De tovenaar en de dominee – boekbespreking

De tovenaar en de dominee – boekbespreking

Sinds het lezen van De tovenaar en de dominee probeer ik te begrijpen, waarom ik Vreekamp niet begrijp. Vreekamp maakt het zijn lezers niet gemakkelijk. Het boek gaat over Vreekamps (voor)geschiedenis, maar ook over de verschijning van God in onze contreien. Is God er nog wel en waar dan?
Waar is Vreekamp zelf te plaatsen? Hij is afkomstig van de Veluwe, uit Hoevelaken. In contact met Joden kwam hij erachter wat het betekende om van de Veluwe te komen. Die ontmoeting was voor hem een existentiële ervaring, waardoor hij zijn theologie en zijn biografie opnieuw ging doordenken. Vreekamp ontdekte dat hij heiden was. 
Helemaal nieuw was die ontdekking niet. Onze heidense afkomst is ook een thema, dat Van Ruler (leermeester van Vreekamp) bezig hield. De Veluwse vroomheid werd volgens Van Ruler gestempeld door het heidendom. Het heidendom is van zichzelf zwaarmoedig.
Vreekamp heeft meer geleerd van Van Ruler. Ook al staat Van Ruler bekend als systematisch theoloog, zijn denken is niet vrij van spanningen en tegenstrijdigheden. Van Ruler is naar mijn idee veel meer een fenomenoloog: hij bestudeert verschijnselen zoals ze zich voordoen. Van Ruler was niet bezig met een systeem. Sterker nog: Th.L. Haitjema, de leermeester van Van Ruler, vond dat de mens kan alleen in paradoxen  over God kon spreken en niet in afgeronde systemen.
Vreekamp is wel fragmentarischer in  zijn denken. Dat heeft te maken met (1) het ontstellende feit van de Shoah en (2) een gedachte die voor Vreekamp heel fundamenteel is: dat we als mens geen beslag op God kunnen leggen. Van Ruler sprak over de betekenis van Israël. Vreekamp waagde zich in een ontmoeting met Israël. Van Ruler kon nog lyrisch zijn over de Europese cultuur als resultaat van het werk van de Heilige Geest. Vreekamp zegt een Jood na, dat het christendom stierf in Auschwitz. Daarom kan Vreekamp ook Van Rulers denken over de herkerstening niet overnemen. Van Ruler was dankbaar dat Willibrord kwam, want hij bracht een fundamentele verandering. Vreekamp kan zijn leermeester dat niet nazeggen, want wat door de zendelingen werd gebracht was niet bij machte om ons als heidenen te transformeren. Wij bleven heidenen. God verschijnt wel met de zendelingen, maar vestigt Hij zich hier ook?
De vraag naar zijn eigen afkomst en naar de herkomst van God hangen samen. Het boek gaat niet alleen over zijn eigen biografie, maar ook over de verschijning van God. Kunnen we aangeven waar God verschijnt? In bijzondere ervaringen of visioenen? In de bevindelijke prediking?  In opwekkingen? In toverkunsten? Kunnen we in een tijd van secularisatie zeggen dat God verdwijnt;  bijvoorbeeld uit Jorwerd? Het boek lezend neig ik ertoe te zeggen: doch de HEERE was daarin niet. In de genoemde verschijnselen wordt uiteindelijk toch beslag op God gelegd. God verschijnt uiteindelijk alleen in de Schrift, zoals deze wordt gelezen in het ritme van het kerkelijk jaar (en dus vrij van willekeur) en tijdens de maaltijd des Heren. Maar ook in dat Woord verdwijnt God uiteindelijk en wordt een mens: Jezus Christus.  In het avondmaal verschijnt Christus, maar als onze ogen open gaan voor de Levende, voor de Schriften, verdwijnt Hij.  Hij gaat verder. Ongrijpbaar voor mensenhanden. Het is om wanhopig van te worden. Onttrekt Hij zich aan onze waarneming? In ieder geval wel aan onze macht.
Nadat Haitjema zijn paradoxale theologie introduceerde, werd hij scherp bekritiseerd door de gereformeerde predikant Klaas Schilder.  Zo’n theologie vind hij onaanvaardbaar, omdat de paradoxale verschijning van God veronderstelt dat God zelf paradoxaal is. Men heeft –  volgens Schilder –  moeite met  Zijn verschijning (immanentie). Proef ik bij Vreekamp die moeite ook?
Een paradoxale theologie is ook in strijd met de waarheid, want er ontbreekt een deugdelijk criterium. De mythe is waar, volgens Vreekamp. Daar zit voor mij het grootste bezwaar. Want hoe kan Vreekamp dat zeggen? Is de waarheid niet alleen bij de God van Israël te vinden? Als er waarheid is in de mythen, waarom moest het evangelie bij ons komen? Is het evangelie niet een bevrijding van de mythe? Had de mythe over zijn overgrootvader (van wie gezegd werd dat hij tovenaar was) niet ontmaskerd moeten worden? Want wanneer komt dat verhaal de wereld in? Als zijn vrouw op jonge leeftijd overlijdt. De mythe is een roddel, die deze overgrootvader buiten de gemeenschap plaatst.
De waarheid van dit boek is gebaseerd op ervaring. Die waarheid staat echter op gespannen voet met de historische waarheid. Wij zijn geen heidenen. Dat is een uitgevonden traditie in de 19e eeuw. Soms ook met een anti-christelijk motief.
Staat ook de theologische waarheid in dit boek niet onder spanning? Want als God ergens verschijnt, blijft het dan bij het oude? Onderschat Vreekamp uiteindelijk niet de doop? Bij de doop wordt wel de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest over ons leven uitgesproken. In de doop worden we niet gekerstend. Dat is nog een te onschuldige visie op de doop. De doop markeert onze exodus. Niet uit het heidense bestaan, maar uit het zondige bestaan. Volgens Paulus zijn zowel Jood als niet-Jood aan dit bestaan onderworpen.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Henk Vreekamp, De tovenaar en de dominee. Over de verschijning van God. Uitgeverij Boekencentrum. € 19,90 (Als e-book  € 14,90)

Geschreven voor Confessioneel

Advertenties

Voorbede

Voorbede

De voorbede zou als een bijzondere vorm van het vraaggebed (smeekbede) behandeld kunnen worden. Alleen: in 1 Tm 2:1 worden smeekbede en voorbede apart genoemd. 
Ook de theologische achtergrond is anders. Voorbede heeft te maken met Christus die naar de hemel is gegaan. Daar bidt Hij voor ons. Alleen door recht te doen aan onze hemelse Voorspraak die bij de Vader is kunnen wij begrijpen wat de voorbede inhoudt. Alle voorbede op aarde leeft van deze Voorbidder. Christus als voorbidder is hogepriester.

Christus als hogepriester: Voorbede voor ons en met ons.
Wat een hogepriester is (en waarom Christus hogepriester wordt genoemd) is uit onze ervaring verdwenen. Om de betekenis van onze hemelse Hogepriester te begrijpen, moeten we naar Johannes 17 kijken. In de traditie wordt dit gebed het hogepriesterlijk gebed genoemd. In dat gebed bidt de Here Jezus:  En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven (17:20).
 Martin Luther wilde dit vers in gouden letters af laten drukken, omdat dit vers over ons gaat. Johannes Calvijn zegt over deze tekst: ‘Het gebed van Christus is een rustige haven, waarin men zich kan terugtrekken om te voorkomen dat men schipbreuk lijdt. Deze tekst betekent dat Christus met verheugende woorden gezworen heeft dat Hij alles in het werk stelt om ons Zijn heil te schenken.’  Een rustige haven: dat betekent een ruimte die opgezocht kan worden. Dit gebed is geen verleden, maar heden, tegenwoordig.
Door het opzoeken van Christus als veilige haven worden we onderdeel van Zijn heilswerk: Opdat zij allen één zijn, (…)  opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt (17:21). De eenheid van de kerk is een missionair tekent dat heidenen helpt om tot geloof te komen.
Die veilige haven omschrijft Paulus als redding van het oordeel door de eenheid met Christus (Romeinen 8:34). De voorbede van Christus verbindt Hem die in de hemel is en ons die op aarde zijn. Met als doel voor ons in te staan (Hebreeën 9:24). Voor onze voorbede betekent dat: als wij voor anderen bidden, bedenk dan wie voor u en de ander in staat. In de voorbede van Christus  geldt die eenheid ook. Volgens de nieuwtestamenticus Oscar Cullmann wordt deze eenheid tussen Christus en Zijn gemeente op aarde in de dogmatiek te weinig gehonoreerd. Voorbede doen betekent: aansluiten bij de hemelse Heer (vgl. Kol 3:1-2). Hij gaat ons voor – ook in het gebed. Tegelijkertijd zien we in de voorbede van Christus iets van het geheim van de Drie-eenheid: een goddelijk zelfgesprek over ons en ten gunste van ons. De oproep tot voorbede betekent dat wij worden opgeroepen om ons in dit gesprek te mengen.

Het Onze Vader als voorbede
In onze traditie hebben we van het Onze Vader vooral een persoonlijk gebed gemaakt: Mijn Vader die in de hemel is.
De aanhef Onze Vader laat allereerst distantie zien: de Vader is in de hemel en de bidder is op aarde. Vanuit eschatologisch perspectief wordt deze afstand overwonnen: al het individuele verdwijnt: Uw rijk kome. Als we het Onze Vader nemen als voorbeeld voor ons eigen gebed, dan dringt de ‘zaak’ van God meer naar de voorgrond en verdwijnt onze eigen kwesties naar de achtergrond. Voorbede is een eenheid met aanbidding. In de voorbede wordt de Aanbedene erbij geroepen. Voorbede is een gebed om God zelf. Als bidder zijn we opgenomen in de gemeenschap van bidders. We kunnen daarom niet alleen voor onszelf bidden. Karl Barth: ‘Men kan niet voor de eigen kwesties voor God verschijnen zonder eerst en vooral voor  zijn kwesties op te bidden die de hele gemeente en de hele oecumene en zelfs de hele schepping raken.’

Aspect van menselijkheid
In de voorbede treed ik uit mijzelf en verlaat ik mijn gevangenschap en zoek de dingen die boven zijn. Omdat ik uit mijzelf treed, besta ik niet alleen maar meer voor mijzelf. De voorbede bevrijdt mij uit mijn in-mijzelf-gekeerd-zijn. In de voorbede word ik menselijk: mens voor Gods aangezicht en medemens. Voorbede betekent: menswording, onthulling van de mens als medemens. In die beweging van gebed voor de ander worden wij opgenomen in het werk van Christus.
Voordat ik begin met de voorbede, laat ik de voorbede mij gebeuren. Ik word genoemd in de voorbede van Christus en van anderen. Ik ben aangewezen op de voorbede van anderen.
Een onmens kan niet voor zichzelf laten bidden. Wie alleen bevelen geeft, heeft geen gebed nodig. Geïsoleerd door zijn trots, cultiveert hij zijn ongeluk. Wat zo iemand nodig heeft is ootmoed en nederigheid. Zo iemand weigert zondaar te zijn – ondanks zijn onmacht. Als zondaar heb ik juist de voorbede voor anderen nodig. Voor je laten bidden is acceptatie van de eigen onmacht. Dat is de enige handeling die we kunnen verrichten. Dit geldt ook voor voorganger en predikant. Een voorganger leidt niet alleen de voorbede, maar laat ook voor zich bidden (Kol. 4:30, Ef.6:19).  Alleen deze acceptatie kan een gemeente charismatisch maken. Voorbede leidt tot een nieuwe maatschappij: een maatschappij in de evangelische betekenis van gezelschap van de hogepriester. Het algemeen priesterschap van alle gelovigen.

Theologische esthetiek
‘In  het gebed – en dan vooral in de voorbede – komt tot uitdrukking hoe de wereld waargenomen wordt in verband met God’ (Friedrich Mildenberger). De Hogepriester bidt alleen voor de gemeente; niet voor de wereld (Joh. 17:19). Volgens Calvijn kunnen wij als christen onze Heer niet volgen, want Hij verkeert in het voor ons ontoegankelijke hemelse heiligdom. Christus kent geheimen die voor ons verborgen zijn (predestinatie). Alleen, zoals een aardse vader bidt voor heel zijn huis, zo bidt de Zoon ook voor de wereld: opdat de wereld gelooft dat Gij mij gezonden hebt (17:21). Zo lang de kerk geen eenheid is, blijft dit gebed tevergeefs.
De verwijzing naar Joh 17 laat zien dat voorbede onze wereldbeschouwing verandert. Ik neem de mensen voor wie ik bid anders waar dan degenen voor wie ik niet bidt. Wanneer de spiegel van de hemelse Hogepriester wordt voorgehouden, verandert onze kijk. Ook onze houding en onze relaties veranderen door voorbede. Daarom is voorbede ook een bad waarin wij (individu en gemeenschap) gezuiverd worden. In de voorbede leer ik naar mijn medemens kijken vanuit het perspectief van de Gekruisigde (Bonhoeffer). Alleen: de kruisiging is een gebeurtenis in het verleden. De hemelse Voorspraak is heden. We nemen onze medemens (en ook onszelf!) waar vanuit dat perspectief. (Die Fürbitte wirdt dann zum Regulativ für den Verkehr mit dem Nächsten. (…) Sie wird für den Christen zum Medium soziales Verhalten.)

Dienst en offer
In de voorbede zien we dat het geloof ook arbeid is. In de taalhandeling voorbede komt moeite, arbeid en dienst voor. Door de voorbede ga ik naar de ander toe en verplaats ik mij in hem of haar. Voorbede loopt dus uit in pastoraat en diaconaat. In de voorbede roept God ons tot Zijn dienst. Vandaar dat voorbede ook teken van gehoorzaamheid aan God is. Voorbede betekent ook dat wij onszelf opofferen (Romeinen 9:3, 10:1).

Voor wie bidden wij?
Voor alle heiligen:
Vgl. Ef. 6:18. Calvijn kende een ruime gebedspraktijk: voor gelovigen die gevangen zaten, voor gebieden waar hij contact mee onderhield.
Voor machthebbers: Vgl. 1 Tim. 2:2. De machthebbers hebben angsten en veroorzaken angst. Daarom moeten de heiligen voor hen bidden. De staat is geen neutrale ruimte. In deze voorbede komt de solidariteit met de wereld tot uitdrukking. In dit kader moet bedacht worden dat gebed voor de overheid in dienst staat van de aanbidding van de hoogste Heer. Miskotte noemde deze vorm van voorbede dan ook verzet.
Voor de zieken: Christus was arts voor de armen. Na zijn opstanding gaf Christus niet zijn genezende werking op. Lichamelijkheid hoort bij de Opgestane. Volgens Bohren hebben we hier te maken met een stuk ungepredigte Bibel. Een zieke maakt mij ook solidair, want de ziekte van een ander representeert ook mijn zonde. Onze voorbede blijft ongeloofwaardig als we de spiegel die de ander voorhouden verdringen. Wanneer de huidige stand van de wetenschap het gebed overbodig maakt, gaat er iets mis. Luther noemde zonde: annihilatio Dei (de vernietiging van God; het aan de kant schuiven van God). We zijn dan traag (één van de 7 hoofdzonden!) in onze boetvaardigheid.
voor onze vijanden: Een burgerlijke godsdienst laat niet toe dat wij vijanden hebben. Als we echter proberen om Christus na te volgen, krijgen we (meer) vijanden.  Bidden voor onze vijand betekent dat we de ander meenemen naar de troon van God. De vijand treedt tegen de bidder op. De bidder treedt voor zijn vijand in.
voor zondaren: Zonde heeft de neiging om overgedragen te worden. In onze burgerlijke vorm van godsdienst is zonde vooral een privéaangelegenheid geworden. De strijd tegen de zonde heeft een belangrijk wapen in de voorbede voor zondaren. We distantiëren ons niet van de zondaar, maar verklaren ons solidair door hem of haar voor Gods troon te brengen.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Rudolf Bohren, Das gebet II. EDITION BOHREN (Waltrop: Hartmut Spenner, 2005) 201-249

Bohren heeft ook twee gebedenboeken gepubliceerd, waarin hij ons aanmoedigt om te bidden en daarin voorgaat: Texte zum Weiterbeten (1976); Beten mit Paulus und Calvin (2008).

Gemeente van Christus zijn – Bezinningsonderwerp

Gemeente van Christus zijn
Bezinningsonderwerp

Reden voor dit onderwerp
Ambtsdragers zijn geroepen om de gemeente van Christus te dienen en leiding te geven aan Zijn gemeente.  We kunnen zelf allerlei ideeën hebben over wat een gemeente is , op welke manier leiding gegeven moet worden en hoe de gemeente kan groeien.
Voordat we met onze eigen ideeën komen, is het goed om eerst te kijken hoe God in Zijn Woord over de gemeente spreekt.

Aanpak
Wanneer we alles wat de Bijbel over de gemeente spreekt behandelen, wordt het te uitgebreid. We beperken onszelf. We kijken hoe Paulus in zijn brieven over de gemeente spreekt.

Aanspraak
Paulus heeft een aantal brieven geschreven. Hij had steeds een reden om een brief te schrijven. In de gemeente van Thessalonica worstelde men bijvoorbeeld met de vraag: Hoe kan het dat gemeenteleden overlijden voordat onze Here teruggekomen is? In de gemeente in Galatië en van Korinthe waren tijdens Paulus’ afwezigheid conflicten uitgebroken.
Hoe Paulus tegen de gemeenten aankijkt, kunnen we zien in de eerste verzen van elke brief. Paulus schrijft aan een gemeente van een bepaalde plaats (1 Thess. 1:1, 1 Kor. 1:1, 2 Kor. 1:1, Gal. 1:1, 2 Thess. 1:1), aan de heiligen (Rom. 1:7, 2 Kor. 1:1, Ef. 1:1, Fil. 1:1, Kol. 1:2), aan de geheiligden in Christus Jezus (1 Kor. 1:1),  aan degenen die geroepen zijn (Rom 1:7), de geliefden Gods (Rom. 1:7), de gelovigen (Ef. 1:1, Kol. 1:2).
Paulus doet dat niet zomaar. Al deze woorden geven aan, dat de gelovigen anders zijn dan anderen. Niet omdat ze zichzelf anders hebben gemaakt, maar omdat God in hen werkt. Omdat de Heilige Geest in hen werkt noemt hij hen heiligen. Zelfs als hij met de gemeente in conflict is (zoals dat met Korinthe het geval was). Waarom zijn ze anders? Ze zijn door God uitgekozen,  door God geroepen en hebben geluisterd naar Zijn stem. De gelovigen zijn een gemeenschap, die door God bij elkaar gebracht is. Zelfs het woord gemeente geeft dat aan: degenen die bij de gemeente horen zijn uit de ‘wereld’ bij elkaar gebracht en verzameld om bij Christus te horen.

Geloof
Wat is een gemeente? Wat is een kerk? Een gemeenschap, die door God bij een is gebracht. Een gemeenschap waarin men verbonden is met Christus. Een gemeenschap waarin de Geest werkt. Paulus stichtte een aantal gemeenten. In die gemeenten kwamen ook heidenen tot geloof.  Wat dat betekent, dat mensen tot geloof komen, schrijft Paulus in 1 Thess. 1:9: gij u van de afgoden tot God bekeerd hebt, om de levende en waarachtige God te dienen. Er is sprake van een wending, een breuk, een ommekeer.
Wij leven in een wereld die anders is dan de Grieken en Romeinen die onder Paulus’ prediking tot geloof kwamen. Bij afgoden kunnen we niet altijd een voorstelling maken. We kunnen in plaats van ‘afgoden’ ook spreken over machten en invloeden. Zolang wij nog niet van Christus zijn, zijn er allerlei machten en invloeden in ons leven. Zij houden ons gevangen in een wereld van zonde en zorgen ervoor dat wij niet naar Gods wil kunnen leven. Welk effect hebben die verkeerde machten en invloeden op ons? Paulus schrijft dat in Galaten 5: 19-21: ontucht, zedeloosheid en losbandigheid,  afgoderij en toverij, vijandschap, tweespalt, jaloezie en woede, gekonkel, geruzie en rivaliteit,  afgunst, bras- en slemppartijen, en nog meer van dat soort dingen. We zouden hier ook nog kunnen denken aan verlangen naar geld (de mammon, zie: Mattheüs 6:24). Wie tot geloof gekomen is, merkt dat dit oude leven een leven was dat tot de dood leidde. Het echte leven is alleen in Christus te vinden. God heeft – als onze Schepper –het beste met ons voor. Wie tot geloof kwam, is bevrijd van die machten en heeft nu Christus als zijn Heer. De doop geeft dat ook aan: het oude leven kan geen claim meer op ons leggen. Wij behoren aan een nieuwe Heer toe: onze Schepper, die Zijn Zoon voor ons gaf.
Tot geloof komen betekent dus: een andere Heer krijgen, van Christus worden. Paulus spreekt over geroepenen: God roept mensen uit dat oude leven weg. Paulus ziet het ook als zijn taak om te verkondigen. Om de volkeren tot gehoorzaamheid aan God te brengen.

Van Christus

Paulus geloofde namelijk dat de mensen voor afgoden gekozen hadden. Uit ongehoorzaamheid hadden ze tegen God gekozen. God was hun Schepper. Als Jood geloofde Paulus ook in het oordeel van God. Al degenen die zich tegen God verzetten, kwamen onder dat oordeel van God. Hun ongeloof zou in dat oordeel aan het licht komen. Het goede nieuws (want dat is de betekenis van evangelie: het goede nieuws) dat Paulus mag brengen is, dat er redding van dat oordeel mogelijk is. Door Christus, de Zoon van God. Aan het kruis heeft Hij het oordeel weggedragen. Wie in Hem gelooft, hoort bij Hem.
Paulus gebruikt het beeld van gemeenschap met Christus. We zouden kunnen zeggen: een huwelijk in gemeenschap van goederen. Wat aan onze kant verkeerd was en is, dat neemt Christus van ons over. God kijkt dan naar ons door middel van Christus: Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn. (Romeinen 8:1) Let op dat woordje in: in Christus Jezus zijn. Paulus gebruikt dat woord niet voor niets. We zijn als gelovigen niet alleen van Hem, maar ook in Zijn gemeenschap opgenomen! We zijn onderdeel van Zijn lichaam! Daardoor ontvangen we alles wat van Christus is: genade, vergeving en vrijspraak, maar ook de Heilige Geest.

De Heilige Geest
Bij de Heilige Geest denken veel gelovigen aan bijzondere verschijnselen. Dat je enthousiast wordt, dat je tongentaal zou kunnen spreken. Maar dat is slechts een bijverschijnsel. Wat de Geest doet, is ons vormen. Hij vormt ons naar het beeld van Christus (Rom. 8:29). Hoe ziet zo’n leven eruit? De Geest gaat in ons aan het werk: Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.(Gal. 5:22-23). De Geest vormt dus ons karakter. Hij bant alle negatieve invloeden uit.
Hoe komt het dan, dat die verkeerde invloeden er toch vaak weer terug zijn in ons leven? Omdat we er toch geregeld voor dat oude leven kiezen. Paulus waarschuwt daar steeds voor. We kunnen niet afdwingen dat de Geest is ons werkt. We kunnen wel tegenhouden dat de Geest in ons werkt.
Groei van het geloof en groei van de gemeente heeft hier dus mee te maken: lijken we op Christus? Gaan we ons steeds meer gedragen zoals Christus dat zou doen?

Gemeenschap
We zijn als gelovigen onderdeel van het lichaam van Christus. Dat heeft ook consequenties. Paulus geeft aan dat we voorzichtig moeten zijn in het oordeel over anderen. Als we dat toch doen, gaan we op Gods stoel zitten. Alleen Hij kan een rechtvaardig oordeel vellen: Wie bent u dat u een oordeel velt over uw broeder of zuster? Wie bent u dat u neerziet op uw broeder of zuster? Wij zullen allen voor Gods rechterstoel komen te staan. (Rom. 14:10)
Mag je dan niets tegen anderen zeggen? Paulus laat zien, hoe dat moet. Niet vanuit de hoogte. Niet vanuit de gedachte dat ik het beter doe dan de ander. Maar vanuit bewogenheid. Ik waarschuw de ander, omdat hij weer voor dat oude leven dreigt te kiezen en God kwijt dreigt te raken. Die keuze voor dat oude leven gebeurt niet alleen door opzettelijke breuk, maar ook door jaloezie, door ruzie.
De norm is Christus. In conflicten waarbij de waarheid niet op het spel staat, moeten degenen die sterk in het geloof staan de zwakken tegemoet komen (Rom. 14, 1 Kor. 8). Zoals Christus ook een dienaar geworden is.
Gemeente zijn betekent: Gods ontferming ontvangen. We hoeven niet meer te vrezen voor het oordeel.

Praktische consequenties
Die ontferming ontvangen we niet alleen. We worden opgenomen in een gemeenschap die anders is dan de wereld, omdat God er in werkt door Zijn Geest.
Gemeente van Christus zijn heeft ook heel praktische consequenties: wat we ontvangen, mogen we ook uitdelen.  zodat wij door de troost die wijzelf van God ontvangen, anderen in al hun ellende moed kunnen geven. Zoals wij volop delen in het lijden van Christus, zo delen wij volop in de troost die God ons door Christus geeft. Ondervinden we tegenspoed, dan is het opdat u bemoedigd en gered wordt. Worden we bemoedigd, dan is het opdat u de moed krijgt te volharden in hetzelfde lijden als wij ondergaan. (2 kor. 1:4-6)
Dat delen kan ook financieel. Onze diakonie vindt hier zijn oorsprong:  God, die zaad geeft om te zaaien en brood om te eten, zal ook u zaad geven en het laten ontkiemen, zodat uw vrijgevigheid een rijke oogst opbrengt. U bent in ieder opzicht rijk geworden om in alles vrijgevig te kunnen zijn, en uw vrijgevigheid leidt door onze bemiddeling tot dankzegging aan God. Uw bijdrage aan de collecte heft immers niet alleen het gebrek van de heiligen in Jeruzalem op, maar leidt er bovendien toe dat ze God uitbundig danken. Ze prijzen God omdat u er blijk van geeft gehoorzaam te zijn aan het evangelie van Christus, wat u bewijst door de ruimhartigheid waarmee u met hen en alle anderen wilt delen. (2 Kor. 9:10-13)

De taak voor de ambtsdrager
Wat is de taak voor de ambtsdrager? Het Woord van God brengen, zodat degenen die niet geloven zich overgeven aan God. (2 Kor. 5:14-21) De ouderlingen mogen de gemeente leiden naar dit geheim van Gods verzoening en zorg voor dragen dat de gemeente de Geest laat werken en niet tegenhoudt. Omzien naar elkaar betekent: ervoor zorgen dat degenen die aan ons zijn toevertrouwd bij het lichaam van Christus blijven. Dat ze leven uit Zijn genade en niet voor het oude leven kiezen. Diakenen mogen de gemeente voorgaan in het uitdelen.

ds. M.J. Schuurman

Vragen
1) Merkt u dat u door deze gemeente groeit in het geloof?
2) Welke verantwoordelijkheid hebben we voor elkaar binnen de gemeente?

Gereformeerd? Ik?

Gereformeerd? Ik?

“Over tien jaar is de gereformeerde traditie opgehouden te bestaan onder jongeren.” Deze stelling lanceerde ds. H.J. van Wijnen (directeur HGJB) in november 2008 in het blad Kontekstueel. Hij stelde daar enkele vragen bij: Is het erg dat de gereformeerde traditie onder jongeren verdwijnt? Heeft het nog wel zin om die traditie aan jongeren over te dragen? Blijkbaar wel, want samen met zijn HGJB-collega Herman van Wijngaarden schreef hij een klein boek voor jongeren: Gereformeerd? Ik?

Het boek gaat over Paul. Een enthousiaste jongen, die met plezier naar jeugdvereniging gaat en veel over het geloof nadenkt. Maar gereformeerd? Hij? In 2008 gaf Van Wijnen aan dat jongeren de gereformeerde traditie maar saai vinden. Bovendien kunnen ze weinig met de inhoud, waar deze traditie voor staat. Aan de hand van deze Paul proberen de auteurs deze vooroordelen weg te nemen.
Ik lees dit boek met een bepaalde bril op. Als predikant plaats ik mijzelf in de gereformeerde traditie, maar dat is voor mij niet vanzelfsprekend. Ik ben niet automatisch bij mijn eigen traditie uitgekomen. Bovendien ben ik predikant in een omgeving waar de gereformeerde cultuur zo goed als weg.
Wat mij opvalt, is dat Paul een enthousiaste, gelovige jongen is. De auteurs proberen van elke gedachte die Paul heeft te laten zien dat dit gewoon gereformeerd is. De teneur is eigenlijk: Je bent gereformeerd en accepteer dat gewoon maar. Gereformeerd zijn is dus de bevestiging van wat je al bent.
 Daardoor is alle spanning weg. Nergens wordt Paul door de gereformeerde traditie uitgedaagd om de dingen anders te zien. Het gereformeerde is bleek. God is vooral heel dichtbij. Om zonde uit te leggen, wordt bijvoorbeeld het beeld gebruikt van de verbroken relatie. Volgens mij is de gereformeerde traditie krasser: de mens is van nature vijand van God.   
Het is een aardig boekje. Alleen, de gereformeerde traditie is volgens mij tegendraadser: het plaatst mijn hele leven voor het aangezicht van God en onder Zijn oordeel.  Zonde komt aan het licht het gebrek aan vertrouwen in God, waardoor ik zelf voor God ga denken en handelen. Het besef dat deze zonde ook in onze goede werken aanwezig is, kan Paul heilzaam afremmen als hij zich in allerlei christelijke avonturen stort. Paul hoeft de christelijke cultuur niet in stand te houden. God draagt zelf zorg voor Zijn werk.
Dat is niet altijd te zien. Paul heeft een gehandicapt zusje.  De auteurs zoomen in op de troost: God heeft daar ook verdriet van. Zo’n gedachte heeft mij nooit verder geholpen. Wat mij meer getroost heeft is de tegenstem die in zoveel gezangen van het Liedboek te vinden is (Gezang 89, 287, 484). Als tiener ontdekte ik dit Liedboek toen veel christelijke liederen mij te positief waren. Maar ook de ontmaskering van menselijk kunnen (480). Wie jongeren gereformeerd wil laten zijn, dient ze deze traditie op existentieel niveau te laten ontdekken.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Harmen van Wijnen / Herman van Wijngaarden, Gereformeerd? Ik?  Uitgeverij Jes!, Zoetermeer. ISBN 978-90-239-2361-9 €7,50.(www.jesvoorjou.nl)

Via het archief van www.kontekstueel.nl is het artikel van ds. H.J. van Wijnen terug te vinden (november 2008): ‘Het einde in zicht?Het implosiegevaar van de rijke gereformeerde traditie voor jongeren….’

Geschreven voor: HWConfessioneel

Preek over Genesis 16 (voorbereiding Heilig Avondmaal)

Preek over Genesis 16 (voorbereiding Heilig Avondmaal)

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

(1)  Het leed van Saraï
Het leven van Abram en Saraï is nog niet af. Aan hun leven ontbreekt nog iets belangrijks: Saraï heeft nog geen kind gekregen.
Iemand die geen kinderen heeft gekregen daar op hoge leeftijd nog verdriet over hebben. Een verlangen naar een kind – dat verlangen werd niet vervuld. Dat onvervulde verlangen is een lege plaats, een gemis. Het verdriet is een vorm van rouwen: afscheid nemen. Afscheid nemen  van een leven waarnaar iemand zo verlangd kan hebben en dat niet kwam. Terwijl de omstandigheden verder goed waren, is er toch dat verdriet.
Anderen zouden wellicht wensen dat ze iets van de rijkdom van Saraï mochten hebben. Rijkdom kan het verdriet niet wegnemen. Ze mogen dan rijk zijn: aan wie moeten ze hun bezittingen doorgeven?

Voor Saraï was het nog extra pijnlijk: want kinderen was haar taak, zogezegd. Wanneer een vrouw geen kinderen had gebaard, werd het haar aangerekend. ‘Saraï, de onvruchtbare’ – zo zullen de mensen haar wellicht hebben genoemd.  Ze zal gevoeld hebben hoe mensen op een bepaalde manier naar haar gekeken hebben. O ja, de vrouw die geen kinderen kon krijgen. Ze zal het uit de ogen van de mensen hebben kunnen lezen: Die Abram, dat zijn vrouw geen kinderen kan krijgen. Meewarige blikken soms; misschien soms wel de scherpe opmerkingen als er iets voorviel: ‘Zeker geen ervaring met kinderen.’

De mensen zullen ook wel verder hebben gedacht: ‘Hoe komt het dat zij geen kind gekregen heeft? Waarom liet God dat niet toe?’ Zo’n vraag wordt al heel snel: ‘Wat heeft iemand gedaan? Wat heeft iemand misdaan?’
Saraï zal die gedachten ook hebben overgenomen. Want zo gaat dat toch, dat wat je in de ogen van anderen leest, dat je dat ook overneemt. Dat je over jezelf gelooft, dat het ook zo is.
Op een dag zegt ze het ook tegen Abram, haar man: ‘De Here heeft het me niet vergund. De Here heeft het me niet vergund om een kind te dragen, te baren.’
Is het verdriet? Is het teleurstelling? Is het pijn? Is het berusting?  Het verdriet dat Saraï met zich meedraagt, dat haar zo eigen geworden is, wordt nog eens versterkt. Niet alleen pijn, niet alleen schande. Het slaat ook nog eens terug op God. De Here heeft het niet vergund. Dat is de conclusie van het wachten op een zoon voor haar man. Ze twijfelt niet aan de Here, maar aan zichzelf. Want de Here had een zoon beloofd aan Abram.  Na al die jaren van wachten komt ze tot de conclusie: als de Here dat aan Abram beloofd heeft, ben ik niet de juiste vrouw voor Abram. Ik ben niet de juiste man.
Hij zal uit mij geen zoon ontvangen.

(2) De oplossing van Saraï
Maar op die manier blijven Gods beloften onvervuld. Er moet iets gedaan worden, zodat Gods beloften in vervulling gaan. Er moet gehandeld worden; anders komt van het werk van de Here niets meer terecht. Hoe moeilijk ook te accepteren, ze besluit om een pas op de plaats te maken.
Ze stelt het haar man voor: ‘Neem Hagar erbij als je vrouw. Zij moet mijn plaats innemen.
Haar zoon zal echter wel als mijn zoon gerekend worden. Op die manier zal mijn schande van mij afgenomen worden.’
Voelt u hoe diep de pijn van Saraï zit. Dat wachten tot Gods beloften zijn vervuld, dat kan ze niet meer dragen. Ze is tot heel veel bereid om haar verlangen vervuld te krijgen. Ze twijfelt niet aan de Here, maar aan zichzelf.

Hoe begrijpelijk haar pijn en verdriet ook zijn, wat er gebeurt is: Zij gaat voor de Here denken.
Gods beloften kunnen niet onvervuld blijven,  dus moeten wij naar wegen op zoek om Gods beloften tot vervulling laten komen. Haar pijn is zo groot, dat ze vergeet dat ze dat als mens niet kan. Hoe kunnen wij Gods beloften laten uitkomen? Ze vergeet ook dat ze God niet is. Zijkan niet overzien wat er gaat gebeuren. Zij kan niet, zoals de HERE wel kan, het verloop van alles overzien. Dat is de les voor ons.
Hoe vaak willen wij niet voor God denken: Here als u nou eens dit deed… in ons eigen leven, of in de kerk. We stippelen dan uit, hoe God het beste kan handelen. Maar daarbij vergeten we één ding:
we vergeten dat God ons opgedragen heeft om te verwachten. Wij willen vaak resultaat zien, maar dat is niet het resultaat wat de Here ons wil leren.

We willen als het goed is allemaal groeien in geloof – toch? Groei in het geloof is vooral groeien in het kunnen afwachten. Groeien in de acceptatie dat wij het niet kunnen. En ook niet hoeven te doen, omdat God het zelf doet. De Here heeft niet aan ons gevraagd om Zijn beloften in vervulling te brengen.
Dat klinkt als een harde boodschap, als iets wat we niet gemakkelijk accepteren. Maar net als Saraï kunnen wij het geheel niet overzien. Wij kunnen de omstandigheden niet overzien.
Saraï heeft bijvoorbeeld over het hoofd gezien, wat Hagar gaat doen. Ze heeft er in ieder geval niet op gerekend wat Hagar gaat doen.
Wat Saraï had bedacht, dat past helemaal in de regels van die tijd. Alleen wat Saraï niet bedenkt, is dat God geen mensen gebruikt. De Here schakelt mensen in, maar Hij gebruikt ze niet. Hij spant ons niet voor Zijn karretje. Hier komt iets van het oude leven van Saraï de kop op steken, dat Babelse leven: mensen zijn er voor jou – om gebruikt te worden om jouw doel te bereiken. Zo werkt de God van Abraham, Izaäk en Jakob echter niet.

(3) Het verzet van Hagar
Ook Hagar is er niet van gediend, van wat Saraï bedacht heeft. In haar ogen bekokstoofd. Want zij wordt gebruikt. Zij is slechts slavin. Zij moet het plan van Saraï vervullen. De plaats van Saraï innemen.
Als ze zwanger is, voelt ze zich groeien. Ze is geen ondergeschikte, maar gelijk aan Saraï.  Vanaf dat moment is het gedaan met de rust in huize Abram. Saraï dacht dat zij zomaar even over het lichaam van haar slavin kon beschikken. De slavin schik zich niet in haar rol.
Dat conflict is echter terug te voeren op dat besluit van Saraï: om het heft zelf in handen te nemen.
Eén daad kan verstrekkende gevolgen hebben. Het  verlangen van Saraï is zo sterk geworden, dat het ten koste gaat van Hagar. En van haarzelf.
Nogmaals: dat verlangen is begrijpelijk. Dat afwachten, dat wachten op de Here, is niet gemakkelijk. Dat zien we op tal van plaatsen in de Bijbel. De Here laat ons wachten om ons te oefenen in het wachten, om ons te leren het uit handen te geven, om het niet zelf te doen.
De gevolgen zijn groot. De verhoudingen in het gezin raken verstoord. Hagar komt in opstand. In haar welt de trots op. Ze is niet meer slechts een slavin, nee zij draagt de opvolger. Het kind dat geboren moest worden, moest voor Saraï de eer zijn, Saraï gelukkig maken. Dat laat Hagar niet toe. Zij wil niet dat Saraï ten koste van haar gelukkig wordt. De trots in haar groeit. Zij neemt Saraï’s plaats over. Dat gaat zo niet langer.

 Er moet partij gekozen worden. Op hoge poten komt Saraï bij haar man: ‘Weet je wel wat je gedaan hebt bij Hagar? Doe er wat aan.’
Maar wat kan Abram? Hij heeft zelf het plan van Saraï ten uitvoer gebracht. En als hij iets doet, wat gebeurt er dan met zijn zoon? Hij kan zijn zoon toch niet zomaar laten gaan? Hij legt de bal terug bij zijn vrouw. Die verantwoordelijkheid wil hij niet dragen: ‘Doe jij zelf er maar iets aan.  Je mag doen wat je wilt.’ Hij schuift zijn eigen verantwoordelijkheid van zich af.
Zo ontstaat er in dit gezin een patroon dat de verkeerde kant op gaat.

Als er éénmaal een spoor is in geslagen, dan is er geen weg terug. Saraï moet de fout herstellen die ze bezig, door in te grijpen. Ze moet haar eigen inschattingsfouten herstellen.
Saraï grijpt hard in de orde weer gehandhaafd te krijgen: ze vernedert Hagar. Iemand anders vernederen doe je alleen als je geen grip meer hebt op de situatie. Het is een allerlaatste poging om weer de regie terug te krijgen.  En waarschijnlijk ook om haar verdriet en haar pijn af te reageren. Een reactie die alle perken te buiten gaat. Hagar mag er niet meer zijn. Saraï laat haar eigen plan mislukken. Deze verwijdering, dit elkaar pijn doen, dat langs elkaar heen leven – dat heeft die ene oorzaak: Saraï wil de beloften van de HERE uit laten komen. En dat is het resultaat: een uit elkaar gespatte familie:
 – Saraï, een verbitterde vrouw die al haar frustraties afreageert.
– Een slavin die gebruikt is, maar die desondanks haar trots heeft en niet wil buigen en haar kans grijpt om haar eigen positie veilig te stellen. Als ze vernedert wordt, vlucht ze weg. Terug naar Egypte.
– Abram, betrokken maar die zijn verantwoordelijkheid niet wil nemen; het gaat tenslotte ook om zijn toekomst.
En dan te bedenken dat het hier om een familie gaat die door de Here is uitgekozen. Uitgekozen is om anders te zijn. Anders dan de wereld, anders dan Babel. En waar Saraï dacht het plan van God te kunnen vervullen, daar lijkt de vervulling verder weg dan ooit. Hoe moet de HERE dit tot een goed einde brengen? Deze chaos die door mensen is aangericht?

(4) De HERE
Waar is de HERE zelf? De HERE grijpt op een verrassende manier in. En dat viel mij op, omdat we op deze zondag ook gaan voorbereiden op het Heilig Avondmaal. Want wat doet de HERE? Hij herstelt de verhoudingen. Niet op de manier waarop Abram dat doet, maar op een manier die alleen bij Hem past. Hij baant nieuwe wegen, waardoor Saraï, Hagar en Abram weer in vrede met elkaar kunnen leven: Verzoening.
Dat vieren we ook aan de avondmaalstafel: verzoening. Verzoening met God en met elkaar. Die beide kanten zijn nodig. Als de onderlinge verhoudingen verstoort zijn, wordt ook onze relatie met God verstoord. Het belemmert onze relatie met God. We nemen het mee in ons gebed. Vergeef ons onze schulden. Ja dat willen we wel.  Dat al onze fouten uitgewist worden. En dat geloven we toch ook, dat dat kan door de HERE Jezus? Doordat Hij Zijn leven gaf, Zijn bloed uitstortte, onze schuld droeg.
Alleen dat andere: zoals ook wij vergeven onze schuldenaren. Hebt u dat wel eens gedaan? En als we kijken naar Hagar, Saraï en Abram: wie moet wie vergeven? Alleen door verzoening kunnen deze drie mensen verder.
Alleen verzoening is niet gemakkelijk. En dat is wat God komt doen. Als het gaat om vergeving slaan wij echter vaak één stap over. Vergeving willen we wel graag ontvangen. Soms kan de last ook te zwaar zijn van wat we elkaar aandoen. Weten we niet hoe dat moet: elkaar toegeven dat we elkaar pijn hebben gedaan. Of voelen we nog steeds wat die ander ons heeft aangedaan – waardoor wij niet kunnen vergeven.
 Een patstelling – hoe moet het verder? Hoe kan onze onderlinge relatie weer hersteld worden? Hoe kunnen we weer bij elkaar komen? En wie neemt de last van ons af, de last die wij naar God toe hebben. Misschien heel onbewust?

(5) Genoegdoening
Moet u eens kijken in dit verhaal hoe dat gebeurd. Een bijzondere manier, zoals alleen de HERE doet.
Hij zoekt Hagar op.  Hij stuurt een bode naar Hagar toe. Hagar die haast weer terug is in Egypte. Die bode roept haar terug. Die bode, de engel die namens de HERE komt, spreekt Hagar aan op haar verantwoordelijkheid. ‘Hagar, wat doe je hier? Waar kom je vandaan? Waar ga je naar toe?’  Tegenover die bode van de HERE is ze eerlijk: ze is op de vlucht. Dan zegt de engel tegen haar: Ga weer terug. Neem je plaats onder Saraï weer in.
Als je dat voor het eerst leest, dan denk je: Hè? Wat doet de HERE hier?  Stuurt Hij Hagar zomaar weer terug onder het harde regime van Saraï?
Nee, de Here geeft Hagar iets mee, waardoor ze het kan volhouden:  Dat de HERE niet alleen Abram en Saraï gedenkt, maar ook haar. Dat Hij ook voor haar een zegen heeft. Dat haar zoon ook belangrijk wordt. Zij is geen verschoppeling. Zijn kinderen mogen zich bezondigd hebben aan haar, de Here laat haar niet vallen. Hij herstelt de fouten die Abram en Saraï hebben gemaakt.
De HERE heeft het gezien, wat er is gebeurd. Zo is onze HERE. Wat ons overkomt – de HERE blijft er niet onverschillig onder! De HERE ziet het! Mijn oog zal op u zijn. Dat is onze troost, als wij te maken hebben met die ander. De HERE geeft aan Hagar een naam voor haar zoon. Een naam die haast een provocatie is voor Abram en Saraï. Die Abram en Saraï weer op een plek zet en er ook weer doet herinneren dat de HERE zijn beloften vervuld en niet een mens.
De HERE hoort. Hij richt voor mij een dis aan voor de ogen van wie mij benauwen. Dàt is het avondmaal. Dat de HERE onze nood heeft gezien en daardoor kunnen wij volhouden. Dat de HERE naar ons toekomt, zoals Hij ook naar Hagar toekomt. Dat vieren we aan die tafel.
Dat het avondmaal net zo’n bron wordt als de put bij Hagar: tastbaar bewijs dat de HERE naar ons omziet. Dat Hij ons recht doet.

Er zit ook een andere kant aan. Als de HERE ons recht doet, als Hij ons uitnodigt aan Zijn tafel, doet Hij dat ook met die ander. Die ander die voor je gevoel zo op je neer kan kijken. En dan zit je aan de tafel…
We vieren verzoening. Met God. Maar we zitten daar niet alleen. Avondmaal is geen onderonsje. We vieren dat in een gemeenschap – met elkaar . God vergeeft onze fouten, maar ook die van de ander. Dat vieren we aan de tafel. Dat Christus ons broeder en zuster maakt. Niet door te pijn te negeren. Maar door een familiediner te organiseren, waar Christus zelf de gastheer is. Dat je zelf gaat, maar die ander…
Dat is het koninkrijk van God, dat je afleert: Gelukkig ben ik niet als die. Of: die ander is zou lauw. Of Here, eerst moet hij de eerste stap zetten. De Here nodigt ons uit. Terwijl wij Zijn regie overnamen en dachten dat Hij niets deed. Dat we het beter zelf konden doen, beter dan de HERE.
De Here ziet het, maar Hij ziet ook naar ons om. En nodigt ons om bij Hem te komen. Gelijk ook Hij vergeeft onze schulden. Gelijk ook Hij vergeeft die ons iets schuldig zijn. Die vergeving geldt ook voor de ander.
Dat is het heel wat. Dat zouden wij niet kunnen bedenken… Dat vieren we tijdens het Heilig Avondmaal: dat Hij een nieuwe weg baant, naar de Vader, naar elkaar.
Amends. M.J. Schuurman

 

Klaus-Peter Hertzsch – Vertrouw de nieuwe wegen

Vertrouw de nieuwe wegen
(Melodie: Gezang 409 uit het Liedboekvoor de Kerken)

1. Vertrouw de nieuwe wegen
waarop de Heer ons leidt,
want leven is bewegen,
is trekken door de tijd.
Sinds aan de hoge hemel
Gods regenboog verscheen,
zijn mensen uitgetogen,
gingen op zijn woord heen.

2. Vertrouw de nieuwe wegen
en trek voort in de tijd.
God wil dat gij een zegen
op deze aarde zijt.
Die ons reeds lang geleden
het ware leven bracht,
die zal ons daarheen leiden
waar Hij ons nodig acht.

3. Vertrouw de nieuwe wegen
waarop de Heer ons zond.
Steeds komt Hijzelf ons tegen:
wij gaan op vaste grond.
Wie opbreekt die mag hopen
in tijd en eeuwigheid.
De poorten staan wijd open,
het land wacht licht en wijd.

Vertaling van een lied van Klaus-Peter Hertzsch. Deze Oost-Duitse theoloog schreef dit lied voor een bruiloft in het jaar van de Wende (1989)!

Duitse tekst: http://bit.ly/bqpz2V
Uitvoering: http://youtu.be/_T7SlDA5Xbs
Zie voor de achtergrond: http://bit.ly/alygS3

Uitweg uit de leugen (Psalm 120)

Uitweg uit de leugen

Te lang al woont mijn ziel                    
bij mensen die vrede haten.
 (Psalm 120:6)

Kunnen we ergens te lang wonen? Een merkwaardige gedachte aan het  begin van een feest. Deze Psalm zongen de Israëlieten elk keer als de Israëlieten naar de tempel gingen. Ze begonnen het feest met het zingen over de ballingschap, waarin ze verkeren. Ach, dat ik moet wonen in Treurnis, temidden van de Jammerlingen.

De reis naar de tempel is voor hen niet alleen een op adem komen, maar ook een ontsnappen aan de spot en de leugen.
De leugen voelt als een gevangenis. Het grijpt hen naar de keel.  Ze gaan er aan onder door.
 Niet alle tranen zijn geheiligde tranen en niet elke wond is het gevolg van spotternij. Psalm 120 is een psalm voor slachtoffers van leugen en spot.
Die ervaring is niet alleen van lang geleden. Ook nu nog kunnen mensen het idee hebben dat ze door anderen worden veroordeeld en benadeeld.  Mensen kunnen lijden onder leugen en spot. Binnen familie of op het werk. Wie het mikpunt is van de spot verliest zijn vertrouwen in de medemens. En ook in God ?
Ook gelovigen kunnen wel eens met spot en hoongelach te maken krijgen. Dat kan je vreugde van het leven met God haast afnemen.  De gelovige is hier vreemdeling. Soms zelfs door je te verheugen in God.
Israël als volk van God kende die ervaring ook, maar kende ook een uitweg : de Here. Daarom gaan zij op naar Gods huis. En omdat God daar woont is Jeruzalem de stad van vrede. Ze zullen het in de volgende psalm zingen :

Ik sla mijn ogen op naar de bergen,
van waar komt mijn hulp? 
 Mijn hulp komt van de HEER
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Psalm 121 verwoordt niet een indrukwekkende natuurervaring, maar ontferming van de Here die indruk maakt. Want de Here haat vrede niet. Hij veroordeelt niet bij voorbaat.
Psalm 120 verwoordt het verlangen naar God. Om bij God te mogen zijn. Om even van die nare opmerkingen verlost te zijn. Om op waarde geschat te worden. Even niet genegeerd of tweederangs behandeld. De Here antwoordt ! Door te antwoorden tilt Hij ons erboven uit.

De consequentie is dat iedereen die het huis van de Here betreedt zich ook niet moet in laten met het veroordelen en bespotten van anderen. We moeten niet vergeten, dat Gods Zoon ook onze spot heeft gedragen.

Psalm 120 verwoordt geen zelfbeklag, maar echte nood : echte pijn en verdriet. Wanneer wij in de nood tot de Here roepen, zal Hij antwoorden. De Here ontfermt Zich over wie Zijn hulp ook echt nodig hebben.  Daardoor is de gang naar Gods huis ook een echt feest. De echte vrede, de vrede van God wordt in Hem alleen gevonden. We komen thuis bij onze God.

Ds. M.J. Schuurman