Preek 30 juni 2019 avonddienst

Preek 30 juni 2019 avonddienst
Dankzegging Heilig Avondmaal. Schriftlezing: 1 Johannes 1:1 – 2:2
Tekst: Opdat u ook gemeenschap hebt met ons; en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader; en met Zijn Zoon Jezus Christus (vers 3b).

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is bijzonder om zo met elkaar het avondmaal te vieren.
Om met elkaar daar vooraan te zitten, de schaal en de beker aan elkaar door te geven,
waarbij we elkaar de tekenen van brood en wijn doorgeven.
Dat geeft aan, dat we niet alleen maar voor onszelf daar zitten aan die tafel,
maar ook voor elkaar.
Als je daar zit, pak je de schaal aan van degene die naast je zit
En die de schaal aan je doorgeeft.
Je neemt het brood ervan en geeft de schaal door.
Je pakt de beker aan van degene die de beker jou aanreikt en je geeft de beker weer door.
Dat aannemen en doorgeven is niet voor niets. Dat heeft een betekenis.
Er is iemand uit de gemeente – en je hebt wellicht niet zelf voor diegene gekozen –
reikt jou de tekenen aan, die heenwijzen naar het offer dat Christus bracht.
In het aangeven van de schaal zegt degene naast je (zonder woorden):
Hier is het brood, gedenkt en gelooft dat Christus ook voor jou gestorven is.
En als de beker wordt aangereikt zegt je buurman of buurvrouw in dat gebaar:
Christus reinigt ook jou van je zonden.
Ik mag je dat doorgeven, net zoals ik dat zelf ook weer van iemand gekregen heb.
Zo worden we gesterkt, zowel in ons geloof, in onze band met Christus
en ook gesterkt in de onderlinge band, doordat we samen daar zitten
en elkaar de tekenen mogen aanreiken, die Christus ons weer aanreikt.
Bovendien is het door die Geest dat wij als leden van één lichaam met elkaar
in ware broederlijke liefde verbonden worden.
Dat gaat in samen op: gesterkt worden in je eigen geloof en ook in de onderlinge band.
In zijn brief wijst Johannes daar op op:
Opdat u ook gemeenschap hebt met ons;
en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader; en met Zijn Zoon Jezus Christus.
Je kunt blijkbaar niet alleen, niet in je eentje geloven.
Ja, soms kan het niet anders. Als je leeft in een omgeving, waar niemand christen is
en je tot geloof komt en je bij niemand terecht kunt, dan moet je alles in je eentje doen.
Maar dan is geloven niet gemakkelijk: om in je eentje avondmaal te vieren,
om jezelf aan te spreken en bij de les te houden,
jezelf moed in te spreken als je het niet ziet zitten, jezelf op te beuren en te troosten
– dat is allemaal niet gemakkelijk.
We hebben elkaar nodig, al is het maar om de schaal met brood aan te geven
en de beker aan te reiken,
het gebaar waarmee we tegen elkaar zeggen: het is ook voor jou!
Het is voor ons leven met de Heere, voor ons geloof, niet goed, als we dat alleen doen.
Ik hoorde ooit een voorbeeld, en dat ben ik nooit vergeten
en heeft er zelfs toe geleid om maar aandacht te schenken aan de onderlinge band:
Iemand vertelde dat ze kort na de belijdenisdienst in een zwart gat viel.
In een jaar tijd had ze intensief met anderen opgetrokken,
op een vast tijdstip bij elkaar gekomen, week in week uit.
Door dat samenkomen, door die gesprekken leefde ze dicht bij de Heere
met als climax, als hoogtepunt een mooie belijdenisdienst.
Maar na die belijdenisdienst was het voorbij, was er niets meer, stil.
Geen ontmoetingen meer, geen gesprekken meer,
geen vaste avonden meer aan God gewijd.
Het was opeens stil en leeg: een zwart gat.
Onverwacht kreeg haar geloof een duw naar beneden.
Pas later besefte ze hoe belangrijk die bijeenkomsten en die gesprekken waren.
Ik ben haar er altijd dankbaar voor geweest, dat ze deze teleurstelling meldde,
omdat ze mij daarmee leerde, hoe belangrijk is voor het geloofsleven
om samen op te trekken, geregeld bij elkaar te komen.
Niet dat die gedachte helemaal nieuw was, maar toch:
Als je van iemand hoort, dat het wegvallen van de onderlinge contact
ervoor zorgt dat je terugvalt in geloof, geeft dat wel aan dat we niet zonder kunnen.
Als gelovige niet zonder de onderlinge band.

Die band wordt in het avondmaal versterkt.
Althans, dat is de gedachte van het formulier.
Zo zullen wij allen, die door het waarachtige geloof in Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde samen één lichaam vormen.
Aan de tafel zijn we één, net een gezin, het gezin van Christus,
Waarin iedereen die er is een broeder en een zuster is.
Een broer of een zus zijn: dat betekent, dat je daar niet voor gekozen hebt,
zoals je vrienden wel kunt kiezen.
Je hoort bij elkaar en je kunt je niet van elkaar los maken, ook al verbreek je het contact.
Als we verbonden raken met Christus, krijgen we er anderen bij,
die ook verbonden zijn met Hem.
Aan de avondmaalstafel groeit zowel de verbondenheid met Christus als met elkaar.
Gemeenschap met elkaar en met God.
Gemeenschap – een mooi woord, dat geeft aan dat je samen iets gemeen hebt:
Samen heb je gemeen dat je van Christus bent geworden.
Je hebt allemaal het kenmerk dat de Heere in je leven werkt
en dat je kon overgeven aan Hem, dat je Hem ging liefhebben en vertrouwen.
Dat heeft bij de een vast meer tijd gekost dan bij de ander,
maar dat is gezamenlijk: dat er in ons hart de liefde is voor Hem,
die hebben we daar niet zelf in gelegd, maar heeft de Heere zelf gegeven.
Dat hebben we gemeenschappelijk.
Gemeenschap betekent ook, dat je samen ergens onderdeel van bent.
Samen onderdeel van het gezin van God,als broeders en zusters.
Daarom samen aan de tafel, zoals een gezin gezamenlijk de maaltijd gebruikt
Gemeenschap betekent daarom ook, dat je niet allemaal losse individuen bent,
maar dat er onderling ook iets groeit.

Dat groeit niet zomaar, vanzelf. Daar moet de Heilige Geest voor aan de slag.
Want als mensen een gemeenschap vormen, als is dat aan de avondmaalstafel,
is dat niet iets dat vanzelfsprekend gaat.
Samen een gemeenschap vormen heeft iets positiefs:
Je stimuleert elkaar, daagt elkaar uit, je versterkt elkaar.
Je gaat met iemand in gesprek die de stap niet kan maken naar het avondmaal
in de hoop dat hij of zij de volgende keer wel kan gaan.
Je luistert naar de aarzelingen en neemt die serieus
en je weet ook iets aan te reiken dat verder helpt in dit opzicht.
Je deelt ervaringen met elkaar,
waardoor je hoort hoe een ander de gang naar het avondmaal beleeft.
Je denkt daarover na en het verrijkt je eigen omgang met het avondmaal
omdat je nieuwe inzichten hebt opgedaan, die je bijblijven.
Of je spreekt van tevoren af, dat je bij elkaar gaat zitten,
Zodat de stap voor iemand, die niet zo makkelijk aan het avondmaal gaat, niet zo groot is
omdat je met elkaar gaat
en je besluit om er na afloop om er met elkaar over door te praten hoe het was.

Samen een gemeenschap vormen kan ook iets ongemakkelijks hebben.
Je zit aan tafel met anderen uit de kerk, die heel andere opvattingen hebben,
met wie je maar geen gesprek moet hebben, omdat het op discussie uitloopt.
Of met iemand met wie je ooit een akkefietje hebt gehad, dat nooit echt is uitgepraat.
Je moet niet teveel de kant van die ander opkijken, want je wordt er nog aan herinnerd.
Je zit naast iemand, die ooit eens iets gezegd heeft, dat niet zo heel tactisch was,
je vermoedt dat degene die naast je zit allang vergeten is, wat hij of zei ooit tegen je zei,
maar je weet het nog steeds en toch is hij of zij degene die je de schaal en de beker aanreikt
en jou de tekenen van genade en vergeving overhandigt, in naam van Christus.
Samen zit je aan de tafel van Christus en allebei heb je de genade nodig.
Mag die opmerking nog een belemmering zijn om de schaal en de beker aan te nemen?
Betekent dat de tekenen van brood en wijn, die heenwijzen naar de genade is er is,
betekent dat je deze tekenen ontvangt, dat je die opmerking voortaan moet vergeten
en er niet meer zo mee bezig moet zijn, omdat je zelf ook genade nodig hebt
en je naast iemand zit, bij wie je zelf ook weer iets aangericht hebt?
Of betekent het nog iets anders, dat je het ook bij Christus mag brengen
en in Zijn handen mag leggen en dat Hij weet wat er tussen jullie zich afspeelde?
Heel makkelijk kunnen we voor elkaar een belemmering zijn om bij Christus te komen.
En toch zegt het avondmaal, dat de Heere ons met elkaar verbindt, één van hart maakt.
Niet losse individuen, die toevallig een plek aan de tafel hebben,
die allemaal iets met Christus hebben en die als ze de kerk verlaten
weer ieder de eigen kant op gaat, zonder nog iets met elkaar te maken te hebben.
Nee, in het avondmaal gevormd tot één lichaam.
En ik denk dat we dat niet moeten beperken tot onze kerk alleen,
maar alle kerken die er zijn in Oldebroek en over heel de wereld: samen dat ene Lichaam.
Gevormd tot één lichaam, omdat we elkaar nodig hebben om verbonden te zijn met God.
Johannes verbindt dat hier ook aan elkaar:
verbonden met elkaar en verbonden met de Vader en met Christus.
Die verbondenheid is zowel een opdracht, die we hebben,
een verantwoordelijkheid die we voor elkaar gekregen hebben,
waar we ons niet van kunnen afmaken.
Maar ook een geschenk van God, een gemeenschap, waarin Hij ons opneemt,
waarin Hij ons een plek geeft en anderen om ons heen.
Het is een verantwoordelijkheid om niet te veel uit elkaar te groeien,
zodat je elkaar niet meer begrijpt.
De tijd nemen om naar elkaar te luisteren, te begrijpen hoe iemand anders denkt, gelooft.
Om zelf wellicht ook te vertellen hoe de Heere werkt in jouw leven.
De tijd nemen om elkaar op te zoeken.
De tijd nemen om voor elkaar te bidden.
Op de opleiding leerde ik bij het vak pastoraat:
Het gaat erom dat we gossip veranderen in gospel.
Gossip: roddel. Gospel: het evangelie van onze Heere/
In plaats van ongezonde nieuwsgierigheid, doorvertellen omdat het smeuïg is,
betrokkenheid tonen en oprecht mee te leven.
Als je het doorvertelt, om dan te laten merken dat je om die ander geeft
en iemand anders ook verantwoordelijk maakt om mee te leven en naar je om te zien.
Gospel: evangelie – oog krijgen voor hoe de Heere werkt in iemands leven
en dat doorvertellen en de Heere danken voor die persoon

en voor de genade die de Heere laat merken.
Zo zullen wij allen, die door het waarachtige geloof in Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde samen één lichaam vormen, omwille van Christus, onze geliefde Zaligmaker, die ons tevoren zo bijzonder heeft liefgehad. Dit zullen wij niet alleen met woorden, maar ook met daden aan elkaar bewijzen. Daartoe helpe ons de almachtige en barmhartige God en Vader van onze Heere Jezus Christus, door Zijn Heilige Geest.

Die verbondenheid met elkaar is nodig om verbonden te blijven met de Heere.
We hebben avondmaal gevierd.
We hebben vanmorgen weer mogen ervaren, mogen proeven
hoe het is dat de Heere ons weer opneemt in Zijn gemeenschap, met ons verder wil
en dat Hij zo in ons wil werken, dat we groeien in geloof, andere mensen worden,
vol van Hem, vol van Zijn Geest.
Het avondmaal vieren, aan de tafel aangaan, is de belofte geven aan de Heere
dat je in de komende tijd uit die gemeenschap wilt leven.
en deze gemeenschap van ons is er ook met de Vader; en met Zijn Zoon Jezus Christus.
Avondmaal is geen momentopname, niet alleen maar iets voor 30 juni 2019,
maar geldt ook voor de komende maanden,
als je morgen op je werk komt.
Als je het komend weekend een weekendje weg bent.
laat ieder zijn geweten onderzoeken of hij ook gezind is voortaan met zijn hele leven waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht. En eveneens of hij, terwijl hij van harte alle vijandschap, haat en afgunst aflegt, zonder enig huichelen, een ernstig voornemen heeft voortaan in waarachtige liefde en eensgezindheid met zijn naaste te leven.

Want de Heere is dat waard. In Zijn zorg voor ons geeft Hij mensen om ons heen.
Die over Hem vertellen. Die voorleven hoe je met God kunt leven.
Die meeleven en ons aanspreken, die ons stimuleren en ons een voorbeeld zijn.
Voor wie wij zelf een voorbeeld mogen zijn, die zich aan ons optrekken.
Samen met elkaar de weg van Christus gaan.
Als je zo met elkaar optrekt, kom je bij de Heere uit. Samen bij de Heere uit.
Een  gemeenschap waarin God werkt, een gemeenschap die God eert
met woord en daad. Amen

Preek zondag 30 juni 2019 morgendienst

Preek zondag 30 juni 2019 morgendienst
Viering Heilig Avondmaal. Schriftlezing: 1 Johannes 1:1- 2:2
Tekst: En het bloed van Jezus Christus reinigt ons van onze zonde (1 Johannes 1:7b)

Deze brief van Johannes begint met de grootheid van God:
Hij was er al voor wij geboren werden, ja voordat de wereld er was, was Hij er al.
Hij schiep deze wereld.
Vol verwondering schrijft Johannes dat de Heere niet op een afstand bleef,
zelfs niet toen wij als mensen kozen voor de zonde.
Hij kondigde Zijn komst aan en kwam in Zijn Zoon Jezus Christus op aarde
om ons mensen op te zoeken en terug te brengen.
Hij kon daarover uit eigen ervaring spreken, omdat hij erbij was,
Jezus met eigen ogen mocht zien, met Hem mee optrok.
Tegelijkertijd wil Johannes ons laten weten, dat het ook onze ervaring kan zijn,
dat Jezus er is, in ons midden, dat we Hem horen en ervaren,
dat we weten dat Hij hier is en dat we Hem ook ontmoeten.
Doordat Jezus op aarde kwam, weten we dat God mensen opzoekt,
omdat Hij hen bij Zich wil hebben, in Zijn gemeenschap,
dat ze bij Hem horen, van Hem zijn.
Johannes spreekt over de mogelijkheid om bij God te horen.
Het is zelfs de wens van de Heere, dat we van Hem zijn.
Alles in de Bijbel – ook al in het Oude Testament – spreekt van onze God
Als een God die Zijn volk Israël op zoekt en met Christus alle mensen zoekt
om hun God te zijn.
Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft,
opdat een ieder die in Hem gelooft, het eeuwig leven heeft.
Daar is het de Heere om te doen, dat we geloven in Hem
en dat we het eeuwige leven ontvangen, waar we voor altijd bij Hem mogen zijn.
Ook in dat eeuwige leven gaat het om Hem, onze Heere,
gaat het erom dat we nooit meer van Hem gescheiden zijn.
Daarom vieren we avondmaal: Omdat God ons in Zijn gemeenschap wil hebben.
Het avondmaal vieren we: we vieren dat we verbonden zijn met onze Heere.

Maar kunnen we dat wel vieren?
U bent in de afgelopen week bezig geweest met het avondmaal,
want dat is toch niet iets dat je zomaar even doet.
Je bereidt je daar innerlijk toch op voor: of je kunt aangaan of niet.
Dat werd ook gevraagd: om erbij stil te staan, dat er heel wat aan onze kant mis zit.
U bent nagegaan hoe dat bij u is en tot de conclusie gekomen:
Er is bij mij nog teveel dat niet in orde is.
Ik kan zoals ik nu ben niet aan het avondmaal gaan.
Ik kan niet vieren dat ik verbonden ben met de Heere,
Want van mijn kant is er zoveel dat mij aanklaagt:
Mijn geloof – ja, kan ik wel spreken van geloof?
Ik breng er zo weinig van terecht.
En mijn manier van leven, wat laat ik daarvan zien dat ik bij de Heere hoor?
Zo goed doe ik het als christen niet. Ik kan me eigenlijk niet eens christen noemen
en een plek aan die tafel kan ik helemaal niet innemen.
Hoe kan ik aankomen bij de Heere, die zo groot en heilig is?

En het bloed van Jezus Christus reinigt ons van onze zonde, zegt Johannes.
Daarmee wil hij zeggen, dat we dat vanuit onszelf ook niet kunnen.
Niemand van ons kan zeggen: mijn plek daar aan die tafel heb ik aan mijzelf te danken.
Het is allemaal genade, omdat Christus stierf
en omdat Hij gestorven is, gestorven voor u, voor jou, mij, daarom kunnen wij komen.
Daar wijst het brood dat gebroken ook naar: naar hoe Hij aan het kruis stierf
en daar stierf met een reden: om ons vrij te kopen.
Daar wijst de wijn naar: het bloed van Christus dat ons reinigt.
Daar naar voren te komen en brood en wijn te ontvangen,
geven we aan, dat we dat offer van Christus nodig hebben,
dat we niet zonder zijn lijden en sterven aan het kruis kunnen,
omdat Zijn dood ons vrijmaakt van de zonde en ook reinigt.
Met Zijn dood aan het kruis – daarom vieren we het avondmaal –
geven we aan, dat God met ons opnieuw wil beginnen, schoon schip maakt.

De zonde die zo diep in ons kan zitten, wordt helemaal weggenomen.
Als je weet dat je geloof niet volmaakt is en je steeds weer tekortschiet,
Als je weet dat je er niet genoeg naar leeft,
dan kan dat heel makkelijk klinken: je gaat naar het avondmaal,
je krijgt vergeving en je mag weer opnieuw beginnen,
Terwijl je eigenlijk al weet, dat je over drie maanden weer diezelfde worsteling hebt
Van een geloof dat onvolmaakt blijft en God geen recht doet, want Hij heeft recht op meer.
Hij heeft er recht op, dat we Hem helemaal dienen, op de eerste plaats stellen
en ons niet pas met Hem bezig gaan houden als wij er tijd voor hebben, aan toe zijn.
Dat we er ook naar leven, niet alleen maar voor de vorm, maar ook met ons hart.
Is het niet te gemakkelijk om zo over vergeving en reiniging te spreken?
Dat is zeker niet Johannes’ bedoeling om maar makkelijk over de zonde te denken
en daar zomaar over heen te stappen.
Nee, er was heel wat voor nodig: Christus moest sterven.
Er is ook in ons heel wat nodig: Reiniging van zonden.
De zonde is ernstig – en Johannes wil die ernst volop onderstrepen.
Maar nog ernstiger is aan de genade voorbij gaan.
Nog ernstiger is  aan de mogelijkheid, die Christus biedt door Zijn sterven,
om gereinigd te worden voorbij te gaan.
Want dan blijf je nog in de zonde, dan is nog de breuk met God niet geheeld.
Wat had de Heere nog meer moeten doen om u vrij te kopen?
Is het offer dat Christus niet genoeg?
Zegt de Heere zelf niet, hier bij monde van Johannes, dat Zijn sterven genoeg is,
ook voor u: gedenkt, gelooft, dat dit kostbaar bloed vergoten is
tot volkomen verzoening van al onze zonden.
Wij maken het niet met God, maar Hij: Hij is het die verzoening brengt voor onze zonden.
Met het avondmaal vieren we dat Hij, onze Heer, die het God maakt met God,
ons verzoent, hier in ons midden is, gastheer aan de tafel, ons nodigt om te komen:
Hier is brood en wijn, dat herinnert hoe Ik ook voor jou gestorven ben.
Neem, eet, gedenkt en gelooft dat Mijn lichaam verbroken is, ook voor jou.
Kom, hier bij Mijn tafel, om dat te gedenken, te vieren, dat het ook voor jou is.
Amen

Preek zondag 23 juni 2019

Preek zondag 23 juni 2019
1 Johannes 1
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Tekst: Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij gezien hebben met onze ogen, wat wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens.  – want het leven is geopenbaard en wij hebben het gezien. (1 Johannes 1:1-2a)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als je leest van Johannes hier schrijft, kun je daar jaloers op worden,
Johannes die Christus heeft horen spreken, die Christus gezien heeft, meegemaakt heeft.
Konden wij onze Heere ook maar zo van dichtbij zien, Hem horen spreken,
Zijn aanwezigheid merken, in Zijn nabijheid zijn.
Johannes was erbij, maakte het allemaal mee
en vanuit die ervaring wil hij de gemeente, waaraan hij schrijft,
aanmoedigen en sterken in het geloof.
Wie zou dat niet willen, dat je zo kunt terugkijken op je ontmoeting met Christus.
Dat je met Hem optrok en Zijn onderwijs aanhoorde
en dat je met die ervaring – dat je zo dicht bij Christus was – andere gelovigen mocht helpen.

Als ik Johannes in deze brief lees, dan is het hem er niet om te doen
om die ervaring uniek te maken.
Alsof het iets van hem alleen is, omdat hij achter Jezus aanging
en alles zag wat er om Jezus gebeurde.
Hij heeft het over “wij”: wij hebben gehoord, wij hebben met onze ogen gezien,
wij hebben aanschouwd, wij hebben het Woord des levens aangeraakt.
Daarmee bedoelt hij ook de gemeenteleden die deze brief krijgen
En ik denk dat wij ons daar ook bij mogen insluiten en het op onszelf mogen betrekken:
wij hebben gehoord, wij hebben met onze ogen gezien,
wij hebben aanschouwd, wij hebben het Woord des levens aangeraakt.
Dat is niet een ervaring die zich beperkt tot de twaalf leerlingen, die met Jezus meegingen
en ook niet tot de Joden die erbij waren toen Jezus gelijkenissen vertelde of wonderen deed.
Wij mogen, wij kunnen ons erbij insluiten: ook wij hebben gehoord en gezien,
Wij hebben aanschouwd en met onze handen aangeraakt.
Het lijkt erop, dat Johannes wil aangeven dat hij ooggetuige was, dat hij er zelf bij was.

Maar het gaat toch om iets anders, om iets dat ook wij kunnen meemaken.
Namelijk een overweldigende ervaring, waarbij je niet goed meer uit je woorden komt.
Als je verliefd bent op iemand en gaat stamelen,
Of als je een belevenis van de natuur had, die zo bijzonder was, dat je er stil van wordt.
Zo bijzonder, je kunt het niet onder woorden brengen, het raakt niet aan wat je meemaakte.
Dan gaat het Johannes hier om een ervaring die nog bijzonderder is, overweldigender is:
de ervaring iets van God mee te maken.
Je kunt het als Bijbellezer er niet goed uithalen, maar de woorden die hier staan,
zijn niet vloeiend geschreven, het is een stamelen,
een proberen onder te brengen van iets dat niet onder woorden te brengen is:
probeer maar eens onder woorden te brengen wat je meemaakt van onze Heere.
Johannes probeert het, maar het lijkt wel of hij er niet uitkomt, in ieder geval niet vloeiend.
Of het moet een lied zijn, dat hij citeert, waarvan de woorden als je gezongen hoort
wel kloppen, omdat ze een loflied zijn om de glorie van Christus te prijzen.
Je moet ze horen, misschien wel gezongen, of je moet de woorden zelf zingen:
Wat er was vanaf het begin
Wat wij gehoord hebben
Wat wij gezien hebben met onze ogen
Wat wij aanschouwd hebben
en onze handen getast hebben van het Woord des levens.
Wat er was vanaf het begin – niet alleen maar het begin dat God in ons leven kwam
en wij begonnen te geloven, het prille begin van ons als christen, als gelovige,
maar verder terug, niet terug naar het moment dat Christus op aarde kwam,
maar nog verder terug, zelfs naar het moment voor de wereld er was.
Toen de wereld nog niet geschapen was, er geen hemel en aarde was,
was er al wel een God – Vader, Zoon en Heilige Geest.
Voordat wij er waren, voordat onze wereld er was.
De reden waarom hierover gemediteerd wordt, hierover gezongen wordt,
is dat onze Heere die toen er reeds was een beweging maakte naar ons toe,
steeds dichterbij kwam: je kon Hem horen komen, aangekondigd in het Oude Testament
en nadat Hij geboren was en opgroeide, rondwandelde, wonderen deed en sprak,
was Hij voor mensen met eigen ogen te zien,
konden ouders hun kinderen bij Jezus brengen om gezegend te worden
En kon Thomas zeggen:
Ik wil Jezus zelf aanraken om te geloven dat Hij werkelijk is opgestaan.
Hoe menselijk Jezus ook werd – echt mens – Hij bleef wel God
En was er al voor de wereld geschapen werd.
Zo indrukwekkend en groots is God dat de hemel Hem niet kan bevatten
en toch wordt Hij mens en komt Hij onze wereld binnen, kunnen wij Hem ontmoeten.

Het is wat gebeurd, is dat we over Hem horen.
Een stem die in je leven klinkt, uitnodigend om bij Hem te horen,
om alle twijfels die er kunnen zijn, nu eens aan de kant te leggen
dringend, om je op te roepen tot geloof en niet meer zonder Hem te leven.
Dat horen over Hem kan ook op een manier die niet zo spectaculair is:
Iemand die uit de Bijbel leest, vertelt, je liederen leert, of je leert bidden, een preek houdt,
iemand die je uitlegt, dat je het avondmaal niet moet vermijden,
maar juist daar moet zijn omdat je dan Christus ontmoet.
Wat wij gehoord hebben – over God en dat kan ook door God gebruikt worden,
waardoor de Heere iets van Zichzelf laat horen:
Ik kwam voor jou uit de hemel, dat was toen, maar ook nu nog laat Ik van Mij horen
en Ik wil dat je naar Mij toekomt, dat je niet weg blijft.
Dat je niet allerlei belemmeringen en bezwaren opwerpt voor jezelf.
Luister naar Mij en kom!
De stem van God die tot ons komt en wij die horen,
Dat geeft aan dat God naar ons op zoek is, ons bij Zich wil hebben, in Zijn gemeenschap,
weer een band wil, dat we van Hem zijn.

God die ons wil hebben en daarom in deze wereld kwam en in ons leven komt.
Eerst hoorbaar, maar ook zichtbaar.
Wij hebben met eigen ogen gezien.
Dat kunnen we heel makkelijk verbinden aan Jezus die hier op deze aarde rondliep,
vertelde en genas, voor Pilatus stond en veroordeeld werd, de weg liep door Jeruzalem
op weg naar het kruis, waar Hij aan zou hangen, waar Hij stierf
en daarna de opgestane Heer die verscheen: aan de vrouwen, aan de discipelen.
Ik ben dood geweest en zie Ik leef. De dood overwonnen.
Zijn er ook momenten waarop we Christus kunnen zien in ons eigen leven.
Dat we Hem niet alleen maar horen, maar ook zien?
We geloven dat als we als gemeente samenkomen onze Heer er ook is. Aanwezig is.
Dat als we avondmaal vieren, Hij aan de tafel staat en ons het brood aanreikt
En ons aanspreekt: het brood dat je krijgt wijst naar het kruis waar Ik aan hing,
waar Ik mij gaf voor jou – verbroken tot volkomen verzoening van al je zonden.
Hij komt dan zo dichtbij, omdat Hij wil dat wij dichtbij Hem zijn, bij Hem zijn, van Hem zijn.
Als je het brood aanraakt, naar je mond brengt en eet.
Er zijn gelovigen die zeggen: dat brood, dat wordt Christus: je raakt Hem aan,
je eet Zijn lichaam.
Als gereformeerde protestanten zijn we wat voorzichtiger,
omdat je daar ook misbruik van kunt maken,
als je Christus zo in een stukje brood kunt hebben.
Maar we geloven wel, dat als je brood eet, dat Hij dan zichzelf geeft,
dat als je de wijn drinkt en in je lichaam naar binnen voelt gaan,
Dat Hij zo in je wil komen, om je lichaam te reinigen van de zonde.
Neemt, drinkt, gelooft, dat het kostbaar bloed van onze Heere Jezus Christus
vergoten is tot volkomen verzoening van al onze zonden.
Hoorbaar – zichtbaar – al is dat voor de ogen van het geloof
En dat is wat Johannes bedoelt met aanschouwen.

Want je kunt avondmaal zien – dat geldt misschien wel helemaal voor de kinderen
die dan in de kerk zitten en alleen maar kunnen kijken wat er voor in de kerk staat,
Wat daar gebeurt: een tafel, met daarop borden met brood en bekers wijn,
mensen die naar voren lopen en gaan zitten bij de tafel,
brood en wijn dat wordt rondgedeeld en mensen die dat eten en drinken.
Dat heeft allemaal betekenis.
Er staat een tafel in de kerk. Wat doe je met een tafel? Je kunt aan een tafel zitten.
Alleen of gezamenlijk. Op die manier laat tafel gemeenschap zien:
dat je bij elkaar hoort, als gezin bijvoorbeeld, of als vriendengroep.
Aan die tafel zitten mensen die bij de kerk horen – maar het is ook de tafel van Christus.
Is Hij er bij? Ja, Hij is gastheer.
Een tafel wordt ook gebruikt om dingen op te zetten: een vaas met bloemen bijvoorbeeld.
Zo staat er brood en wijn op de tafel.
Waarom brood en wijn?
Wat betekent dat?

Met zien alleen ben je er nog niet. En met horen ook niet.
Het gaat om geloof, om eigen maken, dat het van jezelf wordt.
Dat je onder de indruk komt en van Christus gaat houden,
Dat je met Hem wilt leven – Johannes noemt dat aanschouwen.
In het evangelie van Johannes is dat ook steeds zo: ooggetuige zijn is nog niet genoeg.
Het gaat erom, dat je ziet dat God erin aan het werk,
dat de Jezus die daar rondloopt, voor Zijn geboorte bij de Vader was en één met Hem.
Dat is in het evangelie van Johannes ook zo:
Als Jezus water in wijn verandert, gaat het niet om het wonder als zodanig,
net als de blindgeborene die weer kan zien, waarbij het ook niet om het wonder alleen gaat.
Maar om het werk van Christus dat zichtbaar wordt:
Dat Hij laat zien dat Hij gekomen is om het Koninkrijk van God te brengen,
De wijn die vooruit wijst naar het hemelse feest: de bruiloft van het Lam.
Hoe Jezus gekomen is, om de blindheid, die er vanaf onze geboorte is,
de geestelijke blindheid, waardoor wij God niet kunnen waarnemen, geneest
en ons ogen geeft om God te zien – om God te geloven.
Dat is aanschouwen: in wat je ziet God opmerken, God aan het werk zien.
In je eigen leven, in de kerkdienst,
in het avondmaal: de tafel die er staat,
het brood dat al gesneden is en gebroken gaat worden
de wijn die reeds ingeschonken is en rondgedeeld gaat worden,
Waarin we Christus kunnen zien en horen, die tegen ons zegt: dat heb ik voor jou gedaan.
Blijf niet weg, maar kom, geloof, laat je reinigen van je zonden en laat je sterken in je geloof.

Het spreekt – dat brood en die wijn. Het spreekt van onze Heer.
Het verwoordt Zijn roepstem: Kom!

En waarom je zou komen? Omdat het hier om leven gaat:
Christus die het leven is, die je levend maakt,
Die je het leven geeft, dat je kwijtgeraakt was.
Het leven is geopenbaard – schrijft Johannes.
Dat kun je op twee manieren zien: de komst van Christus, Zijn gang naar het kruis,
Dat Hij daar moest hangen – laat zien hoe het met ons gesteld was.
Stevige woorden gebruikt het formulier daarvoor: zonden en vervloeking,
die we bij onszelf moeten overdenken.
Om ons wakker te schudden
en aan te geven dat we er niet te licht over mogen denken,
moeten beseffen, hoe ernstig te zonde is.
We mogen daar niet voor weg lopen.
Maar er is ook een andere kant: Christus die laat zien, dat Hij het leven is.
Als in de Vroege Kerk er een afbeelding van het kruis was,
dan werd het kruis afgebeeld als een boom,
een boom die altijd groen blijft en vrucht geeft.
Een manier om te laten zien hoe Christus aan het kruis ons leven geeft.
Brood is voedsel – zonder voedsel kun je niet leven.
Honger naar God, Christus.
Wijn is drinken – zonder drinken overleef je het niet.
Dorst naar Christus – Psalm 42: zo verlangt mijn ziel naar U.
U alleen kunt mijn hart vervullen.
Leven – verkrijgbaar, te vinden. Bij Christus, die uit de hemel kwam om dat leven te brengen
en ons te geven.
Omdat wij het leven buiten onszelf zoeken in Jezus Christus.
We hebben het zelf niet – Christus heeft het. En Hij wil het geven.
Alleen dan kunnen we zeggen, dat het goed zit.
Komende week moeten we er weer over nadenken, hoe het met ons zit.
Hebben wij dat leven? Hebben wij dat al aangenomen?
Leven we daar echt uit? Of zijn we het inmiddels kwijt?
Wel met een doel: om bij Christus uit te komen.
Er is van alles dat ons volgende week kan weghouden, uit de kerk, bij de tafel.
Het formulier noemt dat ook – en zegt erbij, dat je daar nooit los van komt.:
de strijd met de zwakheid van ons geloof, begeerten die ons naar de ondergang brengen.
Je hele leven blijf je daarmee te maken hebben
en als dat je criteria zijn, om te bepalen of je naar voren mag komen en mag aangaan,
dan kom je er nooit, want er is nooit een moment dat je geloof perfect is,
dat je zonder zonde bent, op geen enkele verleiding ingaat.
Maar je komt ook niet, omdat je het zelf zo goed doet,
maar je komt, omdat Christus daar is.
Omdat Hij zichzelf geeft. Omdat je niet zonder Hem kunt,
Want je weet: Zonder Hem ben ik verloren.
En ik hoef niet verloren te gaan, want Hij geeft mij het leven  – eeuwig leven.
Hoezeer mijn zwakke geloof mij aanklaagt, en de duivel mij influistert: daar hoor je niet.
Christus roept en spreekt mij aan: Luister, kom!
Wie zijn wij om als Christus roept dat te negeren. Daaraan voorbij te gaan?
Amen

Niet als wezen achtergelaten

Niet als wezen achtergelaten (nav Johannes 14:18)

Afscheid nemen van iemand, met wie je een goede band hebt, is vaak niet makkelijk.  Je voelt aan dat er een lege plek in je leven komt. Je weet dat je de gesprekken, die je samen had, zult gaan missen. Je mist het plezier, dat je samen had, wanneer je samen optrok. Zeker als afscheid gaat nemen van iemand, die veel voor je betekend heeft,  iemand op wie je toch wel steunde, kan dat het gevoel geven, dat je je heel wat kwijtraakt, dat je verweesd achter zult blijven.
In dit gedeelte kondigt de Heere Jezus Zijn afscheid aan en Hij voorziet dat Zijn afscheid heel wat met de leerlingen zal doen. Hij zal naar de hemel gaan en de leerlingen zullen op aarde achterblijven. Ze zullen Hem ontzettend missen. Het zal een gevoel van heimwee geven naar de tijd, waarin hun Meester bij hen was. Ze zullen zich verweesd voelen. Met hun geloof zullen ze het ook niet makkelijk krijgen, want ze steunden behoorlijk op Hem.
Daarom geeft Hij hen een belofte mee, waar ze zich aan kunnen optrekken: 
Ik zal jullie niet als wezen achterlaten. Je zult het moeilijk krijgen. Dat weet Ik vooruit. Maar je krijgt steun van Mij. De zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren wordt ook wel Wezenzondag genoemd, waarbij de naam ontleend is aan deze belofte die de Heere Jezus aan Zijn leerlingen gaf. We hebben gevierd dat de Christus naar de hemel is gegaan om daar plaats te nemen aan de rechterhand van God. We kijken uit naar het Pinksterfeest, waarop we vieren dat die andere Trooster, die onze Heere aankondigt gekomen is. Deze zondag van vandaag valt er wat tussenin en daardoor kan al snel het gevoel ontstaan dat we nog wachten op de Heilige Geest. Zo voelt u dat misschien ook, dat u nog op iets wacht tot er iets in uw leven gebeurd, waarvan u kunt zeggen: dat is de Heilige Geest die in mij persoonlijk wordt uitgestort.
Vroeger dacht ik vooral dat deze zondag een zondag van gemis is: Christus is al weg
opgenomen in de hemel en de Geest is er nog niet. En ik dacht daarbij: zoals op deze zondag voel ik mij zo vaak. Christus ervaar ik niet, omdat Hij ver weg in de hemel is en niets overbrugt voor mij die afstand naar de hemel. Die gedachte herkent u wellicht ook wel en je zou daarbij willen dat het anders zou zijn, dat u wel iets van Hem zou ervaren.  Net of we wel verweesd achtergelaten zijn.
Toch is dat niet de bedoeling van deze zondag. Wezenzondag wil ons niet het gemis  onder de aandacht brengen, maar ons leren dat we bij ons gemis aan die ervaring van Christus niet moeten blijven, omdat Christus ons een belofte geeft, dat Hij ons niet alleen achter laat. Het moeilijke voor ons, is dat die belofte vaak tegen onze ervaring ingaat
en dat we daarom die belofte moeilijk kunnen geloven. Op deze zondag moeten we tegen elkaar zeggen: We zijn niet alleen. 
Christus vult Zijn belofte ook nog aan. Nadat Hij zegt, dat Hij ons niet alleen achter laat, zegt Hij ook nog: Ik kom terug. We mogen dus uitkijken naar Zijn komst. Hij blijft niet weg.
Is Hij trouwens wel weg?  IS Hij met de andere Trooster, die zal komen, de Heilige Geest, niet ook meegekomen? Is Hij door de Heilige Geest niet hier in ons midden aanwezig? Hier bij mij en bij u, waar u ook bent? Al bent u onderweg met de auto, of ligt u nog in bed,of bent u zich aan het klaarmaken voor deze dag, of al een tijdje op: De Heilige Geest kan ervoor zorgen dat Christus ook bij u komt, waar u nu ook bent. Dat is de troost, die de Geest kan geven: Hij kan ervoor zorgen dat u Christus wel ervaart. Dan maakt de Heilige Geest deze belofte van Christus ook voor u waar en komt Christus ook naar  persoonlijk terug.
 Als Christus zegt dat Hij weer zal komen, doelt Hij ook op een ander moment: Zijn Wederkomst. Op deze zondag na hemelvaart mogen we ook vooruitkijken naar dat moment, dat Christus hier weer op aarde verschijnt en ons tot Zich neemt. Tot die tijd zijn we niet alleen – al voelen we dat wel soms. We moeten dat misschien wel geregeld tegen elkaar zeggen, omdat we dat geloof zo makkelijk kwijtraken. Daarom is het zo bijzonder dat Christus ons de Heilige Geest heeft gegeven. De Geest die ons het geloof geeft, dat Christus zal komen en er nu al is. Hij sterkt ons in het geloof en helpt ons te zien, te ervaren, waar Christus nu in ons leven is. Zodat we de belofte van Christus uit eigen ervaring kunnen beamen: Inderdaad, we wij niet alleen achtergelaten. Hij is hier bij ons.

Meditatie EO-programma Groot Nieuws, 2 juni 2019

Meditatie zondag 16 juni 2019

Meditatie zondag 16 juni 2019
Handelingen 2:39

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Er zijn best wel wat mensen, die de stem van God wel eens zouden willen horen.
Of een teken zouden willen ontvangen, waardoor God het aan je laat weten:
Geloven is ook voor jou. Ook jij mag bij Mij horen.
Stel je hart maar voor Mij open.
Dat zou pas zekerheid geven, als je het van God hoort, door Zijn eigen stem,
doordat Hij het u laat weten door middel van een bijzonder teken of bijzondere gebeurtenis.

Vaak gaat het niet op die manier
en als je denkt dat het wel op die manier gaat, dan kun je zitten wachten,
totdat Gods stem komt, totdat je iets van Hem verneemt.
En blijf je in onzekerheid: Wil God wel, dat ik ga geloven?
Is dat wel voor mij weggelegd? Waarom gebeurt het bij mij niet?

De manier waarop God werkt is vaak een veel alledaagsere manier.
Iemand die iets tegen je zegt, zoals hier de woorden die Petrus tegen de menigte zegt:
De belofte waar ik over spreek, zegt Petrus, die is er ook voor u.
Dat mag u geloven.
De belofte gaat over de Heilige Geest, die wordt gestuurd, zodat u, zodat jij kunt geloven.
Hij maakt je hart open voor Christus, zodat Christus in je hart komt wonen.
De Geest neemt bij u alle bezwaren die er kunnen zijn uit de weg
zodat u geen enkel argument meer hebt om te zeggen: Ik kan U, Heere, niet toelaten.
De belofte waar Petrus over spreekt, is dat Christus ook voor jou, voor u is gestorven,
en dat je dat gewoon mag geloven.
Dat God je Vader wil zijn.
Hij zegt dat tegen de menigte, die op het tempelplein aanwezig zijn.
Via de Bijbel komen die woorden ook naar ons toe en zijn ze ook voor ons bedoeld.
Die belofte, waar ik over spreek, is ook voor jou, voor u.
Mag jij geloven.
En niet alleen jij, maar ook je kinderen en je kleinkinderen,
voor mensen die dichtbij wonen en ver weg zijn.
Mensen die dicht bij God leven, elke zondag naar de kerk gaan
en mensen die af en toe komen, of er nog nooit over hebben gehoord.
Die belofte is voor jou, voor u – zegt Petrus, ook tegen ons.

Je hoeft niet te wachten op een bijzondere gebeurtenis.
U hoeft niet te wachten tot u een keer de stem van God hoort,
Die tot u persoonlijk is gericht.
Want wat in de Bijbel staat, is voor u, voor jou persoonlijk bedoeld.
Je kunt zeggen: Ja, maar ik leef er niet naar.
Er moet eerst heel wat goed gemaakt worden.
Nou ja, de menigte in Jeruzalem stond er ook niet best op.
Ze hadden geroepen om de dood van Jezus,
van Jezus nota bene, van wie Petrus zegt dat je kon merken dat God door Hem werkte
dat Hij door God gestuurd is, dat Hij uit de dood is opgestaan
en dat Hij nu in de hemel bij Gods troon zit, één met God is en samen met GOd regeert.
En zij hadden Hem gekruisigd, geroepen om Zijn dood.
Zij waren er de aanleiding voor dat Jezus naar het kruis gebracht wordt.
De Zoon van God.
Ze dachten dat ze er goed aan deden.
Het raakt hen diep. Ze weten niet meer wat ze moeten: Heer, waar dan heen?
Tegen deze mensen, die beseffen wat ze hebben gedaan, zegt Petrus:
Want de belofte is voor u. Je kunt, je mag geloven.
Dat vraagt wel dat je breekt met het leven dat je leidt, dat je opnieuw begint met God,
en als teken daarvan je laat dopen,
dat je Christus vraagt of Hij in je leven komt.
Als de belofte voor hen, daar in Jeruzalem was,
als degenen die Jezus aan het kruis brachten mochten horen dat er voor hen vergeving is,
Dat zij opnieuw mogen beginnen,
dan is er voor u, voor jou geen enkele reden meer om te zeggen:
Ik sta er te ver van af. Ik met mijn leven, zoals ik ben, ik kan niet bij Hem horen.
Want de belofte komt u toe!
Vanuit Jeruzalem is die belofte de hele wereld overgegaan en ook hier gekomen.

Hebt u al iets met die belofte gaan?
Heb jij al geantwoord op die belofte door die belofte te geloven
dat ook jij de Heilige Geest mag ontvangen
en niet alleen maar geloven dat het mag en kan, maar dat je ook je hart voor Hem opende.
Of zijn de redenen om het niet te geloven te sterk?
OF je zou wel willen, maar je kunt het niet, je weet niet hoe,
of er iets nog iets, waardoor je nog niet in staat bent om je over te geven aan Christus.
Want het is niet niks, om je hart open te stellen, om Christus in je hart toe te laten.
Je kunt het gevoel hebben, dat je niet meer de regie over je eigen leven hebt.
Niet meer eigen baas bent en je wilt nog zo graag zelf bepalen.
Je weet niet wat het je gaat brengen, je kunt de gevolgen niet overzien
en daarom aarzel je: eerst moet ik meer zekerheid hebben over wat het me brengen zal.
Of je weet van jezelf dat je nog zo vast zit aan dat andere leven,
waar je je van los moet maken om bij Christus te horen.

Als Petrus spreekt over de belofte, bedoelt hij dat de Heilige Geest daarbij helpt.
Hij helpt je om vertrouwen te hebben in Gods leiding over je leven,
waardoor je de regie uit handen kunt geven en in Gods handen kunt leggen.
Wanneer je dat doet, ontdek je dat je niet alle regie kwijtraakt,
maar dat de Geest je helpt om keuzes te maken, om je leven op een goede manier te leven,
een verlangen om op Gods manier te leven.
Je helpt in vertrouwen te gaan, omdat je weet dat er Een is die je leven bestuurt
en dat de Heere, die je leven bestuurt, het beste met je voor heeft, je niet laat verdwalen,
je op een goede plek brengt.
Die Geest wordt ook aan jou, aan u beloofd.
Die belofte geldt voor u, die belofte komt jou toe.

Nu kun je bij een belofte, die door mensen gedaan worden, niet altijd vertrouwen
dat die belofte wordt nageleefd.
Ik las onlangs over een stel dat verkering had en een broertje van het meisje mee had
naar de kermis, een joods stel – het was een verhaal uit de jaren-’50.
Die jongen kwam op de kermis een tent tegen, waarbij hij een radio kon winnen.
Ze kenden de man niet die in de tent stond, maar ontdekten dat hij ook een Jood was,
Gevlucht uit Rusland.
Elke keer als hij gooide met dobbelstenen, kon hij punten verdienen.
Op een gegeven moment was hij door alle keren gooien heen.
De man van de kermistent gaf aan dat hij de radio nog kon winnen.
Voor elke worp die hij deed ging dan wel het bedrag met een dubbele omhoog.
Het broertje geloofde erin dat hij de radio kon winnen.
Hij gooide eerst van zijn eigen geld, maar dat raakte op, want met elke worp verdubbelde het bedrag dat ze moesten geven.
De jongen keek zijn zus en toekomstige zwager aan.
Uiteindelijk kreeg hij van hen geld.
Hij had al heel wat ingelegd.
Ze hadden nog geld voor één worp, maar de jongen hoefde maar weinig punten meer,
genoeg om de radio te kunnen winnen.
De jongen gooide en zag dat hij het juiste bedrag gegooid had,
maar de eigenaar veranderde de dobbelsteen, zodat hij kon zeggen,
dat de jongen de radio niet won.
Diep teleurgesteld ging de jongen naar huis.
Hij kreeg niet wat hem beloofd was, al had hij er recht op.

Als Petrus spreekt over de belofte van God bedoelt hij het tegenovergestelde.
Namelijk dat God betrouwbaar is, dat Hij geeft wat Hij belooft,
Dat Hij zijn belofte nakomt. Heel de bijbel staat vol met die belofte
en God maakt die belofte waar.
Want heel de Bijbel laat zien, dat God niets anders wil, dat het Gods grote verlangen is,
dat mensen in Hem gaan geloven, van Hem gaan houden, met Hem gaan leven.
Met dat doel geeft Hij die belofte, zodat ook jij, u, gaat geloven.
Dan word je ingeschreven, hoor je erbij, bij Gods volk:
Al ben je ver van God vandaan, ben je er niet mee opgevoed:
De Filistijn, de Tyriër, de Moren – ze zijn allemaal niet in Jeruzalem geboren.
Maar God telt ze erbij, door deze belofte – zo kan Hij ook u, jou erbij tellen, als je gelooft.
En op Zijn rol, waar Hij de volken schrijft,

Hen tellen, als in Isrel ingelijft,

En doen den naam van Sions kindren dragen.
Amen

Ademnood en vitaliteit

Ademnood en vitaliteit.
Terugblik op de predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond

In veel gemeenten binnen de Gereformeerde Bond zijn veranderingen aan de gang. De liturgie verandert: naast de Psalmen uit de Oude Berijming wordt nu gebruik gemaakt van Op Toonhoogte en Weerklank. Een misschien nog wel veel grotere verandering is dat het bezoek aan de kerkdienst terugloopt, zeker in de middag- of avonddienst. Omdat gemeenteleden overstappen naar een andere gemeente of het belang van kerkdienst niet meer inzien en makkelijker wegblijven. In veel gemeenten zijn ook spanningen rondom de koers van de gemeente. Of conflicten tussen gemeente en predikant.

Secularisatie?
Zijn dat tekenen dat de secularisatie nu ook in de kringen van de Gereformeerde Bond is aangekomen? Afgelopen donderdag en vrijdag was er door de Gereformeerde Bond daarom een conferentie belegd om ervaringen uit te wisselen en elkaar toe te rusten. We lazen ter voorbereiding een artikel uit 1996 over Godsverduistering en ademnood. Op de eerste dag werd Godsverduistering nog wel genoemd, maar ik kreeg de indruk dat het vooral de sfeer van de jaren-’80 opriep en dat daarom het woord niet door iedereen werd overgenomen. Het woord ademnood raakte wel meer een snaar. Al werd niet uitgelegd wat er met die ademnood werd bedoeld en kon iedereen zijn eigen ervaring er aan koppelen.

Kwetsbaar voor nostalgie
De opzet, waarbij er nogal eens teruggeblikt werd op de afgelopen decennia, maakte de aanpak kwetsbaar voor een vorm van nostalgie. Al werd ons voorgehouden dat het voor de Gereformeerde Bond nu echt tijd is om de secularisatie te gaan verwerken en de gevolgen niet weg te lakken onder een vroom vernis. Er werd teruggegrepen op de discussie dr. H. Berkhof – ds. G.  Boer, waarbij deze keer gezegd werd, dat ds. Boer het punt van Berkhof over de opkomende secularisatie niet aanvoelde.

Grote woorden
Om de tijd te duiden werd er een grote lijnen getrokken en grote woorden gebruikt. Persoonlijk had ik liever gezien dat navraag gedaan werd in hoeverre de verschijnselen die door godsdienstsociologen en cultuurfilosofen werd opgemerkt ook in de gemeenten spelen. Kun je er vanuit gaan dat die verschijnselen, zoals transcendentieverlies, onttovering van de wereld, natuurwetenschappelijk wereldbeeld echt ook impact hebben op de gemeenten? Er zullen gemeenten zijn, waarbij die effecten gemerkt worden.

Ongelijktijdigheid
Door mijn rol als voorzitter van de classis Hattem en betrokkenheid bij de Generale Raad van Advies heb ik gemerkt dat er een grote ongelijktijdigheid is: wat in de ene regio speelt, speelt in een andere regio helemaal niet. Sinds ik predikant ben iets ten oosten van het midden, valt mij op dat vanuit dit deel van het land (en ik vermoed dat het voor het noorden niet anders is) er een andere kijk op Nederland is. Ik krijg de indruk dat dit ook voor kerkelijk Nederland geldt. Ontwikkelingen in het oosten van Nederland zouden wel eens anders kunnen zijn dan in het westen.

Ik bedoel niet persé rooskleuriger: in de Achterhoek hebben de gemeenten het net zo moeilijk als in Noord-Holland. Toch is in bepaalde streken van het oosten God onderdeel van het dagelijks leven. Hij hoort er gewoon bij. Net als kerkgang. Al ga je zelf dan misschien niet meer, je ouders gaan nog wel. Al zijn je kinderen misschien niet meer gedoopt, ze gaan nog wel naar een christelijke basisschool. Mijn ervaring is dat in het oosten er nog volop een structuur is om naar de kerk terug te keren als je afgehaakt bent. In het westen van Nederland is die structuur voor een groot deel verdwenen, waardoor mensen die kerkgang weer op zouden willen pakken niet weten waar ze moeten beginnen.

Ademnood
In de afgelopen dagen heb ik me ook de vraag gesteld: wat zegt het over ons als predikanten dat we ademnood krijgen in deze tijd? In de lezingen en in de wandelgangen werd er vooral gekeken naar de cultuur die verandert en de gemeenteleden die zich door die veranderingen in de luren laten leggen. Een enkele collega gaf aan: die secularisatie werkt ook in mij. Houden we onszelf niet teveel buiten schot als we bepaalde ontwikkelingen in de cultuur en in de kerk duiden als ademnood of zelfs als Godsverduistering? We lazen een artikel van Herman Oevermans van tevoren, waardoor de toon eigenlijk al somber was ingezet.

Teveel menselijke zekerheid
Wat was er gebeurd als we een artikel gelezen hadden van A.A. van Ruler over God en de chaos? In dat artikel zegt Van Ruler, dat God onze zekerheden omver kan werpen omdat het menselijke zekerheden zijn. Zou er in de kerk in de afgelopen decennia ook niet teveel menselijke zekerheid zijn geweest? Bijvoorbeeld door te denken dat de secularisatie ons niet kan raken, omdat we de Schrift en de Belijdenis hebben, omdat we orthodox genoeg zijn? Is dat niet eerder een vorm van struisvogelpolitiek geweest? Waarom hebben we in onze kringen niet geleerd van de achteruitgang in gemeenten met een heel andere ligging? Waar was de betrokkenheid op de classis of in de werkgemeenschap op gemeenten, die het in de afgelopen decennia reeds zwaar te verduren hadden?

Niet op voorbereid
In de 12,5 jaar dat ik nu predikant ben, heb ik veel gepreekt in kleine gemeenten, waarbij de jongste kerkganger in de 60 was. Daarbij heb ik altijd het besef gehad, dat deze ontwikkeling ook in kringen van de Gereformeerde Bond zou kunnen komen. Wat me vooral als vraag bij bleef, is waarom zijn we daar niet op voorbereid?
Dat geldt ook voor mijzelf. Ik kwam uit het kerkelijke Veenendaal in Noord-Holland terecht, waar de kerk anders was. Dat gaf een grote cultuurschok, waar ik niet op voorbereid was. Daarnaast begon ik net na de fusie van de PKN, waardoor alle structuren eigenlijk zo goed als weg waren. Omdat ik net uit een andere kerk kwam, had ik ook niet zelf een netwerk waar ik op kon terugvallen. Dat gebrek aan netwerk en die cultuurschok waar ik niet op voorbereid was, deden mij enorm twijfelen.

Twijfel
Nu had ik al een enorme twijfel, maar die werd behoorlijk versterkt. Achteraf heb ik die twijfel leren duiden als eenzaamheid. Niet dat ik binnen de gemeente geen contact had. Gelukkig genoeg fijne contacten en ik heb er een mooie tijd gehad en veel beleefd. Het vrije paste me meer dan een strakke structuur in een plaats met vaste kerkelijke kaders, maar had ook duidelijke schaduwkanten voor mij.

Predikant in zo’n context
Wat mij in die tijd had kunnen helpen, was een duidelijke visie op de rol van predikant in zo’n context: bezig met de Schrift, sensitief voor de omgeving, serieus luisterend naar de aanvechtingen, maar toch ook een geloof dat het alles in Gods hand ligt en dat ik daar niet voor niets ben. Eugene Peterson had me kunnen helpen. Al leerde ik die later pas kennen. Monastieke gewoonten, zoals een gestructureerd geestelijk leven had me kunnen helpen: gewoon doorgaan, al stormt het in je hart vanwege alle aanvechtingen. Wat me ook had kunnen helpen is een visie op wat gemeente en liturgie: hoe kun je een kerkdienst houden als je met 10 – 20 mensen bij elkaar bent in een oude, monumentale kerk? Wat betekent dat voor het zingen en voor de preek? Hoe maak je kinderen vertrouwd met kerkliederen en psalmen als ze dat niet op school leren?

Zwaarmoedigheid als ongeloof
Een theoloog die mij in die tijd hielp was Christian Möller. Hij hielp mij om gewoon als predikant mijn taak te doen en de kerk, hoe klein ook, kerk te laten zijn. Hij hielp mij ook om kritisch naar mijzelf te kijken. Hij leerde mij, dat Schwermut scheert langs het ongeloof. Voor mijzelf heb ik geleerd dat zwaarmoedigheid zelfs ongeloof is: je vergeet dat er een God is die alle dingen nieuw kan maken. Ten diepste wantrouwen: je gelooft niet dat God het kan of zal doen. Een van de pijlers van het werk van Möller is de zondeleer en de vraag van Anselmus: besef je wel hoe ernstig de zonde is?

Van nature geneigd
Daarbij kijk je niet naar anderen maar naar jezelf. Je hebt anderen nodig, die je op de zonde in jezelf te wijzen, omdat je voor jezelf de schijn ophoudt dat je gelovig bent. Daardoor heb ik geleerd om de Catechismus op mijzelf toe te passen: Ik ben van nature geneigd om God en mijn gemeente te haten. Dat ik dat niet doe, is genade. Ik mag het ook niet doen, want dan komt de oude mens boven. Het moet een gevecht zijn als ik kritisch zou zijn op de gemeente om eerst naar mijzelf te kijken: kijk ik wel goed? Duid ik wel goed? Want als onze beste werken met zonde bevlekt zijn, geldt dat ook voor mijn duiding van de tijd en voor mijn kijk op de gemeente.

Verwachting dat God er zal zijn
In de loop van de jaren dat ik rondpreek heb ik een hoge waardering voor de kerk gekregen. Op onverwachte plekken komen mensen bij elkaar in verwachting dat God er ook zal zijn. Ik deed in Purmerend diensten in verzorgingstehuizen. Er waren er tien aanwezig, waarbij de jongste aanwezige 86 was. Als 28jarige predikant ging ik voor in die diensten op donderdagmiddag. Ik nam een cd met koormuziek mee, zodat de dienst niet afhankelijk was van de ielige stemmen. Bij een andere verzorgingstehuis kwam ik aan en bleek er op een rooms-katholieke viering gerekend te zijn. Er kwam echter geen pastoor, maar een predikant. De viering gebeurde toch maar op de katholieke manier. De hostie werd in de wijn gedoopt en uitgedeeld, waarbij ik zei tegen de aanwezigen: Dit is het lichaam van Christus voor u. In het rondpreken heb ik gemerkt, dat er zelden meer iemand uit gewoonte naar de kerk komt. Mensen die komen willen iets van God gewaarworden. In de liederen die ze zingen. In de preek die ze horen.

Op zoek naar gereformeerde bevinding
Sinds enige tijd ben ik bezig met K. Schilder, K.H. Miskotte en O. Noordmans. Schilder en Noordmans waren in hun tijd op zoek naar een gereformeerde bevinding, een eigentijdse gereformeerde mystiek. Ook Noordmans gaf aan, dat het niet meer op de traditionele manier kon en dat men weer moest beginnen bij de Schrift. Ik denk dat het eigen is aan gereformeerde bevinding: dat je steeds opnieuw moet beginnen. Geloof, Bijbel, aanwezigheid van God, bevinding – dat is niet iets dat je ‘hebt’, je moet het steeds ontvangen en zoeken. En vormen hebben, die dat zoeken vormgeven. Vormen die de aanvechting een plek geven, maar wel op zo’n manier dat je door die aanvechting groeit naar een tweede naïviteit. Ik ben nooit echt zonder twijfel geweest. Ik heb me geregeld afgevraagd waarom juist ik predikant moet worden. Soms denk ik dat het is juist omdat ik steeds besef dat ik het niet ‘heb’. Alleen heb ik wel moeten leren, dat ik daarin niet moet blijven steken. Dat is niet mijn roeping, niet mijn taak.

Ontzaglijk ruime wereld
Als ik mijn exegese doe, betreed ik in een ontzaglijk ruime wereld, waarin mijn hart niet altijd mee kan komen, maar waarin ik wel merk dat God daar is. Aanvechting heeft de neiging om je hart daarvoor te sluiten, maar wekt ook een sterk verlangen naar God. Vanuit de exegese, waar je soms net als Petrus, Johannes en Jakobus mag zien hoe Christus van gedaante verandert, moet je weer naar beneden, met je preek de gemeente in. Dat blijft wel behelpen. Want welke woorden kunnen weergeven wie Christus is?

Vitaliteit
Terugkijkend op de conferentie denk ik, dat voor mij in ieder geval aanvechting weer op de agenda staat. Samen met volharding. En zelfonderzoek. Al zijn die thema’s nooit echt weg geweest. En dan vooral: wat betekent het om als predikant, die de aanvechtingen kent, toch oog te blijven houden voor wat God in deze tijd doet? Welke vormen heb ik, die mijn aanvechting serieus nemen, maar ook weer verder leiden? Welke mensen zijn mij voorgegaan en gaan mij die weg mee? In de afgelopen jaren ben ik me steeds meer bewust geworden van de gereformeerde traditie, omdat die zowel de aanvechting en de volharding, als het zelfonderzoek en het oog voor de mensen, die God je geeft om je heen, leert.

Preek Tweede Pinksterdag 2019

Preek Tweede Pinksterdag 2019
Romeinen 8:18-30
Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil,
maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen.
Maar ze heeft ook hoop gekregen (Romeinen 8:20)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als Paulus spreekt over de schepping die onderworpen is aan de zinloosheid
hebben we daar in de afgelopen week een voorbeeld van kunnen zien:
De wind die opeens kwam opzetten, met sterke rukwinden, een korte, hevige storm.
Door die rukwinden werden verschillende bomen omver geblazen.
Op de radio vertelde een bomendeskundige dat er geen verschil was in bomen:
Er waren jonge bomen, die heel buigzaam zijn, omgeblazen.
Zowel gezonde als zieke bomen – de wind maakte geen verschil.
Er vielen oude, diepgewortelde bomen om, waarvan je mocht verwachten
Dat ze door de diepe wortels stevig in de grond stonden,
bomen die al heel wat stormen hadden doorstaan waren nu toch omgevallen.
De man op de radio vertelde dat het vooral de wind was, die de bomen deed sneuvelen:
Rukwinden die uit een onverwachte hoek kwamen,
Want bomen zijn in staat om stevige wind uit eenzelfde hoek op te vangen.
Maar als de wind uit verschillende hoeken om de boom heen stormt,
wordt de boom gegrepen en is het gedaan met de boom.
Een voorbeeld van de zinloosheid, waaraan de schepping onderworpen is,
Want de wind is niet geschapen om verwoestend huis te houden,
maar eerder een beschermende kracht,
zoals de aarde, God deze schiep, geen verwoestende krachten had,
maar een paradijs voor de mens was, een plek om samen te zijn met God,
de aarde vol van Gods heerlijkheid. Alleen maar goed, goed in Gods ogen.
Maar zo is de aarde niet meer.
De aarde is een plek die onderworpen is aan de zinloosheid.
Ze heeft niet meer het doel, die de Heere aan de aarde gegeven had bij de schepping.
Zoals de wind niet meer de schepping bewaart en beschermt of dient en verzorgt,
maar tekeer gaat, verwoestend is.
In die wind die tekeer gaat en vernielen kan
en ook in de bomen die omgewaaid zijn door die rukwind
is een stem te horen.
Heere, hoe lang zult u toekijken?
HEERE, verlos mijn ziel van hun verwoestende daden. (Ps. 35:17)
En zij riepen met luide stem: Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen? (Openbaring 6:10)

Niet alleen de natuur die lijdt door de schade die is aangericht,
maar ook dat deel van de natuur dat de schade aanricht
en niet anders meer kan dan verwoesting brengen,
omdat het in een macht gekomen is – zinloosheid, zegt Paulus, losgezongen van haar doel
Ook voor de natuur geldt:
Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. (Rom. 7:19)
Onderworpen aan de zinloosheid, zegt Paulus.
Het meest waarschijnlijke is dat het God is
die de rest van de schepping laat delen in het lot van de mensen
Die in het paradijs tegen Hem ingingen en zondigden en het kwaad binnenhaalden.
Dit zei God nadat Adam en Eva ter verantwoording werden geroepen:
Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan,
Zwoegen zul je om ervan te eten, je hele leven lang.
Dorens en distels zullen er groeien, toch moet je van zijn gewassen leven.

De aarde geeft niet meer, waarvoor God de aarde schiep
En de tuin is niet meer de tuin die God schiep, maar een wildernis,
waarin de dorens en de distels de groei van het koren bemoeilijken,
maar ook het bewerken van de akker moeizamer maken.
De schepping zucht en daarmee bedoelt Paulus:
ook het niet-menselijke deel van de schepping, zoals de bomen en planten,
de dieren op het land en in de zee, de vissen en de vogels,
het water, de wind, de aarde.
Ze zuchten omdat ze niet altijd meer doen waarvoor God ze geschapen hebben.

Wij hebben 3 konijnen.
Als ze languit liggen, soms tegen elkaar aan,
dan zie je iets terug van het oorspronkelijke scheppingsdoel.
Maar als je bij het hok komt om ze eten te geven, vallen ze elkaar aan en jagen elkaar op.
Ze gunnen elkaar het eten niet. Ze moeten dan even laten weten wie de baas is.
De schepping is aan de zinloosheid onderworpen.
Ze beantwoordt niet meer aan haar doel, ze zucht onder het juk dat God opgelegd heeft.
In alles, heel de schepping zucht er onder, van het kleinste diertje tot de hoogste berg.
Als de schepping, zucht roept het tot God: bevrijd ons ervan!
Met dat zuchten zegt de schepping: Het is niet onze schuld.
Wij hebben niet de keuze tegen God gemaakt.
Met dat zuchten houdt de schepping ons een spiegel voor:
Wat heb je gedaan, daar in het paradijs, met het leven en de vrijheid die je van God kreeg,
de Schepper die je het leven gaf, die een wereld maakte,
de mens als kroon op de schepping, de mens: beeld van God?
Als de schepping zucht onder de last die God oplegt door onze zonde en klaagt ons aan:
Heel Uw werk, door ons vertreden, klaagt ons mensheid aan bij U.
Er zijn momenten waarop je dat zuchten naast je neer kunt leggen.
Als je foto’s ziet van exotische oorden met witte stranden, een blauwgroene oceaan
en groene bossen op de achtergrond,
dan kun je dat zuchten wegstoppen
en hoef je niet naar de aanklacht te horen die in dat zuchten schuil gaat.
De zonde wil ook niet dat we die aanklacht horen en dat we gaan nadenken,
wil niet dat we onrustig worden en gaan verlangen naar een ander leven, een beter leven.
De zonde wil juist dat we gaan denken dat deze wereld best te doen is
en de tactiek van de zonde is om alle negatieve kanten weg te duwen,
dat zuchten te overstemmen met andere geluiden,
waarbij we zeggen dat deze wereld zo gek nog niet is.
In de afgelopen week zag ik een filmpje van een strand:
strandgasten die aan het zonnebaden waren, aan het zwemmen, volop plezier.
Het was een filmpje van het strand in Latakia, het westen van Syrië.
Dat filmpje werd gedeeld door mensen die het niet zo’n goed idee vonden
dat Syriërs deze kant op kwamen en gaven bij dat filmpje aan:
Als dit Syrië is, waarom vluchten ze dan naar Europa?
Als je zo kunt genieten in je eigen land,
dan heb je toch geen reden om een veilig heenkomen te zoeken in een ander werelddeel?
Wat er niet bij gezegd werd was dat er nog geen tientallen kilometers landinwaarts
gevangenissen staan waar tegenstanders van het regime wreed gemarteld worden.
Ook werd niet gemeld waar het filmpje vandaan kwam.
Het kan ook uit het Assad-kamp zijn: propaganda dat het leven goed is onder zijn bewind.
De schepping zucht om ons wakker te houden.
Om ons niet te doen vergeten dat het hier beneden nog niet is,
ook al kleden we het leven hier nog zo mooi in
en zijn we in staat om alle rampen en narigheid vakkundig weg te poetsen
en de schijn op te houden – de schepping zucht.
Het zuchten van de schepping is niet alleen een aanklacht, een verwijt,
maar ook de stem van een diep geloof,
zoals in alle klachten in de Bijbel, in de klaagliederen uit het Oude Testament bijvoorbeeld

geloof naar voren komt in God, die alles bestuurt.
Want al die klachten die in de psalmen verwoord worden
En het zuchten van de schepping waar Paulus over spreekt,
weten dat God er iets aan kan doen, kan ingrijpen, kan redden, kan bewaren.
Als God het juk van de zinloosheid op de schepping gelegd heeft,
kan Hij dat juk er ook weg nemen en de schepping bevrijden
en weer tot haar doel brengen.
En hoe de mensheid ook zich nestelt in deze aarde en tevreden is hier.
De schepping zucht om ons onrustig te maken
om de illusies die wij als mensen kunnen hebben door te denken dat het hier wel meevalt
te doorkruisen met hun roepen, met hun gezucht.
Het is niet een enkel onderdeel van de schepping dat zucht, maar de hele schepping.
De gebieden die te onherbergzaam zijn om te bewonen net zo goed
Als de plekken waar mensen naar toe gaan om hun vakantie te vieren.
De dieren net zo goed als de planten.
De schepping is één, één in het juk van de doelloosheid, maar ook één in verlangen.
Reikhalzend verlangen: op de uitkijk gaan staan om te zien of je er al iets van verneemt.
Op je tenen gaan staan, om te kijken of het al dichter bij komt.
Want waar veel mensen het wel best vinden, het leven zoals het is,
Weet de schepping dat er een andere tijd komt, een tijd van bevrijding,
een tijd waarin de schepping weer is, zoals God die bedoelde.
Het zuchten van de schepping is daarom niet alleen maar lijden, niet alleen maar aanklacht,
maar ook evangelie: verkondiging dat er door Christus redding is, ook voor de schepping.
De schepping gelooft in haar Schepper,
gelooft in Christus als de hersteller van de schepping, die de zonde wegdroeg,
Waardoor er een tijd zal komen, dat het niet meer nodig is
om te lijden onder die zinloosheid en vergankelijkheid.
Zo getuigt de schepping, die door ons toedoen te maken kreeg met vergankelijkheid,
aan ons mensen van het heil dat er zal komen:
jullie zullen aangenomen worden als kinderen van God,
jullie die in opstand waren en niets van God moesten weten worden weer kinderen van God.
De schepping weet dat er meer is dan de zonde
en van een God die sterker is dan de zonde
En die ook het lot dat de schepping heeft getroffen door de zonde kan wegnemen.
Die de genade heeft, de barmhartigheid ook, om opnieuw te beginnen
met de mensen en daarom ook met de schepping,
Want de schepping blijft Zijn schepping. Hij geeft niet prijs van Zijn hand begon.
De schepping heeft dat geloof blijkbaar uit zichzelf, dat God zal redden
en dat er een nieuwe tijd zal komen.
De schepping lijdt wel aan de vergankelijkheid, kreunt en zucht eronder,
maar is niet het geloof kwijtgeraakt en ziet zelf de hand van de schepper
En getuigt ondanks de sterfelijkheid en vergankelijkheid,
ondanks de neiging om het verkeerde te doen van de Schepper.

Voor ons mensen is het een ander verhaal.
Wij hebben daarvoor de Heilige Geest nodig.
De Geest maakt ons onrustig en doet ons verlangen naar een andere tijd
Waarin God weer bij ons mensen is en wij van Hem zijn.
De Geest wekt in ons een verlangen om los van de zonde te komen
En niet meer gevangen te zitten in die neiging om het verkeerde te doen,
om alleen maar aan onszelf te denken, om het goede dat er is voor onszelf te misbruiken.
Ook wij zuchten, zegt Paulus, onder de zonde, onder het lot dat ons getroffen heeft,
dat ook weer door onszelf over onszelf is afgeroepen.
Maar ook voor ons is dat niet het laatste woord. Het is met de zonde niet afgelopen.
Ook wij mogen weten van die nieuwe tijd, die er door Christus is gekomen en zal komen.
Door Christus die de last van de zonde droeg, het oordeel van God, aan het kruis.
De nieuwe tijd die niet alleen maar iets van de toekomst is.
Als voorbode van die nieuwe toekomst van bevrijding, van weer kind van God zijn,
hebben wij van God de Geest gekregen: een teken dat die andere tijd komt
en dat God ons in die andere tijd wil hebben, wil meenemen, wil redden, bevrijden.
De Geest die ons de ogen opent voor onze neiging om de zonde te geloven
en er in mee te gaan als de zonde de negatieve gevolgen camoufleert
en ons wil doen geloven dat het zo wel gaat
en dat er een nieuwe wereld niet nodig is, omdat deze oude wereld nog voldoet.
De Geest die ons de oren opent voor het zuchten van de schepping
en ons doet luisteren naar de aanklacht die daarin klinkt, het lijden door ons veroorzaakt,
maar die ons ook meeneemt naar de God
aan wie de verzuchtingen van de schepping zijn gericht
om daar bij God ook ons zuchten te brengen.
In dat zuchten van ons zit een gebed, waar we de woorden niet voor kunnen vinden.
We hebben er geen woorden voor om te reageren als de schepping ons aanklaagt,
omdat we niet weten waar we met onze schuld naar toe moeten.
Wij kunnen die zelf niet dragen.
Die schuld kan ons alleen maar afgenomen worden.
In ons zuchten verwoordt de Geest voor ons een gebed waarin we onze schuld erkennen
en waarin we een beroep doen op God: Red ons van onze schuld,
zodat we weer met de schepping samen kunnen leven en samen kunnen uitkijken
naar de toekomst die U zult brengen.
Wij weten niet wat we bidden moeten, zegt Paulus.
We zuchten, omdat we uit onszelf de weg naar God niet vinden.
Dan neemt de Geest ons mee, via onze verzuchtingen, en brengt ze bij God.
En dan weten wij niet wat we bidden moeten en kunnen we alleen maar verzuchten,
de Geest weet van ons zuchten een gebed te maken tot God.
Bij Paulus heeft dat niet-weten wat we moeten bidden wellicht ook te maken
met de zonde waardoor we de wil van God niet meer kennen.
Wij kunnen niet meer zo bidden, door de zonde, dat in ons gebed het niet gaat om ons,
maar om de wil van God. Uw wil geschiede.
Wij weten niet hoe de bevrijding er uit zal zien.
We kunnen ons er geen voorstelling van maken, omdat we alleen deze wereld kennen.
Dit is de wereld waarin we leven.
Wat we erover weten, hebben we uit Gods mond gehoord, gelezen in de Bijbel.
We kunnen daar alleen maar over dagdromen in geloof.
Hoop noemt Paulus het: je kunt je er geen voorstelling van maken,
onze beperkte menselijke gedachten schieten tekort,
maar daarom is het nog wel waar, daarom komt die nieuwe tijd nog wel.
De tijd dat het juk van de schepping wordt afgenomen en ook wij als mensen bevrijd zijn,
samen met de schepping weer kinderen van God zijn en tot onze doel mogen komen.

Heer ons lot is in Uw handen
en het is uw hartewens,
naar uw beeld ons te veranderen
Jezus Christus, nieuwe mens.

Zie ons lijden, Heer, tezamen
met de ganse creatuur,
zie toch, hoe uw erfgenamen
zuchtend uitzien naar het uur,
dat zij ‘t juk mogen schudden
het vernederende juk
der vergeefsheid, ach wij bidden:
breek het stuk, Heer, breek het stuk.

Kom toch om de macht te breken
van de vorst der duisternis.
Geef dat de zege zeker is.
Amen