Preek zondag 1 december 2019 – morgendienst

Preek zondag 1 december 2019 – morgendienst
Dankzegging Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Jesaja 63:7-19

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Avondmaal vieren op de eerste zondag van advent heeft iets moois, vind ik.
De vier adventsweken zijn bedoeld om ons te versterken
in de verwachting van de Wederkomst van Christus.
Daar is avondmaal ook voor bedoeld, om ons te versterken in die verwachting.
Want vieren we avondmaal niet totdat Christus komt?
Daar kun je naar verlangen dat Christus terugkomt,
ook in weken waarin het geen advent is, of waarin je niet bezig bent met avondmaal.
Omdat je er zo naar kan verlangen Christus te ontmoeten.
Je kijkt daarom uit naar Zijn komst, je bidt erom.
Je kunt ook om heel andere reden verlangen naar de komst van Christus,
omdat je in jezelf zoveel meemaakt,
of je ziet in de wereld hoe er geleden wordt en dat kan heel dichtbij zijn.
Je zucht onder hoe het in deze wereld eraan toe gaat
En je kijkt uit naar de dag deze wereld verlost zal worden
en Christus naar de aarde komt om al het leed, het kwaad te verdrijven
en deze wereld te vullen met Zijn heerlijkheid.
Je bent aangedaan, in je hart huil je over deze wereld en is er een roep naar God.
Net zoals het appèl dat Jesaja op de Heere doet:
Kijk neer uit de hemel en zie uit Uw heilige en luisterrijke woning.
Zo’n appèl op God om te komen naar de aarde,
om niet in de hemel te blijven toekijken – dat is de klank van advent.
Advent begint in de diepte, waar de nood ervaren wordt,
– de nood dat we het zonder God niet redden,
omdat we aan onze verlorenheid overgeleverd zijn, gebonden in de macht van de zonde.
Uit diepten van ellende, roep ik met mond en hart, tot U die heil kunt zenden.
Daar begint advent.
Ook het avondmaal begint daar:
bij het besef hoe ons leven zou zijn, hoe diep we weggezonken zijn, als we God niet kennen.
Hoe hopeloos we eraan toe zijn als we Christus niet hebben als Heer, als Redder.
Hopeloos in Gods ogen.
In het formulier klinken op de voorbereidingszondag woorden als vervloeking, oordeel.
Hier in Jesaja kunnen we merken wat dat met je doet.
Het aangrijpende als dat werkelijk zo is en het klinkt als een appèl op God,
Waar zijn Uw na-ijver en Uw machtige daden,

Uw innerlijke bewogenheid en Uw barmhartigheid? Ze houden zich jegens mij in.

Het is een roep omhoog, zoals dat ook in Psalm 130 gebeurde, uit de diepte,
een roep om redding, dat God komt, dat Hij Zelf komt, hier op aarde om te redden.
Als U zelf niet komt, dan blijft er niets meer van ons over.
Zelfs in de wanhoop, als het besef doorklinkt dat die veroordeling terecht is
en dat het aan ons kan liggen dat God niet van zich laat horen,
wordt de Heere aangesproken, aangeklampt om Zijn barmhartigheid:
We hebben U toch leren kennen als onze Vader?
We hebben toch steeds gemerkt dat U als Vader voor ons wil zorgen?
Maak ons weer tot Uw kind, wees weer onze Vader.
Laat ons hier niet alleen in onze zonde, waar wij verder bij U vandaan gaan.
In die roep naar omhoog, dat intense gebed tot de Heere om te komen,
om weer als een Vader te zijn, klinkt het geloof door dat God wil komen
en dat Hij wil komen om te redden.
Over God werd steeds als redder gesproken, door de ouders, grootouders,
iedereen die over God sprak van eerdere generaties wist het, heeft het ervaren
dat God je niet in de diepte, niet in de ellende achterlaat,
Zelfs niet in de ellende waar je zelf voor koos, omdat je bij God wegging.
Ook dat is advent: dat je mag geloven dat God komt om te redden.
Ook dat is avondmaal, dat we mogen geloven dat Christus kwam om te redden
en dat we mogen uitkijken naar die dag dat onze Redder nog eens zal komen
om voorgoed de zonde uit de wereld te bannen en ons helemaal te bevrijden
van de zonde die nu nog in ons werkt.
God is niet in de hemel gebleven, maar kwam op aarde om Zijn volk te leiden
door de woestijn naar het Beloofde Land Kanaän: Hij ging voorop.
Christus is niet in de hemel gebleven, maar kwam op aarde,
als kind in de kribbe om de weg naar het kruis te gaan
en Zijn leven te geven om ons te redden.
Aan het avondmaal mogen we geloven dat Hij nu ook niet in de hemel blijft,
maar – door Zijn Geest – hier op aarde komt om bij de tafel aan te schuiven,
om zelf de Gastheer te zijn en door brood en wijn heen Zichzelf te geven.
Neemt, eet, gedenkt en gelooft dat Zijn lichaam verbroken is tot volkomen verzoening.
Waar in Jesaja nog de roep naar omhoog klinkt, mogen we geloven
met de komst van Christus naar deze aarde dat de Heere deze roep altijd gehoor geeft
en dat naar ons toekomt.
Zo ook vanmorgen met Zijn genade, met vergeving, met tekenen die op Hem wijzen.
Dat Hij inderdaad onze Vader wil zijn en wij Zijn kinderen weer mogen zijn.
Dat Hij inderdaad onze redder wil zijn en dat aan ons wilt laten weten.
Zo komt onze Heere zelf naar ons toe, om ons te nodigen, te roepen aan Zijn tafel.

Kunnen wij voor Hem verschijnen? Kunnen wij Hem ontmoeten?
Niet als we komen zoals we zijn.
Wel als we aannemen wat Christus ons geeft:
De waardigheid om God te mogen ontmoeten, om Hem te ontvangen in ons hart
ontvangen we van God zelf. Zo kunnen we Hem ontmoeten.
Omdat Hij dat wil. Omdat Hij wilde komen, gekomen is.
Waarom zou u dan nog wachten?
Wat heb je nog meer nodig om te weten dat het ook voor jou is?
Kom om je geloof te versterken.
Kom om te ontvangen wat je Heer je geeft.
Kom om uit te zien naar die andere dag dat je Hem mag ontmoeten, voor altijd.
Amen

 

Aanbevolen commentaren

Aanbevolen commentaren

Commentaren op een Bijbelboek kunnen een belangrijke bijdrage leveren tijdens het preekproces: ze kunnen een tekst helpen begrijpen en woorden aanreiken voor de preek. Daarom ben ik altijd benieuwd naar wat zinvolle commentaren zijn op een Bijbelboek.

Meestal plan ik een serie van diensten, waarin ik langere tijd bezig ben met één Bijbelboek. Vooraf steek ik tijd in het zoeken van de juiste commentaren. Ik schaf pas commentaren aan als ik langere tijd over een Bijbelboek preek. Ik heb het voordeel dat ik voor een enkele dienst naar de bibliotheek van de Theologische Universiteit Kampen kan gaan om materiaal te kopiëren.

Hieronder een lijst met aanbevolen commentaren (op alfabetische volgorde):

Genesis
– Victor P. Hamilton (NICOT)
– Bruce K. Waltke (with Cathi J. Fredericks), Genesis. A Commentary (Grand Rapids: Zondervan, 2001).
– Gordon J. Wenham, Genesis 16-50. (WBC)

Exodus
– Thomas B. Dozeman, Exodus. (Eerdmans Critical Commentary)
– dr. C. Houtman, Exodus. Deel 1-3 (COT)

Deuteronomium
– Daniel I. Block, Deuteronomy. (NIVAC)
– Walter Brueggemann, Deuteronomy. (Abingdon Old Testament Commentary)
– Jack R. Lundbom, Deuteronomy. A Commentary (Grand Rapids: Eerdmans, 2013).

Richteren
– Daniel I. Block, Jugdes, Ruth. (NAC)
– J. Clinton McCann, Judges. (Interpretation)
– dr. Magdel le Roux, Richteren. (POT)
– dr. K. Spronk, Rechters. (VHB)

1 & 2 Samuël
– Walter Brueggemann, First and Second Samuel. (Interpretation)
– Eugene H. Peterson, First and Second Samuel. Westminster Bible Commentary (Louisville: Westminster John Knox Press, 1999).
– David Toshio Tsumura, The First Book of Samuel. (NICOT)
– Johanna W.H. van Wijk – Bos, Reading Samuel. A Literary and Theological Commentary (Macon, Georgia: Smyth & Helwys, 2011).

1 & 2 Koningen
– Mordechai Cogan, I Kings. (AB)
– Mordechai Cogan / Hayim Tadmor, II Kings. Anchor Bible (1988)
– Lissa M. Wray Beal, 1 & 2 Kings. (AOTC)

Job
– Jürgen Ebach, Streiten mit Gott. (Kleine Biblische Bibliotheek)

Psalmen
– dr. Th Booij, Psalmen III (POT)
– Walter Brueggemann / William H. Bellinger, Psalms (New Cambridge Bible Commentary
– John Goldingay, Psalms I-III (Baker Commentary on the Old Testament)
– Bernd Janowski / Friedhelm Hartenstein, Psalmen (BKAT)
– Manfred Oeming, Psalmen (NSK.AT)
– Erich Zenger / Frank-Lothar Hossfeldt, Psalms 2-3 (Hermeneia) (de Engelse versie is stukken goedkoper dan het Duitse origineel)
– Erich Zenger, Die Psalmen. Auslegung in zwei Bänden.
(Voorheen uitgegeven als: (1)
Mit meinem Gott überspringe ich Mauern, (2) Ich will die Morgenröte wecken, (3) Dein Angesicht suche ich, (4) Ein Gott der Rache? Feindpsalmen verstehen

Extra voor bij de Psalmen
– Bernd Janowski, Konfliktgespräche mit Gott. Eine Anthropologie der Psalmen
– Kurt Marti, Die Psalmen
– dr. G.Th. Rothuizen, Landschap (3 delen)
– Robert Spaemann, Meditationen eines Christen über die Psalmen (2 delen).

Spreuken
– Michael F. Vox, Proverbs 1-9 (AB)
– dr. E.W. Tuinstra, Spreuken I (POT)

Jesaja 40-66
– W.A.M. Beuken, Jesaja 40-66. 3 delen (POT)
– J.L. Koole, Jesaja 40-66. 3 delen (COT)
– Shalom M. Paul, Isaiah 40-66 (Eerdmans Critical Commentary)

Jona
– Friedemann W. Golka, Jona (Calwer Bibelkommentare)

Mattheüs
– W.D. Davies / D.C. Allison (ICC)
– John Nolland (NIGTC)
– R.T. France (NICNT)
– Ben Witherington (Smyth & Helwys)

Markus
– R. Alan Culpepper (Smyth & Helwys)
– Francis J. Moloney, The Gospel of Mark. A Commentary (Grand Rapids: Baker Academic, 2002)
– R.T. France (NICNT)

Lukas
– James R. Edwards (Pillar NTC)
– David E. Garland (ZECNT)
– Michael Wolter (HNT)

Johannes
– J. Ramsey Michaels (NICNT)
– Marianne Meye Thompson (NTL)
– Udo Schnelle (ThHK)
– Hartwig Thyen (HNT)
– Ben Witherington, John’s Wisdom

Handelingen
– C.K. Barrett (ICC)
– David G. Peterson (Pillar NTC)
– Eckhard J. Schnabel (ZECNT)
– Matthew L. Skinner, Intrusive God, Disruptive Gospel. Encountering the Divine in the Book of Acts (2015)

Paulus
– James D.G. Dunn, The Theology of Paul the Apostle
– Friedrich W. Horn (H.g), Pauls Handbuch
– Eduard Lohse, Paulus. Eine Biographie
– Michael Wolter, Paulus. Ein Grundriss seiner Theologie
– Oda Wischmeyer (Hg.), Paulus. Leben – Umwelt – Werk – Briefe

Romeinen
– Eduard Lohse (Meyers KEK)
– Richard N. Longenecker (NIGTC)
– Eckhard J. Schnabel (HTA)
– dr. Herman Ridderbos (COT)

1 Korinte
– Andreas Lindemann (HNT)
– Anthony C. Thiselton (NIGTC)

2 Korinte
– Murray J. Harris (NIGTC)
– Frank J. Matera (NTL)

Efeze
– Stephen F. Fowl (NTL)
– Michael Gese (Botschaft des Neuen Testaments)
– Harold W. Hoehner, Ephesians. An Exegetical Commentary
– Eugene H. Peterson, Practice Resurrection. A Conversation on Growing Up in Christ
– Frank Thielman (BECNT)

Filippenzen
– Moises da Silva (BECNT)

Hebreeën
– Knut Backhaus (RNT)
– Luke Timothy Johnson (NTL)
– Craig R. Koester (AB)
– dr. H.C. van der Meulen, Met het oog op Jezus. De prediking van de brief aan de Hebreeën

1 Petrus
– John H. Elliot (AB)
– Reinhard Feldmeier (ThHK)

1,2,3 Johannes
– Karen H. Jobes (ZECNT)
– Judith M. Lieu

Openbaring
– G.K. Beale (NIGTC)
– Klaus Berger (Herder)
– Craig R. Koester (AB)
– Ben Witherington (The New Cambridge Bible Commentary)

Theologie Oude Testament
– Walter Brueggemann
– John Goldingay
– Jörg Jeremias

– Bernd Janowski, Anthropologie des Alten Testaments
Ein Gott der straft und tötet?
– Jürgen Ebach, Das Alte Testament als Klangraum des evangelischen Gottesdienstes

Theologie Nieuwe Testament
– Ferdinand Hahn
– Ulrich Wilckens

Serie van Kurt Erlemann over nieuwtestamentische thema’s: 

  1. Wer ist Gott? Antworten des Neuen Testaments (2008)
  2. Unfassbar. Der Heilige Geist im Neuen Testament (2010)
  3. Jesus der Christus. Provokationen des Glaubens (2011)
  4. Trinität. Eine faszinierende Geschichte (2012)
  5. Vision oder Illusion. Zukunftshoffnungen im Neuen Testament (2014)
  6. Kaum zu glauben. Wunder im Neuen Testament (2016)
  7. Fester zum Himmel. Gleichnisse im Neuen Testament (2017)




     

Preek zondag 24 november 2019

Preek zondag 24 november 2019
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Jesaja 63:7-19

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Kunt u God ontmoeten?
Kunt u de Heere ontmoeten, volgende week aan Zijn tafel?
Kunt u de Heere ontmoeten als Hij morgen zou terugkomen op aarde?
Als de Wederkomst morgen een feit zou zijn?

Dat is een vraag die wij zelf eigenlijk niet kunnen beantwoorden,
Want Degene die alleen een antwoord zou kunnen geven op die vraag
of wij God kunnen ontmoeten is de Heere zelf.
Want wij kunnen denken dat het wel goed zit
en ons daarmee in slaap sussen terwijl het ondertussen niet goed zit.
Het zou ook kunnen dat als de Heere voor ons verschijnt
Hij ons duidelijk maakt dat we Hem helemaal niet kunnen ontvangen zoals we denken,
maar dat er eerst orde op zaken gesteld moet worden.

Dat God op een manier kan verschijnen waarop we niet rekenen
– daar kan Israël over meepraten.
Na een aantal verzen waarin de grootheid van God wordt bezongen,
is erop eens een verandering van toon: God is gekomen,
maar met de vreugde was het dan wel gelijk over:
Daarom is Hij voor hen veranderd in een vijand. Hij Zelf heeft tegen hen gestreden.
Dat is wat, als God tegen je strijdt, je eigen God voor jou in een vijand veranderd.
Niet meer aan uw kant staat, niet meer aan jouw kant staat, maar zich tegen je keert.
Er wordt hier in dit hoofdstuk niet beschreven hoe Israël merkte dat God tegen hen was,
maar we kunnen er zeker van zijn dat het een diepe val geweest is
en dat Israël veel kwijt raakte wat niet gemist kon worden.

‘Als ik God niet zou kennen,
zou ik niet weten hoe ik door die moeilijke periode heen zou kunnen komen.’
Dat hoor ik nogal eens zeggen tijdens een bezoek.
Je kunt het je niet voorstellen, maar je zou voor je gevoel radeloos worden.
Hier gaat het om de ervaring dat je God wel kent,
maar dat Hij er niet voor je is als je Hem nodig hebt.
Dat als je Hem zoekt, Hij niet van zich laat horen.
Dat als je vraagt om Zijn steun, dat Hij je in de steek laat.
Dat als je roept om Zijn komst, Hij wel komt,
dan maar op een manier die je de angst aanjaagt en je denkt:
had ik maar niet gevraagd om Zijn komst.
Een vijand van Zijn eigen volk, tegen wie de Heere meermalen heeft gezegd:
Ik ben jullie God en jullie zijn Mijn volk. Een verbond dat voor eeuwig duurt.
Dan kun je nog zo mooi zingen over de grote daden van de Heere,
nog zo je mond vol hebben van de grootheid en de trouw van God,
maar dan sta je er wel alleen voor en krijg je geen steun van Hem.
Sterker nog, Hij gunt je geen moment rust en neemt je alles af wat je dierbaar is.

Zou ons dat ook kunnen overkomen,
dat de Heere aan ons verschijnt op een manier die we liever niet hebben?
Kan Hij ook tegen ons ten strijde trekken? Voor ons een vijand worden?
Laten we niet te snel zeggen dat dit nu iets voor het volk Israël is
en dat het ons niet meer kan overkomen, omdat we leven na de komst van Christus,
ook al zegt het avondmaalsformulier dat wij niet meer door God verlaten kunnen worden
omdat Christus de aan het kruis is gegaan en afdaalde in de hel,
door God verlaten werd, zodat wij niet meer door God verlaten hoeven te worden.
Want ook het volk Israël had de belofte gekregen dat God hen niet in de steek zou laten,
voor hen zou strijden, Zich persoonlijk met hun lot bemoeien en met hen meegaan.
Wat Israël hier in de woorden van de profeet overkomt, is ook voor Israël een schok geweest
een intense, aangrijpende ervaring, waarin ze beseften:
We hebben God niet meer, Hij staat niet meer aan onze kant. Wij zijn verloren.
Vijanden die het land aanvielen en stad na stad veroverden
En zelfs de meest heilige plaats, Jeruzalem,
Waarvan ze dachten dat die nooit zou vallen, omdat de Heere Zelf de muren beschermde
werd ingenomen en verwoest.
De Tempel, plaats waar God op aarde woonde, werd verwoest
alsof Hij daar nooit gewoond had, alsof Hij nooit iets met het volk had gehad,
Alsof die mooie verhalen over vroeger alleen maar inbeelding waren.
Zo gingen ze als gevangenen in een stoet naar Babel.
Als ze achterom keken zagen ze de restanten van de muren, wat brokstukken van de tempel
en ook de stad die in een ruïne was veranderd.
Niets meer van overgebleven en alles wat aan God herinnerde was weggevaagd.

Dan hebben we het hier nog een stuk beter:
Andere gelovigen met wie we samen een gemeente kunnen vormen,
om elkaar bij te staan en te wijzen op hoe God in ons leven bezig is.
Een kerk waar we mogen horen over God, mogen zingen over wat Hij voor ons doet.
Of rekenen we ons dan te rijk en moeten wij ook onder ogen zien
dat ook wij, net als het Israël uit de tijd van de Bijbel, God kunnen kwijtraken?
Hier in dit gedeelte gaat aan het wegblijven van de Heere wel het een en ander vooraf
En is de komst van God als vijand wel een reactie op wat er bij het volk gebeurt.
Zij daarentegen zijn ongehoorzaam geworden en hebben Zijn Heilige Geest bedroefd.

Voordat God Zijn volk in de steek laat, is Israël zelf al weggelopen bij God vandaan.
Ondanks alle zorg die de Heere heeft laten zien.
Ondanks Zijn eigen betrokkenheid, dat Hij persoonlijk is meegegaan
op de weg uit Egypte, via de Sinaï, door de woestijn naar het Beloofde Land.
Ze haalden hun schouders op over Gods grote daden,
ze werden niet meer warm van liefde en trouw die daarin zichtbaar werd,
dat verhaal van de uittocht en de woestijn was iets van lang geleden,
te lang geleden om er nog een verhaal van deze tijd te kunnen maken.
Zo raakte God steeds meer uit het hart, meer en meer.
Hoe dichtbij God ook kwam door zelf mee te gaan,
Hoezeer ze konden merken dat God in hun midden was,
het deed hen niets meer, het raakte hen niet meer
En zo gleed het geloof langzaam uit hun leven weg en gingen ze hun eigen gang.
Kan dat ook bij ons gebeuren?
Dat God zo langzaamaan uit ons leven wegglijdt?
Dat je bij jezelf denkt: de verhalen uit de Bijbel zijn wel een verleden.
Dat het je niets meer doet als het over God gaat,
dat geloof iets van de buitenkant wordt: je zit nog wel in de kerk,
maar in je hart is het leeg geworden
en je bent bezig om je eigen weg te gaan bij God vandaan.
Je hebt Hem niet meer nodig in je leven. Je redt het wel zonder Hem.
Wat je van Hem meegemaakt hebt is van vroeger. Het leven is nu anders geworden.
Meer je eigen regie over je leven. Je bidt niet meer of God je leven leidt.
God staat niet meer op de eerste plaats. Je hebt iets anders op de eerste plaats staan.

Je hebt je vertrouwen niet meer op God gesteld, maar op iets aards.
In het formulier wordt een verdere uitwerking gegeven aan de hand van de Tien Geboden:
dat je je eigen beeld van God maakt.
Dat je er vanuit gaat dat God altijd aan jouw kant staat, dat Hij je zegent.
Dat het succes dat je hebt met jouw gekozen koers
achteraf door God een stempel opgedrukt krijgt.
Dat je alles zo weet te draaien, dat God het met jou eens is
in plaats dat je zoekt naar Gods wil.
Er zit in het avondmaalsformulier een bezorgde toon:
Als het nu echt zo met je gesteld is, zit het niet goed en ben je op de verkeerde weg.
Dan kun je het wel tegen jezelf zeggen dat het goed zit,
maar kun je God niet ontmoeten, ook niet volgende week aan Zijn tafel.
Dan kom je niet eens voorbij de eerste stap van het zelfonderzoek,
waarin je eerlijk nagaat of er iets aan jouw kant mis zit in de relatie met God.
Of je Christus echt wel in je hart hebt, of dat daar een lege plek is
Waar Christus hoort te wonen.
Dat was waar het met het Israël uit de Bijbel misging,
het punt waar de weg werd ingeslagen bij God vandaan,
een weg van ongehoorzaamheid, een weg van het bedroeven van de Geest.
Het staat de Heilige Geest voor Gods merkbare aanwezigheid,
dat je weet en merkt, ervaart en ziet dat God er voor je is op dat moment.
Ook als er gesproken wordt over de Engel van Gods aanwezigheid
dan wil de profeet erop wijzen, dat God in eigen persoon met Israël meeging.
Nu komt God weer. Nu is het weer bemoeienis van God Zelf hoogstpersoonlijk.
Ook als Israël God losgelaten heeft en een eigen weg is ingeslagen.
Ook als God zich als een vijand toont van Israël is dat gedreven door Zijn zorg.
Hij kan Israël niet loslaten, omdat het Zijn volk is.

Als Hij zo tegen Zijn eigen volk ten strijde trekt,
is dat om weer in het hart te komen van al Zijn onderdanen.
Om weer als hun God gediend en geëerd, gehoorzaamd te worden.
Om hen te confronteren met de leegte in hun hart.
Om hen te laten beseffen dat ze Hem hebben losgelaten en dat Hij hen terug wil.
Dat is ook de reden waarom we ons voorbereiden op het avondmaal.
Om na te gaan of Christus wel in ons hart is.
Om na te gaan of ons geloof geen lege huls is, alleen maar buitenkant
met in ons hart een grote leegte omdat we Christus missen.

Soms kunnen we zo vast zitten in onze gedachte dat we gelovig zijn en God dienen
dat de Heere een confronterende manier naar ons toekomt.
Ons leven op de kop zet, ons alle zekerheid afneemt,
En zich zelfs kan voordoen als iemand die ons steeds moet hebben,
ons dit leven niet gunt, bezig is om steeds wat we hebben af te nemen.
Zodat je je kunt afvragen: Is dit God zoals ik Hem heb leren kennen?
Waar is de God van vroeger?
Waarom laat Hij mij zo diep wegzakken?
Waarom laat Hij mij aan mijn lot over?
Waar blijft Hij om mij te redden, nu ik Hem zo nodig heb?
Het kan een ervaring zijn, die elke gelovige kan overkomen.
Er is een uitdrukking voor: de donkere nacht van de ziel.
Momenten waarop het zo donker in je is, dat er geen enkel licht meer gloort
en je denkt: nu is het over met God en mij. Hij heeft mij verlaten.
Ook als gelovige kun je je worsteling met de Heere hebben.
Dat brengt de Heere niet in je leven, omdat Hij van u af wil.
Hij laat je dat niet doormaken omdat het over is.
Maar omdat Hij op hartstochtelijk naar u op zoek is
en niets liever wil dat jij je hart weer voor Hem opent en Hij in je kan komen.
Ja, Hij zoekt je op om je te herinneren aan je schuld.
Dat is niet om te laten zien dat er geen plaats meer bij Hem is,
maar zodat u naar Hem toekomt omdat u het zelf niet meer weet
hoe u daar los van kunt komen en het maar bij Christus brengt.
Hier is het. Ik kan er zelf niets meer van maken.
Dat ik hier ben, bij U, is voor mijzelf ook een verrassing.
Ik had het zelf niet verwacht dat ik durfde, maar ik ben gekomen omdat ik moest.
Ik kwam er zelf niet meer uit.
Zo donker werd het in mijn leven. Er is er maar Eén die mij kan redden: en dat bent U.
Dat je je herinnert hoe God vroeger werkte
en dat je die herinnering vastgrijpt om weer naar God te gaan
en tot Hem te roepen, Hem te smeken om Zijn hulp, Zijn redding.
Dat Hij op een andere manier naar je toekomt dan als vijand,
dan als een rechter die al je zonden en fouten opnoemt om je te veroordelen.
Al zou Hij daar wel het recht toe hebben.
Dat Hij naar je toekomt en zegt dat al je zonden vergeven zijn,
dat het weer goed zit.

Omdat God eerder al eens kwam naar deze wereld, nog voor wij geboren waren.
Dat Hij zelf als een kind geboren werd, in de stal van Bethlehem
om, nadat Hij was opgegroeid en verteld had over de nieuwe wereld die God brengt,
stierf aan het kruis, ook voor ons, voor u, voor mij, voor jou.
In deze week van voorbereiding gaat het om de vraag
of je kunt geloven dat dit ook voor jou is gebeurd,
dat u dat kunt aannemen, kunt geloven dat Christus ook voor u stierf
en uw zonden zijn weggedragen,
al zijn het voor je gevoel misschien dezelfde als drie maanden geleden.
Al kun je dat ook misschien niet eens als een belijdenis uitspreken,
maar meer als een gebed: Heere, red mij.
Kom naar mij toe, daal neer uit de hemel, om mij te redden,
Want als U niet komt, dan gaat het mis, dan is er niemand meer die mij kan redden
om mij terug te brengen bij U.

Wat denkt u: Wat zal de reactie van de Heere zijn als u zo tot Hem roept?
Wat zou de Heere voor jou doen als je zo tot Hem en om Hem roept?
Zou Hij onbewogen in de hemel blijven zitten, of afdalen en komen?
Vanuit de Bijbel weten we, zegt de Heere over Zichzelf dat Hij dan komt.

En kunnen wij dan de Heere ontmoeten?
Zijn wij dan in staat om Hem te ontvangen?
Want er is toch nog zoveel mis? Ons ongeloof – we zijn dat niet zomaar kwijt
en het kan steeds weer opvlammen.
Begeerten die ons op de verkeerde weg brengen. We zijn er niet zomaar los van.
En toch: je ontvangt een waardigheid om Hem te ontmoeten.
We kunnen Hem ontmoeten omdat Christus de weg baande,
omdat Hij al onze zonden op zich genomen heeft aan het kruis.

Daarom kunnen we avondmaal vieren.
In dat avondmaal proeven we in het brood en in de wijn de genade.
Zien we in het brood dat gebroken wordt, hoe Christus zich liet breken voor ons.
Zien we de wijn en denken we terug aan die dag dat Christus daar hing op Golgotha.
Hoe Hij de dood inging. Door God verlaten werd, zodat de Heere altijd naar ons terugkeert,
ons niet aan ons lot overlaat in de zonde, maar neerdaalt uit de hemel om ons te redden.
Wij hebben niet veel te bieden en kunnen alleen maar vragen:
Heere, kom om mij te redden, om mij terug te brengen bij U.
Om te geloven dat God dat ook zal doen.
Amen

Preek zondag 17 november 2019

Preek zondag 17 november 2019
Schriftlezing: 1 Timotheüs 3

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Twee weken geleden werd na afloop van de kerkdienst aan u de zorg meegedeeld
dat de kerkenraad er niet in slaagde de vacatures voor de kerkenraad op te vullen.
Want het zijn toch belangrijke functies binnen de kerk:
de ouderlingen die de mensen thuis opzoeken om hen te stimuleren in het geloof,
de diaken die met het geld van onze gemeente verschillende doelen van geld voorzien.
Er zijn al wel veel meer gemeenten, die ermee te maken hebben
dat ze de vacatures in de kerkenraad moeilijk kunnen opvullen.
Daar hebben wij als wijk 2 ook mee te maken.
Afgelopen week hadden we een gemeenteavond, met een mooie opkomst
en waren we met elkaar in gesprek wat dit ons te zeggen heeft.

Een van de punten die naar voren kwam op die avond, was:
vertel ons wat de taak van een ouderling of een diaken is.
Nu wil ik vanmorgen in deze dienst niet bij de taken van de ouderling of diaken stilstaan,
maar wat er nodig is om ouderling, diaken of ouderling-kerkrentmeester te kunnen worden.
En dan vanuit de Bijbel: kunnen we in het Woord van God aanwijzingen vinden?

Voordat de rest denk: ‘Ik kan geen ouderling of diaken worden’. Of: ‘Ik wil het niet worden.’ –
Wat Timotheüs hier schrijft, geldt voor iedereen die een taak in de gemeente had,
Want in de tijd dat Timotheüs deze brief van Paulus ontving,
bestond de kerk nog niet zo lang
en waren de taken binnen de gemeente nog niet zo duidelijk verdeeld als in onze tijd.
Als Paulus aan Timotheüs schrijft over de ouderlingen of de oudsten binnen de gemeente
kan dat net zo goed gelden voor iemand die een bijbelkring leidt, of meewerkt met een club.
En ook als je geen taak hebt binnen de gemeente:
Wat Paulus hier schrijft over wat er nodig is om leiding te kunnen geven,
geldt bijna in zijn geheel voor alle gemeenteleden, voor jongeren net zo goed.
Want het gaat Paulus niet alleen om de regels die hij voorschrijft,
maar bij die regels die Paulus geeft gaat het om ons hart, om wie we zijn als gelovige.
De preek die ik ga houden kan als volgt worden samengevat:
God geeft aan de kerk leiders die zich een ander mens laten maken door de Heilige Geest.

Laten we eerst eens kijken hoe dat in het geval van Timotheüs gebeurt.

Timotheüs is iemand die al heel jong de Heere Jezus leerde kennen
En op jonge leeftijd met Paulus meeging op zijn reizen om Paulus te helpen
het evangelie te verkondigen op plaatsen waar ze nog niet over God hadden gehoord.
Paulus vertrouwen in deze jongen gekregen, die met hem meeging en hem meehielp
en stelde hem in een bepaalde gemeente aan voor de gemeente zorg te dragen.
Hij was nog vrij jong, want in het volgende hoofdstuk schrijft Paulus aan Timotheüs
dat Timotheüs zich niet te druk moet maken dat leden hem te jong vinden.
Paulus heeft gehoord over de zorgen die Timotheüs heeft als het om zijn gemeente gaat
en schrijft hem een brief om hem te steunen, een hart onder de riem, ook om hem te helpen.
Een van de zorgen, die Timotheüs heeft, betreft de taken binnen de gemeente.
Te merken is dat er niemand staat te springen om een taak op zich te nemen.
Als hij iemand op het oog heeft en vraagt om iets te doen binnen de gemeente,
krijgt hij te horen dat iemand het niet op zich kan nemen, of niet wil.
In de uitleg worden verschillende opties genoemd:
Er kan kritiek zijn op degenen die wel een taak op zich hebben genomen in de kerk,
waarbij ieder ander weet: als ik ook een taak op mij neem, krijg ik ook die kritiek.
Als je dat van tevoren weet dat je bij voorbaat al kritiek kunt krijgen, bedank je voor de eer.
Het kan ook zijn dat degenen die een taak hebben binnen de kerk dwaalleraars zijn:
ze vertellen de verkeerde dingen over God en brengen de gemeente in verwarring.
Ze vertellen niet meer waar het op staat,
ze draaien er om heen en halen de scherpe kantjes ervan af.
Moet je dan met zulke mensen samenwerken, met wie je voelt dat er geen band is,
omdat ze toch niet hetzelfde geloof hebben, maar een heel andere boodschap?
Een andere reden waarom gemeenteleden zouden kunnen bedanken
is dat het je wat kan kosten om een taak op je te nemen.
Niet zozeer in tijd of in geld, maar dat je de kans loopt om opgepakt te worden
En in de gevangenis gegooid te worden, bedreigd te worden omdat je gelooft in Christus.
Als er sprake is van vervolging zijn meestal de leiders van de kerk het eerst aan de beurt.
Je merkt aan wat Paulus schrijft, dat Timotheüs er niet meer uitkomt: wie moet hij vragen?

Het eerste wat Paulus uitlegt aan Timotheüs is
dat het gezond is als er binnen de gemeente wel een verlangen is,
dat gemeenteleden een taak op zich nemen, zich gaan inzetten.
Dat verlangen dat je dan hebt om iets binnen de gemeente te doen, is gezond verlangen.
Het is in je te prijzen als je iets wilt oppakken.
Paulus zegt het dubbelop: het is een gezond verlangen als je iets wilt doen,
want je voelt dan van binnen, in jezelf een drijfveer om iets van Christus te laten zien.
Paulus noemt een taak binnen de gemeente een goed werk.
In de woorden die hij gebruikt, kun je merken dat hij bedoelt:
Als je een taak op je neemt, dan wil je Christus zichtbaar laten zien.
Dan wil je aan anderen laten zien, dat Hij je Heer is en dat Hij ook Heer van anderen wil zijn.
Met dat verlangen laat je zien dat God in je werkt en dat de Heere je wil gebruiken.
Want over welke taak heeft Paulus het hier?
Bij hoe het vertaald is – ambt van opziener – kun je al snel denken
aan het traditionele beeld van de ouderling in zwart pak, die statig de kerk in komt schrijden.
Iemand die op bezoek komt en dan een hele preek afsteekt,
of als je geluk hebt eerst even vraagt hoe het met je gaat maar dan snel naar de kern wil,
nog voordat je zelf eraan toe bent omdat je niet goed weet wat je allemaal kunt vertellen.
Of je denkt aan ouderlingen aan een streng college waar je eerst toestemming moet vragen
En vrij snel op de rem trappen, omdat ze bang zijn dat het niet passend genoeg is.
Het is echter maar de vraag of Paulus dat bedoelt en of het al een duidelijke omschrijving is.
In het Griekse woord Episkopos (ambt is toegevoegd aan de vertaling) zit een woord
dat wij kennen: scopos. We kennen dat van:
– de telescoop: je kijkt door een kijker, waarmee je zo ver kunt zien dat je sterren kunt zien.
periscoop: een kijker op een onderzeeboot, waarmee onder water boven water de zee kan worden afgespeurd.
bioscoop: in de bioscoop zie je hoe het leven is.
Bij deze taak in de gemeente heeft Paulus iemand op het oog die kijkt naar anderen,
een ander een beetje in de gaten houdt
Zoals ik dat deed met de zus die een jaar jonger was dan ik.
Als we samen ergens naar toe gingen, zorgde ik dat ik met haar mee reed naar huis.
Of zoals een ouder even meekijkt met een van de kinderen bij het huiswerk.
Als een leraar die de kinderen in de gaten houdt of ze allemaal kunnen meekomen.
Hier heeft Paulus eerder iemand op het oog, die als een herder wil zijn,
de andere gemeenteleden in de gaten houdt of ze nog wel mee kunnen komen
in de gemeente, of ze nog wel leven met Christus, of ze wel groeien in geloof.
Iemand die hart voor de gemeente heeft, bij wie je terecht kunt.
De hedendaagse versie van de episkopos is de supervisor, of stagebegeleider.
Iemand die je meekijkt hoe je het doet,
met wie je in gesprek bent of je nog wel op de juiste weg bent.
Ik denk dat er vandaag de dag juist aan zulke supervisoren behoefte is:
als je een tiener bent, dat je iemand hebt bij wie je kunt vertellen waar je mee zit.
Als je vragen hebt over jezelf, over God dat je dan iemand hebt om te praten.
Als je jongvolwassen bent en net verkering hebt, iemand die je uitleg geeft
over relaties en hoe jij in je relatie samen met de dingen van de Heere bezig kunt zijn.
Als je geen relatie hebt en alleengaand bent heb je misschien wel juist behoefte
aan iemand binnen de gemeente om te delen wat je bezig houdt, iemand op wie je aan kan.
Of voor een jong gezin: op de gemeenteavond kwam het even ter sprake
dat niet voor elke gezinnen kerkgang en geloof nog vanzelfsprekend is.
Dan kun je er juist behoefte aan hebben dat je binnen je eigen gemeente gesterkt wordt.
Een episkopos is iemand die met je meeleeft, met je meekijkt en meedenkt.
Als je in je dat verlangen voelt om zo met anderen mee te leven, mee te denken en te kijken
is dat een mooi verlangen, waarin je merkt dat God in je bezig is
en ook een mooi verlangen omdat jij dan mag laten zien wie God is,
Die ook met ons meeleeft, meekijkt en meedenkt
– de wachter van Israël die ook over ons leven waakt.

Wat voor iemand moet je dan zijn als je deze taak op je wilt nemen?
In de afgelopen week las ik dit gedeelte bij de opening van de wijkjeugdraad
(we bespreken daar allerlei thema’s
die met de kinderen en de jongeren in onze kerk te maken hebben.)
en vroeg aan de anderen die er bij waren: hoe lezen jongeren dit gedeelte nu?
Hoe horen ze dit? Zullen ze denken: “Dat is toch niet voor mij. Ik ben toch geen leider!”?
Er was iemand aanwezig die in meerdere gemeenten betrokken is bij het jeugdwerk
En diegene vertelde dat er onder kinderen van ambtsdragers een grote nood is:
‘Er zijn heel wat kinderen van ambtsdragers die als ze dit gedeelte horen
in zichzelf een bepaalde boosheid voelen: je moest eens weten hoe mijn vader thuis is!
Hij zit geregeld voor in de kerk en heeft hij een vroom gezicht, maar thuis is hij een ander.
Voor anderen heeft hij aandacht, maar voor zijn gezin heeft hij geen tijd.’
Ik hoop niet dat het hier in de gemeente bij de jongeren ook zo beleefd wordt.
Het is in ieder geval niet wat Paulus vraagt.
Bij alle eigenschappen die Paulus opsomt gaat het erom, zoals ik al eerder zei,
dat je door de Heilige Geest een ander mens geworden bent
en dat ook je karakter door de Heilige Geest wordt gevormd, wordt vernieuwd.
Als je vroeger opvliegend en driftig was, dat je merkt dat de Geest je rustig maakte.
Als je vroeger snel een oordeel over iemand had, dat je merkt dat je mild geworden bent.
Want als je je karakter niet laat corrigeren, als je nog de oude bent gebleven,
hoe kun je dan aan anderen laten zien wie God is en hoe God werkt?
Hoe kun je dan vertellen over Gods genade, over de verandering in je leven
Als je zelf daar niet een voorbeeld van bent?
Hoe kun je de tieners van de TOVgroep meenemen, als je daar zelf niets van weet.
Want zij hebben er behoefte aan om het niet alleen te horen wat er in de Bijbel staat,
maar dat ook aan je te zien en zo via jou te kunnen zien hoe zij veranderd kunnen worden.
God geeft aan de kerk leiders die zich een ander mens laten maken door de Heilige Geest.

Maar Paulus legt de lat wel hoog: je moet onberispelijk zijn.
Er mag niets op je aan te merken zijn als je een taak op je neemt.
Daar kun je tegenaan hikken, want als je naar jezelf kijkt weet je: dat ben ik niet.
Er valt zoveel op mij aan te merken.
Maar dan moet je bedenken dat Paulus niet zoekt naar de meest perfecte christen,
Want iedereen weet dat je geen perfecte christen kunt zijn. Niemand kan dat zijn.
Waar Paulus naar op zoek is, is iemand die betrouwbaar is, op wie je kunt bouwen.
Iemand die als er vervolgingen komen, zijn functie neerlegt en als eerste weg is.
Of iemand die door te manipuleren zijn zin weet door te drijven binnen de kerk.
Of iemand die een duister verleden heeft, waarvan je weet dat dit kan opspelen.
Iemand die zich in relaties, zoals het eigen huwelijk, betrouwbaar heeft getoond.
Geloofwaardig als echtgenoot, als vader – want als je thuis niet geloofwaardig bent,
hoe kun je dan in de gemeente – die toch van God is – geloofwaardig zijn.
Wat wordt er nog meer gevraagd:
Iemand die in staat is om met een wijs oordeel, een wijs advies kan komen,
waarin je proeft dat iemand de Heere kent en niet de eigen belangen,
maar het geheel van de gemeente op het oog heeft.
Iemand van wie je het geloof afleest, aan alles proeft dat hij of zij integer wil zijn,
omdat je God wil dienen met alles wat je hebt.
Niet zozeer iemand die in alles strak de regie heeft,
maar iemand die in gebed gaat, de handen vouwt en geduldig luistert
naar wat de Heere in deze situatie heeft te geven.
Iemand die zichzelf kent, de eigen fouten en zwakten,
maar daar de strijd mee aangaat
en ze niet goedpraat door te zeggen dat iedereen zijn fouten heeft.
Nee, dat kun je niet uit eigen kracht.
Daarvoor heb je de Heilige Geest nodig, die in je werkt.
En zo, met de Heilige Geest die in je werkt, kun je een middel zijn in Gods hand,
Waarmee Hij ervoor zorgt dat Hij zichtbaar wordt,
door jou aan de kinderen van de zondagschool of de clubs,
door jou aan de tieners aan wie je leiding geeft of mentorcatechese, als je op bezoek gaat.
God geeft aan de kerk leiders die zich een ander mens laten maken door de Heilige Geest.
Het is niet je eigen kracht, maar de Heilige Geest.
Hij wekt in je het verlangen om iets te doen voor de Heer van je leven.
Die Geest leert je ook dat je niet perfect kunt zijn, zolang je hier op aarde leeft,
omdat je hier te maken hebt met je worstelingen, met je zwakten, met de duivel die verleidt.
Als God je een ander mens maakt, je hart en je karakter verandert,
zegt Hij je ook dat je niet zonder genade kan:
Die genade is aan de ene kant de Geest die gegeven wordt,
Aan de andere kant de vergeving die je ontvangt als je gaat naar het kruis
en belijd dat je het als mens, als gelovige zo vaak niet de maat haalt die God aanlegt.

Doorgrond mijn hart en ken mijn weg o Heer.
Beproef me en zie wat niet is tot Uw eer.
Is soms de weg niet goed voor mij:
Leid mij op de eeuwige weg, Heer, maakt mij vrij!

O Heer, heb dank, ’k mag de Uwe zijn.
Uw dierbaar bloed, was mij van zonden rein.
Doop mij met vuur, opdat ik mij niet meer schaam.
Ik wil leven, Heer, tot eer van Uwe naam.

Zie, Heer, hier ben ik. Maak mij een vat voor U.
Woon in mijn hart, vernieuw het, doe het nu!
Verbreek mijn wil, maak mij van hoogmoed vrij.
Ik wil in U blijven, Heer. Blijf Gij in mij.
Amen

Preek Dankdag 2019 avonddienst

Preek Dankdag 2019 avonddienst
Schriftlezing: Psalm 147

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Je kunt wel merken dat Psalm 147 bedoeld is voor de eredienst,
om door een koor gezongen te worden of als samenzang.
Want je start een gesprek niet snel met halleluja.
Zelfs een kerkdienst wordt niet begonnen met halleluja,
maar met “Goedenavond gemeente, hartelijk welkom in deze dienst…”
Zou je een gesprek of de afkondigingen beginnen met een halleluja,
dan frons je je wenkbrauwen en zet je je innerlijk schrap.
Deze persoon start wel gelijk op een hoogte waar je niet zomaar bij kan.
Wat in een gesprek of in een afkondiging niet kan, kan in een lied wel.
en je kunt er ook nog in meegenomen worden,
want dat is de bedoeling van halleluja,
dat je als luisteraar van dat lied ook mee doet in de lof op God.
Halleluja is een uitnodiging om mee te doen,
een oproep om ook in te stemmen in de lof op God.
Omdat je als mens je bestemming vindt in het loven van God.
Dat zou je kunnen aangeven als het doel waarvoor wij geschapen zijn:
We zijn geschapen om God te loven.
En als je mee doet in de lof op God, doe je dat samen met de engelen in de hemel,
samen met de dieren, de planten, de bergen, de zeeën
en al het andere dat God geschapen heeft.
In heel de schepping is dit halleluja te horen,
de vogels in onze tuin, de bomen die nu van kleur veranderen en hun blad verliezen,
de wolken die door de lucht drijven, de regen die naar beneden valt
– steeds is daar een lof op onze Heere, schepper van hemel en aarde te horen.
De ene keer uitbundig, dan weer intiem: De lofzang is in stilte tot U, o God.
Dan weer in een bulderende storm.
De schepselen die moeite hebben om zo’n halleluja direct aan te heffen zijn de mensen.
Gelukkig hebben we een kerkdienst en zijn er liederen waarin dat wel gebeurt,
die ons meenemen, die ervoor zorgen dat ook wij de Heere loven: Halleluja!

Het is immers goed, zo begint Psalm 147, om God te prijzen.
Goed voor onszelf. We worden er gelukkiger van,
meer mensen van God, mensen zoals God ze bedoeld heeft.
Lieflijk is het, zo gaat de psalm verder.
Als we de Heere loven, krijgt ons bestaan een bepaalde glans, een bepaalde waarde
die we zouden missen als we de Heere niet zouden loven.
Deze psalm begint en eindigt met halleluja,
om ons te laten weten dat alleen zo ons leven kan zijn,
Dat we alleen gelukkig zijn, echt mens zijn, het echte leven hebben als we God loven.

We zijn niet altijd in de stemming om de Heere te loven.
Dat weet de psalm ook.
In de psalm kunnen we iets lezen van de pijn van de verwoesting van Jeruzalem,
inwoners van die stad die weggenomen werden, gedwongen in een vreemd land te wonen.
Dat was zo’n diepe pijn, om de stad verwoest te zien, zelfs de tempel van God in puin
en dat zij zelf als ballingen in een vreemd land moesten wonen,
ook nog eens een land waar de goden en de mensen hen en de Heere uitlachten.
Zo’n diepe pijn en verdriet dat het hart brak – gebroken van hart, zegt de Psalm.
Uit andere psalmen weten we dat ze daar ver weg van de tempel
niet in staat waren om de Heere te loven.

Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

Wij hadden onze harpen gehangen aan de wilgen die daarbinnen zijn. 

Toen zij die ons gevangen hielden,
daar woorden van een lied van ons verlangden,

wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap: Zing voor ons een van de liederen van Sion!

zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen in een vreemd land?

Nu toch weer de oproep om de Heere te loven,
omdat Hij zich weer heeft laten zien aan het volk en Zijn eigen volk weer terug bracht
in de stad die Hij had uitgekozen om daar te wonen: Jeruzalem
Bijeengebracht, zoals een herder zijn schapen bij elkaar roept.
Daarin hebben ze mogen ervaren dat de Heere naar hen omzag,
vanuit de hemel liet weten dat Hij hun God was, door hen weer thuis te brengen.
Dat had hen de ogen geopend voor wie de Heere was:
Groot en machtig, die de sterren bij hun naam roept,
Al die sterren stuk voor stuk, ook de sterren die door ons mensen nog niet zijn ontdekt,
Onze God heeft ze geschapen en een plaats gewezen in het heelal.
In dat heelal dat zo onmetelijk groot is, kent Hij Zijn volk Israël, ook al is het in Babel.
En weet Hij wat iedereen in dat volk nodig heeft.
Als een persoonlijke arts, die de kwaal kent, weet hoe de wonden hersteld moeten worden
en die moeite en zorg doet om die wonden te laten genezen:
Hij geneest de gebrokenen van hart,

Hij verbindt hen in hun leed.
Persoonlijke betrokkenheid van deze grote God, die door niemand is na te rekenen,
met niemand te vergelijken.
Niemand kan de concurrentiestrijd aangaan met onze God,
Zelfs niet de goden van het machtige wereldrijk van Babel – ze kunnen niet tegen Hem op.

Nu is het bijzonder als je God kunt loven om Zijn grootheid
en dat gebeurt ook wel in deze psalm.
De psalm looft de Heere ook dat Hij ondanks Zijn grootheid onze God wil zijn,
zich aan mensen verbindt en al Zijn schepselen kent:
ieder mens, elk dier, elke plant, elke boom, elke golfslag en regendruppel.
Betrokken op al Zijn schepselen.
Al Zijn schepselen zijn uit Zijn hand voortgekomen
en als ze leven mogen ze steeds weten dat Hij hen niet uit het oog verliest,
maar hen steeds begeleidt en voor hen zorgt, hen eten geeft.
Als er regen nodig is, laat de Heere wolken door de lucht gaan,
zodat er neerslag kan komen en de regen neerdaalt op het land
en door het water dat neervalt gras kan groeien.
Je kunt dat als een natuurlijk proces analyseren.
Ik heb dat moeten leren bij aardrijkskunde en natuurkunde.
Ik weet nog dat ik in de brugklas aardrijkskunde van mijn vader kreeg,
– hij was aardrijkskundeleraar –
en dat we tijdens een repetitie de waterkringloop moesten uitleggen:
water van de zee dat verdampt, waardoor wolken ontstaan,
wolken die naar het land gingen en boven land hun regen lieten vallen
en dat water stroomt dan weer voor een deel terug naar zee.
We moesten het verschil weten tussen loefzijde en lijzijde van een berg.
Loefzijde was de kant waar de regen viel. Deze kant was begroeid.
De lijzijde was aan de andere kant, waar geen regen viel.
Aan deze kant groeide juist weinig, omdat er nauwelijks neerslag viel.
Het is een natuurlijk verschijnsel en toch kun je daarin ook de hand van God zien.
De betrokkenheid van de Heere op de aarde, die op die manier voor regen zorgt
en door de regen zorgt voor Zijn schepping en zorgt dat graan en groente verbouwd worden.
In deze psalm zet de regen aan tot een halleluja bij de mens:
Laten we de Heere loven om de regen die valt,
Want daarin zien we Zijn liefde, Zijn betrokkenheid op ons.
Elk dier dat er op de aarde is, Gods aarde, wordt door de Heere onderhouden.
Zo zorgt Hij voor de schepping van Zijn hand.
Zelfs dat kleine ravenjong in het nest, dat schreeuwt om gevoed te worden.
Raven stonden niet best bekend.
De meeste mensen hadden een hekel aan raven.
Het waren onreine dieren, dieren die je niet aan de Heere mocht offeren.
Ze aten van alles, zelfs kadavers van dode dieren.
Het waren een soort rovers, waar je je eigen eten voor moest opbergen.
Zelfs dat dier waarvan mensen al gauw zouden zeggen:
Laat maar roepen, ik hoop dat zo’n jong nooit groot wordt,
Want zo’n raaf zorgt alleen voor overlast en ellende.
Zelfs zo’n dier wordt door de Heere gehoord en van eten voorzien.
Als de Heere zo’n dier van eten voorziet, dat niet gewenst is,
zal Hij dan niet voor een ieder van ons zorgen,
Zelfs als iemand van ons zich ook niet gewenst voelt?

Het roepen van dat ravenjong – in het Hebreeuws is roepen en bidden vaak hetzelfde woord.
Dat kleine raafje roept
zonder dat dat kleine raafje misschien niet eens weet tot wie het roept.
Roept het om een van zijn ouders om hem eten te komen geven?
Of is het zonder dat het jonge raafje dat weet een roepen tot God.
OF een roepen in het wilde weg, help mij, geef mij eten,
een roepen zonder adres, dat toch door de Heere wordt opgepikt.
Zing voor de HEERE een beurtzang met dankzegging,
zing psalmen voor onze God met de harp,
Die aan het vee zijn voedsel geeft en aan de jonge raven wanneer zij roepen.
Dat raafje dat zo afhankelijk is van anderen, en zeker van God.
Het kan alleen maar roepen, zelf nog niet eens voor eten zorgen.
Dat is de voorwaarde om door de Heere geholpen te worden:
gevouwen handen, een roepen naar omhoog naar de Heere,
zoals dat jonge raafje maar roept en roept.
Je hoeft je leven niet op orde te hebben.
Je hoeft geen bijzondere kracht te hebben of iets bijzonders te presteren.
Hij vindt geen vreugde in de kracht van het paard,
Hij schept geen behagen in de spierkracht van de man.
Je kunt dat horen als een gewone mededeling over welke voorkeuren de Heere heeft.
In deze psalm is het echter meer.
Je moet er halleluja voor zetten, dan begrijp je het meer:
Halleluja, de Heere vindt geen vreugde in de kracht van het paard,
Halleluja, Hij schept geen behagen in de spierkracht van de man.
Hier wordt niet de kracht van een trekpaard bedoeld,
zoals hier paarden werden gebruikt voor er trekkers en machines waren.
Het zijn de paarden die in het leger worden gebruikt
en de spierkracht van de man is hier niet de boer die zijn land ploegt
of de bosarbeider die bomen omhangt,
Of het moet de boer zijn die niet kan buigen
of de bosarbeider die zich te sterk voelt om zijn handen te vouwen en de ogen te sluiten.
Als je op je eigen macht vertrouwt, als je het zelf wel redt,
Als je je te goed voelt om de Heere te danken, omdat je niet wilt zien dat Hij je dit alles geeft.
Dan heeft de Heere geen vreugde in je, zegt de psalm.
Alleen als je beseft: Ik krijg dit alles van de Heere, Ik ben niets zonder Hem.
Zonder Hem stel ik niets voor.
Dan ziet de Heere naar je om – goedgezind voor wie Hem vrezen.
Vrezen is: rekening houden met de Heere, zien dat Hij voor je zorgt,
zien dat in de regen die valt Gods vaderlijke hand te zien is,
in het gras dat groeit onze God, die hemel en aarde geschapen heeft,
dat gras laat groeien om voor jou en Zijn andere schepselen te zorgen.
Je kunt Zijn zorg heel concreet zien: dat we in vrede leven,
dat we leven in veiligheid,
Dat je ziet dat jezelf het goed hebt en je kinderen worden gezegend.
Dat er eten is.
Dat de Heere Zijn macht inzet om je te beschermen tegen gevaar.
Alles wat in de natuur gebeurt, is dienstbaar aan de Heere,
kan door Hem worden gebruikt om Zijn plan uit te voeren,
moet naar Hem luistert: zelfs de machtige winter
die met zijn kracht alles kan laten bevriezen, in bedwang kan houden.
Als de winter lang aanhoudt, kunnen zelfs grote rivieren die normaal krachtig zijn,
in bedwang gebracht worden door het ijs dat op de rivier komt te liggen.
Welke macht we ook in de natuur zien, het is geen vreemde duistere macht,
maar een macht die gehoorzaam is aan de Heere
en zich in dienst moet stellen om Gods plan uit te voeren
en dat grote plan is de zorg voor de schepping: voor de mens, voor elk dier.
‘Als God zo eventjes de winter kan veranderen en wegdoen en de zomer terugbrengen,
zodat wij de winter helemaal vergeten
en als Hij dat net zo makkelijk kan doen dat het Hem maar een woord kost,
hoeveel te meer moet je geloven dat Hij jou uit jouw winter en uit alle mogelijke nood
heel gemakkelijk met één woord helpen kan.’ (Luther, geciteerd bij G.Th. Rothuizen).

Die God is de God van Israël – Israël leerde deze God bij name kennen,
mocht een verbond sluiten met deze God.
Mocht de macht en de trouw van deze God ervaren, heel persoonlijk.
En ook wij mogen instemmen met de lof op deze God,
zoals deze psalm begint met Halleluja, mogen wij er ook mee eindigen.
Om daar mee aan te geven, dat heel ons leven omsloten is door dit Halleluja,
dat we tot onze bestemming komen als we instemmen met deze lof op onze God.

Zoals een bloem zijn kelk heft naar de zon,
een boom zijn armen uitbreidt naar de hemel,
ja zelfs het zaad, diep in de akkergrond
zoekt naar het licht en opstaat om te leven,
zo zoekt ons hart naar U, o eeuwig licht,
zo taalt ons lied naar U, o God van vrede.

Lof zij uw Naam die oplicht in de nacht,
uw luister staat geschreven in de sterren,
zo hoog van eer, een uitstraling zo zacht,
taal van genegenheid, tijding van verre,
Wij zien verwonderd naar de stille pracht,
zou ooit een mens die heerlijkheid verwerven?

In sierlijk schrift, hoog aan de hemeltrans
hebt Gij de nacht uw signatuur gegeven.
Wij zijn geschreven met dezelfde hand,
dezelfde gratie wekt ook ons tot leven.
De morgenster, zozeer aan U verwant,
Hij heeft het uur der duisternis verdreven.

God van ons hart, Gij die ons zingen doet,
uw mensen zijn wij, maaksel van uw handen,
uw adem geeft ons innigheid en gloed,
o leid ons uit het huis van schade en schande.
Gij schenkt de sterveling een vergezicht.
Uw stad van licht daalt neer over de landen.
Amen

 

Preek woensdag 6 november 2019 – Dankdag

Preek woensdag 6 november 2019 – Dankdag
Schriftlezing: 2 Koningen 7 (Bijbel in Gewone Taal)
Thema: Goed bericht!

In het Bijbelverhaal dat we gelezen hebben gaat het over honger
en dan geen honger, omdat je een keer weinig gegeten hebt
omdat je het eten niet lustte en dan ‘s avonds net voor het slapen gaan trek krijgt.
En ook geen honger omdat je hard gewerkt hebt of flink gesport
waardoor je best wel wat lust.
Er is honger in de stad, omdat er geen eten meer in de stad kan komen.
De poorten kunnen niet meer opengaan,
omdat er net buiten de poort het leger van de vijand is,
die alle wegen naar de stad hebben bezet en ervoor zorgen
dat niemand meer de stad binnen kan gaan om eten te brengen.
In de eerste weken is er nog eten en drinken, omdat er een voorraad is.
Maar na enige tijd raakt deze voorraad op
en moeten de mensen in de stad steeds minder eten.
Als de kinderen hun bord bijhouden, krijgen ze niet meer vol opgeschept,
maar de helft van wat ze normaal zouden eten.
Als de kinderen ‘s avonds zeggen dat ze nog best wat lusten,
omdat ze anders niet kunnen slapen, krijgen ze te horen dat ze niets krijgen.
Het eten wat er is, raakt steeds meer op.
Dan komen de dagen waarop de kinderen aangeven dat ze niets meer hebben
en dat de moeder en de vader verdrietig aangeven dat er echt niets meer is.
De eerste mensen worden ziek, omdat ze te weinig krijgen.
Op straat zie je steeds minder mensen, omdat ze hun krachten sparen
of omdat ze te zwak zijn om over straat te lopen.
Het is bijna niet meer te doen.
De mensen gaan bepaalde dingen eten, die ze anders nooit zouden eten.
Veel geld wordt er betaald voor een kop van een dode ezel
en als iemand duivenmest gaat verkopen,
blijkt dat er mensen zijn die ook daarvoor willen betalen.
Als de poorten van de stad dicht blijven, zal iedereen nog sterven
omdat ze geen eten meer hebben.
De koning vindt dat het de schuld van de Heere God is
en van Elisa, de profeet die de Heere dient.
Boos roept de koning uit dat hij Elisa zal doden.
En hij gaat ook naar Elisa toe, misschien wel om zijn plan uit te voeren.

Als de koning bij Elisa komt, heeft Elisa voor de koning een bijzondere boodschap.
Morgen om deze tijd zal er eten zijn.
De prijs voor een zak meel, of twee zakken gerst voor niet al te veel geld.
Zou je dat geloven, als je al heel lang niet meer te eten hebt gehad
En je heel veel geld moet neertellen voor iets dat je nauwelijks kunt eten
en je steeds met een lege maag naar bed moet en niet kunt slapen van de honger
en je overdag rustig aan moet doen omdat je geen kracht meer hebt
– zou jij dan geloven dat het morgen weer voorbij kan zijn
omdat de Heere ervoor zal zorgen dat er weer eten is?

Een van de mannen die met de koning mee is,
vindt dat maar moeilijk om te geloven.
Hij lacht de profeet keihard uit en spot ook met God:
Dan moet de Heere wel vensters in de hemel hebben,
luiken waardoor de engelen allemaal koren en gerst naar beneden gooien.
Alleen dan is er voor ons een beetje hoop.
Deze man denkt er misschien al wel over na wat er met hem zou gebeuren
als de poort van de stad open gaan en de inwoners zich moeten overgeven
en de vijand in de stad komt.
Zal hij dan nog blijven leven? Of zullen ze hem dan alsnog doden?
Hij gelooft er niets van, dat de Heere dat zal doen,
want hij, de officier die de koning zo vaak helpt en van advies voorziet,
ziet geen enkele mogelijkheid waarop de Heere zou kunnen helpen.
Dat is nou ongeloof: dat wij als mensen gaan bedenken
Dat de Heere God iets niet kan.
Elisa waarschuwt de man: Omdat u niet gelooft in de macht van God
En omdat u er zo mee spot, zult u het wel zien, maar u zult er niets van krijgen.

Gelukkig kennen de meesten van ons geen honger meer.
In het laatste jaar van de oorlog, nu 75 jaar geleden, was er wel honger,
een hele winter lang: de hongerwinter.
In deze maanden wordt teruggeblikt op 75 jaar bevrijding
en dan zal er vast ook aandacht zijn voor de hongerwinter.
Mijn schoonvader was in die tijd een jongen van een jaar of 8.
Hij woonde in een stad waar je moeilijk aan eten kon komen.
Zijn eigen vader vroeg hem een keer wat hij wilde eten:
Aardappelschillen of een bloembol.
Hij koos voor de aardappelschillen en zijn vader at de bloembol op.
Pas hoorde ik een jongen van 18 uit Zwolle vertellen,
dat hij een tijd op straat leefde, omdat hij geen huis had
En in die tijd echt honger heeft gekend.
Het kan ook in deze tijd in Nederland, waarin veel mensen het goed hebben
dat ze geen geld hebben om eten te kopen.
Daarom zamelen we eten in dat via de voedselbank uitgedeeld kan worden.

Maar als je geen eten hebt, en echt honger moet lijden, kun je dan geloven
dat de Heere je zal helpen en dat je honger weer voorbij kan zijn?
Of als je met iets anders zit en niemand kan meer helpen,
geloof je dan dat de Heere dan alsnog in staat is om te helpen?
Bijvoorbeeld met iemand die ziek is, of als er ergens oorlog gekomen is?
Dat vraagt om geloof, ook als je niet gelijk ziet dat de Heere iets gaat doen.

In het Bijbelverhaal helpt de Heere op een bijzondere manier.
Er zijn buiten de stad 4 mannen.
Zij mogen niet meer in de stad wonen, omdat ze een ziekte hebben
waarvan iedereen denkt dat het heel besmettelijk is
en dat je door hen ook heel ziek kunt worden
en misschien ook wel zou kunnen overlijden aan die ziekte.
Deze mannen hebben ook geen eten meer.
Vanuit de stad zullen ze geen eten meer krijgen
en als ze hier blijven dan zullen ze van de honger gaan sterven.
Er is maar één manier om te kijken of ze nog eten kunnen krijgen.
Daarvoor moeten ze wel naar de vijand
en moeten ze zich overgeven, zich melden bij de vijand.
Het zou best kunnen zijn, dat ze een verrader moeten worden
en dat de vijand tegen hen zal zeggen: vertel ons maar hoe we in de stad kunnen komen.
Maar als je al lang niet gegeten hebt en je voelt dat je niet lang meer kunt,
is dit nog de enige kans om te blijven leven.
Ze gaan als het donker wordt.
En donker is het ook voor hen, want zullen ze goed ontvangen worden
en donker is het voor de stad. Het is niet meer te houden.
Nog even en de stad moet zich overgeven en is de stad verloren
En zullen de soldaten van de vijand de stad in brand steken,
de mooie spullen roven en iedereen als slaaf meenemen.

Voorzichtig gaan ze naar het kamp van de vijand.
Als ze daar aankomen, kijken ze verbaasd: Er staat niemand op wacht.
Als ze nog verder komen, zien ze wel tenten, en paarden
en allerlei spullen op de grond, maar er is helemaal niemand.
Voorzichtig gaan ze verder, bedacht dat er toch iets vreemds kan gebeuren
en zij gesnapt worden en gearresteerd zullen worden.
Maar nee, de eerste tent is wel vol met spullen, en ook met eten.
Ze pakken gauw wat om wat te eten.
Zoiets hebben ze al lange tijd niet meer gegeten.
Er liggen ook waardevolle spullen.
Ze beginnen dat allemaal te pakken en nemen dat mee naar hun schuilplaats.
Zo slepen ze wat af en aan. Voorlopig kunnen ze er tegen.
Op een gegeven moment kijken ze elkaar aan:
He, maar wat we doen is niet goed. Wij hebben hier ontzettend veel eten
en in de stad waar we vandaan komen, sterven er mensen nog steeds van de honger.
We moeten gaan melden dat er eten is.
Ze gaan naar de poort van de stad en roepen de wachter.
Als de wachter hun verhaal hoort, kan hij zijn oren niet geloven.
Dit moet de koning weten en hij gaat naar het paleis met deze boodschap.
Midden in de nacht wordt de koning gewekt en denk je dat hij het gelooft?
Nee hoor, de koning die zo boos was op God vanwege de honger
en in zijn hart net zo spotte als zijn officier. Hij gelooft er niets van.
Dit is een list, een valstrik. Mensen, we moeten opletten.
We worden erin geluisd.
Ook al lijkt er eten te zijn en kan de stad worden gered,
de koning wil het niet geloven, zo bijzonder is het wat er is gebeurd.
Dan komt een van zijn adviseurs: Koning, we hebben nog enkele paarden.
Deze paarden hebben we ondanks de hongersnood steeds goed verzorgd.
Nog even, dan zullen ook deze paarden sterven omdat er geen eten is.
We moeten wat doen.
Laten we met die paarden in ieder geval gaan kijken.
Wellicht zijn het paarden waar de koning veel om geeft
Misschien heeft hij nog wel meer medelijden met zijn mooie paarden
dan met al die mensen in de stad die honger moeten lijden
en zorgt hij voor die paarden wel goed,
terwijl het hem weinig scheelt hoe het met de mensen van de stad gaat.

Als er enkele soldaten samen met de paarden de stad uit gaan,
komen ze bij het legerkamp.
Het is er leeg. Ze horen wel geluid: van wapperende tentdoeken,
Van paarden die staan te hinniken, ezels die balken.
Maar waar ze ook kijken: nergens zien ze een mens.
Ze moeten wel opletten, want straks zitten de soldaten ergens verstopt
en komen ze tevoorschijn als de poort zal opengaan.
Waar ze ook zoeken: ze vinden geen soldaten.
Wel spullen die weggegooid zijn.
Je kunt maar een ding bedenken: de soldaten van de vijand zijn bang geworden.
Ze zijn ergens van geschrokken.
De Bijbel vertelt waar ze van geschrokken zijn:
Ze hebben een geluid gehoord. Ze hebben gehoord dat er een groot leger aankomt.
Dat moeten de Egyptenaren zijn. Of de Hethieten.
Ze hebben vast geld van de Israëlieten gekregen om hen te komen helpen.
Dit gaan ze nooit redden. Ze zullen gaan verliezen.
Als ze niet snel maken dat ze wegkomen, zullen ze allemaal worden gedood.
En daar gaan ze, op hun allerhardst.
De wapens die in de weg zitten, gooien ze van zich weg en ze kunnen alleen maar rennen.
Tot aan de Jordaan, tot buiten de grens van het land is er geen soldaat meer.
De stad is inderdaad bevrijd, door het geluid dat de Heere laat horen.
Er kan weer eten in de stad zijn.
De vorige dag nog had Elisa gezegd dat er eten te koop zou zijn
voor niet al te veel geld.
Nu het donker bijna voorbij is en de zon haast al opkomt, weten ze:
Het is waar. God brengt redding.
Het was moeilijk om te geloven, er moest is nog een lange nacht komen
en toch bij het aanbreken van de morgen kon het hele kamp al leeggehaald worden.
De vijand was weg en er was een genoeg.

De mensen zullen gezongen hebben, zoals het staat in Psalm 118:

In de tenten van de rechtvaardigen klinkt luide vreugdezang, een lied van verlossing:

De rechterhand van de HEERE doet krachtige daden,
de rechterhand van de HEERE is hoogverheven,
de rechterhand van de HEERE doet krachtige daden.
Ik zal niet sterven maar leven,

en ik zal de werken van de HEERE vertellen.
Wat zullen ze blij geweest zijn en de Heere hebben gedankt
en van vreugde hebben gedanst.
Wat een mooi bericht. Wat een goed nieuws kwamen die mannen brengen.
Ongelofelijk, de Heere heeft het toch gedaan.

En de man die niet kon geloven en die hardop lachte en spotte met de Heere?
De koning zet hem bij de poort. Hij moet zorgen dat alles goed verloopt.
Misschien moet hij wel de mensen tegenhouden, omdat de koning het beste wil.
De mensen zijn niet meer te houden en duwen hem aan de kant.
De man valt en alle mensen lopen over hem heen.
Als iedereen de stad uit gegaan is, blijft de officier van de koning liggen.
De man hoorde van het goede bericht, maar heeft er zelfs niets van kunnen nemen.
Stil ligt hij daar en als iemand gaat kijken of hij kan helpen,
blijkt de man overleden te zijn.

Een goed bericht voor de stad: God brengt toch redding,
ook al konden de meesten niet geloven wat Elisa zei.
Dat is nu onze God.

Vanmorgen zijn we bij elkaar om te danken voor de zegeningen die God geeft.
Soms reken je misschien helemaal niet meer op Gods hulp,
en dan toch kan God onverwacht helpen.
Zo groot en zo machtig is God,
dat je soms niet kunt geloven dat de Heere jouw problemen kan zien en wil helpen.
Zoveel dingen die gebeuren

zoveel mensen die treuren

ik kan niet begrijpen waarom
Je zou willen dat God er iets aan doet: dat Hij vrede brengt, of iemand beter maakt.
Is er honger en oorlog

dan vraag ik: waarvoor nog

ik kan niet begrijpen waarom
en toch is God er en kan Hij helpen. Hij doet dat op Zijn manier.
Daarom: Help mij om stil te zijn, zodat ik kan bidden
voor iedereen die het moeilijk heeft
en dat ik kan danken, wanneer God helpt.
Amen

 

Preek zondag 3 november 2019

Preek zondag 3 november 2019
Handelingen 14:19-28

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Paulus is er terug en dat is niet alleen goed nieuws, maar ook een wonder.
Want het had niet veel gescheeld of Paulus had het de vorige keer niet overleefd.
In de stad Lystre, waar hij weer teruggekomen is,
was hij nog niet zo lang geleden gestenigd
en was daarbij zo zwaar getroffen dat iedereen dacht dat hij zou overlijden.
En nu is hij weer terug hier in de stad, waar ze hem bijna hadden gedood!

Als de gemeente bij elkaar komt, kijkt Paulus de mensen voor hem stuk voor stuk aan.
Ze hebben Christus nog niet zo lang geleden leren kennen.
Hun geloof is nog maar pril.
Hij weet dat wat hem overkomen is –  de stenen die naar hem gegooid werden – 
ook deze mensen hier voor hem kunnen overkomen.
Hij vraagt zich af, hoe ze dan op zullen reageren.
Hij weet dat ze hem als een wonder van God zien,
omdat hij hier weer levend en wel voor hen verschijnt,
dat hij het aandurft om hier weer te zijn, waar hij bijna werd gedood.
Hij beseft dat hij hen achter moet laten, omdat hij weer verder moet.
Hoe zal het met hen gaan als hij hen voor langere tijd niet zal zien,
of misschien helemaal niet meer terug zal zien.
Wat zal er van hen als jonge gelovigen terechtkomen,
van deze gemeente die nog maar zo pas is ontstaan.
Hij weet dat hij op de Heere mag vertrouwen, die deze mensen deed geloven,
en Die er voor zorgde dat er hier, waar hij de dood in ogen zag,
een gemeente is ontstaan.
Gelovigen die hun hart openden voor Jezus en zich lieten dopen,
omdat ze bij Christus wilden horen.
Het is nog zo pril, het geloof bij deze mensen, en zo kwetsbaar als groep.
Dan hebben ze nog zoveel extra zorg nodig,
zodat hun geloof kan groeien en steviger wordt
zodat ze niet uit het lood raken als ze tegenslag krijgen.
In zijn hart leeft het gebed voor deze jonge gemeenteleden:
Heere, wilt U de band met U verdiepen, zodat ze niet opgeven als het anders loopt.

Ook als een gemeente langer bestaat
waar de leden van die gemeente al heel lang vertrouwd zijn met de verhalen over God
en daar zelfs mee opgegroeid zijn en niet anders weten,
kan het geloof iets kwetsbaars houden.
Een jongeren die graag serieus wil zijn in het geloof en meer wil leren,
maar op catechisatie andere jongeren aantreft, die daar geen zin in hebben
en niet serieus mee doen en voor een sfeer zorgen dat het niet serieus wordt,
waarbij deze jongere naar huis gaat met de vraag: wat heb ik eigenlijk geleerd?
en het echt mist dat het in de eigen gemeente niet serieus over Jezus kan gaan
met de andere leeftijdgenoten die er zijn.

Iemand die op belijdeniscatechisatie heeft gezeten
en heeft genoten van de avonden die er waren,
daar veel van heeft geleerd van de gesprekken met anderen
En de ervaringen waarover de anderen vertelden
en nu het voorbij is, die gesprekken zo mist
en bij zichzelf merkt dat ze het enthousiasme van met de belijdenis kwijtraakt.
Of een van de volwassenen, die wel veel contacten heeft
maar merkt dat de gesprekken eigenlijk oppervlakkig blijven
en nooit de diepte ingaan, waarbij je tijdens dat gesprek iets merkt
van wat God in het leven van die ander doet,
of tijdens het gesprek het gevoel hebt dat Christus zelf aanschuift
en zich in het gesprek mengt
en je na afloop van het gesprek merkte dat God er was op die plek.

Paulus keert naar de gemeente terug, die nog maar zo pas is gaan geloven
–  zo vertelt Lukas in het verhaal – om de zielen van de gelovigen te versterken.
Ik moest daarbij denken aan wat je nu in Groningen kunt zien:
huizen waar er door de aardbevingen scheuren zijn ontstaan,
huizen die daarom gestut moeten worden.
Met houten balken en andere houten stellages tegen de buitenmuur,
om te voorkomen dat de scheuren steeds groter worden
en het gevaar van instorting dreigt.
Deze huizen worden versterkt.
Stevigheid aan de ziel geven, omdat de ziel scheuren heeft opgelopen,
een aardbeving heeft meegemaakt, doordat iemand overleed
of doordat je iemand dacht te vertrouwen, maar die je vertrouwen beschaamde.
Het kan zijn dat u ook op die manier scheuren hebt opgelopen aan uw ziel
en dat jij verlangt dat er iemand is die bij jouw ziel die stevigheid kan geven,
omdat je merkt dat het zo niet langer kan, als het zo doorgaat, gaat het mis.
Of je ziel mist de basis, omdat wat je vroeger zo intens beleefde,
nu kwijt bent, er een heimwee gekomen is naar de tijd dat je zo dicht bij de Heere leefde
dat het haast vanzelf ging: tijd nemen om te bidden, te leven met de Heere,
Dat je merkte dat Hij om je heen was,
dat je zo gelukkig was, omdat je Christus zo dicht bij je had.
Waar is die tijd nu gebleven?
Omdat je Hem zo mist, voel je dat je uit het lood hangt, en dat je Hem zo mist.
Mocht ik dat nog maar eens beleven
en had ik maar iemand die mij de Heere weer in het leven kon brengen,
die ervaring van toen, of mij bij de Heere kan brengen.

Soms heb je daar anderen voor nodig,
met wie je samenkomt om de Heere te zoeken, samen te zingen,
samen te lezen in de Bijbel en te zoeken naar wat de Heere daarin bedoelt,
met elkaar in gesprek om uit te wisselen hoe je dat kunt toepassen in je leven
of vertellen aan de anderen die er zijn hoe de Heere in jouw leven werkte.
Daarom is het goed om elkaar op te zoeken,
om elkaar te stimuleren in het geloof.

Je kunt merken aan hoe Lukas vertelt over de terugkomst van Paulus

bij de gemeente in Lystre, de plek waar hij zo hard behandeld is,
dat hij zich zorgen maakt, dat de kersverse gemeenteleden het kunnen laten lopen.
Hij spoort ze aan en dringt aan dat ze het geloof niet moeten kwijtraken,
nu ze dat zo pas geleden hebben ontvangen.
Dat kwijtraken heeft iets van een bootje, dat niet goed aan de kade is vastgelegd
en langzaam wegdobbert van de kade het meer op
en verder wegdrijft omdat het bootje niet meer vast zit.
Paulus ziet het al gebeuren, dat er enkele gemeenteleden zijn,
die niet meer naar de kerkdiensten komen
of het contact met de andere gemeenteleden kwijtraken,
omdat ze tijdens de dienst niet meer aangesproken worden
en dan een keer besluiten over te slaan
en dan erachter komen dat ze zonder zich best kunnen redden
en dan merken dat ze Christus best kunnen missen
en het toch niet zo diep zat en toch niet zoveel voor hen betekende.
Dat kwijtraken kan zo heel onopgemerkt gaan.
Je probeert het eerst zo en als je het dan toch niet mist
en je ook niet gemist wordt en er ook niet op aangesproken wordt,
kun je zo langzaam wegdobberen, waarbij Christus stilletjes uit beeld raakt.
Paulus waarschuwt de kersverse gemeenteleden dat het zo kan gaan,
zodat ze alert zijn dat ze Christus niet uit het oog verliezen en hun scheepje wegdrijft.
Dat waarschuwen heeft trouwens niet persé een negatieve betekenis.
Het kan ook een bemoediging zijn, dat je bij Christus kan blijven
en dat je door Hem vastgehouden wordt, hoe er ook aan je getrokken wordt
en je onder je een stroom voelt, die je wilt doen laten wegdrijven bij Hem vandaan.
Je blijft bij Hem, je raakt de Heere niet kwijt, omdat Hij je vasthoudt.

Soms heb je het nodig dat iemand uit je eigen gemeente je zo scherp houdt
en je aanspreekt, jou desnoods opzoekt om er met je erover te hebben:
loop jij niet het risico om weg te drijven? Wat heb je nodig dat jij bij Christus blijft?
Dat kan ook door een heel belangstellend gesprek gebeuren,
door iemand die jou uitnodigt om te vertellen hoe je band met Christus nu is
En wat je in de doordeweekse dagen doet om die band te versterken
en met je in gesprek gaat hoe de zondagse eredienst je kan helpen,
zodat je leven met Christus meer diepgang krijgt en je groeit in Hem.
Of iemand bij wie je kunt vertellen wat er allemaal in je leven gebeurt,
naar je luistert en met je zoekt hoe God toch in jouw leven aanwezig is

Geloven gaat je niet makkelijk af, zegt Paulus tegen de gemeenteleden
die nog  moeten ontdekken wat er allemaal komt kijken bij een leven met Christus,
die erachter zullen komen dat geloven gepaard gaat met vallen en opstaan.
Dat is nodig, zegt Paulus tegen hen, dat het niet vanzelf gaat.
Dat moet wel zo gaan, want het is Gods plan dat het zo gaat.
Het is hetzelfde als wat de Heere Jezus tegen de Emmaüsgangers zei:
Moest de Christus dit niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan?
Zo zul je ook moeten lijden, je kunt daar niet aan ontkomen.
Dat je het moeilijk zult krijgen, tegenslag zult ondergaan,
dat je leven als gelovige door allerlei stormen zal gaan,
waarbij je levensschip heen en weer geslingerd wordt
en je het zult uitroepen: Meester, ziet U niet dat we vergaan?
Door een nacht hoe zwart hoe dicht, voert Hij mij naar ’t eeuwig licht.
Er is geen andere manier dan die, zo bereidt Paulus hen voor.
Een mooi perspectief dat ons te wachten staat,
maar de weg ernaar toe door dit leven zal geen pleziertochtje zijn.
Je zult schrammen op je ziel oplopen.
Je zult bij tijden de weg niet meer weten
en soms vertwijfeld afvragen of er nog wel een weg is,
of God je niet in de steek heeft gelaten en je zelf de weg moet uitstippelen.

Dat is niet de boodschap waarmee Paulus hen wil achterlaten.
Hij laat het niet bij deze waarschuwingen.
Hij weet dat de gemeenteleden meer nodig hebben om het vol te houden.
Dat ze elkaar moeten opzoeken en elkaar moeten versterken.
Dat er bepaalde mensen in de gemeente zijn die het voortouw nemen
en degenen die dreigen af te haken opzoeken en hen er weer bij halen.
Mensen in de gemeente die het voorleven dat je God zijn kerk niet in de steek laat
en ook jou niet uit het oog verloren is, al is voor je gevoel nog zo donker om je heen.
God bouw de gemeente door middel van zulke mensen.
Ze zijn een instrument in zijn hand, een middel om jou en anderen te steunen.
Afgelopen week hadden we op kerkenraad erover,
wanneer je geschikt bent om zo een middel voor anderen te zijn.
Een van de broeders kwam met een mooie uitspraak:
‘Degenen die zeggen dat ze het niet kunnen, wil God juist gebruiken.’
Want zei deze broeder erachter aan, ‘dan zullen ze het steeds aan de Heere vragen.’
Voordat je op bezoek gaat, eerst even stil worden en contact zoeken met God,
bidden om wijsheid,om de juiste woorden, om te mogen luisteren,
om gebruikt te worden voor Zijn koninkrijk.
Dat is ook wat hier gebeurt: Want als die personen binnen de gemeente aangewezen zijn,
nemen ze eerst de tijd om te bidden en dan niet even een kort gebed,
maar ze slaan ook de maaltijd over, ze vasten, om die tijd met God bezig te zijn.
Om dat aan de Heere voor te leggen: Heere, wat is goed voor deze gemeente?
Wilt U zelf de gemeente bouwen en versterken?
Want wij zijn maar kwetsbare mensen, met een kwetsbaar geloof,
met zoveel scheuren in onze ziel, die het soms zelfs niet weten of we nog wel volhouden.
Wij moeten zelf vastgehouden worden.
Wij worden ingezet in Gods dienst, maar weten dan eigenlijk niet wat we moeten doen
om dat in gebed bij de Heere te brengen: Heere wilt U ons duidelijk maken
hoe U ons kunt gebruiken en wat we moeten doen?
Christus bouwt Zijn kerk en gebruikt daar mensen voor,
mensen die ook kunnen uitglijden als ze leiding geven in de kerk,
en ook geregeld moeten oppassen dat ook zij niet wegdobberen
en het moeten hebben van Christus die hen vasthoudt.

Er ligt niet echt de nadruk op, maar toch heeft het iets moois:
Degenen die aangewezen worden, komen uit de eigen gemeente.
Wellicht hebben ze van zichzelf gedacht: Ik toch niet? Ik kan het niet,
Ik heb nog zo weinig Bijbelkennis en hoe moet ik nu anderen leiding geven?
Het gaat er ook niet om dat ze boven de mensen staan.
Het zou wel eens de bedoeling geweest kunnen zijn,
Dat ze juist naast de mensen staan uit de eigen gemeente,
ook weten van de aanvechtingen en de twijfel,
ervaring hebben met die onderstroom, die je bootje wilt doen wegdrijven
waarbij je Christus langzaam uit het oog verliest
maar dan ook wel ervaren hebben en dat tegen anderen kunnen zeggen:
We hebben een Heer, die je vasthoudt
En soms best op een krachtige manier in je leven ingrijpt,
maar dat wel doet om je bij Hem te houden.
Voor zulke mensen kijken we wellicht graag naar anderen
en denken niet dat wij zo kunnen zijn en zo gebruikt kunnen worden.
Je wordt geroepen zoals je bent,
je hoeft geen supergelovige te worden, die het beter doet dan anderen.
Het is juist goed als je weet van je eigen kwetsbare geloof,
Weet dat ook jij het nodig hebt om je geloof te laten stutten,
zoals dat met de huizen in Groningen gebeurt om te voorkomen
dat ze bouwvallig worden of instorten.
Juist als je je niet boven de anderen verheven voelt, maar naast hen staat,
Juist als je niet wel even weet hoe je het moet doen,
maar bij de Heere aanklopt en zegt: Ik kan het niet, U moet het doen.
Juist dan kun je een instrument worden, om de kerk te mogen bouwen,
om tot je eigen verwondering te mogen merken dat wat jij zegt,
of door hoe jij daar bent in dat gesprek, door wat je laat zien van jezelf,
al is het je eigen zoektocht, dat het die ander helpt, sterkt, bemoedigt
en weer terug doet gaan aan Christus.
God bouwt Zijn gemeente door mensen, door u, door jou, door mij.

Blijf bij ons, Jezus, onze Heer;
de avond daalt op aarde neer;
het helder licht, uw godlijk woord
moog’ bij ons schijnen ongestoord.

Geef ons in deze zware tijd
volharding en standvastigheid,
opdat wij woord en sacrament
bewaren tot aan ’s werelds end.

Bewaar uw kerk, zij is benard,
Want wij zijn boos en traag en hard;
geef vrucht en zegen op uw oord,
maak dat alom het wordt gehoord.

Blijf Heer ons met uw woord nabij
en maak ons van de vijand vrij,
deel aan uw kerk genade mee,
geduld en eenheid, moed en vrêe.

Het is niet onze zaak, o Heer,
’t gaat om uw eeuwig rijk, uw eer.
Wil allen trouw terzijde staan,
die op uw wegen willen gaan.

Uw woord maakt onze harten sterk,
het is de schutsmuur van uw kerk.
Houd ons daarbij, opdat wij Heer,
buiten uw woord niets zoeken meer.

(Gezang 316 Liedboek voor de Kerken 1973)

Amen