De betekenis van Pasen uitleggen aan anderen

empty_tomb_wide
De betekenis van Pasen uitleggen aan anderen

Pasen is voor christenen een van de belangrijkste feesten. De opstanding van Christus is de basis van het christelijk geloof. Zonder opstanding was er geen christendom. Toch is Pasen een onbekend feest. Als er Tweede Paasdag geen officiële feestdag was geweest, hadden veel mensen geen idee gehad dat er ook zoiets als het Paasfeest bestaat. Hoe kan aan hen de betekenis van Pasen worden uitgelegd? Niet alleen als informatieverstrekking, maar ook zo dat het een uitdaging van voor de ander is om na te denken over het christelijk geloof?

De uitleg van Pasen wordt bemoeilijkt door het gebrek aan kennis van de Bijbel en het christelijk geloof. Daardoor wordt de uitleg geen gemakkelijke klus. Om een ander de betekenis van Pasen te helpen ontdekken, moeten we te weten komen op welke manier de opstanding van Christus van betekenis is voor ons leven. Als de opstanding onze ervaring raakt of iets te maken heeft met ons levensverhaal, zal het betekenis voor ons krijgen. Het kan ook om iets gaan dat confronteert, tegen de haren instrijkt, dwingt tot nadenken over vragen die anders uit de weg gegaan worden. Op welke manier heeft de opstanding van Christus uit de dood te maken met onze ervaring of ons leven?
ANASTASI3

Dood
Dood en sterfelijkheid hebben met ons leven te maken. Wie jong en gezond is , kan dat nog voor zich uitschuiven. Wie ouder wordt of geconfronteerd wordt met het overlijden van dierbaren, wie te maken krijgt met chronische ziekte kan dit niet meer voor zich uit schijven. Hij of zij wordt gedwongen om onze sterfelijkheid onder ogen te zien. Vaak is deze confrontatie een ingrijpende ervaring, waarvoor men een hele weg moet gaan om dit een plek te geven.
Ook op jonge leeftijd kan het nadenken over de dood gebeuren. Kinderen vragen zich af wat dood is, waar iemand is die overleden is. Jongeren kunnen denken: “Als ik dood ben, zal iemand mij dan nog missen?” Bij het volwassen worden leren mensen om moeilijke vragen te negeren. Dat is jammer, want hoe confronterend het soms ook is om over de dood en het eigen sterven te praten, het kan mooie gesprekken opleveren en een hechte band geven.

Reeds en nog niet
Christenen hebben aan de ene kant weet van de heftige en schrijnende van de dood. De dood wordt niet voor niets de laatste vijand genoemd, een vijand die overwonnen is en teniet gemaakt moet worden. Aan de andere kant hebben ze ook weet van die overwinning op de dood door de opstanding van Christus.
road_to_emmaus
In gesprekken over dood en opstanding moeten beide kanten een plaats hebben. De opstanding zorgt er niet voor dat schrijnende pijn en heftig verdriet in dit leven al voorbij zijn. Het christelijk geloof kent een spanning tussen het reeds en het nog niet.

Christus heeft de dood reeds overwonnen. Hij keerde als eersteling terug. Maar de definitieve overwinning is er nog niet. Wij en onze dierbaren zullen eens heengaan. Ons eigen leven kan schommelen tussen deze twee polen. Als we met de gemeente bijeen zijn met Pasen en de liederen zingen kunnen we meegenomen worden in het reeds.
Een volgende dag, als we bij het graf staan of weer alleen zijn met ons gemis kan het nog niet zich weer aan ons opdringen. De Bijbel biedt een mogelijkheid om met deze spanning om te gaan: de klaagpsalmen. In de klaagpsalmen is er ook die spanning: aan de ene kant het geloof dat de levende God sterker is dan de dood en uitredding kan bieden. Aan de andere de omstandigheden die de grond onder de voeten wegslaan (Psalm 69:1-3). Telkens als ik tijden bezoeken lees uit de klaagpsalmen kom ik onder de indruk van de kracht van deze teksten. De omstandigheden roepen herkenning op. Omdat deze omstandigheden aan God worden verteld, vaak in de vorm van een klacht, wordt de weg naar God geopend.
b3-64
In de verhalen, die over de opstanding gaan, wordt de opstanding ook niet direct geloofd. De opstanding stuit op ongeloof. De discipelen vinden het maar oudewijvenpraat en de discipelen die uit Emmaüs kwamen, gaan terug naar huis, omdat zij de verhalen over opstanding van Jezus te gortig vinden. Pas in de ontmoeting met de Verrezene of in het breken van het brood wordt hij herkend.
De opstanding roept dus niet direct geloof op. We moeten daarom voorzichtig zijn met het bewijzen van de opstanding. Daarvoor is de handeling van God, waarmee Hij Christus opwekte uit de dood, te groots en te ongelofelijk. Niemand heeft ook de opstanding gezien. Alleen God was erbij.

Daad van God
De opstanding uit de dood is alleen een daad van God geweest. Twijfel blijft er tot aan het einde (Mattheüs 28:17). Wanneer wij die twijfel en ongeloof ook vertellen, bieden we aan de ander ruimte om in de verhalen van de opstanding te komen. Door Thomas en door de Emmaüsgangers wordt er een hele weg gegaan voor zij geloven. Die weg moeten wij anderen ook gunnen.

avondmaal5

Feest
Tot slot: Pasen is een feest. Dat wil zeggen: we vieren de opstanding van Christus uit de dood. We kunnen niet helemaal uitleggen. We kunnen het soms alleen ondergaan. Soms kunnen we er alleen maar over zingen, omdat het anders te hoog gegrepen voor ons is om het te geloven. In de eredienst toont Hij zich aan ons als de levende: in de verkondiging, in de viering van het avondmaal. Soms kunnen wij zo vol met onszelf zitten dat we Hem niet zien, maar Hij is er wel. Net als Maria worden wij door de Levende bij onze naam geroepen.

ds. M.J. Schuurman

Geschreven voor Maandblad Réveil

Advertenties

Depressie als menselijke en bijbelse ervaring

Depressie als menselijke en bijbelse ervaring
(Verkorte versie)


Wie zelf geen depressie heeft meegemaakt, kan nauwelijks beseffen wat voor pijn een depressie oplevert. Timo Veijola, Fins theoloog en toonaangevend oudtestamenticus heeft er wel weet van gehad. Hij overleed zelfs aan een depressie. Na zijn dood werd een bundel met artikelen uitgegeven. Daarom stond ook een artikel over depressie als menselijke en bijbelse ervaring. Dat artikel is dus geschreven vanuit eigen ervaring.

Wat er in een depressie gebeurt, is nauwelijks onder woorden te brengen. Depressie is een van de heftigste vormen van lijden, die een mens kan ondergaan. Het duivelse karakter van een depressie is onder andere, dat de dimensie van de tijd buiten werking wordt gesteld. Het is een totale vertwijfeling. Een donkere tunnel, waar men in komt en men heeft geen enkel benul of men hier weer uit komt. De duur van deze wanhoop is onbekend. Veel boeken over depressiviteit voor patiënten of betrokkenen hebben een optimistische insteek: iedereen met een depressie wordt vroeg of laat weer gezond. Dit optimisme is echter een leugen. Mensen met een depressie kunnen voor goed arbeidsongeschikt raken. De bijbel is in dat opzicht veel reëler dan moderne boeken over depressies.
Een aangrijpend voorbeeld is Saul. Hij was in de eerste koning van Israël. In eerste instantie was hij door God uitgekozen. Na zijn verkiezing valt hij echter in ongenade. Vanaf dat moment is hij de regie kwijt. Zijn leven verwordt tot een levenslange strijd tegen de depressie en de nieuwe uitverkorene van de Here. Hoe het zover komt, is ook voor de bijbelschrijvers een raadsel. Zij beschrijven Sauls depressie als een ‘boze geest’, die door de Here zelf is gestuurd. Volgens Veijola is het van belang om te zien, dat niet een kwade demon of een kwade macht als Satan de veroorzaker is van de depressie, maar de Here.
In eerste instantie lijkt muziektherapie te helpen. Deze therapie komt echter tot een einde als Saul achterdochtig wordt ten opzichte van zijn therapeut David. Jaloezie, angst en haat tegenover anderen zijn gevoelens die kenmerkend zijn voor een depressie. Deze gevoelens zijn uitdrukking van een niet sterk ontwikkelde zelfwaardering. Andere kenmerken van een depressie zijn volgens hem een in-zichzelf-gekeerdheid, het zichzelf isoleren van anderen. Dat laatste is ook op een dramatische manier te zien bij Saul, die openlijk in conflict komt met zijn kinderen Jonathan en Michal. Zij kiezen partij voor David. In zijn paranoïde egocentrisme verliest Saul zijn taak uit het oog: de strijd tegen de Filistijnen. Als Saul uiteindelijk is omsingeld door de Filistijnen kiest hij voor een voor depressiviteit kenmerkende oplossing: hij verlangt van zijn wapendrager hulp om te sterven. Als deze dat weigert, doodt hij zichzelf met een zwaard.
Een depressie komt niet alleen door een mislukking. Een depressie kan ook door een succes komen. De profeet Elia is daar een voorbeeld van. Na zijn glanzende overwinning op de Baälsprofeten zinkt hij in een depressie. Zijn eigenwaarde is weg en het verlangen naar de dood komt op. Een depressief mens wil de boze wereld door middel van een slaap verlaten.
Het pastoraat van de Here is echter opvallend: Elia moet opstaan, eten en verder gaan. Daarmee is zijn depressie nog niet voorbij. Hij zit nog in de illusie gevangen, dat hij de enige is, die overgebleven is. Hij wordt door de Here weer aan het werk gezet. Werken is vaak de beste manier tegen een depressie. Hoewel werk door iemand met een depressie als ontzaglijk zwaar wordt ervaren.
Wie in een depressie terechtkomt, krijgt te maken met een leegheid die heel het leven doortrekt. Ook het geloof wordt erdoor getroffen. ‘Een depressieve mens is een botte en een zwaarmoedige atheïst’, schrijft Kristeva.  In het moderne psalmenonderzoek is nauwelijks aandacht voor het thema depressie. Toch komt dit thema in de psalmen geregeld voor.
Zo kan Psalm 88 de titel hebben: Gebed van een depressief persoon. Deze psalm is een klaaglied van een enkeling. De dichter van deze psalm heeft de ervaring dat hij als dood is.
Helmut Tacke, een Duitse predikant en opleider van predikanten en zelf ook ervaringsdeskundige als het om depressiviteit gaat, heeft gewezen op de pastorale kracht van de klaagpsalmen. Bij Psalm 88 tekent hij aan: de psalmdichter is helemaal afgesneden van het leven, van al het goede. Hij bevindt zich als het ware in het dodenrijk. Aan de beelden, die in Psalm 88 gebruikt worden, is dat ook te zien: dodenrijk, graf, afgrond, land der vergetelheid. Net als veel depressieve mensen heeft ook hij het gevoel in de afgrond te vallen.
Psalm 88 brengt deze ervaringen in verband met God. De dichter is niet alleen door God verlaten. Zo voelen veel depressieve mensen zich. God is zijn vijand geworden. De toorn van God drukt zwaar op hem. Eindigt deze psalm in het duister?  Professor H.G.L. Peels zei over deze psalm, dat de dichter de Here nog steeds belijdt als de God van zijn heil. Klaagpsalmen, zoals Psalm 88, hebben voor depressieve mensen grote pastorale kracht, omdat wat deze psalmen beschrijven voor hen herkenbaar is. Daardoor krijgen zij erkenning voor wat zij doormaken. Tegelijkertijd opent zo’n psalm ook de weg tot God, die voor hun ervaring zo ver weg is.

ds. M.J. Schuurman

Het artikel staat in: Timo Veijola, Offenbarung und Anfechtung (Neukirchen-Vluyn, 2007) 158-190.

Pasen en onze ervaring

Pasen en onze ervaring

Als we geen vrij hadden met Pasen hadden veel mensen niets van dit feest geweten. Zo begon ik de catechisatie over Pasen. Een van de jongeren reageerde direct: “Wij zaten pas een planning te maken en mijn collega’s vroegen zich af, waarom zij in vredesnaam vrij hadden met Pasen.” “Hadden ze enig idee?” “Nee,” antwoordde hij. De overige aanwezige jongeren knikken herkennend. “Waar denken ze dan aan?” vroeg ik. “Ik weet niet. Aan de paashaas misschien?” “Dus ze denken dat ze vrij hebben voor de paashaas?” “Misschien wel.” “Hoe zouden jullie deze opmerking kunnen gebruiken om iets over de opstanding van Christus te vertellen?” vroeg ik aan hen. Ze hadden geen idee. Hun verlegenheid was het begin van een mooi gesprek. Mijn catechisanten zijn niet de enigen met deze verlegenheid. Daarom wil ik iets vertellen over de mogelijkheid de opstanding ter sprake te brengen.

Veel mensen nauwelijks nog iets weten van de Bijbel of het christelijk geloof. Er is geen kader meer. Als we uitleggen dat de christenen met Pasen vieren dat Jezus uit de dood is opgestaan, zal dat nog niet direct duidelijk zijn.  We hebben dus meer nodig dan alleen maar uitleg. Het christelijk geloof zal alleen maar interessant zijn als het de ervaring raakt of te maken heeft met het levensverhaal van de ander. We moeten dus op zoek gaan naar wat de opstanding van Christus kan betekenen voor onze ervaring of ons levensverhaal.
Hoe pak je zoiets aan? Met de belijdenis “Jezus is opgestaan uit de dood” zijn we er nog niet. Aan die uitspraak moet nog te veel worden uitgelegd. Het is daarom goed om te kijken hoe de Bijbel spreekt over de opstanding van Christus. De opstanding komt in ieder geval op twee manieren in de Bijbel aan de orde: in de brieven vaak als argument in discussies en in verhalende vorm. Verhalen bieden vaak de mogelijkheid om ‘in het verhaal te stappen’. Verhalen kunnen herkenning oproepen of de mogelijkheid om een gebeurtenis vanuit een bepaald perspectief te zien. Ook als de opstanding als argument wordt gebruikt, heeft het met onze ervaring en levensverhaal te maken.
Wie de verhalen nauwkeurig leest, zal een aantal ontdekkingen doen die verder kunnen helpen. Wat opvalt, is dat niemand aanwezig is geweest bij de opstanding. Hoe het gebeurde is voor ons een mysterie. Dat is niet zomaar. De verhalen willen benadrukken dat het bij de opstanding gaat om iets wat God doet. Er is geen mens aan te pas gekomen. Het mysterie wijst naar God. Het is goed als van dat mysterie ook iets te merken is als wij er aan anderen over vertellen. We kunnen de opstanding nooit helemaal verklaren. Het mysterie van de opstanding heeft het voordeel dat het de mogelijkheid biedt voor de ander om er weinig van te begrijpen. Een niet-gelovige verschilt op dit punt niet zoveel van een gelovige.
Wat verder opvalt, is dat de vrouwen en discipelen eerst helemaal niet aan de opstanding denken. Het lege graf roept bij hen ongeloof en ontzetting op. Als de vrouwen terugkomen en zeggen dat Jezus is opgestaan, wordt dat niet geloofd. Als die verhalen blijven komen, verlaten twee mensen de groep. Kleopas en zijn metgezel kunnen het niet aanhoren en vertrekken naar Emmaüs.
Om te geloven dat Jezus is opgestaan, wordt er soms een hele weg afgelegd. Soms letterlijk, zoals de Emmaüsgangers. Kleopas en zijn metgezel gaan eerst weg. De eerste fase is dat zij de gemeenschap verlaten. Zij kunnen het niet geloven. Onderweg komen zij Jezus tegen, maar weten niet dat het Jezus is. Hij nodigt hen te vertellen wat hen bezighoudt. Dan vertellen zij over hun teleurstellingen. Als zij die verteld hebben, legt Jezus hen uit waarom dit alles moest gebeuren. De ogen van deze twee reizigers gaan open als Jezus voor hen het brood heeft gebroken. Niet voor niets een verwijzing naar het avondmaal. De opgestane Heer is nu nog te ontmoeten in het brood dat gebroken wordt tijdens de viering van het Heilig Avondmaal. Als zij Jezus herkennen is Hij weer weg. Ze moeten het doen met het geloof en keren terug tot de gemeenschap.
Het verhaal van de Emmaüsgangers is juist in onze tijd geliefd. Net als het verhaal van Thomas. Omdat deze twee verhalen ruimte laten voor twijfel en aanvechting. Die twijfel en aanvechting horen bij het geloof in de opstanding. De opstanding van Christus is niet iets dat vanzelfsprekend geloofd kan worden. Volgens de Bijbel betekent die opstanding dat de dood en de zonde overwonnen zijn. We komen geregeld nog in aanraking met de dood. We doen elke dag nog zonde. Er is dus een spanning tussen wat Jezus volbracht heeft en onze ervaring. Deze spanning wordt de spanning van het reeds en het nog niet  van het koninkrijk van God genoemd. Dit zijn twee polen die in ons aanwezig kunnen zijn. Op paasmorgen kunnen we vol geloof en overgave zingen en geloven dat Jezus is opgestaan. De volgende dag kan het geloof haast weg zijn, omdat we te maken hebben met ons dagelijks levens. Deze spanning hoort bij het geloof. Voor iemand die niet gelooft kan het bevrijdend zijn om te horen over deze spanning. De opstanding duwt niet onze ervaringen weg. Dat de nieuwe wereld, die er door Christus’ opstanding komt, kan ook leiden tot een klacht aan Gods adres: Waarom is het nog niet zo ver en heeft de dood nog zoveel macht? Mijn ervaring is dat juist de klacht een opening geeft om iets met het geloof in de opstanding te ‘kunnen’.
Het geloof in de opstanding heeft een troostende werking die niet voor iedereen direct duidelijk is. Zeker voor degenen die de verhalen over de opstanding niet kennen. De troostende kracht kwam ik tegen in het volgende verhaal: Een jongere kwam om bij een brommerongeluk. De laatste tijd deed hij niet zo veel meer aan geloof. Vroeger ging hij vaak mee met zijn ouders naar de kerk. Hij was aan verschillende opleidingen begonnen, maar het er geen enkele afgerond. Bij zijn begrafenis waren er verschillende groepen aanwezig: zijn vrienden die weinig van geloof wisten, familie, gemeenteleden. De predikant verwoordde de pijn en het verdriet. Welke troostende woorden kon hij zeggen? Hij zei dat hij ze van zichzelf niet had. Het enige wat hij kon doen was, nu de woorden ontbraken, teruggrijpen op het geloof in Christus’ opstanding. Door over de opstanding te spreken, wilde hij de pijn en het verdriet niet ontkennen. Hij reikte wel de enige grond voor houvast aan. Deze combinatie van sprakeloosheid en geloof maakte op alle aanwezigen indruk.

ds. M.J. Schuurman

Verder lezen: Reiner Knieling, Predigtpraxis zwischen Credo und Erfahrung (1999)

Preek zondag 20 febr 2011 (Lukas 10:25)

Preek 20 februari 2010
Schriftlezing: Lukas 10:21-37 en Romeinen 14:7-12

Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? (Lukas 10:25)

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? Deze vraag kan een oprechte vraag zijn. Bijvoorbeeld, als wij nadenken over onszelf en beseffen: wij zijn kwetsbare mensen. “Wij zijn mensen van één seconde,” zei iemand vrijdag na afloop van de begrafenis tegen mij. Hij bedoelde daarmee: in één seconde kan het leven voorbij zijn, waarbij het niet uitmaakt of we oud zijn of jong. We hebben in de afgelopen week ook kunnen zien hoe de dood onverwacht kan komen.
“Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?” Dat is een vraag die we niet zomaar uit de weg kunnen gaan. Wat een voorrecht om te mogen belijden dat de hemel opengaat en het eeuwige leven als een erfenis, een geschenk, klaar staat. Daarbij kunnen we alleen maar de naam van de Here Jezus noemen. Zonder Hem is er geen eeuwig leven. Of anders gezegd: door Hem is juist de weg geopend.
De Here Jezus zegt het ook tegen zijn discipelen: “Jullie zijn bevoorrecht! Velen hebben er naar verlangd om te mogen zien wat jullie zien en het gebeurt voor jullie ogen.”
Dat geldt ook voor ons. Wij hoeven niet in onzekerheid te zijn over het antwoord. De vraag Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? hoeft ons niet benauwd te maken. Het liefhebben van Christus is genoeg. Het onvoorstelbare kan ons wel eens bezig houden: Als ik de Here Jezus liefheb, is dat wel genoeg? Natuurlijk! De Here is toch niet Iemand die ons voor de gek houdt? Het kan wel aan ons blijven knagen: hoe kan God óns liefhebben? Dat is voor ons een vraag. Het wordt ons echter ook weer steeds voorgehouden: “Het is voor u, voor jou! Ik heb te voor u klaar!” Wees niet zo dwaas om het niet aan te nemen, omdat u gelooft dat het niet genoeg is. Het is genoeg!

Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? Dat is hier echter geen dringende kwestie. Het is geen vraag waar de wetgeleerde van wakker ligt. Hij weet het al! Hij wil alleen maar kijken of Jezus het antwoord ook weet. Hoort u wat hij ten diepste zegt? “Ik heb het! Voor mij is het een veilig bezit. Ik ben er zeker van!” Hij zegt wel “ik”, maar hij houdt zichzelf op een afstand: de kritische beoordelaar, de controleur. Komt die ander wel met het juiste antwoord? Is hij wel zuiver op de graat? Ten diepste is hij helemaal niet in Jezus geïnteresseerd, maar in zijn eigen meetlat. Past Jezus langs mijn meetlat? Hij durft daarvoor een van de meest heilige vragen te misbruiken Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? Dat is toch een vraag die ons allemaal aangaat? Waar we soms van wakker kunnen liggen? Een vraag van eeuwigheidswaarde? Een vraag die we allemaal persoonlijk onder ogen moeten zien? Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? Het is een snijdende opmerking. De Here Jezus was nog vol van de Heilige Geest en meteen wordt Hij met die snerpende vraag teruggeroepen in de werkelijkheid van alledag, de werkelijkheid van elkaar toetsen, beoordelen en de maat nemen. Hier staat de wetgeleerde als keurmeester: is die Jezus wel uit het juiste hout gesneden?
Weet u wat er aan de hand is? Deze man bekijkt de wereld alleen maar vanuit zichzelf. Vanuit zijn eigen perspectief. Op een uitkijktoren boven de mensen. Hij wil niet teveel met de mensen rondom Jezus in aanraking komen. Stel je voor dat zij hem onrein maken. Die anderen interesseren hem niet. Als ze zich maar op de juiste manier gedragen. Als zij maar op de juiste manier geloven.
Het is gevaarlijk om Jezus langs je meetlat te leggen. Want dan zeg je: Ik zit goed. Eens kijken of Jezus wel aan mijn normen en maatstaven voldoet.
Deze man dacht bij zichzelf: “ik wandel het koninkrijk van God wel binnen. Het eeuwige leven is er al voor mij. Kijk maar naar wat ik er allemaal voor over heb.  Ik heb de bevoegdheid om mensen te toetsen en te keuren op hun geloof en gedrag. Ook om een oordeel te vellen over de woorden van Jezus. Deugt die Jezus wel?”
Want wat zegt de Here Jezus over zichzelf: “Zalig de ogen die zien,” Gelukkig de ogen die mogen zien dat Jezus de Vader onthult.
Deze man ziet echter Jezus niet, maar alleen zijn eigen meetlat. Keurend, wikkend en wegend gaat hij door het leven. De evangelist Lukas is gevoelig voor zulke keurende mensen, Haarfijn voelt hij dat aan.
Keuren, oordelen schept een afstand tot de medemens. Ik kom de hemel wel in, maar die ander? Dat moet ik nog maar zien. Het is alsof Lukas het met verontwaardiging opschrijft: Man, Gods Zoon staat voor je neus. David, Jesaja en Mozes hebben naar dit moment verlangd. Daar is Hij. Doe je ogen open! Hij, Jezus, schenkt je het eeuwige leven. Dit is de kans van je leven! Maar nee, Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?
Hij denkt niet alleen aan zichzelf, maar hij luistert ook voor anderen. Horen zij wel de juiste dingen> Maakt Jezus het voor hen niet te gemakkelijk om het eeuwige leven te beërven? Er moet toch ook nog wat gedaan worden? Af en toe heb ik de indruk dat kerkgangers voor anderen luisteren: Het is goed dat deze preek gehouden wordt, want die en die is in de kerk. Goed dat hij het even hoort. Wie zo denkt, vergeet dat de preek niet voor de ander is bedoeld, maar voor zichzelf. Weet u dat zo denken voor de ander ten diepste zonde is? We gaan op de stoel van God zitten en doen alleen iets wat alleen God mag: een oordeel vellen over een ander.

Dan gebeurt er iets waar deze man niet op gerekend had. Hij krijgt de bal terug: “Wat denk je zelf? Je wilt jezelf buiten schot houden, maar hoe ga jij zelf om met Gods geboden?”
Ho, maar daar had hij niet om gevraagd. God liefhebben met alles wat in je zit, dat gaat nog wel. Kijk maar wat hij er voor over heeft, hoe stipt hij leeft. Dat breng ik in praktijk. Maar mijn naaste liefhebben? Als mijzelf? Moet ik dat gaan doen?
Ho, maar het was niet de bedoeling dat ik iets ging doen, dat ik aan de bak moest! De bal moest bij Jezus komen te liggen. Is er wel een naaste voor mij, die ik kan liefhebben? Ik kan toch niet iedereen liefhebben? Hierbij moet u bedenken dat de opdracht om de naaste lief te hebben (een gebod uit het Oude Testament) alleen werd toegepast op het eigen volk. Alleen heidenen die zich bij het Joodse volk hadden gevoegd door zich te laten dopen (proselietendoop) vielen ook onder dit gebod. En de zondaars dan, de hoeren en de tollenaars? Die plaatsten zichzelf toch buiten het verbond? Die kon hij toch niet liefhebben? Dan zou hij toch de zonde tolereren? En als hij er mee in aanraking kwam, zou hij onrein worden en kon hij God niet met alle overgave meer dienen. Er zijn toch uitzonderingsgevallen? Ik kan mijn buurman, die niet naar de kerk gaat, toch niet als mijn naaste beschouwen? Degene die op een andere manier de zondag invult (om eens iets van mijzelf te noemen waar ik mij in het begin over verbaasde), bijvoorbeeld door op vakantie te gaan, die kan toch geen echte gelovige zijn? Dat is wat de geleerde tegen Jezus zegt: Meester, als expert van de wet weet ik dat er uitzonderingsgevallen zijn. Situaties waarin men de naaste gewoon niet kan liefhebben. Er zijn toch categorieën van mensen die mijn naaste niet kunnen zijn? Merkt u hoe hij zich verzet tegen Jezus?
Maar de Here Jezus gaat niet mee in de voorbeelden. Het gaat de Here Jezus om iets anders. Niet de anderen in groepen verdelen: zo van jij hoort er bij en jij niet. Het gaat om onze houding naar de ander toe. Daarom vertelt Hij een verhaal:
Een man komt uit Jeruzalem. Wat zal hij in Jeruzalem hebben gedaan? In ieder geval de tempel hebben opgezocht. Nadat hij overvallen is door rovers ligt hij bijna dood langs de kant van de weg. Een priester en een leviet, dienaren van de Here, die vast dienst hebben gedaan in de tempel en weten wat Gods geboden inhouden, die weten wie de naaste is, zij zien deze man en denken bij zichzelf: “Lieve help, als ik maar niet onrein wordt, want dan kan ik nooit meer van mijn leven dienst doen in de tempel.” Ze redden hun eigen hachje door met een boogje om hem heen te lopen. Ze kijken angstvallig naar de man om hem te ontlopen en hem niet te hoeven aanraken. Ze kiezen voor hun eigen veilige, vertrouwde wereldje, maar dat blijkt een wereld vol valse zekerheid te zijn. Hun eigen zuiverheid is belangrijker dan de redding van de ander. Dat die ander verloren gaat… als ik maar laat zien dat ik trouw ben aan God.
Dan komt er een Samaritaan. Een onreine in de ogen van de halfdode Jood. Als de Samaritaan deze man zou aanraken, zou hij hem onrein maken. Had die Samaritaan moeten zeggen: “Sorry, ik kan je niet helpen, want dan zou ik je onrein maken?”

Waarom vertelt de Here Jezus dit verhaal? Om ons verantwoordelijk te maken. De Here Jezus vraagt niet: voor wie de halfdode man een naaste is, maar hij vraagt: wie gedraagt zich als een naaste voor die halfdode man? Het gaat er niet om wie mijn naaste is, maar voor wie ben ik een naaste? Niet alleen om de vraag, hoe ik het eeuwige leven beërf, mar wat ik doe, zodat ook die ander het eeuwige leven beërft. Hoe kunnen wij anders God met al onze krachten dienen? De vraag: hoe beërf ik het eeuwige leven is een belangrijke vraag, die we niet onder tafel mogen schuiven. Maar die vraag kan niet beantwoord worden zonder die andere vraag: wat doe ik om die ander te redden. Het eerste gebod God liefhebben boven alles is verbonden aan het liefhebben van onze naaste. Laat ik iemand verloren gaan, omdat ik bang ben voor mijn eigen zuiverheid? Maar wat koop ik voor mijn eigen zuiverheid als ik me distantieer van de ander, de ander verloren laat gaan? Als ik de ander alleen maar langs mijn meetlat leg in plaats van de ander bij God te brengen?
Wij zitten als mensen raar in elkaar. Als God zegt: hier is mijn genade, zeggen wij: Heer is dat niet te weinig? Moeten wij ook niet wat doen? En als God zegt: goed, je mag wat doen: heb je naaste lief als jezelf, dan zeggen wij: maar dat bedoelden wij niet. Wij waren alleen geïnteresseerd in het eeuwige leven. Dat eeuwige leven is niet los verkrijgbaar. Hoe kunnen wij met alle heiligen verenigd worden als wij ons hier van een aantal van hen hebben gedistantieerd? De hemel is er niet alleen voor ons. Het gaat erom, dat wij net als die Samaritaan de barmhartigheid van de Here laten zien. Aan anderen. Wat komt daar van terecht? Soms lukt het ons. Soms lukt het ons ook niet en kunnen wij alleen maar zeggen: Heer, wees mij zondaar genadig. De Here is barmhartig en kan ons ook genezen en bevrijden van onze egocentrisme. Ons bekeren van onze ik-gerichtheid. Daarmee bevrijdt Hij ons ook van onze valse zekerheid. Onze zekerheid ligt niet in onszelf, maar in Christus. Maar omdat wij van Christus zijn, worden wij ook opgedragen naar anderen iets van Christus te laten zien en anderen barmhartig te zijn.
Amen

ds. M.J. Schuurman

Christelijke literatuur: kan dat wel?

Christelijke literatuur: kan dat wel?
Enkele voorlopige gedachten

In VWO-3 maakte ik kennis met de literatuur. Sinds die tijd heb ik mij ook een tijd bezig gehouden met christelijke literatuur. Ik abonneerde me op Woordwerk en later ook op Bloknoot en Icarus. Toen Liter werd opgericht, nam ik daar ook een abonnement op. Af en toe bezocht ik een CLK-literatuurdag. De roep om christelijke romans leidde zelfs een tijdje tot de wensdroom om er zelf een te schrijven. Ergens in mijn bureaula liggen nog enkele opzetten of mogelijke onderwerpen daarvoor. Een verhaal van mijn hand is gepubliceerd in het laatste nummer van Icarus. Zelfs vorig jaar heb ik nog meegedaan aan een werkdag op de Driestar over het schrijven van (historische) verhalen. Uiteindelijk heb ik er geen geschreven.
Na verloop van de tijd is de was aandacht christelijke literatuur verdwenen. Op de themanummers na deed ik mijn exemplaren van Woordwerk, Bloknoot en Liter weg. Een van de redenen is dat er in die tijd nauwelijks iets noemenswaardigs is verschenen. Bovendien had ik genoeg van die voortdurende roep om christelijke romans, de klaagzangen dat de christelijke romans die verschenen steevast door de seculiere pers werden genegeerd (terwijl boeken van minder niveau wel werden gerecenseerd), de voortdurende wens om mee te tellen en niet over het hoofd te worden gezien. Maar vooral de behoefte om schrijvers die aangaven te geloven (Willem Jan Otten, Vonne van de Meer, Pieter Nouwen) te annexeren heeft mij doen afhaken.
Een verloren periode was het niet helemaal. Ik heb door oude literaire bladen gebladerd, kennisgemaakt met het Liedboek voor de kerken, de dichter en essayist Jan Willem Schulte Nordholt (al is het merkwaardig dez schrijver op deze plaats te noemen) en met dichters als Hein de Bruin en Willem Hessels.
De aandacht verslapte. Niet alleen voor christelijke literatuur, maar ook voor literatuur in het algemeen. Er zijn weinig Nederlandse schrijvers die mij boeien. In mijn herinnering zijn dat vooral Leo Pleysier, Ward Ruyslinck, F. Springer en Hellema geweest. Geen auteurs die veel werden gelezen. Dus had ik ook weinigen om mij heen met wie ik over deze boeken kon praten. Om toch literatuur te lezen, ben ik mij gaan richten op andere talen en heb daardoor kennisgemaakt met de Zuid-Afrikaanse letterkunde (Karel Schoeman) en de Duitse (Werner Bergengruen, Heinrich Böll, Alfred Döblin, Franz Werfel). Maar het lezen heeft niet meer de drive en de ervaring die het voorheen had. Daarom lees ik zelden nog een roman.
Dat de aandacht verslapte, had ook een andere reden. Ik verdiepte steeds meer in de reformatorische rechtvaardigingsleer. Dit leerstuk, dat in het kort zegt dat mensen zondaren zijn en alleen door het oordeel van Christus rechtvaardig verklaard kunnen worden, zou veel impact moeten hebben op hoe een roman (en ook een biografie) geschreven zou worden. Ik noem er enkele: het verbod op een menselijk oordeel over een ander, het onderscheid tussen persoon en werk en de orde van het heil.
Het verbod op menselijk oordeel wordt, hoewel het een aantal keer wordt genoemd in de Schrift, niet echt serieus genomen. Kan mag een auteur, die zichzelf christen noemt, wel een boek schrijven waarin een (moreel) oordeel over de hoofdpersoon of bijpersonen in een boek wordt geveld? Kan een auteur die zichzelf christen noemt, een hoofdpersoon tot bekering laten komen? In de geloofsleer wordt de bekering toch als werk van God gezien, waar mensen geen invloed op hebben?
In zijn boek Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010 wijst Jaap Goedegebuure op de (in zijn ogen reeds clichématige) gedachte dat veel schrijvers zich beschouwen als een schepper of herschepper. Wie de reformatorische rechtvaardigingsleer kent, zou hier een waarschuwend belletje moeten horen rinkelen. Voor Luther ligt de oorsprong van de rechtvaardigingsleer in het serieus nemen van het  eerste gebod.
Nu kan ter verdediging van de christelijke literatuur worden aangedragen dat het hier om fictie gaat. Echter, de rechtvaardigingsleer zorgt er niet alleen voor dat er een grens is aan wat een zichzelf christen noemende schrijver zich allemaal kan permitteren, maar stelt ook de mogelijkheid van christelijke literatuur als zodanig ter discussie. Want wat betekent het voorvoegsel christelijk en wat zegt dat over literatuur als het er aan vast wordt gekoppeld? Betekent christelijk uit een bepaalde zuil afkomstig? Betekent het dat de schrijver andere thema’s kiest? Betekent het dat de auteur andere invalshoeken kiest? Vanuit een bepaalde levensovertuiging werkt?
Wie op deze manier het bijvoeglijk naamwoord christelijk invult, vergeet dat de rechtvaardigingsleer allereerst een zelfkritische functie heeft. Een christen is simil iustus et peccator. Een christen is niet alleen een gerechtvaardigde, maar ook nog steeds een zondaar. Iemand die gevoelig is om door anderen erbij gerekend te worden, die hunkert naar menselijke waardering, die zijn identiteit afleest aan zijn prestaties. Een christelijke schrijver weet dat hij ook in fictie geneigd is om God in de greep te hebben en te bepalen wat God doet – ook al is het fictief. Christelijke literatuur kan dus ook niet een boodschap hebben: want namens wie is die boodschap bedoeld? En is een opgelegde boodschap niet de doodsteek voor literatuur? Waarom geen streven naar ‘gewone’ literatuur?
Christelijke literatuur is alleen mogelijk als de rechtvaardigingsleer serieus genomen wordt. Niet alleen als grens voor de inhoud, maar ook als grens voor de schrijver zelf.

 

Vragenlijst bij het Vliegermodel van Sake Stoppels

Vragenlijst bij het Vliegermodel van Sake Stoppels
ds. M.J. Schuurman

In zijn boek “Voor de verandering” presenteert Sake Stoppels een model om veranderingen in de gemeente te begeleiden. Dat model noemt hij het “vliegermodel”. Een handig hulpmiddel om in de gaten te houden hoe een proces verloopt. Ook handig waar men zich in het proces verbindt. Hieronder enkele vragen, die gebruikt zouden kunnen worden om te starten met dit vliegermodel.

Probleem / uitdaging
Omschrijf het probleem:
Welke uitdaging zit er in dit probleem?
Welke zorg / pijn is verbonden met dit probleem?

Analyse
1) Welke factoren binnen onze gemeente veroorzaken / versterken het probleem?
2) Welke andere factoren buiten onze gemeenten veroorzaken / versterken het probleem?
3) Speelt de ontkerkelijking een rol bij ons probleem? Zo ja: hoe?
4) Op welke manier heeft het probleem te maken met de plaats of regio waar wij wonen?
5) Op welke factoren hebben wij wel invloed?
6)Welke hulp van buitenaf zouden wij eventueel nodig hebben?
7) Op welke factoren hebben wij geen invloed?

Visie
1) Waarom is het belangrijk dat dit probleem opgelost wordt?
2) Welke bijbelse opdracht(en) spelen een rol?
3) Welke bijbelse beloft(en) spelen een rol?
4) Wat hebben we er voor over?
5) Wat is mijn eigen rol in dit geheel?
6) Wat is de rol van de kerkenraad in dit geheel?
7) Wat kunnen gemeenteleden bijdragen aan oplossingen?
8) Wat als er geen oplossingen zijn?
9) Welke aarzelingen kunnen er zijn bij mijzelf / de kerkenraad / de gemeente?

Brochure “Geestelijk leiding geven vandaag” verschenen

Vorig jaar was er een bijzondere conferentie, een conferentie waarop “iets” gebeurde. De lezingen zijn nu beschikbaar als (goedkope brochure):

Overgenomen van de website van de Gereformeerde Bond: In mei 2010 belegde het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond een tweedaagse conferentie voor predikanten, waarvan het thema luidde ‘Geestelijk leiding geven vandaag’. De verlegenheid over de toekomst van de christelijke gemeente activeerde het verlangen om samen met de gemeente die gediend wordt, de stem van Christus, de Levende, te verstaan. Kan dat, in onze door vluchtigheid en relativering gekenmerkte cultuur?
Als eerste wilden we in deze conferentie samen op het spoor komen waar leden van de gemeente in hun denken zitten, waarmee ze druk zijn, hoe het komt dat de eenheid van het leven op de meeste plaatsen teloor gegaan is. Daarom begon de conferentie met een theologische duiding van onze tijd, uit de mond van dr. Ad Verbrugge, mr. H.M. Oevermans en ds. C.M.A. van Ekris.
In die context hebben we zicht op de kerk, op haar fundament en haar identiteit, nodig. Dat bood dr. H. de Leede in een bijdrage waarin hij vooral naging wat de katholiciteit van de kerk ons kan bieden. Op zijn referaat volgden reacties van ds. W.J. Dekker en ds. P.J. Teeuw. Het laatste conferentiedeel sprak prof. dr. A. van de Beek over profetische prediking, opnieuw gerelateerd aan de beleefde crisis. Zijn oproep tot de verkondiging van de gekruisigde Christus riep commentaar op van ds. C. Blenk en ds. B.J.D. van Vreeswijk.
De context van de gemeenten bepaalde de inhoud van deze conferentie, maar daarbovenuit speelde voortdurend de vraag naar de aanwezigheid van God, door ds. P.H. van Trigt van meetaf aan benoemd in zijn ambtsdragerspreek over Exodus 33:18, die de conferentie opende en stempelde. Ds. W. Dekker besloot de conferentie met een inhoudelijke evaluatie.

Wat over cultuur, kerk en prediking gehoord en besproken is, zal ons blijven bezetten. Daarom zijn de bijdragen in een brochure ‘Geestelijk leiding geven vandaag’ gebundeld. Al vraagt de inhoud van de afzonderlijke hoofdstukken een en ander aan geestelijke spankracht, we hopen dat ambtsdragers en gemeenteleden erdoor gestimuleerd worden om op geestelijke wijze leiding te geven.

Tegen kostprijs is deze brochure van 94 blz. te bestellen bij het bureau van de Gereformeerde Bond. Dat kan door € 6,25 over te maken (inclusief porto) op ING-rekening 2937021 t.n.v. Bureau Gereformeerde Bond te Apeldoorn, o.v.v. Leiding geven. Wie vijf of meer exemplaren bestelt, betaalt € 5,00 per stuk. Wie per giro betaalt, vergeet niet zijn adres te melden!