarbij er in ons hart geen ruimte is voor God.
Dat is de duisternis die Jezus komt verdrijven: de duisternis van de zonde in ons.
Als Jezus zichzelf presenteert als het licht van de wereld
en zegt dat het niet meer nodig is, niet meer hoeft om in dat duister te lopen,
spreekt Hij tegen de mensen die goed thuis zijn in de Bijbel
en dag in dag uit leven met de Heere.
Hij heeft het dus niet tegen heidenen of mensen die nog nooit van God hebben gehoord,
maar tegen de mensen die vertrouwd met de Heere zijn,
bidden, zingen, vasten, de feesten van God vieren.
Ze hebben net nog het Loofhuttenfeest gevierd.
De Farizeeën waren er misschien wel bij geweest
toen er die morgen in de tempel de lamp van God was aangestoken,
als teken dat eens over heel de wereld Gods licht zou schijnen
en iedereen God zou kennen en dienen
en als ze er niet bij waren, hadden ze vast op dat moment een morgengebed opgezegd
waarmee ze in dat gebed aan de Heere vroegen Zijn licht te verspreiden
zoals de zon het daglicht verspreidt.
Zouden zij in de duisternis leven? Jezus zegt dat niet rechtstreeks tegen hen,
maar uit de manier waarop Hij dat tegen hen zegt,
kun je opmaken dat zij nog in de duisternis leven – als ze Hem nog niet volgen.
Als ze nog niet bij Hem horen.
Om het licht te kunnen ontvangen moet je Jezus volgen

en volgen heeft hier de betekenis Hem geloven, Hem belijden, je leven aan Hem toewijden.
Dán heb je dat licht, dan schijnt dat Licht, Zijn licht over je leven.
Zolang je dat nog niet doet, zolang je Jezus nog niet volgt, loop je nog in de duisternis
En ken je God niet en leeft je zonder Hem.

Moet je voorstellen dat dit tegen ons gezegd wordt:
Je hebt onlangs het Kerstfeest gevierd, het feest dat Gods licht op aarde kwam
– we hebben er over gezongen: Nu daagt het in ons oosten,
Daar is uit ‘s werelds duistre wolken een licht der lichten opgegaan.
Maar je kent het licht nog niet en daarom heb je God niet in je leven, in je hart.
Of dat er tegen ons wordt gezegd: je bent op weg naar Goede Vrijdag, naar Pasen,
de dagen waarop we erbij stil staan dat we het leven door Christus krijgen:
eeuwig leven, een verlost leven, een leven in verzoening met de Heere.
Je bent op weg om te gedenken en te vieren dat je het leven hebt gekregen,
maar heb je dat leven wel of beeld je dat maar in?

Dat is wel wat de Farizeeën te horen krijgen – misschien dan niet direct,
maar het is wel de strekking van de woorden van Jezus tot de Farizeeën.
Dan kunnen ze zeggen: Maar die Farizeeën waren Joden.
Wij zijn toch christenen en wij hebben Jezus toch? Wij kennen Hem toch?
Wij lopen toch niet meer in de duisternis?
Als je Christus kent en Hem volgt, als Hij in je hart is, als je Hem liefhebt,
dan kun je dat beamen, dan kun je zelfs dat oude lied mee zingen:
Ik wandel in het licht met Jezus, het donkere dal ligt achter mij.
Maar nu de vraag: ken je Hem ook? Met je hart? Volg je Hem ook?
Of geldt voor jou, voor u nog: ik leef nog in de duisternis, want ik ken Hem niet.
Het is wel licht om mij heen: de zon schijnt en dat zonlicht valt mijn kamer binnen,
maar als het mij zo gevraagd wordt, moet ik eerlijk bekennen: het is nog donker.
Het licht van God is nog niet doorgebroken in mijn leven.
Dat licht dat leven geeft, zoals Jezus bedoelt, dat is er nog niet in mijn leven.
En dan? Als je dat eerlijk moet bekennen, dat je Hem nog niet volgt?
Dat er in je hart nog niet iets is gaan groeien dat je kunt benoemen als liefde voor Hem?
Als je eerlijk moet bekennen: ik volg Hem helemaal nog niet, maar ga mijn eigen weg?
Als je dat eerlijk moet beamen: U bent wel het licht voor de wereld, maar niet voor mij,
hoe sta je er dan voor?
Dat is een vraag waar je je niet zomaar van kunt afmaken door te zeggen:
Ik ben toch christen, ik ga naar de kerk, ik vier die feesten toch – het zit goed met mij.
Maar het is geen automatisme, dat je als je eraan mee doet, dat je er dan bent.
Ik zeg dat niet om u, om jou onzeker te maken of je je wel christen mag noemen
en ook niet om je onzeker te maken of je je wel kind van God mag noemen.
Ik zeg het wel dat als je eerlijk bent over jezelf en je concludeert
dat je nog niet bij Jezus hoort, dat je Hem nog niet volgt,
Dat je nog leeft in die duisternis,
waarvoor Jezus gekomen is om die te verdrijven,
dat je dat dan op de oude manier verder moet gaan en het daarbij moet laten.
Want als je dat licht niet hebt, dan heb je het leven niet.
Dan heb je God niet, dan heb je het eeuwige leven niet,
dan heb je ook niet de zekerheid dat je behouden zult worden.
Dan loop je het leven mis, dat God je wil geven, de redding die Christus kwam brengen.
En het is helemaal niet nodig, dat je die redding misloopt
En het is ook niet Gods wens dat er veel mensen verloren zullen gaan.
Zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft,
opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.
En ook hier als Jezus in gesprek is met de Farizeeën:
Het is niet nodig om in het duister te blijven lopen – het licht is gekomen,
Christus heeft geschenen en de macht van de duisternis,
van de zonde, van de duivel verbroken en je kunt vrijuit gaan.
Wij mij volgt, zegt Jezus, hoeft ook niet meer in het duister rond te lopen.
Er is een andere mogelijkheid gekomen –
het is weer mogelijk weer in het licht van God te lopen, om Gods liefde te ontvangen,
je te laten koesteren door Zijn liefde en Zijn genade te ontvangen,
dat Christus in je en om je heen schijnt en in je het duister verdrijft.
Waarbij Gods licht en heerlijkheid niet meer te fel is om naar te kijken,
maar getoond wordt in de vorm van Christus die voor ons mensen, voor ons zondaren
beter is te zien,
omdat dat licht ons roept, ons nodigt, ons wegroept uit het duister en bevrijdt.
Waarom zou u, zou jij die nodiging afwijzen, geen gehoor geven aan Zijn roepstem?
Het is nog niet te laat om te komen.
Waarom zou je aarzelen? Omdat je je afvraagt of God jou wel wil?
Of het wel voor u is weggelegd? Of u het wel mag aannemen?
Dan had Christus toch niet naar de aarde hoeven te komen?
Zou de Heere zo zijn dat Hij aan de ene kant de deur wagenwijd openzet
en daarna, als u, als jij zou willen komen, de deur gelijk weer op een kier zet
om daarmee het signaal te geven dat jij, dat u niet binnen mag komen?
Zou de Heere zo zijn?
Zou de Heere daarom de Farizeeën hebben gewaarschuwd:
Pas op dat je met al je kennis over God en met je leven met God Hem misloopt.
Om daarna te zeggen: Maar voor jullie is het niet weggelegd om God te leren kennen?
Het licht is wel gaan schijnen, maar jullie mogen er niet van genieten?
Zou Jezus juist niet gezonden zijn door de Vader om zoveel mogelijk te redden,
om zoveel mogelijk mensen zover te krijgen dat ze Hem zouden vinden
En zo het leven zouden vinden?
Is juist niet het kruis op Golgotha opgericht, zodat velen het leven in Hem zouden vinden?
Als Jezus later uitleg geeft over het kruis, zegt Hij ook,
dat wanneer het kruis opgericht wordt, dat Hij dan allen tot Zich zal trekken.
Dat is Gods wil, Gods doel, Gods wil.

In de uitspraak die Jezus over zichzelf doet – Ik ben het licht voor de wereld –
laat Jezus iets zien van de betekenis van het kruis.
Dat geldt voor alle uitspraken die in deze Lijdenstijd in de diensten aan de orde komen.
In de weken voorafgaande aan Goede Vrijdag en Pasen,
deze zeven zondagen van de Lijdenstijd
hebben we elke keer een uitspraak van de Heere Jezus waarin Hij zichzelf voorstelt,
van zichzelf iets onthult.
Al die uitspraken waarin Jezus zegt: Ik ben…
Ik ben het water dat leven geeft
Ik ben het brood des levens
Ik ben het licht voor de wereld
in al die uitspraken – ook die nog zullen volgen – wordt iets zichtbaar
van het het kruis betekende.
We hebben dit jaar dus niet de verhalen van Jezus over de weg die Hij gaat naar het kruis,
niet het verhaal van de zalving door Maria, of Gethsemané, de arrestatie
en de discipelen die bij Jezus vluchten.
Op elk van deze Lijdenszondagen komt een uitspraak aan de orde
van de Heere Jezus waarin Hij iets laat zien van wat het kruis voor ons betekent,
wat het kruis voor de wereld betekende.
Als je nu je in deze weken afvraagt  of later  waarom dat kruis nou op Golgotha moest staan
en waarom Jezus daar aan moest hangen,
dan kun je aan een van deze uitspraken denken.
Ik ben het licht voor de wereld.
Daar aan het kruis brak voor ons – op het moment dat Jezus stierf – het licht door.
Niet zozeer een fel, oogverblindend licht, waardoor wij moeten wegdraaien
En ons gezicht en onze ogen moeten beschermen, omdat wij dat niet aankunnen.
Maar het licht dat nodigt en roept om te komen en God weer in ons leven te krijgen.
Een licht dat ons opwekt uit onze dood, eerst onze geestelijke dood
en later uit onze lichamelijke dood. Dat licht is Christus.

Het valt mij op dat op een eerste lentedag de mensen anders zijn.
Als een aantal sombere winterdagen, die grauw en donker zijn, de zon doorbreekt
En de lente aankondigt zijn de mensen gelijk al een beetje anders.
Zijn ze zelf minder somber, wat vrolijker, kunnen ze meer hebben.
In de afgelopen weken was dat ook zo.
Nu was het toen de lucht blauw werd nog volop winter,
lag er sneeuw en kon er even worden geschaatst,
maar de zon scheen en de mensen waren gelijk anders
En nadat kort daarna de lente aanbrak waren de meeste mensen gelijk in een beter doen.
Ik vind dat je dat elk jaar kunt merken aan de gemoedstoestand.
Als zo’n kleine verandering in het weer ons al andere mensen kan maken,
Wat moet er dan wel niet anders aan ons worden als Gods licht over ons schijnt.
Als dat licht voor de wereld ook ons belicht en Christus ons licht wordt.
Het doorbreken van de zon na zo’n donkere winter laat een beetje zien
welke kracht het licht van Christus wel niet moet hebben
om van ons nieuwe mensen te maken, een bekering, een opstanding,
dat is trouwens ook hoe Johannes de bekering uitlegt:
Als opnieuw geboren worden, als opstaan uit de dood,
als blinden die het licht weer in de ogen krijgen en kunnen zien,
Als een verlamde die weer overeind kan springen en dansen en huppelen kan.
Waarom zou dat u niet kunnen gebeuren?
Waarom zou Jezus jou niet kunnen opwekken uit de dood?
Waarom zou u Hem niet kunnen volgen, het licht voor de wereld
En waarom zou jij je ogen sluiten voor dat licht en niet meegaan, achter Hem aan?

Heer, waar dan heen?

Tot U alleen!

Gij zult ons niet verstoten.

Uw eigen Zoon

heeft tot uw troon

de weg ons weer ontsloten.
Amen

Gereformeerde theologie stroomopwaarts?

Gereformeerde theologie stroomopwaarts?

In 2019 was het 75 jaar geleden dat de Vrijmaking plaatsvond: Klaas Schilder raakte met een aantal medestanders buiten de Gereformeerde Kerken en zag genoodzaakt een nieuwe kerk op te richten. Er werd een studiedag belegd, waarbij hoogleraren en docenten van de Theologische Universiteit van Kampen laten zien hoe zij zich verhouden tot de erfenis van de Vrijmaking. Begin dit jaar werden de lezingen van het congres uit 2019 gepubliceerd onder de titel: Gereformeerde theologie stroomopwaarts. De gedachte van de titel is dat stroomopwaarts in de kerkgeschiedenis een aantal waardevolle elementen te vinden zijn, die kerk en theologie nog steeds kunnen verrijken.

Het boek las ik vanuit twee vragen: (1) Helpt dit mij om de Vrijgemaakte theologie en geloofsbeleving te begrijpen? (2) Wat biedt de erfenis van de Vrijmaking aan het bredere geheel van de theologie en de kerken in Nederland? Ik voer dus mee stroomopwaarts onder leiding van een aantal toonaangevende vrijgemaakte gidsen. De gedachte van de titel is dat stroomopwaarts in de kerkgeschiedenis een aantal waardevolle elementen te vinden zijn, die kerk en theologie nog steeds kunnen verrijken.

Wat mij opviel toen ik aan boord stapte, was dat die route die gekozen werd om stroomopwaarts te gaan voor mij niet de gebruikelijke route was. We sloegen zijtakken in en kwamen langs plaatsen waar ik niet snel kwam. Mijn indruk was dat de gidsen niet echt berekend waren op belangstellende toeristen die aan boord gekomen waren. De informatie was vooral gericht op degenen die de route wel kenden of af en toe gingen. (Dat lag mogelijk aan de opzet van de studiedag: de eigen achterban informeren.) Tijdens de rit merkte ik dat ik zelf geregeld een andere route zou nemen, die naar mijn idee beter bevaarbaar is of een mooier uitzicht oplevert. Ook de informatie die door de gidsen onderweg verteld werd, week op bepaalde punten ook af van wat in mijn eigen reisgids staat. Geregeld stond ik op het achtersteven terug te kijken of we wel de goede route insloegen en terwijl een van de gidsen sprak haalde ik geregeld mijn eigen reisgids uit de zak om te kijken of de informatie wel klopte.

De eerste gids, Erik de Boer, vertelde dat na zoveel jaar varen op deze route het verhaal af en toe anders is geworden. Het meest in het oog springend is dat de rol van Schilder in de Vrijmaking nu anders wordt verteld: voorzichtig wordt de vraag gesteld of de Vrijmaking wel zo om Schilder draaide. Dat was een vraag die ook bij mij is boven gekomen tijdens het lezen van een heel andere reisgids: Om de lijn van de Afscheiding van Theo van Staalduine. Ter afsluiting stelt de gids een kritische vraag aan het meevarend publiek: We kiezen nu altijd deze route, maar daarmee hebben we wel het zicht op het groter geheel verloren – de katholiciteit van de kerk. Blijven we altijd deze aparte route varen? Of bewegen we ons ook wat meer naar het grotere perspectief?

Dan komt er een andere gids die ook aan boord is, maar meestal deze route niet vaart: Theo van Staalduine. Hij wijst er op dat het verhaal dat tijdens deze route verteld wordt ook een andere kant heeft. Dat de Vrijgemaakten sinds 1944 een andere koers moesten inslaan lag niet alleen aan de synode die hen die kant opstuurde, maar hebben ze ook aan zichzelf te wijten.
Van Staalduine raakt daarbij aan een ambivalentie die ik bij de Vrijgemaakte verhalen tegenkom: aan de ene kant is de lijn van de Vrijmaking een rechtmatige voortzetting, maar aan de andere kant is het een verfrissende beweging die de kuyperiaanse verstarring en het bevindelijke zwelgen in het eigen innerlijk wist te doorbreken met een sprankelende nieuwe geloofsbeleving. Naar mijn idee kan het niet samengaan: of de Vrijmaking zet de lijn van de Afscheiding voort zonder zich tegen de bevindelijkheid af te zetten, of de lijn van de Vrijmaking is een dermate nieuwe stap dat het lastig is om de continuïteit met de Afscheiding te kunnen blijven stellen.

Sowieso valt het me op dat de gidsen onderweg het nog steeds nodig hebben om zich af te zetten tegen degenen die bij het knooppunt van de Vrijmaking rechtdoor bleven varen. Zonder onderbouwing wordt de geloofsbeleving waarmee gebroken wordt getypeerd als ‘een schematisch denken dat redeneerde vanuit Gods eeuwige verkiezing naar de realisering daarvan bij de uitverkorenen in wedergeboorte en geloof’. Het gaat dan om ‘verstandelijke instemming’. Ik blader in mijn eigen reisgids en zie dat aan de kuyperiaanse kant van Hepp gezegd wordt dat hij de mystieke lijn van Kuyper voortzet (J. Veenhof) en dat K. Dijk in De dienst der prediking stelt dat dit een karikatuur is. Gaat dit dan op voor de bevindelijken, die oa in 1892 de kerk binnengekomen zijn? Als je altijd de ene route vaart en de andere route niet meer kent, kan er een beeld ontstaan alsof die andere route geen goede route kan zijn. Ook klinkt de suggestie door dat na de correctie van de kuyperiaanse gedachte van de veronderstelde wedergeboorte ondanks de correctie van 1905 toch in de praktijk kuyperiaans is verstaan. Aan gereformeerde zijde zijn er genoeg dit deze gedachte voortdurend hebben bestreden. Hier overtuig je wel degenen die altijd deze route gaan, maar een belangstellende toerist fronst hier toch de wenkbrauwen.

Het valt mij ook op dat de verhalen die verteld worden vooral op de eigen achterban gericht zijn: de vaarroute van de heilshistorische exegese wordt ook nu nog gebruikt en A. Janse is er vroeg bij met het centraal stellen van het verbond. Hij schrijft al over verbond en zelfonderzoek voordat Eichrodt zijn theologie van het Oude Testament opbouwt vanuit het verbond. Ook hier krijg ik de neiging om mijn eigen reisgids weer uit de zak te pakken.

We voeren langs het huis waar Berkouwer heeft gewoond. Begrijpelijk want hij was voorzitter van de synode die Schilder schorste én heeft zich altijd verantwoordelijk geweten voor de schorsing. Hoe ouder hij werd, hoe meer hij de schuld van de schorsing ervoor. Begrijpelijk dat dit verhaal verteld werd, ook omdat de gids Dirk van Keulen mede op Berkouwer gepromoveerd is. Ik vroeg me wel af of dit niet een makkelijke keuze was. Want een schuldbewuste Berkouwer is niet al te confronterend. Ik vroeg me af welk verhaal er verteld zou worden als we voeren langs het huis van K. Dijk of A.D.R. Polman of anderen die overtuigd bleven van de noodzaak van schorsing en afzetting van Schilder. Zou het publiek dat meevoer dat aankunnen? Ik snap ook wel dat je bepaalde plekken uit de weg gaat. Dat zou ik soms zelf ook doen.

De gidsen die vertelden over de omgang met de heilshistorie lieten me eigenlijk met meer vragen achter dan ze beantwoordden. Dat zal te maken hebben met de korte tijdsduur die ze kregen om hun manier van werken uit te leggen. Ik vroeg me bijvoorbeeld af wat het verschil is tussen een heilshistorische benadering en receptiegeschiedenis. Ook vroeg ik me af of de heilshistorische benadering niet een manier is om spanningen tussen verschillende teksten weg te ‘harmoniseren’ door ze anders te plaatsen in de tijdlijn van Gods heilswerken. De heilshistorische benadering heeft het nu in de bijbelwetenschappen ook moeilijk, omdat er steeds meer zicht is dat de in de verhalen vertelde geschiedenis nogal eens af kan wijken van de geschiedenis zoals die gebeurd is. Het is het debat tussen maximalisten, die zeggen dat het verschil minimaal is en minimalisten die zeggen dat het verschil zo groot is dat de Bijbel niet meer als historische bron gebruikt kan worden. Wat betekent dat debat voor het varen door de heilshistorische wateren? Betekent de heilshistorische benadering dat je gedwongen wordt om maximalist te worden? Heilshistorische exegese is in feite ook een manier om het Oude Testament christologisch te lezen. Opgeleid in Utrecht heb ik geleerd om het Oude Testament niet te snel of helemaal niet christologisch te lezen. Ik lees deze christologische benadering dan ook met een zekere vervreemding en vraag me af hoe ze zich verhouden tot Joodse exegese.

Ook bij Te Velde haal ik mijn eigen reisgids er geregeld bij. Mooi gevonden vind ik de overeenkomst tussen Oswald Bayer en de vrijgemaakte theologie over de belofte. Net als de vrijgemaakten is voor de lutherse theologie de aanspraak van buiten en de kracht van Gods belofte belangrijk. Toch haal ik aarzelend mijn eigen reisgids weer uit mijn zak en blader daarin. Ik vraag mij af of wel genoeg gepeild is bij wat degenen, die vaarroute van de sterke nadruk op de belofte niet konden inslaan, bewoog. Als er gesteld wordt dat er bij de doop niet gewacht hoeft te worden of er een zichtbare uitwerking, maar dat God met de belofte in de doop aan de slag gaat, aarzel ik. Ik kan het helemaal onderstrepen en leg bij doopdiensten ook hier de nadruk op. Maar wat gaat God dan bewerken? Is het zaligmakend geloof dat God gaat bewerken? Als predikant in een gemeente die door bevindelijkheid is gestempeld, zeg ik: de nadruk op de belofte is te weinig. Het is ook belangrijk om gemeenteleden uit te leggen wat de belofte van God gaat doen. Ook in het innerlijk. Hoe goed bedoeld ook, het helpt niet om de sterke nadruk op de belofte te leggen als niet duidelijk is wat iemand met de belofte mag doen. Heilszekerheid verkrijg je niet door het innerlijk en de bevindelijkheid uit te schakelen. Te Velde erkent dat ook. Al vraag ik me wel af of hij niet een fundamentele stap overslaat voor bevindelijken en al in een vroeg stadium hen zonder te willen kwijt raakt. Ik heb zelf altijd een vrij specifieke bevindelijke vaarroute gevaren, waar je niet zonder de belofte van God kunt. Daarom vraag ik me voorzichtig af of het wantrouwen van mystiek en bevindelijkheid hier wel helemaal overwonnen is. Ik stem trouwens wel met Te Velde in dat deze thematiek belangrijk is om opnieuw te doordenken. De thematiek die hij aansnijdt is niet minder relevant geworden. De verschillen tussen de verschillende kerken zijn voor een groot deel aan deze thematiek te verbinden. Is er niet een mogelijkheid om een nieuwe manier te vinden, waarbij de waarheidselementen samen tot een gezonde en heilzame geloofsbeleving en prediking komen? Mijn indruk is ook dat dit een belangrijke drijfveer voor Te Velde is om bezig te zijn met de thematiek van belofte en sacrament.

Er waren nog meer gidsen aan boord. Die komen wellicht later aan bod. Nog terug naar de vragen die ik had toen ik in het boek ging lezen. Helpt het om de vrijgemaakte theologie en geloofsbeleving te begrijpen? Deels. Ik merk vooral hoe mijn eigen achtergrond en mijn huidige weg mij gevormd hebben en dat ik vooral de neiging heb om via andere zijtakken stroomopwaarts te gaan. De neiging voor mij is om de mij inmiddels vertrouwde routes te kiezen. Daarmee laat ik een deel van de gereformeerde delta links liggen. Persoonlijk is dat gemakkelijker, maar oecumenisch is dat natuurlijk onverantwoord. Via Twiittercontacten merk ik hoe makkelijk vooroordelen ontstaan. Daarom schrijf ik mijn persoonlijke impressie ook aarzelend. Ook hier zullen de karikaturen niet helemaal uit verdwenen zijn. Daarmee geef ik mijzelf een agenda mee: me verdiepen in de wereld die de vrijgemaakte wereld is en de vrijgemaakte wereld heeft gevormd. Impliciet heb ik ook de tweede vraag beantwoord. Soms is er geprobeerd om te laten zien dat er meer is dan deze vaarroute stroomopwaarts: Het feit dat een gids als Van Staalduine aan boord gevraagd was. Het feit dat we langs het huis voeren waar Berkouwer woonde. Te Velde probeert het. Toch krijg ik de indruk dat dit meer een terugblik voor de eigen gemeente is. Dat is wellicht begrijpelijk als er stilgestaan wordt bij een jubileum van een afzonderlijke kerk. Toch is het ook jammer. De titel gereformeerde theologie stroomopwaarts dekt dan ook niet helemaal de lading. In feite gaat het om de gereformeerd-vrijgmaakte theologie stroomopwaarts. Daarmee leg ik de vrijgemaakte vaargasten de vraag van De Boer nadrukkelijker voor: is deze vaarroute stroomopwaarts er een van het isolement of ziet ze zichzelf als onderdeel van de katholieke kerk? In dat laatste geval ben ik niet de enige die een uitdaging heeft aan te gaan.

N.a.v. Erik de Boer, Geranne Tamminga en Dolf te Velde. Terugkijken op 75 jaar Vrijmaking (Amsterdam: Schipper & Buitenheijn Motief, 2021)

Deze bovenstaande recensie is een buitenperspectief op de herdenking en de waarde van de Vrijmaking. Mijn Vrijgemaakte collega Fokke Pathuis geeft een andere impressie, vanuit binnenperspectief. Die recensie is op zijn weblog te lezen.

De bijbelse vertelkunst van het Bijbelboek Esther

De bijbelse vertelkunst van het Bijbelboek Esther
Lezing voor CSFR Groningen

Vandaag hoop ik jullie een aantal gedachten te geven, die jullie kunnen helpen bij het bespreken en bestuderen van het Bijbelboek Esther.
Ik heb mijn achtergrond in de praktische theologie en in de exegese. Als praktisch-theoloog en als exegeet hoop ik jullie aan aantal handreikingen te doen, maar ook op een bepaalde manier uit te dagen. |
Mijn ervaring is dat het kan helpen om met Bijbelstudie bezig te zijn als je uitgedaagd wordt, zeker als die uitdaging zowel existentieel als intellectueel is. En uitdaging betekent voor mij dat je zelf als lezer van de Bijbel uitgedaagd wordt in je eigen omgang met de Bijbel en uitgedaagd wordt om zelf de betekenis van de Bijbel, in dit geval van het Bijbelboek Esther, te achterhalen en dat je niet alleen maar vaart op kennis en informatie die je van gezaghebbenden – exegeten, predikanten ed – krijgt aangereikt.

Laat ik beginnen bij de praktische theologie. De naam praktische theologie suggereert wellicht dat de theologie hier praktisch wordt. Dat is niet de allereerste doel van de praktische theologie. Praktische theologie is allereerst theologische reflectie op de praktijk. Het doel is om die praktijk te leren kennen. In tweede instantie om verbeteringen voor de praktijk aan te dragen.
Als praktisch-theoloog ben ik dan geïnteresseerd wat er gebeurt als een studentenvereniging het Bijbelboek Esther een half jaar lang gaat lezen tijdens Bijbelstudie.
Het kan uitmaken welke leeftijd je hebt en in welke levensfase je zit bij het lezen in de Bijbel. Jullie bevinden je op een leeftijd waarin je je vleugels uitslaat op verschillende terreinen: je bent op weg om volwassen te worden, om een expert te worden op je eigen vakgebied, om verantwoordelijkheden te dragen. Je krijgt een eigen kijk op de wereld, op je eigen traditie, op de omgang met God. Dat kan allemaal een rol gaan spelen in het lezen van de Bijbel. Je kunt de uitleg bijvoorbeeld die je in je opvoeding meegekregen hebt, met andere ogen bezien en zelf tot een nieuwe uitleg komen, die afwijkt van de gebruikelijke uitleg die je meegekregen hebt in je opvoeding. Die afwijkende visie kan komen door je eigen ervaring en ook door nieuwe informatie die je een ander beeld geven. Wees daar niet bang voor en zie dat als een uitdaging, als een mogelijkheid dat jouw manier van omgaan met Esther, jouw blik, jouw perspectief wel eens de uitleg verder zou kunnen helpen.

Als praktisch-theoloog ben ik ook benieuwd hoe jullie omgang met de Bijbel – en specifiek het Bijbelboek Esther – je kan helpen om een meer volwassen geloof te ontwikkelen.
De eerste vraag die ik had, toen ik gevraagd was om een introductie te geven op het Bijbelboek Esther was de vraag: Waarom dit Bijbelboek? De reden om een boek te gaan behandelen, te gaan bestuderen kan ook de uitleg gaan bepalen. Een reden kan bijvoorbeeld zijn dat je je herkent in de situatie van Esther en Mordechai: als christen voel je je tot een minderheid behoren en in dit Bijbelboek kun je een strategie leren die je helpt om in een samenleving die steeds minder christelijk is toch christen te zijn. De reden om voor Esther te kiezen kan een heel andere zijn: als Bijbellezer ontdek je dat dit boek vooral narratief is en je bent benieuwd wat je aan de hand van Esther kunt leren over de vertelkunst van de Bijbel.

Zowel binnen de praktische theologie als binnen de exegese is het besef dat de persoon van de lezer er toe doet: Je leest de Bijbel vanuit wat je aan uitleg over dit Bijbelboek hebt meegekregen, vanuit je eigen levenservaringen, vanuit je eigen culturele achtergrond. Het is aardig om te kijken voordat je gaat lezen in het boek eens te noteren welke herinneringen je hebt aan dit Bijbelboek: Waar en wanneer is er over verteld? Waar en wanneer hoorde je een preek over Esther? Of is er nooit over Esther gepreekt – en wat zegt dat dan? Welke illustraties of afbeeldingen komen je voor de geest als je aan dit Bijbelboek denkt en waar komen die afbeeldingen vandaan?
Als je het Bijbelboek doorgelezen hebt, is het ook aardig om terug te kijken: welke onderdelen zijn onbekend en hoe komt dat, dat die aspecten nooit verteld zijn? Het is goed om na te gaan hoe je beeld van Esther al van tevoren kan zijn bepaald. Nu ben je in een fase waarin het goed is om je kritisch te verhouden tot de aangereikte beelden, om vooral je eigen beeld nu te vormen op basis van de tekst zoals die voorligt. Daarbij hoef je niet alles overboord te gooien waar je het niet mee eens bent. Als je tot een andere uitleg komt, is het goed om na te gaan waar de uitleg die je meegekregen hebt vandaan komt. Welke visie over de Bijbel, over God, over de mensen, de gelovigen en de ongelovigen, is daarin meegegeven?
Gebruik in deze fase het vakgebied waarin je je nu bekwaamt als hulpmiddel om jezelf als lezer van de Bijbel beter te begrijpen. Wees vrijmoedig en laat je niet te snel afremmen om een bepaalde weg in te slaan. En gebruik vooral je eigen verbeeldingskracht.

In de tijd dat ik zelf studeerde, was er een discussie over de historiciteit van de Bijbel. Wellicht speelt dat nu nog steeds. Mijn advies zou zijn om de vraag of Esther historisch betrouwbaar is te laten rusten en je te concentreren op de manier waarop dit verhaal wordt verteld.
De zoektocht naar overeenkomsten met historische gebeurtenissen leidt vaak af van de tekst, zoals die voorligt. Gereformeerde en reformatorische protestanten hebben vaak belang gehecht aan de historiciteit van de Bijbel. Om twee redenen: (1) Als de Bijbel historisch niet klopt, is Gods Woord niet waar en is God zelf niet betrouwbaar. (2) God handelt in onze geschiedenis en als we van Esther alleen maar een verhaal maken, lopen we het risico God buiten de geschiedenis te plaatsen. Daarmee raken we wel een fundamenteel aspect van onze gereformeerde theologie kwijt. Hoe langer ik met de Bijbel bezig ben, hoe meer ik ontdek dat de Bijbel zelf zich niet druk maakt om deze aspecten, maar juist al vertellend een boodschap over God, de wereld en de geschiedenis wil doorgeven. De boodschap van Esther wordt al vertellend doorgegeven. Dat maakt het wel lastiger voor ons als Bijbellezer, omdat een verhaal vaak meerdere lagen heeft, meerdere manieren van identificatie.

Helaas is in onze gereformeerde traditie weinig oog geweest voor de betekenis van het verhalende van de Bijbel. Je ziet dat in preken en in kinderbijbels terug. Daar kreeg Esther een bevindelijke of een moralistische uitleg. Dan was de gang die Esther naar koning Ahasveros een gang die de gelovige naar God maakt. Ik heb wel eens iemand horen vertellen dat hij een avondmaalsdienst in bevindelijke kring meemaakte, waarbij iemand naar voren kwam en ondertussen riep: Kom ik om, dan kom ik om. Vaak wordt een verhaal in onze traditie moralistisch uitgelegd. Dan worden er vragen gesteld bij de houding van Mordechai en Esther: had Esther niet meer als Daniël en zijn vrienden afstand moeten houden van de gebruiken van het hof van Perzië? Inmiddels ben ik zover, dat wanneer ik merk dat er een verhaal moralistisch of bevindelijk wordt uitgelegd, dat dan zichtbaar wordt dat de Bijbelse vertelkunst niet begrepen wordt.

Esther is in de traditie van de kerk vaak ook niet goed begrepen. In de geschriften van de Vroege Kerk zijn maar enkele verwijzingen naar Esther te vinden en pas rond 397 is dit Bijbelboek definitief gecanoniseerd als onderdeel van de christelijke canon. Ook binnen Joodse kringen was er moeite om Esther te accepteren als canoniek boek. Waarschijnlijk is het de populariteit van het Purimfeest onder het gewone Joodse volk een reden geweest om Esther toch te accepteren. Een reden waarom dit Bijbelboek met moeite werd geaccepteerd als gezaghebbend geschrift was, omdat in dit boek de naam van God niet wordt genoemd. In christelijke kring was er ook nog eens een extra reden om kritisch te zijn: dit lijkt wel een heel Joods boek. Luther had om die reden een grote weerzin tegen dit Bijbelboek. En van Calvijn zijn er geen preken bekend over Esther, al had hij meer dan Luther oog voor de eigenheid van het Oude Testament. Nog steeds staat Esther in de schaduw, want er ook vandaag de dag zijn er naar verhouding niet zoveel recente commentaren en exegetische verhandelingen over Esther.
Het wordt hoog tijd om te beginnen met de tekst van Esther zelf. Alleen welke versie? Er zijn verschillende versies in omloop, want er is een aantal Griekse vertalingen en bewerkingen die uitgebreider zijn en bijvoorbeeld ook een gebed van Mordechai bevatten. Ik houd het bij de tekst zoals die in Nederlandse vertalingen gebruikelijk is. Die vertalingen zijn over het algemeen gebaseerd op de Hebreewse tekst.

Hoofdstuk 1:1 Het gebeurde in de dagen van Ahasveros  – hij is de Ahasveros die regeerde van India af tot Cusj toe over honderdzevenentwintig gewesten.
In de Bijbelse vertelkunst is de allereerste zin altijd belangrijk. Dit is niet zomaar een zin. Misschien ben je geneigd om nu historisch te gaan denken: Ahasveros was wellicht Arthaxerxes en dan zitten we in een tijd waarin Perzië streed tegen Griekenland. Hoewel het een historische tijdsaanduiding is, is naar mijn idee dit niet zozeer bedoeld als historische tijdsaanduiding, waardoor Esther in de loop van de geschiedenis te plaatsen is. De tijdsaanduiding staat er niet om de tijd aan te duiden, maar om de tijd te duiden. Het is eerder een profetische aanduiding: het verhaal speelt in een tijd af waarin iemand als Ahasveros koning was. De manier waarop Ahasveros koning is, kleurt de tijd waarin het verhaal zich afspeelt. In de Bijbelvertaling is dat ook te merken: hij is de Ahasveros die regeerde van India af tot Cusj toe over honderdzevenentwintig gewesten. De uitgebreidheid van zijn macht is het kenmerk van deze koning Ahasveros. Deze koning had bijna de gehele bekende wereld in zijn macht: Van India tot Cusj – zeg maar Noord-Sudan, daar waar de wereld ophield. Er is geen koning die meer macht heeft. Zo groot is zijn rijk, dat er 127 gewesten zijn die weer hun eigen bestuurders hebben. Hiermee zegt de auteur van het Bijbelboek: dit volgende verhaal, dit Bijbelboek gaat over macht. Allereerst is die macht onomstreden: zijn regering staat zo stevig dat ze een half jaar lang kunnen feesten. Er hoeft geen oorlog gevoerd worden. Het land hoeft niet te worden verdedigd en ook niet te worden uitgebreid. Deze koning kon je niet zomaar uit eigen beweging benaderen. Zelfs de eigen echtgenote kon de doodstraf krijgen als ze kwam op een tijdstip dat de koning in een minder gunstige bui is.

Deze koning met zo’n onverstelbare machtspositie heeft echter een vrouw die hij niet de baas kan zijn. Deze koning die over heel de wereld regeert en iedereen zijn wil op kan leggen, krijgt dat niet voor elkaar bij zijn eigen vrouw. Zijn eigen vrouw weigert als Ahasveros haar opdraagt om naar hem toe te komen. Er staat dat de dienaren er op uit gestuurd worden met de opdracht  dat zij koningin Vasthi bij de koning moesten brengen, met de koninklijke diadeem getooid, om aan de volken en de vorsten haar schoonheid te tonen. Zij was namelijk knap om te zien. (1:11) De koning heeft dan al een feest van een half jaar erop zitten, gevolgd door een feest van 7 dagen lang. Wat moest koningin Vasthi komen doen? Zij is knap om te zien en de koning wil dat de andere aanwezigen haar schoonheid zien. Ze moet komen met haar koninklijke diadeem op. Het kan zijn dat ze moet komen met als enige attribuut haar koninklijke diadeem op. Dat ze haar schoonheid onverhuld moet laten zien. Dat Ahasveros zijn vrouw naakt wil laten zien aan de aanwezigen. Om zijn status te vergroten: hij heeft het grootste rijk, het grootste feest en de knapste vrouw. Die schoonheid kan alleen maar zichtbaar worden als ze ontdaan is van elk kledingstuk dat haar schoonheid verhult. Deze koning gebruikt zijn macht om zijn eigen eer te vergroten, waarbij hij niet geremd wordt door schaamteloosheid. Eerst een megalomaan feest, nog eens gevolgd door een extra feest en nu ook nog eens de schaamte van zijn vrouw ontbloten. Voor deze vrouw het afnemen van haar eer. Ze is geen persoon, geen mens, maar een gebruiksvoorwerp.

In de dagen van deze koning Ahasveros speelt dit verhaal zich af. Een koning die zijn macht voor zijn eigen eer en zijn eigen wellust gebruikt en niet om zijn volk te dienen. In dit eerste hoofdstuk wordt de draak gestoken met deze koning. Feestjes geven kan hij wel, maar zijn vrouw kan hij niet de baas. Kan hij dan wel zijn land regeren? Deze koning blijkt ook nergens zelfstandig een beslissing te kunnen nemen. Voortdurend heeft hij eerst advies nodig van anderen. Nu neemt hij een rigoureuze maatregel: hij verstoot zijn vrouw, omdat hij bang is dat deze vrouw, die opkomt voor haar eigen eer en die als mens gezien wil worden en niet als een object om wellust op te wekken, voor anderen een voorbeeld zal zijn. Deze koning is haast almachtig, maar is o zo bang dat een klein beetje verzet hem alle macht ontneemt en niemand hem meer serieus kan nemen. Deze koning maakt van privésores een nationaal probleem. Deze koning kan niet met zijn macht omgaan.

Dit zou wel eens een van de redenen kunnen zijn, waarom de naam van God ontbreekt. De wereld van koning Ahasveros is een wereld die helemaal van God is losgezongen. Een wereld die van God is losgezongen, kent ook geen grenzen meer en kan ontaarden in schaamteloze praktijken en in het gebruiken van de macht voor je eigen behoeften. Dit is een lijn die voortdurend in de Bijbel voorkomt. Het zijn de twee wegen uit Psalm 1: de weg van de rechtvaardige of de weg van de goddeloze. Ga je de weg die God voorschrijft of kies je de weg van degenen die zonder God los zijn, die wel macht hebben maar die macht voor zichzelf gebruiken. Ahasveros is, zoals ik bij de uitleg van Richteren ben tegengekomen, het prototype van de kanaänitische levensstijl. In die tijd waarin die levensstijl gewoon is en een koning op die manier koning is gebeurt het volgende verhaal. De Joden zijn daarin maar een kleine minderheid en ondanks hun kleinheid toch een bedreiging omdat ze anders zijn. Ze kunnen niet meekomen in die kanaänitische levensstijl. Ze vieren misschien ook wel dat feest, maar kunnen zich niet helemaal Pers voelen zoals koning Ahasveros is. Daardoor zullen ze later een bedreiging blijken te zijn.

Naar mijn idee moeten we daarom voorzichtig zijn om in Esther een blauwdruk te zien van de voortdurende vervolging van de Joden. Het gaat meer om een conflict tussen twee levensstijlen: van degene die met God rekent en van degene die van God losgezongen is. Die met God rekent is een kleine, kwetsbare minderheid. Vaak niet op de positie om te beslissen, om mee te doen, om mee te tellen en mee te besluiten. De macht die deze kleine, kwetsbare minderheid heeft is een andere: stil verzet door een andere, afwijkende levensstijl. Niet egoïstisch, maar op het welzijn van de ander gericht, zelfs op het welzijn van de koning die hen in ballingschap gevangen houdt. Mordechai zal een complot aan de koning melden. Ze leven wel in een afwijkende samenleving, waar egoïsme, corruptie en machtswellust welig tiert. Hun verzet zit in de levensstijl en in de woorden die ze gebruiken, in de verhalen die ze vertellen.

Want het boek Esther zit vol met spot: de macht van de koning wordt belachelijk gemaakt. Deze koning heeft wel macht, maar weet er niet goed mee om te gaan. Ook in het Bijbelboek Daniël gebeurt dat trouwens. Door verhalen te vertellen, waarin er tussen de regels door kritiek op de koning komt, laat je zien dat je vrij bent, dat je hart vrij is. Dat jij je niet laat meeslepen door de kanaänitische levensstijl, die je voor het aardse leven veel kan bieden. Maar je kunt daardoor wel, zoals Christus later zal zeggen, schade lijden aan je ziel. Dit bijbelboek wil allereerst leren om op afstand te blijven van een wereld, die je op het verkeerde pad brengt. Je kunt en moet soms meedoen, zoals Mordechai en Esther dat doen, maar je hart moet vrij zijn, in staat om andere keuzes te maken, om tegen verleidingen in te gaan.

Een gelovige kan wel meedoen met de economie, door een baan te hebben, promotie te maken, te consumeren, te kopen en te verkopen – en toch ga je niet helemaal op in de economie en kun je afstand behouden. Je kunt als gelovige mee doen in de politiek, stemmen, je verkiesbaar stellen, zitting nemen in een gemeenteraad of een college, maar je gelooft niet dat daar het heil vandaan komt. In de afgelopen jaren is in de VS zichtbaar geworden hoe de gedachte dat Amerika een christelijk land is een paard van Troje is gebleken. Amerika als christelijk land moet worden verdedigd tegen degenen de christelijke identiteit van dit land willen opgeven. Die gedachte leidde ertoe dat het overgrote deel van de evangelicals in de VS niet anders kon doen dan op Trump stemmen, omdat hij in hun ogen de enige was die de christelijke identiteit kon waarborgen. Daarmee waren de evangelicals die Trump openlijk steunden eerder een Haman, die meeliepen met Trump voor hun eigen project dan een Mordechai die het welzijn van alle onderdanen op het oog had. Het boek Esther is een waarschuwing om niet zomaar met de macht mee te gaan en om afstand te houden. Hoewel de christenen in Amerika graag spreken over vervolging was de mate waarin hun activiteiten beperkt werden nog geen reden om over de vervolging te spreken waar Esther van rept.

In Esther komt er een vervolging op de Joden af, op degenen die zich trouw houden aan de levensstijl van God. Voordat die vervolging losbreekt, is er al een ontwikkeling, waarbij de mogelijkheid om die vervolging te dwarsbomen al opkomt. Is dit de hand van God? De ontwikkelingen zijn te toevallig. Dit is niet zomaar. Net als in de verhalen over Jozef is hier al een macht werkzaam, die voor uitredding zal zorgen. Dat is waarschijnlijk de reden waarom Esther koningin moet worden.
De koning Ahasveros die met zijn levensstijl een heel tijdperk kan kleuren – dit is het tijdperk waarin men doet als Ahasveros – moet ondervinden dat er machten zijn die sterker zijn dan hij. Een ondergeschikte die het laatste restje mensen dat wel met God rekening houdt uit de weg wil ruimen, omdat hij ook een persoonlijk conflict tot nationale kwestie maakt. Als Ahasveros niet bij de les is, is die alternatieve levensstijl, de vreze des Heeren, zomaar van de kaart verdwenen zonder dat hij er erg in heeft. Het is de moeite om dat conflict na te gaan, want dat wordt niet voor niets zo uitgebreid uit de doeken gedaan.

Nadat de koning in heel zijn rijk brieven heeft rond laten sturen waarin de vrouwen ondergeschikt worden gemaakt aan hun man, bedaart op een gegeven moment de woede van de koning en kan hij inzien wat hij heeft gedaan. Hij kan echter niet terug, want dan lijdt hij nog meer gezichtsverlies denkt hij. Hij moet wel op de ingeslagen weg doorgaan. Ook het project om een nieuwe koningin te vinden wordt groots opgezet. Er zijn twee voorwaarden: de vrouw moet nog een maagd zijn en moet knap zijn. Ze mag niet onderdoen voor de schoonheid en ze moet nog niet van iemand anders zijn. Wijsheid is niet nodig, een sterk karakter wordt al helemaal niet gevraagd. De koning lijkt opnieuw een object te willen hebben, dat hem in zijn wellust kan bevredigen. Als de nieuwe koningin maar seksuele bevrediging kan geven, dan is de koning tevreden. Meer heeft hij niet van een vrouw nodig. Ze hoeft geen tegenover te zijn. Ze hoeft hem niet te spiegelen. Ze moet vooral niet tegen hem ingaan. Want daar heeft hij zijn lesje met Vasthi wel mee geleerd. Ook dit is weer geen eigen idee, maar een voorstel van zijn persoonlijke dienaren die aanvoelen wat hun heer nodig heeft.

Zo komt Esther in beeld. Een jong meisje zonder ouders en onder persoonlijke bescherming van haar neef Mordechai. Deze Mordechai kan echter niet verhinderen dat zijn nichtje door de nieuwe wet van de koning meegenomen wordt. Om haar toch een soort bescherming te bieden voor het nieuwe leven aan het hof zegt Mordechai tegen haar dat Esther haar afkomst niet moet vertellen. Zoals de identiteit van Mozes aan het hof verborgen blijft, zo mag Esther niet over haar afkomst vertellen. Waarom Mordechai haar deze raad geeft, wordt niet verteld. Esther bevalt aan het hof. Zij heeft natuurlijk een lastige positie: ze weet dat ze weinig ruimte heeft voor haar eigen visie, want dan kan ze net als haar voorgangster verbannen worden. Ze is er vooral om de koning te behagen met haar schoonheid. Voor ze de koning mag ontmoeten moet ze trouwens eerst een behandeling van een jaar ondergaan. Om dan één nacht bij de koning door te brengen. Ze ging daarna naar het vrouwenhuis door en kon alleen bij de koning komen als hij haar wilde. Esther maakt op de koning indruk. Die Ahasveros is wel lang bezig geweest met het vinden van een nieuwe vrouw: in zijn derde jaar is dat feest dat een jaar duurt. In zijn zevende jaar heeft hij de opvolger voor Vasthi. Reden voor weer een groot feest en een rustdag voor zijn gehele rijk. De verzen zijn kenmerkend voor de stijl van Esther en daarmee wordt ook iets zichtbaar van de boodschap: De koning richtte een groot feestmaal aan voor al zijn rijksgroten en hoge functionarissen, het Feestmaal van Ester. Ook kondigde hij voor alle provincies een rustdag  af, en met een vrijgevigheid die men van een koning mag verwachten deelde hij geschenken uit. (Ester 2:18).

Voor de koning is het verhaal eigenlijk afgelopen, maar voor het Bijbelboek begint het. Met toevalligheden, die te toevallig zijn, ontvouwt het verhaal zich. De naam van God wordt niet genoemd, maar de ontwikkelingen haken zo goed in elkaar, dat moet wel leiding zijn: Mordechai vangt een complot tegen de koning op en meldt dat bij Esther en Esther meldt het bij de koning. Dat helpt hem later als hij op de nominatie van Haman staat om opgehangen te worden.
Die Haman komt in beeld nadat Esther aan het hof gekomen is. Met de keuze voor Esther en de feesten die hij geeft, een van de weinige beslissingen die hij zelf neemt. Ook die keuze is kenmerkend, want het is een minister die zo zijn eigen prestigeprojecten heeft. Alleen Mordechai knielt niet. In de kinderbijbel wordt daar altijd iets vrooms van gemaakt, maar in de Bijbel staat daar niets over. Is het op zijn beurt weer trots van Mordechai? Met zijn weigerachtige houding brengt hij daarmee wel zijn hele volk in gevaar. Een verschil met Daniël die door trouw te blijven aan de Joodse levensstijl alleen zichzelf in gevaar brengt. Esther mag niets riskeren van Mordechai, maar Mordechai speelt zelf hoog spel. Want zijn onwil om te buigen zorgt ervoor dat zijn hele volk uitgeroeid gaat worden. Of is ook hier God aan het werk die de trotse heerser van de troon (Haman) stoot en de nederige (Mordechai) verheft en later het aanzien van de koning geeft?

Net als zijn koning maakt Haman van zijn privékwestie een zaak van staatsbelang: Daarna zei Haman tegen koning Ahasveros: ‘Er is een bepaald volk dat over alle provincies van uw rijk verspreid leeft en te midden van de andere volken zijn eigen leven leidt. Hun wetten verschillen van die van alle andere volken en aan de wetten van de koning houden ze zich niet. De koning is er niet bij gebaat hen maar rustig hun gang te laten gaan. (3:8)

Als het plan van Haman uitgevoerd wordt, moet Esther in actie komen. Nu wordt duidelijk waarom zij aan het hof gekomen is. Het is veelzeggend dat dit gebeurt voordat Haman actief wordt. Net als bij Jozef, die al naar Egypte wordt gebracht voordat de hongersnood komt om zijn broers te redden. Voordat het Joodse volk in gevaar komt, is Esther al op een positie waarin zij iets voor haar volk kan doen. Zou dat toch ook niet een vorm van leiding zijn? Als Esther aangeeft dat ze niets kan doen – denk aan de voorgeschiedenis met Vasthi – zegt Mordechai dat er redding van een andere kant, een andere plaats zou komen. Hier is de boodschap in een verborgen zin aanwezig: plaats – Jeruzalem? Esther gaat, nadat ze gevraagd heeft of de anderen voor haar willen vasten, naar de koning. Deze vrouw die afgedankt kan worden, neemt het initiatief om naar de koning te gaan die zoveel moeite heeft om zelfstandig besluiten te nemen. De gang van Esther naar de koning zorgt voor de val van Haman en brengt redding voor het volk: ze mogen zich verdedigen. Nadat Haman ten val gekomen is, krijgt Mordechai de functie van Haman. Hij geeft opdracht aan het volk om het Purimfeest te vieren.

Daarmee eindigt het boek niet. Een kort hoofdstuk, dat mij eigenlijk onbekend was. Mordechai die een andere type heerser is dan Haman en Ahasveros. En daarmee zijn we weer bij de boodschap van het Bijbelboek: Mordechai, de Jood, volgde in rang immers onmiddellijk op koning Ahasveros. Hij stond bij de Joden in aanzien en was bij hen allen geliefd, want hij streefde het geluk van zijn volk na en was een pleitbezorger voor het welzijn van allen die tot dit volk behoorden. (10:3). Met deze zin sluit het boek af.

Wat is de boodschap van het boek Esther?

  • Gods verborgenheid: in een bepaalde tijd kan Gods naam niet genoemd worden of lijkt Hij niet aanwezig, maar dan is Hij verborgen aanwezig.
  • Heilshistorisch: Esther past in het patroon dat Gods steeds al in uitredding voorziet nog voor het onheil komt. Tegelijkertijd staat Gods weg steeds onder druk.
  • Exemplarisch: de twee wegen van Psalm 1 worden voorgehouden in Mordechai en Esther aan de ene kant en Ahasveros en Haman aan de andere kant.


Creatieve verwerkingen

Schrijf eens een:

  • Monoloog / biblioloog
  • Kort verhaal / roman
  • Oratorium
  • Gedicht
  • Gebed

Dan ontdek je de spanningen, ambivalenties, karakters, ed in de tekst.

Maak eens een
– illustratie
– tekening
– schilderij


Wat wil je doorgeven / vertellen / laten zien?

Preek zondag 14 februari 2021

Preek zondag 14 februari 2021
Schriftlezing: Johannes 4:1-30

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Eén vrouw weet het voor elkaar te krijgen dat alle mensen uitlopen.
Tegen iedereen die ze tegenkomt zegt ze: Je móet met me meegaan.
Ik ben nou toch iemand tegen gekomen, die zo bijzonder is.

Wanneer zou je meegaan met een vrouw, die je misschien een beetje kent,
of misschien zelfs helemaal niet?
Wanneer zou je je laten meenemen, je huis uit, de stad uit,
op weg naar diegene die zo bijzonder zou zijn?
Dan moet het toch een bijzonder persoon zijn als iedereen in de stad gaat kijken?
Kom mee, zegt de vrouw tegen iedereen die ze tegenkomt.
‘Ik ben iemand tegengekomen die alles van Mij weet,
die weet wat ik heb gedaan.’

Zo kun je dus over de Heere Jezus spreken: Als Diegene die alles van je weet,
die weet wat je gedaan hebt.
Het is voor deze vrouw geen beangstigend idee dat de Heere alles van haar weet.
Omdat Hij alles van haar weet, daarom moet Jezus wel de Messias zijn.
En iedereen uit haar stad moet naar die Jezus die de Messias toegaan.
Ze hoopt dat iedereen de Messias wil ontmoeten.
Ze gunt het iedereen uit haar eigen stad, dat ze de Messias leren kennen.
Wat is er mooier dan dat er veel mensen de Messias leren kennen,
Wat is er mooier dat er veel mensen over Jezus horen en in Hem gaan geloven.
Ook vandaag nog.
Wat deze vrouw doet als ze bij de put vandaan komt,
als ze naar de stad gaat waar ze woont om iedereen bij elkaar te roepen
en mee te nemen naar de Messias die nog bij de put zit,
dan doet ze iets dat voor alle gelovigen een opdracht is:
Vertellen over de Heere Jezus
en dan zo vertellen dat anderen nieuwsgierig worden en meer willen weten,
dat diegene tegen wie je vertelt ook met je mee wil gaan om Christus te leren kennen.
Dat ze zover komen om Hem als Heer te aanbidden.
Wie van degenen die jij kent zou je op deze manier wel mee willen nemen
met je mee naar Christus toe, zodat hij of zij meer over de Heere gaat leren?
Dat kan een broer of zus zijn. Een vriend of vriendin. Iemand uit je familie. Een buurman.
Je gunt het die broer of zus zo dat ze gaan geloven.
Je zou je vriendin wel mee willen trekken naar de Heere Jezus toe,
omdat je zelf hebt ontdekt hoe bijzonder Hij is, hoe mooi het is dat Hij in je leven gekomen is

Waarom zou je dat nou eigenlijk willen?
Waarom zou je willen dat anderen in je omgeving gaan geloven, net als jij?
Dat je net als die vrouw met enthousiasme naar die anderen toe gaat
en tegen hen zegt: Weet je wie ik nu heb ontmoet?
Weet je wie er nu in mijn leven gekomen is?
Dat moet jij ook weten! Die moet jij ook leren kennen!
Ben jij wel eens zo enthousiast geweest over Jezus dat iemand anders zei:
Ik wil meer over Hem weten. Ik ga met je mee!

De mensen uit de stad Sychar gaan allemaal met de vrouw mee.
De hele stad loopt uit om Jezus te ontmoeten.

Dat had de vrouw die middag niet kunnen bedenken,
toen ze eind van die morgen op weg ging naar de put.
Het was niet zomaar een put.
Aan deze put, waar ze naar toe ging, zat een verhaal vast.
Een verhaal van lang geleden:
Jakob, de zoon van Izaäk en de kleinzoon van Abraham, was eens op reis door het land
en ontdekte tijdens die reis deze bron
En maakte van deze bron een put, zodat iedereen die bij deze bron kwam, te drinken had.
Als je op warme dagen op reis bent, dan lust je op een gegeven moment wel water
en dan ben je blij als je bij een bron komt waar je water kunt drinken.
Want als je dorst hebt, is je reis zwaar en kom je niet zo makkelijk vooruit.
Bij die bron kun je uitrusten, alle bagage die je op je rug hebt, kun je neerleggen.
En als je een emmer bij je hebt, kun je die naar beneden laten zakken en weer ophijsen
met heerlijk koud water, waarmee je je dorst kunt lessen.
Als je van dat heerlijk koude water drinkt, dan voel je dat je weer nieuwe kracht krijgt.
Je kunt bijkomen van de reis, eten en drinken, en straks weer gesterkt verder op pad.

Het zou goed kunnen dat deze bron meer is dan een gewone bron,
maar ook een heilige plek, omdat deze bron door Jacob was ontdekt.
Dan zou deze bron ook een soort bedevaartsoord kunnen zijn geweest,
misschien niet voor alle Samaritanen,
maar dan wel voor de mensen uit Sychar die trots waren op deze bron
die Jacob aan hen had gegeven.
Als deze vrouw met een waterkruik naar de bron van Jacob gaat om water te putten,
kan het betekenen dat ze meer gaat halen dan water alleen,
maar dat ze ook op pad is om een bepaalde geestelijke dorst te lessen,
dat ze op zoek is naar meer dan water, maar naar God.
Ze gaat namelijk op een bijzonder tijdstip, waarop je niet snel water zou gaan halen.
Ze gaat midden op de dag, om twaalf uur, als de zon hoog aan de hemel staat
en het warm is en dorstig weer.
Nogal eens wordt gedacht dat ze dat uit schaamte doet,
om andere vrouwen niet tegen te hoeven komen, vanwege haar manier van leven,
dat ze nu al bij haar zesde man is, een man van wie Jezus zegt: Hij is je man niet.
Maar Johannes, die ons dit verhaal van Jezus en de vrouw bij de put vertelt,
geeft niet echt aanleiding om te denken dat de vrouw uit schaamte midden op de dag komt,
omdat ze de blikken van andere vrouwen en wellicht ook van mannen wil ontwijken.
Nee, Johannes ziet in dat tijdstip waarop deze vrouw komt,
iets anders dan het ontwijken van de andere mensen.
Hij ziet in het tijdstip, waarop deze Samaritaanse vrouw naar de put komt,
om water te halen,
en misschien ook wel meer dan water, iets dat daar eeuwige dorst kan lessen,
Johannes ziet dat het tijdstip waarop deze vrouw komt
hetzelfde tijdstip is waarop Jezus aan het kruis hangt.
Johannes wil tegen ons zeggen: die ontmoeting van Jezus bij de put met die vrouw
die moet je in verband brengen met het kruis op Golgotha.
Het is vandaag de eerste Lijdenszondag.
Vandaag is de eerste van de 7 zondagen die voor Goede Vrijdag en Pasen zijn,
zeven zondagen om na te denken over het kruis en ook over de weg die Christus ging
naar het kruis toe.
Daarom is het titel van het Paasproject: Jezus gaat ons voor.
Hij gaat ons voor op een weg – op de afbeeldingen zal steeds een weg te zien zijn,
een weg door allerlei terreinen – vandaag door een woestijn,
een weg die eindigt bij het leven dat alleen Jezus kan geven,
een leven tot in eeuwigheid.

Deze vrouw is op zoek naar water en wellicht meer dan water,
al heeft ze dat misschien niet eens helder dat ze meer zoekt
en is ze zonder al te diepe gedachten naar die bron van Jakob gegaan.
Johannes zegt tegen ons: deze vrouw gaat water halen en misschien wel meer dan water,
maar ze zal bij Jezus uitkomen, bij Jezus die later ook voor haar aan het kruis zal hangen.
Johannes wijst op nog een overeenkomst tussen Jezus bij de bron en Jezus aan het kruis:
Jezus heeft dorst.
Als de vrouw bij de bron komt om zelf water te halen, ziet ze een man die vermoeid is
en aan haar vraagt om wat te drinken uit die bron.
Aan het kruis zal Jezus ook zeggen: Ik heb dorst.
Wat is die dorst dan die Jezus heeft?
Wil Johannes zeggen, dat Jezus niet alleen Gods Zoon was,
de Messias die door God is gestuurd, de Christus die uit de hemel kwam
maar dat Hij ook mens is geweest, net als wij, geen supermens, maar kwetsbaar,
Iemand die net als alle andere mensen moe kan worden, dorst kan hebben? 
Die dorst komt aan het kruis terug, als Jezus daar hangt het het uitroept dat Hij dorst heeft.
Daar is de dorst het verlangen om Gods wil te doen
en ook hier is de dorst van Jezus het verlangen om Gods wil te doen,
want Jezus moest hier zijn.
Hij is weer op weg naar Galilea om daar Zijn werk te doen, maar moest hier zijn,
hier bij de put van Sychar, bij de bron van Jacob.
De dorst van Jezus geeft aan, dat Hij bereidt is om de wil van Zijn Vader te doen,
om deze vrouw die dorst heeft naar water en naar meer,
misschien ook wel zonder dat ze doorheeft dorst heeft naar God.
Hier is Hij bij die bron om aan haar het levende water te geven.

Dorst hebben, zonder dat je weet hebt, dat je dorst naar God hebt,
Ik moet dan altijd denken aan wat een collega lang geleden ooit eens vertelde.
Ik heb het vast eerder eens verteld.
Hoe een van zijn catechisanten na de vakantie op catechisatie kwam,
vol bravoure de catechisatiezaal binnenstapte en uitdagend zei:
“ U raad nooit wat ik in de vakantie gedaan hebt.”
“Nou”, zei mijn collega, “vertel het eens dan.”
“Nee,” zei hij, “dat kan ik hier niet doen.”

“Waarom dan niet?” vroeg mijn collega.
“Nou, ik heb alles gedaan wat God verboden heeft,”
er klonk nog steeds uitdaging in de stem van deze catechisant.
“Nou, wat heb je dan gedaan?” vroeg mijn collega om hem op zijn beurt uit te lokken.
“U weet wel, met drank, met meisjes, enzovoort.”
Mijn collega stelde hem een vraag waardoor hij verder keek dan de catechisant
en dat hij in die uitspattingen tijdens die vakantie meer zag dan alleen verkeerd gedrag.
Hij keek zijn catechisant aan en zei: “Je bent op zoek gegaan naar leven.
Heb je dat ook gevonden?”
Ik heb dat altijd een mooie reactie gevonden:
Hij liet merken dat die jongen in zijn vakantie op zoek was,
naar iets dat zijn leven zin gaf, meer betekenis gaf,
waardoor hij wist, waardoor hij voelde waarvoor hij leefde.
Waar leef je voor? Voor je wat te laten gaan in de vakantie? Is dat leven?
Of kan het leven, waar die jongen naar op zoek was,
uiteindelijk alleen maar ergens anders vandaan komen? Bij onze hemelse Vader?
Dit voorbeeld heeft mij altijd geholpen om dieper te kijken,
om te zien of mensen, zonder dat ze dat van zichzelf weten, op zoek zijn naar leven,
en ten diepste op zoek zijn naar Christus.
Al beseffen ze dat vanuit zichzelf vaak niet
en denken ze dat het leven ergens anders te vinden is.

Deze vrouw denkt ook dat het leven ergens anders te vinden is.
Hier bij de put, bij de bron van Jakob.
En het leven dat zij zoekt, is te vinden bij de mannen in haar leven.
Vijf mannen heb je al gehad, zegt Jezus tegen de vrouw,
je hebt nu je zesde man en die is je man niet.
Wat er aan de hand is, zegt Jezus niet.
Dat kan van alles zijn: dat ze van de ene man naar de andere man is gegaan
en dat het leven haar niet bevalt en weer op zoek gaat naar een volgende
en zo man na man verslijt.
Een andere mogelijkheid is er ook:
Deze vrouw was getrouwd en haar eerste man overleed op jonge leeftijd.
Ze trouwde een ander en ook die moest ze missen.
En dat is een aantal keer gebeurd, waarbij de zesde keer de mannen zeiden:
Ik trouw niet meer met deze vrouw, want dan zal ik het niet overleven
en dat ze op een bepaalde manier haar toevlucht en bescherming zocht bij een man
zonder dat ze in het huwelijk trad met hem, om toch onderdak te hebben.
Er is nog een derde mogelijkheid,
die hier ook goed past in de manier waarop Johannes vertelt.
Die vijf mannen zijn niet zozeer levende mannen, maar zijn 5 afgoden die de vrouw diende.
Ze is steeds op zoek geweest naar een god die bij haar past
en elke keer vond ze in de god die ze vond niet het echte leven,
niet het leven zoals ze kan vinden
en dat Jezus nu tegen haar zegt: je zoektocht tot nu toe naar leven, naar een god,
is op niets uitgelopen omdat je het niet bij de echte God hebt geprobeerd,
bij de God van Jakob, die Jakob die je deze bron geschonken heeft.
Je vindt de bron bijzonder, je vindt Jakob bijzonder,
maar wat dacht je van de God van Jakob?
Wat denk je van de God die deze bron geeft, die je dit water schenkt
En die je iets wil geven, waardoor je nooit meer op zoek hoeft te gaan naar leven,
nooit meer dorst hebt, omdat de dorst naar God is gelest.
Dat blijkt raak te zijn, want de vrouw is diep geroerd: U bent een profeet, zegt ze.
U weet over God en u weet van mijn zoeken naar God,
u weet dat mijn manier van leven eigenlijk een dorst, een hunkering naar God is.
U hebt gelijk. U bent door God op mijn weg gestuurd. Het moest zo zijn.
En daarom rent ze terug naar haar stad Sychar:
Daar bij de put zit een Jood, die meer is dan een profeet,
Hij is de Messias, de Christus – Hij weet alles van mij,
zelfs wat ik niet wist, dat ik dorst heb naar God,
Dorst naar God, zoals een hert verlangt naar water, zo verlangt mijn ziel naar God,
de levende God, wanneer mag ik komen om Hem te aanbidden?

Dorst naar het leven, die, zonder dat ze het door hebben eigenlijk een dorst naar God is.
Wat is er mooier dan wanneer je zo’n dorst naar het leven tegenkomst,
dat je iemand kunt meenemen, naar degene die werkelijk de dorst kan lessen.
Zoals een hert verlangt naar water, zo schreeuwt mijn ziel tot God.
Zou je dat niet eens tegen iemand kunnen zeggen:
Je bent op zoek naar leven, je wilt het leven meemaken, iets beleven.
Dat je wilt weten waarom je leeft, dat je dat wil voelen en ervaren, dat snap ik,
al zal ik andere keuzes maken,
maar is wat je bezighoudt uiteindelijk niet een dorst naar God?
Zijn we soms niet te bang om het over God te hebben,
omdat we denken dat die ander het raar vindt, er niets mee kan, de schouders zal ophalen?
Maar zou het leven dat de Heere geeft, een leven tot in eeuwigheid,
ook niet voor je broer of zus zijn, voor je buurman, voor je vriend of vriendin?

Je kunt dan nog wel dorst hebben naar God, diep in je een verlangen hebben,
Waarvan je zelf niet eens weet dat het een verlangen naar God is,
maar dan moet je wel iemand hebben, die je helpt te ontdekken,
Dat de manier waarop je leeft, hoe je doet, hoe vreemd het misschien ook klinkt,
ten diepste een hunkering is om door God gezien te worden, geliefd te zijn,
bij Hem te horen en bij Hem te komen.
Daar is Jezus bij de put. Alleen. Hij moest er zijn.

Zijn discipelen waren op weg gegaan.
Ze hadden gezien dat Jezus een dorst had en vermoeid was.
Zij hadden niet met de ogen van het geloof gekeken
en alleen gedacht aan aarde behoeften: aan honger bij Jezus
Zij waren op hun beurt naar de stad Sychar gegaan om daar voedsel te kopen
en hadden Jezus alleen achter gelaten bij de bron van Jakob.
Hadden ze Hem geen drinken gegeven?
Hadden ze geen emmer bij zich, waarmee Jezus zelf water had kunnen putten
of zij water uit de bron omhoog hadden kunnen halen voor hun Meester?
Waarom bleef Christus dorst houden?
Was zijn dorst pas gelest als deze vrouw van het water des levens gedronken had?
Kunt u dat begrijpen dat onze Heere dorst had,
en dat Zijn dorst pas gelest was als deze vrouw het levende water had gekregen
en Hem had leren kennen?
Zou Christus nog steeds dorst kunnen hebben,
om dat levende water aan u en jou en ook aan de mensen om u en jou heen te geven?
Aan de mensen met wie jij, met wie u omgang hebt.
Jezus zegt: Ik ben – Ik ben dat levende water.
Ik kan je verlangen naar God vervullen, als je hunkert naar God in je leven
en je zoekt het misschien op allerlei plaatsen om Hem te vinden.
Je hoeft niet ver te zoeken. Hier is Hij. Hij zegt: Ik ben het. Ik ben dat water des levens.
En onze taak is het om anderen mee te nemen naar dit levende water.
Om anderen, die we kennen, dat levende water aan te bieden en te brengen.
Dat klinkt misschien wel heel simpel, te simpel misschien wel om tegen iemand te zeggen:
Je bent naar van alles op zoek, maar wat je echt zoekt is Jezus.
Zo werkt het vaak niet.
Vaak werkt het veel meer om te zien dat je broer, je vriendin, je buurvrouw, je vader
zonder dat hij of zij het weet op zoek is, op zoek naar meer dan water: levend water,
op zoek is, ten diepste naar iets dat alleen de Heere kan geven.
Hier is dat levende water. Ik heb het zelf ook ontdekt.
Kom en zie, Hij weet alles van mij. Hij weet ook alles van jou!
En dat is genoeg om te komen en van dat water te drinken,
om de dorst naar God te lessen.
amen

NB: de vetgedrukte woorden hebben te maken met eeen preekbingo die voor de kinderen is gemaakt.

Kliederkerk als kerkvorm

Kliederkerk als kerkvorm

“Kerk” uit zich in talloze vormen. Ook kliederkerk presenteert zich als kerk. In ieder geval in naam. Ook in doelstelling: het is bedoeld als een verrassende manier van samen kerk-zijn. De kliederkerk als kerkvorm laat zien dat elke vorm van kerk-zijn in de voorlopigheid gebeurt en een fragment is. Want als in een gemeente wel avondmaal gevierd wordt, maar niet gedoopt wordt omdat er geen kinderen meer zijn, is die gemeente dan nog wel volledig kerk? Is een gemeente die de ambten niet volledig meer kan invullen nog wel volledig kerk? Moeten we niet zeggen dat geen enkele gemeente op een volledige manier kerk kan zijn? Op die manier kunnen we juist honoreren dat de kliederkerk ook echt kerk is, al ontbreken dat wezenlijke elementen voor het kerk-zijn.

Voor reguliere gemeenten is de kliederkerk dan ook allereerst een uitdaging: laat de gemeente niet iets liggen, wat de kliederkerk oppakt? De kliederkerk heeft niet de pretentie om een eigenstandige gemeente te vormen, maar meer een vierplek te zijn. Laat de kliederkerk daarmee niet zien hoe wezenlijk het vieren is voor het christelijk geloof?
Zelf kom ik uit een stroming die vooral terughoudend was ten opzichte van vieren en het event-karakter van het christelijk geloof. Ook al waren de aarzelingen met betrekking tot het event-achtige en het vierende terecht, er ging ook iets wezenlijks verloren: namelijk dat geloof meer is dan dat in je hart, in je hoofd en in je ethiek zit. Geloof heeft te maken met heel je bestaan, met alle zintuigen, met vreugde en andere emoties. De kliederkerk pakt dat aspect juist op.

Daarmee sluit de kliederkerk aan bij een stroming in de godsdienstpedagogiek die het vieren als toegang tot het christelijk geloof ziet. Met het kerkelijk jaar zijn er genoeg aanknopingspunten om het vieren gestalte te geven.
Er kan zelfs nagedacht worden over een manier van avondmaal vieren die passend is bij de vorm van de kliederkerk. Waarom zou je wel op een creatieve en symbolische manier het christelijk geloof kunnen vieren en niet het avondmaal in een bepaalde gestalte kunnen hebben?
De kliederkerk is geen vorm van kerk-zijn die compleet is losgezongen. De voorwaarden die nodig zijn om het avondmaal te houden, kunnen daardoor gerealiseerd worden. De kliederkerk houdt ook een spiegel voor: is de zondagse eredienst niet los komen te staan van de praktijk van het alledaagse leven en krijgen gemeenteleden niet te weinig mee vanuit de zondagse eredienst om hun dagelijks bestaan daarmee in verbinding te brengen?

Of de kliederkerk de laatste gezinnen uit de kerk jaagt, hangt af van de connectie tussen de bestaande gemeente en de kliederkerk. Een bestaande gemeente organiseert wel vaker activiteiten die gericht zijn op een bepaalde doelgroep, zonder dat die ervaren worden als een concurrent: een vakantiebijbelweek, een AlphaCursus, Bijbelkringen, gemeentegroeigroepen, bijeenkomsten voor gezinnen. De kliederkerk kan daarom ook een aanvulling zijn.
De kliederkerk is een waardevolle aanvulling van kerkvormen. Het is verleidelijk om daar heel lyrisch over te worden. De kliederkerk zou een plek zijn die aantrekkelijk is voor mensen die weinig of niet in de kerk komen. Dat is echter te algemeen gesteld. In bepaalde missionaire kringen wordt gewerkt met variatie in sociale milieus. Is de kliederkerk als vorm van kerkzijn  voor álle sociale klassen toegankelijk is? Kunnen mensen uit verschillende sociale klassen samen een kliederkerk vormen? Passen mensen uit een traditioneel milieu bij mensen uit een precair milieu? Gaat iemand uit een hedonistisch milieu makkelijk samen met iemand uit een liberaal-intellectueel milieu? De keuze voor een wijk of een locatie kan al de keuze voor een bepaald sociaal milieu zijn. Net als de keuze voor creatieve werkvormen ook onbewust een keuze voor een bepaald milieu kan zijn.

Wat mist de kerk en wat missen degenen die nu naar de kliederkerk komen als deze vorm er niet zou zijn? Het is aardig dat deze nieuwe vorm van kerkzijn zich in naam presenteert als een vorm van kerkzijn. Dat in een tijd waarin de kerk als instituut en als geloofsvorm onder druk staan. Een vraag voor mij is wat de inhoud is van de kliederkerk. Welke godsbeelden en welke visies op Jezus mogen wel en welke niet? Hangt dat af van de deelnemers? Hangt dat af van de organiserende kerk? Hangt dat af van het gebruikte materiaal? Welke godsbeelden en welke visies op Jezus mogen wel en welke niet?

Preek zondag 7 februari 2021

Preek zondag 7 februari 2021
Schriftlezing: Markus 4:21-34

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is altijd mooi om te horen over iemand die tot geloof komt.
Wanneer ik zo’n verhaal lees, kan ik dat met extra aandacht lezen.
Zo’n verhaal is altijd bemoedigend en leerzaam, vind ik.
Ik kan me zo voorstellen dat u, dat jij je daar ook aan optrekt
omdat je daarin ziet dat de Heere ook in onze tijd werkt.
Dat kan je ook weer hoop geven, voor jezelf.
En ook voor anderen om je heen, die op dit moment niet geloven.
Dan weet je weer: ook bij hen is het mogelijk dat ze gaan geloven.
Dat geeft weer moed om te blijven bidden dat ook zij de Heere Jezus zullen leren kennen.
En dat blijf je dan ook maar doen: bidden dat de Heere ook in hun hart wil komen.

Het omgekeerde gebeurt ook:
dat mensen die bij de kerk horen, hun lidmaatschap opzeggen.
Het geloof heeft hen nooit geraakt. Christus is nooit in hun hart gekomen.
Ze hebben preken gehoord, hebben catechisatie gevolgd
Maar ondertussen heeft dat geen uitwerking bij hen gehad.
Als het iemand is, die je goed kent – uit je eigen gezin, uit je eigen vriendenkring –
kan je dat veel verdriet doen, je diep raken.
Je weet voor jezelf hoe mooi het leven met de Heere kan zijn, hoeveel je er aan hebt,
je weet dat deze weg de enige weg is om behouden te zijn
en dan kan het je zoveel zorg geven als iemand die je goed kent
daar niet meer wil mee bezig zijn.
Je blijft bidden dat er toch iets anders in hun leven mag gebeuren,
dat hun hart alsnog mag open gaan, dat ze er iets van mogen ontdekken en ervaren,
maar je hebt dan geregeld wel moed en vertrouwen nodig, dat de Heere je gebed hoort,
om door te blijven gaan met dat gebed.

We zitten in een tijd waarin we eerder die verhalen horen: dat iemand zich laat uitschrijven,
of dat iemand onverschillig blijft onder al die keren dat hij of zij over de Heere hoorde.
Hoe kan dat dan?
Hoe kan het dat het evangelie, dat de verhalen over de Heere lang niet altijd vrucht dragen.
Waarom bij de een wel en de ander niet of zoveel anderen niet?
De Heere heeft Zijn Zoon toch niet op aarde gebracht
met als doel dat er maar weinigen zouden gaan geloven?
Die liefde gaat toch uit naar de gehele wereld, zodat er velen gered zouden worden?
Als Christus in onze wereld gekomen is,
in onze wereld die zo donker is, omdat ze van God vervreemd is
en Christus gekomen is als het licht van de wereld om dat duister te verdrijven,
dan is het toch niet de bedoeling dat dit licht onder een bed wordt gezet,
dat je er iets overheen zet om te zorgen,
dat het licht in die donkere wereld niet wordt opgemerkt?

Als je op donkere dagen in de kamer een lamp aansteekt
is dat niet om maar een klein beetje licht te hebben in de kamer,
maar zodat de hele kamer verlicht is.
Een klein beetje licht doe je alleen als je op een slaapkamer bent
en je iemand anders niet wil wakker maken,
of als het licht dat je binnen hebt, buiten niet gezien mag worden.
Zoals in de oorlog, toen de ramen verduisterd moesten worden,
omdat de Duitsers verboden dat er nog licht naar buiten kwam.
Dat licht zou Engelse vliegtuigen de weg kunnen wijzen naar Duitsland.
Daarom verboden ze het.
Zo kun je dit licht van het evangelie wegstoppen als je gevaar loopt,
als je vervolgd kunt worden wanneer je over Christus spreekt.
Maar het is niet de bedoeling dat dit licht maar een klein beetje straalt.
Daarvoor wordt een lamp toch niet binnengebracht.
Eigenlijk staat er: De lamp komt toch niet de kamer binnen,
waardoor je wel op het idee moet komen, dat Christus het hier over zichzelf heeft.
– Ik ben het licht van de wereld, zegt Jezus.
Dat licht dat Jezus is, is niet voor deze wereld bedoeld om in een klein hoekje te schijnen.
Dat licht dat Hij is, is bedoeld om de hele wereld te verlichten.

Wie zou het licht dan verbergen?
Zijn wij als mensen het dan die het licht van Christus maar in een klein hoekje laten schijnen,
omdat wij het niet zien zitten om de boodschap van het evangelie uit te dragen?
Blijft Zijn licht dan maar in een beperkt hoekje schijnen, omdat wij het niet laten stralen?
Of is er iemand anders die dat licht beperkt houdt?
Is het God zelf die dat licht eerst beperkt laat schijnen?
Deze gelijkenis volgt op de gelijkenis van de zaaier die het zaad zaait:
De zaaier strooit veel zaad uit, maar veel zaad valt op de verkeerde plek
en komt niet op, omdat de grond niet goed is, of omdat er onkruid staat.
Slechts een deel van het zaad komt in aarde die geschikt is om te groeien.
Slechts een deel van het zaad komt op en draagt vrucht.

Dat kan de vraag oproepen: is het dan wel van God als het zo weinig geloof vindt?
Kunnen wij mensen zo makkelijk de Heere afwijzen en ons verzet tegen Hem volhouden?
Als de Heere komt, dan mag je toch verwachten dat Zijn werk effect heeft
en dat op de weg die Hij gaat er velen tot geloof komen?
Je mag toch verwachten dat als Hij met Zijn evangelie komt,
met Zijn opdracht om te geloven, met Zijn uitnodiging om Hem lief te hebben,
dat mensen die zo’n uitnodiging krijgen, niet achter kunnen blijven?

Toch is dit de weg die de Heere kiest: eerder in het verborgen, onopvallend,
heel menselijk, op een kwetsbare manier,
Waarbij wij mensen het ook af kunnen wijzen en het licht kunnen wegstoppen,
onder een bed kunnen zetten, onder een korenmaat,
zodat dit licht maar door weinigen wordt gezien en het donker blijft in de wereld.

Het is echter niet de bedoeling dat het zo blijft.
Dat het maar door weinigen gezien wordt en maar in weinig harten en huizen schijnt.
Nee, Jezus is niet gekomen om maar heel beperkt te schijnen en maar weinigen te bereiken.
Zijn boodschap is niet maar voor een enkeling bedoeld,
die enkeling die geluk heeft, die wedergeboren is, die voorbestemd is.
Nee, Zijn licht moet stralen en zal ook stralen over heel de wereld.

Nu is het nog verborgen, maar dat is eens anders.

Als iets verkeerds is, willen we het verborgen houden.
Als iemand in het geheim een aanslag voorbereidt, wil hij niet dat het openbaar komt.
Als iemand in het verborgene geld van een stichting wegsluist naar zijn eigen rekening,
wil hij niet dat het openbaar komt.
Als een sporter doping gebruikt om beter te kunnen presteren,
doet hij er vaak alles aan om het weg te stoppen en als het openbaar komt,
wordt er een reden aangedragen waarom iemand dat middel heeft gebruikt.

Maar als het iets goeds is, iets moois is, dan wil je dat het een keer openbaar wordt.
Als je verliefd bent op iemand, dan hoop je dat die ander het eens ontdekt
en als het wat is, dan mag de hele wereld erachter komen.
Als je in verwachting bent, houd je het eerst verborgen,
maar na een aantal weken mag iedereen het weten dat je nieuw leven verwacht.
Zo is het ook met het koninkrijk van God: het is zaad dat gestrooid is
en het is lang verborgen, lange tijd zie je er niets van,
maar op een keer ontkiemt het zaad en begint het te groeien en wordt het zichtbaar
omdat de groene sprietjes boven de grond uit gaan steken.
Eerst zie je er niets van.
Een aantal weken ligt de akker erbij zoals het was voor de zaaier dat zaad zaaide.
Als je een dag nadat de zaaier is rondgegaan over de akker, zie je er weinig van,
of het moeten de vogels zijn die bezig zijn om het zaad op te pikken.
En ook na een paar weken zul je op die akker niets aantreffen.

Je kunt natuurlijk als luisteraar zeggen: het zaad is gestrooid,
maar er gebeurt toch niets bij mij. Dat zaad zal wel niets zijn.
Ik voel niets in mij gebeuren. Ik neem bij mijzelf niets waar.
Of je kijkt om je heen en je ziet dat het bij anderen ook zo weinig doet.
Als je nu in de kerk zou zitten, zou iedereen alleen maar voor zich uitkijken
naar de dominee of als je je verveelt, kijk je rond in de kerk,
maar aan de luisteraars is niets te merken dat het zaad in de aarde valt en ontkiemt.
Ach, dat zaad zal wel niets zijn.
Met de maat waarmee u meet, zal uzelf gemeten worden.
Hoe u dat zaad dat gestrooid wordt taxeert, hoe u de boodschap ontvangt,
zal de maatstaf zijn waarmee de Heere u zal meten.
Als u zegt: Dat is niets voor mij. Het doet me niets, ik ben er niet van onder de indruk.
Dan kom je later voor de troon van God te staan en dan zeg je:
Heere, mijn excuus, ik was op aarde niet onder de indruk van U,
maar ik zie dat ik me vergist heb. 

Wat moet de Heere daar dan op antwoorden?
Zijn hand over Zijn hart strijken en zeggen: Ach, iedereen vergist zich?
Vergissen is menselijk?
Met de maat waarmee je meet – met de mate hoe je het evangelie ontvangt,
hoe je reageert op de boodschap van Christus,
hoe je reageert op het binnenkomen van Christus in je leven.
Dat zal ook de mate zijn waarop de Heere het oordeel over je leven velt
en als je de Heere in je leven welkom heet, al is dat heel voorzichtig,
dan zal je royaal bedeeld worden met Zijn genade en liefde,
dan komt Hij niet voorzichtig je leven binnen, heel aarzelend, zoals jij aarzelt,
maar Hij zal zich volledig aan je geven.

Daarom zegt de Heere Jezus eerst nog:
Wie oren heeft om te horen, laat hij horen.
Iedereen heeft toch oren? Er is toch geen mens die geen oren heeft?
Daarmee bedoelt de Heere Jezus: niemand kan zeggen dat het niet voor hem of haar was.
Het gaat erom of je het ook ontvangt, in je opneemt, het evangelie zijn werk laat doen,
of je Christus in je leven laat schijnen, of dat je Hem wegstopt onder je bed of korenmaat.
Sluit je oren niet af, maar luister.
Heb je geen oren in je hoofd, kun je wel eens in je boosheid tegen een kind zeggen.
Of een vrouw die al heel lang iets aan haar man wil duidelijk maken:
Ik wilde dat ik wel eens tot je door kon dringen, dat je ook hoort wat ik zeg.
Wie oren heeft om te horen, laat die horen. Daar zijn oren toch voor om te horen?
Dat is de weg waarop Christus in je leven kan komen: Dat je je oren open hebt,
en dat je hoort wat de Heere tegen je zegt: Zijn aansporing, Zijn liefdesverklaring.
Wie oren heeft om te horen, laat die horen.
Daar klinkt iets in door van wat de Heere tegen Israël zei:
Hoor Israël, de Heere is jullie enige God, je moet alleen mij dienen.

Als je de deur van je hart voor Hem opent, dan zal Hij ook in je leven komen.
Dat zul je misschien niet gelijk merken.
Een zaaier die het zaad uitstrooit, ziet het ook niet gelijk opkomen.
Zo is het ook als je de Heere toelaat in je leven: je hebt niet gelijk resultaat.
Je bent niet gelijk een ander mens. Je bent niet gelijk helemaal anders.
Bekering is vaak een heel lang proces, bij de Heere horen is vaak een proces dat tijd kost.
Als zaad dat eerst in de aarde valt.
Je ziet er eerst niets van.
Het lijkt er eerst niets op. Geen resultaat.
Die rare boer die na het zaaien zich doucht en dan een aantal dagen niet op de akker komt
en op tijd naar bed gaat en de tijd neemt om te slapen.
Je moet toch werken om ervoor te zorgen dat er een oogst komt?
Maar de boer houdt een dagelijks ritme aan van slapen, opstaan, ontbijten,
een aantal dagen lang.
Want de boer weet dat daar in die akker iets gebeurt, waar hij toch geen grip op heeft,
een wonder van de schepping, dat hijzelf niet voor elkaar krijgt.
Het enige dat hij kan doen is wachten en geduld hebben.
Zo is het koninkrijk van God, zegt Jezus,
zo werkt de Heere in je leven en maakt Hij je een gelovige
en werkt Hij in je om je te vormen en te kneden naar Zijn beeld,
zo werkt Hij aan je geloof en je vertrouwen, aan je leven als christen.
Je ziet er niets van, het gebeurt zonder dat je het merkt, maar het gebeurt wel.
Gods werk gebeurt in het verborgene,
je ziet er weinig van, maar daarom gebeurt het nog wel.
En zoals het in je hart op een verborgen manier groeit,
zo groeit Zijn koninkrijk ook in de wereld op een verborgen manier.
Hij vraagt om geloof, om vertrouwen, om geduld: God gaat echt wel door met Zijn werk.
In jou, in de wereld – totdat Zijn koninkrijk er is,
totdat Zijn licht schittert in heel de wereld en door iedereen wordt gezien
en al het duister verdwenen is.

Er kunnen momenten zijn, waarop je je zorgen maakt om Gods koninkrijk,
omdat het zo kwetsbaar lijkt, zo klein, zo onooglijk,
een klein zaadje – een mosterdzaadje.
Er zijn zondagscholen die zo heten: Het mosterdzaadje.
Wat er gebeurt op de zondagsschool lijkt niets voor te stellen:
Een bijbelverhaal dat verteld wordt, wat liederen die gezongen worden
en dat voor een uurtje in de week.
Maar als Gods kracht in dat zaadje zit, dan gebeurt er een wonder,
dan ontkiemt het kleine zaadje en groeit er een krachtige struik uit, een flinke boom,
dan is dat kleine kind dat naar die verhalen hoort,
later uitgegroeid tot een gelovige die veel kan betekenen voor het koninkrijk van God,
die voor veel andere gelovigen een steun is.

Waarmee moet je het koninkrijk van God vergelijken?
Hoe kun je nu Gods werk in deze wereld, hoe kun je nu Gods werk in jou uitleggen?
Als een lamp die ergens onder gezet wordt en weinig licht verspreidt
En zelfs het risico loopt om uit te doven?
Of een zaad dat je een tijd niet ziet, maar wel ontkiemt en uitgroeit tot een korenhalm,
of zelfs tot een sterke boom.
Onderschat God niet, als Hij werkt, is Hij niet te stuiten.
Je ziet het alleen vaak niet, omdat het aan onze waarneming onttrekt.
We zien het niet. Maar dat hoeft ook niet.
Het is genoeg om dat vertrouwen te hebben dat het licht schijnt en het duister verdrijft,
dat het zaad dat gestrooid is ontkiemt, dat het mosterdzaadje uitkiemt en een boom wordt.

De Heer regeert! Zijn Koninkrijk staat vast,
zijn heerschappij omvat de loop der tijden;
een sterke hand, die nooit heeft misgetast,
blijft met het heilig zwaard des Geestes strijden;
en d’ adem zijner lippen overmant
de tegenstand.
Amen

Preek: zondag 31 januari 2021

Preek: zondag 31 januari 2021
Afsluiting themaweek school en kerk Dapper als David


Als jij koning zou worden,
wat zou jij dan als eerste doen?
Zou je dan als eerste de scholen opendoen?
Of zorgen dat de corona over is?
Of dat arme mensen geholpen worden?

Het eerste dat David moet doen is vrede brengen.
Daarvoor moet hij eerst oorlog voeren,
tegen de vijanden van Israël:
de Filistijnen hebben een deel van het land veroverd
en David moet ze bevrijden.

Daar is hij eerst heel druk mee.
Maar als de strijd voorbij is,
kan hij naar Jeruzalem,
om daar koning te zijn over heel Israël.

Die stad moet hij ook eerst nog veroveren,
maar dan kan hij daar koning worden
en over heel IsraËl regeren.


Als hij in Jeruzalem koning is,
dan mist hij iets:
hij mist de ark.

De ark is ooit weer terugkomen uit het land van de Filistijnen,
maar omdat er een ongeluk gebeurde,
s de ark in een dorp achtergebleven.

Nu het weer vrede is
en David geen oorlog meer hoeft te voeren,
kan hij er aan denken
om de ark naar Jeruzalem te halen, waar hij koning is.
Waarom is die ark voor David zo belangrijk?

Die ark is een soort kist.
En op die kerk waren twee engelen gemaakt.
Op de vleugelen die de engelen hadden kon iemand zitten.
De ark was een troon,
gemaakt van engelen.
De engelen droegen de koning
die op die troon zat.
Op die troon had echter nooit iemand gezeten,
geen enkele mens,
want het was niet de troon voor iemand die op aarde leeft,
maar de troon voor de Heere.
De ark was een troon die gemaakt was
voor de allerhoogste God,
om aan te geven dat de Heere regeert,
niet alleen over Jeruzalem,
maar over heel de aarde.

Nu wil David de troon weer terug hebben in Jeruzalem,
want hij, David,
kan dan wel koning in Jeruzalem en koning over Israël zijn,
de echte Koning is de Heere.
De Heere heeft hem, David, koning gemaakt
en hem geholpen om de vijanden te verslaan
en rust te brengen.


Als de ark in Jeruzalem is,
dan heeft David een vaste plek om naar toe te gaan.
Niet dat de Heere er niet was.
De Heere hielp hem, toen hij moest vluchten voor Saul.
De Heere was er bij toen hij de vijanden moest verslaan.
Ook toen hielp de Heere hem.
In de psalmen zingt David vaak
over de hulp van de Heere bij het oorlog voeren.

Zij vielen mij aan toen ik geen kracht meer had.

Maar de Heer hielp mij,

hij bevrijdde mij uit gevaar.

Hij redde mij, omdat hij me liefhad. (Psalm 18:19-20 BGT)

Toch kan een vaste plek belangrijk zijn,
een plek om de Heere te dienen:
Waar elke keer naar toe kunt gaan, om te bidden,
om de Heere om raad te vragen,
om te danken, om tegen jezelf te zeggen:
De Heere is er nog.
Hij regeert.

Als je nu bij jou in huis een vaste plek zou hebben voor de Heere:
welke plek in huis zou dat zijn?
Een plek op je eigen kamer?
Of een plek beneden in de woonkamer?
De vensterbank of een hoekje in huis?
En hoe zou je die plek willen inrichten?
Wat zet je daar neer?
Iets dat je aan de Heere herinnert?
Of iets wat je zelf gemaakt hebt?

David wil zo’n vaste plek bij hem in de buurt: de ark.
Als er nu een ding is,
waardoor hij kan weten dat God de koning is over alles,
dan is dat de ark wel,
die ooit is gemaakt als troon voor God.

Al is God niet zichtbaar
en heeft nooit iemand op die troon gezeten.
Vaak was de ark ook niet zichtbaar.
Het was al genoeg om te weten dat de ark er was.
In een tent – die tabernakel werd genoemd.
Dat wil David nu ook in Jeruzalem.

De ark wordt opgehaald.
Een heel leger gaat mee.
Dat leger hoeft nu niet uit te rukken om te vechten.
Deze keer mag het leger mee om aan te geven hoe
groot de Heere is.

De soldaten moeten deze keer niet vechten,
maar zingen en muziek maken.
Zo blij is David dat de ark naar Jeruzalem komt.

Want hij weet wel dat de Heere in Jeruzalem is,
maar als de ark er is,
hoeft hij daar nooit meer aan te twijfelen.
Die vreugde komt tot uitdrukking in de muziek:
Allerlei instrumenten,
zoals harpen en trompetten, fluiten en trommels.
Een feestelijke intocht,
je kunt er alleen maar blij mee worden.


Maar dan gaat er iets mis:
De ark glijdt van de wagen af
en Uzza die er naast loopt,
steekt zijn hand uit om de ark tegen te houden.
Dat had hij niet moeten doen,
want terwijl Uzza de ark aanraakt, sterft hij gelijk.

God wil niet dat Uzza de ark tegenhoudt.
Dat is voor ons niet zo makkelijk te begrijpen:
Wij zouden het juist mooi vinden,
dat Uzza zo snel reageert en opgelucht zijn
als hij de ark had tegen gehouden,
zodat dit belangrijke voorwerp niet op de grond zou komen
en beschadigd zou raken.

Blijkbaar wil de Heere op deze manier iets duidelijk maken.
Misschien werd de ark op een verkeerde manier vervoerd:

Want eigenlijk moest de ark door priesters worden opgetild,
maar dan wel zonder aanraken.
Ze hadden lange stokken die door ringen werden gedaan
en zo tilden ze de ark op.

Dat ging minder snel dan met een kar
die door koeien werd getrokken.

Misschien dat de Heere wilde zeggen: doe het op Mijn manier en niet op jullie eigen manier.
David, je kunt nog zo veel willen,
je kunt Mijn ark wel in de buurt hebben,
maar je moet wij wel dienen
op de manier die Ik belangrijk vind.

Je kunt begrijpen dat David geschrokken is
en dat het feestelijke gelijk weg is.
David roept iedereen bij elkaar
en stil gaat die grote groep mensen,
die pas nog zo vol feestvreugde waren,
terug naar Jeruzalem, stil, geschrokken, verdrietig.


Dan maar zonder ark in Jeruzalem.
Na een aantal maanden
krijgt David bijzonder nieuws over de ark.
Degene die de ark in huis heeft,
ontvangt steeds de zegen van God.
Ja, dat was de reden
waarom David de ark wilde hebben: om dicht bij de Heere te zijn
en steeds de zegen van de Heere te ontvangen.

David gaat alsnog de ark halen.
Hij wil de ark van God dicht bij hebben.
Het kan dus wel, de ark van God dicht bij je hebben.
Dit keer doet hij het anders: de ark wordt nu gedragen.

En na 6 stappen laat David iets bijzonders doen:
Elke keer laat hij een offer brengen.
Dit duurt veel langer dan de eerste keer,
maar dat maakt niet uit! David is zo blij!

David is zo blij dat hij wild begint te dansen!
Dat is misschien ook iets dat we ons niet helemaal kunnen voorstellen,
dat je zo blij bent dat de ark naar Jeruzalem komt:
Dat je ronddanst van vreugde.

Zijn vrouw Michal vindt het ook belachelijk:
David, dat hoort een koning niet te doen.
Je hoort als koning stijlvol te zijn en ernstig te kijken,
je niet laten meeslepen.
Dat is iets voor slaven en voor knechten,
mijn slavinnen zouden dit doen.
Maar jij als koning, dat is beneden jouw waardigheid.

David is helemaal niet bezig met wat anderen vinden,
of wat hij hoort te doen.
Hij kan alleen maar aan de Heere denken,
en alleen maar blij zijn
omdat hij nu een plek in Jeruzalem voor de Heere heeft.
David woont in Jeruzalem
en de Heere nu ook!
Zo wordt Jeruzalem de stad van God.

Er is een schilderij van Marius van Dokkum, een Nederlandse schilder.
Een klein meisje is voor in de kerk en zij danst.
Iedereen in de kerk kijkt naar haar:
de dominee buigt over de preekstoel,
de organist kijkt achter het orgel vandaan,
de mensen in de banken rekken zich uit.
Het is bijzonder: dat meisje danst voor in de kerk,
met de ogen dicht.
Net of ze maar geconcentreerd is op één ding: één ding waar ze aan kan denken.

Psalm 27 verwoordt het zo:

Ik vraag aan de Heer maar één ding,

meer heb ik niet nodig.
Ik wil bij hem wonen,
elke dag, heel mijn leven.
Ik wil bij hem zijn in de tempel.
Dan zal ik zien hoe goed hij is.
Als er gevaar is,
verbergt hij mij in zijn tempel.
In zijn huis ben ik veilig.
Ik zie vijanden om mij heen,
maar ik weet dat ik sterker ben dan zij.
Vol vreugde zal ik de Heer danken.
Ik zal vrolijk voor hem zingen,
en offers brengen in de tempel.

Ik hoop dat je ook zo blij met de Heere kunt zijn.
Amen

De eigen eindigheid onder ogen zien

De eigen eindigheid onder ogen zien
Recensie van J. Todd Billings, The End of the Christian Life (2020)

Een aantal jaar terug werd ik twee dagen voor Kerst gebeld door een man uit onze gemeente. Zijn vraag was of ik langs wilde komen. Ik vroeg hem of ik direct wilde komen of dat het na de kerstvakantie kon. Hij gaf aan dat hij mij liefst direct bij hem thuis had. Deze man was eigenlijk niet zo betrokken bij onze gemeente, maar belde mij nu op. Toen ik bij hem in huis was, werd duidelijk waarom hij mij gebeld had: Hij had van de arts te horen gekregen dat hij nog maar kort te leven had. Onverwacht kwam het besef dat zijn leven eindig was. Hij had mij nodig omdat hij niet wist wat hij nu moest doen.

In zijn jongste boek The End of the Christian Life stelt J. Todd Billings dat wij mensen van deze tijd pas na gaan denken over hun eindige bestaan als wij geconfronteerd worden met onze eigen eindigheid. We leven in een tijd waarin we onze eigen eindigheid uit de weg kunnen gaan en ons onsterfelijk kunnen wanen. Todd Billings, hoogleraar Reformed Theology aan het Western Seminary in Holland (Michigan), kreeg op 39jarige te horen dat hij ongeneeslijk ziek is. Sindsdien kan hij zijn eigen eindigheid niet meer uit de weg gaan. In dit boek schrijft hij niet zozeer een ervaringsverhaal (dat beschreef hij in zijn boek Rejoicing in Lament uit 2015). In dit boek wil hij laten zien dat het beseffen van de eigen eindigheid kan helpen om het goede leven te vinden. In het boek gaat het daarom niet alleen over het einde, maar ook over het doel van het christelijk leven.

Als de schaduw van de dood over het leven valt, is dat allereerst confronterend. Todd Billings begint zijn boek daarom ook met de geloofsbeleving van de psalmen, waarin de ervaring verwoord wordt in de ‘groeve’, ‘het rijk van de dood’ terecht gekomen te zijn. In die psalmen die over het dodenrijk gaat, wordt volgens hem niet zozeer het leven na dit leven verwoord, maar de ervaring van de schaduw van de dood die over het leven valt. Kankerpatiënten verblijven in dat rijk van de dood, is zijn eigen ervaring. Hij is de psalmen vanuit zijn eigen ervaring gaan lezen: hij krijgt oog voor de angst die er verwoord wordt, de angst die je ook lichamelijk voelt, het gevoel van God afgesneden te zijn, de ervaring dat je als mens niet meer de baas bent over de omstandigheden. Laatste zin van dit hoofdstuk: ‘Alleen degenen die hun ogen open hebben in deze plaats van duisternis kunnen genoeg zien om te hunkeren naar het licht van de opstanding.’

In het tweede hoofdstuk beschrijft Todd Billings twee visies binnen de christelijke traditie op het sterven. De eerste  is de visie dat het sterven als iets is, omdat je dan in Gods heerlijkheid ingaat. Todd Billings vertelt het verhaal van een oudere vriend, die na een leven met hoogte- en dieptepunten klaar is om te sterven. De dood heeft niet alleen een mooie kant, maar ook een bittere kant. Dat is de tweede visie: de dood als irrationeel, als een kwade macht die het goede leven kapotmaakt. Todd Billings vertelt een begrafenis van een jonge zendelinge, waarbij er geen ruimte is voor de schok en de bittere werkelijkheid van de dood. De dienst stond in het teken van de lofprijzing. Todd Billings geeft aan dat hij in die lofprijzing niet kon meekomen. Hij wil beide visies overeind houden en combineren als twee visies die waar zijn: ook na een mooi en voltooid leven heeft de dood een bittere kant.

Als kankerpatiënt ziet hij ook dat veel christenen moeite hebben met de mogelijkheid dat ze kunnen sterven. Hij ziet dat er lang gebeden wordt om genezing, zelfs als genezing menselijkerwijs uitgesloten is. Hij duidt dat als een effect van het welvaartsevangelie: alle nadruk ligt op een goed leven in het hier en nu, waarbij er geen aandacht is voor een leven in Gods eeuwige heerlijkheid. Die christenen geloven in een wonder, omdat ze hopen dat door dat wonder Gods grootheid zichtbaar wordt en voor niet-gelovigen een reden wordt om te gaan geloven. Hij ziet daar meer een uit de weg gaan van de eigen eindigheid en merkt dat nabestaanden na het uitblijven van een wonder in een diepe geloofscrisis terecht kunnen komen. Hij merkt zelf dat medepatiënten, die niet gelovig zijn, ook behoefte hebben aan religie en geloof en gelooft dat de oudtestamentische vroomheid meer te bieden heeft, samen met het geloof in Christus’ opstanding.
De eigen eindigheid onder ogen zien is in de christelijke traditie altijd een vorm geweest om het goede leven te vinden. Nadenken over de eigen eindigheid is niet alleen gericht op het leven na dit leven, maar is ook dienstbaar aan het leven in het hier en nu. De eigen eindigheid opent de ogen voor de eigen beperktheid: wij zijn geen onsterfelijke goden. Het opent de ogen dat Gods kracht vaak in en door de zwakke mens zichtbaar wordt: in het sterfelijke lichaam dat kan lijden onder gebrokenheid kan de eeuwige God wonen. Dat lichaam in al zijn kwetsbaarheid kan een tempel zijn voor de allerhoogste God. Er komt aandacht voor de hoop dat ook het fragmentarische leven, het leven in gebrokenheid, met hoop op God geleefd wordt. Wie zijn eigen sterfelijkheid niet onder ogen wil zien, leeft eerder voor zichzelf. Wie zijn eigen eindigheid onder ogen ziet, beseft dat het leven hier op aarde niet tot vervulling komt als alleen eigen wensen en behoeften tot vervulling komt. Dat leven vindt vervulling in een leven in dienst van God en van anderen. Zo’n leven is zelfs een bevrijding.


N.a.v. J. Todd Billings, The End of the Christian Life. How Embracing Our Mortality Frees Us to Truly Live. (Grand Rapids: Michigan, 2020).

Preek zondag 24 januari 2021

Preek zondag 24 januari 2021
Schriftlezing: Markus 1:21-45

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Er is een kinderlied, dat ook in onze kerkdiensten geregeld voorbij komt:
Kom aan boord, ook voor jou is er een plekje waar je hoort.
In dat lied worden allerlei groepen opgenoemd:
voor de zieken – voor de armen
voor de mensen met verdriet
voor het kind dat blijft proberen
maar toch denkt: het lukt me niet
voor de zwerver die moet zwerven
en geen plek heeft waar hij hoort.
Voor hen is er allemaal een plek in de boot bij Jezus.
Dat klinkt allemaal mooi en we hopen dat onze kerk voor al die mensen een plek heeft.
Maar wat nu als er iemand met corona besmet is en mee wil doen.
Ik denk dat we dan zouden aarzelen en zouden zeggen:
Normaal gesproken ben je bij ons welkom, maar nu even niet.
Wanneer je uitgeziekt bent en je niet meer besmettelijk bent,
dan zien we je graag weer terug.
Niet omdat we een hekel hebben aan die persoon,
maar omdat we niet willen dat we de anderen die aanwezig zijn besmet worden
het virus oplopen, zelf ziek kunnen worden en ook weer anderen kunnen besmetten.
Je hoeft er niet eens zelf ziek van te worden,
maar je moet in ieder geval wel een aantal dagen in quarantaine,
je mag je huis niet uit, niet weg – al is er steeds minder waar je naartoe kunt gaan.
Maar het komt nooit uit om in quarantaine te gaan,
het komt nooit uit om een aantal dagen in afzondering te zijn.

Wat we sinds de coronatijd meemaken,
en dan bedoel ik de mogelijkheid om besmet te worden en de gevolgen daarvan te hebben,
het ziek kunnen worden en de quarantaine,
kan ons helpen om te begrijpen wat er aan de hand is
als het in de Bijbel over onreinheid gaat.
Het is voor ons anders moeilijk te begrijpen waarom iemand in afzondering moet
als iemand melaats is of een andere ziekte die de huid aanvreet.
Wanneer je iemand aanraakte, die melaats had, kon je niet alleen zelf ziek worden,
maar moest je ook een aantal dagen in quarantaine.
Een aantal dagen lang kon je niet naar je werk, kon je niet op bezoek,
niet naar een verjaardag of een bruiloft, en kon je ook niet naar de synagoge.
Als je onrein geworden was, kwam je op een afstand te staan,
van alle mensen om je heen, maar ook op een afstand van God.
Je mocht pas weer onder de mensen zijn, je mocht weer de eredienst bezoeken
als je het oordeel van een priester had die je weer rein was.
Nu moet je een negatieve uitslag van een coronatest hebben
In alle drie de ontmoetingen van Jezus hebben we te maken met onreinheid.

De eerste is een man met een onreine geest.
Blijkbaar mag hij nog wel, ondanks dat hij een onreine geest heeft, in de synagoge komen.
Of heeft hij kunnen camoufleren dat de reden om niet onder de mensen te kunnen komen
bij hem aan de binnenkant zit, en daardoor minder opvalt.
Deze man die in de synagoge zit, heeft niet meer de controle over zijn eigen gedachten
en ook zijn wil wordt door een andere geest bestuurd.
Iemand heeft in hem het stuur overgenomen en hij heeft maar te gehoorzamen
aan wat die onreine geest hem laat doen.
Hij is niet meer de baas over zijn eigen lichaam en zijn eigen gedachten niet meester.
Hij is gevangen door een geest, die onrein is,
Waardoor hij in afzondering komt van de mensen maar bovenal van God.
Zoals de corona ervoor kan zorgen dat je in quarantaine moet,
zo zorgt deze onreine geest ervoor dat deze man eigenlijk in afzondering moet.
niet zozeer omdat hij een zonde heeft begaan – onreinheid is iets anders dan zonde.
Ook de ontmoeting met de Heere is voor een tijd onmogelijk, door die onreinheid.
Doordat wat in je zit, bij deze man in zijn geest.
Dat moet een worsteling voor die man geweest zijn:
Ga ik in afzondering en wacht ik tot die onreine geest vanzelf uit mij is weggegaan?
Of zoek ik de weg naar God, in de hoop dat als ik in de synagoge ben,
die onreine geest uit mij weggaat en ik weer van mijzelf wordt.
Het kan niet anders of die man moet eraan geleden hebben dat in hem die onreine geest zit.
Het kan niet anders dan dat hij een gevangene in zijn eigen lichaam moet zijn geweest
en dat hij zelf heeft aangevoeld, dat wat er in hem omgaat, niet van hemzelf vandaan komt.

We moeten voorzichtig zijn om wat de bijbel zegt over onreine geesten en bezetenheid
toe te passen op de ziekten die wij kennen, bijvoorbeeld psychische ziekten.
Wat wel een overeenkomst kan zijn, is dat bij bepaalde psychische ziekten
er een macht over je kan komen, die sterker is dan jezelf,
Waar je niet tegen opgewassen bent, die je niet de baas kunt,
iets in je dat je aanzet tot gedrag dat je kapot maakt, waardoor je jezelf beschadigt,
of een kracht die tegen je zegt dat je leven geen zin meer heeft
en dat de enige manier om rust te vinden is om een einde aan je leven te maken.

Bij de man in de synagoge zit de geest niet te wachten op Jezus.
Hij voelt wel aan dat er iets staat te gebeuren, dat nu voor hem niet zo positief is.
Hij gaat de strijd aan tegen Degene van wie Johannes zei:
Na mij komt iemand die sterker is dan ik.
Kan deze onreine geest tegen Jezus op? Het is een wanhoopsdaad,
het kiezen van de aanval om de plek in die man te kunnen behouden.
Ga weg! Wat hebben wij met U te maken?
Er is niets dat ons samenbindt.
Het is eigenlijk een Hebreeuwse uitdrukking uit het Oude Testament,
Die de geest hier aanhaalt, waarmee hij zegt: we staan tegenover elkaar.
Macht tegen macht, het kwade tegenover Gods Zoon,
De onreine geest tegenover Hem die gevuld is met de Heilige Geest
en die Heilige Geest zal uitdelen.

Ook koorts werd als zo’n macht gezien, trouwens.
Bij ons is koorts een teken dat je iets onder de leden hebt.
Zeker als het om een koorts ging waardoor je echt goed ziek was
en je geen controle meer over je lichaam had en je gevaar liep om te overlijden
werd de koorts gezien als een kwade macht die je kon meevoeren naar de dood,
een macht die je zo uit het leven kan wegsleuren.
Als de schoonmoeder van Petrus daar ziek op bed ligt
en Jezus meegaat met Petrus het huis in, begeeft Jezus zich op gevaarlijk terrein,
betreedt Hij een huis waar een macht heerst, die het leven kan breken,
een macht die de vrouw die daar zo ziek op bed ligt de baas is en het leven wil ontnemen.
Gevaarlijk terrein voor Jezus, niet alleen omdat hij ziek kan worden,
maar door in een huis te komen waar een ziekte heerst, kan hij ook onrein worden
in de ogen van de mensen om Jezus heen,
waardoor hij een tijd lang gehinderd zou kunnen worden in zijn werk
en zou hij een tijdlang in quarantaine, in afzondering moeten.

Bij koorts is dat nog niet duidelijk,
maar als Jezus in aanraking komt met een melaatse, is dat wel duidelijk.
Ook melaatsheid is meer dan een huidziekte, die de huid aantast.
De ziekte zelf kan wellicht niet doorgegeven worden,
maar de onreine status die een melaatse heeft wel,
een man in zijn isolement, die buiten de stad moet wonen
en zich niet onder de mensen mag begeven
en als hij dat wel doet, moeten de mensen voor hem opzij gaan,
zodat ze niet door hem besmet zouden kunnen worden.
Door alle verhalen die er over Jezus verteld wordt, komt deze man op Jezus af.
De wanhoop en de eenzaamheid die deze man moet hebben gehad
Worden doorbroken en waar deze man eerst geen perspectief meer had,
omdat hij van deze huidziekte moeilijk kon genezen,
was er nu hoop gekomen, omdat er Iemand rond trok die hem het leven kon teruggeven.
Die zijn eenzaamheid en isolement kon opheffen,
die hem kon redden uit de greep van deze ziekte.
Hij komt bij Jezus en heel onderdanig zegt hij het tegen Jezus:
“Als U wilt, kunt u mij rein maken.”
Als U wilt – ik kan nog zo veel willen, maar als U anders wilt, gebeurt het niet.
Dat ik het wil, dat ik mijn leven weer terug wil, dat ik gered wil worden,
dat zult U vast begrijpen, maar ik weet niet wat Uw wil is.
Ik weet niet of U met mij bewogen kunt zijn.
Dat is niet zomaar een vraag om beter te kunnen worden,
maar om alle belemmeringen die er zijn om weer contact te hebben weg te nemen,
om weer onderdeel te mogen zijn van een gemeenschap,
om er weer bij te kunnen horen en niet in afzondering te hoeven te leven,
om ook niet meer op een afstand van God te hoeven te verkeren.
U kunt dat wegnemen. U hebt de macht. Alleen: is dat Uw wil?
Of val ik erbuiten? Val ik bij al die mensen, die bij U wel in de boot mogen
– kom aan boord, ook voor jou is er een plekje vrij –  val ik buiten boord?
Pas ik er niet bij? Pas ik niet in de boot, ondanks dat er velen mee kunnen?

Ooit begroef ik een oude man van 92 jaar.
Hij was nooit getrouwd geweest en was keuterboer geweest.
Hij woonde nog steeds in de boerderij die hij van zijn ouders geërfd had.
Een wat zonderlinge man, die door de buren in de gaten werd gehouden.
Toen hij op hoge leeftijd ernstig ziek was geworden, bezocht ik hem enkele keren.
Hij kwam nooit in de kerk.
Dat was vroeger wel anders geweest, vertelde hij.
En hij was niet altijd boer geweest.
In zijn jonge jaren was hij had hij op een kantoor gewerkt en ging hij ook naar de kerk.
Rond zijn 20e was hij opeens last van haaruitval, waardoor hij op veel plekken kaal werd.
Dat hakte er bij hem behoorlijk in, waardoor hij zich begon te schamen
voor hoe hij eruit zag.
Hij beëindigde zijn kantoorbaan, durfde niet meer naar de kerk,
durfde geen meisje meer mee uit te nemen, laat staan te vragen.
En voortaan droeg hij een pet. Nooit deed hij die pet af.
Daar werd hij ook om bekend, dat hij altijd een pet droeg.
Als ik bij hem was, merkte ik wel dat hij, zeker nu zijn einde kwam,
nadacht over God. Hij was op zoek naar God, maar kon Hem niet bereiken.
Ik vermoed dat zijn schaamte hem ook in de weg zat.
Hij durfde niet te komen, zoals hij was. Voor hem was er zeker geen plek in de boot.
Ik ging voor hem bidden en omdat hij zijn pet nooit afdeed,
gaf ik aan dat hij ook zijn pet wel mocht ophouden tijdens het bidden,
maar zijn eerbied was te groot en deed zijn pet af en zo baden wij samen.
Hij had ook zelf kunnen bidden, en dat deed hij misschien ook wel,
maar toen besefte ik hoe belangrijk het is als je iemand hebt die voor je bidt en met je bidt,
zeker als je vanuit jezelf niet naar de Heere kunt gaan,
iemand die je meeneemt, zoals de mensen daar op die avond hun zieken meenamen
naar de Heere Jezus toe, om door Hem genezen te worden.
Al besefte hij dat hij te ziek was om nog beter te worden,
want toen ik voorzichtig ook bad om herstel zei hij door het gebed heen,
dat dat niet meer ging. Daar was hij te ziek voor.
Zijn einde kwam dat wist hij maar al te goed.
Voor mij was het een teken hoe intensief hij in het gebed meebad.
Hij ging er helemaal in op.

Drie verhalen, drie ontmoetingen van Jezus waarin Hij het isolement opheft
En deze mensen erbij haalt, hen het leven weer terug geeft,
een voorbode van de opstanding uit de dood en het nieuwe leven
Dat door Hem te vinden is.
Jezus deinst er niet voor terug om te komen waar ziekte heerst,
waar die macht mensen in de greep houdt en hen mee wil sleuren de dood in,
een macht die in hen heerst en hen tegen hun wil iets laat doen.
De onreine geest voorvoelt zijn ondergang en de ondergang van alle onreine geesten.
Ben je gekomen om ons te vernietigen?
Niet alleen de ondergang van deze onreine geest, maar van elke onreine geest.
De man raakt vrij, vrij om God te dienen, vrij om er weer bij te horen,
om weer zichzelf te zijn.

Ook bij de schoonmoeder van Petrus heeft de genezing een bijzonder effect.
Jezus pakt haar hand beet en laat haar opstaan.
We kunnen dat moeilijk voorstellen, maar ook dat Jezus de hand van een vrouw beetpakt
maar ook dat Hij zich door deze vrouw laat bedienen, is een wonder.
Onreinheid kan grenzen maken tussen man en vrouw en Jezus gaat erover heen,
voor Hem bestaan die grenzen niet,
over die grenzen heen vormt Jezus Zijn gemeenschap.
Want de schoonmoeder van Petrus dient – dat is niet zomaar een woord.
Deze vrouw die herrezen is, het leven het teruggekregen, opgestaan is
een nieuw leven ontvangen van de Heer die later zelf zal opstaan uit de dood,
Deze vrouw wordt diaken.
Markus gebruikt hier een woord,
waarmee een dienende functie in de gemeente werd vervuld.
En het heeft bij hem niet de betekenis dat een vrouw alle klusjes mag doen,
zoals eten klaarmaken, koffiezetten, de vaat doen, omdat mannen dat niet horen te doen,
maar het is een erefunctie die Petrus’ schoonmoeder krijgt.
Ze krijgt niet alleen het leven terug, maar mag ook even op de voorgrond treden,
ze mag laten zien aan de mannen bij haar in huis wat er gebeurt als God in je leven komt.
Je gaat dienen, je laat in je handelen iets van Gods barmhartigheid zien.

Als U wilt, kunt U mij rein maken – zei de man tegen Jezus.
Zou Jezus het willen? Past dat bij Zijn missie?
Ja, zoals de schoonmoeder van Petrus voor even in haar zorg voor Jezus en de zijnen
de dienende liefde van God mocht zien,
mocht laten zien waarom de Heere haar het leven terug gaf,
omdat je als christen elkaar gaat dienen, niet alleen de vrouw de mannen,
maar ook de mannen de vrouwen in de gemeente.
Dient elkaar door de liefde, zal Paulus schrijven aan de gemeente in Efeze.
De schoonmoeder van Petrus mocht in alle voorlopigheid de dienende liefde van God zien.
Zij bleef een mens, die soms ook haar dag niet kan hebben en haar fouten behield.
Als er iemand is geweest die Gods barmhartigheid laat zien, is het Jezus wel,
die net als God hier barmhartig is.
Het woord barmhartig heeft in de Bijbel altijd een bijzondere betekenis.
Juist ook als het om de barmhartigheid van de Heere gaat.
Barmhartigheid betekent, dat je van binnen diep geraakt bent.
We kunnen zeggen: Ik heb er buikpijn van. Ik voel het diep van binnen.
Als U wilt – als U niet wilt, houdt het voor mij op.
Jezus kreeg medelijden, hoewel er ook oude handschriften zijn, die zeggen
dat Jezus hier boos wordt, een enorme woede kent,
niet zozeer op de man, maar op de onreinheid die de man op afstand houdt.
Als U wilt.
Het antwoord van Jezus is ontroerend: Ja, Ik wil.
Geen twijfel over mogelijk. Ik wil jou erbij. Ook voor jou is er een plekje waar je hoort.
En meer nog dan de woorden van Jezus, spreekt het gebaar zoveel van Gods liefde:
Jezus raakt de man aan.
De onreinheid houdt je op een afstand, je ziekte die je aantast houd je bij Mij weg,
maar Ik wil je hebben, Ik wil je bij Mij hebben. Je bent er een van Mij.
Die onreinheid houdt jou niet bij Mij weg.
Een gebaar van liefde, van bewogenheid, van medelijden.

Meester, men zoekt U wijd en zijd,
komend langs velerlei wegen.
Oud’ren gaan rustig wel bereid,
jongeren aarz’lend U tegen.
Zij ’t vroeg of laat, zij ’t dag of nacht,

eens vindt G’ ons moed’ in eigen kracht,
hunkerend naar uwe zegen.

De zegen is hier de kracht van onze Heere, die de onreinheid verdrijft
en ook de melaatsheid, de eenzaamheid opheft en zegt: Jij bent er ook een van Mij.

Dankbaar geloofden, hoopten wij,
wat uw getuigen verkondden:
slechts onder uwe heerschappij
worden wij vrij van de zonde

 zingt het gezang. We zouden ook kunnen zingen: onreinheid. –
Daarom zoekt U elk mensenkind.
Zoek, Herder, mij, opdat ik vind.
Anders zo ga ik te gronde!
Amen





Preek zondagavond 17 januari 2021

Preek zondagavond 17 januari 2021
Schriftlezing: Markus 2:18-3:6

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het kan heel storend zijn als iemand niet goed aanvoelt in wat voor een tijd we leven.
In de afgelopen maanden van de coronacrisis is er al heel wat ophef geweest
over verschillende groepen in onze samenleving
die niet lijken te begrijpen dat het nodig is om je aan de regels te houden
die nodig zijn om het coronavirus in te dammen:
Voetbalsupporters die in een massa bij elkaar gingen staan om hun club te steunen,
een minister die midden in de coronatijd een bruiloft hield
en zelf niet in staat was om zich aan alle afgesproken maatregelen te houden
en ook kerkdiensten konden voor ophef zorgen.
Aan die ophef ligt een vraag ten grondslag:
Begrijp je dan niet dat we in een bijzondere tijd leven
en dat die bijzondere tijd om bijzonder gedrag vraagt,
waarbij je niet op de oude voet kunt doorgaan?

Als je toch in deze tijd een feestje geeft met een aantal mensen bij elkaar,
waarbij je geen afstand kunt houden,
of als je het toch als fans belangrijk vindt om bij elkaar te komen
om zo te laten weten dat je, ondanks de lege stadions, je club toch wilt steunen,
dan kunnen anderen dat opvatten als een vorm van onverschilligheid:
Deze mensen nemen het virus en de gevolgen niet serieus
en vinden het vooral belangrijk dat wat zij willen gewoon kan doorgaan.
Ze begrijpen niet in welke tijd ze leven.

Dat is ook het verwijt dat de mensen maken over de leerlingen van Jezus
en met verontwaardiging komen ze bij Jezus om te klagen over Zijn leerlingen:
Uw leerlingen begrijpen niet in welke tijd we leven.
Ze lijken maar niet te beseffen dat dit een bijzondere tijd is
die om bijzondere maatregelen vraagt, om een bijzondere manier van leven.
De leerlingen van Johannes de Doper hebben dat wel begrepen
en ook de leerlingen van de Farizeeën hebben begrepen wat voor een tijd dit is,
maar uw leerlingen, die leven alsof er niets aan de hand is.
Ze gaan door met hun oude leventje en passen zich niet aan deze tijd aan.

Wat deze mensen zien, is dat de leerlingen op bepaalde dagen aan een maaltijd zitten,
Terwijl de leerlingen van Johannes en van de Farizeeën op die dagen niet eten
en de tijd dat ze niet eten gebruiken om contact te hebben met God, in gebed bijvoorbeeld.
De leerlingen van Johannes en de leerlingen van de Farizeeën deden dat niet zomaar.
Het overslaan van een maaltijden, een hele dag niet eten, dat vasten
deed je in een bijzondere tijd, een tijd van crisis.
Als er oorlog is bijvoorbeeld: dan sla je een dag lang de maaltijden over
om erbij stil te staan hoe ingrijpend het leven is veranderd door de oorlog,
hoeveel mensen er omgekomen zijn, hoeveel huizen er beschadigd zijn,
dat er gezinnen op de vlucht zijn geslagen en wonen in vluchtelingenkampen,
maar bovenal om je af te vragen wat de Heere hier te zeggen heeft.
Is dit een roepstem van de Heere? Is dit Gods hand die ons stil zet
en ons dwingt om Hem weer te zoeken en zegt: Zo kan het niet langer met jullie.
Is het een straf en hebben we te buigen voor het oordeel van God dat over ons komt?
Vasten is dan een vorm van solidariteit: met anderen meeleven die getroffen zijn,
maar bovenal een dag van zelfonderzoek, reflectie op jezelf,
van inkeer en boete doen, omdat je de zonde in jezelf onderkent.

Vasten, een dag lang niet eten, gebeurde ook als een persoonlijke voorbereiding.
De verwachting was dat de Heere eens zelf zou gaan komen tot Zijn volk,
een aankondiging die door de profeten in het Oude Testament steeds is gedaan.
Al die profeten zeiden: Er komt een dag van de Heere en op die dag komt Hij zelf,
om Zijn volk te redden, om de goddelozen te straffen, het onrecht uit de wereld weg te doen
en als dat allemaal gedaan is zal er een vrede zijn die je je nu nog niet kunt voorstellen.
Door te vasten kon je je voorbereiden op die dag,
zodat de dag van de Heere, de dag dat Hij zal komen, niet onverwachts komt
en jij als gelovige niet onvoorbereid bent, maar klaar om Hem te ontmoeten.

Op de dagen waarop de leerlingen van Johannes en van de Farizeeën
solidair waren met degenen die door het oorlogsgeweld getroffen waren
en voor zichzelf nagingen wat de Heere hen daarin te zeggen had,
op de dagen waarop zij over hun zonden nadachten en daar boete voor deden,
omdat ze zagen dat het een bijzondere tijd was,
een tijd waarin de Heere hen stil zette, waardoor ze het wel onder ogen moesten zien,
op die dagen kwamen de leerlingen van Jezus bij elkaar
en in plaats van een maaltijd over te slaan, hadden zij een royale maaltijd,
Waarbij ze vrolijk waren, feest vierden, met elkaar lachten en samen plezier hadden.
Niks geen ernst, niks geen reflectie op hun eigen doen en laten, niks geen boetedoen,
maar gelach, elkaar verhalen vertellen om het plezier te vergroten.
Waar bij de leerlingen van Johannes en van de Farizeeën een serene rust heerste,
een ernstige sfeer met ingetogen liederen en gebeden,
is er bij de leerlingen van Jezus een vrolijk rumoer, feestvreugde, hilariteit en gelach.
Geen wonder dat dit de mensen van die tijd opvalt.
Die ernst begrijpen ze en ze hebben er respect voor
dat deze leerlingen van Johannes en de Farizeeën zich van alles ontzeggen
en zo serieus bezig zijn met wat deze tijd vraagt.
En dan die leerlingen van Jezus: nee, die begrijpen niet in welke tijd ze leven.
Hun blijdschap is zo plat, een vorm van egoïsme: als wij het maar leuk hebben.
Al is dit geen tijd waarin je veel plezier en vermaak kunt hebben,
dat kan ons niet schelen, wij doen waar wij zin in hebben.
Boetedoen is voor anderen, zelfonderzoek hoeven wij niet te doen.
Wij leven maar eens.
Zo komt dat op de tijdgenoten van Jezus over.
Geen wonder dat ze met hun vraag bij Jezus komen
en dat in hun vraag een verontwaardiging doorklinkt:
Uw leerlingen hebben geen enkel besef van de tijd waarin we leven.

Zou Jezus niet weten in welke tijd Hij leefde?
Zou de Zoon van God niet weten in wat voor een wereld Hij terecht gekomen is
en wat de wereld waarin Hij kwam nodig had?
Moeten wij als mensen de Heere gaan uitleggen wat voor een tijd het is?
Dat gebeurt alleen in gebeden en psalmen waarin geklaagd wordt dat de Heere niet ingrijpt,
dat Hij in de hemel stil blijft zitten en onbewogen lijkt te zijn
voor wat er met Zijn kinderen op aarde gebeurt.
Maar de Heere is niet stil in de hemel blijven zitten,
heeft zich niet verschanst in de hemel en de hemel dicht gedaan,
om de ellende en het lijden en de zonde die er op de wereld is niet te hoeven zien.
Hij is juist afgedaald en gekomen, mens geworden en staat daar nu bij hen.
Voor de mensen die bij Jezus komen, is Jezus niet anders dan de Farizeeën en Johannes,
namelijk de voorman van een bepaalde stroming,
die zijn leerlingen op een bepaalde manier laat leven,
waarbij de leerlingen van die andere groeperingen er meer van begrepen lijken te hebben.

Als de Zoon van God gekomen is, waarbij Jezus niet minder is dan God,
maar wel God op aarde, zoals de Heere niet eerder op aarde was, namelijk als mens,
Als de Heere zo op aarde is, zou Hij dan zelf niet weten welke tijd het is?
In het antwoord dat de Heere Jezus geeft, kaatst Hij de bal terug:
Jullie weten zelf niet wat voor een tijd het is.
Jullie zijn geraakt door de ernst die de Farizeeën en de leerlingen hebben.
Die vinden jullie passend voor deze tijd, passend bij het zoeken naar God in deze tijd.
Maar jullie zoeken verkeerd: jullie kijken naar de toekomst. Jullie wachten nog op Zijn komst.
Zouden jullie er niet blij van worden als de Heere komt,
Als de Heere hier op aarde komt om Zijn liefde te verklaren aan degenen die van Hem zijn,
Zijn gemeente die voor Hem is als een bruid?
Zouden jullie een treurig gezicht opzetten als de bruidegom onderweg is naar de bruid?
Zouden jullie de maaltijd overslaan als er een feestmaal is,
omdat de bruidegom zijn bruid heeft opgehaald om samen te gaan trouwen?
De strenge Joodse stromingen die er waren gaven aan,
dat je op een bruiloft niet hoefde te vasten,
zelfs de rabbi’s mochten dan meedoen met het feest,
dat vasten is voor een andere keer, nu is het de vreugde
vanwege de liefde van bruidegom en bruid,
liefde die iets weerspiegelt van de liefde tussen de hemelse Bruidegom en de aardse bruid.
Jullie zouden zelf niet eens vasten als er een bruiloft is.
Stel nu eens dat ik die Bruidegom ben?
Het is voor de oren van die tijd ongehoord dat Jezus zichzelf als de bruidegom ziet.
De Joden van die tijd konden wel over de Heere spreken als Bruidegom,
zoals dat in het Oude Testament ook geregeld gebeurt:
De Heere als een liefhebbende man, die Zijn volk getrouwd heeft.
De Heere is uw Man, zeggen de profeten geregeld tegen Israël.
Nu zegt Jezus: die Bruidegom ben Ik.
Wanneer de bruidegom er is, kun je toch niet vasten?
Bij een bruiloft doet het hele dorp mee met het feest,
Zelfs de meest behoudende dorpsgenoten,
zelfs degenen die het meest vasten, slaan die week van de bruiloft het vasten over
en eten en drinken wijn en vieren feest.
Als Jezus als hemelse bruidegom gekomen is,
dan kunnen Zijn leerlingen toch niet vasten en moeten ze toch wel feestvieren?
Ze vieren feest omdat de Heere op aarde gekomen is, de dag van de Heere is aangebroken.
Die feestvreugde is niet voor niets, want de hemelse Bruidegom trouwt Zijn aardse bruid.
De scheiding is voorbij, de breuk herstelt en verzoent, het is weer goed.
Zoals het vasten van de leerlingen van de Farizeeën en van Johannes veelzeggend is,
zo is het ook veelzeggend dat de leerlingen van Jezus op die dagen juist wel eten
en eerder nog meer lijken te eten en feestvieren in plaats van te vasten.
Want het vasten zegt dat de Heere nog moet komen,
maar feestvieren zegt dat de Heere al gekomen is,
en dat Hij begonnen is de scheiding die er door zonde en ongehoorzaamheid gekomen is,
weer aan het herstellen is.
wie heeft de tijd beter begrepen? Degene die zegt: de Heere moet nog komen?
Of degene die zegt: De Heere is al gekomen?

Wat doe je als je een bruiloft krijgt?
Je gaat op pad om nieuwe kleren uit te zoeken.
Of je gaat naar de markt om een mooie lap stof te zoeken,
je gaat ermee naar de kleermaker of je gaat zelf aan de slag.
Je trekt nieuwe kleren aan, waarmee je aangeeft dat je blij bent met de liefde
die er tussen de bruidegom en de bruid is gegroeid.
Nieuwe kleren omdat er een nieuwe tijd gekomen is.
De man en deze vrouw leven niet meer gescheiden, maar zijn samen
en vormen samen een nieuw gezin.
Je gaat niet naar de markt om een nieuwe lap stof te komen
en daarmee de kleren die je al hebt een beetje op te lappen.
Op een bruiloft loop je rond met nieuwe kleren,
niet met kleren die vermaakt zijn, hersteld zijn, waar je het oude nog kunt zien.
Zo is er met de komst van deze Bruidegom uit de hemel een nieuwe tijd aangebroken,
Waarbij het niet gepast is om te doen alsof alles bij het oude gebleven is,
Alsof je nog steeds moet wachten op Gods komst
en nog steeds vooruit moet kijken in de toekomst totdat de Heere eens zal komen.
Nieuwe kleren, omdat er een nieuwe tijd gekomen is.
Nieuwe kleren, omdat je als mens het oude mag afleggen, de oude mens,
en het nieuwe mag aandoen, de nieuwe mens, je mag bekleden met Christus.

Bij ons thuis hadden we zondagse kleren.
Kleren voor de zondag die net even iets netter waren dan gewone kleren.
Een spijkerbroek mocht door de week wel, maar op zondag deed je iets netter.
Dat was om te laten zien dat de zondag een andere dag is.
Als je naar de koningin zou gaan, trok je toch ook niet je alledaagse kleren aan,
maar trok je iets aan dat netter was dan je gewone alledaagse kleren.
Als Jezus zegt dat Hij al gekomen is als Bruidegom,
zou je ook kunnen zeggen dat je op zondag wat nettere kleren aantrekt,
omdat je blij bent dat de bruidegom eindelijk gekomen is.
Iedereen in het Oude Testament en velen in de tijd van Jezus keken nog uit naar Zijn komst.
Wij mogen terugkijken en weten dat Hij gekomen is.
Al is Hij nu weer van ons weggegaan, in de hemel om daar plaats te bereiden
en zal Hij eens terugkomen om Zijn bruid op te halen en tot zich te nemen.
Dan zal het voor eeuwig feest zijn.
Omdat we als gemeente van nu uitkijken naar dat feest,
daarom is vasten voor ons nu toegestaan.
Dat is in de loop van de tijd ook steeds gebeurt.
Dat wij als gereformeerde protestanten daar niet veel aan doen,
is meer omdat er een soort angst is dat het alleen maar een vorm is.
Dat je een maaltijd overslaat, omdat het hoort, omdat het nu eenmaal de gewoonte is,
zonder wat daarbij hoort te doen, namelijk dat je vooruitkijkt naar de wederkomst
en dat je nadenkt over hoe jezelf tegen over de Heere staat.
Maar wellicht zijn we in onze traditie te kritisch geweest
en hebben we door het vasten af te schaffen ook een manier weggedaan
die ons kan helpen om weer bewust te zijn in welke tijd wij leven,
namelijk de tijd die voorafgaat aan de Wederkomst.
Als Jezus het heeft over het wegnemen van de bruidegom,
dan doelt Hij niet alleen op de hemelvaart – zijn gang van de aarde naar de hemel,
maar heeft Hij het ook wat er met Hem in Jeruzalem staat te gebeuren:
Hoe Hij gearresteerd zal worden, opgepakt en gekruisigd.
Als de bruidegom er niet meer is, dan is het tijd om te vasten,
om daarmee vooruit te kijken naar Zijn terugkomst: Zijn opstanding uit het graf
en Zijn wederkomst op aarde.

Bij feest hoort wijn.
Wijn die je net gekocht hebt voor het feest, bewaar je zorgvuldig.
Die bewaar je niet in zakken en kruiken waar wat slijtage op zit
waar er mogelijk al scheuren en gaten in zitten.
De wijn is hier het evangelie, de liefde van Christus.
Die bewaar je. Daar ben je zuinig op. Die berg je goed op als je nog moet wachten
tot de bruidegom weer terugkomt om Zijn bruid op te halen.
Tot die tijd is de wijn, die het evangelie is, een aankondiging van de vreugde die komt.
De belofte die we hier hebben dat de bruiloft er echt aankomt
en de bruidegom wel degelijk komt om Zijn bruid op te wachten.
Nieuwe zakken en nieuwe kruiken:
Het evangelie zo bewaren dat het evangelie evangelie blijft.
Dat kan door een nieuwe vorm, waarbij je niet vast, omdat Jezus al gekomen is.
Maar boven alles een vorm die ons bewaart bij het geloof in Christus
en ons helpt om uit te kijken naar de Wederkomst
en wij als gemeente verenigd mogen worden met onze Heere,
Die als Bruidegom uit de hemel zijn bruid op aarde komt ophalen.
Wat wij als kerk doen: de manier van onze eredienst, onze gebeden,
onze liederen, onze activiteiten hebben dat doel: die verwachting levend houden
dat onze Heere komt. Amen