Preek zondag 30 oktober 2016

Preek zondag 30 oktober 2016
Deuteronomium 15:1-18
Boodschap: God geeft overvloed

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ik stel het me zo voor hoe het volk Israël daar bij de Jordaan staat,
na 40 jaar door de woestijn bijna klaar om het Beloofde Land binnen te gaan.
Ze staan al voor de Jordaan.
Ze kunnen er al overheen, alleen nog die toespraak die Mozes houdt
om hen allerlei aanwijzingen te geven over hoe het moet in dat land.
Ik stel het me ook voor dat er tussen al die mensen die naar  Mozes luisteren
er ook zijn, die bij zichzelf denken:
‘Ja, ja, kom nou maar op, laten we de Jordaan overgaan.
We zijn al zo lang onderweg.
Eerst nog die woorden die Mozes nog allemaal te zeggen heeft.
Over hoe we de feesten moeten vieren, hoe we met elkaar om moeten gaan,
over de taken van de koningen, de profeten, de priesters en de levieten.
Allemaal zoveel. Dat kunnen we niet onthouden.’
Mensen bij wie de gedachten afdwalen, omdat ze vol ongeduld al vooruit denken
aan hoe het zal zijn in dat Beloofde Land,
die niet kunnen wachten om de Jordaan over te steken.

Uiteindelijk zullen ze ook gaan.
Hoeveel van de woorden die Mozes gesproken heeft, zullen nog zijn blijven hangen?
Hoeveel van die woorden zullen ze in hun hart, in hun gedachten meedragen?
Hoe zal het over 7 jaar zijn: zouden ze dan nog aan de woorden van Mozes denken
die hij voor de Jordaan gesproken heeft over het kwijtschelden van de schulden?
Iemand die in die jaren tegenslag heeft gehad met zijn vee:
ziekte onder zijn koeien en schapen uitgebroken,
waardoor hij bij zijn buurman moest aankloppen om hulp.
Zou die buurman hem dan hem helpen
of zou hij zeggen: ik heb zelf al mijn vee nodig. Je krijgt van mij niets?
Zou hij toch geven, maar bij elk nieuw jaar als de koeien gekalverd hebben
en de ooien gelammerd naar zijn buurman gaan
om hem te herinneren dat hij dit succes toch aan hem te danken heeft
er steeds op hinten dat hij toch wel verwacht dat de buurman hem terugbetaald
liefst nog extra, bovenop wat hij gegeven heeft, als een soort rente?
‘Je staat bij mij in de schuld, buurman!’

Iemand die een stuk grond heeft verworven
en veel tijd heeft gestoken in het bewerken van het grond,
maar erachter komt dat de grond die hij gekregen heeft schrale grond is,
nauwelijks vruchtbaar, waardoor er voor hem en zijn gezin te weinig te eten is
en bij zijn buurman moet aankloppen om hulp
en dan zegt: ik wil je best helpen, maar dan moet jij voor mij iets doen.
Voortaan moet jij mijn akkers omploegen en inzaaien.
Als je dat voor mij doet, dan wil ik je graan geven om in te zaaien voor een nieuwe oogst.

Hoe zal dat na die 7 jaar zijn?
Ik kan me zo voorstellen dat die man met die veeziekte, waardoor hij tegenslag had,
de woorden van Mozes nog herinnert en de jaren aftelt: nog 4 jaar, nog 3, nog 2, volgend jaar!
En dat in het 7e jaar de buurman er alsnog op staat dat de schuld wordt afbetaald.
‘Maar buurman, ben je de woorden van Mozes vergeten,
die ons opdroeg om na 7 jaar de schuld kwijt te schelden?
Als ik op mijn beurt aan jou geleend had, had ik je niets meer terug laten betalen.
Je schuld aan mij was dan voorbij.’
En dat de buurman dan antwoordt: ‘Mozes? Dat is toch al heel lang geleden?
Een andere tijd, nog aan de andere kant van de Jordaan.
Hij heeft toen zoveel wetten en regels meegegeven,
die heb ik allemaal niet onthouden.
Je moet me terug betalen, want je bent het me gewoon schuldig.
Lekker makkelijk: eerst aan mij om steun vragen en vervolgens suggereren
dat je niet verplicht bent om het aan mij te voldoen.
Dat zou een mooie boel worden, als iedereen zo gaat denken.
Nee, dat werkt niet.’

Of die boer met de grond die te weinig opleverde.
Na enkele jaren hard werken erop hoopt, dat hij vanaf dit 7e jaar weer vrij af zou zijn
en al zijn tijd kon besteden aan zijn eigen boerderij, zijn eigen bedrijf.
‘Het zevende jaar? Dat kun je niet menen.
Een regel van Mozes, in naam van God?
Mozes, een andere tijd, vroeger. Die regels gelden niet meer.
Mozes had toen aan die andere kant van de Jordaan niet voorzien
in wat voor een tijd we zouden komen.
Hij had trouwens makkelijk praten.
Als oude man had hij geen gezin om te onderhouden.
Ik heb ook een gezin te onderhouden.
Als jij niet betaalt, wil je overbuurman mij ook niet meer betalen.
Straks betaalt niemand mij meer terug, omdat jij je beroept op die oude regels.
Dat zou een mooie boel worden.
Ik heb ook een gezin te onderhouden.’

Of zou het anders zijn?
Een boer die zijn buurman ziet tobben en worstelen met zijn vee
en hem bijspringt en in het 7e jaar zegt: het is nu genoeg.
Nu hoef je mij niet meer te betalen?
Een grote boer die ziet dat die andere boer niet vooruit boert
vanwege die slechte grond en royaal de ander ondersteunt
en hem af en toe een extraatje geeft, omdat hij zelf het zo goed getroffen heeft
en graag zijn hart wil laten spreken, omdat hij zichzelf zo gezegend voelt.
Zou het zo gegaan zijn?
Ik denk dat Mozes niet voor niets nog even zo heel nadrukkelijk hierbij stil staat.
Alsof hij er niet gerust op is, hoe dat in het Beloofde Land zal gaan.
Alsof ze daar, aan de andere kant van de Jordaan
helemaal zullen vergeten, dat dit land een geschenk is,
Dat ze daar niet zelf hard voor hebben gewerkt hebben, maar een gave van God,
omdat de Heere zo royaal is, zo gul
en het bovendien beloofd had aan Abraham, Izaäk en Jakob
en verheugd is om Zijn belofte aan de vaderen gedaan in vervullen kan laten gaan.

Mozes geeft het nog maar eens aan, vanuit de verwondering over Gods gulheid
en ontzag voor alle gaven die God zal geven:
God geeft zoveel, er hoeft niemand gebrek te lijden.
Zoveel, als je met elkaar deelt, hoeft er niemand arm te zijn of tekort te komen.

Zou het bij het volk Israël anders zijn geweest dan in onze tijd?
Onze tijd waarin er een grote kloof is tussen rijk en arm,
het Westen waar wij zijn, waar we het goed hebben, zeer goed zelfs
en mensen in andere gebieden, waar volwassenen nauwelijks rond kunnen komen,
kinderen over vuilnisbelten moeten gaan om toch nog iets te vinden
Dat door de rijkeren is weggegooid,
kinderen en volwassenen die onder erbarmelijke omstandigheden moeten werken,
lange dagen voor een klein loontje.
Als enkeling kun je soms maar heel weinig doen,
omdat we allemaal in een systeem zitten, dat veel oneerlijkheid veroorzaakt,
maar wel dat groter en sterker is dan ons,
Dat kan soms een machteloos gevoel geven:
Je weet: daar in Bangladesh hebben ze hard moeten werken
Voor de kleding die ik misschien maar één seizoen draag.
Maar ik help ze ook niet door uit protest helemaal niets te kopen.

Mozes kijkt niet naar de ellende ver weg,
maar bij wat zich dichtbij afspeelt: bij je eigen buurman, je buurvrouw, iemand uit de straat,
uit hetzelfde dorp, dezelfde regio.
Een naaste: iemand waar je naast woont.
Je loopt langs iemands huis en ziet hoe het in huis is en in de tuin,
hoe het op zijn akker is en in zijn stal,
hoe de kinderen erbij lopen.
Mijn moeder vertelt wel eens dat ze als kind zich ervoor schaamde
hoe de andere kinderen uit het gezin erbij liepen.
Dan zorgde ze ervoor dat de jongere broertjes of zusjes niet zichtbaar waren
als ze met de klas langs liepen, omdat ze er dan zo onverzorgd bij liepen
en het was haar trots dat ze ons als kinderen er verzorgd bij kon laten lopen
ook al hadden mijn ouders in die tijd ook niet altijd zoveel te besteden.
De ander is een naaste, dat wil zeggen: die ander gaat je aan.
Ook al heb je een heel andere opvatting over hoe hij zijn bedrijf moet runnen,
of heb je bedenkingen bij hij voor zijn gezin zorgt
en heb je voor jezelf een mening, omdat je zoveel van die ander ziet.
Wat je moet zien bij die ander, zegt Mozes, is dat hij, zij je naaste is.
Je naaste, dat is je gelijke.
Net als jij iemand die een leven heeft, maar misschien wel veel meer moeite heeft
om van zijn leven iets te maken.
Meer nog: iemand die gelijk is, omdat zij een ziel heeft, een ziel te verliezen heeft.
In mijn Bijbel waarin ik mijn aantekeningen opschrijf bij een Bijbelgedeelte,
heb ik hier opgeschreven: het is het verschil tussen medelijden en bewogenheid.
Dat klinkt misschien raar, een verschil tussen medelijden en bewogenheid.
Het heeft allebei te maken met hoe je kijkt naar die ander en naar jezelf.
Maar medelijden kan iets hebben, dat je het voor jezelf vindt
dat je het beter doet, je doet het zo gek nog niet.
Jij staat iets hoger op de ladder, omdat jij kan helpen
en dat geeft je dan ook een bepaalde macht: ik bepaal of zij geholpen worden.
Ze moeten niet het lef hebben om moeilijk te doen, om mijn hulp te weigeren.
Bewogenheid is kijken met je hart,
jezelf indenken hoe het is om in diezelfde omstandigheden te zijn.
Dat je de ander ziet als gelijke, een mens,
die ook een verhaal te vertellen heeft,
misschien wel ingewikkelder dan jouw eigen levensverhaal
en dat het de moeite waard is om naar het verhaal van die ander te luisteren,
omdat die ander ook een schepsel van God is
en net als jij ook iets van Gods beeld in zich heeft.
En dat je je daarom omgekeerd iets van God hebt te laten zien naar die ander toe.
Die ander is niet minder dan jij, alleen omdat hij minder heeft,
minder te besteden heeft, minder zakelijk instinct heeft, minder gogme.
Je naaste, je broeder – je moet iets met die ander, je mede-mens.
Die ander is je door God gegeven: een naaste, een broeder, een band.
Je kunt je van die ander niet afmaken, niet ontdoen.

Moet je dan altijd helpen?
Nee, zegt Mozes, maar wel eens in de 7 jaar schoon schip.
Het heeft iets van de sabbat, de 7e dag van de week.
De sabbat is dat je met elkaar, als hele gemeenschap bij elkaar komt,
voor Gods aangezicht.
Dat 7e jaar heeft iets van een sabbat: opnieuw kunnen beginnen.
Een verbondenheid met elkaar, omdat je samen bij God hoort.
Voor God valt het het verschil tussen mensen weg,
ook het verschil tussen rijk en arm, tussen mensen die meer zijn en minder.
Ik kan de uitspraak tegen, dat in dit hoofdstuk juist de kloof wordt overbrugd,
die het meest diep is en het meeste pijn doet:
namelijk dat je niet kunt meedoen met de gezamenlijke vreugde
omdat je niemand bent, omdat je minder hebt.
Dat is een kloof die soms heel onbewust er is.

Dat werd ik me ooit bewust door een parabel die ik eens las over twee kerken in Hamburg.
Ik vertel het in verkorte vorm (Fulbert Steffensky):

In Hamburg stonden twee kerken dicht bij elkaar.
De ene, de Katharinenkirche, staat er nog steeds.
Een mooie en rijke kerk.
Deze kerk was omgeven door patriciërhuizen.
Vandaag de dag de kerk er nog steeds uit als een schip dat niet ten onder kan gaan.


De andere kerk, de St. Anna, stond op een steenworp afstand,
aan de andere kant van het Tolkanaal, is juist wel ondergegaan, bestaat niet meer.
Het was een onopvallende en kleine kerk.
Het was een Assepoester-kerk, omgeven door daglonerhuisjes. Zo’n 18.000 mensen woonden er op het kleine stukje om deze kerk heen.
Dagloners, die zich elke dag weer opnieuw verhuurden.
Een kleine stad, volgestouwd met mensen, honden, katten en ratten.

Twee kerken, gescheiden door een kwaadaardige kloof die niet de naam Tolkanaal draagt, maar armoede en rijkdom.
Wat hebben deze twee kerken met elkaar te maken?
Laten wij beide kerken met elkaar in gesprek brengen.

Katharina kent de zin van de apostel Paulus uit de brief aan Efeze:
Want hij is onze vrede, hij die met zijn dood de twee werelden één heeft gemaakt, de muur van vijandschap ertussen heeft afgebroken (Efeze 2:14).
Ze zegt het tegen Anna: “Het zijn toch kleine dingen die ons scheiden?
Het zijn slechts materiële zaken.
God kijkt slechts naar het hart en niet uiterlijkheden, zoals tanden, geld en rijkdom.


Anna zucht. Zij zou zo graag eens met Katharina zijn.
Maar zij is poetsvrouw bij Katharina en krijgt zo weinig betaald.
Haar man is vuilnisman, die het afval van Katharina ophaalt en verdient niet veel.
Katharina is goed opgeleid en heeft haar woordje klaar.
Anna had geen tijd en geld voor een opleiding.
Anna leest de Bijbel iets langzamer.
Zij begint niet met de verzoening en de vrede.
Allereerst leest zij tot haar troost, dat God de armen liefheeft.
Dat God een God van de rechtelozen is, van de mensen zonder land of bezit, van de gebondenen.
Kan het zijn dat, zo vraagt zij zich af, dat het evangelie ons niet samenbindt? Dat het evangelie geen laffe vrede wil?
Anna zucht. Zij zou graag willen instemmen met Paulus’ hoge lied over de liefde, waarin hij tot vrede oproept en haar zegt dat de liefde zich niet laat verbitteren.
Maar hoe kan zij niet verbitterd raken en niet zelfzuchtig zijn zoals de apostel vermaant, als zij geen brood voor haar kinderen heeft?
Hoe kan zij niet zelfzuchtig zijn als zij haar huur niet meer kan betalen?

Deze twee, Katharina en Anna, lezen de Bijbel allebei anders, zegt de parabel.
Dat vind ik zelf wel heel scherp tegenover elkaar gezet,
want dat Christus twee tegenovergestelden bij elkaar brengt,
Jood en heiden, arm en rijk, God en mens, de heilige God en de verloren zondaar,
Dat is de kern van het evangelie.
Maar die verzoening moet ook praktische gestalte krijgen.
Niet alleen tussen God en ons, maar ook tussen ons en anderen.
Mozes zegt dat ook tegen het volk: vergeet nooit, dat je een verleden hebt,
waarin je zelf slaaf was en hard heb moeten ploeteren
en er zo aan onderdoor ging dat je het uitriep tot God.

Daarom ben jijzelf niet de maatschap, zegt Mozes,
maar God, je bevrijder die je een nieuw bestaan gaf in een nieuw land.
Zoals de ellende van jou het hart van God raakte,
zo moet de ellende van een ander ook jouw hart raken.
Gods bewogenheid is de norm voor ons gedrag.
Het gaat erom dat je in je gedrag ook iets weerspiegelt van hoe God is.
Hier spreekt Mozes over de gulheid van God: de Heere geeft royaal.
Als je je hart laat spreken, is dat niet om de aandacht op jezelf te vestigen,
om over een tijdje een standbeeld of een lintje te krijgen,
maar om iets van je God te laten zien.
Dat 7e jaar heeft iets van een sabbat: opnieuw kunnen beginnen.
Een verbondenheid met elkaar, omdat je samen bij God hoort.

In het Nieuwe Testament komt er een dimensie bij,
als Gods gulheid nog groter wordt en gestalte krijgt in de komst van Zijn Zoon.
Het heeft God heel wat gekost om ons vrij te krijgen.
Hij werd arm voor ons, omdat hij ons ieder stuk voor stuk zag in onze geestelijke armoede.
Christus zelf legde Zijn rijkdom en heerlijkheid af en werd mens.
Niet uit medelijden, maar uit bewogenheid.
Dan mag het jou ook wat kosten
en is het niet zo dat het bezit van Christus, het hebben van Christus,
het ontvangen van genade meer is dan alle aardse rijkdom?
Dan mag je ook wel wat van het royale hebben van onze goede God.
Dat kan met geld,
dat kan door kwijtschelden van de schulden die anderen hebben in het 7e jaar.
Maar niet om je ervan af te maken van die ander,
maar omdat het je juist om die ander is te doen, die net als jij Gods beelddrager is
en net als jij God nodig hebt.
Als het om die gave en die rijkdom gaat is ieder mens gelijk.
Amen

Luther lezen

Luther lezen

Op 31 oktober 1517 stuurde Maarten Luther 95 stellingen naar een aantal bisschoppen en naar vrienden. Zijn vriend Philippus Melanchton verklaarde later dat Luther deze 95 stellingen ook aan de deur van de slotkapel van Wittenberg, die door de universiteit werd gebruikt als aula, had vastgespijkerd. Later werd 31 oktober de dag om de kerkhervorming te gedenken. Volgend jaar is het 500 jaar geleden dat deze gebeurtenis plaatsvond, een jubileum waar komend jaar uitgebreid bij stilgestaan wordt.

Maar waar stond Luther eigenlijk voor en wat is er in die 500 jaar van zijn gedachtengoed overgebleven? In 1883, vier eeuwen na de geboorte van Luther, begon men met een groots project om alle teksten van Luther uitgegeven. Deze serie, bekend als de Weimarer Ausgabe, bestaat inmiddels uit 127 delen met meer dan 80.000 bladzijden. Daarnaast zijn vele bloemlezingen uit het werk van Luther verschenen.

Dit jaar kwam er een kleine bloemlezing bij, uitgegeven door Luther-deskundige Martin H. Jung in opdracht van de Vereinigte Evangelisch-Lutherse Kirche Deutschlands (VELKD) om het jaar van het Reformatiejubileum ook het gedachtengoed van Luther meer bekendheid te geven.

Gezag
Wat mij bij het lezen van deze bloemlezing opvalt, is dat veel discussies gaan over macht en gezag. Wie heeft bijvoorbeeld het gezag om de zonden te vergeven? Daar gaan de 95 stellingen van 31 oktober 1517 onder andere over. Luther bestrijdt in deze stellingen dat de vergeving van de zonden het alleenrecht van de paus en andere geestelijken is. De paus en de andere geestelijken zijn niet meer dan de gewone gelovigen. Ze hebben alleen een andere taak binnen deze wereld dan de overige gelovigen.

Aflaat
Het alleenrecht van de geestelijken over de vergeving van de zonden misbruik in de hand: de verleiding om geld te vragen voor de vergeving van de zonden. Fel is Luther tegen de aflaat, het kopen van de vergeving van zonden, omdat door de aflaat het gezag van God over de mens ontweken wordt. De aflaat heeft het effect dat mensen het doen van boete voor Gods aangezicht ontlopen. Niet alleen het gezag van God ontlopen ze, maar ook de genade. Want alleen wanneer er voor God oprechte boetedoening wordt gedaan, geeft God vergeving. De kerk moet niet inzetten op de aflaat, maar op de verkondiging van het evangelie, waardoor mensen met hun zonden berouwvol voor God komen en van Hem vergeving ontvangen.

Politiek
Het misbruik van het gezag gaat verder: ook op het gebied van het recht en van de politiek misbruiken de geestelijken en de paus hun macht en gezag. Door te zeggen dat de geestelijke stand een eigen stand is naast de wereldlijke overheid hebben de geestelijken zich immuun verklaard voor kritiek en strafvervolging. Zijn geschrift uit 1520 dat gericht is aan de christelijke adel kaart dit misbruik van gezag aan. Dit geschrift is een van de meest invloedrijke publicaties van Luther geweest. Daarin stelt hij dat de geestelijken op basis van de doop hetzelfde niveau als de andere gelovigen zijn. De overheid heeft van God het gezag ontvangen om misstanden te bestrijden, ook binnen de kerk. Daar mag de geestelijke stand zich niet aan onttrekken.

Vrijheid
Het thema gezag keert ook terug in een ander belangrijk geschrift uit 1520 over de vrijheid van een christen. In het begin van dit geschrift stelt Luther op basis van de brieven van Paulus dat een christen niemands onderdaan is en vrij heer is over alles. Tegelijk stelt hij een christen ieder ander ondergeschikt is en hoort te dienen. De vrijheid is een innerlijke vrijheid en daarmee ruimte voor het geweten: de christen is voor zijn doen en laten allereerst verantwoording aan Christus schuldig. Christus die de gelovige heeft bevrijd uit de boeien van de duivel. Deze innerlijke vrijheid is een geschonken vrijheid. De wil van de mens is van nature geknecht door de macht van de duivel over de wil. Door Christus, die zijn gaf om zondaars vrij te kopen, kan de wil worden bevrijd. Omdat Christus kwam om te dienen, kan een christen in navolging zich ook dienstbaar opstellen naar anderen toe.

Maatschappelijke hervormingen
Het weghalen van onderscheid tussen leken en geestelijken houdt ook in dat het alledaagse leven en het dagelijks werk een nieuwe waardering ontvangt. Het gewone leven en het gewone werk is niet van minder waarde dan het werk van geestelijken. Ook op dat terrein is er een hervorming nodig. Luther streefde niet alleen naar een hervorming van de kerk, maar ook van de maatschappij. In 1524 publiceert hij zijn kritiek op het grootkapitaal. Daarmee wekt Luther ook wel weer verwachtingen. Als een jaar later de Boerenopstand uitbreekt, denken de boeren, waarvan velen lijfeigenen zijn, Luther aan hun kant te hebben. Groot is dan ook de teleurstelling als Luther zich uitspreekt voor het recht van de overheid om de opstand te beëindigen met geweld en zich niet uitspreekt voor het beëindigen van het lijfeigenschap.

Joden
In deze tijd kan er geen aandacht zijn voor Luther zonder aandacht te hebben voor zijn houding ten opzichte van de Joden. In 1523 verdedigt hij de Joodse afkomst van Jezus en benadrukt hij vriendelijk met Joden om te gaan in de hoop hen te winnen voor het geloof in Jezus als de Messias. In 1543 roept hij op de Joden te verbannen en hun synagogen te verbranden en geeft hij de bestaande Middeleeuwse stereotypen over de Joden door.
Dat laat zien dat Luther geen heilige was, maar ook iemand die de vergeving nodig heeft. Daar was hij zich ook van bewust. Hij hield daarom ook vast aan de biecht en aan het geloof dat de vergeving bij Christus te verkrijgen is. De bloemlezing eindigt met een bericht over het sterven van Luther, waarin hij zijn geloof in Jezus als heiland en verlosser beleed.
(zie ook mijn eerdere bijdrage over Luther en de Joden)

Luther lesen. Die zentrale Texte. Bearbeitet und kommentiert vond Martin H.Jung. Herausgegeben vom Amt der Vereinigten Evangelisch-Lutherischen Kirche Deutschlands (VELKD)

Gerecenseerd voor het Friesch Dagblad

Vragen bij Psalm 27

Vragen bij Psalm 27

1) Welke beelden worden er in Psalm 27 gebruikt? Waarom? Zou jij die beelden ook in je gebed gebruiken?

2) Wanneer gebruik jij de Heere als schuilplaats? Hoe doe je dat dan?

3) In deze psalm is er sprake van een conflict: kwaaddoeners die op iemand afstormen. Mag je deze psalm toepassen op de conflicten die je zelf hebt binnen de familie, in de straat, op het werk, enz?

4) Herken je die onbevreesdheid omdat God met je is? Of reageer jij anders?

5) In de psalm is er een afwisseling van vertrouwen op God en zoeken naar God. Of misschien wel van een spanning tussen God willen zoeken en door God niet kunnen vinden (of zelfs afgewezen worden). Wat herken je van deze afwisseling of spanning in je eigen leven?

6) Waar zou het gevoel vandaan komen dat God Zijn aangezicht zou verbergen en de bidder wel eens zou kunnen afwijzen?

7) De psalm eindigt met de verwachting op God. Wat mag jij van God verwachten? En wat betekent dat voor jouw houding ten opzichte van God of jouw plek in deze wereld?

Preek zondagmorgen 16 oktober 2016

Preek zondagmorgen 16 oktober 2016
Deuteronomium 18:9-22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De Bijbel komt uit een andere cultuur, een tijd van heel lang terug.
Dat de Bijbel uit een andere, heel oude cultuur komt,
kun je als Bijbellezer geregeld merken.
Ook bij lezen van Deuteronomium kun je geregeld die ervaring hebben:
dit is wel een heel andere cultuur
En zeker bij dit hoofdstuk:
* je zoon of dochter door het vuur laten gaan,
* waarzeggerij, het duiden van de wolken, bezweringen
Komt u dat nog tegen vandaag de dag?

Het is meer iets uit de oude doos, praktijken van vroeger.
Als je over deze praktijken leest, dan kun je al heel snel denken:
maar wat heb ik er vandaag de dag aan?
Hoe moet dit gedeelte mijn geloof voeden, mij opscherpen?
Want dat is toch waarom je in de Bijbel leest
– dat je daarin iets van de Heere God meekrijgt waar je wat aan hebt voor je geloof?
En dat is toch ook waarom je naar de kerk gaat:
Dat je iets uit de Bijbel meekrijgt dat te maken heeft met wat je nu bezighoudt?

Al die verschillende praktijken zijn iets van vroeger
uit de tijd dat Israël het land Kanaän binnenkwam
en allerlei praktijken en gewoonten aantrof bij de inwoners van dat land,
godsdienstige praktijken die iets laten zien van hoe ze omgingen met hun goden.
Die praktijken – of technieken, dat kunnen we ook zeggen, zijn iets van vroeger, die tijd.
Maar waarin die praktijken in overeenstemmen,
raken ze aan iets dat misschien wel voor alle mensen door alle tijden heen geldt:
invloed hebben op je eigen toekomst,
wat op je afkomt – daarin kunnen sturen.
Want helemaal zeker over onze eigen toekomst zijn we niet.
We kunnen wel heel veel maatregelen nemen, heel veel plannen maken,
maar die kunnen door een onverwachte gebeurtenis zomaar ondersteboven worden gegooid.

Je kunt gaan nadenken over een pensioen:
Als ik niet meer hoef te werken, kan ik een aantal leuke dingen doen
waar ik nu nog niet aan toe kom.
De gedachte dat je pensioen eraan komt, kan je op de been houden,
maar je weet niet helemaal zeker of je dat pensioen ook daadwerkelijk haalt.

Je kunt een eigen bedrijf willen starten
en van tevoren alles goed doordacht hebben,
met verschillende mensen en instanties doorgesproken.
Onverwacht zit de economie tegen of gaat een belangrijke afnemer failliet
en je bedrijf komt in zwaar weer door die gebeurtenis die je niet kon zien aankomen.

Al die praktijken en technieken die in Deuteronomium 18 verboden worden,
hebben met die toekomst te maken, die toch altijd iets onvoorspelbaars blijft houden.
Ze maken de toekomst een beetje zekerder
Door met God wat te onderhandelen:
Als U nou dit doet, dan zet ik dat er tegenover.
Als U mij nu een goede omzet geeft, zal ik er U iets van geven.
Als U mij weer gezond maakt, zal ik U dan iets voor U terug doen.
Als U ervoor zorgt dat mijn huwelijk weer goed functioneert,
dan zal ik meer in de Bijbel gaan lezen en meer tijd besteden aan gebed.
Het heeft er iets van dat God in mij investeert en dat ik Hem daarvoor terug betaal.
Hij doet iets voor mij wat ik graag zou willen
en Hij krijgt er iets voor terug.
Dat is die eerste methode, die eerste techniek: de kinderen door het vuur laten gaan.
Waarschijnlijk gaat het niet om een verbranden van kinderen,
maar om een ritueel waarbij een kind wordt afgestaan aan God
Door dat kind tussen twee vuren door te laten lopen
of een soort brandmerk te geven: dit kind is nu van God.
Het heeft iets van God onder druk zetten:
U krijgt mijn kind pas als U als eerste iets geeft.
Als U dat niet geeft, mijn wens niet in vervulling laat gaan, dan krijgt U niets.
Het heeft iets van je toekomst zekerder willen maken door God te manipuleren, te bespelen.
Mijn toekomst heb ik eigenlijk niet in de hand,
maar als ik God onder druk zet, bespeel, dan heb ik er toch invloed op
dat ik een bepaalde, diep gekoesterde wens in vervulling zie gaan.

Waarom wordt deze praktijk zo scherp veroordeeld?
Want dat je iets alvast iets belooft, omdat God je wil helpen,
dat hoeft toch niet verkeerd te zijn?
Als je weer gezond wil worden, als je wilt dat je huwelijk weer een stuk beter wordt,
als je een bedrijf op wil starten,
dan kun je toch ook bidden om Gods hulp
en soms ook hartstochtelijk bidden om Gods hulp
en bij jezelf denken: als God mij helpt, dan wil ik mijn dankbaarheid tonen.
Maar in de praktijk die wordt veroordeeld,
gaat het niet om bidden,
want het  Uw wil geschiede ontbreekt.
De correctie die de Heere kan aanbrengen op onze plannen,
omdat de Heere dat voor ons beter acht, ontbreekt.
Iemand die zo sjachert met God, God probeert te manipuleren
is zo sterk overtuigt van zijn eigen plan;
dat zit zo goed in elkaar, dat moet wel doorgaan.
God zelf had dat niet beter kunnen bedenken.|
Hier is iemand bezig, die zich op hetzelfde niveau van God plaatst,
of misschien wel boven Hem
vanuit de gedachte: ‘Ik weet beter dan God wat goed voor mij is!’
Menselijke hoogmoed, waarbij iemand zichzelf zo belangrijk maakt als God zelf
en denkt God voor te kunnen schrijven hoe Hij moet handen.

En misschien is dat nog wel niet het ergste.
Want als je God onder druk zet, als je God wil manipuleren (‘eerst U, dan ik!’)
laat dat zien dat hoe je over God denkt.
Dat je Hem niet als een royale God, die van harte geeft en deelt van Zijn overvloed,
maar een God bij wie je moet leuren, die je moet omkopen
om iets gedaan te krijgen.
Het verraadt dat je denkt: Ik kan niet op God aan; ik vertrouw Hem niet.
Dan zie je niet wat God je steeds weer geeft:
de kleine en de grote zegeningen.
De grote zegening, zegt Mozes hier, is dat het volk het land krijgt,
een geschenk van de eigen God, die zich verbonden heeft met Zijn volk.D
Dan zie je niet hoe God steeds bezig is voor je te zorgen,
je gelukkig te maken, je een weg door het leven te wijzen onder Zijn zegen.
In die eerste techniek die genoemd wordt – over de kinderen die door het vuur gaan –
klinkt niet alleen de onzekerheid over de toekomst door
en daar grip op willen hebben,
maar ook onzekerheid over God, niet weten wat je aan God hebt
en daarom grip op Hem willen hebben door Hem onder druk te zetten.
Bij deze techniek is er nog wel het geloof dat God iets voor je kan doen,
maar dat je Hem dan wel een zetje moet geven.

Bij die andere technieken die genoemd worden
is meer de suggestie dat God niet zoveel zal doen.
Hij heeft niet zoveel invloed op wat er hier in het leven op aarde gebeurt.
Hij zit in de hemel.
Hij is te groot om Zich bezig te houden met dat aards gewemel, dat gepriegel.
Wie van deze technieken gebruik maakt
– het raadplegen van een waarzegger, het bekijken van wolken –
denkt ten diepste bij zichzelf: mijn kleine leventje is te onbelangrijk voor God.
God is er alleen voor het grote geheel:
de koers van de wereld of misschien is dat zelfs nog wel te klein voor Hem
die groter is dan alle zonnestelsels bij elkaar.
“God is zo groot, ik kan me niet voorstellen dat Hij zich bemoeit met mijn kleine leventje.”
De hele wereld zit vol wetmatigheden.
Als je die kent, dan weet je ook welke toekomst er op je afkomt
en dan kun je je erop instellen.
Als je naar de wolken kijkt en naar de gang die ze door de lucht gaan,
dan kun je daar iets zien van wat er in je leven gaat gebeuren.
Als je naar de sterren kijkt, de stand van de sterren, de horoscoop,
dan kun je een klein beetje weten wat er deze week in jouw leven gebeurt.

En waarom is dat dan zo erg dat Mozes zijn hartgrondige afkeer uitspreekt
en spreekt over gruweldaden, verfoeilijke praktijken?
Omdat ze ons aanleren de wereld te zien zonder God,
zonder dat God actief in deze wereld ingrijpt.
Je kijkt naar deze wereld, alsof er geen God is.
Alles ligt toch al vast en God verandert dat niet.
Je hoeft niet te bidden, want dat heeft toch geen enkele zin.
Jouw gebedje, die paar menselijke woordjes, kunnen die grote God toch niet bereiken.
Hij verandert de koers van de wereld niet om jou een beetje te helpen.
Bidden is meer dat je zelf met Gods weg met jou in het reine komt.

De Bijbel laat juist het tegenovergestelde zien:
God die zich actief bemoeit met deze wereld.
Het volk Israël heeft dat zelf kunnen ervaren:
hun noodkreten in Egypte bereikten de hemel
en God deed de poorten van Egypte open.
Vanmiddag zullen we dat in de kinderdienst ook horen:
het onrecht dat door Ninevé wordt gedaan, het oneerlijke en wrede van deze stad
is voor de Heere reden om zich actief te gaan bemoeien.
En Hij stuurt er een enkeling op af, een klein mens om die honderdduizenden te veranderen.
En wat dacht u van Abraham, die het waagde met God te onderhandelen
door de Heere wat betreft Sodom en Gomorra op andere gedachten te brengen
en de Heere die de smeekbeden van Abraham serieus neemt:
Als er nog 10 rechtvaardigen zijn, zal Hij de stad sparen
en Zijn plan om de stad te verwoesten niet ten uitvoer te brengen.
Het gebed van een enkel mens kan God al op andere gedachten brengen
en een hele koerswijziging in de geschiedenis tot stand brengen.

Vreugde of blijdschap, droefheid of smart,
er is een God, er is een God,
stort bij Hem uit, o mens toch Uw hart,
er is een God Die hoort.
Ga steeds naar Hem om hulp en om raad,
wacht niet te lang, ’t is spoedig te laat,
dat niet door twijfel ’t hart wordt verstoord,
er is een God Die hoort.

Ik vind het altijd weer indrukwekkend en troostvol om die ene zin te zingen
uit het Adventslied: en onder millioenen hebt Gij ook mij in ’t oog.
Israël, weet je waarom je je daar niet mee moet inlaten?
Ze suggereren dat je God niets om te geeft.
Dat je te onbetekenend bent, te nietszeggend,
dat jouw lot Gods hart niet in beweging kan brengen, God niet kan raken.
Gemeente, ik hoop dat u uw Bijbel beter kent
en dat u God beter kent om te weten
dat God zich steeds weer opnieuw laat raken, zich laat zien,
zich met uw leven bemoeit, actief bemoeit
en in staat is en bereid is om een hele koerswijziging in uw leven aan te brengen
en Zijn plan met u, met jou te wijzigen, omdat je tot Hem bidt voor jezelf.
Verbidden: door gebed God op andere gedachten brengen.

In plaats van al die praktijken, vraagt God iets anders en geeft Hij ook iets anders.
Hij vraagt oprechtheid en Hij geeft een profeet.
Oprechtheid (vers 13) – daarbij gaat het om een hart dat onverdeeld is.
Vaak kan ons hart juist verscheurd zijn:
Aan de ene kant wil je God dienen, aan de andere kant trekt de wereld nog zo.
Aan de ene kant wil je tijd voor God hebben, aan de andere kant is er nog zoveel dat moet.
Aan de ene kant wil je je helemaal overgeven en leven in vol vertrouwen op God,
maar je wilt toch weten waar je aan toe bent, grip hebben.
Aan de ene kant wil je helemaal voor God gaan, maar aan de andere kant,
Stel je dat God je laat zitten en niet geeft wat je nodig hebt,
laat ik er dan maar iets bij nemen, waar ik ook mijn vertrouwen op stel.
Iets om achter de hand te hebben, voor het geval God niet thuis geeft.
Doe dat niet! Maar zorg ervoor dat je hart helemaal op God gericht is.
Eén richting, één totale focus op God.
Loyaliteit zonder reserve, overgave zonder iets van jezelf terug te houden.

Om die gerichtheid, die loyaliteit, die overgave te versterken
geeft God een profeet,
geen uitzonderlijk iemand, niet iemand die allerlei geheimzinnige kennis heeft
en ingewikkelde rituelen om invloed op God uit te oefenen heeft,
maar iemand die is zoals jullie.
Die daarom ook je worstelingen kent, je strijd om je hart op God te richten.
Vanmiddag gaat het over een profeet, die niet naar God wil luisteren
en voor God op de loop gaat.
Een mensje uit het stof verrezen, maar wel iemand die Mijn woorden tegen je zegt.
Iemand, net als jullie, maar die wel het besef levend houdt,
dat God er voor je is, dat Hij om je geeft
en dat Hij niet aan jou voorbijgaat, maar je door en door kent
en voor jou persoonlijk een weg heeft uitgestippeld
en die hoopt dat je tot Hem komt.
Geen supermens of supergelovige, maar wel iemand die gekenmerkt wordt
door oprecht geloof en de strijd met het eigen hart aangaat
om de aandacht volledig op God te hebben, gaat voor de focus
in een wereld die steeds afleidingen biedt
en allerlei alternatieven voor God aanreikt.
Door die mens, door die woorden is God zelf in het midden,
de levende God die Zijn stem laat horen, die Zich bekend maakt,
Die geen geheimzinnige macht is, die je nauwelijks kunt kennen,
maar tot wie je kunt gaan met je gebeden, met je dank,
Met wie je kunt leven, met wie je kunt strijden – net als Jakob – om de zegen te ontvangen.

In de Herziene Statenvertaling staat Profeet met een hoofdletter
waarmee het geloof wordt aangegeven dat die Profeet uiteindelijk Christus is.
Dat is Hij ook, deze profeet, God die aan ons gelijk werd,
maar tegelijkertijd is het ook de belofte dat in elke tijd mensen zullen zijn,
die profeet zijn,
die tegen je zeggen wat God van jou vraagt,
die tegen je zeggen wat God in deze tijd vraagt,
die in deze tijd aanwijst waar God werkzaam is,
die het steeds weer zegt en voorleeft, dat God er is, en werkt
dat Christus, de Profeet die opstond, de Heer is die leeft tot in alle eeuwigheid.
Amen



Preek zondagmiddag 16 oktober 2016

Preek zondagmiddag 16 oktober 2016
Kinderdienst. Thema: Overboord
Jona 1

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is een mooie stad: de stad Ninevé:
indrukwekkende gebouwen, een brede muur om de stad
en de inwoners zijn trots: hun stad is een van de belangrijkste van heel de wereld.
De koning die in hun stad woont, is de baas over een heel groot deel van de wereld.
De soldaten van deze stad hebben een veel landen veroverd.
Als je door de stad loopt, zie je dat deze stad een belangrijke stad is:
aan de gebouwen, rijk versierd en knap gebouwd,
aan de mooi aangelegde parken – echt de sfeer van een hoofdstad
aan hoe de mensen door de stad lopen: als je in Ninevé woont, ben je niet zomaar iemand,
maar behoor je tot het volk dat grote macht heeft.
Wee het volk of de stad dat ruzie krijgt met de stad Ninevé:
Binnen korte tijd staan de soldaten van Ninevé voor de poort
en ben je in een oorlog die je niet kunt winnen.
Je zult zien dat veel mensen zullen sneuvelen
en degenen die het wel overleven worden meegenomen als oorlogsbuit.
Als je er niet mee eens bent, kun je beter zwijgen,
want een confrontatie overleef je niet.
Ninevé is te sterk en wie het sterkst is, wint alles
en verplettert je gewoon als je er niet mee eens bent.
Bij elke overwinning die de soldaten van Ninevé behalen,
lopen de koning en de soldaten van het leger in een indrukwekkende en trotse parade
naar de tempel om hun goden te danken voor de overwinning.
Ze zeggen het hardop – en als ze het niet zeggen
dan laten hun mooi versierde wapens, hun mooi gebouwde huizen het wel zien:
wij zijn de besten op deze wereld; niemand kan tegen ons op; de wereld is van ons.

Dan is er ook God nog, die hemel en aarde geschapen heeft
en alles ziet wat er op aarde gebeurt
en die sterker is dan welke koning, welk land of welke macht ook.
God die alles bestuurt en regeert.
God ziet ook de stad Ninevé.
Hij ziet dat het een grote stad is, met indrukwekkende gebouwen,
een sterk leger en met macht over een groot deel van de wereld.
Maar de Heere ziet ook nog iets anders:
Namelijk alles wat Ninevé doet.
De wreedheid waarmee Ninevé oorlog voert,
de oneerlijkheid van iemand die zo sterk is dat hij met niemand rekening hoeft te houden.
In die grote stad zijn er mensen gekomen,
meegenomen door de soldaten uit de gebieden die veroverd zijn
en hard moeten werken om die mooie gebouwen te maken,
geslagen worden als ze niet hard genoeg werken,
bespuwd worden omdat zij minder zijn en niet meetellen voor de mensen uit Ninevé.
De Heere God ziet ook dat niemand tegen deze grote, wrede stad op durft.
‘Wacht maar, jij grote stad, ondanks al je macht, al je pracht en praal,
met één mens krijg Ik je al omver.
Als niemand tegen je op durft, zal Ik komen,
niet groot en sterk, maar door één mens, klein en nietig, Jona, Mijn knecht.’
Als mensen slecht zijn en oneerlijk
en niemand durft er iets tegen te doen, dan is er God die komt,
om het slechte te bestrijden en het oneerlijke weer goed te maken.

Daarom gaat de Heere God naar Jona toe:
‘Jona, stap op, je moet iets voor Mij doen.
Maak je klaar, want Ik wil dat je naar Ninevé gaat.
Jij moet de mensen van Ninevé vertellen dat Ik klaar ben
met al het oneerlijke en gemene dat zij doen.
Roep tegen die stad! Klaag die stad aan!
Laat die stad weten, dat wat ze doen, echt niet kan!
Want het gemene, het oneerlijke dat zij doen, is ten hemel schreiend
– Ninevé vraagt er zelf om dat Ik iets tegen hen ga doen!’

En wat doet Jona?
Hij staat op en maakt zich klaar voor een lange reis,
maar dan helemaal de andere kant op:
naar Tarsis, helemaal aan de andere kant van de wereld
daar waar je niet verder kan,
naar een plek waar ze nog nooit van God hebben gehoord.
In zijn eentje tegen die grote machtige stad?
Jona, hij voelt zich te klein om iets tegen dat grote machtige Ninevé te doen.
Dit kan hij niet.
Hij wil ergens zijn waar de Heere niet meer tot hem kan spreken.
Hij vlucht weg – niet alleen voor de opdracht, maar voor God zelf.
Maar kan dat wel?
Wegvluchten voor God, op de loop gaan zodat de Heere je niet kan vinden
en jezelf zo klein maken dat God je niet meer ziet?
lag ik neer in het dodenrijk – u bent daar
Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad,
al ging ik wonen voorbij de verste zee,
ook daar zou uw hand mij leiden,
zou uw rechterhand mij vastgrijpen. (Psalm 139: 8b-10)

Kun je wegvluchten voor God, die de hemel, de aarde en de zee geschapen heeft?

[Koppeling naar themazetting]


Jona vlucht over de zee.
De zee, dat was gevaarlijk gebied.
Daar ging je niet zomaar overheen.
De zee heeft iets van de dood, van een macht die alles kapot maakt
en niets in leven laat.
Liever vluchten over de zee dan roepen tegen Ninevé.

Door een hevige storm op zee te sturen, laat God aan Jona weten
dat Hij hem opzoekt.
Het is zo’n hevige storm dat het schip doormidden dreigt te breken
vanwege de harde wind en de hoge golven.
Je kunt het aan de zeelui op het schip merken: ze zijn bang.
Zoiets hebben ze nog nooit meegemaakt.
Het is alsof de hemel boos op hen is.
Tegen de harde wind in roepen ze luid tot hun goden: ‘Help ons, ons schip gaat kapot!
We zullen verdrinken! Dit overleven we niet!’

En Jona? Jona slaapt.
Terwijl het schip op en neer gegooid wordt op de golven
en de zeelui in hun gebed roepen en schreeuwen tot hun eigen goden,
is Jona de enige die niet tot God roept, omdat hij ver weg is, diep in slaap.
Het is hem gelukt bij God weg te komen. Deze opdracht hoeft hij niet te doen.
De kapitein van het schip komt erachter dat Jona nog steeds slaapt
ondanks de harde wind die over het schip giert,
de hoge golven die het schip op en neer gooien.
‘Man, wordt wakker, misschien trekt jouw God iets aan van onze situatie
en is Hij bereid om ons te redden van de dood!’
De andere mannen op het schip willen ondertussen wel weten
Waarom de hemel, waarom God zo tekeer gaat tegen hun schip
en ze komen erachter, dat die man die zomaar met hen meegaat naar Tarsis
De schuld ervan is dat zij in zo’n zware storm zijn.
‘Man,’ schreeuwen ze door de storm heen, ‘Waarom deze ramp?
Wie ben je en wat kom je hier aan boord doen en waar kom je vandaan?’

Ja, wat moet Jona daarop zeggen?
Wie is hij en waarom is hij hier op dit schip?
Moet hij zeggen dat hij een profeet die bij Gods volk behoort en
die een boodschap namens God heeft maar voor God op de vlucht is?
Als Jona dat vertelt, worden ze nog banger dan ze al zijn.
Jona op de vlucht voor God komt in aanraking met mensen
die onder de indruk zijn van God, die weten dat zij niet tegen God op kunnen.
Wat moeten wij doen, om je God tevreden te stellen, om de zee te bedaren?

‘Gooi me maar in zee. Dan zal de zee jullie met rust laten.’
Waarom eigenlijk?
Gooi me maar overboord!
Overboord? Jona, maar dan verdrink je toch?
Ik denk dat dat juist de bedoeling is.
Als God me achterna komt en ik niet verder kan vluchten,
Dan doe ik een laatste poging.
als God mij uitdaagt, dan daag ik God uit.
Zoals kinderen dat wel eens kunnen zeggen: Pak me dan als je kan.
Jona biedt zich aan als offer om God tot rust te brengen.
Jona weet dat God hem wil hebben,
Dat Jona gehoorzaam is en doet wat God hem opgedragen heeft.
God wil Jona hebben, nou dan zal God Jona krijgen.
Dan moet God maar zien hoe Hij mij in Ninevé krijgt.
Als ik verdrink, kan God niets meer met mij beginnen.

Kan God als je gestorven ben, niets meer met je beginnen?
Lag ik in het dodenrijk – u bent daar.
Was Jezus ook niet in de dood, gestorven, drie dagen lang
en kwam Hij uit het graf tevoorschijn, levend – opgestaan uit de dood!
Het verhaal van Jona lijkt op het verhaal van de Heere Jezus,
alleen wist de Heere Jezus dat Hij weer uit de dood tevoorschijn zou komen
en wilde Jona zich verstoppen voor God, God uitdagen.
Heere God, als ik gestorven ben, kunt U niets meer met mij!

De mannen op het schip, zij kennen de gedachten van Jona niet.
Zij denken juist dat Jona zich gevangen geeft en tegen zijn God zegt:
Hier ben ik, Uw wil te doen, mijn God, verlang ik (Psalm 40:8-9)
De mannen aarzelen: Jona, als je onschuldig bent,
dan gaan we er helemaal aan, dan treft de toorn van je God ons schip.
Ze roepen tegen de Heere – zoals Jona tegen Ninevé had moeten roepen.
Een laatste poging om God op andere gedachten te brengen,
maar als de storm niet ophoudt,
pakken ze Jona op en gooien hem overboord.
Zodra ze dat doen, is het stil:
Een zacht windje, rustige, kabbelende golven,
het schip vaart zachtjes vooruit.
Dit is dus de God van Jona, de God van Israël.
Deze God heeft de hemel en de aarde gemaakt.
Ze zijn vol ontzag voor de Heere
en ze zeggen tegen Hem:
Heere, als we op het land aankomen, zullen we U een offer brengen
omdat U ons leven gespaard heeft en we behouden mochten aankomen?

En Jona?
Hij dacht dat het voorbij was, als hij overboord was en dacht God slim af te zijn.
Maar hij is God niet de baas
Er komt een grote vis, die slokt hem op.
Jona, je gaat niet onder. Wel gevangen.
Je wilde je verstoppen.
Nu verstop ik je.
Je wilde naar de dood.
Nu ben je in de dood.
Maar midden in de dood ben je in leven.
Niet jij, maar Ik bepaal, zegt God tegen Jona.
Jona, als je voor Mij vlucht, dan vind ik je.
Als je bij Mij weg wil, weet ik je op te speuren en terug te brengen.
Jona, jouw verhaal laat ook al iets van Pasen zien:
waar je denkt dat het met de dood is afgelopen,
dan weet je niet wie Ik ben: sterker dan de dood.
In de dood is er leven
en als je opnieuw geboren wordt, dit keer uit de mond van die vis,
zul je wel Mij gehoorzaam zijn
en de boodschap tegen Ninevé zeggen.
Want Jona, Ik wil niet, dat de oneerlijkheid, het gemene en wrede van Ninevé
voort blijft duren en dat niemand hen stopt.
En al denk je: ik ben maar een klein mens en kan niets tegen die grote stad
– Door jou de baas te zijn, Jona, laat ik ook zien,
dat Ik Ninevé de baas ben.

En wij?
Wij mogen in het verhaal van Jona zien,
dat God hemel en aarde gemaakt heeft, over alles de baas is,
ook over de storm en de zee, ook over de dood
en over elke macht die er op aarde is.
Al is die macht sterker dan wij – God is sterker en overwint!
Wij kunnen denken, dat het geen zin heeft
om in ons eentje een ander geluid te horen.
Maar Jona, in zijn eentje, tegen die grote stad.
Je zou denken: dat wint hij nooit.
Maar die kleine, kwetsbare man, gered uit de buik van de vis, opgevist uit zee,
wordt de stem van God
en die ene man krijgt die grote stad Ninevé op de knieën.
Zo laat God Zijn macht zien: de ene keer in de grote storm,
De andere keer juist door iets kleins: één man tegen een grote wereldstad.
Dit is onze God!
Amen


Voor wie het Duits machtig is: de fascinerende Bijbelse ballade van Klaus-Peter Hertzsch – ‘Jona und die schöne Stadt Ninive’ 

Onbevangen over God spreken in een complexe werkelijkheid

 

Onbevangen over God spreken in een complexe werkelijkheid

De inhoud van de preek raakt mensen niet in wat hen vandaag de dag bezig houdt. Dat is de stelling van Reiner Knieling in zijn boek Was predigen wir? Daarom is het hoog nodig tijd dat er in de homelitiek na decennia van aandacht voor de vorm en de receptie van de preek ook aandacht komt voor de inhoud van de preek. Om daarbij na te gaan welke boodschap wel landt en de mensen iets laat zien van wat het evangelie voor hen betekent. Knieling wil predikanten stimuleren om bij deze thema’s ongecompliceerd (einfach) over God te spreken. Dat ongecompliceerde heeft volgens mij twee elementen in zich: (1) eenvoudig, to the point en  (2) vrijmoedig, onbevangen, zonder schroom

Waarom raakt de inhoud van de preek niet? Omdat hedendaagse preken hebben wel een boodschap die ontleend is aan het evangelie, maar niet is afgestemd op de hedendaagse hoorder. Of omdat de preken hebben wel een boodschap die is afgestemd op de hedendaagse hoorder maar missen de link met het evangelie, waardoor de boodschap een algemene waarheid wordt waarmee het christelijk geloof aan relevantie verliest.

Contextualisatie
Knieling wil laten zien dat er ook een andere weg mogelijk is: namelijk nagaan wat de mensen vandaag de dag bezig houdt en daarbij aanknopingspunten vinden in de christelijke traditie. Tussen de regels door proef je af en toe de verbazing van Knieling waarom deze weg, waarbij er gezocht wordt naar aanknopingspunten, nog zo weinig wordt gegaan. Immers in de missiologie is de contextualisatie van het christelijk geloof niet meer weg te denken. Daarnaast wordt er al enkele decennia binnen de dogmatiek gezocht naar aanknopingspunten. Deze zoektocht heeft creatieve theologische ontwerpen opgeleverd. In de kerkelijke praktijk, waarbij er voor elke zondag preken gemaakt moeten worden, hebben de discussie over de contextualisatie en die creatieve ontwerpen nauwelijks doorwerking gehad.

Geen koppeling
De prediker hanteert wel de christelijke begrippen, maar de inhoud van de begrippen is verloren gegaan. Welke luisteraar weet bijvoorbeeld nog wat zonde inhoudt? Terwijl predikers vaak veronderstellen dat hun kerkgangers nog wel weten wat zonde inhoudt.  In hun denken en handelen laten kerkgangers zich niet meer leiden door de christelijke traditie, omdat voor hen die koppeling tussen inhoud van het christelijk geloof en hun dagelijks leven niet meer bestaat. De hoorders maken bijvoorbeeld geen koppeling meer tussen zonde en de tragiek die er in hun eigen leven kan zijn. En hebben kerkgangers vandaag de dag wel behoefte aan preken, die over redding en verlossing van de zonde gaan? Of houden andere thema’s hen bezig, die in de preek niet aan de orde komen? Als dat zo is, groeien geloof en dagelijks leven nog verder uit elkaar, omdat in de preek de verbinding tussen christelijk geloof en dagelijks leven niet wordt gelegd.

Complexe tijd
Om die koppeling te maken tussen geloof en dagelijks leven dient de prediker te weten in welke tijd we leven. Het is goed om bij het voorbereiden van de preek te realiseren dat we in een complexe tijd leven en dat veel gemeenteleden die complexiteit dagelijks ervaren. Er zijn namelijk veel tegengestelde tendensen in onze maatschappij:

* Aan de ene kant kunnen we zeggen dat de mogelijkheden om te kiezen zijn toegenomen. Als het gaat om kiezen van opleiding, beroep, partner, vormgeven van het eigen leven zijn de mogelijkheden aanzienlijk toegenomen. Aan de andere kant zijn er nog steeds mensen in onze maatschappij die deze keuze niet hebben. Door armoede, gezinssamenstelling, ontslag zijn de keuzes voor hen beperkt. Zij hebben de energie of de financiële mogelijkheden niet om deze keuzes te kunnen maken. Zij hebben hun handen vol aan het overleven.

* Aan de ene kant kunnen we zeggen dat er veel meer vrijheid is gekomen door de mogelijkheid om te kiezen. Aan de andere kant kunnen we steeds weer merken dat het gezin van herkomst, de sociale klasse, de regio waaruit we komen mede bepalend zijn voor ons denken en handelen. Onze herkomst kan de vrijheid om te kiezen beperken, bijvoorbeeld door een loyaliteit naar ons gezin van herkomst.


* We kunnen allerlei idealen hebben, die we willen verwezenlijken. Maar die idealen kunnen stranden door een echtscheiding, een ontslag, een burnout.


* Voor het ene gemeentelid kan er sprake zijn van een opklimmen op de sociale ladder; voor het andere een stap terug (of is de dreiging van die stap terug reëel aanwezig).


Zeggingskracht verloren
Naast de toenemende complexiteit van de maatschappij zijn ook verschillende tradities, die voor houvast, identiteit, emancipatie en sturing zorgen verdwenen. Postmodern uitgedrukt: de grote verhalen hebben hun zeggingskracht verloren. De enkeling in deze maatschappij kan daarom niet zomaar terugvallen op een groep of op een levensbeschouwelijk kader. Geldt dat voor het christelijk geloof ook? In ieder geval zijn veel begrippen niet meer bekend en zijn ook veel christenen niet meer hun traditie in te zetten voor betekenisgeving.

Preken in deze tijd lijkt er daardoor niet makkelijker op geworden: Veel gemeenteleden maken uit zichzelf niet meer de koppeling tussen hun dagelijks leven en het christelijk geloof. De begrippen zijn voor veel gemeenteleden niet meer bekend. En dan zijn die begrippen voor buitenstaanders helemaal onbegrijpelijk. Gemeenteleden zitten vaak niet te wachten op een diepgravend theologische of exegetische uiteenzetting, maar hebben behoefte aan een boodschap die nauw aansluit bij wat hen hun dagelijks leven bezig houdt.


Oog voor de diversiteit
Toch is het niet de bedoeling van Knieling om hedendaagse predikers te ontmoedigen. Integendeel, hij wil predikers enthousiast maken voor en wil laten zien welke kansen een prediker vandaag de dag heeft. Deze tijd vraagt om onbevangen over God te spreken, waarbij de inhoud niet te ingewikkeld is, maar juist nauw aansluit bij het dagelijks leven. Het spreken over God gebeurt wel in een complexe werkelijkheid met vaak tegengestelde ontwikkelingen. Ook de ervaringen die mensen met God hebben zijn verre van eenvoudig.

Knieling wil die complexe werkelijkheid niet reduceren, maar geeft aan dat deze tijd juist vraagt om die complexe werkelijkheid aan de orde te stellen als verschillende stemmen die reageren op de inhoud. Die complexe werkelijkheid en het leven met God dat vaak verre van eenvoudig is kan de prediker doen verlammen, waardoor hij of zij geen boodschap durft te brengen of komt met een boodschap die clichématig is. Een boodschap kan wel gevonden worden als de prediker oog krijgt voor diversiteit: de diversiteit van de Schrift, de diversiteit aan ervaringen met God binnen de gemeente, de diversiteit aan visies op een thema uit de christelijke geloofsleer.

Onbevangen
Het klinkt paradoxaal: als er  in de preek ruimte komt voor de diversiteit van geloofservaringen en de complexiteit van onze samenleving komt er ruimte voor een onbevangen spreken over God. De prediker hoeft zich namelijk niet groter te maken dan hij of zij is: de prediker hoeft geen supergelovige te zijn die het beter doet dan het gemiddelde gemeentelid, maar mag ook gewoon mens zijn en juist de eigen kwetsbaarheid en worstelingen inbrengen, het zoeken, samen met het geraaktzijn door het thema of het Bijbelgedeelte, de vreugde. De prediker is dan een stem binnen het geheel van de gemeente. Geen onbelangrijke stem, want geroepen om Gods Woord binnen de gemeente te verkondigen. De prediker is iemand die tijd en rust gevonden heeft om zich te verdiepen in Gods Woord, naar Gods spreken te luisteren, dat spreken op zich in te laten werken. Een getuige, die binnen de gemeente iets mag delen van de ervaringen, de worstelingen, de vragen, antwoorden die soms gevonden worden, vragen die uitgehouden moeten worden, omdat daar geen eenvoudig antwoord op te vinden is.
Maar de prediker is niet de enige binnen de gemeente die ervaringen met of kennis over God heeft. Voor Knieling is het gesprek binnen de gemeente over de inhoud van de verkondiging van grote betekenis. Dat gesprek scherpt de voorganger en helpt de gemeenteleden de boodschap nog meer eigen te maken.

Inhoud
Knieling wil aandacht voor de inhoud van de verkondiging. Welke thema’s zijn relevant in deze tijd? Welke thema’s komen dicht bij de mensen vandaag de dag en kunnen gemeenteleden helpen om een verbinding te maken tussen hun geloof en hun dagelijks leven? De thema’s die hij aandraagt, komen op uit zijn analyse van de maatschappij met die tegengestelde ontwikkelingen:

  • Falen
  • Heil en gezondheid
  • Het lijden en sterven van Jezus
  • Het perspectief van mannen
  • Armoede, rijkdom en sociale gerechtigheid

Binnen de christelijke geloofsleer kan er gezocht worden naar aanknopingspunten, waarbij er een brug geslagen wordt tussen de inhoud van het christelijk geloof en de ervaringen in het alledaagse leven.

Verpakken
De inhoud van het christelijk geloof kan niet rechtstreeks worden doorgegeven, maar dient te worden ‘verpakt’. Om te kunnen verpakken is een nauwkeurige observatie van de huidige maatschappij en de hedendaagse ervaring van belang, waarbij er oog is voor de positieve, negatieve en ambivalente ervaringen op dit terrein. Net zo belangrijk is een goede kennis van dat onderdeel van de christelijke geloofsleer: de diversiteit aan interpretaties, de positieve, negatieve en ambivalente ervaringen binnen de gemeente op dit vlak. Bij het ‘verpakken’ van de christelijke inhoud wordt de dialoog gevoerd tussen de hedendaagse ervaringen en de inhoud van het christelijk geloof, zodat voor de prediker helder wordt wat de kansen en de belemmeringen zijn om de verbinding te leggen.

Falen
Binnen de gemeente en in de hedendaagse maatschappij zijn er veel mensen die ervaring hebben met falen, met dromen die niet uitkomen, verwachtingen die stuklopen. Aanleiding voor Knieling om het thema falen te doordenken was een gesprek op een verjaardag, waarbij iemand deelde van de frustrerende ervaringen rondom een echtscheiding. Deze persoon gaf aan: ‘Ik wens dit mijn ergste vijand nog niet toe.’ Knieling vroeg zich af, wat er zou gebeuren als deze man de komende zondag in de kerk aanwezig zou zijn. Zou er een plek zijn in de dienst waar die ervaring aan de orde komen? Zou hij een verbinding leggen met zijn geloof? Of zou zijn geloof helemaal los staan van deze ervaring?
Er zijn verschillende ervaringen rondom falen: een ontslag, een echtscheiding, een studie die afgebroken moet worden, vriendschappen die niet onderhouden kunnen worden. Deze ervaringen komen in de gemeente voor naast ervaringen van een geslaagd leven. Soms kan dat in een mensenleven samen op gaan: een geslaagde carrière maar een vastgelopen huwelijk, een leuke vriendin maar een studie die niet afgemaakt kan worden.
Wanneer je ergens in faalt, is dat niet iets om mee te koop te lopen. Integendeel: falen roept een gevoel van schaamte op, van mislukken. Falen kan te maken hebben met eigen schuld en ook met overmacht en noodlot.

Tragiek
Knieling brengt het falen in gesprek met de zondeleer. In de afgelopen decennia is er bij de doordenking van de zondeleer meer aandacht gekomen voor het tragische van de zonde. De nadruk ligt niet meer op het schuldig zijn tegenover God, maar op het verstriktzijn in verkeerde structuren. In dat verstriktzijn in die verkeerde structuren kan er sprake zijn van eigen schuld, maar ook van noodlot en overmacht. Christenen zijn geen supermensen, die dit verstriktzijn ontlopen of die hiervoor bespaard worden. Ook zij hebben te maken met de tragiek van het bestaan en met falen: soms door eigen toedoen, soms door wat hen overkomt waarbij het niet duidelijk is wat aan de eigen verantwoordelijkheid is toe te schrijven.

Tragiek in verkondiging en liturgiek
De kerk doet er goed aan, volgens Knieling, om niet alleen de zonde als schuld (naar God of naar de medemens) aan de orde te stellen, maar ook de tragische kant. Dat kan in de verkondiging, maar ook eerder in de liturgie als de schuldbelijdenis wordt uitgesproken. Schuld hoeft niet weggeredeneerd te worden. Waar echt sprake is van schuld kan over de genade en vergeving gesproken worden. Waar sprake is van noodlot, tragiek die een mens overkomt, kan gesproken worden over het bevrijdend handelen van God die in Zijn liefde naar mensen op zoek is. De prediker doet er goed aan iets van de eigen ervaringen te laten zien, waardoor hij of zij zich solidair toont met de gemeente. Een belangrijke vraag bij de voorbereiding is: welke ruimte opent de preek die gehouden gaat worden? Is er ruimte om er in mee te komen? Is de prediker sensibel genoeg voor de ingewikkeldheid van de materie? Welke ruimte is er voor de gemeenteleden die op dat moment niet een ervaring van falen of schuld hebben, maar dankbaar en gelukkig zijn?

Heil en gezondheid
Wanneer mensen gevraagd worden naar het belangrijkste in hun leven scoort gezondheid vaak hoog. Binnen de gemeente en de maatschappij zijn er veel verschillende ervaringen: ziekte, behandeling, kuren en operatie en de spanning, de zorg en de verwachtingen die bijgesteld moeten worden. Daarnaast ervaringen van beter worden, afgesloten behandelingen, zorgeloos en vitaal op hoge leeftijd. In de maatschappij is er een sterk verlangen naar gezondheid en naar een wereld zonder pijn en verdeeldheid.
Hoe kan het christelijk denken over gezondheid, genezing, gelovig omgaan met ziekte, met Gods leiding in het leven worden verpakt, zodat gemeenteleden en buitenstaanders verder geholpen worden? Knieling pleit ook hier voor een sensibiliteit voor de verschillende ervaringen, die elkaar soms tegenspreken en tegelijkertijd voor een onbevangen spreken over God. Onbevangen spreken over God die deze wereld geschapen heeft. Bij de schepping heeft Hij heilzame krachten aan de schepping gegeven. Tegelijkertijd houdt de christelijke traditie eraan vast, dat God ook nu nog actief ingrijpt. Maar ook spreken over het uitblijven van dat ingrijpen, de vragen en de worstelingen die dat met zich meebrengt, het uithouden van de onmacht en de hoop op een leven in heerlijkheid.

Het lijden en sterven van Jezus
Een belangrijke vraag binnen de homiletiek is: wat zeggen we over Jezus? Binnen de kerk zijn verschillende visies gekomen op de betekenis van het lijden en sterven van Jezus. Hoe kan in de prediking omgegaan worden met die verschillende visies? Allereerst door te zien dat ook er in de Bijbel verschillende betekenissen aan het lijden en sterven van Jezus worden verbonden. Binnen de dogmatiek zijn die verschillende visies in de afgelopen decennia ook uitgewerkt. Bijvoorbeeld door het leven, het lijden en sterven te doordenken vanuit de opstanding. Of de kruisdood van Jezus te zien als het delen in onze machteloosheid. Knieling verzet zich tegen een theologie die in de kruisdood van Jezus genoegdoening voor God ziet. God hoeft niet verzoend te worden, maar wij mensen en God geeft die verzoening. De kruisdood van Jezus toont Gods liefde voor mensen. In de liturgie kunnen die verschillende interpretaties naar voren komen (bijvoorbeeld in kerkliederen). Een kans om de christelijke geloofsinhoud te verpakken is de identificatie met de figuren in de Bijbel die Jezus vergezellen op zijn weg naar het kruis. Of de weg van Jezus naar het kruis vertellen als de geschiedenis van Gods liefde tot mensen.

De perspectieven van mannen
Knieling is ook betrokken bij het onderzoek naar de perspectieven van mannen op de kerk, de theologie, op God en op de Bijbelse verhalen. Deze perspectieven komen veel minder in de theologie aan de orde dan de perspectieven van vrouwen. Hoewel de kerk en de prediking lange tijd door mannen gedomineerd is, heeft niet elke man zich thuis gevoeld in die door mannen gedomineerde wereld. Slechts de ervaringen en de visies van een beperkte groep van mannen is in de kerk aan de orde geweest. Daarom heeft een deel van de mannen een moeizame relatie met de kerk, omdat hun thema’s en vragen niet aan de orde zijn geweest.
Wat zijn dan de thema’s die deze mannen bezig houden? Uit studies onder mannen blijkt dat:
– dat zij het leven vaak zien als een strijd die moet worden aangegaan.
– de relaties die zij hebben voor hen van grote betekenis zijn, waarbij erkenning door die anderen van grote waarde is.
– behoefte aan avontuur
– behoefte aan inhoudelijke thema’s waarvan ze kunnen leren.
– behoefte aan een wereld waarin zij zich terug kunnen trekken om daar zichzelf te zijn (naast de werelden waarin ze verkeren: werk, kerk, gezin, enz).
– positieve aandacht voor de prestaties die zijn geleverd.

Kloof
Net als bij vrouwen kan bij mannen gelden dat er een kloof is tussen de officiële theologie van de kerk en de onofficiële geloofsbeleving van mannen. In de kerk rust er een taboe op trots en prestaties, want ‘ook onze beste werken zijn met zonde bevlekt’. Knieling neemt die onofficiële geloofsbeleving ook waar bij mannelijke predikanten, die dan bijvoorbeeld in een bijzin laten doorschemeren dat zij heel trots zijn op een behaald resultaat. Knieling ziet meer in een verpakking van het christelijk geloof, waarin die onofficiële geloofsbeleving niet verdrongen wordt, maar respectvol, sensibel en met oog voor de ambivalenties én de positieve ervaringen wordt gethematiseerd.


Behaalde resultaten
Aandacht voor de thema’s die veel mannen bezig houden leidt tot een herwaardering van de schepping en het verder doordenken van de scheppingstheologie, waarbij aandacht is voor de ervaringen van mensen. Die aandacht voor de schepping is niet vreemd aan de reformatorische theologie, maar kan ondergesneeuwd raken door exclusieve aandacht voor de christologie. Verder kan het zinvol zijn om op een positievere manier te spreken over de behaalde resultaten en de geleverde strijd, waarbij in de prediking een koppeling gemaakt wordt naar God. Op die manier leren mannen, die zich anders niet herkend voelen in de prediking, de verbinding te leggen tussen hun dagelijkse ervaringen en de God die hen roept.


Persoon van de prediker
Knieling pleit dus voor de verbinding tussen de dagelijkse ervaringen van gemeenteleden en de inhoud van het christelijk geloof, waarbij op een onbevangen manier over God gesproken wordt, maar wel sensibel voor de complexiteit van de wereld waarin wij leven. Het leggen van die verbinding, het kennen van de complexe werkelijkheid en het onbevangen spreken over God vraagt ook wat van de prediker. Namelijk dat hij of zij ook iets van zichzelf laat zien. De prediker hoeft zich niet helemaal bloot te geven, maar kan wel iets delen van de eigen ervaringen in deze werkelijkheid en de eigen ervaringen met God. Als een getuige die de andere gemeenteleden verder helpt. Dat vraagt om tijd en rust voor God. Dat vraagt een oefenen in het horen van Gods stem en het vertrouwen op God.

Dat vraagt om een oefenen in het spreken over God op een duidelijke en onbevangen manier: oefening in getuige zijn. Dat vraagt om een oefenen spiritualiteit, waarin de werkelijkheid van Gods werken en de dagelijkse werkelijkheid van de prediker met elkaar verbonden worden, waarbij er ruimte is voor de positieve en de negatieve ervaringen, voor de rust en de strijd, voor de zegen en de onmacht.
Dat vraagt om passie. Voor de verkondiging, maar ook voor bepaalde onderdelen van het dagelijks leven. Zoals Rudolf Bohren zijn Predigtlehre inzet met de dingen die hij hartstochtelijk doet: aquarellen schilderen, skiën, houthakken en preken. De passies van Knieling zijn: wielrennen, het observeren van mensen, discussiëren en preken. Preken vraagt om passie. Om passie voor God en voor de prediking. Maar ook om passie voor wat we in het alledaagse leven doen.

N.a.v. Reiner Knieling, Was predigen wir? Eine Homiletik (Neukirchen-Vluyn, 2009)


 

Contextualisatie

Contextualisatie
Reiner Knieling – Was predigen wir? (2011) – 4

Over enkele weken houdt IZB Areopagus Studiedag IZB Areopagus over de verandering in de prediking in de afgelopen decennia.  Ter voorbereiding van de conferentie wordt gevraagd literatuur te lezen. Onder andere: Reiner Knieling – Was predigen wir? In een aantal blogs wil ik iets van de inhoud weergeven. Tot slot geef ik aan wat Knieling relevant maakt voor die conferentie. Vandaag deel 4: contextualisatie

De inhoud van de preek raakt mensen niet in wat hen vandaag de dag bezig houdt. Dat is de stelling van Knieling. Binnen de praktische theologie is in de laatste decennia veel aandacht besteed aan de vormgeving, aan hoe de kerk zou moeten handelen, aan waarnemen van de situatie. Daardoor is de aandacht voor de inhoud van de boodschap ondergesneeuwd.

Buiten de maatschappij
De vormen van het christelijk geloof staan al buiten de maatschappij, maar met de thema’s en de uitwerking van die thema’s is dat nog veel sterker het geval, aldus Knieling. We leven in een cultuuromslag van een premoderne en laatmoderne tijd naar een postmoderne tijd. Veel gelovigen merken die omslag in hun eigen leven of in hun eigen omgeving. Niet alleen de verbinding tussen evangelie en context gebeurt nauwelijks in preken, maar in de verkondiging wordt ook nauwelijks recht gedaan aan het evangelie of aan de context.
Preken worden vaak gekenmerkt door clichés, vanzelfsprekendheden en banaliteit. God is niet meer een God die handelt, die zich laat zien, die rekenschap vraagt en gepassioneerd naar mensen op zoek is. God is geen tegenover meer en daardoor niet meer interessant en aantrekkelijk.

Knieling citeert Peter L. Berger: de kerk ‘vernietigt zichzelf, omdat mensen ontdekken dat ze moreel kunnen zijn en kunnen handelen zonder Jezus, dat ze authentiek en geestelijk gezond kunnen zijn zonder godsdienst en dat ze politiek betrokken kunnen zijn zonder kerk’.

Inhoud!
Volgens Knieling is het daarom urgent om de alledaagse ervaring van concrete mensen en de theologische doordenking op elkaar te betrekken. Ook in de homiletiek wordt nauwelijks nagedacht over welke inhouden er vandaag de dag in de verkondiging gethematiseerd en uitgewerkt zouden moeten worden.
(Met als uitzondering: Andrea Bieler & Hans-Martin Gutmann, Rechtfertigung der “Überflüssigen” en Heye Heyen, Heil verkündigen. Daarnaast is er binnen de Emerging Church- beweging enige aandacht voor de ‘contextualisatie’ van de inhoud van de christelijke boodschap)
Na decennia van aandacht voor de vorm van de preek en voor de luisteraar is het nu dringend nodig aandacht te besteden aan de inhoud van de preek (in vaktermen: materiële homiletiek).

Contextualisatie
Knieling was in de jaren-’80 op Sumatra, waar hij ontdekte dat de vorm van de kerkdienst en de kerkliederen sterk leken op wat er in de Duitse kerken gebruikelijk was. Toen hij daar was, kwamen net de meer Indonesich vormgegeven liederen op. De bekende uitspraak van Jezus, dat Hij het brood des levens is, werd niet aangepast aan een cultuur waar rijst het alledaagse voedsel was (omdat anders de link met het avondmaal verdween).
Het gaat Knieling om de bewustwording, dat er nagedacht moet worden over hoe inhoud en woorden vertaald moeten worden in een bepaalde cultuur. Het is niet van tevoren duidelijk hoe het evangelie in een bepaalde cultuur het beste wordt uitgedrukt. Die zoektocht daarnaar is niet zonder spanningen. Hij citeert Lesslie Newbigin: ‘Bij de poging ‘relevant’ te zijn, kan men in syncretisme vervallen en bij de poging om syncretisme te vermijden kan men betekenisloos worden.’

Ook binnen de Europese cultuur
Newbigin paste dit niet alleen op culturen waarin het evangelie nog maar recent gekomen was, maar paste dit ook toe op de Europese cultuur die al eeuwen door het evangelie is gestempeld. Ook in dat door het christendom gestempelde Europa is het van belang te zoeken naar hoe het evangelie vertolkt kan worden en verworteld kan raken. Misschien is deze opdracht nog wel makkelijker in een cultuur die vreemd is voor het evangelie, omdat het evangelie daar niet eerder heeft geklonken, dan in de Europese cultuur die reeds gestempeld is door het evangelie: Wat in de vormgeving en de verwoording van het evangelie cultuurgebonden en kenmerkend voor de premoderne of laatmoderne tijd en wat is blijvend omdat dat kenmerkend is voor het evangelie? Onze overtuigingen vallen niet samen met het evangelie. Hoe kunnen we onderscheid maken tussen wat van de cultuur en wat van het evangelie is?

Reiner Knieling, Was predigen wir? Eine Homiletik (Neukirchen-Vluyn, 2009) 53-59

Verstaan en begrijpen bij het voorbereiden en houden van de preek

Verstaan en begrijpen bij het voorbereiden en houden van de preek
Reiner Knieling – Was predigen wir? (2011) – 3

Over enkele weken houdt IZB Areopagus Studiedag IZB Areopagus over de verandering in de prediking in de afgelopen decennia.  Ter voorbereiding van de conferentie wordt gevraagd literatuur te lezen. Onder andere: Reiner Knieling – Was predigen wir? In een aantal blogs wil ik iets van de inhoud weergeven. Tot slot geef ik aan wat Knieling relevant maakt voor die conferentie. Vandaag deel 3: Verstaan en begrijpen bij het voorbereiden en houden van de preek.

Preken maken heeft te maken met proberen te begrijpen. Het vak waarin begrijpen en verstaan aan de orde komt is hermeneutiek. Knieling geeft een korte schets van een homiletische hermeneutiek: wat komt er allemaal kijken aan verstaan en begrijpen in het voorbereiden en houden van de preek?
Bij het voorbereiden en houden van de preek zijn heel wat terreinen aan de orde. Op deze terreinen waarop begrijpen en verstaan een rol speelt, kan de prediker veel ontdekkingen doen. Deze ontdekkingen kunnen soms elkaar tegenspreken. Volgens Knieling dienen die ontdekkingen in een spanningsvolle relatie met elkaar worden gezet.

Terreinen:
* De concrete mensen voor wie de preek is bedoeld
* De concrete gemeente voor wie de preek is bedoeld
* Maatschappelijke context van die concrete mensen en concrete gemeente
* Trends binnen de gemeente en in de maatschappij en ontwikkelingen die tegen die trends ingaan
* Het evangelie in de context van de Bijbel en de protestantse traditie
* Ervaringen die opgedaan worden
* De eigen biografie
* De concrete Bijbeltekst
* De concrete situatie waarvoor de preek is bedoeld.

Vragen
Daarbij zouden de volgende vragen gesteld kunnen worden:
– Hoe leven de concrete gemeenteleden van de concrete gemeente (die mogelijk de eredienst zullen bijwonen)?
– Hoe leven de concrete mensen die niet in de kerkdienst komen (maar mogelijk aanwezig zijn in een bijzondere dienst als een rouwdienst of een trouwdienst)?
– Wat zijn de kenmerken van de laatmoderne of postmoderne, postseculiere cultuur? Wat zijn de overeenkomsten en de verschillen met de moderne of premoderne cultuur qua denkpatronen en levensstijlen?
– Heb ik een eigen roeping of missie?
– Wat zijn mijn eigen ambivalenties en weerstanden?
– Hoe versta ik het evangelie?
– Wat is voor mij de betekenis van deze Bijbeltekst voor deze tijd?
– Wat betekent dat het gebeuren van de preek zich binnen een kerkelijk milieu afspeelt en als een binnenkerkelijk fenomeen wordt waargenomen?
– Wat betekent het dat er in de preek meestal maar één persoon is die spreekt?
– Welke signalen gaan van daarvanuit?
– Voelen mensen zich gesteund als iemand in hun plaats, voor hen het geloof formuleert? Of hebben ze de indruk dat er naar hun mening niet is gevraagd?

(Martin Nicol en Alexander Deeg hebben met hun dramaturgische homiltiek  een fascinerend model gegeven waarin de spanningen bewust opgezocht en uitgebouwd worden.)

Begrip versus scepsis
Bij het verstaan en begrijpen gaat het er niet alleen om wat we begrijpen, maar ook hoe we begrijpen. Het maakt nogal uit of we het onderwerp, de persoon van wie we wat lezen, de formuleringen sympathiek vinden of niet. Er kunnen verborgen motieven zijn om het onderwerp aan te snijden of juist te vermijden, of om het op deze manier aan de orde te stellen.
Verstaan en begrijpen zwenkt tussen twee polen: de pool van sympathie / begrip / vertrouwen aan de ene kant en de pool van verdenking / scepsis / weerstand aan de andere kant.

De pool van sympathie / begrip / vertrouwen helpt om respect te hebben voor de geloofservaring van anderen en van jezelf. We nemen waar zonder daar een oordeel over te vellen. We hoeven geen kant en klare antwoorden te hebben. We laten ons raken en meenemen door de tekst van de Bijbel; we brengen onszelf in (het aangesproken zijn uit het concept van Schleiermacher, het profetische van Bonhoeffer). In de preek mag er best iets persoonlijks worden gedeeld (het getuige-zijn uit het concept van Grözinger).  We laten het evangelie aan het woord en laten aan God over wat Hij er mee doet.

Daarnaast is de pool van verdenking / scepsis / weerstand, die in de postmoderniteit heel serieus genomen wordt, van groot belang voor de preek. Kant en klare beelden over God, over andere mensen, over wat christenzijn inhoudt worden kritisch bevraagd. Vanuit een zelfkritiek:
* Welke theologie kleurt mijn waarneming?
* Welke elementen uit mijn socialisatie en biografie bepalen mijn interpretatie van het evangelie, de concrete mensen en de concrete gemeente en de concrete situatie?
* Hoe evident is die interpretatie?
* Welke positieve en negatieve ervaringen heb ik met een bepaald thema?
* Wat is mijn interpretatie van theologische kernthema’s? Wat draagt mijn interpretatie bij aan het verstaan van het evangelie? Op welke manier belemmert mijn interpretatie dat verstaan?

Tussenruimte
De beide polen zijn serieus te nemen. Daardoor ontstaat er een tussenruimte, waarin verrassende ontdekkingen gedaan kunnen worden, omdat niet meer de geijkte paden worden gevolgd. Door de beide polen serieus te nemen wordt er een spanning opgebouwd. We volgen niet meer één spoor. De verschillende stemmen in ons (denk aan het innerlijke team van F. Schulz von Thun; het dialogische zelf van Hubert Hermans) krijgen recht van spreken in de omgang met de Bijbeltekst, waardoor de dialoog levendiger en levensechter wordt.

Reiner Knieling, Was predigen wir? Eine Homiletik (Neukirchen-Vluyn, 2009) 49-53


 

Wat is preken?

Wat is preken?
Reiner Knieling – Was predigen wir? (2011) – 2

Over enkele weken houdt IZB Areopagus Studiedag IZB Areopagus over de verandering in de prediking in de afgelopen decennia.  Ter voorbereiding van de conferentie wordt gevraagd literatuur te lezen. Onder andere: Reiner Knieling – Was predigen wir? In een aantal blogs wil ik iets van de inhoud weergeven. Tot slot geef ik aan wat Knieling relevant maakt voor die conferentie. Vandaag deel 2: Stemmen uit heden en verleden over wat preken is.

In de afgelopen decennia heeft vooral de vorm van de preek de aandacht gehad: hoe wordt de preek opgebouwd en hoe is de voordracht. Daarnaast was er veel aandacht voor de interactie met de luisteraars.
Knieling vindt dat het tijd wordt om ook weer over de inhoud na te denken: Wat wordt er in de preek gezegd? Welke boodschap past in deze tijd? Knieling is namelijk van mening dat de inhoud van de preek te wensen overlaat. Of het is een heel afgezwakte boodschap die nauwelijks nog verkondiging te noemen is. Of het is een verkondiging die geen rekening houdt met alle veranderingen in de maatschappij, waardoor de boodschap niet aankomt.

Knieling maakt onderscheid tussen preken en verkondigen:
* Preek: toespraak in de eredienst
* Verkondiging: overkoepelend begrip voor verschillende vormen, zoals preek, meditatie, gesprek over de Bijbel, enz.

Enkele vragen om vooraf te overdenken:
* Welke ervaring heb ik zelf met preken en verkondigen? Welke preken en verkondiging heb ik aangehoord? Waar was dat? In de eigen gemeente of elders? In een officiële kerkdienst of een bijzondere dienst op een speciale locatie? Hoe heb ik dat beleefd?
* En als actieve prediker: Voor welke situatie was dat? Hoe heb ik dat gedaan? Hoe heb ik dat beleefd? Wat wil ik ermee?
* Wat is voor mij een goede preek of een goede verkondiging?
* Wat gebeurt er tijdens de preek of verkondiging?
* Wat is preken? Wat is verkondigen?

Ten aanzien van de stemmen uit heden en verleden die voorbij komen:
* Wat zou ik precies zo formuleren?
* Wat zou ik aanpassen of heel anders formuleren?

1) Bijbelse ontdekkingen
In Oude en Nieuwe Testament is te zien dat God zich aan mensen toont. Hij spreekt tot hen. Daarop spreken mensen met anderen over God, die gesproken heeft. In de Bijbel worden alledaagse woorden gebruikt voor dat spreken van God:
– Spreken – Vertellen – Leren, onderwijzen
– Roepen – Bekend maken – Herinneren
– Mededelen – Laten horen – Inscherpen
Zowel het Oude als Nieuwe Testament wordt op verschillende manieren gesproken over de communicatie van God tot mensen.

Wat kunnen we uit de Bijbel leren voor de preek en verkondiging vandaag de dag?
(1) Het spreken van God kent net zo verschillende vormen van communicatie als het leven zelf. Dat spreken is in ieder geval gevarieerder dan de huidige preekvorm in de eredienst en zelden een monoloog.
(2) Het spreken van God is niet zonder effect. De mensen reageren wel steeds verschillend op het spreken van God: mensen geven gehoor, mensen spreken hem tegen, of wijzen het van de hand.
(3) Het spreken van God op zoveel verschillende manieren laat iets zien van de grootheid en het geheimenisvolle van God: God is niet op een noemer te brengen.

2) Maarten Luther – Effectief spreken van God
Voor Maarten Luther is het spreken van God van groot belang. Het is een levendig spreken van God tot de gemeente; een levendige dialoog waarbij God spreekt en de gemeente antwoordt door gebed en lofzang.  Dat spreken van God kent twee dimensies: wet en evangelie (of: eis en vrijspraak). Deze twee dimensies vallen niet samen, maar kunnen ook niet van elkaar losgemaakt worden.
Het spreken van God heeft effect: het spreken werkt geloof. Het spreken van God raakt de mens in het hart en in het geweten. Dat hart en dat geweten is aan de ene kant de kern van ons persoon-zijn, aan de andere kant is dat een innerlijk gebied waarin nogal wat gebeurt aan kwade krachten, kwade gedachten en handelingen. Wie in zijn eigen hart kijkt, kan schrikken wat hij of zij daar aantreft aan duistere hoeken en ravijnen. De wet in Gods spreken wijst dat duistere aan, maar het evangelie geeft aan hoe de mens daarvan kan loskomen, bevrijd kan worden, voor Gods aangezicht kan worden vrijgesproken van schuld.

In de preek komt dat levendige spreken van God tot de gemeente. Er is een levendige dialoog tussen God en de gemeente. De predikant die de preek houdt heeft die dialoog zelf eerst gehad, waarbij er bij de predikant niet direct geloof is. De weg naar de preek is een weg van uitvoerig bemediteren en jezelf laten aanspreken en in een openheid voor Gods spreken (gebed). Dit overdenken, doorleven en ter harte nemen gaat niet zonder aanvechting. Deze overdenking en die aanvechting moet tot Christus leiden. Hij is de basis van het geloof. Hij spreekt vrij.

Luther had twee fronten waartegen hij zijn visie op preek, verkondiging en eredienst moest afzetten:
* Tegenover Rome: het priesterschap van alle gelovigen, die de verkondiging horen en in staat zijn om die verkondiging inhoudelijk te beoordelen.
* Tegenover de ‘Schwärmer’: de eredienst kent een bepaalde ordening: de orde van dienst. Het belangrijkste is het levendige spreken van God. De orde van de dienst is daaraan ondergeschikt. Luther creëerde naast de Latijnse mis de mogelijkheid om de kerkdienst in het Duits te houden (Deutsche Messe). Die verschillende vormen bedreigen de eenheid van de gemeente niet.
De orde was is niet onbelangrijk. De Geest verbindt zich namelijk aan de Schrift en aan Christus.

Knieling is gefascineerd door het vertrouwen dat Luther heeft in de verkondiging, omdat de levende God zijn stem daardoor heen laat klinken en een levendige dialoog met de gemeente aangaat en in staat is geloof te wekken. Dat geeft hem gelijk een zelfkritische vraag: Preek ik met zo’n verwachting dat mijn verkondiging van het evangelie in staat is om geloof te wekken?

Hoe zit dat met dat effectieve woord, dat effectieve spreken in de beeldcultuur van vandaag de dag? Luther verbande de beelden niet uit de kerk en kon heel beeldend preken. De Bijbel bevat ook veel grootse beelden, die ook in deze tijd indruk kunnen maken.

(3) Friedrich Schleiermacher (1768-1834)
De kerkdienst is volgens Schleiermacher een plaats van de circulatie van het godsdienstige bewustzijn. De mens heeft volgens Schleiermacher een bewustzijn van totale afhankelijkheid van het transcendente. Dit bewustzijn wordt in de preek gedeeld, waardoor de gemeente daarin wordt meegenomen of daardoor wordt aangestoken. Een preek is daarom geen leerrede of moralistisch verhaal, maar een toespraak die de gemeente wil opbouwen. De preek roept de werkelijkheid die er bij mensen reeds is – namelijk dat bewustzijn van totale afhankelijkheid van het transcendente. God heeft dit bewustzijn ingeschapen. Schleiermacher spreekt in zijn preken de gemeenteleden daarom ook als christenen aan (en niet als mensen die nog bekeerd moeten worden).
In de theorie van Schleiermacher is de persoon van de prediker van groot belang: de prediker is als een kunstenaar die het bewustzijn bij de gemeente oproept. Daarbij gaat het Schleiermacher niet om een emotie of een stemming, maar om de inhoud van wat de prediker als kunstenaar oproept. De prediker kan dat alleen als de prediker zelf is aangesproken en daarvan deelt met de gemeente.
Dat is ook wat Knieling fascineert in de visie van Schleiermacher: de preek als godsdienstige toespraak door een prediker die is aangesproken, doordat de prediker is geraakt door een religieuze ervaring op basis van de kerninhoud van het christelijk geloof aan de hand van de Bijbelse teksten. Dit aangesproken zijn prikkelt het godsdienstige bewustzijn en bouwt de gemeente op.

4) Karl Barth (1886-1968)
Van Karl Barth stamt de beroemde omschrijving van verkondiging dat wij niet over God kunnen spreken (omdat God te groot is om te begrijpen en in mensenwoorden te vangen), maar dat we wel moeten (omdat God ons mensen daartoe heeft opgedragen).
Voor Karl Barth heeft de preek een verwijzend karakter: Zij wijst op het Woord van God. De preek valt niet samen met het Woord van God. Mensenwoorden worden niet veranderd in woorden van God. Het is niet de taak van mensen om God tot spreken te brengen. Dat zou menselijke hoogmoed zijn.
Maar het woord van God is wel verborgen aanwezig in de preek. De taak van de prediker is om zo op de vragen van de gemeenteleden in te gaan (en die vragen open te houden) tot God zelf met een antwoord komt. Daarom is het gebed om de Geest van God van groot belang in de kerkdienst. Alleen Gods eigen spreken kan dat antwoord geven.
De visie op preken en verkondiging die Barth had wijkt dus niet eens zoveel af van wat Ernst Lange voorstond. Barth had er ook geen moeite mee dat communicatiewetenschappen werden toegepast in de reflectie op en de praktijk van het preken.

Wat Knieling aan Barth fascineert, is dat bij Barth de prediker een bescheiden rol krijgt: de eigen mening is ondergeschikt aan wat God te zeggen heeft. Barth had een besef van de voorlopigheid van de eigen theologie. Aan de andere kant wilde Barth oog hebben voor wat de mensen bezighield. In de verkondiging worden de luisteraars voor het aangezicht van God waargenomen. De wereld waarin wij leven, met alle chaos en ongerijmdheid, is niet zomaar een wereld, maar Gods wereld. Dat wenst Knieling meer: dat de preek een ruimte opent, waarin de inzicht vanuit de Schrift kan ‘inbreken’ in de levensgeschiedenis van mensen, die zich daardoor serieus genomen weten en iets van God ontdekken, omdat hun vragen en ongemak zolang wordt uitgehouden tot God iets van zichzelf laat zien of horen.

5) Dietrich Bonhoeffer (1906-1945)
De visie van Bonhoeffer is – zoals bij veel predikers – gevormd door een gevecht met de eigen tijd. Zijn visie is gestempeld door wat hij zag als zijn roeping van Godswege. Toen hij door de Bekennende Kirche werd gevraagd om predikanten op te leiden, besteedde hij op het Finkenwalder seminarie veel aandacht aan de prediking. Daarbij kregen praktische vragen volop de aandacht, zoals de tijd die aan een preek besteed moet worden. De praktische vragen waren voor Bonhoeffer echter van ondergeschikt belang ten opzichte van de inhoud van de verkondiging. Door zijn discussies met de Deutsche Christen en de koers van de kerk in de nazi-tijd zette hij radicaal in bij het Woord van God. De tekst uit de Bijbel plaatst ons in Gods aanwezigheid. Het gaat er niet om dat de predikant moeite doet om de kloof tussen de tekst uit het verleden en de hoorder in het heden te overbruggen. In de preek is Christus namelijk aanwezig, die zich tot de gemeente richt. Christus vraagt om gehoorzaamheid. We kunnen de inhoud van het geloof niet overwoekeren met allerlei menselijke inzichten, zoals dat bij de Deutsche Christen gebeurde. Prediking krijgt, door het presentstellen van de levende Christus, een profetische strekking: de gemeente wordt voor Gods aangezicht gesteld en bevrijd tot geloofsgehoorzaamheid.

Knieling is onder de indruk van de moed van Bonhoeffer. Daarnaast is Knieling onder de indruk van Bonhoeffers houding zich helemaal onder te dompelen in de Bijbelse boodschap en zich daardoor uit de greep van verleidelijke ideologieën werd gehouden. Bonhoeffer inspireert ook om het maatschappelijke en het politieke niet uit het oog te verliezen, maar de verwerken in de verkondiging. Bonhoeffer daagt uit om waakzaam te zijn en als gehoorzame christen een andere weg te gaan in geloof. Een weg van moed, passie en eerlijkheid, maar ook een weg van scepsis en angst.

6) Ernst Lange (1927-1974)
Ernst Lange groeide op in de nazi-tijd en was actief in een tijd waarin het nazi-verleden als een donkere schaduw over zijn land hing. Hij was op zoek naar nieuwe vormen voor de kerk. Hij was betrokken bij de oprichting van een kerk die in Berlijn-Spandau werd gevestigd in een bakkerij (de zogenaamde Ladenkirche). Lange was vooral geïnteresseerd in hoe de verkondiging gebeurt. Het was de tijd van de empirische wending in de praktische theologie: alle facetten van geloof en kerk werden op empirische wijze onderzocht en verwerkt in de theologische doordenking. Op basis van die empirische onderzoeken wilde men de praktijk van de kerk, van de gemeente en geloof vernieuwen.
Voor Lange was de preek een van de vormen van de communicatie van het evangelie. Lange ging in dialoog met zijn gemeente over de inhoud van de verkondiging. ‘Wil mijn preek relevant zijn, dan moet het niet alleen opkomen uit het gesprek, maar ook het gesprek weer openen.’ Een bekende uitspraak van Lange is dat hij in de preek met de hoorder spreekt over zijn of haar leven in het licht van het evangelie (als belofte). De preek is een persoonlijk gewaagd woord, dat nieuw wil zijn in deze context, een woord van belofte dat Gods belofte in deze context opnieuw laat horen.
Lange was zich ervan bewust dat de situatie waarvoor de preek wordt voorbereid en waarin de preek gehouden wordt, invloed heeft op de vorm en de inhoud van de preek. Tegelijkertijd wilde Lange vasthouden aan het belang van de Bijbeltekst. De preek was een dialoog tussen beide werelden: de wereld van de hoorder en de wereld van de tekst. Het materiaal voor de voorbereiding voor de preek bestond daarom uit twee delen: een schets van de boodschap en een schets van de context.

De theorie van Ernst Lange is van grote invloed geweest. Mede door Lange werd de inhoud van de preek niet alleen meer bepaald door de Bijbeltekst, maar kreeg de maatschappelijke en politieke context een plek in de preek. Mede door Lange is er ook aandacht gekomen voor de preek als communicatiemiddel. Sindsdien wordt onderzocht wat belemmeringen en stimulansen voor de preek zijn. Mede door Lange kwam er aandacht voor de diverse leefomstandigheden en werelden waarin kerkgangers zich bevinden. Mede door Lange werden kerkgangers serieus genomen als interpreten en duiders van de eigen tijd. Zelf voeren zij vaak zelf al de dialoog tussen de Bijbelwoorden en hun eigen context. De preek kan die dialoog versterken of oproepen.

7) Rudolf Bohren (1920-2010)
Ernst Lange had een tijdgenoot die dezelfde hartstocht voor de luisteraars en hun leefwereld had: Rudolf Bohren. In de jaren-’70 was lag het niet voor de hand om de overeenkomsten te zien. Op verschillende terreinen binnen de praktische theologie woedde een felle polemiek tussen aanhangers van een kerugmatische benadering en een meer therapeutische benadering over de rol van de sociaalwetenschappelijke vakken en het gebruik van empirische methoden. In de jaren-’90 zwakte de polemiek af en ontstonden dwarsverbanden en respect over en weer. Bohren raakte bijvoorbeeld bevriend met Dietrich Stollberg en er kwamen modellen en voorstellen die inzichten uit beide tradities wilden verwerken (Albrecht Grözinger, Peter Bukowski, Reiner Knieling, e.a.)
Bohren bespeurde in zijn tijd een grote sprakeloosheid, omdat het wonder van Gods spreken niet werd opgemerkt. Bohren vermoedde dat de grote aandacht voor de sociaalwetenschappelijke vakken en de retoriek een escape was om dat uitblijven van het wonder te ontvluchten, een vlucht in het perfectioneren van maakbare methoden en sociaal engagement. Bohren vond het uithouden van het zwijgen van God relevanter. Bohren begon aandacht te vragen voor het werk van de Geest en werkte zijn homiletiek ook pneumatologisch uit. Waar er in de christologie eenrichtingsverkeer is naar de mensen toe, is er in de pneumatologie samenwerking: de Geest werkt door middel van mensen, schakelt mensen in. Bohren werkte de ‘theologische reciprociteit’ van A.A. van Ruler uit op praktisch-theologisch gebied. Door deze gedachte van theologische reciprociteit wist hij het wonder van Gods spreken én menselijke methoden samen te nemen.
Bohren is een gepassioneerd theoloog, die onder andere een hartstocht heeft voor preken. Daarnaast een passie voor houthakken, skiën en dichten. Die hartstocht is in zijn preken en in zijn homiletiek te merken. Ook zijn passie voor literatuur verwerkt hij in zijn homiletiek. Door die passie en zijn aandacht voor literatuur – samen met de pneumatologische insteek – maakt zijn homiletiek vandaag de dag nog steeds waardevol.
Bohren wil de ervaring van mensen, van de prediker en de gemeente serieus nemen. Maar dan wel voor Gods aangezicht. Dat geeft respect voor God en de hoorders. Juist coram Deo komt de concrete hoorder in beeld. Het laatste deel van zijn Predigtlehre is ook gewijd aan de hoorders.
Bohren was een gepassioneerd man, die ook fel in polemieken kon zijn. Ook in zijn preken deinsde hij er niet voor terug om ‘hoekig’ te zijn. Steeds vroeg hij aandacht voor Bijbelgedeelten, waarover niet gepreekt werd omdat de prediker niet uit de voeten kon met dat Bijbelgedeelte: ‘de onbepreekte Bijbel’. Ook gaf hij aan dat het onderscheiden van de geesten vandaag de dag nog steeds van belang is.

Knieling is onder de indruk van de houding van Bohren: aan de ene kant volop aandacht voor de tijdgeest en tegelijkertijd dwarsig heeft gedacht en gehandeld vanuit het wonder van Gods handelen, het werken van de Heilige Geest. Het waardevolle uit het verleden wist hij gepassioneerd als een levende stem in het praktisch-theologische discours in te brengen. In een tijd waarin de empirie en het handelen dominant werd, bleef hij aandacht vragen voor het handelen en spreken van God.

8) Gabriel Marcel Martin (*1941)
Toen hij in 1983 aantrad als hoogleraar in Marburg hield Gabriel Marcel Martin zijn inaugurele rede over de preek als open kunstwerk. Zoals degenen die naar kunst kijkt, allemaal hun eigen interpretatie hebben, zo maken de luisteraars van de preek ook hun eigen interpretatie van de preek. Daarmee vestigde Martin de aandacht op de receptie van de preek bij de luisteraars. Elke luisteraar kan een preek anders opnemen.
Als elke luisteraar de preek weer anders opneemt, hoe zit het dan met de prediker die een eenduidige boodschap wil overbrengen? Met zijn pleidooi voor de preek als open kunstwerk wilde Martin aangeven dat de preek en de boodschap verschillend gehoord en geïnterpreteerd kan worden, maar niet dat elke interpretatie juist is. Het gaat hem er niet om dat de luisteraar met de preek aan de haal kunnen gaan, maar de oorzaken waardoor de preek zo verschillend wordt gehoord en geïnterpreteerd.

9) Albrecht Grözinger
Grözinger sluit zich aan bij Martin: de preek is een open kunstwerk. De aandacht gaat voor Grözinger niet alleen uit naar het effect van de preek op de hoorders, maar naar wat de preek in wezen is. Grözinger betrekt de esthetiek in de homiletiek. De preek zijn mensenwoorden over God. Deze kwetsbare mensenwoorden worden door God gebruikt, die zijn kracht in zwakheid toont. Preken is voor Grözinger eenvoudig (niet ingewikkeld én onbeschroomd) over God spreken. Grözinger sluit zich aan bij het model van de dialectische theologie: de prediker als getuige. Die getuige plaatst hij nadrukkelijk in de multiculturele samenleving.
De prediker die getuige is, spreekt met cortesia: met respect, eerbied en hoffelijkheid voor de ander. De prediker hanteert een tentatief spreken, waarin de eigen fascinatie, indruk of schrik doorklinkt.

10) Martin Nicol
Martin Nicol kwam in de VS in aanraking met de New Homiletics. Hij vertaalde die inzichten in een dramaturgische homiletiek, waarbij hij aandacht voor de preek als enscenering of als performance. De preek is geen spreken over God, maar een spreken vanuit  de werkelijkheid van God. De preek kan bij het oproepen en uitwerken van die werkelijkheid van god veel leren van film, creative writing, literatuur over het evoceren van beelden. Een belangrijk element in de homiletiek van Nicol is de spanning: de spanning dient opgezocht en uitvergroot te worden. In de dramaturgische homiletiek spreekt de dogmatiek een hartig woordje mee. (Nicol studeerde bij Friedrich Mildenberger.) Door bijvoorbeeld het opzoeken en uitdiepen van de spanning. Daarnaast houdt de dogmatiek het geloof levend dat in de verkondiging de levende Heer aanwezig is, de Opgestane die in deze werkelijkheid werkt. Het model van Nicol wordt gekenmerkt door enthousiasme en samenwerking met onder andere kunstenaars. Enthousiasme dat ontstaat door die spanningsvolle preken en door het gebruik maken van taal en beelden die in krant, tijdschrift, roman of film voorkomen. Nicol is betrokken bij Atelier Sprache, een homiletisch seminarie waaraan ook kunstenaars, regisseurs en acteurs lesgeven aan predikanten.

11) Eigen model van Knieling
Op basis van deze schets komt Knieling tot zijn eigen visie op preken en verkondiging:
– Als prediker spreek ik van God, die spreekt. God heeft beloofd om door mensenwoorden heen te spreken. Ik spreek van de Aanwezige, die werkt, niet van een effectloze Afwezige.
– Hoe en wat ik zeg, wordt bepaald door het spreken van God in mijn leven tot nu toe: door mijn eigen ervaring en waarneming van verkondiging en preken.
– Hoe en wat ik zeg wordt bepaald door een concrete tekst uit de Bijbel. Die tekst is net als een kunstwerk vanuit meerdere kanten te belichten. Door met die Bijbeltekst bezig te zijn op verschillende manieren zie ik mijn eigen ervaring terug.
– Ik waag als prediker een preek voor een concrete gemeente. Ik hoop dat mijn preken de aandacht van de gemeente krijgen en dat in de gemeente het vertrouwen op God wordt gesterkt en de onderlinge liefde wordt opgebouwd.
– Preken is eenvoudig over God spreken: moedig en onbeschroomd, basaal en begrijpelijk, to the point, gericht op wat de mensen bezighoudt en humorvol.
– Ik spreek niet over een vage God of een vaag gevoel, maar over de God die een geschiedenis heeft met zijn volk en de mensheid: de God van Abraham, Izak en Jakob, de Vader van onze Heer Jezus Christus.

Eenvoudig over God spreken is niet zo eenvoudig. Dat vraagt oefening, reflectie, inkeer en helderheid over mijzelf (keuzes, interesses, invloeden, beperkingen). Eenvoudig over God spreken gaat over de inhoud van de preek, niet over het effect. Hoe meer ik een bepaald effect beoog, hoe meer ik het risico loop van manipulatie.

Reiner Knieling – Was ist predigen?  Eine Homiletik (Neukirchen-Vluyn, 2009) 11-49

 

Preek zondag 2 oktober 2016 -middagdienst

Preek zondag 2 oktober 2016 -middagdienst
Israëlzondag
Deuteronomium 4:23-40
Tekst: Want de HEERE, uw God, is een verterend vuur (vers 24a)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Op deze Israëlzondag had ik stil willen staan bij het bijzondere van de God van Israël,
namelijk dat de God van Israël – de enige God die er is (er is geen andere God),
dat die God uit de hemel neerdaalde om op aarde te zijn.
Er zijn verschillende teksten in het Oude Testament die er van spreken
dat God op aarde komt, om te wonen tussen Zijn volk Israël.
Dat God naar de aarde komt,
dat is niet iets wat in het Nieuwe Testament voor het eerst gemeld wordt,
maar dat wordt in het Oude Testament reeds aangegeven,
bijvoorbeeld in de verhalen over de bouw van de tabernakel en de tempel,
de tabernakel een tent, de tempel een huis voor God om te wonen.
Dat zou een mooie, bemoedigende preek worden,
met misschien ook wel nieuwe inzichten,
namelijk dat de komst van de Heere Jezus op aarde
niet echt nieuw is ten opzichte van het Oude Testament,
omdat daar al gesproken wordt over Gods afdalen op aarde.
Het nieuwe zou dan zijn, dat met Christus God als mens op aarde komt
om net als ons te worden.
(Het heeft me trouwens verrast dat de thematiek van God die op aarde afdaalt
naar de tabernakel of de tempel niet in Deuteronomium voorkomt. Wel Ex/Lev).

Maar niets van deze thematiek verder in deze preek,
want ik bleef haken bij een andere karaktertrek van God, die in dit gedeelte wordt gemeld:
Want de HEERE, uw God, is een verterend vuur, een na-ijverig God.                
Dat is nogal een uitspraak: God als een verterend vuur.
Ik kreeg deze uitdrukking, dit beeld niet meer uit mijn gedachten.
Want dat is niet een tekst om op een stichtelijke kaart af te drukken
om die aan een medegelovige te sturen.
Want wat zal de gedachte zijn, als iemand een kaart krijgt met zo’n Bijbeltekst:
Want de HEERE, uw God, is een verterend vuur, een na-ijverig God.  
Dit is ook tekst waarvan je hoopt dat iemand die niet zo vaak in de kerk komt
of de Bijbel niet kent, hoort.
Want wat zullen de gedachten zijn van iemand,
die niet weet dat er ook zoveel andere teksten over God in de Bijbel staan,
en dan over God te horen krijgt dat Hij een verterend vuur is.
Dat is niet echt een beeld dat uitnodigt om in de gemeenschap van God toe te treden.

Nu kan heel gemakkelijk de gedachte ontstaan dat God als een verterend vuur
meer iets voor het Oude Testament is
en dat dit beeld van God in het Nieuwe Testament wordt gecorrigeerd
door een beeld dat veel liefdevoller is, uitnodigender, geduldiger.
Maar het is vandaag Israëlzondag.
De kerk heeft God niet beter begrepen dan het volk Israël.
Dat mogen we op deze Israëlzondag niet doen
– op geen enkele zondag mogen we doen dat het beeld
dat het Nieuwe Testament van God een heel ander beeld geeft van God.
Dat waar de Heere in het Oude Testament strakkere, hardere trekken heeft
die in het Nieuwe Testament worden gecorrigeerd.
Want het Nieuwe Testament heeft geen andere God dan het Oude Testament
en spreekt ook niet anders over de Heere dan in het Oude Testament.
Ook in het Oude Testament wordt gezegd dat God liefde is.
Kijk alleen maar in dit hoofdstuk, vers 31 – tenminste in de NBV:
Want de HEER, uw God , is een God van liefde.
En omgekeerd wordt in het Nieuwe Testament gesproken over een God die toornt.
Juist deze tekst over God als een verterend vuur wordt in het Nieuwe Testament aangehaald.
In het laatste vers van hoofdstuk 12 wordt deze tekst aangehaald
Om de gemeente aan te sporen trouw aan God te blijven
en naar Hem te blijven luisteren en dienen – Want onze God is een verterend vuur!
We kunnen dit beeld niet zomaar aan de kant schuiven.

Waarom dit beeld bij mij bleef haken, is omdat ik dit niet altijd bewust ben
in mijn eigen omgang met God.
Wanneer ik de kerk binnenkom om een kerkdienst bij te wonen
en naar een preek te luisteren.
Ik kom dan naar de kerk om bemoedigd te worden,
Weer iets van God te horen, om mijn geloof te versterken.
Dat de God die tot mij spreekt ook een verterend vuur kan zijn,
ben ik mij niet altijd bewust.
Misschien wil ik dat ook niet, dat deze kant van God in de aandacht kom
omdat ik dan niet weet wat er dan van mijn geloof, maar vooral van mijzelf overblijft.
Want wie kan God onder ogen komen?
Wie kan de stem van de Heere horen, in zich opnemen
en dat er levend van afbrengen?
Mozes houdt dat het volk Israël voor:
Weet je wel hoe bijzonder het is dat je nu nog leeft?
Want je hebt de Gods stem vanuit het vuur gehoord!
Zo kom ik niet uit de kerk: in verwondering dat ik de ontmoeting met God heb overleefd.
Zo bezig met die tekst denk ik, dat ik zelf wel meer van dat ontzag voor God mag hebben.
Ik bedenk me dat er gemeenteleden nu zijn,
die zeggen: Ja, maar dat ontzag voor God heb ik wel degelijk.
Als ik naar de kerk ga, als ik tot Hem nader in het gebed of uit de Bijbel lees,
Dan besef ik dat ik voor de heilige God sta die niet met zich laat spotten.
En misschien denkt u er dan bij:
Het zou niet verkeerd zijn om meer besef van de heiligheid van God te hebben.
Om er bij stil te staan dat God niet zomaar met zich laat spotten.

Wat is dat voor een beeld van God: God als een verterend vuur?
Wat bedoelt Mozes ermee?
Dat is altijd goed als u in de Bijbel op iets stuit waarvan u denkt:
‘Hier kan ik niets mee.’
Dat u dan op onderzoek uit gaat,
om te achterhalen wat er met die Bijbeltekst bedoeld wordt
en wat u er toch van zou kunnen leren.
Wat bedoelt Mozes ermee en waarom gebruikt hij juist nu dit beeld van God?
Dat heeft met het voorafgaande te maken:
maak geen beeld van God.
Maak geen beeld van hout of steen, van goud of koper of welk materiaal ook,
want de Heere, uw God, is een verterend vuur.
Deze tekst mogen we dus niet zomaar los citeren.
Dat de Heere een verterend vuur is moeten we in het kader zien van die beelden
die mensen kunnen maken van God.
Stel dat we bedenken dat we hier in de kerk een beeld van God zouden willen hebben,
een beeld van goud of koper (het moet er wel mooi uitzien!)
of van steen of hout
– dat kan gewoon niet.
God kan niet in zo’n beeld van steen of hout, van koper of goud huizen.
Want dat was de gedachte van zo’n beeld dat je liet maken:
dat de god die je diende dan in zo’n beeld kwam wonen
en dan had je die god zo makkelijk dichtbij.
Je kon hem dan in de kamer neerzetten
en dan kon je bij jezelf denken: ik ben mijn god in huis.
Je kon ervoor gaan zitten, met je gedachten op dat beeld gericht.
Dat hielp dan bij de concentratie
en omgekeerd als dat beeld dan naar je keek, dan wist je: mijn god kijkt naar mij.
Ik kom in de kijklijn van mijn god
en als ik hem aanraak, vloeit er zegen over naar mij vanuit dat beeld,
want Gods kracht stroomt in mij over.
Een beeld van God suggereert dat je Hem heel dicht bij je hebt,
onder handbereik, je kunt Hem zien en aanraken.
Hij is niet ver, Hij is niet verborgen.
Je hoeft je nooit af te vragen waarom Hij zich niet laat zien of waar Hij is.
Hij is bij je.

Dat kun je niet maken – want God is een verterend vuur.
Onze God past niet in zo’n beeld.
Zijn grootheid, Zijn heiligheid zou dat beeld verteren.
Dat is het eerste aspect: wanneer onze God met zo’n beeld in aanraking komt,
dan blijft er van dat beeld niets over.
Zoals bij een elektrisch apparaat, een lamp waarbij teveel stroom op staat,
dat er kortsluiting komt: het bolletje knapt of het apparaat door de klap van de stroom stuk gaat
zo blijft er van dat beeld niets over.
God is te groot, te heilig – God is niet te vangen.
Ook niet in een beeld.
In die tijd dacht men dat zo’n beeld juist een soort transformator was
om de heilige God die zo geladen vol heiligheid toch wat dichterbij kon brengen,
een afzwakken van zijn heiligheid, zijn gloed – Gods kracht wordt wat afgezwakt
om hem dichterbij te brengen, zodat jezelf niet verteert, maar blijft bestaan
en dat Zijn zegen, zijn kracht en hulp in je overvloeit.
Een beeld als een soort transformator,
die God voor je wat kleiner maakt, wat behapbaarder en benaderbaarder.
Maar dat kun je met God niet doen,
Dat je Hem kleiner kunt maken, zodat jij Hem aankan, zodat jij Hem begrijpt.
Want voor ons als mens blijft Hij te groot, te veel anders,
wij kunnen Hem nooit helemaal doorgronden, nooit helemaal doordenken.
En toch is zo’n transformator die Gods heiligheid en grootsheid omzet in iets kleins
niet nodig, want ondanks Zijn heiligheid en grootsheid
komt God naar ons toe door te spreken: Hij maakt zichzelf klein.
Zijn stem komt tot ons – hier verwijst Mozes naar het vuur op de berg dat er was,
maar soms is Zijn stem ook fluisterend en vriendelijk,
maar dan ook weer aandringend en waarschuwend,
maar God bepaalt hoe Hij tot ons komt en wat Hij tegen ons zegt.
Hij bepaalt de manier, Hij bepaalt de boodschap.
Dat kunnen wij en mogen wij niet.

En vergeet ook niet dat Gods daden niet in zo’n beeld te vangen zijn.
Moet je zien wat de Heere gedaan heeft: van de schepping tot de uittocht,
de strijd die Hij voor Israël voerde,
hoe Hij zelf voorop ging in de strijd en Israël alleen maar hoefde te volgen.
Die beeldjes die je als mens maakt, zijn te klein, te stijf.
Je kunt ze oren geven, maar ze zullen nooit horen
niet de dank en ook niet als je in je nood tot deze god roept.
en je kunt ze ogen geven en doen alsof je voor hen komt,
maar ze zullen je nooit opmerken en zien in welke omstandigheden je bent.
Alleen de levende God, die in de hemel is, die te groots, te ontzagwekkend is,
maar ook bereid is om zich kleiner te maken, uit zichzelf,
zodat wij Zijn stem kunnen horen en kunnen gehoorzamen.
Deze God is jullie God, zegt Mozes.
Die God die een verterend vuur is – is wel jullie God: de Heere uw God.
Dat geeft toch ook aan dat er een relatie is:
tussen het volk Israël en de Heere
en door Christus mogen wij ook delen in die relatie, in die gemeenschap met God.

Een verterend vuur, die er op gericht is om de relatie zuiver te houden.
Een verterend vuur:
Een vuur waarna er niets meer overeind blijft, alles afgebrand en zwartgeblakerd.
Ik heb verhalen gehoord over de brand op ‘t Harde in 1970.
Over de molen in Oosterwolde die is afgebrand.
Dat zijn verhalen waarin verteld kan worden van een verwoesting.
Als Mozes hier spreekt over God als een verterend vuur
wil hij op iets anders de aandacht vestigen:
niet een grillige brand, die nauwelijks te bestrijden is
En waarna als de brand geblust is de schade opgemaakt wordt.
Als God een verterend vuur is,
is dat eerder een vuur dat ruimte maakt en zuiverend werkt.
In de Bijbel wordt gesproken over goud dat in het vuur wordt zuiver gemaakt,
ontdaan van alles vuil en viezigheden.
Of misschien kunnen we denken aan een akker
waarbij na de oogst de brand wordt aangestoken om de stoppels te verbranden
om zo ruimte te maken voor een nieuwe oogst.
God is een verterend vuur – ja Hij verwoest,
maar niet alleen om een grillig, nietsontziende verwoesting te beginnen.
Nee, altijd ten dienste van die relatie die er is met mensen.
Om wel die beelden te verwoesten,
maar dan omdat ze God niet kunnen bevatten.
Ze maken God te klein.
Omdat ze Gods daden niet kunnen afbeelden,
God niet kunnen opsluiten.
Dat vuur dat brandt, dat is om ruimte te maken voor Hemzelf, de levende God,
de enige God die er is, die alleen de aarde geschapen heeft,}
die alleen Israël heeft uitgeleid, die alleen voor Israël streed.

Vuur – dat kan ook een beeld zijn van Gods toorn.
Ook Mozes waarschuwt ervoor, dat God het volk kan loslaten,
in ballingschap kan sturen, kan verstrooiien,
maar helemaal vernietigen – nee, dat zal niet gebeuren.
Sterker dan zijn toorn is Zijn barmhartigheid.
Dat is het laatste woord.
God als een verterend vuur, dat is niet bedoeld om Israël te verteren, te vernietigen.
Dat kan wel – verwondering dat het niet gebeurt,
maar God wil dat niet.
Hij koos voor Israël als Zijn volk.

Maar Hij vraagt wel iets.
Een verbond heeft twee kanten.
Gods heiligheid, Gods anderszijn vraagt een volk dat anders is, heilig.
Dat zich ervan bewust is dat het leven voor Gods aangezicht afspeelt.
Coram Deo.
Niet voor een beeld, maar voor de levende God,
die ziet en hoort, die niet met de armen over elkaar zit,
maar ingrijpt, strijdt, desnoods uit de hemel komt
en mens wordt in Jezus Christus.
Want de HEERE, uw God, is een barmhartig God; Hij zal u niet loslaten, en u niet te gronde richten; Hij zal het verbond met uw vaderen, dat Hij onder ede met hen gesloten heeft, niet vergeten.
Amen