Op weg naar het doen van belijdenis (1): Volgen

Op weg naar het doen van belijdenis (1)

Volgen

18 Toen hij langs het meer liep, zag hij twee broers, Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Ze wierpen hun net uit in het meer, het waren vissers. 19 Hij zei tegen hen: ‘Kom, volg mij, ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ 20 Ze lieten meteen hun netten achter en volgden hem. 21 Even verderop zag hij twee andere broers, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. Ze waren met hun vader in hun boot bezig met het herstellen van de netten. Hij riep hen 22 en meteen lieten ze de boot en hun vader Zebedeüs achter en volgden hem. (Mattheüs 4:18-22)

Als je belijdenis doet, geef je aan dat je Jezus wilt volgen. Misschien weet je van jezelf nog wel, dat je de keuze maakte. Het kan ook zijn, dat die keuze geleidelijk aan is gegaan. Dat je nadacht over je relatie met de Here Jezus en dat je tot de ontdekking bent gekomen dat je Hem allang volgt.
Simon en Andreas zijn Jezus ook gaan volgen. Op een dag kwam Jezus langs. Simon en Andreas waren aan het vissen. Jezus zegt  tegen hen: ‘Kom, volg mij!’ Simon en Andreas gaan mee.
Weten ze wie Jezus is? Waarschijnlijk niet. Op de een of andere manier heeft de stem van Jezus wel gezag, want ze gaan met Hem mee. Is het de bijzondere opdracht geweest?
Simon en Andreas worden door de Here Jezus geroepen. Ook jullie hebben de stem van de Here Jezus gehoord. Jullie willen Hem navolgen. Op elk moment van mijn leven, bij dag en nacht, wil ik Uw woorden lezen en dragen in mijn hart.
Simon en Andreas geven zich aan de Here. Zij laten hun boten en netten in de steek en beginnen een nieuw leven. Ze weten nog niet wat er komt. En toch, ze gaan. Ze vertrouwen op de Here Jezus. Jezelf aan iemand geven, laat zien dat je iemand vertrouwt. Met belijdenis doen geef je jezelf aan de Here. Je vertrouwt Hem. Het volgen van de Here Jezus kan niet zonder vertrouwen. Dat heb je ontdekt, want je wilt volgen. Vader, U bent goed.

ds. M.J. Schuurman

Op weg naar het doen van belijdenis (3): Een heel ander leven

Op weg naar het doen van belijdenis (3)

Een heel ander leven

Jezus ging Jericho in en trok door de stad. Er was daar een man die Zacheüs heette, een rijke hoofdtollenaar. Hij wilde Jezus zien, om te weten te komen wat voor iemand het was, maar dat lukte hem niet vanwege de menigte, want hij was klein van stuk. Daarom liep hij snel vooruit en klom in een vijgenboom om Jezus te kunnen zien wanneer hij voorbijkwam. Toen Jezus daar langskwam, keek hij naar boven en zei: ‘Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet ik in jouw huis verblijven.’ Zacheüs kwam meteen naar beneden en ontving Jezus vol vreugde bij zich thuis. Allen die dit zagen, zeiden morrend tegen elkaar: ‘Hij is het huis van een zondig mens binnengegaan om onderdak te vinden voor de nacht.’ Maar Zacheüs was gaan staan en zei tegen de Heer: ‘Kijk, Heer, de helft van mijn bezittingen geef ik aan de armen, en als ik iemand iets heb afgeperst vergoed ik het viervoudig.’ Jezus zei tegen hem: ‘Vandaag is dit huis redding ten deel gevallen, want ook hij is een zoon van Abraham. 10 De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.’ (Lukas 19:1-10)

Aan Zacheüs is te zien wat het betekent als de Here Jezus in je leven komt. Zacheüs moest zijn oude leven loslaten. Door de ontmoeting met de Here Jezus keert hij zich van dat oude leven af. Hij breekt ermee. Een gelukkig leven was dat niet. Want het leven van Zacheüs bestond maar uit een paar dingen: geld verdienen, bedrog en afpersing. Met zo’n leven heb je niet veel vrienden meer. De mensen willen hem dan ook er niet tussen laten komen. En ze gunnen hem ook geen ontmoeting met de Here Jezus.
Aan deze ontmoeting van de Here Jezus met Zacheüs kunnen we zien, dat de Here Jezus vaak mensen opzoekt, die het vanuit zichzelf niet best doen. De Here Jezus kiest een bedrieger als gastheer. Door gast te zijn van Zacheüs nodigt de Here Jezus Zacheüs uit voor Zijn maaltijd: de bruiloft van het Lam (Openbaring 22). Door die uitnodiging kán Zacheüs niet meer vasthouden aan dat oude leven. Maar hij heeft dat leven van bedrog ook niet meer nodig.
Wat zou er in jouw leven gebeuren als de Here Jezus je gast is?

ds. M.J. Schuurman

Op weg naar het doen van belijdenis (2): Jezus verzorgen

Op weg naar het doen van belijdenis (2)

Jezus verzorgen

Kort daarop begon hij rond te trekken van stad tot stad en van dorp tot dorp om het goede nieuws over het koninkrijk van God te verkondigen. De twaalf vergezelden hem, en ook enkele vrouwen die van boze geesten en ziekten genezen waren: Maria uit Magdala, bij wie zeven demonen waren uitgedreven, Johanna, de vrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, en Susanna – en nog tal van anderen, die uit hun eigen middelen voor hen zorgden. (Lukas 8:1-3)

Elke discipel heeft zijn eigen verhaal te vertellen. Simon en Andreas geven hun beroep als visser op. Er zijn ook vrouwen die meegaan. Deze vrouwen staan in de schaduw, maar zijn wel belangrijk. Zij zorgen ervoor dat Jezus en de discipelen kunnen rondtrekken. De vrouwen zorgen er namelijk voor, dat de Here en zijn discipelen niets tekort komen. Als volgeling van de Here Jezus hoef je niet op te vallen. Soms kun je juist als je niet opvalt veel meer betekenen. Net zoals Susanna en Johanna.
Deze vrouwen hebben wel een verhaal te vertellen. En wat voor verhaal! De Here Jezus heeft  hen bevrijd van boze geesten en ziekten. Door de Here Jezus hebben ze geleerd wat geluk betekent. Ze zijn niet meer gebonden, maar kunnen gaan en staan waar ze willen. Daarom willen ze de Meester niet missen. Ze willen in Zijn buurt zijn.
Welk verhaal heb jij te vertellen? Wat betekent de Here Jezus voor jou?

ds. M.J. Schuurman

Een toespraak of overdenking tijdens een begrafenisdienst

Een toespraak of overdenking tijdens een begrafenisdienst

Het houden van een toespraak tijdens een begrafenis(dienst) is niet het makkelijkste wat er is. Of het nu gaat om een preek, een overdenking of een in memoriam van de overledene. Hoe kan een predikant of een betrokkene zo’n toespraak voorbereiden? Kan in zo’n toespraak ook nog iets van het geloof doorklinken?

Voor een overdenking van een predikant spreekt dat wellicht vanzelf. Al kan elke overdenking een zoektocht zijn naar de juiste bewoordingen. Ik ben van mening dat familieleden het geloof ook in een in memoriam kunnen verwerken.

Geloof en leven
Zelf probeer ik in een overdenking geloof en leven beiden een plaats te geven. Als predikant vind ik het van belang, dat het leven van de overledene verteld wordt in een dienst van Woord en gebed. De overledene is iemand geweest. In het christelijk geloof doet de unieke biografie van een mens ertoe. Ook die van een overledene. Daarom verwerk ik voorvallen en typerende gebeurtenissen en karaktertrekken vaak in de overdenking.
Het geloof wordt altijd in de overdenking binnengebracht door een bijbelgedeelte. Dat bijbelgedeelte kies ik op basis van de rouwkaart of van het gesprek met de familie.
In de overdenking probeer ik dat het bijbelgedeelte het leven van de overledene in een ander licht (bijvoorbeeld het licht van Gods genade) komt te staan. Wanneer iemand in leven een gelovige was, is dat gemakkelijker dan wanneer iemand nauwelijks een band met God had.

Opbouw
De opbouw die ik gebruik voor de overdenking, is in mijn ogen ook toepasbaar op een in memoriam.
Ik begin meestal met een inleiding: Wij zijn vandaag bij elkaar om het lichaam van … naar zijn / haar laatste rustplaats te brengen.
Vervolgens wordt (een gedeelte van) het leven van de overledene verteld: naam, belangrijke data (geboortedatum, datum van overlijden, huwelijk, doop, belijdenis) en hoe de overledene wordt herinnerd.
Dan bouw ik een brug naar de verkondiging, die opkomt uit het voorafgaande. Dat kan op verschillende manieren:
* Als het overlijden tragisch is, kan de brug zijn: het vinden van troost bij de Here. Of het verwoorden van de onmacht en vertwijfeling. In dat geval zou ik een bijbelgedeelte eerder in de toespraak aan bod laten komen; bijvoorbeeld door een bijbelgedeelte dat de vertwijfeling onder woorden brengt.
* Een brug kan zijn: de dankbaarheid aan de Here voor het leven van de persoon.
* Of het geloof van de overledene. Ik ben zelf hierin wel voorzichtig, want de troost komt niet van het geloof van de overledene, maar van de God door Wie de overledene is geroepen.
* Een brug kan het verwoorden van een bepaalde spanning uit het leven zijn. Ik heb wel eens bij iemand, van wie de familie aangaf dat haar leven niet tot de volle ontplooiing kon komen, gekozen voor 1 Petrus 5:10. Deze tekst gaat over de voltooiing van het aardse leven in Gods heerlijkheid. Vandaar uit kon ik de tragiek van het onvervulde van dit aardse leven onder woorden brengen.
Wanneer die brug is gelegd, geef ik een korte boodschap – afkomstig uit het overdenken van het bijbelgedeelte.
Vervolgens pak ik het leven weer op om vanuit de boodschap het leven van de overledene te belichten. Het gaat mij om een eerlijk en respectvol beeld van de overledene. Iemand moet bijvoorbeeld niet vromer gemaakt worden dan hij of zij was.
Ten slotte sluit ik af met de boodschap, waar onze troost is te vinden. In dit slot verwoord ik de troost (en van het nochtans van de troost) van Godswege. Zodat God de gids is op de verdere levensweg.

(1) Inleiding
(2) Korte schets van het leven met belangrijke gegevens.
(3) Overstap naar de boodschap, in aansluiting op het voorgaande.
(4) Boodschap
(5) Terugkoppeling van de boodschap naar het leven van de overledene
(6) afsluiting met de troost van Godswege, met God zelf door wie de familie en betrokkenen verder kunnen gaan.
 
Boodschap
In een dienst van Woord en gebed, voorafgaande aan een begrafenis of crematie, is de tijd beperkt. Ik neem meestal 10 minuten. De boodschap dient kort en beknopt te zijn. Daarom kies ik er vaak voor om één element uit het evangelie kort en kernachtig weer te geven. Het gaat niet om de overdracht van het hele evangelie, maar om de troost en evangelie in verband met het leven van de overledene. Dit verweven van geloof en leven kan bijna met elke bijbeltekst.
Het verwerken van de opstanding van Christus, die was gekruisigd, in de overdenking is een extra uitdaging. De Zwitserse praktisch-theoloog Ralph Kunz heeft dat in een artikel onder woorden gebracht: ‘Die Auferweckung des Gekreuzigten als Thema der Grabrede’, Pastoraltheologie 91 (2002), 66-79.

ds. M.J. Schuurman

De theologie van het boek Esther

De theologie van het boek Esther

In het bijbelboek Esther ontbreekt het handelen van God. In andere bijbelboeken wordt vermeld hoe de Here ingrijpt. Hoe Hij profeten opdrachten geeft. Hoe Hij zijn gelovigen redt. In Esther wordt er niet over God gesproken. Er wordt ook niet tot Hem gebeden. Hoe kan er dan sprake zijn van een theologie?

Veel hedendaagse exegeten gaan ervan uit, dat dit bijbelboek ondanks het zwijgen over God een duidelijke theologie heeft. John J. Collins zegt: ‘The hand of God may be hiden, but is nonetheless present.’ Otto Kaiser zegt dat God op een verborgen wijze op een wonderbaarlijke manier aanwezig is.

Waar wordt de theologie van Esther op gebaseerd?
* Een belangrijke tekst is 4:14. Daarin zegt Mordechai tegen Esther dat er redding van een andere plaats komt. Maqôm wordt later een aanduiding, die naar de naam van God verwijst.
* De tweede duidelijke aanwijzing is het terugvoeren van Haman op Agag, de koning van Amalek. De oude strijd tussen Israël en Amalek (en later tussen Saul en Agag) duikt weer op. Enkelen gaan zo ver om van Esther een soort David te maken.
* Door het oprakelen van de tegenstelling tussen Amalek en Israël wordt er impliciet gerefereerd aan de heilige strijd. De gedachte achter de heilige strijd is, dat de God van Israël de vijanden van Zijn volk ten val zal brengen. Dat gebeurt aan het einde ook.
* Een andere aanduiding is het lot, dat Haman werpt. Haman denkt dat zijn goden hem gunstig gezind zijn, maar het lot wordt door Israëls God geleid. Harald Martin Wahl brengt hier tegen in, dat de schrijver niet het gebruikelijke woord voor lot (gwrl), maar pwr heeft. De auteur wil juist verschil aangeven tussen de beide vormen. De gwrl wordt door de God van Israël bestuurd. Pwr heeft volgens hem daar weinig mee te maken. Volgens hem werkt God op een andere manier. Volgens het pwr leggen de goden een bepaalde tijd vast. De God die door Mordechai wordt gediend, doorbreekt deze vastlegging juist.
* Harald Martin Wahl wijst erop dat het woord koning (hmlk) 146x voorkomt in dit boek, terwijl de naam van de koningen en koninginnen niet zovaak voorkomen. De auteur verwijst tussen de regels door naar de hoogste Koning: de God van Israël.
* Wahl wijst ook op het gebruik van dt. Volgens hem is dit woord een contrast voor thora (het  woord dat de auteur bewust niet gebruikt en opvalt door afwezigheid.)
* Erich Zenger legt een verband met Pesach. Tijdens de dagen van Pesach is Haman actief en de uiteindelijke beslissing valt precies 1 maand voor Pesach. Zenger trekt hieruit de conclusie dat in het Purimfeest de uittocht wordt voltooid: de Here heeft aan Zijn volk de beloofde rust geschonken, omdat de vijanden zijn vernietigd.
* Volgens Zenger heeft de afwezigheid van de Here ook te maken met de ‘verberging van Gods aangezicht.’ (Vgl. Deuteronomium 32) In tijden van afval kan de Here Zijn aangezicht verbergen, zodat het volk weer naar Hem op zoek gaat. En ondertussen geeft Hij al redding.
* Bruce Waltke wijst op de providence, die de rode draad in dit verhaal is (de vele keren dat er een ‘toevallige samenloop van omstandigheden’ plaatsvindt).

Waarom wordt er niet over de Here gesproken? Omdat in Joodse diaspora de werkelijkheid van God niet altijd ervaren wordt. Israël kent een traditie van wijsheid, waarin de gelovige toch de weg van de Here bewandelt (de weg van de rechtvaardige). Want ook al lijkt de Here verborgen, Hij regeert over alles.
Wanneer Zijn volgelingen keuzes maken, doen ze dat niet tevergeefs. Want de Here ziet ze en redt hen.

ds. M.J. Schuurman

Bevindelijke taal vraagt bewerking voor deze tijd

In het katern Boeken van 24 oktober bespreekt drs. A. Ros een boek met levensbeschrijvingen van oudvaders. In deze uitgave wordt ook het leven beschreven van een van de eerste predikanten van Watergang: Jan Jacob Brahé.
Ros vraagt zich af wat er overgebleven is van zijn verkondiging. Hij ziet het oordeel van Van der Groe en Fruytier bewaarheid: de waarheid en de godsvrucht zijn vergeten. Hij noemt Watergang als een voorbeeld hiervan. Zonder verder op de recensie in te willen gaan, vestig ik er de aandacht op dat dit voor de hervormde gemeente Watergang een pijnlijke opmerking is. De hervormde gemeente Watergang -die samen met de gemeente Ilpendam een voltijds predikantsplaats heeft- is een kleine, maar bloeiende gemeente. Volgens het beleidsplan baseert de gemeente al haar activiteiten op de gereformeerde belijdenisgeschriften. Beide gemeenten geloven dat de waarheid van het Evangelie van onze Heere Jezus Christus daarin op een goede manier verwoord is. Onlangs zijn die belijdenisgeschriften (inclusief de Dordtse Leerregels) besproken in het kerkblad. Daarop zijn positieve reacties gekomen. De gemeenteleden zullen de oudvaders wellicht niet kennen en ook hun taal niet begrijpen. Dat komt mede doordat beide gemeenten in de jaren zeventig veranderd zijn van vrijzinnig in de richting van de gereformeerde traditie. Maar ze hebben wel de behoefte om de verkondiging van het offer van de Heere Jezus voor onze zonden te horen. De bevindelijke taal kent men niet, maar wanneer de inhoud op een hedendaagse manier wordt weergegeven, valt de boodschap in goede aarde. In een tijd waarin spiritualiteit veel aandacht krijgt, is het goed om de schatten van de gereformeerde traditie onder het stof vandaan te halen. Dat kan een missionaire bijdrage zijn van de bevindelijke traditie. Daarvoor is echter grondige bewerking nodig. Velen begrijpen de bevindelijke taal immers niet meer. Laat iedereen die waarde hecht aan de traditie van de Nadere Reformatie deze missionaire kans aangrijpen.

ds. M.J. Schuurman
Predikant van de Hervormde Gemeenten Ilpendam – Watergang (N.-H.)

Opinie-artikel in het Reformatorisch Dagblad van 1-11-2007 (in reactie op een boekbespreking)

http://www.refdag.nl/artikel/1320992/Bevindelijke+taal+vraagt+bewerking+voor+deze+tijd.html

Geen veroordeling (Meditatie Romeinen 8:15)

Geen veroordeling

Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. (Romeinen 8:15)

Vertrouwde bijbelteksten kunnen in een andere omgeving opeens een nieuwe betekenis krijgen. Wie bijvoorbeeld in Israël is geweest, kan de bijbelverhalen met nieuwe inzichten lezen. Je kunt dan de verhalen bewuster lezen. Je hebt op die plaats gestaan! Je kunt beter voorstellen hoe dat geweest moet zijn.

De bijbel met andere ogen lezen – dat kan ook gebeuren als je in contact komt met een andere cultuur.
Wie deze tekst van Paulus leest na een ontmoeting met een Arabier ontdekt in deze tekst een verrassende diepte.
Wat Paulus ons schrijft is bekend: we mogen God aanspreken als onze Vader. Veel gelovigen zullen in hun gebed God ook op die manier aanspreken: trouwe Vader in de hemel, hemelse Vader, onze Vader die in de hemelen zijt.
Een moslim kan God niet als (zijn) Vader aanspreken. In de islam heeft God 99 namen – maar die ene naam Vader zit daar niet tussen. De vertrouwde omgang met onze hemelse Vader kennen moslims niet.
Er speelt nog iets anders. Arabieren zien zichzelf als afstammeling van Ismaël, de andere zoon van Abraham. Deze zoon Ismaël wordt verbannen. Volgens het gebruikelijke familierecht was hij de oudste zoon. Degene die de familietraditie zou voortzetten. Degene die alles zou ontvangen. God geeft Zijn zegen echter aan Izaäk.
Terwijl Izaäk opgroeit, merkt Ismaël dat hij plaats moet maken voor zijn jongere (half)broer. Om die schande af te wenden, bespot hij zijn jongere broer. Daarop worden Ismaël en zijn moeder Hagar weggestuurd.
De Arabieren zijn dan afstammelingen van de verbannen zoon. Om hen heen hangt de schande van het verstoten zijn door de vader.
Deze vader, die zijn oudste zoon verstoot, is de stamvader van alle gelovigen. Horen de afstammelingen van die verstoten zoon Ismaël er wel bij?
Terug naar de tekst van Paulus. Hij spreekt over de Heilige Geest, die ons God leert aanbidden als onze Vader. Hoofdstuk 8 begint ermee, dat er geen veroordeling meer is, omdat Christus die veroordeling heeft weggedragen. In Christus is er geen veroordeling meer. Geen bastaards meer, geen slavenkinderen, maar geaccepteerd als ware kinderen van God.
Door Christus mogen de verstoten kinderen weer (in genade) aangenomen worden.

Niet alleen Arabieren, maar ook wij. Wij kunnen het idee hebben dat wij niet meer bij God horen. Wij kunnen onszelf beoordelen: ik doe dit niet goed, ik kan het niet! Eigenlijk veroordelen wij daarmee onszelf. Dat is niet meer nodig. In Christus wordt er geen negatief oordeel meer over ons geveld. We worden gezien als kinderen van God. We worden door onze hemelse Vader behandeld als zijn eigen kinderen.
Wie over zichzelf oordeelt, mag leren dat uit handen te geven. Als onze hemelse Vader ons aanneemt als Zijn kinderen, waarom zouden wij ons dan nog veroordelen.

De dichter Jochen Klepper (1902-1943) worstelde hier ook sterk mee. Hij was heel perfectionistisch en daarom kwam er weinig uit zijn handen. Veel van zijn plannen (bijvoorbeeld de boeken die hij wilde schrijven) strandden na de planning. Hij trok het zichzelf aan.
Wie zichzelf beoordeeld met strenge normen, denkt dat God dat ook doet. Dwars door alle oordelen die Klepper over zijn eigen leven velde, komt het oordeel van God. Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn. (Romeinen 8:1) Hij ontdekte dat ook voor zijn eigen leven. In een van zijn liederen (opgenomen als Gezang 130 in het Liedboek) verwoordt hij: zijn oordeel – je zou verwachten: zijn oordeel is rechtvaardig en streng of misschien wel hard. Nee, hij schrijft: zijn oordeel is genade. Dat is het! Niet een strenge, afwijzende houding, maar een liefdevolle acceptatie: wij zijn weer kinderen van God. Zo kijkt God naar ons leven: met de ogen van Christus. We hebben – door Christus – genade gevonden in Zijn ogen.

                        Ds. M.J. Schuurman

Geschreven voor: De Kerk thuis

De plaats van de kerk in de postmoderniteit

De plaats van de kerk in de postmoderniteit

De kerk verkeert al geruime tijd in een crisis. Leden haken af en de boodschap die de kerk brengt, lijkt niet meer gehoord te worden. Voorheen was er een duidelijk verband tussen de kerk en de samenleving. Nu die samenleving pluralistisch is geworden, is de kerk op zoek naar haar plaats in deze samenleving. De Duitse praktisch-theoloog Albrecht Grözinger gelooft dat de kerk in deze (postmoderne) tijd een belangrijke rol te spelen heeft

Postmoderniteit
De crisis van de kerk is onder andere veroorzaakt door de veranderde tijd. De tijd waarin ij vandaag de dag leven wordt aangeduid als postmoderniteit. Wat is postmoderniteit? Grözinger typeert postmoderniteit aan de hand van drie ontwikkelingen:

(1) De eigen leefwereld waarin mensen leven is geïndividualiseerd.
Het is niet meer vanzelfsprekend dat een kind in de voetsporen van de ouders treedt. In de moderniteit was de rolverdeling duidelijk. Het was duidelijk wat de positie van de man en de vrouw was. Het was duidelijk wie de baas was en wie de werknemer. Die rolpatronen konden hele klassen stempelen.
Vandaag de dag is dat anders. Elk onderdeel van het menselijk leven heeft te maken met individualisering en een plurale invulling:
* Naast het traditionele huwelijk zijn verschillenden vormen van relaties en samenleven opgekomen. En binnen het traditionele huwelijk zijn de patronen vaak sterk veranderd.
* Wie de arbeidsmarkt betreedt, kiest zelfstandig een beroep. Dat was vroeger anders. Velen van de oudere generatie gingen op hun 12e of 14e werken. Tegenwoordig is er een groep die op hun 16e gaat werken, terwijl veel jongeren pas na hun studie gaan werken.
* De rolpatronen liggen niet meer vast. Wat jong is of wat oud is, is niet meer duidelijk. Wat een oudere doet, is heel wat anders dan een ouder persoon in het begin van de 20e eeuw deed.

(2) Argwaan tegen ‘grote verhalen’
Dit argwaan is onder woorden gebracht door de filosoof J.-F. Lyotard. Volgens hem hadden de grote verhalen hun geloofwaardigheid verloren. Met een groot verhaal (of: meta-verhaal) bedoelde hij: een systeem of een theorie dat aanspraak maakt om het hele leven te ordenen en te verklaren. Dat systeem perst de individuele levens in deze mal. Een groot verhaal gaat uit van de fundamentele eenheid van de samenleving.[1] In de 20e eeuw bleek deze fundamentele eenheid ook dwang en onderdrukking te veroorzaken.[2]
Grote verhalen zijn: nationalisme, socialisme, Verlichting, kolonialisme, kapitalisme, techniek, enz. Grözinger wijst er op, dat elk groot verhaal zijn goede kanten heeft en zijn slechte kanten. In de postmoderniteit is er aandacht voor de ambivalentie van de grote verhalen.
Is het christendom ook een groot verhaal dat zijn geloofwaardigheid verloren heeft? Terugkijkend moeten we zeggen, dat het christelijk geloof vaak verweven is geweest met die grote verhalen, waardoor de eigenheid ingeleverd werd. Ook hier is sprake van die ambivalentue die voor grote verhalen kenmerkend is.
Er was geregeld een te directe band tussen kolonialisme en zending, tussen Verlichting en christendom, tussen nationalisme en christendom. Het christelijk geloof moet weer van deze grote verhalen losgemaakt worden.
Volgens Grözinger kan dat ook. Hij beroept zich op de reformator Luther. Op zijn sterfbed sprak Luther over de in zijn eigen leven ervaren geschiedenis van God (aeneis van God). Deze Godsgeschiedenis is een waarborg tegen elk groot verhaal, dat zijn boekje te buiten gaat. Alleen God kan het gehele leven overzien en verklaren.Menselijke systemen die dat nastreven gaan tegen het eerste gebod (de basis van de rechtvaardiging van de goddeloze) in.

(3) Het uitvinden van het eigen leven
Omdat er geen overkoepelend systeem meer is en de rolpatronen niet meer vastliggen, moet ieder individu zijn eigen leven ontdekken en uitvinden. De grammatica om het eigen leven te duiden ontbreekt. Het eigen leven is een project.
Maar ook hier is er sprake van ambivalentie: het eigen leven moet uitgevonden en ontdekt worden. De socioloog Peter L. Berger heeft hier geregeld op gewezen. Berger geeft aan dat dit project ook kan mislukken.
Vanwege deze dwang tot ontdekking is er behoefte om het eigen leven te ordenen. Mensen zijn op zoek naar taal en verhalen die het eigen leven duiden, die ervaringen onder woorden brengen, richting kunnen geven.
Die behoefte aan ordening is te zien in een verlangen naar overgangsrituelen (rites de passage).

De plaats van de kerk
Grözinger gebruikt de behoefte aan ordening (overgangsrituelen en aangereikte verhalen) om de plaats van de kerk aan te wijzen.
Hij gaat terug naar het Vroege Christendom. Het Vroege Christendom heeft haar basis in de stad. De Griekse stad (polis) had een duidelijke structuur. Die opbouw heeft effect op onze waarneming. Die structuur veroorzaakt bepaalde waarnemingen en belemmert bepaalde waarnemingen.
(Grözinger noemt die structuur een ruimteprogramma: een energetisch veld dat uitdaagt tot bepaalde waarnemingen en bepaalde waarnemingen blokkeert.)
In de Griekse stad stond de tempel bij de markt (agora). Voor de kerk was er geen plaats aan de agora. De kerk had haar plaats in de oikos, de privésfeer. Na de komst van Constatijn en vooral in de Middeleeuwen kreeg de kerk haar centrale plaats in de stad, aan de markt. De kerk was een afzonderlijke plaats (denk aan het kerkasiel).In de Renaissance veranderde dat weer. Aan de markt kwam nu de bank en het stadhuis te staan. De kerk kwam meer in de periferie te staan.
In deze postmoderne tijd zijn veel mensen nomaden geworden. Tegelijkertijd is de behoefte toegenomen aan plaatsen die markant zijn. Die markante plaatsen kunnen voor een overgang (passage) zorgen:
* Het kerkasiel kwam weer op in de discussie over de behandeling van asielzoekers. Dit kerkasiel relativeerde de monopolie die de staat heeft op het recht. De kerk trad op als advocaat van de humaniteit, die door het (juridische) optreden van de staat in gevaar kwam.
* De reconstructie van het huidige Berlijn. Na de Wende werd Berlijn samengevoegd. Er ontstond een project om de stad grondig te veranderen. In een heftige discussie werd nagedacht over wat bewaard kon blijven en wat vernieuwd mocht worden. De Friedrichsstraße werd gebouwd als een boulevard waarlangs men kon flaneren. De ironie wilde dat Berlijn zulke straten nooit heeft gekend. De behoefte aan markante plaatsen is een behoefte van deze tijd.
* De opkomst van musea. Het bezoek van een museum heeft (als ritueel gezien) veel weg van een bezoek aan een kerk.

De kerk kan de behoefte aan rites de passages gebruiken om de eigen plaats te positioneren. De kerk moet daarvoor herkenbaar zijn. Grözinger wijst daarom de verleiding af om de postmoderne kerk als huiskerk vorm te geven. De huiskerk gaat niet in op de behoefte van hedendaagse mensen aan heilige en markante plaatsen. In dat kader pleit Grözinger ook voor terughoudendheid met betrekking tot de verkoop van kerken op markante plaatsen.
De kerk dient haar eigenheid te benadrukken. De kerk is geen beter of slechter museum. De kerk moet ook niet de plaats van de markt terug willen. De kerk heeft een eigen positie.
In een prestatiemaatschappij is de kerk nutteloos, een luxeproduct. Maar dan wel een ‘noodzakelijk luxeproduct waar de maatschappij niet buiten kan’ (Michael Schindhelm).

De kracht van de kerk schuilt in haar anderszijn. Aan de ene kant sluit zij aan bij de behoefte van velen om een geslaagd leven te vinden in deze samenleving vol risico’s. Daarnaast vindt de kerk haar oriëntatie in de Schrift. Vanuit de Schrift kan de kerk een plus in deze samenleving brengen, die bijdraagt aan de menselijkheid en humaniteit van de individuele levensgeschiedenis van mensen. Die menselijkheid is uiteindelijk geworteld in de verbinding van het menselijke leven met God.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Albrecht Grözinger, Die Kirche – ist sie noch zu retten? Anstiftungen für das Christentum in postmoderner Gesellschaft (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 1998) p. 11-48


[1] Een mogelijke verklaring voor het grote aantal gesneuvelden in de  Eerste Wereldoorlog. Het leven van de individuele soldaat was ondergeschikt aan het landsbelang.

[2] Grözinger noemt het niet, maar de postmoderniteit heeft een ethische oorsprong. Het verlies van de geloofswaardigheid van de grote verhalen heeft voor de postmoderne filosofen J. Derrida en J.-F. Lyotard te maken met de vele slachtoffers van de shoa, de onafhankelijkheidsoorlog van Algerije en de Goelag-archipel.

Spreken over het geloof (1): niveaus in een gesprek

Spreken over het geloof (1): niveaus  in een gesprek

Veel christenen vinden het niet gemakkelijk om te spreken over hun geloof. Ze weten niet goed op welke manier ze over hun eigen geloof kunnen spreken – zonder de ander voor het hoofd te stoten. Dat is jammer, want spreken over het geloof kan aan een gesprek ook veel diepgang geven. Hieronder wordt dat uitgelegd aan de hand van de verschillende niveaus in een gesprek

Het niveau van de feiten
                        ‘Hoe heet je?’
                        ‘Dus je bent 17 jaar.’
                        ‘Aan uw accent te horen komt u hier niet vandaan.’
                        ‘U bent hier komen wonen vanwege het beroep van uw man?’

                                   ↓
Het niveau van ervaringen en gevoelens
            ‘Wat deed dat met je?’
           ‘Dat is nogal wat, wat je mij vertelt!’
            ‘Wat naar (voor je)!’
            ‘Ik zie aan je dat je er nog steeds vol van bent.’
            ‘Aan uw reactie merk ik dat het je nog steeds bezighoudt.’                             

                                                           ↓                       
Niveau van zingeving / bestaan
‘Dat lijkt me een gebeurtenis die heel het leven op z’n kop zet.’
                                  ‘Heeft die gebeurtenis je veranderd?’
                                    ‘Wat betekende dat voor jou?’
                                    ‘Waar haalt u de kracht vandaan?’
                                    ‘Die gebeurtenis was een omslagpunt in uw leven?’
                                    ‘Welke zin geef je daaraan?’
                                    ‘Lukt het je ook?’
                                    ‘Ik vermoed dat dit onderwerp belangrijk voor je is’.                                               ↓
           
Het niveau van het geloof
‘Bent u nu niet teleurgesteld in God?’
‘Wat u mij nu vertelt, doet mij denken aan iets uit de Bijbel. Mag ik dat voorlezen?’
‘Kunt u daar ook met God over praten?’
‘Ervaar je daarin de leiding van de Here?’
 ‘Zou God daar ook een bedoeling mee hebben?’

Het niveau van de feiten
Op dit niveau gaat het om feitelijke informatie over jezelf of de ander. Een zinvol niveau, waarin de beide gesprekspartners zichzelf kunnen voorstellen.
Wanneer een in een (pastoraal) gesprek alleen maar gesproken wordt op het niveau van de feiten, krijgt het gesprek echter geen diepgang. Dit gesprek blijft aan de oppervlakte hangen.

In een pastoraal gesprek is het risico dat als een onderwerp is ‘uitbehandeld’ en nieuw thema wordt aangeboord. Zinvoller is het dan om tijdig naar het tweede niveau te gaan.

Het niveau  van de ervaringen en gevoelens
Dit niveau brengt een eerste diepgang aan het gesprek. Met een vraag naar gevoelens of ervaringen laat je zien dat je in de ander bent geïnteresseerd. De ander hoeft niet dezelfde gevoelens als jezelf te hebben. Daarnaast kan een vraag naar ervaringen en gevoelens ook mensenkennis zien. Je weet van jezelf misschien hoe je op bepaalde gebeurtenissen reageerde. Of je vermoedt dat het voor de ander er erg verdrietig of juist dankbaar door is.

Waarom brengt dit niveau diepgang aan? (1) Door de erkenning van de ervaringen en de gevoelens. Die erkenning kan een opluchting geven of verhelderend werken. De ander krijgt op die manier te mogelijkheid om te laten zien wat de gebeurtenis heeft gedaan. (2) Door naar gevoelens te vragen, kan de ander iets van zijn of haar ‘binnenkant’ laten zien. De ander mag laten zien wat er in zijn of  haar hart leeft. Je krijgt iets van de ziel te zien.

Het niveau van de zingeving
Gebeurtenissen en ervaringen kunnen een hele impact op een mensenleven hebben. Mensen kunnen daardoor veranderen (zelfs een ander mens worden). Teleurstellingen kunnen zorgen voor een breuk. Mensen kunnen zich genegeerd voelen en daardoor het gevoel hebben dat ze niet meetellen of dat hun aanwezigheid er niet toe doet. Zulke ervaringen kunnen de vraag oproepen: waarom ben ik hier nog?
Vreugde kan juist het tegenovergestelde betekenen. Erkenning voor leed of ervaringen kan mensen het gevoel geven dat ze ertoe doen, dat ze bestaan. Intense vreugde is een verrijking van je leven. Zo’n ervaring maakt je gelukkig. De ervaring dat je gelukkig bent geeft vertrouwen.

Het niveau van het geloof
Een gesprek over zingeving is nog geen gesprek over het geloof. De fase van de zingeving zit wel dicht tegen het geloof aan. Heeft zingeving niet iets met God te maken? Met leiding in je leven? Een intense ervaring van geluk kan je ook het gevoel geven dat je dicht bij God leeft.
Spreken over het geloof betekent een gebied binnenkomen van een geheim.
‘Een verborgen en verboden terrein’ noemt de theoloog Manfred Josuttis dat. Hij bedoelt ermee: over geloof wordt niet gesproken. Er rust een taboe op. De weg tot het geloof is niet altijd gemakkelijk te vinden. Je hebt er een gids voor nodig. Je moet er een grens voor over. Tegelijkertijd: als iets verboden is, heeft het ook aantrekkingskracht. Veel mensen willen wel over het geloof praten, maar deinzen ervoor terug, omdat anderen in hun omgeving dat raar vinden. Christenen die over het geloof spreken, kunnen dan deze mensen van dienst zijn.

Spreken op het niveau van het geloof kan op twee manieren: (1) (bewust) wat vager over ‘het geloof’, ‘Die daarboven…’, ‘Er is er Één…’, (2) Op een meer belijdende manier over God de Schepper (Vader), Verlosser (Christus), de Geest van Christus; door te refereren aan de bijbel, door een bijbelcitaat in het gesprek in te brengen.

Koetjes en kalfjes
Vaak wordt het gesprek over koetjes en kalfjes afgedaan als niet-echt of slechts een voorfase. Men ziet dan over het hoofd dat zo’n gesprek dicht tegen niveau 2 of 3 kan liggen. Zo’n gesprek kan een vorm van kennismaking zijn, maar kan zich ook afspelen op een dieperliggend niveau. Bijvoorbeeld als men van allebei weet wat er aan de hand is. Dan kan het een verademing zijn om niet over het probleem of de ziekte te praten. In een ziekenhuis kan zo’n gesprek ook betekenen dat er iets van de wereld buiten het ziekenhuis komt. Dan speelt zo’n gesprek zich af op niveau 3.

De bijbel
De bijbel kan op elk niveau een rol spelen. (Zie meer over dit thema https://mjschuurman.wordpress.com/2010/02/09/het-pastorale-gesprek-en-de-christelijke-traditie/) In de bijbel staan feiten. De bijbel kan behulpzaam zijn bij het benoemen van gevoelens (vooral de psalmen). Verhalen uit de bijbel kunnen betekenis helpen vinden. Als iets op een natuurlijke wijze het gesprek wordt binnengebracht, kan datgene uit de bijbel het gesprek zelfs verder helpen en op een natuurlijke wijze het niveau van het geloof aandragen. Tegelijkertijd wordt duidelijk gemaakt dat geloof en leven niet van elkaar losgemaakt kunnen en hoeven te worden.
Het inbrengen van de bijbel in een gesprek betekent wel, dat je zelf uit de bijbel moet leven.

ds. M.J. Schuurman

Bart Jan Spruyts pleidooi voor christelijk conservatisme

Intellectuele acrobatiek en weinig respectvolle annexatie.
Bart Jan Spruyts pleidooi voor christelijk conservatisme aan de hand van ds. J.T. Doornenbal
worden.

Een wonderlijk boek schreef Bart Jan Spruyt. Een boek ds. J.T. Doornenbal wordt geportretteerd, een pleidooi wordt gevoerd voor de conservatieve levens- en denkstijl in de lijn van de CHU én de verbinding hiertussen. Naar mijn idee is hij in alledrie de onderdelen niet geslaagd. De verbinding wordt op een gekunstelde manier gemaakt. Uit het portret rijst een zonderling figuur op. En uit het geheel een conservatisme dat niet serieus genomen kan worden.

Portret
Spruyt schrijft een portret van ds. Jacobus Teunis Doornenbal (1909-1975), een man die vooral bekend is geworden van zijn kerkbodestukjes in karakteristieke stijl en zijn vriendschap met de dichter Gerrit Achterberg. Voor Spruyt is deze predikant echter meer: de belichaming van een conservatieve stroming, die verdwenen is maar herwonnen zou moeten worden.
Spruyt tekent het portret aan de hand van de geschriften van ds. Doornenbal (kerkbodeartikelen en postuum gepubliceerde boeken), gesprekken met vrienden van ds. Doornenbal en de biografie van Jeanette Donkersteeg.
In dit deel wordt ds. Doornenbal geportretteerd als een Stichtse boer, die liever niets van zijn eigen innerlijk blootgeeft. Als een boerenzoon, die ongeschikt is voor het boerenwerk en toch verlangt naar de ouderwetse manier van boeren. Als de natuurliefhebber, die weinig van technologische vernieuwingen moet hebben. Hij was geen groot denker; eerder een scherpe observeerder. Doornenbal zei zelf geen theologie te lezen en alleen letterkunde. Hij was meer een schrijver dan een spreker.

Gemis aan kritische distantie
Was het bij dit portret gebleven, was het nog te doen geweest: een dominee met een bijzonder taalgevoel en opmerkingsgave. (Hoewel ik gelijk toegeef, dat de stijl van Doornenbal mij niet zo boeit.)
Spruyt wil echter meer. Hij wil Doornenbal tot een kroongetuige maken van waar hij zelf voor staat. Het is na het lezen van het boek mij niet duidelijk geworden, wie hij op het oog had. Dominees uit de gereformeerde gezindte, die wel het geloof van Doornenbal delen, maar niet zijn openheid? Wilde hij niet-gelovigen overtuigen van de schoonheid van Gods schepping?
Wat ik in het boek mis, is de kritische distantie. Ik heb dit boek met plaatsvervangende gêne gelezen. Is hier een gepromoveerd historicus, een (voormalig) journalist aan het werk? Hoe komt het dat Spruyt beide ambachten, die hij beheerst, in dit boek kwijtraakt? Dat te benoemen als sublieme onredelijkheid of intellectuele nostalgie overtuigt mij niet.
Vanuit de psychologie is de eenheid nabijheid – distantie bekend. Om iemand nabij te zijn, moet men zich eerst op een afstand begeven. Om iemand congeniaal te beschrijven is er eerst het besef nodig, dat de ander niet dezelfde is als jij bent. Ik mis de kritische distantie. Het verschil tussen Spruyt en Doornenbal is in dit boek afwezig. In mijn ogen verliest Spruyt een belangrijk conservatief principe uit het oog: dat de ander fundamenteel anders.
Wat mij echter het meest irriteert is de verheerlijking van wat voor Doornenbal lijden was. Doornenbal hield van iets (van wat eigenlijk?) en leed er aan. Doornenbal leed aan de gebrokenheid van het aardse leven. Dat leed verandert bij Spruyt in een cultivering. Hier passeert Spuyt voor mij een grens, die het mij moeilijk maakt Spruyt en zijn boek nog serieus te nemen.
 
Spanningen
Het gebrek aan distantie breekt het boek op. Doornenbal komt op mij in dit boek over als een man van paradoxen en zelfmystificatie. Spruyt controleert de beweringen en observaties van Doornenbal niet maar bewondert deze veeleer.
Voor een Stichtse boer die niets over zichzelf kwijt wil, is hij in zijn geschreven woorden onophoudelijk met zichzelf bezig. We lezen voortdurend hoe hij over zichzelf denkt. Spruyt geeft dat ook aan. Het is het onderwerp dat naast de natuurbeschrijvingen hem het meest bezig houdt.
Er zitten merkwaardige spanningen in het boek. Ik noem er enkele. De bewondering voor de ouderwetse manier van hooien van iemand die het boerenbedrijf niet aankan. (Geen enkel woord voor de reden waarom de landbouw werd gemechaniseerd.) Het zelfbeeld van Doornenbal dat hij geen goed prediker is in contrast tot de vele beroepen die hij kreeg (de meest beroepen predikant) én de uitgewerkte toespraak. Het gebrek aan theologische interesse en de brede katholische belangstelling van Doornenbal (die Spruyt nodig heeft).
De belangrijkste spanning is een theologische: het verschil tussen romantiek en geestelijk leven. Spruyt haalt dit woord instemmend aan, zonder te beseffen dat deze opmerking van Doornenbal de bom legt onder zowel het romantische zelfbeeld van Doornenbal als het door Spruyt geprezen christelijke conservatisme.
Spruyt had meer met dit contrast moeten werken. Bijvoorbeeld door de zelfmystificatie van Doornenbal door te prikken. Maar ook door zich af te vragen of het romantische begrip vaderlandsliefde wel past bij het geestelijk leven. Niet voor niets ontstaat dit soort vaderlandsliefde kort na de Duitse Romantiek.
Dat roept een volgende kritische vraag op: Spruyt is kenner van het Duitse verzet tegen Hitler. Had de opkomst van de Deutsche Christen niet alles te maken met de te weinig onder kritiek geplaatste band tussen kerk en staat (of het verlies die band in 1918)?
Dit contrast tussen geestelijk leven en romantiek roept ook de vraag op of  het door Spruyt genoemde hervormd besef (zowel kerkelijk als nationaal) wel houdbaar is. De combinatie tussen nationalisme en christenzijn is discutabel en ontneemt bovendien het zicht op de werkelijkheid. Op het moment dat het hervormde gevoel opkomt, vindt er een Afscheiding plaats (1834). Het hervormde kerkgevoel is een geromantiseerd besef. Een uitgevonden traditie bovendien.

Conservatief?
Doornenbals plaats in de conservatieve traditie vind ik vergezocht. Ten eerste heeft hij C.S. Lewis en Romano Guardini nodig om Doornenbal als conservatief te typeren. In de tweede plaats kan hij alleen Doornenbals liefde voor de hervormde kerk (‘hoogkerkelijkheid’, in feite net als bij Spruyt slechts een uitgesproken minachting van de Kuyperiaanse traditie) gebruiken. Doornenbal was a-politiek. En uit zijn waardering voor bepaalde stijlen ook wereldvreemd. Tot slot is Doornenbals zogenaamde conservatisme geen verlangen naar een wereld die er nooit is geweest (de definitie van Benno Barnard, die door Spruyt wordt aangehaald), maar een sanctionering van de bestaande situatie. Een sanctionering die onbarmhartig kan uitpakken. Als de boeren uit Oene wat meer kunnen verdienen door niet meer aan de plaatselijke coöperatie te leveren maar aan naburige coöperaties, wordt dit door Doornenbal veroordeeld.
Dit kun je natuurlijk allemaal benoemen als intellectuele nostalgie. Ik zou dit boek eerder willen typeren als intellectuele acrobatiek. Dat kun je natuurlijk pareren door te zeggen dat het om sublieme onredelijkheid gaat. Dan kun je alles wel beweren. En volgens mij gebeurt dit ook. Dat houdt mij bezig. Hoe komt het dat een pleidooi voor het (christelijk) conservatisme in wezen niets anders blijkt te zijn dan uitschakeling van het verstand?
Deze nostalgie – intellectueel of niet – sluit een bepaalde vorm van intellectualiteit uit. Doornenbal leerde alleen maar door, omdat hij niet geschikt was als boer. De door Spruyt verafschuwde nivellering van het onderwijs heeft er in ieder geval voor gezorgd, dat nu iedereen in staat wordt gesteld om door te leren. Zonder de meer functionele ideeën over het onderwijs zouden we nu een culturele elite hebben, maar ook meer armoede. Ik ben geen socialist. Maar zonder deze nivellering was ik nooit gaan studeren en had ik überhaupt nooit van Plato, Augustinus of Kierkegaard gehoord. (Al had van mij de middelbare schooltijd mij wel veel meer intellectuele bagage mogen geven, een gebrek dat ik waarschijnlijk niet meer inhaal.)

Wat mij tot slot nog bezig houdt, is de aantrekkingskracht van dit type conservatisme. Staat dit in de lijn met het conservatisme dat wijlen dr. W. Aalders en zijn leerlingen (gegroepeerd rond het blad Ecclesia) voorstaat? Waar bestaat die aantrekkingskracht uit? Uit de katholieke breedheid en de bevindelijke diepte? In die beweging proef ik dezelfde toon als bij Spruyt: een verongelijktheid. Spruyt en deze beweging streven naar katholieke breedte. Ik zou zeggen: poneer dat niet, roep niet daartoe op; belichaam het. De verpersoonlijking van intellectuele aristocratie zogezegd. Dat overtuigt mij meer deze intellectuele acrobatiek en weinig respectvolle annexatie.
In dit boek zie ik een vorm van denken dat het eigen nadenken inlevert aan een romantisch verlangen en het zicht beneemt op de werkelijkheid. De werkelijkheid wordt ondergeschikt gemaakt aan het (conservatieve) principe.

Matthijs Schuurman

N.a.v. Bart-Jan Spruyt, Als je eenmaal hebt liefgehad? Over ds. Doornenbal, geloof, cultuur en politiek (Zoetermeer: Boekencentrum, 2009).