De reformatorische traditie als theologie voor jongeren (2)

De reformatorische traditie als theologie voor jongeren (2)

De reformatorische traditie kan vandaag de dag betekenis voor jongeren hebben. In de vorige bijdrage heb ik aangegeven dat ik de verbinding wil leggen met wat de godsdienstpedagogen Friedrich Schweitzer en Thomas Schlag typeren als theologie voor jongeren.
Schweitzer en Schlag gaan ervan uit dat jongeren in staat zijn om na te denken over hun eigen geloof en hun eigen visie op God. Zij noemen dat een theologie van jongeren. Daarnaast is er ook de mogelijkheid om met jongeren na te denken over hun geloof en hun Godsbeeld. Tenslotte zijn zij van mening dat jongeren soms ook geholpen moeten worden met hun geloof en Godsbeeld. Het is niet meer vanzelfsprekend dat jongeren van huis uit ingewijd worden in een religieuze traditie. Zij groeien op zonder ergens godsdienstig onderdak te vinden. Ze moeten hun eigen visie vaak zelf ontwikkelen. Daarvoor kunnen ze uit allerlei tradities nemen wat hen aanspreekt. Ze kunnen ook een beeld van God of geloof ontwikkelen dat schadelijk is voor hen zelf. Een theologie voor jongeren wil hen helpen bij de zoektocht naar hun eigen, authentieke geloof. Een theologie voor jongeren is dus een manier van omgaan met religieuze vragen en met religieuze tradities ten dienste van jongeren.
Het is niet de bedoeling om hen een traditie op te dringen of om hen te gebruiken om een traditie te laten voortbestaan. Dan ligt de interesse niet in de eerste plaats bij de jongeren, maar bij het voortbestaan van een traditie.
Een geloofstraditie kan wel gebruikt worden om jongeren te helpen bij hun zoektocht om een religieus thuis te vinden. Ook de reformatorische traditie. Juist de reformatorische traditie bevat voor jongeren een schat zowel aan geloofservaringen als aan doordenking van deze ervaringen. Deze traditie heeft genoeg in huis om jongeren een godsdienstig thuis te bieden in deze traditie. In de loop van deze serie wil ik daar iets meer van uitwerken.
Er is wel een spanning tussen de reformatorische traditie en de theologie voor jongeren. Een theologie voor jongeren kan niet voor jongeren bepalen wat zij moeten geloven. De reformatorische traditie heeft een duidelijk beeld van wie God is, omdat Hij Zich in Zijn woord heeft geopenbaard. Toch kan ook de reformatorische traditie hier een eind in meekomen. Ook in deze traditie kan iemand voor een ander niet het geloof bepalen. Dat doet God. Ook heeft de reformatorische traditie dat het Woord van God (waar deze traditie onvermoeibaar mee bezig is) in zichzelf genoeg overtuigingskracht heeft door het werk van de Heilige Geest. Juist daarom kan de reformatorische traditie in de theologie voor jongeren een bondgenoot zien.
Volgens Schweitzer en Schlag gaat het in de theologie voor jongeren om de jongeren te helpen bij het vinden van taal om hun eigen geloofservaringen en gedachten over God te verwoorden, maar ook om te laten zien hoe anderen in heden en verleden hebben geloofd. Aan de andere kant kunnen jongeren door wat zij zelf tegenkomen in hun eigen wereld gestimuleerd worden om hierover na te denken. Door films, songs, maatschappelijke ontwikkelingen, persoonlijke ervaringen. Door contact met godsdienstige gebruiken (kerkbezoek, begrafenis, bruiloft) en ruimten (kerkgebouw). Waar het verder om gaat bij een theologie van jongeren is de bereidheid van volwassenen om open en authentiek met jongeren het gesprek aan te gaan over de vragen van het leven en de vragen over God die er echt toe doen.
Een theologie voor jongeren daagt jongeren ook uit om na te denken over God en geloof op momenten die zij niet verwachten. Voor jongeren kan het heel verhelderend en uitdagend zijn om aan de hand van alledaagse gebeurtenissen een verrassend verband te ontdekken met de reformatorische inzichten over God, geloof en levensvragen

ds. M.J. Schuurman

Geschreven voor HWConfessioneel

N.a.v. Thomas Schlag / Friedrich Schweitzer, Brauchen Jugendliche Theologie? Jugendtheologie als Herausforderung und didaktische Perspektive (Neukirchen-Vluyn, 2011) 107-134.

Advertenties

Wat is eigenlijk de gave van Asjer Lev?

Wat is eigenlijk de gave van Asjer Lev?

Op dit moment herlees ik een aantal boeken van Chaim Potok. Ik leerde deze schrijver kennen door een leraar Nederlands op de middelbare school. Hij zette aan het begin van het schooljaar vooraan bij zijn bureau. Dat heeft mij veel opgeleverd. Hij leerde mij het werk van dichter Jaap Zijlstra kennen (en zelf ging ik verder op onderzoek uit naar andere dichters). Toen hij merkte dat ik zijn tips ook daadwerkelijk las, gaf hij mij een boek van Chaim Potok: Davita’s harp. Ik begreep er weinig van, maar werd gegrepen door de sfeer van het boek. Daarom haalde ik uit de openbare bibliotheek ook andere boeken om die te lezen.
De gave van Asjer Lev
De beide boeken over Asjer Lev las ik ook. Al vond ik De gave van Asjer Lev veel minder boeiend. Ik vond dat Potok zich herhaalde. Na meer dan 15 jaar heb ik beide boeken herlezen. Ik was meer onder de indruk dan de eerste keer. Niet vanwege de sfeer, maar vanwege de hoofdpersonen met hun eigen worstelingen. De moeder van Asjer is psychisch niet sterk, maar klimt uit het dal als haar broer overlijdt. Zij besluit om het werk, dat haar broer voor de rebbe deed, over te nemen. Asjers vader reist veel voor zijn gezin en kan daarom niet alles van Asjer meemaken. Hij heeft moeite met de neiging van Asjer om alleen maar bezig te zijn met tekenen. En Asjer die alleen tekent. Soms zelfs zonder dat hij er erg in heeft. Daarom kan Asjer zijn schoolwerk niet kan doen. Zijn vader ervaart het als een aanval op zijn werk voor de rebbe, omdat hij wereldwijd Ladover-jesjiwe voor de rebbe opzet.

Nu ik beide delen heb gelezen, vraag ik mij af wat de gave van Asjer Lev is. Als het de schilderkunst is, zou ik verwachten dat de beide boeken anders heetten. Dat deel 1 gaat over de gave en deel 2 over de naam Asjer Lev. Meer dan in deel 1 veroorzaakt de naam Asjer Lev opschudding. Na de kruisigingen blijkt hij ook een schilderij gemaakt te hebben waar Abraham zijn zoon Izaäk ook daadwerkelijk slacht op het altaar. De naam van Asjer Lev is sindsdien voor de buitenwereld met de Ladover-gemeenschap verbonden. Er kan niet over deze Joodse gemeenschap geschreven worden zonder de naam van Asjer Lev te noemen.
Naar mijn idee is de gave van Asjer ook niet de schilderkunst. In deel 2 is hij ook niet in staat om te werken aan een schilderij. Hij tekent alleen maar. En dat tekenen doet hij onbewust en onwillekeurig. Aan het einde van het boek bedenkt Asjer dat hij zijn handen worden aangestuurd. De gave van Asjer Lev is voor mij veel meer het aanvoelen en doorzien van bepaalde zaken: door de tekeningen die hij onbewust maakt, komt hij erachter dat zijn zoon Avroemel de rebbe zal gaan opvolgen. Binnen de Ladover-gemeenschap spelen raadsels een belangrijke rol, omdat de Meester van het Heelal in raadsels werkt. De rebbe spreekt in raadsels. Met de uiteindelijke bedoeling om het plan van de Meester van het Heelal te kunnen onthullen. Aan tafel krijgen de kinderen raadsels te horen. De vader van Asjer Lev leeft op grootvader als hij van zijn broer te horen krijgt dat kinderen genieten van raadsels. Ook het schilderwerk en de tekeningen van Asjer Lev zijn raadsels. Voor zijn vader en zelfs voor zijn vrouw, die zijn werk meestal goed begrijpt.
 Chaim Potok
Asjer Lev kan niet alle raadsels doorzien. Een van de raadsels die hij niet begrijpt, is waarom hij en zijn vader steeds overhoop liggen, terwijl ze veel van elkaar houden. Naar mijn idee is de gave van Asjer Lev dan ook niet zozeer het doorzien van die raadsels, maar het uithouden van die raadsels. Totdat de Meester van het Heelal deze raadsels vanzelf laat oplossen. Aan het einde van het boek worstelt Lev ermee of hij zijn goedkeuring moet geven aan de rebbe om zijn zoon Avroemel tot toekomstige rebbe te maken. Hij besluit om het niet te doen. Hij doet dat vanwege een aanwijzing die hij van de Spanjaard (Picasso) krijgt in een visioen: je moet raadsels niet direct willen onthullen. Dat is een te grote klap voor mensen. Raadsels moeten zichzelf oplossen.

Een preek moet interessant en relevant zijn

Een preek moet interessant en relevant zijn
De criteria voor een goede preek

Peter Bukowski is rector van een predikantenseminarie en bespreekt met veel (jonge) predikanten hun preken. Hij vindt het van belang dat predikanten criteria ontwikkelen voor wat in hun ogen een goede preek is. Zelf heeft hij ondertussen een eenvoudig criterium opgesteld: een preek moet interessant en relevant zijn.

De clou van deze formulering is volgens hem dat ze met elkaar te maken moeten hebben. Een gedachte of uitspraak kan interessant zijn, maar zodra deze niet met iets uit de Bijbel te verbinden is, is de gedachte of uitspraak niet relevant. Omgekeerd: een zin als “Jezus neemt de zondaars aan” is heel relevant, maar niet interessant.
Interessant en relevant wordt een preek als deze gaat over het leven van de luisteraar voor het aangezicht van God (de preekdefinitie van Ernst Lange). ‘Ik spreek met de mensen over hun leven voor het aangezicht van God, zodat zij in contact komen met de levende God.’ Contact is voor Bukowski een belangrijk woord: contact met de luisteraar, contact met de situatie, contact tussen de Bijbeltekst en de prediker.’
Bukowski vergelijkt preken met het pastoraat – zonder te willen beweren dat elke preek pastoraal getoonzet moet zijn.  ‘Ook met het oog op de Bijbeltekst vind ik het pastorale paradigma spannend, omdat het me helpt om de tekst als een sprankelende bron van ideeën, beelden, nieuwe gedachten en inzichten te ontdekken. Maar niet in de betekenis van de scopus-methode, die de tekst ‘toedekt’ met de vraag wat de ‘eigenlijke betekenis’ is. Of ongeduldig aan te dringen: “Beste tekst, ik haal mijn punt eruit. Je kunt zeggen wat je wilt, maar ga eerst na “wat mij bij Christus brengt” en dan weet ik genoeg…” Zelf zou ik de Bijbeltekst willen benaderen als een gesprekspartner  – met dezelfde aandacht, respect en empathie. Preken is, zo zou ik het ook kunnen formuleren, contactvol gesprek met ander. De metafoor van contact vind ik zinvoller dan bijvoorbeeld de metafoor van aanspraak of getuige. Want wie op zoek is naar goed contact, is ook op zoek naar welke manier van spreken het meest gepast is. Bij de ontzetting over de zelfmoord van Robert Enke is bijvoorbeeld een andere manier van contact nodig dan bij een vredesgebed.’

De opmerkingen van Peter Bukowski zijn ontleend aan een gesprek dat hij had met dr. Hanna Kasparick (rector van het Evangelische Predigtseminar Wittenberg).
Het gesprek werd gepubliceerd in het themanummer van Praktische Theologie over Predigtkultur – Erkundungen und Entdeckungen (2012).


 

 

Een preek moet een doel hebben

Een preek moet een doel hebben
(en waarom dat doel bij beginnende predikanten vaak ontbreekt)

Jonge predikanten hebben bij het schrijven van een preek vaak geen concreet doel voor ogen. Dat is de ervaring van Peter Bukowski, rector van een predikantenseminarie in Wuppertal. ‘Bij preekanalyses hoor ik steeds vaker de uitspraak: “Dat wilde ik bewust open laten. Ik wil de luisteraar niet voorschrijven wat hij of zij heeft te denken.”’

Volgens Bukowski gaat het om een verkeerde uitwerking van de preek als open kunstwerk. De gedachte dat de preek een open kunstwerk is, is afkomstig van Gabriel Marcel Martin, die hiermee in 1984 de receptie-esthetiek introduceerde in de homiletiek. Marcel bedoelde met de preek als open kunstwerk, dat luisteraars van de preek er vaak een andere accenten opvangt uit de preek dan de prediker bedoelde. Zoals een kunstwerk bedoelde en onbedoelde betekenissen oproept, doet een preek dat ook.
Volgens Bukowski is de gedachte van de preek als open kunstwerk invloedrijk: ‘Ik krijg de indruk dat de receptie-esthetiek voor veel jonge predikanten de rol van de Heilige Geest heeft overgenomen. Het is nu niet meer: de Heilige Geest oordeelt erover, maar: de luisteraar oordeelt erover.’Volgens Bukowski wordt het echter verkeerd gebruikt: om in een concrete preek helemaal geen doel of betekenis te geven. ‘Ook een open preekvorm moet een van tevoren doordacht doel hebben, die in de preek ook wordt uitgewerkt. Het is niet gemakkelijk om hen aan te spreken op het ontbreken van een duidelijk doel in de prediking. Onlangs zei er iemand tegen mij: “Ik heb toch niet de bevoegdheid om de situatie en de betekenis van de tekst te bepalen?” Mijn vraag  daarop was: “Maar heeft die bevoegdheid op dit moment?” Met andere woorden: als predikant heb je de taak om een aanzet te geven waar de luisteraar mee verder kan.’

Moves
Bukowsi vindt de opkomst van de dramaturgische homiletiek erg waardevol: ‘Jonge predikanten zijn vertrouwd met de taal van de dramaturgie. Zelf moest ik mijn best doen om te begrijpen wat er met moves en structure werd bedoeld. Maar zij wisten direct waar het om ging. Elke dvd heeft namelijk zo’n indeling. Daarom vroeg ik mijn studenten: “Kun je jouw preek net zo in aparte onderdelen afbakenen, zoals de moves op een dvd?” Toch blijf ik de vraag van belang vinden: Wat wil je met je preek? Deze vraag is van belang, omdat dit het organiserende element is van moves en structure. Daarm wil ik de theorie van de taalhandeling niet opgeven in mijn opleiding. Ik heb veel geleerd van een Gestalt-therapeut, die als motto had: “Wie iets wil kunnen, moet is kunnen willen.”’

De opmerkingen van Peter Bukowski zijn ontleend aan een gesprek dat hij had met dr. Hanna Kasparick (rector van het Evangelische Predigtseminar Wittenberg).
Het gesprek werd gepubliceerd in het themanummer van Praktische Theologie over Predigtkultur – Erkundungen und Entdeckungen (2012).

 

Preken: aandacht voor de luisteraar en de preek

Preken: aandacht voor de luisteraar en de preek

Is preken uit het hoofd meer verkondiging dan een uitgewerkte preek meenemen op de kansel? De laatste tijd is er een aantal boeken verschenen die van deze stelling uit gaan.[1] Een uitgewerkte preek zou een belemmering voor zowel het contact met de hoorders als voor de ingevingen van de Heilige Geest. Geen uitgewerkte preek mee op de kansel zou een kwaliteitskenmerk van verkondiging zijn. Michael Meyer-Blanck deze beweringen in twijfel.

Meyer-Blanck verwacht niet dat het preken, waarbij er geen uitgeschreven preek is meegenomen op de kansel, werkelijk leidt tot verbetering van de preekpraktijk. Sterker nog: hij verwacht een daling van het niveau van de preek. De preek zal alleen maar kerkelijke algemeenheden bevatten of eigen stokpaardjes van de predikant. Preken zonder uitgewerkte preek kan de prediker ook verleiden tot effectbejag of tot stemmingmakerij. In plaats van het achterwege laten van de uitgewerkte preek, wil Meyer-Blanck een pleidooi willen voeren voor aandacht voor de situatie waarin de prediker zich tijdens verkondiging bevindt (‘situative Aufmerksamkeit’). Die aandacht moet er dan zijn voor zowel de luisteraar en de preek. De prediker dient de zorgvuldig voorbereide preek op zo’n manier ‘uitvoeren’, dat de preek ontstaat. Meyer-Blanck geeft aan dit proces van aandacht en uitvoeren van de preek de naam: homiletische presentie.
Hij heeft overigens niet de behoefte om alles, wat er door deze aanhangers van de ‘vrije preek’ naar voren wordt gebracht, naar de prullenbak te verwijzen. Er is iets wat hen verbindt: de verkondiging heeft de taak om de aandacht van de luisteraar te winnen.

Verleden
Tot aan de 19e eeuw was er een cultuur van uit het hoofd leren. Gedichten en Bijbelgedeelten werden uit het hoofd geleerd. In die cultuur was het ook de gewoonte om geen uitgeschreven preek mee te nemen, maar hooguit een briefje met enkele steekwoorden.
Ten tijde van de dialectische theologie komt het pleidooi om de uitgeschreven preek mee te nemen op de kansel. Volgens Karl Barth was het geen belemmering voor de verkondiging als de preek woord voor woord voorgelezen werd. Dit pleidooi om de preek nauwkeurig voor te dragen had te maken met zijn visie op het Woord van God en de verkondiging. In de dialectische theologie gaat het om het Woord en niet op (de persoon van) de verkondiger. Dat Woord moet in gehoorzaamheid aan de opdracht worden gebracht.
In de jaren-70 komt er meer aandacht voor het pastorale gesprek en gaat het pastorale gesprek de norm worden voor de prediking. In een gesprek kunnen er geen algemeenheden worden gebezigd of van een monoloog die van tevoren is voorbereid. Er komt ook aandacht voor de persoon van de prediker. De eisen voor de preek en de prediker worden anders: de prediker dient authentiek en empatisch te zijn (de pastorale basishouding die aan Rogers is ontleend!). Er komt meer aandacht voor de relatie tussen de prediker en de luisteraars. De prediker dient tijdens de preek gericht te zijn op de luisteraars, die op dat moment aanwezig zijn. De prediker dient nabij te zijn – alsof hij met vrienden spreekt. Vandaar ook dat er een pleidooi kwam voor narratieve prediking. Evenals de gedachte dat spreektaal op de kansel het beste is.
Men kreeg ook moeite met de theologische gedachte dat de verkondiging het Woord van God is. Men kreeg de neiging om dit af te zwakken en aan te geven dat de preek slechts het spreken van een mens is (dat door God weliswaar gebruikt zou kunnen worden).
In het pleidooi om de preek te spiegelen aan het pastorale gesprek is ook een anti-dogmatische tendens aanwezig. Deze werkt door in het pleidooi voor een ‘vrije preek’: een uitgeschreven preek is dogmatisch en een vrije preek komt vanuit het hart.

Principieel
Ondertussen is er besef, dat het niet altijd terecht is om het pastorale gesprek als norm te nemen voor de verkondiging. De verkondiging richt zich (in ieder geval in de reformatorische traditie) niet alleen tot de hoorders die aanwezig zijn, maar de verkondiging richt zich ook op degenen die niet aanwezig zijn. Ook de relativering van de preek (de preek als het woord van een mens en niet het Woord van God) roept principiële vraag op wat verkondiging is. De discussie of een uitgewerkte preek meegenomen moet worden op de kansel heeft niet alleen te maken met de praktische uitwerking van een preek (formele homelitiek), maar heeft ook te maken met de visie op wat een preek en wat verkondiging is (principiële homiletiek). Een prediker spreekt met de luisteraars over hun leven voor het aangezicht van God (à la Ernst Lange). De prediker is bij de tijd, omdat het over de aanwezigen gaat. De prediker is tegelijk iemand die niet actueel is, omdat hij speekt over de trinitarische God. In deze dialectiek van actualiteit en eeuwigheid speelt de verkondiging zich af.
Sinds de aandacht voor de esthetiek in het nadenken over de preek is men tot de ontdekking gekomen dat men de preekvorm (formele homiletiek), de gedachte wat verkondiging is (principiële homiletiek) en de praktische uitwerking van een preek (materiële homiletiek) niet kan scheiden. De visie op wat verkondiging is heeft gevolgen voor de uitwerking van een preek en omgekeerd: de uitwerking van een preek en de gekozen preekvorm laat zien hoe men over verkondiging denkt.

Persoon van de prediker
De preek die zich spiegelt aan het pastorale gesprek én de vrije preek draagt risico’s mee voor de verkondiger. Bij de homiletische presentie (aandacht voor hoorder en preek) werd dit aspect van de homiletische driehoek niet meegenomen. De inzichten van wat verkondiging is, blijft bij elke vorm van preken gelden: met of zonder uitgewerkte preek de kansel op, narratief of leerstellig.
Een narratieve of een vrije preek is niet per definitie beter. Ook bij deze preekstijlen heeft de prediker te maken met het onderscheid tussen wet en evangelie. Een narratieve preek kan heel wetticistisch zijn: dan wordt niet het evangelie gepredikt, maar de moraal van de prediker. De prediker kan (als zondaar die hij nog steeds is!) de behoefte hebben om zijn eigen woord (onbewust) tot Woord van God te maken. De prediker kan met een narratieve preek de gemeente voorhouden: kijk naar mij hoe ik het doe (de prediker als voorbeeldig individu – die navolging verdient). Of hij kan de luisteraars willen manipuleren. Een prediker niet teveel grip willen hebben op het effect van de preek. Vooraf voor begaafde sprekers is preken een risico.
De prediker heeft niet de taak om zichzelf te verkondigen. Dat brengt Meyer-Blanck tot de stelling: wie graag spreekt, zal een goede redenaar zijn, maar geen goede prediker. De principiële homiletiek (dus: de doordenking van wat verkondiging is) is een school om nederigheid te leren.
Vanuit de wereld van het toneel is te leren, dat wie te nadrukkelijk bezig is met zijn rol, geen goede acteur heeft. Een goede acteur heeft, na een goede voorbereiding, een uitvoering waarin hij zichzelf vergeet of wegcijfert achter zijn rol. De acteur wijst in zijn rol naar een persoon die hij niet is. Zo verwijst de prediker naar een rol, waarmee hij niet samenvalt: de brenger van het Woord van God. Wanneer de prediker teveel met zichzelf bezig is, brengt hij zichzelf in plaats van te verwijzen naar het Woord van God.

Plezier om te spreken
Meyer-Blanck wil niet het plezier om te spreken wegnemen. De vreugde van de verkondiging reikt volgens hem verder dan de luisteraars die op dat moment aanwezig zijn. Een prediker gaat geregeld voor en door die regelmaat krijgt hij een band. Preken maken is ook rekening houden met de geestelijke groei op lange termijn in plaats van zich te richten op het kortstondige effect.
Rekening houden met de lange termijn betekent ook het zorgvuldig voorbereiden van een preek. Schaven aan de zinnen en aan de inhoud. Bezig met de vraag: hoe voer ik deze preek uit? Hoe breng ik deze preek?
Volgens Meyer-Blanck dient de prediker voorafgaande aan de preek zich af te vragen:
1) Ben ik intellectueel, spiritueel en retorisch genoeg voorbereid op de verkondiging?
2) Doe ik voldoende om de ‘performatieve kracht’ van mijn verkondiging te verbeteren?

N.a.v. Michael Meyer-Blanck, ‘Homiletische Präsenz. Ein Pläydoyer im Rahmen der Diskussion um die “freie Rede” in der Homiletik”. In: Alexander Deeg / Michael Meyer-Blanck / Christian Stäblin, Präsent predigen. Eine Streitschrift wider die Ideologisierung der “freien” Kanzelrede. (Göttingen: Vandenhoek & Ruprecht).


[1] Bijvoorbeeld: Arndt Elmar Schnepper, Frei predigen. Ohne Manuskript auf der Kanzel (Witten, 2010). Volker A. Lehnert,  Kein Blatt vor’m Mund. Frei predigen lernen in sieben Schritten. Kleine praktische Homiletik (Neukirchen-Vluyn, 2006). Eerder: Albert Damblon, Frei predigen. Ein Lehr – und Übungsbuch (Düsseldorf, 1991).

Om het verlorene te zoeken

Om het verlorene te zoeken
(N.a.v. Handelingen 8:26-40)

Filippus krijgt van een engel van de Heere een opdracht om een weg te gaan, die door bijna niemand wordt gegaan. Het is een verlaten weg, die van Jeruzalem naar Gaza loopt. Een weg die in onbruik is geraakt. Op deze verlaten weg, een weg vol kuilen en hobbels, vol stenen, op bepaalde plaatsen wellicht dichtgegroeid gaat een stoet, die we niet zouden verwachten op deze weg. Degene die hier op deze verlaten weg reist is een van de belangrijkste mensen van het verre land Ethiopië. Als belangrijk man zal hij vergezeld zijn van een flink aantal knechten en kamelen om zijn spullen te dragen. Verscheidene soldaten zullen meegegaan zijn om hem op deze weg te begeleiden. Waarom heeft deze man deze verlaten weg genomen? Uit onkunde, omdat hij het gebied rondom Jeruzalem niet kende? Heeft hij daarom de verkeerde weg heeft gekozen? Of zou de verlaten weg ook iets zeggen over de gemoedstoestand waarmee hij die weg vervolgde?
Vanuit Ethiopië was hij gekomen. Voor de inwoners van die tijd was dat het randje van de wereld. Daar hield de wereld op. Hij was gekomen van het einde van de aarde om naar de tempel in Jeruzalem te komen, want in de tempel was de God van Israël te vinden. Deze hele lange weg vanaf het einde van de aarde had hij genomen om de God van Israël te aanbidden. De profeten hadden er al over gesproken dat dit zou gebeuren: dat de volken van alle uithoeken en randen van de wereld zouden optrekken naar Jeruzalem om daar de Heere te aanbidden. Je zou verwachten, dat deze man dan ook met open armen zou  worden ontvangen. Dat de priesters en de andere dienaars in de tempel de Heere zouden prijzen voor de komst van deze man naar Jeruzalem. Eindelijk was het zover dat deze profetie in vervulling zou gaan.
Maar…  in de tempel van Jeruzalem waren ze niet blij met deze man en met het hele gevolg. Hoeveel hij ook aan de tempel zou willen geven als gift, hoe lang zijn reis ook was naar de tempel, hij mocht niet binnenkomen. Niet alleen omdat hij heiden was, maar ook omdat hij eunuch was. Een man die dienst deed aan het hof van koningin van Ethiopië. Mannen die in dienst van de koningin kwamen, werden gecastreerd. En juist daarom mocht hij ook niet in de buurt van de God van Israël komen. Hij was verminkt. Vanwege zijn heidense komaf en vanwege zijn castratie mocht hij niet in de tempel van de Heere komen: een dubbele belemmering om de Heere te ontmoeten. Wat hij nog kon doen, was een boekrol kopen met de woorden van God. Als deze man de Heere niet kon ontmoeten in Zijn tempel kon hij Hem alleen ontmoeten door in Zijn woord te lezen. Zijn verlangen kon niet worden vervuld. Op weg gegaan om de Heere te aanbidden, maar de toegang tot de tempel geweigerd. Dan gaat deze man de verlaten weg naar huis. Een weg die geen toekomst meer heeft. Want door zijn castratie zou deze man nooit kinderen kunnen krijgen. Niemand nog die over hem zou vertellen of die hem zou herinneren. Maar ook niemand die hem bij de Heere zou kunnen brengen. Ook daarom is de weg die deze man volgt zonder doel. Terug naar huis zonder zijn doel te bereiken.
Filippus wordt op pad gestuurd naar deze man op de verlaten weg, die geen toekomst meer heeft. Bij de mensen niet en bij God niet. Lukas, die dit verhaal in zijn boek Handelingen heeft beschreven, heeft in zijn evangelie verteld, dat deze mensen verloren zijn en dat de Heere Jezus is gekomen om deze verlorenen te zoeken. Filippus wordt een verlaten weg opgestuurd om één enkel mens te redden. Zoals de herder de kudde verlaat om het ene verloren schaap op te zoeken en te redden, zo wordt Filippus uit zijn werkzaamheden gehaald om dit ene verloren schaap te zoeken. Soms kan de Heere Zijn koninkrijk uitbreiden door een hele grote groep tot geloof te laten komen – zoals op de Eerste Pinksterdag. Soms kan de Heere Zijn koninkrijk uitbreiden door een enkele dienaar een hele weg te laten gaan, een weg die op het oog verlaten lijkt, maar waarop hij iemand vindt.
Filippus komt bij de wagen van deze vooraanstaande man, die toch werd geweigerd bij de tempel. Hij leest in de rol die hij in Jeruzalem heeft gekocht. Hij leest over een man, die zich laat scheren als een schaap en die toch zijn mond niet opendeed. Een man die vernederd werd. In de vernedering die deze man onderging werd Zijn oordeel weggenomen. De man leest geboeid, maar begrijpt het niet. Over wie gaat het? Hij zou het willen weten. Een man die zich laat scheren – een man die vernederd werd. Was dat bij hem, de Ethiopiër ook niet gebeurd toen hij werd gecastreerd? Wellicht kon hij die ingreep nog herinneren, de keer dat zijn lichaam werd verminkt. Hij ondervond in ieder geval de gevolgen, omdat hij de tempel niet mocht binnengaan.
De man in de koets zou wel willen weten om wie het ging. De man op reis naar zijn vaderland zou willen dat er iemand was die hem uitleg gaf. En daar is Filippus – door God gezonden om het antwoord te geven op de vraag om wie het in de profetie van Jesaja staat. Filippus legt aan deze belangrijke man uit, dat het om Jezus gaat. Hij liet zich als een lam ter slachting lijden en toch deed Hij Zijn mond niet open. Deze Jezus liet zich vernederen aan het kruis. Het bijzondere van deze ontmoeting tussen Filippus en de kamerling is, dat de kamerling Jezus verkondigt en dat de kamerling tot geloof komt. Ik zou wel eens willen weten, wat Filippus heeft gezegd. Wat het geheim van zijn verkondiging was. De naam Jezus krijgt macht over het leven van deze aanzienlijke man, die toch veel heeft meegemaakt. Ook aan vernedering en verminking. Het bijzondere van deze ontmoeting is dat deze man uit Ethiopië door God wordt opgezocht. Zijn verminkt lichaam, zijn heidense afkomst – waardoor er op deze man uit Ethiopië een oordeel rust en waardoor hij niet bij God kan komen, is door deze Jezus gedragen. En dat is hoopvol nieuws voor alle mensen die op hun beurt de littekens dragen van vernedering. Die niet in tel geweest zijn. Die er niet mochten zijn. De Heere Jezus is gekomen om de verlorenen te zoeken. Wat de reden van onze verlorenheid ook was. Voor de een is dat een leven dat hij of zij zelf heeft vergooid. Voor een ander een leven dat is afgenomen door andere mensen. Deze kamerling uit Ethiopië past in een rijtje dat volgens de normen van reinheid bij de Heere zouden kunnen komen. En wellicht past u er ook niet tussen, omdat er in uw leven van alles is gebeurd. Jezus werd als schaap ter slachting geleid om het oordeel dat op uw leven rust, weg te nemen en u terug te brengen bij onze hemelse Vader. Jezus is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden, het verlorene bij God te brengen en het behoud te geven. De dienaren van Jezus worden met dezelfde opdracht gestuurd. Om het verlorene op te zoeken en hen deze Christus te verkondigen – die hun oordeel wegdroeg.

NB: Als Filippus Jesaja 53 uitlegt, zal hij wellicht ook Jesaja 56 aan de orde stellen. Daar wordt gezegd dat de ontmande bij God een toekomst heeft.

Met of zonder uitgeschreven preek de kansel op?

Met of zonder uitgeschreven preek de kansel op?

De 40 stellingen van Alexander Deeg / Michael Meyer-Blanck / Christian Stäblin

Verheldering van de discussie
1) In de recente discussie wordt gesuggereerd, dat de kerk staat of valt met een verkondiging, waarbij de preek niet uitgeschreven wordt. Hierbij wil men aansluiten bij de definitie van Luther van verkondiging: mündlich Geschrei. Deze definitie geldt voor elke preek en niet alleen voor de niet-uitgeschreven preek.
2) Degenen die een pleidooi voeren voor een preek die niet uitgeschreven is maken een karikatuur van de preekvoordracht, waarbij de preek wel wordt uitgeschreven.
3) Wanneer er een pleidooi gevoerd wordt om de preek niet uit te schrijven, zijn er twee varianten. De klassieke variant gaat uit van een preek, die wel wordt uitgeschreven, maar niet meegaat de kansel op (memoria). De hedendaagse variant gaat uit van een preekvoorbereiding in spreektaal. In beide gevallen gaat men ervan uit dat de preekvoorbereiding zorgvuldig en intensief gebeurt.
4) In praktijk gaat de preekvoorbereiding eronder lijden wanneer de preek niet wordt uitgeschreven, omdat de predikant erop gaat vertrouwen dat hij de woorden ter plekke wel kan bedenken.
5) Het uitschrijven van een preek is geen garantie voor de kwaliteit van de preek. Het uitschrijven vraagt wel tijd en kritische zelfreflectie, die bij een niet-uitgeschreven preek gemakkelijk verwaarloosd wordt.

Homiletische presentie
6) Bij de preekvoordracht gaat het om homiletische presentie: de voorbereide preek op de kansel op dit moment op een unieke wijze te laten ontstaan.
7) Daarbij moet men bedenken dat praedicatio in de reformatorische traditie niet de tekst van de preek of het effect van de persoon betekent, maar het ontvangen van Christus door de gemeente. Deze praedicatio slaagt, wanneer zij gebeurt in de dialectiek van een actualiserende voordracht en een nauwkeurig voorbereide preek. Het uitschrijven van de preek speelt bij de voorbereiding een belangrijke rol.
8) Tot nu toe is in de homiletiek nog te weinig nagedacht over de vraag hoe actualiserende preekvoordracht voorafgegaan kan worden door een uitgewerkte preek. (De computer biedt bijvoorbeeld door verschillende lettergrootten een goede basis om vrijer met de uitgewerkte preek om te gaan.)

Open vragen
9) Over een preek die niet is uitgeschreven komt in de homiletiek alleen in het praktische deel (over bijvoorbeeld de retorische voorwaarden) aan de orde. Over deze preekvorm dient echter in de andere delen van de homiletische discussie nagedacht te worden.[1]
10) Het klassieke pleidooi voor een preek uit-het-hoofd (uitschrijven preek – memoria – vrije preekvoordracht) neemt de preek onvoldoende waar als een aparte vorm van toespraken. De hedendaagse versie (uitwerken in spreektaal) laat te gemakkelijk de taak en de vorm van de preek samenvallen.
11) Het pleidooi voor een preek zonder uitgewerkte tekst dienst in binnen het breed gedragen theoretische kader van de homiletiek worden doordacht (homiletische driehoek, de veelvoud van de homiletische concepten, inzichten over verschillende fasen van de preekvoorbereiding).
12) De gangbare en de meest aansprekende homiletische modellen  bevatten geen pleidooi voor een vrije preek. Een vrije preek doet afbreuk aan de complexiteit van een preekvoorbereiding (de afzonderlijke waarneming van de Bijbeltekst, de hoorder, de situatie en de eigen persoonlijkheid). Hooguit wordt er discussie gevoerd of de uitgewerkte preek mee de kansel op moet.
13) Het klassieke pleidooi voor een vrije preek veronderstelde een geschooldheid in retorica. De hedendaagse werkweek van een predikant in de laatmoderne mediacultuur met haar slogans, simplificaties en banaliseringen daagt uit om de preek uit te schrijven. Al is het maar als een vorm van geestelijke zelfdiscipline.

Nogmaals: preken vanuit presentie
14) Homiletische presentie veronderstelt een uitgewerkte preek als onderdeel van de preekvoorbereiding. Deze uitgewerkte preek is niet de preek zelf, maar het tekstboek of de partituur van de preek.
15) Homiletische presentie betekent niet dat de preek wordt voorgelezen zonder oogcontact met de luisteraars.
16) Homiletische presentie betekent niet dat de tekst van de preek uit het hoofd geleerd moet worden.
17) Preken vanuit presentie betekent: een met het oog op de Bijbeltekst, de luisteraar en de persoon van de prediker gepaste omgang met het manuscript van de preek.

De vrije preek en de homiletische driehoek (1): Bijbeltekst – schrift – vrijheid
18) De taak van de preekvoordracht is te bepalen vanuit de homiletische driehoek. Deze driehoek laat zien dat er minder aangename ervaringen zijn met de vrije preek.
19) Meer dan de uitgeschreven preek loopt de vrije preek het risico de Bijbeltekst als basis van de verkondiging te verwaarlozen. Meer dan een uitgewerkte preek loopt een vrije preek het risico de Bijbeltekst als opstapje voor een associatief verhaal te worden. Daardoor verdwijnt het kritische tegenover van de Bijbeltekst. De spanning vanuit de Bijbeltekst met betrekking tot de situatie of de aanwezige personen (inclusief de prediker) dreigt nauwelijks waargenomen te worden. Een vrije preek is daarom weliswaar vrij ten opzichte van een manuscript, maar erg gebonden aan de associaties en de invullingen van de prediker ter plekke. Een uitgewerkte preek biedt de prediker meer vrijheid ten opzichte van zichzelf.
20) Omdat de preek te maken heeft met de Bijbeltekst als basis is er een zorgvuldige voorbereiding nodig, waarbij de zinnen en het taalgebruik nauwkeurig overdacht wordt. De taak van de preekvoordracht is om de voorbereide preek op de kansel authentiek uit te voeren.
21) De preekvoordracht is niet star aan de thuis geformuleerde tekst gebonden, maar leeft wel uit de nauwkeurig voorbereide preek.
22) Het is vanzelfsprekend dat een uitgeschreven preek nog geen garantie is voor de Schriftgetrouwheid van een preek.

Homiletische driehoek (2): luisteraars en situatie
23) Het pleidooi voor een vrije preek gaat ervan uit dat een uitgeschreven preek een belemmering is voor de communicatie. De belemmeringen voor de communicatie die een vrije preek met zich meebrengt worden niet vermeld. Luisteraars krijgen bijvoorbeeld niet de vrijheid om onder een dwingende retoriek uit te komen.
24) Bij een vrije preek wordt de relatie met de luisteraar te veel door het ene moment van de preekvoordracht beperkt.
25) Daarmee gaat het pleidooi voor een vrije preek voorbij aan het publieke karakter van de preek. Het aantal hoorders wordt beperkt tot degenen die in de zaal aanwezig zijn. Bovendien leidt de gerichtheid op degenen die nu toevallig aanwezig zijn op goedkoop effectbejag. Een vrije preek gaat voorbij aan de pluriformiteit van de luisteraars. Deze pluriformiteit dient van tevoren worden doordacht.
26) Een preek die uitgaat van een verbinding tussen de Bijbeltekst en de luisteraar, waarbij de luisteraar en de Bijbeltekst met elkaar in gesprek zijn, laat zich niet verleiden door wat de prediker op dat moment toevallig van de luisteraar opvangt.[2]
27) Homiletische presentie betekent dat de woorden en zinnen die in de voorbereiding van de preek zijn overdacht op dusdanige wijze (opnieuw) worden geformuleerd, dat de luisteraar ervaart dat er met hem of haar een dialoog wordt gevoerd. Daardoor kan de luisteraar zichzelf waarnemen als iemand die hij of zij nog niet is, maar wel als dusdanig in  de preekvoorbereiding is meegenomen: als vrije en verloste kinderen van God.

Homiletische driehoek (3) de persoon van de prediker: gebonden, gevangen, vrij
28) De vrije preek als preekvorm levert de preek uit aan de persoon van de prediker, die dan ongefilterd in de preek aanwezig is. De ik van de prediker vervangt dan de taak van de verkondiging.
29) De persoon van de prediker is binnen de homiletiek ruimschoots doordacht. Daarbij is steeds volgehouden dat de preek te allen tijde ook verwijst naar iets buiten de prediker. Het uitschrijven van een preek zorgt voor meer distantie, waardoor een prediker meer in staat is om onderscheid te maken tussen zijn eigen persoon en de boodschap die (van Godswege!) is te brengen.
30) Homiletische presentie betekent dat deze prediker deze preek brengt. Ook voor de luisteraars biedt een manuscript de mogelijkheid om onderscheid te maken tussen de prediker en de preek. De prediker wordt ervoor bewaard zichzelf op de dringen aan de luisteraars.
31) Authenticiteit veronderstelt niet het achterwege van een manuscript op de kansel. Ook wanneer een uitgewerkte preek wordt gebruikt als draaiboek voor het spreken, kan er sprake van authenticiteit. Wie preekt heeft authentiek te zijn. Niet zozeer authentiek als privépersoon, maar authentiek ten opzichte van de gestelde taak van de verkondiging.

Het testen van de inval
32) In het proces van de preekvoorbereiding speelt de inval een belangrijke rol. Door de inval ontstaat er een brug tussen tekst en situatie. In de voorbereiding dient een inval wel getest te worden.  
33) De verificatie van de preekinval vereist (zelf)discipline en kritische (zelf)waarneming van het creatieve potentieel. Daarbij kan een manuscript een belangrijke rol spelen, doordat een inval over een hele preek wordt uitgewerkt. Wanneer een inval niet voldoet, bemerkt de prediker dat tijdens het uitwerken van de preek.
34) Homiletische presentie geeft volle theologische gewicht aan de inval door de inval niet te laten afhangen van het moment van de preekvoordracht.

Retorische kwaliteiten
35) Naast alle beschreven problemen en risico’s lijdt de vrije preek vaak aan gebrek aan retorische kwaliteit.
36) Een uitgewerkte preek biedt de kans om een preek op theologisch, taalkundig en retorisch gebied meer diepgang te geven of verrassender uit te werken.
37) Bij een vrije preek is het begin vaak nog wel doordacht. Een slecht voorbereide preek verraadt zich door het slot van de preek.

Vrij spreken
38) Ondanks het pleidooi voor een uitgewerkte preek kan het vrij spreken alleen maar worden gewaardeerd.
39) De homiletische praxis en de homiletische literatuur doen er goed aan een pleidooi te voeren voor zowel vrij spreken als een zorgvuldig voorbereide en uitgewerkte preek. De vrijheid van het spreken is een vrucht van gebondenheid aan de luisteraars en aan het Evangelie. Daarom is een waarschuwing op zijn plaats: denk niet te snel te weten wat de Schrift zegt of wat de luisteraars nodig hebben.
40) De wisselwerking van een zorgvuldig uitgewerkte preek en een voordracht met presentie geeft in de verkondiging een vrijheid die recht doet aan het wezen van de verkondiging en aan daarom ook recht doet aan de taak om het woord God te verkondigen.


[1] In vaktermen: deze kwestie moet niet alleen in de formele homiletiek, maar ook in de materiële en de principiële homiletiek doordacht worden.

[2] Wat Deeg / Meyer-Blanck / Stäblin niet uitwerken, maar ook van belang is, is de duiding van de signalen die de luisteraar afgeeft. Ik vind het als predikant knap als collega’s de signalen, die de luisteraars uitzenden weet op te vangen. Nog knapper is het als de prediker op dat moment, terwijl hij geconcentreerd is op de preek en de luisteraar, de signalen weet te duiden. Het kunnen inspelen op deze signalen – en daarbij in staat zijn om e luisteraar niet te bespelen! –  is zo knap, dat ik nauwelijks geloof dat dit in praktijk voorkomt.

Zie: http://www.v-r.de/pdf/titel_inhalt_und_leseprobe/1006400/inhaltundleseprobe_978-3-525-62001-4.pdf