Kerst 1945 – de Kerstherinnering van Klaus-Peter Hertzsch

Kerst 1945
De kerstherinnering van Klaus-Peter Hertzsch

In deze adventsweken leven we ook toe naar Kerst. Kerst is een feest, waarin verhalen een belangrijke rol spelen. In verhalen kan verteld worden over de betekenis van de komst van onze Heere. In de komende weken geef ik u – in plaats van de gebruikelijke serie over de Dordtse Leerregels – enkele verhalen die over Kerstfeest gaan.
Op internet kwam ik een kerstherinnering tegen van Klaus-Peter Hertzsch. Deze naam zegt u waarschijnlijk niets, maar het gaat om een theoloog, die ik geregeld lees. Hij vertelde in het kerstnummer van het blad Glaube und Heimat in december 2010 enkele kerstherinneringen. Ik geef u zijn herinnering aan Kerst 1945.

De oorlog is voor hem, een Duitse jongen van 15 jaar net afgelopen: ‘Kerst 1945 – na meer dan 5 jaar het eerste Kerstfeest in vrede. In het voorafgaande jaar (1944) spoedde de steeds gewelddadiger wordende oorlog naar het einde toe. De laatste poging van een Duits offensief strandde reeds in de Ardennen. De  dag ervoor had Joseph Goebbels nog een belofte gedaan: “We schenken aan de Führer de stad Luik als kerstgeschenk!” De Führer hield op oudjaarsavond zijn laatste toespraak voor de radio. Met een gebroken stem beloofde de oud geworden man nog een grote ommekeer en de eindoverwinning.
We hadden geen weet van de grote stromen vluchtelingen die zich door de aanhoudende winter sleepten. De berichtgeving, die wij konden volgen, repte alleen over heldhaftig verzet van dappere legers. Maar ’s nachts zaten we steeds vaker in onze schuilkelder. In de verte konden wij een vuurgloed zien. Onze buurvrouw zei: “Kassel brandt.” Pasen vierden wij nog in de schuilkelder: Eisenach lag onder vuur. Kort daarna deden de Amerikanen hun inticht. Een onvergetelijk jaar als het ware tussen de tijden. Een onvergetelijk Kerstfeest.
In oktober begonnen de scholen weer en alles was geheel anders dan in het Hitler-tijdperk. De Russen waren intussen de bezettende macht geworden. Men kan aan hen zien dat zij 4 jaar lang de systematische uitroeiing van Joden en Russische vrouwen hadden beleefd en net zo arm en hongerig waren als wij. Onze huizen waren tot de laatste kamers gevuld met vluchtelingen, die door niemand worden verwelkomd. En toch was het een onvergetelijk mooi feest: eindelijk vrede.
Wie in toenemende mate bang was geworden in een oorlog die steeds meer een totale oorlog werd, weet welk een geschenk vrede is. De maaltijden waren ook op de feestdagen natuurlijk heel karig. Maar wie de honger kent, weet welke vreugde een snee brood betekent. Welke weg ons met schuld beladen volk zou gaan, wisten wij niet. Maar wie het heeft meegemaakt, weet wat hoop tegen alle onzekerheid in betekent.
In de maand december luidde de maandspreuk van onze kerk: Het volk dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien (Jesaja 9:1). Een jaar later zongen we in de Georgenkirche, die zwaarbeschadigd was en daardoor niet verwarmd kon worden, het Weihnachtsoratorium van Bach: Heer, uw medelijden, uw ontferming troost ons en maakt ons vrij! Als lied van de maand leerden wij een nieuw lied kennen: Jezus, neem ons toch weer in genade als uw leden aan en vooral het grote halleluja Geef de gehele christenschare vrede en een gelukkig Nieuwjaar.’

Geschreven voor de Veluwse Kerkbode

Het koninkrijk van God ontvangen als een kind

Het koninkrijk van God ontvangen als een kind

Aan de plaats die de kinderen in de kerk hebben, is te zien of men het evangelie begrepen heeft. In Jezus’ boodschap ging immers over het koninkrijk van God. Hij riep ons op dat koninkrijk te ontvangen als een kind. Jezus had geen romantisch beeld van kinderen, maar ging ervan uit dat kinderen alles van God verwachten. Meer dan volwassenen zijn kinderen in staat om te ontvangen.

Vanuit deze gedachten schreef Christian Grethlein een pleidooi om meer aandacht te besteden aan de kinderen in de kerk. Grethlein is hoogleraar Praktische theologie, met als specialisme godsdienstpedagogiek. Voor Grethlein gaat het omeen principiële kwestie: om gehoorzaamheid aan Jezus’ boodschap van het koninkrijk van God.
Hij ziet in de kerkgeschiedenis ontsporingen: de Middeleeuwen en de tijd na de Reformatie. Geloven werd te intellectualistisch, waardoor er geen rol voor kinderen was weggelegd. Hoe anders was het in de Vroege Kerk en ten tijde van de Reformatie. In de Vroege Kerk hadden kinderen een belangrijke taak in de gemeente: zij moesten het gedeelte van het evangelie, dat die zondag aan de beurt was, in de zondagse eredienst lezen. Luther hield vast aan de kinderdoop, want volgens hem was het mogelijk dat gedoopte kinderen konden geloven. Geloof is immers een geschenk van God en geen menselijke prestatie. Een kind kan een geschenk aannemen, omdat het vertrouwen heeft in de gever. Zo dient een mens Gods genade te ontvangen vanuit een vertrouwen op de Gever. Geloven is ontvangen.
Geloven is communicatie tussen God en mens. Die communicatie heeft verschillende vormen: gebed, zegen, doop, avondmaal, verkondiging. Bij al deze vormen van communicatie zijn wij met huid en haar betrokken. Kinderen herinneren ons eraan, dat we geloven niet moeten beperken tot iets van taal of tot iets rationeels. Met de doop ondergaan we met huid en haar dat we ingelijfd worden in het lichaam van Christus.
Begrijpen kinderen de diepere betekenis van wat er gebeurt? Grethlein haalt een gebeurtenis aan, die hij van een kleuterjuf hoorde: Een gemeente belegde een doopdienst, die mede door de school werd voorbereid. Om de kinderen alvast een indruk te geven van wat er in de kerk gebeurt, ging de kleuterklas tijdens schooltijd naar het kerkgebouw. Een van de kinderen werd gefascineerd door de gouden doopschaal. Het kind zag het goud door het water heen glinsteren. Hij zei: ‘De baby wordt zeker ook een beetje van goud?’ De klas was ondertussen al enkele weken bezig met de voorbereidingen van een kerstspel, waarin het Christuskind met een gouden glans om zich heen verscheen. De juf legde daarom uit dat de dopeling de glans van Christus ontving. Voor de dopeling een geschenk en een opgave (om die glans niet te verliezen). De kinderen vroegen zich af of zij deze glans ook gekregen hadden.
Grethlein ziet de kerk heel breed: Ook het gezin, het kinderdagverblijf en de godsdienstles op de basisschool kan iets van kerk krijgen. In het gezin bijvoorbeeld kan gebed, zegen en bijbelvertelling kinderen vertrouwd maken met de communicatie tussen God en mens. Volwassenen kunnen daarbij kinderen het koninkrijk van God uitleggen, terwijl kinderen volwassenen kunnen helpen dat koninkrijk te ontvangen als een kind.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v.: Christian Grethlein, Kinder in der Kirche. Eine Orientierung für Mitarbeitende im Kindergottesdienst (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2010). € 14,95.

Zie voor de uitgever en een Leseprobe: http://www.v-r.de/de/Grethlein-Kinder-in-der-Kirche/t/1001004869/

Geschreven voor: HWConfessioneel

Stellingen pastorale prediking

Stellingen pastorale prediking

1.) Pastorale prediking veronderstelt dat de preek méér is dan mensenwoorden, maar dat God zelf aan het Woord is. In de prediking komt Christus zelf tot de gemeente. (de sacramentaliteit van de preek) Vooral het woord dat van buiten komt, van Godswege, in mijn leven is pastoraal.

2.) Wil een prediking pastoraal zijn, dan is Christus meer dan een voorbeeld, maar is Hij ook heiland en redder (verschil tussen Christus als exemplum en als sacramentum).

3.) Pastorale prediking veronderstelt dat geloof gemeenschap met Christus is. Pastorale prediking is er op gericht de hoorders te brengen of te behouden bij die gemeenschap.
Het nieuwtestamentische woord dat laat zien wat pastorale prediking is, is parakaleoo (dat zowel vertroosten, vermanen, aansporen als bemoedigen betekent).

4.) De kennis van de levensverhalen van de mensen die voor ons zitten tijdens de kerkdienst doet ons verstommen. Dit verstommen is een aanvechting. Als aanvechting is het niet alleen een ingrijpende, maar ook heilzame ervaring. Als ons de woorden ontbreken, krijgt God zelf de gelegenheid te spreken.

5.) Pastorale prediking veronderstelt verbeeldingskracht en invoelingsvermogen – zowel met betrekking tot het Schriftgedeelte als tot de hoorders.

6.) Pastorale prediking is niet alleen ernstige prediking. Het geloof dat Christus heeft overwonnen en dat Zijn rijk komt, brengt relativering en ontspannenheid: de omstandigheden hebben niet het laatste woord. Ik kan niet en hoef niet te volbrengen wat Christus volbracht.

ds. M.J. Schuurman

De uitwerking van deze stellingen komt een dezer dagen in een artikel van het internet-tijdschrift IZB Areopagus Magazine. www.izb.nl

Verder lezen: Christian Möller, Seelsorglich predigen. Die parakletische Dimension von Predigt, Seelsorge und Gemeinde. Derde druk verkrijgbaar bij www.hartmutspenner.de

Iets over mijzelf

Iets over mijzelf

Het Christelijk Weekblad vroeg mij te schrijven over mijn drijfveer om in de kerk te werken. Waarom ben ik predikant? Wat is mijn roeping? Wat ik ik overdragen. Hierbij de column:

“U bent tenminste een dominee die niet altijd over geloof praat.” Hoewel het als compliment bedoeld is, raakt de opmerking mij op een gevoelige plek. Al voor het moment dat ik belijdenis deed, ervoer ik dat er twee ‘zielen’ in mij huisden: de ene wil vol overgave geloven, de ander kan het niet geloven. Het was geen intellectuele twijfel, maar veeleer : existentieel. Ik voelde me verloren in een grote wereld. Was God daarin wel? Later heb ik er de woorden voor gevonden: Mijn God, gewapend tot de tanden voeren twee mannen in mij strijd: één wil dat ik te rechter tijd voor U in liefde zal ontbranden, de ander wil uw recht aanranden en drijft mij tot opstandigheid (Gezang 88). Ik ontdekte op 16jarige leeftijd het Liedboek voor de Kerken. De gemeente waarin ik opgroeide zong alleen de psalmen in de Oude Berijming. Het is het Liedboek voor de Kerken, en vooral de tegenstem die daarin vaak verwoord wordt, geweest samen met mijn belijdenis op jonge leeftijd, dat ik de kerk niet uitgegleden ben. Sterker nog, dat ik midden in de kerk werkzaam ben.
De opmerking, dat ik mij tenminste niet altijd over het geloof praat, herinnerde mij er weer aan dat mijn strijd tegen mijn ongeloof en aanvechting nog niet voorbij is. Ging ik in gesprekken en in preken het leven vanuit het geloof niet te vaak uit de weg? Toen ik ruim een jaar predikant was, kreeg ik de vraag ook tijdens een bezoek: ‘Gelooft u eigenlijk zelf wel wat u zegt?’ In mijn preken voerde niet de vreugde en de dankbaarheid om wat God ons schenkt de boventoon, maar mijn worstelingen met God. Ik preekte vaak vanuit en over mijn moeiten om te geloven. En steeds als ik dacht dat ik deze worsteling te boven was, merkte ik in opmerkingen van gemeenteleden dat er nog steeds weer ongeloof en wantrouwen naar God toe in mij woont.
Ik kan genoeg redenen bedenken, waarom het goed is dat ik als dominee niet altijd over het geloof praat. Door te luisteren naar het levensverhaal van mensen, doe ik mensen recht. De verkondiging van het evangelie kan niet zonder een aanknopingspunt in een menselijk leven. Het is goed als er oog en oor is voor het alledaagse leven. Met degene die de uitspraak deed, keek ik vaak naar buiten. Ik kreeg te horen hoe de uitlopende natuur de somberheid verdreef. Toen de dagen langer werden, kreeg ik de angst te horen dat de somberheid alles zou overheersen. In die dagen kwam ik vaker langs. Om koffie te drinken en af te sluiten met lezen uit de Bijbel en gebed.
En toch, ging ik het geloof niet te gemakkelijk uit de weg? Deze vraag liet me niet meer met rust sinds ik bij Eberhard Jüngel ontdekte dat zonde ongeloof en wantrouwen betekent, de behoefte om in Gods plaats te willen handelen. Zijn boek over Het evangelie van de rechtvaardiging van de goddelozen als kern van het christelijk geloof had ik al enkele keren gelezen. Maar toen ik het weer herlas in de tijd waarin ik op zoek was naar het ‘lek’ van mijn geloof, mijn ongeloof, werd ik met mijn eigen ongeloof geconfronteerd. Mijn ongeloof werd tevoorschijn geroepen. Nadenken over zonde en rechtvaardiging had ik vanuit mijn traditie meegekregen. Maar pas bij het herlezen van Jüngel (blijkbaar op het juiste moment) ontdekte ik dat deze grote woorden uit de traditie over mij gaan. Sindsdien lees ik de Schrift als het Woord van God, dat mij steeds weer uit het ongeloof tevoorschijn roept. Zoals Lazarus geroepen werd uit zijn graf om weer te leven, zo word ik steeds weer als ik de Bijbel leef geroepen tot het leven, uit het oude leven, de doodsheid die mij gevangen houdt en mijn schuld vergeven wordt. Woorden uit de traditie waarin ik ben opgegroeid en waar ik weinig mee kon. Totdat ik ontdekte dat het niet om een systeem gaat, maar om het beschrijven van het leven waarin God in Christus onverwacht verschijnt, dat Zijn komst mijn behoud betekent en een leven met en voor God.

ds. M.J. Schuurman
Predikant van de Hervormde Gemeente Oldebroek

Verschenen in: Christelijk Weekblad

Dordtse Leerregels (8) Worsteling

Dordtse Leerregels (8) Worsteling
De vraag waarom de Heere ervoor zorgt dat de een wel gaat geloven en de ander niet, kan een vraag zijn die heel dichtbij komt. Als één van de kinderen afgehaakt is. Of als je man of vrouw niet meer mee naar de kerk wil en niet meer over de Heere wil praten. De Heere is de enige die ervoor kan zorgen dat mensen gaan geloven in Hem. Als de Heere ervoor kan zorgen, dat mensen gaan geloven, waarom doet Hij dat niet bij mensen, die ons zo dierbaar zijn? Wie zich dit afvraagt, kan soms behoorlijk worstelen met de wegen die de Heere wijst.
De Dordtse Leerregels wijzen op de raadsbesluiten van God. De Heere maakt de keuze, wie een ommekeer in zijn of haar leven meemaakt en Hij maakt de keuze aan wie Hij deze ommekeer niet laat gebeuren. Het is alsof we op een afstand worden gemaand: we kunnen als mensen niet alles doorgronden van wat God besluit.
Aan de ene kant kan ons dat troost geven. En dat is ook de bedoeling ook van de Dordtse Leerregels: dat wij in tijden van aanvechting onze steun en troost bij de Heere vinden. Hij laat Zijn werk immers niet uit Zijn handen glippen. Hij weet wat Hij doet. Hij overziet alles. Ook wat wij als mensen niet kunnen overzien. Een voor onze tijd spannend gegeven is dat de Dordtse Leerregels uitgaat van de volharding van de gelovigen: wie door God het geloof ontvangen heeft, kan dat geloof niet meer kwijtraken. De Heere geeft niet prijs wat Zijn hand begon. Dat is een geruststelling en een troost voor ouders, die hun kinderen andere wegen zien gaan. Hij laat hen niet (zomaar) gaan.
Aan de andere kant kunnen we er ook mee worstelen. Zoals we als mensen vaak de wegen van de Heere niet kunnen begrijpen. Als mensen kunnen we met die onbegrijpelijke wegen die wij gaan mee worstelen, we kunnen het geloof kwijtraken of we kunnen ons vertrouwen in de Heere vinden. Is het wel zo, dat wij als mensen het geloof, dat we van de Heere ontvangen hebben, niet kunnen kwijtraken? In de praktijk lijkt dat toch te gebeuren? Jongeren die van geloof niets meer willen weten, maar in hun kindertijd vol enthousiasme en kinderlijk geloof de psalmen en de liederen konden meezingen? Voor ouders is dat niet gemakkelijk om te zien, dat kinderen andere wegen gaan. Die keuze van de kinderen kan ook de vreugde van het geloof wegnemen, terwijl zij hun kinderen zelf niet willen afstoten. Voor wie deze ervaring heeft, kan het antwoord van de Dordtse Leerregels ook heel scherp zijn. Er wordt namelijk onderscheid gemaakt tussen gelovigen die uitverkozen zijn en ongelovigen die verworpen worden. Is de scheiding die door gezinnen loopt, dan terug te voeren op het onderscheid dat God maakt?
De Dordtse Leerregels manen ons om niet te ver te gaan met onze conclusies over verkiezing en verwerping. We moeten niet teveel willen weten hoe de raadsbesluiten van God werken. Bovendien suggereren de Dordtse Leerregls, dat onze vraagstelling niet goed is: het zou niet moeten gaan om de vraag waarom God bepaalde mensen niet het geloof schenkt, maar we moeten ons meer afvragen waarom God wel geloof schenkt. Dat had Hij niet hoeven doen en deed dat in Zijn oneindige barmhartigheid toch. Helpt deze correctie ons verder?

ds. M.J. Schuurman

Dankt God in alles – Dankdag 2011

Preek dankdag – avonddienst

Dank God in alles. Want dit is de wil van God in Christus Jezus voor u  1 Thessalonicenzen 5:18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We zijn vandaag als gemeente bij elkaar gekomen om onze dank bij de Heere te brengen. Dat we vandaag bij elkaar komen, wil niet zeggen dat we alleen vandaag dankbaar zijn. We kunnen geregeld dankbaar zijn en deze dag is een goede gelegenheid om de dankbaarheid naar God toe ook tot uitdrukking te brengen. Want er is alle reden om de Heere te danken. Hij zorgt immers dag aan dag voor ons. Elke dag mogen we weer ervaren, hoe de Heere als onze hemelse Vader voor ons zorgt.
We kunnen ons daarom, vermoed ik, goed indenken dat Paulus  aan de gemeente opdraagt om in alles dankbaar te zijn. Want er kunnen ook momenten zijn, waarop we vergeten om de dank aan de Heere te brengen. We komen er niet toe om het tegen de Heere te zeggen. Of we vergeten gewoonweg om dankbaar te zijn. Zo’n opmerking als Paulus geeft, helpt ons om ons te realiseren, wie er voor ons zorgt. Om ons weer te doen beseffen van Wie we alles ontvangen: onze gezondheid, ons werk, de kracht, de wijsheid, alles wat wij nodig hebben om te leven. Zoals een speciale dag, bedoeld om onze dankbaarheid aan de Heere te brengen, ons helpt om die dankbaarheid ook daadwerkelijk bij de Heere te brengen, zo herinnert deze opmerking van Paulus ons eraan: dankbaarheid is niet iets wat voor één dag bewaard moet blijven, maar het is goed als heel ons leven door de dankbaarheid aan God wordt bepaald. Het is goed als heel ons leven, alles wat we doen, alles wat we denken en zeggen, in het teken staat van de dankbaarheid aan de Heere.
En toch, dankt God in alles. Het zijn grote woorden die Paulus gebruikt, een veelomvattende opdracht. Paulus roept ons niet op om dankbaar te zijn en de Heere onze dank te brengen op het moment dat wij ons dankbaar voelen. Gelukkig zijn die momenten er, dat je door geluk en dankbaarheid geraakt wordt, overweldigd soms. Dat je je geluk niet op kunt en je bent blij dat je dat tegen iemand kunt zeggen en niet de minste ook – tegen Degene die je leven heeft geschapen. De Heere, die ervoor gezorgd heeft, dat je er bent, die je nu geluk schenkt. Dankbaarheid moet niet alleen op die momenten, waarop we vervuld zijn van een geluksgevoel,bij de Heere worden gebracht. Dat is volgens Paulus te weinig. Dankt God in alles. Voor minder doet Paulus het niet: in alles, altijd en overal.
Dat is nogal wat! Dat zijn grote woorden die Paulus gebruikt. In alles, altijd en overal. Dat zijn nu net woorden die wij afgeleerd hebben, door ervaring, door wat ons in ons leven is overkomen. Moeilijke momenten, waarop ons leven door een dal ging, tegenslag, waardoor ons leven opeens een kant opging, waar we niet op hadden gerekend – een abrupte stilstand. Het is niet gemakkelijk om in zulke tijden, waarin alles tegenzit, dankbaar te zijn.
Als we iemand tegenkomen, die ziek is of het nodige heeft meegemaakt, en die ondanks alles een blijmoedige uitstraling heeft, maakt dat indruk op ons. Je zou soms het geheim willen weten. Hoe komt hij, hoe komt zij aan dat vertrouwen, het rotsvaste geloof dat het leven geborgen is in Gods hand? Je zou het ook wel willen, want vaak kom je er niet toe. Er is teveel gebeurd.
Paulus roept ons overigens niet op om ondanks alles dankbaar te zijn. Het lijkt een klein verschil en toch is dat het niet. Denk maar eens aan iemand die een kind heeft verloren,
een groot verlies, en dat er dan iemand op bezoek komt en de ander wil troosten en zegt: ‘Maar je hebt toch nog 3 andere gezonde kinderen?’ Dat is iemand anders voorhouden dat je ondanks alles dankbaar moet zijn.
Als Paulus ons voor zou houden, dat we ondanks alles zouden moeten danken, zou het geen evangelie zijn, maar een goedkope opmerking,  zoals je die van zelfbenoemde troosters kunt horen. Het verdriet en de zorgen worden aan de kant geschoven en je moet op zoek naar een lichtpuntje – om je zorgen en verdriet weg te duwen. Dat bedoelt Paulus niet. Danken ondanks alles zou Paulus te weinig vinden. Daarmee geven we God te weinig.
Dankbaarheid is ook geen stemming, of gevoel. Wanneer we voorgehouden worden om ondanks alles te danken, gaan we er daar wel van uit, dat dankbaarheid een gevoel is, een stemming. Ondanks alles – betekent dat: natuurlijk er is veel verdriet, het is niet gemakkelijk,
maar kop op! Er is toch nog zoveel meer in het leven, dat je wel gelukkig maakt.

Paulus gebruikt niet zomaar een woord voor de dankbaarheid. Hij gebruikt een woord, waarmee hij ook steeds het avondmaal aanduidt. De dankbaarheid waar Paulus over spreekt en die heel ons leven moet bepalen, is vergelijkbaar met het avondmaal. Ook daar gaat het vaak trouwens mis. Bij het avondmaal zijn we vaak ook heel druk met ons gevoel: Wat moeten we voelen? Hoe moet je je voelen, voordat je aan het avondmaal gaat? Wat moet je voelen als je aan de tafel zit? Moet je je schuldig voelen, of dankbaar?
Maar bij het avondmaal gaat het niet om onszelf, om ons gevoel, wat het met ons doet. Het avondmaal moet onze blik, onze gedachten weghalen bij onszelf, omhoog trekken, naar de Heere Jezus is. Laten wij onze harten opwaarts heffen naar de hemel, daar waar Christus Jezus is. Daar gaat het om, als Paulus schrijft over dankbaarheid onder alle omstandigheden. Paulus zegt niet dat we ons altijd en overal dankbaar moeten voelen, maar dat we altijd en overal met dankbaarheid moeten denken  aan wat Christus voor ons heeft gedaan.
Dankt God in alles – we kunnen het vergelijken met het Joodse volk. Tot aan 1948 had dit volk geen eigen staat. De Joden waren verstrooid over alle landen. En toch vierden ze het Pascha, vierden ze hoe God hen bevrijdde uit Egypte en hoe Hij hen gebracht had in het land, dat de Heere aan Abraham en aan Izak en aan Jakob had gegeven. Voor eeuwig. Zouden de Joden ooit hebben overwogen om eens een keer geen Pascha te vieren, omdat ze nog niet in het beloofde land woonden, maar in Europa of Amerika? Zouden de Joden ooit hebben overwogen om geen Pascha te vieren, omdat ze te maken hadden met onderdrukking of achtervolging of discriminatie?
Dankt God in alles – in alle omstandigheden gedenken en vieren wat God doet. En dan denkend aan het avondmaal kunnen we ook bedenken wat God heeft gedaan. Het avondmaal, de tafel die klaar staat, om te laten zien dat God alle schuld verzoend, de scheur die door Gods familie loopt, de verloren zoon, die naar zijn vader toegaat en zegt dat hij de helft van de boerderij in contact geld wil hebben. En dan niet om te investeren in een nieuwe boerderij, maar om dat te verkwisten, te laten verdampen, de jongen die rijk wegtrok, maar berooid thuiskwam, feest had gevierd met het geld van de ander, terwijl hij zijn familie thuis dupeerde
en op hangende pootjes terugkomt. En dat de vader zegt: Mijn zoon was dood en is levend geworden.
Dankt God in alles – dat betekent dus ook:  in herinnering houdend dat God onze schuld vergeeft,dat de Heere, zoals Psalm 103 dat zingt, niet doet naar wat wij verdienden, maar vanuit Zijn goedheid en barmhartigheid.
Toen de Heere Jezus het avondmaal instelde, gaf Hij aan dat de gemeente het avondmaal moest vieren totdat Hij terug zal komen. Als we worden opgeroepen om in alle omstandigheden te danken, gaat het er dus niet alleen om dat we omhoog kijken en hulp van de Heere verwachten, maar kijken we ook vooruit.
We kunnen dat ook zien aan de brief aan de Thessalonicenzen. Paulus spreekt de gemeente erop aan, dat zij de moed niet moeten verliezen. Christus zal wederkomen! Dat vooruitkijken naar de wederkomst van Christus houdt in: Er komt een andere tijd, deze wereld is niet volmaakt. Niet alles wat er met ons gebeurt, is Gods wil. Niet alles wat ons overkomt, is Gods plan met ons leven. We zijn nog niet in het hemels Jeruzalem – of we dat nu merken of niet. Ik denk dat we het allemaal op een of andere manier merken dat we er nog niet zijn. De een door lijden dat overkomt, ziekte, een onverwachte, abrupte wending in het leven. De ander doordat hij er maar niet in slaagt om te leven naar Gods wil. En dan niet ondanks alles, ondanks dat alles danken, maar ook danken te midden van onze schuld, te midden van het lijden dat ons overkomt. En dan niet door onszelf op te peppen, of positief te denken en alle zorgen weg te duwen, maar door te verwachten, te hopen, uit te zien naar die wereld.
Deze manier van danken heeft ook iets van verzet in zich: deze wereld is nog niet Gods koninkrijk. Ik dank niet omdat ik het hier goed heb, maar ik dank vooral, omdat er een tijd komt, Gods koninkrijk, waarin het goed zal zijn. En daarvan mag ik hier al iets meemaken.
Maar ook als ik er niets van merk, blijft het gelden.  Daarom is Dankt God in alles niet hetzelfde als: dankt God voor alles wat ons overkomt. Er wordt wel eens gezegd: het is Gods bedoeling geweest. Soms wordt er nog bij gezegd: blijkbaar. Alsof wij een andere keuze zouden maken. Maar niet alles wat ons overkomt, komt uit Gods hand. Niet elke tegenslag wordt ons van God gegeven.
Ook als het ons voor de wind gaat, hoeft dat nog niet altijd van God te komen. Een valkuil waar we steeds in kunnen trappen: als we succes hebben, kunnen we denken dat het van God komt,  en als we tegenslag hebben, vragen we ons af, waar we dat aan hebben verdiend.
De oproep van Paulus om in alles te danken, stoort ons in deze gedachten, onderbreekt ons, wijst ons boven alles uit naar God. Hij geeft niet prijs wat Zijn hand begon. Daar is het Paulus om te doen, dat we dat geloven en vasthouden, dat we daar voortdurend uit leven. Ons leven is geborgen bij God – wat ons ook overkomt, welke wegen wij ook inslaan, welke verkeerde en goede keuzes wij maken. Dankt God in alles, want er is niets dat ons kan scheiden van Gods liefde. Er is niets dat God kan weerhouden om in te grijpen in ons leven. Er is niets dat in staat is om hem tegen te houden zich met ons leven te bemoeien. Dankt God in alles.
Het is overigens geen opdracht van Paulus, maar  van God zelf. Het is de wil van God, dat wij altijd danken. Dat wij altijd beseffen, dat God in staat is om voor ons leven te zorgen, dat Hij bereid is om ons het verkeerde te vergeven, dat Hij klaar staat om ons te vernieuwen. Dus niet danken voor wat ons overkomt. Dat is niet de wil van God – de wil van God is dat wij altijd Hem danken. Hij wil dat deze dankbaarheid, het zicht op Gods werk in ons leven en in deze wereld, het geloof dat God zich niet heeft teruggetrokken, maar juist Zijn Zoon heeft gegeven.
dat geloof, die dankbaarheid voor dat handelen van God, moet heel ons leven bepalen.
Daar moeten wij uit leven, dat moet de grondslag zijn van ons leven, de basis van onze hoop, de basis van ons geloof en onze liefde.
Dankt God in alles – niet een gevoel of stemming in ons, maar Gods werk aan ons, waarmee Hij ons klaarmaakt om Zijn koninkrijk te ontvangen, waarmee Hij hier ons al laat weten, dat Hij ons aanneemt en aan wil nemen als Zijn kinderen. Dat Hij aan het begin van ons leven staat en aan het einde, de Alpha en de Omega, van de wieg tot het graf. Maar ook in de tijd ertussen. God wil dat we dat zien, dat geloven en vasthouden. Totdat Hij komt.
Dankt God in alles, want Hij heeft een kruis geplant in onze wereld, waaraan Zijn Zoon stierf voor ons en waardoor Hij liet zien dat Hij ons en onze wereld niet heeft opgegeven, maar zal redden van het oordeel en de verlorenheid. Dankt God in alles, want dat is de wil van God in Christus Jezus voor u. Amen

Deze preek is geïnspireerd door een meditatie van prof. dr. A.A. van Ruler uit Verhuld bestaan