Op weg naar het doen van belijdenis (1): Volgen

Op weg naar het doen van belijdenis (1)

Volgen

18 Toen hij langs het meer liep, zag hij twee broers, Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Ze wierpen hun net uit in het meer, het waren vissers. 19 Hij zei tegen hen: ‘Kom, volg mij, ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ 20 Ze lieten meteen hun netten achter en volgden hem. 21 Even verderop zag hij twee andere broers, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. Ze waren met hun vader in hun boot bezig met het herstellen van de netten. Hij riep hen 22 en meteen lieten ze de boot en hun vader Zebedeüs achter en volgden hem. (Mattheüs 4:18-22)

Als je belijdenis doet, geef je aan dat je Jezus wilt volgen. Misschien weet je van jezelf nog wel, dat je de keuze maakte. Het kan ook zijn, dat die keuze geleidelijk aan is gegaan. Dat je nadacht over je relatie met de Here Jezus en dat je tot de ontdekking bent gekomen dat je Hem allang volgt.
Simon en Andreas zijn Jezus ook gaan volgen. Op een dag kwam Jezus langs. Simon en Andreas waren aan het vissen. Jezus zegt  tegen hen: ‘Kom, volg mij!’ Simon en Andreas gaan mee.
Weten ze wie Jezus is? Waarschijnlijk niet. Op de een of andere manier heeft de stem van Jezus wel gezag, want ze gaan met Hem mee. Is het de bijzondere opdracht geweest?
Simon en Andreas worden door de Here Jezus geroepen. Ook jullie hebben de stem van de Here Jezus gehoord. Jullie willen Hem navolgen. Op elk moment van mijn leven, bij dag en nacht, wil ik Uw woorden lezen en dragen in mijn hart.
Simon en Andreas geven zich aan de Here. Zij laten hun boten en netten in de steek en beginnen een nieuw leven. Ze weten nog niet wat er komt. En toch, ze gaan. Ze vertrouwen op de Here Jezus. Jezelf aan iemand geven, laat zien dat je iemand vertrouwt. Met belijdenis doen geef je jezelf aan de Here. Je vertrouwt Hem. Het volgen van de Here Jezus kan niet zonder vertrouwen. Dat heb je ontdekt, want je wilt volgen. Vader, U bent goed.

ds. M.J. Schuurman

Op weg naar het doen van belijdenis (3): Een heel ander leven

Op weg naar het doen van belijdenis (3)

Een heel ander leven

Jezus ging Jericho in en trok door de stad. Er was daar een man die Zacheüs heette, een rijke hoofdtollenaar. Hij wilde Jezus zien, om te weten te komen wat voor iemand het was, maar dat lukte hem niet vanwege de menigte, want hij was klein van stuk. Daarom liep hij snel vooruit en klom in een vijgenboom om Jezus te kunnen zien wanneer hij voorbijkwam. Toen Jezus daar langskwam, keek hij naar boven en zei: ‘Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet ik in jouw huis verblijven.’ Zacheüs kwam meteen naar beneden en ontving Jezus vol vreugde bij zich thuis. Allen die dit zagen, zeiden morrend tegen elkaar: ‘Hij is het huis van een zondig mens binnengegaan om onderdak te vinden voor de nacht.’ Maar Zacheüs was gaan staan en zei tegen de Heer: ‘Kijk, Heer, de helft van mijn bezittingen geef ik aan de armen, en als ik iemand iets heb afgeperst vergoed ik het viervoudig.’ Jezus zei tegen hem: ‘Vandaag is dit huis redding ten deel gevallen, want ook hij is een zoon van Abraham. 10 De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.’ (Lukas 19:1-10)

Aan Zacheüs is te zien wat het betekent als de Here Jezus in je leven komt. Zacheüs moest zijn oude leven loslaten. Door de ontmoeting met de Here Jezus keert hij zich van dat oude leven af. Hij breekt ermee. Een gelukkig leven was dat niet. Want het leven van Zacheüs bestond maar uit een paar dingen: geld verdienen, bedrog en afpersing. Met zo’n leven heb je niet veel vrienden meer. De mensen willen hem dan ook er niet tussen laten komen. En ze gunnen hem ook geen ontmoeting met de Here Jezus.
Aan deze ontmoeting van de Here Jezus met Zacheüs kunnen we zien, dat de Here Jezus vaak mensen opzoekt, die het vanuit zichzelf niet best doen. De Here Jezus kiest een bedrieger als gastheer. Door gast te zijn van Zacheüs nodigt de Here Jezus Zacheüs uit voor Zijn maaltijd: de bruiloft van het Lam (Openbaring 22). Door die uitnodiging kán Zacheüs niet meer vasthouden aan dat oude leven. Maar hij heeft dat leven van bedrog ook niet meer nodig.
Wat zou er in jouw leven gebeuren als de Here Jezus je gast is?

ds. M.J. Schuurman

Op weg naar het doen van belijdenis (2): Jezus verzorgen

Op weg naar het doen van belijdenis (2)

Jezus verzorgen

Kort daarop begon hij rond te trekken van stad tot stad en van dorp tot dorp om het goede nieuws over het koninkrijk van God te verkondigen. De twaalf vergezelden hem, en ook enkele vrouwen die van boze geesten en ziekten genezen waren: Maria uit Magdala, bij wie zeven demonen waren uitgedreven, Johanna, de vrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, en Susanna – en nog tal van anderen, die uit hun eigen middelen voor hen zorgden. (Lukas 8:1-3)

Elke discipel heeft zijn eigen verhaal te vertellen. Simon en Andreas geven hun beroep als visser op. Er zijn ook vrouwen die meegaan. Deze vrouwen staan in de schaduw, maar zijn wel belangrijk. Zij zorgen ervoor dat Jezus en de discipelen kunnen rondtrekken. De vrouwen zorgen er namelijk voor, dat de Here en zijn discipelen niets tekort komen. Als volgeling van de Here Jezus hoef je niet op te vallen. Soms kun je juist als je niet opvalt veel meer betekenen. Net zoals Susanna en Johanna.
Deze vrouwen hebben wel een verhaal te vertellen. En wat voor verhaal! De Here Jezus heeft  hen bevrijd van boze geesten en ziekten. Door de Here Jezus hebben ze geleerd wat geluk betekent. Ze zijn niet meer gebonden, maar kunnen gaan en staan waar ze willen. Daarom willen ze de Meester niet missen. Ze willen in Zijn buurt zijn.
Welk verhaal heb jij te vertellen? Wat betekent de Here Jezus voor jou?

ds. M.J. Schuurman

Een toespraak of overdenking tijdens een begrafenisdienst

Een toespraak of overdenking tijdens een begrafenisdienst

Het houden van een toespraak tijdens een begrafenis(dienst) is niet het makkelijkste wat er is. Of het nu gaat om een preek, een overdenking of een in memoriam van de overledene. Hoe kan een predikant of een betrokkene zo’n toespraak voorbereiden? Kan in zo’n toespraak ook nog iets van het geloof doorklinken?

Voor een overdenking van een predikant spreekt dat wellicht vanzelf. Al kan elke overdenking een zoektocht zijn naar de juiste bewoordingen. Ik ben van mening dat familieleden het geloof ook in een in memoriam kunnen verwerken.

Geloof en leven
Zelf probeer ik in een overdenking geloof en leven beiden een plaats te geven. Als predikant vind ik het van belang, dat het leven van de overledene verteld wordt in een dienst van Woord en gebed. De overledene is iemand geweest. In het christelijk geloof doet de unieke biografie van een mens ertoe. Ook die van een overledene. Daarom verwerk ik voorvallen en typerende gebeurtenissen en karaktertrekken vaak in de overdenking.
Het geloof wordt altijd in de overdenking binnengebracht door een bijbelgedeelte. Dat bijbelgedeelte kies ik op basis van de rouwkaart of van het gesprek met de familie.
In de overdenking probeer ik dat het bijbelgedeelte het leven van de overledene in een ander licht (bijvoorbeeld het licht van Gods genade) komt te staan. Wanneer iemand in leven een gelovige was, is dat gemakkelijker dan wanneer iemand nauwelijks een band met God had.

Opbouw
De opbouw die ik gebruik voor de overdenking, is in mijn ogen ook toepasbaar op een in memoriam.
Ik begin meestal met een inleiding: Wij zijn vandaag bij elkaar om het lichaam van … naar zijn / haar laatste rustplaats te brengen.
Vervolgens wordt (een gedeelte van) het leven van de overledene verteld: naam, belangrijke data (geboortedatum, datum van overlijden, huwelijk, doop, belijdenis) en hoe de overledene wordt herinnerd.
Dan bouw ik een brug naar de verkondiging, die opkomt uit het voorafgaande. Dat kan op verschillende manieren:
* Als het overlijden tragisch is, kan de brug zijn: het vinden van troost bij de Here. Of het verwoorden van de onmacht en vertwijfeling. In dat geval zou ik een bijbelgedeelte eerder in de toespraak aan bod laten komen; bijvoorbeeld door een bijbelgedeelte dat de vertwijfeling onder woorden brengt.
* Een brug kan zijn: de dankbaarheid aan de Here voor het leven van de persoon.
* Of het geloof van de overledene. Ik ben zelf hierin wel voorzichtig, want de troost komt niet van het geloof van de overledene, maar van de God door Wie de overledene is geroepen.
* Een brug kan het verwoorden van een bepaalde spanning uit het leven zijn. Ik heb wel eens bij iemand, van wie de familie aangaf dat haar leven niet tot de volle ontplooiing kon komen, gekozen voor 1 Petrus 5:10. Deze tekst gaat over de voltooiing van het aardse leven in Gods heerlijkheid. Vandaar uit kon ik de tragiek van het onvervulde van dit aardse leven onder woorden brengen.
Wanneer die brug is gelegd, geef ik een korte boodschap – afkomstig uit het overdenken van het bijbelgedeelte.
Vervolgens pak ik het leven weer op om vanuit de boodschap het leven van de overledene te belichten. Het gaat mij om een eerlijk en respectvol beeld van de overledene. Iemand moet bijvoorbeeld niet vromer gemaakt worden dan hij of zij was.
Ten slotte sluit ik af met de boodschap, waar onze troost is te vinden. In dit slot verwoord ik de troost (en van het nochtans van de troost) van Godswege. Zodat God de gids is op de verdere levensweg.

(1) Inleiding
(2) Korte schets van het leven met belangrijke gegevens.
(3) Overstap naar de boodschap, in aansluiting op het voorgaande.
(4) Boodschap
(5) Terugkoppeling van de boodschap naar het leven van de overledene
(6) afsluiting met de troost van Godswege, met God zelf door wie de familie en betrokkenen verder kunnen gaan.
 
Boodschap
In een dienst van Woord en gebed, voorafgaande aan een begrafenis of crematie, is de tijd beperkt. Ik neem meestal 10 minuten. De boodschap dient kort en beknopt te zijn. Daarom kies ik er vaak voor om één element uit het evangelie kort en kernachtig weer te geven. Het gaat niet om de overdracht van het hele evangelie, maar om de troost en evangelie in verband met het leven van de overledene. Dit verweven van geloof en leven kan bijna met elke bijbeltekst.
Het verwerken van de opstanding van Christus, die was gekruisigd, in de overdenking is een extra uitdaging. De Zwitserse praktisch-theoloog Ralph Kunz heeft dat in een artikel onder woorden gebracht: ‘Die Auferweckung des Gekreuzigten als Thema der Grabrede’, Pastoraltheologie 91 (2002), 66-79.

ds. M.J. Schuurman

De theologie van het boek Esther

De theologie van het boek Esther

In het bijbelboek Esther ontbreekt het handelen van God. In andere bijbelboeken wordt vermeld hoe de Here ingrijpt. Hoe Hij profeten opdrachten geeft. Hoe Hij zijn gelovigen redt. In Esther wordt er niet over God gesproken. Er wordt ook niet tot Hem gebeden. Hoe kan er dan sprake zijn van een theologie?

Veel hedendaagse exegeten gaan ervan uit, dat dit bijbelboek ondanks het zwijgen over God een duidelijke theologie heeft. John J. Collins zegt: ‘The hand of God may be hiden, but is nonetheless present.’ Otto Kaiser zegt dat God op een verborgen wijze op een wonderbaarlijke manier aanwezig is.

Waar wordt de theologie van Esther op gebaseerd?
* Een belangrijke tekst is 4:14. Daarin zegt Mordechai tegen Esther dat er redding van een andere plaats komt. Maqôm wordt later een aanduiding, die naar de naam van God verwijst.
* De tweede duidelijke aanwijzing is het terugvoeren van Haman op Agag, de koning van Amalek. De oude strijd tussen Israël en Amalek (en later tussen Saul en Agag) duikt weer op. Enkelen gaan zo ver om van Esther een soort David te maken.
* Door het oprakelen van de tegenstelling tussen Amalek en Israël wordt er impliciet gerefereerd aan de heilige strijd. De gedachte achter de heilige strijd is, dat de God van Israël de vijanden van Zijn volk ten val zal brengen. Dat gebeurt aan het einde ook.
* Een andere aanduiding is het lot, dat Haman werpt. Haman denkt dat zijn goden hem gunstig gezind zijn, maar het lot wordt door Israëls God geleid. Harald Martin Wahl brengt hier tegen in, dat de schrijver niet het gebruikelijke woord voor lot (gwrl), maar pwr heeft. De auteur wil juist verschil aangeven tussen de beide vormen. De gwrl wordt door de God van Israël bestuurd. Pwr heeft volgens hem daar weinig mee te maken. Volgens hem werkt God op een andere manier. Volgens het pwr leggen de goden een bepaalde tijd vast. De God die door Mordechai wordt gediend, doorbreekt deze vastlegging juist.
* Harald Martin Wahl wijst erop dat het woord koning (hmlk) 146x voorkomt in dit boek, terwijl de naam van de koningen en koninginnen niet zovaak voorkomen. De auteur verwijst tussen de regels door naar de hoogste Koning: de God van Israël.
* Wahl wijst ook op het gebruik van dt. Volgens hem is dit woord een contrast voor thora (het  woord dat de auteur bewust niet gebruikt en opvalt door afwezigheid.)
* Erich Zenger legt een verband met Pesach. Tijdens de dagen van Pesach is Haman actief en de uiteindelijke beslissing valt precies 1 maand voor Pesach. Zenger trekt hieruit de conclusie dat in het Purimfeest de uittocht wordt voltooid: de Here heeft aan Zijn volk de beloofde rust geschonken, omdat de vijanden zijn vernietigd.
* Volgens Zenger heeft de afwezigheid van de Here ook te maken met de ‘verberging van Gods aangezicht.’ (Vgl. Deuteronomium 32) In tijden van afval kan de Here Zijn aangezicht verbergen, zodat het volk weer naar Hem op zoek gaat. En ondertussen geeft Hij al redding.
* Bruce Waltke wijst op de providence, die de rode draad in dit verhaal is (de vele keren dat er een ‘toevallige samenloop van omstandigheden’ plaatsvindt).

Waarom wordt er niet over de Here gesproken? Omdat in Joodse diaspora de werkelijkheid van God niet altijd ervaren wordt. Israël kent een traditie van wijsheid, waarin de gelovige toch de weg van de Here bewandelt (de weg van de rechtvaardige). Want ook al lijkt de Here verborgen, Hij regeert over alles.
Wanneer Zijn volgelingen keuzes maken, doen ze dat niet tevergeefs. Want de Here ziet ze en redt hen.

ds. M.J. Schuurman

Bevindelijke taal vraagt bewerking voor deze tijd

In het katern Boeken van 24 oktober bespreekt drs. A. Ros een boek met levensbeschrijvingen van oudvaders. In deze uitgave wordt ook het leven beschreven van een van de eerste predikanten van Watergang: Jan Jacob Brahé.
Ros vraagt zich af wat er overgebleven is van zijn verkondiging. Hij ziet het oordeel van Van der Groe en Fruytier bewaarheid: de waarheid en de godsvrucht zijn vergeten. Hij noemt Watergang als een voorbeeld hiervan. Zonder verder op de recensie in te willen gaan, vestig ik er de aandacht op dat dit voor de hervormde gemeente Watergang een pijnlijke opmerking is. De hervormde gemeente Watergang -die samen met de gemeente Ilpendam een voltijds predikantsplaats heeft- is een kleine, maar bloeiende gemeente. Volgens het beleidsplan baseert de gemeente al haar activiteiten op de gereformeerde belijdenisgeschriften. Beide gemeenten geloven dat de waarheid van het Evangelie van onze Heere Jezus Christus daarin op een goede manier verwoord is. Onlangs zijn die belijdenisgeschriften (inclusief de Dordtse Leerregels) besproken in het kerkblad. Daarop zijn positieve reacties gekomen. De gemeenteleden zullen de oudvaders wellicht niet kennen en ook hun taal niet begrijpen. Dat komt mede doordat beide gemeenten in de jaren zeventig veranderd zijn van vrijzinnig in de richting van de gereformeerde traditie. Maar ze hebben wel de behoefte om de verkondiging van het offer van de Heere Jezus voor onze zonden te horen. De bevindelijke taal kent men niet, maar wanneer de inhoud op een hedendaagse manier wordt weergegeven, valt de boodschap in goede aarde. In een tijd waarin spiritualiteit veel aandacht krijgt, is het goed om de schatten van de gereformeerde traditie onder het stof vandaan te halen. Dat kan een missionaire bijdrage zijn van de bevindelijke traditie. Daarvoor is echter grondige bewerking nodig. Velen begrijpen de bevindelijke taal immers niet meer. Laat iedereen die waarde hecht aan de traditie van de Nadere Reformatie deze missionaire kans aangrijpen.

ds. M.J. Schuurman
Predikant van de Hervormde Gemeenten Ilpendam – Watergang (N.-H.)

Opinie-artikel in het Reformatorisch Dagblad van 1-11-2007 (in reactie op een boekbespreking)

http://www.refdag.nl/artikel/1320992/Bevindelijke+taal+vraagt+bewerking+voor+deze+tijd.html

Geen veroordeling (Meditatie Romeinen 8:15)

Geen veroordeling

Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. (Romeinen 8:15)

Vertrouwde bijbelteksten kunnen in een andere omgeving opeens een nieuwe betekenis krijgen. Wie bijvoorbeeld in Israël is geweest, kan de bijbelverhalen met nieuwe inzichten lezen. Je kunt dan de verhalen bewuster lezen. Je hebt op die plaats gestaan! Je kunt beter voorstellen hoe dat geweest moet zijn.

De bijbel met andere ogen lezen – dat kan ook gebeuren als je in contact komt met een andere cultuur.
Wie deze tekst van Paulus leest na een ontmoeting met een Arabier ontdekt in deze tekst een verrassende diepte.
Wat Paulus ons schrijft is bekend: we mogen God aanspreken als onze Vader. Veel gelovigen zullen in hun gebed God ook op die manier aanspreken: trouwe Vader in de hemel, hemelse Vader, onze Vader die in de hemelen zijt.
Een moslim kan God niet als (zijn) Vader aanspreken. In de islam heeft God 99 namen – maar die ene naam Vader zit daar niet tussen. De vertrouwde omgang met onze hemelse Vader kennen moslims niet.
Er speelt nog iets anders. Arabieren zien zichzelf als afstammeling van Ismaël, de andere zoon van Abraham. Deze zoon Ismaël wordt verbannen. Volgens het gebruikelijke familierecht was hij de oudste zoon. Degene die de familietraditie zou voortzetten. Degene die alles zou ontvangen. God geeft Zijn zegen echter aan Izaäk.
Terwijl Izaäk opgroeit, merkt Ismaël dat hij plaats moet maken voor zijn jongere (half)broer. Om die schande af te wenden, bespot hij zijn jongere broer. Daarop worden Ismaël en zijn moeder Hagar weggestuurd.
De Arabieren zijn dan afstammelingen van de verbannen zoon. Om hen heen hangt de schande van het verstoten zijn door de vader.
Deze vader, die zijn oudste zoon verstoot, is de stamvader van alle gelovigen. Horen de afstammelingen van die verstoten zoon Ismaël er wel bij?
Terug naar de tekst van Paulus. Hij spreekt over de Heilige Geest, die ons God leert aanbidden als onze Vader. Hoofdstuk 8 begint ermee, dat er geen veroordeling meer is, omdat Christus die veroordeling heeft weggedragen. In Christus is er geen veroordeling meer. Geen bastaards meer, geen slavenkinderen, maar geaccepteerd als ware kinderen van God.
Door Christus mogen de verstoten kinderen weer (in genade) aangenomen worden.

Niet alleen Arabieren, maar ook wij. Wij kunnen het idee hebben dat wij niet meer bij God horen. Wij kunnen onszelf beoordelen: ik doe dit niet goed, ik kan het niet! Eigenlijk veroordelen wij daarmee onszelf. Dat is niet meer nodig. In Christus wordt er geen negatief oordeel meer over ons geveld. We worden gezien als kinderen van God. We worden door onze hemelse Vader behandeld als zijn eigen kinderen.
Wie over zichzelf oordeelt, mag leren dat uit handen te geven. Als onze hemelse Vader ons aanneemt als Zijn kinderen, waarom zouden wij ons dan nog veroordelen.

De dichter Jochen Klepper (1902-1943) worstelde hier ook sterk mee. Hij was heel perfectionistisch en daarom kwam er weinig uit zijn handen. Veel van zijn plannen (bijvoorbeeld de boeken die hij wilde schrijven) strandden na de planning. Hij trok het zichzelf aan.
Wie zichzelf beoordeeld met strenge normen, denkt dat God dat ook doet. Dwars door alle oordelen die Klepper over zijn eigen leven velde, komt het oordeel van God. Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn. (Romeinen 8:1) Hij ontdekte dat ook voor zijn eigen leven. In een van zijn liederen (opgenomen als Gezang 130 in het Liedboek) verwoordt hij: zijn oordeel – je zou verwachten: zijn oordeel is rechtvaardig en streng of misschien wel hard. Nee, hij schrijft: zijn oordeel is genade. Dat is het! Niet een strenge, afwijzende houding, maar een liefdevolle acceptatie: wij zijn weer kinderen van God. Zo kijkt God naar ons leven: met de ogen van Christus. We hebben – door Christus – genade gevonden in Zijn ogen.

                        Ds. M.J. Schuurman

Geschreven voor: De Kerk thuis