Preek zondagmorgen 1 september 2013 (Afsluiting VBW)

Preek zondagmorgen 1 september 2013
Afsluiting VakantieBijbelWeek 2013

Genesis 12:1-9

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vanmorgen willen we de VakantieBijbelWeek afsluiten. We doen dat met een bekend verhaal. Misschien denk je wel: dat verhaal ken ik allang. Maar stel je voor, dat het verhaal van Abram zich vandaag zou spelen hier in Oldebroek…

Stel je voor dat er vanmorgen hier in de kerk iemand naar voren komt, een echte Oldebroeker. Hij is hier geboren en al zijn 75 jaar heeft hij hier gewoond. Iedereen kent hem, omdat hij best wel rijk is, iedereen in het dorp weet zijn huis aan te wijzen en praat vol ontzag over hem. Hij komt naar voren en je wordt nieuwsgierig naar wat hij gaat zeggen.
Dan zegt hij: ‘Beste mensen, moet afscheid van jullie nemen. Ik moet namelijk op reis.’
Dat is raar: ik moet op reis. ‘Ja,’ zegt hij, ‘Ik moet op reis en ik kom niet meer terug. Ik ga hier voorgoed vandaan. Ik ga op weg naar het land, dat God mij wijzen zal.’

Als dat vandaag zou gebeuren, zouden er gelijk een hoop reacties komen:
– De een is vol bewondering: ‘tsjonge, dat is wat: de stem van God horen! En dan zo’n opdracht!’
– Een ander zou zeggen: ‘Dat land dat God je wijzen zal: waar is dat? Is dat in Wezep? Of nog verder: in Apeldoorn? Of is het nog verder: misschien wel het zuiden van Spanje? Moet je zo’n afstand afleggen?’
– Een derde zou zich afvragen: ‘Hoe weet je dat het de stem van God is die zegt dat je hier moet vertrekken? Kun je je niet vergist hebben?’
– Weer iemand anders zou afvragen: ‘Hoe moet dat later met je bezittingen. Je hebt helemaal geen kinderen. Van wie zijn al je spullen, al je geld als je sterft? Komt het dan in vreemde handen, daar in het verre land?’
En de echte Abram, waar de Bijbel over vertelt? Had hij de vragen ook? Denkt hij bij zich zelf: Wat hoor ik nu? Heb ik het goed gehoord? Dat kan de stem van God toch niet zijn? We lezen er niets over. Wat we lezen, is dat Abram de stem van God hoort en dan ook gaat. Alles moet mee.

Je kunt er een spelletje van maken, zoals op de avond van de afsluiting: ik ga op reis en ik neem mee…
Abram moet alles meenemen.

Boekendozen van Verhuisboxen
[Voor het gesprek met de kinderen: Wat moet je allemaal meenemen als je gaat verhuizen? Wat gaat er allemaal in de verhuisdoos?]

Alles moet in verhuisdozen: alle zomerkleren en winterkleren, al het beddengoed, alle kostbare voorwerpen die hij heeft verzameld, al zijn geld het moet allemaal in verhuisdozen. Alle dieren moeten mee, alle knechten die hij heeft. Genoeg eten en drinken voor onderweg. Dat zal een flinke stoet kamelen geweest zijn.

[Voor het gesprek met de kinderen: Wie is er wel eens verhuisd? Hoe is het om te verhuizen?]

Ook heel wat voor de familie van Abram. Zij waren vast niet blij met het vertrek van Abram. Want als Abram gestorven zou zijn, zouden zij als naaste familie alles van Abram erven, maar nu? Van alle rijkdom die Abram had zouden ze niets meer zien.

Een vreemde opdracht van de Heere voor Abram. Kijk als Abram kinderen had, dan kon je nog denken: Hij gaat weg voor zijn kinderen. Ergens anders is er meer ruimte voor hen, daar kunnen ze later hun eigen boerderij beginnen. Daar is de grond beter voor het graan. Daar kun je veel grotere kudden houden.
Abram trekt weg, zonder kinderen. Niemand die hem opvolgt of die later alles erft. Misschien ook wel niemand die hem begraaft of om hem verdrietig is.

Gisteren schreef ik aan iemand, dat ik overwoog om een verhuisdoos mee te nemen om te laten zien wat het voor Abram en Sara betekend moet hebben om te verhuizen. Ik maakte echter een typefout. Op het toetsenbord zit naast de –s de –d. Ik schreef geen ‘verhuisdoos’, maar ‘verhuisdood’. Zo zou je de verhuizing van Abram ook kunnen uitleggen: als een verhuisdood. Want 75 jaar oud en dan zonder kinderen: van Abram zou niets meer overblijven. Niemand die nog kan na vertellen hoe het met Abram was afgelopen en waar hij begraven ligt.

Zo moest Abram leren vertrouwen op God! Dat is niet eenvoudig, want was die stem van God elke dag bij hem om de weg te wijzen?
In de meeste auto’s zit tegenwoordig een tomtom, die de weg wijst. De tomtom zegt het waar je linksaf moet slaan, of rechtsaf. De tomtom zegt het als je op de verkeerde weg zit of weet een nieuwe weg aan te wijzen.
Veel mensen zouden willen dat de stem van God ook als de tomtom was. Elke dag zouden ze dan de stem van God horen. In ieder geval bij belangrijke beslissingen in het leven: welke baan moet ik kiezen? Op wie moet ik verliefd worden? Mag ik gaan scheiden?
Abram weet niet welke kant hij op moet gaan. Hij weet alleen, dat de Heere hem zal brengen. De Heere zal zorgen dat Hij in dat land komt. Maar hoe weet hij ook niet.
Voor ons vandaag heeft de Heere de Bijbel gegeven: Zijn Woord. Voor belangrijke beslissingen kan Zijn Woord worden geraadpleegd. Bijvoorbeeld als het over Syrië gaat. De president van de VS zou graag duidelijkheid willen hebben: mogen we aanvallen of niet? De Bijbel zegt in ieder geval: Gij zult niet doden. Voor ons betekent dat: wees voorzichtig! Ga niet zomaar een oorlog beginnen!
Wacht even: de Bijbel vertelt niet alleen over een opdracht voor Abram. Abram krijgt niet alleen de opdracht: ‘Ga weg met alles wat je hebt! Neem je familie niet mee.’ De Heere zegt nog iets anders:
Ik zal je tot een groot volk maken. Abram, de man zonder kinderen tot een groot volk! Daar is nog niets van te zien. Ook zoals er van dat land dat de Heere wijzen zal nog helemaal niets te zien is. En toch moet Abram gaan. Hij moet vertrouwen. Hij moet erop vertrouwen dat het klopt wat de Heere zegt: dat er een land komt, en dat er een kind zal komen. Dat er uit Abram een groot volk zal komen.

De Heere zegt tegen Abram nog meer: Abram je wordt niet alleen tot een groot volk. Abram, je zult een zegen zijn.
Want Abram, als je wegtrekt naar dat andere land, je neemt je familie niet mee. Dan lijkt het erop of je zult verdwijnen, de verhuisdood. Als de mensen later het spoor van Abram zouden willen volgen,
zouden ze niets vinden. De afdrukken van de kamelen, van de voetstappen, de wind heeft er zand over geblazen, de weg die Abram was gegaan zou niet meer terug te vinden zijn.
Maar Abram, zo werkt de Heere juist. De mensen kunnen van Gods weg niets meer terug vinden. Ze zullen zeggen: waar is God dan? Waar kunnen we zien dat God er nog is? Dat niet alles door de wind is weggeblazen?
Dan mogen ze denken aan jouw verhaal: en dan mogen ze zich herinneren – jouw leven leek te verdwijnen, maar je mocht een nieuw land vinden. De Heere gaf hem land, een kind, nakomelingen.
Zo zal de Heere steeds zorgen dat het goed kwam.

De opdracht voor Abram was een hele speciale. Om tot zegen te zijn voor alle andere volken. God leidt niet alleen de weg van Abram, maar regeert heel de aarde. Israël: weten dat God er nog is.
De president van de VS heeft allerlei plannen klaarliggen: op welke manier moeten we Syrië aanvallen? Wat is de beste manier?
Ook de Heere had een plan klaarliggen en in dat plan kreeg Abram een rol. Het plan was om door de Heere Jezus de wereld te redden van de zonde. Abram ging op weg – zonder kind. Maar uit het kind dat later geboren werd, Izak, zou later de Heere Jezus geboren worden.
Amen

Na de preek zongen we: Wat de toekomst brengen moge (couplet 1 en 4)
Voorafgaande aan de preek: Psalm 25: 2 en 7

Preek over Genesis 16 (voorbereiding Heilig Avondmaal)

Preek over Genesis 16 (voorbereiding Heilig Avondmaal)

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

(1)  Het leed van Saraï
Het leven van Abram en Saraï is nog niet af. Aan hun leven ontbreekt nog iets belangrijks: Saraï heeft nog geen kind gekregen.
Iemand die geen kinderen heeft gekregen daar op hoge leeftijd nog verdriet over hebben. Een verlangen naar een kind – dat verlangen werd niet vervuld. Dat onvervulde verlangen is een lege plaats, een gemis. Het verdriet is een vorm van rouwen: afscheid nemen. Afscheid nemen  van een leven waarnaar iemand zo verlangd kan hebben en dat niet kwam. Terwijl de omstandigheden verder goed waren, is er toch dat verdriet.
Anderen zouden wellicht wensen dat ze iets van de rijkdom van Saraï mochten hebben. Rijkdom kan het verdriet niet wegnemen. Ze mogen dan rijk zijn: aan wie moeten ze hun bezittingen doorgeven?

Voor Saraï was het nog extra pijnlijk: want kinderen was haar taak, zogezegd. Wanneer een vrouw geen kinderen had gebaard, werd het haar aangerekend. ‘Saraï, de onvruchtbare’ – zo zullen de mensen haar wellicht hebben genoemd.  Ze zal gevoeld hebben hoe mensen op een bepaalde manier naar haar gekeken hebben. O ja, de vrouw die geen kinderen kon krijgen. Ze zal het uit de ogen van de mensen hebben kunnen lezen: Die Abram, dat zijn vrouw geen kinderen kan krijgen. Meewarige blikken soms; misschien soms wel de scherpe opmerkingen als er iets voorviel: ‘Zeker geen ervaring met kinderen.’

De mensen zullen ook wel verder hebben gedacht: ‘Hoe komt het dat zij geen kind gekregen heeft? Waarom liet God dat niet toe?’ Zo’n vraag wordt al heel snel: ‘Wat heeft iemand gedaan? Wat heeft iemand misdaan?’
Saraï zal die gedachten ook hebben overgenomen. Want zo gaat dat toch, dat wat je in de ogen van anderen leest, dat je dat ook overneemt. Dat je over jezelf gelooft, dat het ook zo is.
Op een dag zegt ze het ook tegen Abram, haar man: ‘De Here heeft het me niet vergund. De Here heeft het me niet vergund om een kind te dragen, te baren.’
Is het verdriet? Is het teleurstelling? Is het pijn? Is het berusting?  Het verdriet dat Saraï met zich meedraagt, dat haar zo eigen geworden is, wordt nog eens versterkt. Niet alleen pijn, niet alleen schande. Het slaat ook nog eens terug op God. De Here heeft het niet vergund. Dat is de conclusie van het wachten op een zoon voor haar man. Ze twijfelt niet aan de Here, maar aan zichzelf. Want de Here had een zoon beloofd aan Abram.  Na al die jaren van wachten komt ze tot de conclusie: als de Here dat aan Abram beloofd heeft, ben ik niet de juiste vrouw voor Abram. Ik ben niet de juiste man.
Hij zal uit mij geen zoon ontvangen.

(2) De oplossing van Saraï
Maar op die manier blijven Gods beloften onvervuld. Er moet iets gedaan worden, zodat Gods beloften in vervulling gaan. Er moet gehandeld worden; anders komt van het werk van de Here niets meer terecht. Hoe moeilijk ook te accepteren, ze besluit om een pas op de plaats te maken.
Ze stelt het haar man voor: ‘Neem Hagar erbij als je vrouw. Zij moet mijn plaats innemen.
Haar zoon zal echter wel als mijn zoon gerekend worden. Op die manier zal mijn schande van mij afgenomen worden.’
Voelt u hoe diep de pijn van Saraï zit. Dat wachten tot Gods beloften zijn vervuld, dat kan ze niet meer dragen. Ze is tot heel veel bereid om haar verlangen vervuld te krijgen. Ze twijfelt niet aan de Here, maar aan zichzelf.

Hoe begrijpelijk haar pijn en verdriet ook zijn, wat er gebeurt is: Zij gaat voor de Here denken.
Gods beloften kunnen niet onvervuld blijven,  dus moeten wij naar wegen op zoek om Gods beloften tot vervulling laten komen. Haar pijn is zo groot, dat ze vergeet dat ze dat als mens niet kan. Hoe kunnen wij Gods beloften laten uitkomen? Ze vergeet ook dat ze God niet is. Zijkan niet overzien wat er gaat gebeuren. Zij kan niet, zoals de HERE wel kan, het verloop van alles overzien. Dat is de les voor ons.
Hoe vaak willen wij niet voor God denken: Here als u nou eens dit deed… in ons eigen leven, of in de kerk. We stippelen dan uit, hoe God het beste kan handelen. Maar daarbij vergeten we één ding:
we vergeten dat God ons opgedragen heeft om te verwachten. Wij willen vaak resultaat zien, maar dat is niet het resultaat wat de Here ons wil leren.

We willen als het goed is allemaal groeien in geloof – toch? Groei in het geloof is vooral groeien in het kunnen afwachten. Groeien in de acceptatie dat wij het niet kunnen. En ook niet hoeven te doen, omdat God het zelf doet. De Here heeft niet aan ons gevraagd om Zijn beloften in vervulling te brengen.
Dat klinkt als een harde boodschap, als iets wat we niet gemakkelijk accepteren. Maar net als Saraï kunnen wij het geheel niet overzien. Wij kunnen de omstandigheden niet overzien.
Saraï heeft bijvoorbeeld over het hoofd gezien, wat Hagar gaat doen. Ze heeft er in ieder geval niet op gerekend wat Hagar gaat doen.
Wat Saraï had bedacht, dat past helemaal in de regels van die tijd. Alleen wat Saraï niet bedenkt, is dat God geen mensen gebruikt. De Here schakelt mensen in, maar Hij gebruikt ze niet. Hij spant ons niet voor Zijn karretje. Hier komt iets van het oude leven van Saraï de kop op steken, dat Babelse leven: mensen zijn er voor jou – om gebruikt te worden om jouw doel te bereiken. Zo werkt de God van Abraham, Izaäk en Jakob echter niet.

(3) Het verzet van Hagar
Ook Hagar is er niet van gediend, van wat Saraï bedacht heeft. In haar ogen bekokstoofd. Want zij wordt gebruikt. Zij is slechts slavin. Zij moet het plan van Saraï vervullen. De plaats van Saraï innemen.
Als ze zwanger is, voelt ze zich groeien. Ze is geen ondergeschikte, maar gelijk aan Saraï.  Vanaf dat moment is het gedaan met de rust in huize Abram. Saraï dacht dat zij zomaar even over het lichaam van haar slavin kon beschikken. De slavin schik zich niet in haar rol.
Dat conflict is echter terug te voeren op dat besluit van Saraï: om het heft zelf in handen te nemen.
Eén daad kan verstrekkende gevolgen hebben. Het  verlangen van Saraï is zo sterk geworden, dat het ten koste gaat van Hagar. En van haarzelf.
Nogmaals: dat verlangen is begrijpelijk. Dat afwachten, dat wachten op de Here, is niet gemakkelijk. Dat zien we op tal van plaatsen in de Bijbel. De Here laat ons wachten om ons te oefenen in het wachten, om ons te leren het uit handen te geven, om het niet zelf te doen.
De gevolgen zijn groot. De verhoudingen in het gezin raken verstoord. Hagar komt in opstand. In haar welt de trots op. Ze is niet meer slechts een slavin, nee zij draagt de opvolger. Het kind dat geboren moest worden, moest voor Saraï de eer zijn, Saraï gelukkig maken. Dat laat Hagar niet toe. Zij wil niet dat Saraï ten koste van haar gelukkig wordt. De trots in haar groeit. Zij neemt Saraï’s plaats over. Dat gaat zo niet langer.

 Er moet partij gekozen worden. Op hoge poten komt Saraï bij haar man: ‘Weet je wel wat je gedaan hebt bij Hagar? Doe er wat aan.’
Maar wat kan Abram? Hij heeft zelf het plan van Saraï ten uitvoer gebracht. En als hij iets doet, wat gebeurt er dan met zijn zoon? Hij kan zijn zoon toch niet zomaar laten gaan? Hij legt de bal terug bij zijn vrouw. Die verantwoordelijkheid wil hij niet dragen: ‘Doe jij zelf er maar iets aan.  Je mag doen wat je wilt.’ Hij schuift zijn eigen verantwoordelijkheid van zich af.
Zo ontstaat er in dit gezin een patroon dat de verkeerde kant op gaat.

Als er éénmaal een spoor is in geslagen, dan is er geen weg terug. Saraï moet de fout herstellen die ze bezig, door in te grijpen. Ze moet haar eigen inschattingsfouten herstellen.
Saraï grijpt hard in de orde weer gehandhaafd te krijgen: ze vernedert Hagar. Iemand anders vernederen doe je alleen als je geen grip meer hebt op de situatie. Het is een allerlaatste poging om weer de regie terug te krijgen.  En waarschijnlijk ook om haar verdriet en haar pijn af te reageren. Een reactie die alle perken te buiten gaat. Hagar mag er niet meer zijn. Saraï laat haar eigen plan mislukken. Deze verwijdering, dit elkaar pijn doen, dat langs elkaar heen leven – dat heeft die ene oorzaak: Saraï wil de beloften van de HERE uit laten komen. En dat is het resultaat: een uit elkaar gespatte familie:
 – Saraï, een verbitterde vrouw die al haar frustraties afreageert.
– Een slavin die gebruikt is, maar die desondanks haar trots heeft en niet wil buigen en haar kans grijpt om haar eigen positie veilig te stellen. Als ze vernedert wordt, vlucht ze weg. Terug naar Egypte.
– Abram, betrokken maar die zijn verantwoordelijkheid niet wil nemen; het gaat tenslotte ook om zijn toekomst.
En dan te bedenken dat het hier om een familie gaat die door de Here is uitgekozen. Uitgekozen is om anders te zijn. Anders dan de wereld, anders dan Babel. En waar Saraï dacht het plan van God te kunnen vervullen, daar lijkt de vervulling verder weg dan ooit. Hoe moet de HERE dit tot een goed einde brengen? Deze chaos die door mensen is aangericht?

(4) De HERE
Waar is de HERE zelf? De HERE grijpt op een verrassende manier in. En dat viel mij op, omdat we op deze zondag ook gaan voorbereiden op het Heilig Avondmaal. Want wat doet de HERE? Hij herstelt de verhoudingen. Niet op de manier waarop Abram dat doet, maar op een manier die alleen bij Hem past. Hij baant nieuwe wegen, waardoor Saraï, Hagar en Abram weer in vrede met elkaar kunnen leven: Verzoening.
Dat vieren we ook aan de avondmaalstafel: verzoening. Verzoening met God en met elkaar. Die beide kanten zijn nodig. Als de onderlinge verhoudingen verstoort zijn, wordt ook onze relatie met God verstoord. Het belemmert onze relatie met God. We nemen het mee in ons gebed. Vergeef ons onze schulden. Ja dat willen we wel.  Dat al onze fouten uitgewist worden. En dat geloven we toch ook, dat dat kan door de HERE Jezus? Doordat Hij Zijn leven gaf, Zijn bloed uitstortte, onze schuld droeg.
Alleen dat andere: zoals ook wij vergeven onze schuldenaren. Hebt u dat wel eens gedaan? En als we kijken naar Hagar, Saraï en Abram: wie moet wie vergeven? Alleen door verzoening kunnen deze drie mensen verder.
Alleen verzoening is niet gemakkelijk. En dat is wat God komt doen. Als het gaat om vergeving slaan wij echter vaak één stap over. Vergeving willen we wel graag ontvangen. Soms kan de last ook te zwaar zijn van wat we elkaar aandoen. Weten we niet hoe dat moet: elkaar toegeven dat we elkaar pijn hebben gedaan. Of voelen we nog steeds wat die ander ons heeft aangedaan – waardoor wij niet kunnen vergeven.
 Een patstelling – hoe moet het verder? Hoe kan onze onderlinge relatie weer hersteld worden? Hoe kunnen we weer bij elkaar komen? En wie neemt de last van ons af, de last die wij naar God toe hebben. Misschien heel onbewust?

(5) Genoegdoening
Moet u eens kijken in dit verhaal hoe dat gebeurd. Een bijzondere manier, zoals alleen de HERE doet.
Hij zoekt Hagar op.  Hij stuurt een bode naar Hagar toe. Hagar die haast weer terug is in Egypte. Die bode roept haar terug. Die bode, de engel die namens de HERE komt, spreekt Hagar aan op haar verantwoordelijkheid. ‘Hagar, wat doe je hier? Waar kom je vandaan? Waar ga je naar toe?’  Tegenover die bode van de HERE is ze eerlijk: ze is op de vlucht. Dan zegt de engel tegen haar: Ga weer terug. Neem je plaats onder Saraï weer in.
Als je dat voor het eerst leest, dan denk je: Hè? Wat doet de HERE hier?  Stuurt Hij Hagar zomaar weer terug onder het harde regime van Saraï?
Nee, de Here geeft Hagar iets mee, waardoor ze het kan volhouden:  Dat de HERE niet alleen Abram en Saraï gedenkt, maar ook haar. Dat Hij ook voor haar een zegen heeft. Dat haar zoon ook belangrijk wordt. Zij is geen verschoppeling. Zijn kinderen mogen zich bezondigd hebben aan haar, de Here laat haar niet vallen. Hij herstelt de fouten die Abram en Saraï hebben gemaakt.
De HERE heeft het gezien, wat er is gebeurd. Zo is onze HERE. Wat ons overkomt – de HERE blijft er niet onverschillig onder! De HERE ziet het! Mijn oog zal op u zijn. Dat is onze troost, als wij te maken hebben met die ander. De HERE geeft aan Hagar een naam voor haar zoon. Een naam die haast een provocatie is voor Abram en Saraï. Die Abram en Saraï weer op een plek zet en er ook weer doet herinneren dat de HERE zijn beloften vervuld en niet een mens.
De HERE hoort. Hij richt voor mij een dis aan voor de ogen van wie mij benauwen. Dàt is het avondmaal. Dat de HERE onze nood heeft gezien en daardoor kunnen wij volhouden. Dat de HERE naar ons toekomt, zoals Hij ook naar Hagar toekomt. Dat vieren we aan die tafel.
Dat het avondmaal net zo’n bron wordt als de put bij Hagar: tastbaar bewijs dat de HERE naar ons omziet. Dat Hij ons recht doet.

Er zit ook een andere kant aan. Als de HERE ons recht doet, als Hij ons uitnodigt aan Zijn tafel, doet Hij dat ook met die ander. Die ander die voor je gevoel zo op je neer kan kijken. En dan zit je aan de tafel…
We vieren verzoening. Met God. Maar we zitten daar niet alleen. Avondmaal is geen onderonsje. We vieren dat in een gemeenschap – met elkaar . God vergeeft onze fouten, maar ook die van de ander. Dat vieren we aan de tafel. Dat Christus ons broeder en zuster maakt. Niet door te pijn te negeren. Maar door een familiediner te organiseren, waar Christus zelf de gastheer is. Dat je zelf gaat, maar die ander…
Dat is het koninkrijk van God, dat je afleert: Gelukkig ben ik niet als die. Of: die ander is zou lauw. Of Here, eerst moet hij de eerste stap zetten. De Here nodigt ons uit. Terwijl wij Zijn regie overnamen en dachten dat Hij niets deed. Dat we het beter zelf konden doen, beter dan de HERE.
De Here ziet het, maar Hij ziet ook naar ons om. En nodigt ons om bij Hem te komen. Gelijk ook Hij vergeeft onze schulden. Gelijk ook Hij vergeeft die ons iets schuldig zijn. Die vergeving geldt ook voor de ander.
Dat is het heel wat. Dat zouden wij niet kunnen bedenken… Dat vieren we tijdens het Heilig Avondmaal: dat Hij een nieuwe weg baant, naar de Vader, naar elkaar.
Amends. M.J. Schuurman

 

Preek over Genesis 13

Preek over Genesis 13
Preek 4 in de serie over de Abrahamsverhalen

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

(1) Introductie
Laat mij niet mijn lot beslissen,
zo ik mocht, ik durfde niet

Beseft u wat we gezongen hebben? We hebben de regie van ons leven uit handen gegeven. Liever dat de Here ons leven leidt, liever dat Hij ons leidt op wegen die voor ons onbegrijpelijk zijn, dan dat wij zelf onze wegen kiezen. Voelt u aan wat wij daarmee zeggen? We doen afstand van de troon. In ons leven zijn er geen twee kapiteins op een schip.

Laat mij niet mijn lot beslissen,
zo ik mocht…

Wat een woorden! Woorden die we vol overgave, vol geloof kunnen zingen. Zou u deze woorden voor uw rekening kunnen nemen? Of zijn de woorden die volgen meer uw woorden?

Ach, hoe zou ik mij vergissen,
als Gij mij de keuze liet
.

Wat een zelfkennis. Er is moed voor nodig om dat te erkennen. Moed om dat onder ogen te zien: de wegen die wij kozen, zijn wegen waarin wij ons kunnen vergissen. Er is moed voor nodig om dat aan de Here te belijden: ‘Here, de wegen die gingen, waren onze eigen wegen en niet de wegen die u voor ons bestemd had.’ Vaak worden we door schade en schande wijs. Net als Abram.

(2) Heeft Abram iets geleerd?
Daar staat Abram. Hij is door de soldaten van de farao de grens overgezet en die soldaten wachten net zo lang tot ze er zeker van zijn dat Abram de weg naar Kanaän kiest en niet de weg terug naar Egypte.
Wat zou Abram hebben geleerd van wat er in Egypte gebeurde? Zou hij iets hebben geleerd?

Ach, hoe zou ik mij vergissen,
als Gij mij de keuze liet
.

Zou hij wat hebben geleerd? Over de Here? Over zijn eigen leven? Of zal hij de spottende, cynische, trotse woorden van de schrijver Nescio beamen: Niets heb ik, goddank niets, geleerd van het leven.
De dichter Jan Willem Schulte Nordholt bleef haken bij deze regel. Als dat zo is, dat je niets leert in dit leven, dat klinkt te mooi om waar te zijn. Hunkerend naar wat leren onderweg schreef hij:

Sommigen worden wijzer met de dag.
Verlangend om het leven af te leren
strijken zij voor zijn overmacht de vlag,
berustend sprekend over de wil des Heren.

Hij ziet het voor zich hoe deze mensen een zorgeloze avond hebben. Hij voelt de pijn als hij hierover nadenkt: dit geloof is voor hem te hoog gegrepen.

Elke keer als ik mij verdiep in de verhalen rondom Abram ervaar ik dat hij op een tweesprong staat. Voortdurend staat Abram op een tweesprong. Hier: heeft hij iets geleerd van het leven of niet? Is het: leer mij volgen zonder vragen of: niets heb ik, goddank niets, geleerd van het leven? Op deze tweesprong net over de grens van Egypte is déze keuze van belang. Daarom moeten we ook niet te snel vooruitgrijpen op die andere tweesprong: de keuze van Abram en Lot. Eerst: heeft Abram iets geleerd onderweg?

(3) Reisverslag
Om erachter te komen of Abram iets heeft geleerd onderweg, dienen we het begin van het hoofdstuk te lezen. Want daar kunnen we het uit opmaken. Wellicht zou u er over heen lezen, over dat verslag van de reis. Uit dat reisverslag kunnen we wel opmaken dat Abram iets geleerd heeft, maar nog niet alles. Pas als hij met Lot op de berg staat, heeft hij het begrepen. Nu nog niet helemaal; al heeft hij wel een bepaald vermoeden. De tocht die Abram gaat, die beschreven wordt in het reisverslag, laat hem langzaam de ogen opengaan. Zijn ogen gaan open voor hoe het er met hem voorstaat, met zijn geloof, zijn band met de Here.
Herkenbaar is het leven van Abram, vindt u niet? Gaat het in ons leven ook niet zo, dat we op het spoor van God zijn, een vermoeden van God hebben? Dat door het spoor terug onze ogen werkelijk opengaan voor wat de Here ons duidelijk wil maken?
Want dat doet Abram: hij volgt het spoor terug. Dat wordt er beschreven in het reisverslag: Abram gaat terug. Hij neemt exact dezelfde weg als hij heen naar Egypte is gegaan. Exact dezelfde weg terug. Als iemand die onderweg iets belangrijks is kwijtgeraakt, een sleutelbos of een portemonnee. Speurend de weg terug om het verlorene te vinden. Zo gaat Abram de weg terug om te zien waar hij God is kwijtgeraakt.
Abram blijft niet mokkend aan de grens zitten. Hij verzet zich niet tegen de manier waarop het leven met hem omgaat, waarop God hem behandeld. Hij blijft ook niet aan de grens zitten wachten op een bijzonder teken van God, een stem, een boodschap, een signaal. Hij gaat exatc dezelfde weg terug. En zo komt hij weer bij de Here uit.

(4) Thuis bij God
Lees maar: als Abram daar aankomt in de buurt van Bethel en Ai, staat er een altaar. Hij is er eerder geweest. Een altaar: tastbare herinnering aan een leven met de Here. Een leven in nauwe verbondenheid met God. Zoals dat bij ons ook kan zijn in een belijdenisdienst of een dienst waarin je je kind liet dopen. Wanneer we in ons leven God zijn kwijtgeraakt, gaan we ook wel eens naar zo’n bijzonder moment terug, waarop God tastbaar aanwezig was. Een moment waarop de Here nabij was.
Daar, bij dat altaar, de tastbare herinnering aan de Here, slaat Abram zijn tenten op. Moe van de reis. Moe van het zwerven. Want uiteindelijk kost de weg bij God vandaan veel, zeker om de weg weer terug te vinden. Eindelijk tuis. Thuis bij God. Hij zal mij geleiden naar grazige weiden, Hij voert mij al zachtkens aan waat’ren der rust. Daar op die plaats welt de dankbaarheid in hem op: ‘Here, ik was U kwijt. Ik verkoos het duister meer dan het licht door U geschapen. Wij dwaalden weg van onze Heer als redeloze schapen. Maar Here, nu heb ik U weer gevonden.’ Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U, o Heer.
Terug in het beloofde land! Terug in Gods aanwezigheid. Daar, in Gods aanwezigheid, is het goed. Daar geeft de Here zijn zegen. De kudden van Abram gedijen goed. Er worden lammeren en kalveren geboren. Er worden knechten in dienst genomen om het werk aan te kunnen. Abram zal bij het groter worden van zijn bedrijf hebben teruggedacht aan de belofte van de Here. De Here vervult nu zijn belofte. Hij heeft land. Zijn naam en faam groeit. De Here zou hem zegenen. Hier vervult de Here zijn beloften!

Totdat…

(5) Nieuwe levensles
Totdat het tot Abram doordringt. Niet dit is het leven dat de Here beloofd heeft. Dit is niet de zegen die de Here hem wilde geven. Dit is het leven dat hij zelf heeft opgebouwd. Zie, het beloofde land dat ík heb gebouwd. Zo succesvol. Dat moest wel van God komen.
Maar juist zijn bezit laat hem merken dat hij er nog niet is. Dat de Here hem niet hier wilde brengen. Abram en Lot worden zo rijk, dat ze elkaars concurrenten worden. Als de spanningen onder de herders toenemen en de conflicten aan Abram en Lot worden meegedeeld, gaan bij Abram de ogen open: Lot kan hier niet blijven! Had hij gedacht dat Lot de erfgenaam zou zijn?
Moet ik aan mijzelf denken, aan de belofte die de Here mij – Abram – gegeven heeft? Moet ik zorgen dat ik zelf de belofte vervul? Is het land van mij alleen? Lot was onder mijn hoede. Waarom heb ik hem uit Haran meegenomen? Had ik hem niet in Haran achter moeten laten? Ik moest mijn maagschap, mijn naaste verwanten verlaten. Vertrouwde ik er niet op dat de Here voor Lot zou zorgen? Bedoelde de Here te zeggen: wat er met Lot gebeurt, gaat Mij aan en niet jou, Abram? Wat er gebeurt: Abram zegt: Ik heb geleerd van het leven, goddank. Schijnen mij uw wegen duister. Een weg die ik moest gaan. Wat leren onderweg: niet de rust die ík kies, niet mijn geborgenheid, niet waar ik mij goed bij voel. De Here zal voorzien. Als de Here iets beloofd heeft, komt Hij zijn belofte na.

(6) Lot heeft niet geleerd
Abram heeft geleerd. Lot niet. Was Lot naïef? Ging de levensweg van Abram aan hem voorbij? Abrams ogen waren opengegaan. Voor Gods trouw, voor Gods weg. Lots ogen waren ook opengegaan. Alleen ziet hij iets anders: een prachtige oase, een paradijs op aarde. Zo mooi als Egypte, waar zij net vandaan kwamen, de zwarte bladzijde in het leven van Abram, waar Abram tot zijn schade en schande zijn levensles leerde. De ellende van Abram heeft Lot niet gezien. Lot had geen oog voor de schaduwkanten van Egypte; alleen de schoonheid van Egypte zag hij, de weelde. Dat was pas een land! Lots ogen gaan open: voor wat er in de wereld te koop is.
Dat onze ogen opengaan is niet alleen positief. In het paradijs gingen onze ogen ook open. Voordat er van de vrucht gegeten werd! De boom was goed om van te eten, een lust voor het oog, begeerlijk om er verstandig van te worden. (Genesis 3:6) Als een begeerlijke vrucht, rijp om te plukken ligt de oase voor de ogen van Lot. Zijn ogen gaan open voor de schoonheid. Omdat hij niets geleerd heeft van het leven. Of wilde leren. Daarom maakt hij een keuze met ingrijpende gevolgen.
Een begrijpelijke keuze: een leven vrij van zorgen, een goed leven. Het beste dat je aan je kinderen kunt geven. Je moet het beste uit het leven grijpen. Zo’n kans komt maar één keer in je leven voorbij. Dan ga je er toch voor?
Schijnen mij uw wegen duister. Zal Lot, als hij daar in Sodom zit, zich niet afvragen waarom de Here hem hier in Sodom bracht? Wat zijn doel was met Lot in Sodom? Waarom wilde God mij hier hebben?

(7) Opnieuw de belofte
Zover is het nog niet. Abram mag Lot laten gaan. Wat er met Lot zal gebeuren, dat is van later zorg. Of beter: zorg van de Here.
Als Lot gaat, gaat Abram ook zijnsweegs. En dan, pas dan, begrijpt Abram waar het naar toe moest in zijn leven. Als de Here met hem spreekt. Na al die omzwervingen, is daar de Here. Eindelijk. Maar Hij is er. Echt. Dan begrijpt Abram: Lot moest weg. Niet dat Lot aan zijn lot wordt overgelaten. Alleen: in het grote plan van de Here met Abram komt Lot niet voor. Pas als Lot is gegaan, komt er ruimte voor de Here. Zo kan het ook in ons leven gaan.
De scheiding tussen Abram en Lot was tragisch, tegen Gods wil. En toch, de Here kan ook wat tegen zijn wil ingaat, uiteindelijk tot een goed einde brengen. Eenmaal zie ik al uw luister.
Abram had een weg nodig. Dat moeten wij ook bedenken. Als de Here ons iets wil leren, gaat Hij met ons een weg. Die weg is geen Route du Soleil, een snelweg op weg naar onze vakantiebestemming. Maar de Here wil ons wat leren onderweg. Op reis naar het hemels Jeruzalem, naar de eeuwigheid, dienen we van dag tot dag te leven om te zien of we niets van God missen. Betekent soms ook dat we moeten omkeren, soms een lange weg terug totdat we de Here weer vinden.
Een weg waarvoor de Here onze ogen wil openen voor zijn zorg. Zelfs in de meest moeitevolle omstandigheden en ook in spanningen in de familie, het uit elkaar gaan, een weg door de diepte heen, kan Hij onze ogen openen. Ook Lots ogen gingen open. Hij zag zijn eigen toekomst voor zich. Niets geleerd van het leven. Net als Abram voorheen.
Laat mij niet mijn lot beslissen. Kunnen wij zo in het leven staan? Ach, hoe zou ik mij vergissen als Gij mij de keuze liet.
Maar er moet toch gekozen worden in ons leven? Voor een man of vrouw,voor een baan, een carrière? Dat klopt. Gods handelen kan ook door ons handelen heen gebeuren. Zelfs wanneer wij kiezen voor de uiterlijke schoonheid van Sodom, zelfs als wij kiezen voor de macht van Babel, die bedoeld is voor onze eigen eer en glorie. Een leven waarin wij ons laten leiden door de Here is bovendien geen gemakkelijk leven. Vaak denken we dat we er al zijn. En slaan we als Terach (die halverwege op weg naar Kanaän in Haran bleef steken) onze tenten vroegtijdig op. Of zwerven we als Abram rond op zoek naar onszelf een plaats te geven, de beloften die wij hebben ontvangen zelf tot vervulling te laten komen. Zelfs door die wegen heen, wegen die wij kiezen omdat die naar ons gevoel ons tot zegen zullen zijn, zelfs daardoorheen kan God zijn wil ten uitvoer brengen.
Dat God met ons een weg gaat, betekent dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde van God die er is in Christus Jezus. Niets. Zelfs niet ons dwalen. Zelfs niet ons ongeloof. Dwars daardoor heen kan God zijn wil ten uitvoer brengen: ons tot Hem leiden, op zijn weg brengen. Zalig hij, die durft geloven, ook wanneer het oog niet ziet.
Amen

ds. M.J. Schuurman
WAT LEREN ONDERWEG

Sommigen worden wijzer met de dag.
Verlangend om het leven af te leren
strijken zij voor zijn overmacht de vlag,
berustend sprekend over de wil des Heren.

Hun avond is een landschap wit en mild
met lange schaduwen tot aan de kusten,
hun liefde zo gelenigd en verstild
dat er niets rest dan bij elkaar te rusten

zoals bij God. Zo zou ik willen zijn
en niet als Nescio die heeft geschreven:
Niets heb ik, goddank niets, geleerd van ’t leven.
Dat is wel prachtig maar het doet zo’n pijn.

Trots doet zo’n pijn, wie kan er zo bestaan?
Wij zijn maar mensen die ten onder gaan.

                        Jan Willem Schulte Nordholt

Genesis 12:2

Genesis 12:2
Aa       Ik zal u tot een groot volk maken
Ab       Ik zal u zegenen
Ac       Ik zal uw naam grootmaken
Ba        U zult tot zegen zijn

Ik zal u tot een groot volk maken: Abram krijgt een belofte mee . Een belangrijk thema in de verhalen over de aartsvaders. Opvallend is dat hier niet de belofte van land wordt gegeven. Abram zal uitgroeien tot een groot volk. Al zou met goy ‘natie’ bedoeld kunnen zijn. Abram moet het alleen doen met de belofte die de HERE geeft. De HERE bewijst zich als God door de overeenstemming tussen wat Hij zegt (woord, belofte) en wat Hij doet (daad, vervulling). Van de Here geldt dat Hij zegt wat Hij doet en doet wat Hij zegt (J. Vollmer, THAT II, 367-368).
Het kenmerk van het Babel/Ur der Chaldeeën van waaruit Abram is weggeroepen, is: dat men voor zichzelf een naam wil vestigen (Genesis 11:4). Abram mag zo niet handelen. Hij mag niets voor zijn eigen eer en glorie doen. Wat hij heeft en wat hij is, wordt bewerkstelligd door JHWH.
Het werkwoord ‘sh (maken, doen) wordt gebruikt voor het handelen van de HERE op alle terreinen: Zijn handelen in de geschiedenis, in de natuur, in de volkeren, in Israël. Ook al is het verband tussen de Abrahamscyclus en de verhalen over de uittocht uit Egypte laat in de geschiedenis gelegd[1], hetzelfde werkwoord wordt hier gebruikt om het (heils)handelen van de HERE in beide cycli aan te geven.
Het woord volk geeft de exegeten hoofdbrekens. Waarom spreekt JHWH in de belofte over goy en niet over het voor Israël gebruikelijke ‘am? Moeten we aan de tegenstelling tussen goy (het woord dat vaak voor de niet-uitgekozen heidenvolken wordt gebruikt) en ‘am (Israël als uitgekozen volk) denken?
Horst Seebass maakt in zijn commentaar een verband met de tijd waarin dit verhaal op schrift zou zijn gezet. Dan zegt het verhaal ook iets over de ‘eigen tijd’ (van bijvoorbeeld de Jahwist). In dat geval geeft goy aan dat het volk Israël, dat uit verschillende tradities, stammen en herkomsten stamt, in het rijk van David en Salomo tot een eenheid is geworden.
Ik zal u zegenen: Voorspoed komt voor Abram niet uit het Babelse gedrag, maar uit wat de HERE schenkt. Zegen betekent: kracht ten goede, kracht die geluk en heil schenkt. Zegen bestaat uit vruchtbaarheid voor mens, vee en land, uit groei en uit voorspoed en succes.Ook de zegen van JHWH is een steeds terugkerend motief in de verhalen over de aartsvaders.
Ik zal uw naam grootmaken: Nogmaals het contrast met Babel (Genesis 11:4). Mensen willen voor zichzelf roem en faam vestigen. De naam van Abram wordt door de HERE gemaakt (en later ook nog veranderd: Genesis 17:5). De faam uit Abram wordt niet zijn macht en roem, maar zijn nakomelingschap (toledot): het volk dat JHWH uitkiest als Zijn volk.
U zult tot zegen zijn: Wanneer Israël is uitgegroeid tot een groot en machtig land, is de zegen van JHWH nog niet voltooid. De climax van de belofte is dat Israël tot zegen zal zijn voor de andere volkeren. Een bron van zegen: een opdracht of een geschenk van JHWH?

ds. M.J. Schuurman


[1] Konrad Schmid, Erzväter und Exodus. Untersuchungen zur doppelten Begründung der Ursprünge Israels in den Geschichtsbüchern des Alten Testaments, WMANT 81, Neukirchen-Vluyn 1999. Zie voor een online beschikbare samenvatting van zijn boek http://www.theologie.uzh.ch/faecher/altes-testament/konrad-schmid/SoCalled_Yahwist_PDF.pdf

Genesis 12:1

Genesis 12:1
Aa       JHWH zei tegen Abram
Ab       Trek weg uit vanuit uw land, vanuit uw afstamming en vanuit het huis van uw vader
Ba        naar het land dat Ik u zal tonen/laten zien:

De HEER zei tegen Abram: De manier waarop de HERE omgaat met Abram is kenmerkend voor de verhalen over Abram/Abraham. Volgens een aantal Duitse exegeten is deze relatie kenmerkend voor de Religion der Väter. Opvallend is dat de tekst de Godsnaam JHWH gebruikt!
Abram ontvangt de stem van de HERE. Hij ontvangt een openbaring. Deze uitdrukking De HEER zei tegen… wordt ook vaak bij profeten gebruikt. In Genesis 20:7 wordt van Abraham ook gezegd dat hij een profeet is.
Trek weg: De opdracht ‘Ga!’ en het werkwoord gaan zijn belangrijk in de Abrahamscyclus. Dit woord geeft aan de ene kant de landbelofte aan. Aan de andere kant vertelt dit werkwoord ook dat Abraham voortdurend – door eigen falen? – buiten dat beloofde land terechtkomt.
uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten: Abram moet alles van Babel opgeven: zijn land, zijn verwanten, zijn vaderhuis. Tegenover dat land, die verwanten en vaderhuis krijgt hij slechts een belofte van een land. Hij moet zijn maagschap/verwanten (mwldt) opgeven zonder dat hij zelf nakomelingen heeft (twldt) of ook maar een kind (yld). Abram moet van daaruit wegtrekken, eruit stappen (m-).
Abram moet zijn vaderhuis verlaten. Volgens Jenni in THAT kan byt niet alleen ‘huis’ betekenen, maar ook ‘wat zich in het huis bevindt’, ‘bezit’, ‘vermogen’. Terwijl Babel staat voor ‘voor zichzelf een naam wil maken’ (Genesis 11:4), moet Abram alles opgeven wat hij van huis uit gekregen heeft. Zijn naam kan alleen door de HERE gevestigd en uitgebreid worden (Genesis 12:2). Wat kenmerkend is voor de Abraham-verhalen, is dat Abram desondanks toch nogal wat meeneemt. Hij gaat als een herdersvorst weg.
Tot mijn verbazing miskent een groot oudtestamenticus als Claus Westermann de theologische lading van de Abrahamscyclus. Volgens hem gaat het in deze verhalen over nomaden. De oproep van JHWH is een algemeen geldende oproep voor nomaden, volgens hem.
en ga naar het land dat ik je zal wijzen: het land wordt getoond, geopenbaard. Het werkwoord r’h is een werkwoord dat het ontvangen van een openbaring aangeeft/kan aangeven. En ook dat woord speelt een belangrijke rol: actief (zien, voorzien) en passief (tonen, verschijnen, wijzen). Tegenover het zichtbare én de schijn van Babel krijgt Abram alleen een belofte, een toegezegd, onzichtbaar land.

ds. M.J. Schuurman

Het begin van de verhalen over Abraham

Het begin van de verhalen over Abraham

De verhalen over Abraham heb ik vaak gehoord. Op school en zondagschool werden deze verhalen verteld. Ze werden voorgelezen uit de kinderbijbel. Maar waar beginnen deze verhalen? Die verhalen over Abraham kan men op verschillende plaatsen laten beginnen:

(1) De roeping van Abram (Genesis 12:1)
De verhalen zoals ik ze herinner beginnen met Genesis 12:1: de roeping van Abram. Abram hoort de stem van de HERE, die zegt dat hij zijn vaderland en familie moet verlaten en moet wegtrekken naar het land dat de HERE zal laten zien.
Als dit het begin is, ligt de nadruk op de radicale breuk van Abram met zijn herkomst. In latere tradities wordt zelfs gezegd dat Abram, voor hij de stem hoorde, de afgoden diende. Abram wordt weggeroepen uit die wereld. De reis van Abram is niet alleen een geografische verandering een bekering, een verandering van godsdienst.
Er zijn twee redenen om deze verhalen-cyclus niet hier te laten beginnen:
a) De reden van de breuk met het verleden is niet duidelijk. Waarom wordt Abram weggeroepen? Wat is het doel van zijn nieuwe toekomst?
b) Het bijbelboek Genesis rept al eerder over Abram.

(2) Het nageslacht van Terach (Genesis 11:27)
Vanaf Genesis 11:27 wordt een geslachtsregister onderbroken en wordt de aandacht gevestigd op Terach en zijn nakomelingen. Recente en oudere commentaren op Genesis laten de cyclus over Abraham en/of de aartsvaders hier beginnen (Claus Westermann, Horst Seebass, Lothar Ruppert). Literair begrijpelijk, want de aandacht die op de familie van Terach gevestigd wordt onderbreekt een geslachtsregister.
Wanneer de verhalen hier beginnen, betekent dat er een verband gezien wordt (al dan niet redactioneel gecreëerd) tussen Genesis 1-11 (de oergeschiedenis) en Genesis 12-36 (de geschiedenissen over de voorvaderen van Israël). Westermann spreekt van een overgang. Na de oergeschiedenis begint er een nieuw begin, met een focus die uiteindelijk uitloopt op Israël. De God van Israël is de Schepper van hemel en aarde.
(Al zijn de meeste geleerden vandaag de dag van mening dat het verband tussen de voorvaders en de uittocht uit Egypte pas laat in de geschiedenis van Israël wordt gelegd. De verhalen over de aartsvaders en over de uittocht zouden eerst los van elkaar hebben gefunctioneerd.)

(3) Het geslachtsregister van Sem (Genesis 11:10)
De ontdekking die ik deed, was dat de verhalen van Abram beginnen in Genesis 11:10. Vanaf dat moment wordt het geslachtsregister van Sem verteld dat via Arpachsad loopt. Ik meen tegen te komen zijn dat ook Joodse exegese hier een begin ziet.
Dit geslachtsregister volgt op de torenbouw van Babel (Genesis 11:1-9). Vanuit het begin in Genesis 11:10 valt dit op. Het geslachtsregister via Sem-Arpachsad is het tweede geslachtsregister na de zondvloed. Het eerste geslachtsregister loopt uit op de torenbouw van Babel. Dan valt mij op: in Genesis is er sprake van (wat Augustinus noemde) twee rijken: Babel en wat God steeds doet. Genesis is a tale of two cities (vgl James A. Loader). Na de zondvloed heeft de mensheid niet geleerd. Na die redding loopt die lijn uit op Babel: een plaats om een naam voor zichzelf te bouwen (Genesis 11:4). Een veel latere koning zegt in de typisch Babelse trant: zie het Babel dat ik gebouwd heb.

Abram weggeroepen
Abram wordt weggeroepen uit dát Babel, dat zondige Babel (dwz het rijk dat zich verzet tegen God), naar de ‘stad van God’. Genesis 12:1 is dus niet zomaar een opdracht, maar de roepstem tot leven. Evangelie: roept God een mens tot leven.
Vanuit de christologie kan men zeggen: God wil niet dat Zijn Zoon geboren wordt in Babel. De incarnatie die vanuit Abraham loopt is dus weer een verzet van de Here tegen dat Babel.
Dan valt in Genesis 11:27-32 op dat Terach wegtrekt uit Babelse streken. Wellicht door het overlijden van zijn zoon. Hij gaat op weg naar Kanaän. Alleen – halverwege blijft hij steken. In Charan vestigt hij zich. Terach blijft in de invloedssfeer van Babel. Na zijn dood wordt Abram weggeroepen naar Babel. Niet meer de schijn van Babel, maar het land dat JHWH laat zien. Abram moet alles van Babel opgeven: het land, het huis van zijn vader, zijn familie. Hij krijgt er alleen een land voor terug. Abrams naam en grootheid wordt door JHWH gevestigd.
Huis (byt) kan ook de betekenis hebben van ‘alles wat in het huis aanwezig is’. Abram volgt dat bevel niet op: hij neemt schapen en runderen mee. Zoals later vaker zou blijven, dwaalt Abram steeds weg van Gods opdracht en belofte. Als hij in het land aankomt, gaat hij gelijk weer buiten dat land wonen (Genesis 12:9). Het blijkt moeilijk om op Gods belofte te vertrouwen.

Een nieuw begin door JHWH
Nadat de mensheid de geschiedenis op Babel laat uitlopen, grijpt JHWH in. Niet de ogenschijnlijke grootheid van Babel, maar de gebruikelijke kwetsbaarheid van Gods handelen (waar prof. dr. A.vd Beek mooie dingen over zegt). Tegenover het machtige Babel laat JHWH de heilsgeschiedenis lopen via één familie. Eén familie die nog bedreigd wordt ook: de ene zoon sterft. De vrouw van de andere zoon blijft kinderloos. Zal dat – zoveelste nieuwe begin door JHWH – dan toch een mislukking worden? Blijft er nog iets van de heilsgeschiedenis, het heilshandelen van de Here over?

ds. M.J. Schuurman