Preken op Goede Vrijdag (2): het risico van het isolement

Preken op Goede Vrijdag (2): het risico van het isolement

Preken op Goede Vrijdag is niet gemakkelijk. Een van de redenen daarvoor is dat de betekenis van het sterven van Jezus omstreden is. Een andere reden is dat Goede Vrijdag geïsoleerd wordt en daardoor verbonden wordt met verkeerde betekenissen.

Los van Pasen
Goede Vrijdag heeft het risico dat het losgekoppeld wordt van Pasen. Dat is onder andere te zien aan de opvoeringen van de Passionen van Bach. Rondom Pasen worden wel de Johannes- en de Matthäus-Passion geregeld uitgevoerd, maar niet het Osteroratorium van Bach.
Ook in de prediking bestaat het gevaar dat Goede Vrijdag losgekoppeld wordt van Pasen. Het lijden en het sterven van Christus staat centraal. Inclusief de daarbij horende stemmige gevoelens.
De evangeliën vertellen uitvoerig over de weg van het lijden, die Jezus gaat. De evangeliën zijn echter geschreven nà Pasen: na de ontmoeting met de opgestane Heer. De evangeliën zijn niet alleen een lijdensgeschiedenis met een uitvoerige inleiding (Martin Kähler), maar lopen allemaal uit op de verschijning van de Opgestane. Het kruis en de opstanding van Christus kunnen niet van elkaar worden losgekoppeld.
Dat betekent voor de prediking op Goede Vrijdag dat de preek niet mag blijven ‘hangen’ in stemmige gevoelens, maar reeds vooruitblikt op de opstanding. In het Nieuwe Testament krijgt het kruis immers de betekenis vanuit de opstanding. (Omgekeerd betekent dat voor de paasprediking, dat Degene die is opgewekt de Gekruisigde is. Ook Pasen kan niet losgekoppeld worden van Goede Vrijdag).

Los van de betekenis
Een ander risico is dat het sterven van Christus ontdaan wordt dan de betekenis, die de Schrift ons overlevert.
Dat het sterven van Christus losgekoppeld wordt van de betekenis, is op Goede Vrijdag geregeld te zien. Juist in de opvoeringen van de Passionen. Daarbij gaat het niet om het drama van Gods handelen, maar om de menselijke gevoelens en emoties die opgeroepen worden.
Historisch gezien is het sterven van Christus niet overgeleverd zonder de betekenis. De eerste berichten over het sterven stammen van Paulus. Zijn brieven zijn over het algemeen eerder geschreven dan de evangeliën. Maar ook de evangeliën vertellen het lijden en sterven niet vanwege biografische interesse in de historische Jezus, maar vanwege de betekenis die het sterven van Christus heeft.
De betekenis is dat Jezus gestorven is voor ons, in onze plaats. Zijn sterven betekende verzoening met God, omdat de zonde is weggedragen. Het sterven van Jezus is een offer. (En de opstanding van Christus geeft aan, dat God het offer van Zijn Zoon heeft aanvaard.)
Voor de prediking op Goede Vrijdag betekent dit, dat het sterven van Christus ook voor ons als gelovigen vandaag de dag betekenis heeft. De prediking mag dus niet blijven ‘hangen’ in het verleden, maar dient te laten zien dat het geheim van het kruis is dat de Redder gestorven is om ons (eeuwig) leven voor God te geven.
Dat betekent ook dat Goede Vrijdag niet slechts herinnering en gedenken is. Zoals het heilig avondmaal niet alleen herinneren en gedenken is, maar ook de bevestiging dat de opgestane Gekruisigde ook in het nu in ons midden is.
De loskoppeling heeft ook tot gevolg dat het kruis van Christus niet meer verbonden wordt met schuldbelijdenis en met rechtvaardiging van goddelozen.
 
Verbonden met verkeerde betekenissen
Het kruis van Christus is een offer, dat in onze plaats gebracht is. Een offer dat wij als mensen zelf niet konden brengen. Dat offer is uniek en dus met niets te vergelijken.
Vandaag de dag is juist het offerkarakter van de dood van Jezus omstreden. In plaats van een offer wordt het sterven van Jezus een symbool: het kruis van Jezus staat voor het lijden in deze wereld. Daarmee is het unieke karakter verloren gegaan, maar ook de betekenis. De boodschap wordt dan niet dat Christus voor ons de machten van de dood en de zonde heeft overwonnen en het oordeel heeft weggedragen. De betekenis van Goede Vrijdag wordt dan een herinneren van al het menselijk lijden op deze wereld. En de boodschap voor ons wordt dan dat wij opgeroepen worden om Jezus na te volgen in de weg die Hij ging. De bijbelse boodschap wordt omgedraaid: niet God handelt in Christus, maar wij handelen voor God. Daarmee is ook het bevrijdende karakter van het sterven van Christus verdwenen: het handelen van God aan ons. Niet God werkt in en aan ons, maar wij werken aan onszelf. Niet God vernieuwt ons, maar wij vernieuwen onszelf. Het kruis is geen offer, maar een bron van inspiratie.
 
Handelen van God
 Volgens de evangeliën zijn er twee manieren waarop mensen betrokken zijn: (1) in de verwerping en de bespotting van Christus, (2) in het op een afstand bekijken. Het kruis van Christus is allereerst handelen van God.
Uiteindelijk betekent de loskoppeling dat wij aan onszelf zijn overgeleverd. Gods handelen hebben wij verborgen achter ons eigen handelen. Daarmee redden wij het niet en gaan wij onder aan de last die wij niet kunnen dragen: namelijk de last dat wij zondaars zijn.

ds. M.J. Schuurman
 
N.a.v.: Herbert Breit, “Die christliche Rede am Karfreitag. Passionspredigt”, in: Klaus Dieter (Hg.), Festtage. Zur Praxis der christlichen Rede (München, 1975) 74-99.

Preken over de opstanding (1)

Gods handelen in onze werkelijkheid.
Preken over de opstanding van Christus met Karl Barth als raadgever

Elke zondag wordt de opstanding van Christus gevierd. Die dag wordt bepaald door de aanwezigheid van de opgestane. De kerk komt voort uit de openbaring van de Opgestane, die zichzelf bekendmaakte aan zijn leerlingen. Ook de gemeente die op de zondag bij elkaar komt, heeft in die openbaring haar oorsprong.

Voordat er gesproken is over de opstanding is de gemeente, die bij elkaar komt, belijdt de gemeente door die samenkomst reeds de opstanding van Christus.

Hermeneutische overwegingen
In de evangelieverhalen, waarin vertelt wordt over de opstanding van Christus, wordt de opstanding als zodanig niet verteld. Wat weergegeven wordt zijn de ontmoetingen met de levende Heer. Voor de gelovigen bleef Christus ook na zijn opstanding een bepaald geheim houden (Markus 16:8, Lukas 24:11).
Gaat het bij de opstanding van Christus over een gebeurtenis in onze werkelijkheid? Deze vraag is net zo oud als de gebeurtenis zelf (Lukas 24:11). Het karakter van deze gebeurtenis roept deze vraag uit zichzelf al op. In de moderniteit is deze vraag wel verscherpt. De discussie rondom de werkelijkheid van de opstanding heeft er toe bijgedragen dat onzinnige opvattingen over de opstanding bestreden konden worden.

1) De opwekking van Christus is uitsluitend Gods daad
Bij de opwekking van Christus uit de doden is elk menselijk handelen volledig verdwenen. Daarom is de opstanding van Christus uit de doden niet vergelijkbaar met enige andere gebeurtenis. De bijbelse verhalen spreken dus niet over het heden (waarin wij voor een opstanding zouden kunnen zorgen, zoals in moderne kringen wel wordt gepreekt), maar over de unieke gebeurtenis van Christus’ opstanding.
Bij de opstanding van Christus gaat het om bijzondere geschiedenis: heilsgeschiedenis. Deze gebeurtenis is slechts vergelijkbaar met de schepping aan het begin van de geschiedenis. Net zoals de schepping vindt ook de opstanding wel plaats in ruimte en tijd. Volgens Karl Barth heeft de opstanding ‘een historische rand’. Toch onttrekt de opstanding van Christus zich wezenlijk aan historische kritiek. Het benaderen van de opstanding met kritische methoden leidt slechts tot demontage en doet geen recht aan het geheimenisvolle karakter van deze gebeurtenis. De opstanding is een daad waarin God alleen handelt.
Dit inzicht heeft gevolgen voor het spreken over de opstanding van Christus. Een letterlijke uitleg is niet mogelijk. Daarmee wordt de opstanding van Christus gelijkgeschakeld aan andere historische gebeurtenissen en verliest de opstanding van Christus haar unieke karakter. Spreken over de opstanding kan dus niet op een univoke manier. Reeds de zin ‘Jezus leeft’ is als zodanig al een problematische manier van univook spreken: Jezus leeft na de opstanding niet als de (andere) mensen. Zelfs niet zoals Lazarus, die door Jezus uit de dood is opgewekt. Jezus leeft op een nieuwe, een eschatologische manier: zoals wij zullen leven na de komst van Christus.
Dit probleem wordt nogal eens vermeden door over te gaan naar ethische voorschriften (de paranese). De werkelijkheid van de opstanding moet dan in ons eigen leven worden voltrokken. De prediker zegt dan: ‘Opstanding gebeurt als wij…’

2) Een gebeurtenis in ruimte en tijd
De gebeurtenis van de opstanding is niet met kritische methoden te benaderen. Tegelijkertijd vond deze gebeurtenis wel plaats in ruimte en tijd, in onze eigen werkelijkheid. Anders zou de opstanding geen openbaring zijn. Theologen die moeite hebben met de werkelijkheid van de opstanding plaatsen de opstanding buiten onze werkelijkheid. De opstanding is dan mythologie. Dat bestrijdt Bukowski (op aangeven van Karl Barth): de opstanding vond wel degelijk plaats in onze werkelijkheid.
Equivook spreken over de opstanding (spreken alsof iets is gebeurd) is ook geen geschikte manier van spreken over de opstanding. Deze vorm van spreken kijkt vooral naar de symbolische betekenis van de opstandingsverhalen. In symbolische taal zouden de verhalen van de opstanding van Christus iets van algemene ervaring (desnoods in religieuze zin) uitdrukken.

3) Analoog spreken
Barth vermijdt zowel het univoke (de opstanding is gebeurd zoals andere historische gebeurtenissen) als het equivoke spreken (de historische werkelijkheid is niet van belang, alleen de symbolische betekenis).
Barth wil vasthouden dat de opstanding een daad van God in deze werkelijkheid was. Barth voegt een derde categorie toe: analoog spreken. Hij wil daarmee aangeven dat het onuitsprekelijke onder woorden wordt gebracht door middel van bekende woorden. In die voor ons bekende woorden wordt een verbinding gelegd met het mysterie. Die verbinding biedt God al aan, doordat Hij die bekende woorden in dienst van zijn openbaring neemt. In dit analoge spreken wordt niet alleen het geheimeniskarakter onder woorden gebracht, maar ook de concreetheid van Gods handelen in onze werkelijkheid.

4) En het lege graf dan?
Het lege graf valt niet te bewijzen, maar ook niet te ontkennen. De werkelijkheid van dat lege graf is wel van belang, want dat is basis van het geloof in Christus’ opstanding.

Homiletische overwegingen
Volgens Barth dient een preek over de opstanding van Christus het niveau te halen van een paaslied, bijvoorbeeld een lied van Paul Gerhardt. Daarnaast betekent spreken over de opstanding van Christus dat er teruggewezen wordt naar de Gekruisigde. Het is de Gekruisigde die is opgewekt. Door de opstanding valt over het kruis het licht van Gods overwinning op de machten van de dood.
In paasliederen wordt de aanvechting bezongen. Gerhardt geeft vaak aan, dat hij het zou moeten geloven (soll), dat Christus is opgestaan. Gerhardt leefde in een tijd van oorlogen, die Europa verscheurden. Tegelijkertijd verloor hij tijdens zijn leven zijn vrouw en 5 van zijn 6 kinderen. In zijn liederen komt geregeld voor, dat de overwinning er wel aankomt, maar dat het huidige leven nog wel gevangen kan zitten in de machten van de dood. Tegelijkertijd weet hij in geloof dat die machten gebroken zijn.

Tot slot geeft Bukowski nog een tip: preken over de opstanding kan ook gebeuren op basis van ‘vreemde teksten’, die iets van de werkelijkheid van de opstanding laten zien. Teksten, die het reeds en het nog niet beiden benadrukken.
Bijvoorbeeld: 2 Kor. 5: 1-2:  Wij weten dat wanneer onze aardse tent, het lichaam waarin wij wonen, wordt afgebroken, we van God een woning krijgen: een eeuwige, niet door mensenhanden gemaakte woning in de hemel. Wij zuchten in onze aardse tent en zouden willen dat onze hemelse woning er nu al over wordt aangetrokken.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Peter Bukowski, ‘Erwägungen zur Auferstehungspredigt auf dem Hintergrund der Theologie Karl Barths’, in: Idem, Predigt wahrnehmen. Homiletische Perspektive (1990) 173-190

Bukowski schreef zijn artikel op basis van:
Karl Barth, Kirchliche Dogmatik III/2 §47.1, IV/1 § 59.3.

Friedrich Mildenberger, Kleine Predigtlehre (1975).

Georg Hunsinger, ‘Jenseits von Literalität und Expressivität. Karl Barths hermeneutischer Realismus’, Evangelische Theologie 47 (1987) 151-165.

Evangelisatie onder moslims

Evangelisatie onder moslimsGemakkelijk is het werk niet. In veel Arabische landen is het niet toegestaan om openlijk als kerk bij elkaar te komen. Op bekering staat vaak een grote straf.

De Arabische Wereldzending wordt door onze gemeenten gesteund. Deze organisatie doet mooi en belangrijk werk onder de Arabieren. Zij brengen hen in contact met het evangelie van Jezus Christus.

Tentenmaker
Om toch het evangelie te kunnen uitdragen in deze gebieden, wordt vaak gekozen voor het principe van de tentenmaker. Degene die naar zo’n gebied gaat is geen zendeling, maar oefent een ‘gewoon’ beroep uit: arts, schilder, bedrijfskundige, landbouwkundige. In hun vrije tijd dragen deze mensen bij aan de opbouw van een gemeente. Door de collegiale contacten kunnen deze uitgezonden medewerkers gemakkelijk spreken over het geloof.

Huis Hagar
Ook doet de organisatie veel aan medische zending. Dat betekent dat de organisatie veel doet aan medisch werk en de contacten die daaruit ontstaan, gebruikt om te vertellen over het geloof. Zo is in de Palestijnse stad Nabloes (het Bijbelse Sichem) een thuiszorgwinkel. Deze thuiszorgwinkel heet Hagar.
De mensen die deze thuiszorgwinkel bezoeken, kunnen in aanraking komen met het christelijk geloof. De naam alleen al kan leiden tot hele gesprekken over het geloof. De medewerkers krijgen de mogelijkheid het bijbelse verhaal over Hagar te vertellen. In dat verhaal is er ook een zegen voor Ismaël, de zoon die door Abraham weggestuurd werd. Ismaël wordt door de Arabieren als hun stamvader gezien. De God van Abraham, Izaäk en Jacob had ook een zegen voor Ismaël.

Op zoek naar het christelijk geloof
Er kunnen vele redenen zijn om op zoek te gaan naar het christelijk geloof. Soms gebeurt dat door visioenen. Zonder dat moslims ook maar iets hebben gehoord over Christus, verschijnt Hij aan hen in een visioen. Dat visioen is dan een reden om op zoek te gaan naar Christus.
Daarnaast zijn ook de aanslagen van 11 september 2001 een reden om op zoek te gaan naar het christelijk geloof. Veel moslims verafschuwen wat er toen is gebeurd. Hun ogen zijn opengegaan: de islam is helemaal geen vreedzame godsdienst. Teleurgesteld in de islam gaan zij op zoek naar een geloof dat wel echt vreedzaam is. Na deze aanslagen is de kerk in veel landen verdubbeld.
In veel landen waar de islam in de meerderheid is, is onderdrukking en een dictatuur. Door die onderdrukking raken veel moslims teleurgesteld in het geloof. Veel moslims in het Westen staan daarom open voor het christelijk geloof.

Multimedia
Hoe ga je dan op zoek naar dat christelijk geloof? Hoe kom je als Arabier in aanraking met Christus? De Arabische Wereldzending stuurt niet alleen mensen naar de Arabische landen toe. De stichting maakt ook gebruik van internet en satelliet-tv.
Op de website www.maarifa.org is veel informatie te vinden voor Arabieren die geïnteresseerd zijn in het christelijk geloof. Ook het Arabische Nieuwe Testament kan hier van internet afgehaald worden.
Daarnaast maakt de organisatie veel materiaal voor televisie: programma’s voor (christelijke) opvoeding, soapseries in Arabische stijl waarin christelijke waarden en normen doorklinken. Onlangs is er een speelfilm gemaakt over Saulus op weg naar Damaskus. Veel Arabieren die christen zijn geworden, hebben op dezelfde manier als Saulus de Here Jezus leren kennen.

Wij & moslims
Dit klinkt allemaal ver weg. Wij wonen niet in een Arabisch land. Wat kunnen wij doen om moslims in contact te brengen met het evangelie?
Ook in Nederland wonen er veel moslims. De eerste reactie is misschien angst: is die moslim geen radicale moslim? Willen de moslims stiekem niet de macht in Nederland overnemen?
Angst is echter geen goede basis om moslims over de Here Jezus te vertellen. Wie overtuigd is van de waarheid in Christus hoeft niet bang te zijn voor moslims. Moslims zijn religieuze mensen en praten graag over het geloof. Ze zijn vaak ook erg benieuwd naar het christelijk geloof. Maar dan moeten wij wel weten wat wij geloven en het gesprek over Christus aandurven.

Tips
Moslims die tot geloof gekomen zijn in de Here Jezus hadden meestal christelijke vrienden. Een goed contact is van belang.

  • Stap eens naar een Marokkaanse collega toe als het ramadan is en vraag naar zijn beleving. Vertel dan wat je zelf doet voor de Here.
  • Ga naar een Turkse of een Marokkaanse winkelier toe. Koop niet alleen spullen bij hem, maar begin ook een praatje. Vraag hoe het met de familie gaat. Wees nieuwsgierig naar zijn cultuur.
  • Nodig Afghaanse buren of collega’s eens uit om te eten. Schroom dan niet om te bidden en bijbel te lezen. (Bedenk wel: de bijbel is een heilig boek. Die mag niet vies worden.)

En dan tot slot de vraag, die op de gemeenteavond af en toe langskwam: Wat doen wij als plaatselijke gemeenten om moslims in aanraking te brengen met Christus?Ds. M.J. Schuurman

Geschreven voor De Kerk thuis. (verslag van de gemeenteavond van 24 maart 2010)

Voor meer tips:

Wees niet al te rechtvaardig (Exegese van Prediker 7:15-18)

Wees niet al te rechtvaardig (Exegese van Prediker 7:15-18)

Het bijbelboek Prediker staat bekend om zijn ironie. Deze ironie is ontstaan vanuit een bepaalde levenservaring. Alles is leegte (1:2). Gaat die ironie zover, dat de Prediker ook in tegenspraak met wat er in de rest van de bijbel voorkomt?

Wijsheid en rechtvaardigheid zijn immers (karakter)eigenschappen die bij een gelovige horen? In het bijbelboek Spreuken wordt de gelovige toch opgeroepen om wijs en rechtvaardig te zijn (en niet dwaas)?

In de exegese komt men hier niet altijd uit. De een zegt dat Prediker hier doorschiet in zijn ironie. Andere ontkomen er niet aan om in vers 18 een latere toevoeging te zien: door de vreze des Heren in te voegen, krijgt de tekst toch nog een acceptabele betekenis.

Om de tekst te begrijpen, is het zinvol om te kijken in welke tijd het bijbelboek Prediker geschreven is. Tegenwoordig gaan veel geleerden gaan ervan uit, dat Prediker niet door Salomo geschreven is, maar ontstaan is in de 3e eeuw voor Christus. Al deelt niet iedereen deze conclusie.
Bekend is dat in de 3e eeuw voor Christus de Griekse cultuur bekend wordt in Palestina. Hellenisering wordt dit proces genoemd. Bepaalde Joodse stromingen nemen de Griekse manier van denken over. Of men probeert het Joodse geloof van die tijd zo weer te geven, dat dit voor Grieken ook acceptabel is. Dit deed bijvoorbeeld Philo van Alexandrië, die in de tijd van Jezus leefde.
De overname van de Griekse denkwijze riep ook verzet. Er waren Joodse stromingen die vonden dat op die manier het Joodse geloof verloochend werd.
Er was in die tijd dus een tegenstelling tussen groepering die naar vernieuwing streefden (door overname van de Griekse cultuur). En een groepering die de in hun ogen oorspronkelijke Joodse tradities, zoals die in de torah beschreven zijn, wilde bewaren.
Mogelijk dat deze tegenstelling tussen de vernieuwende groep en de behoudende groep met Prediker 7 heeft te maken. Wanneer gezegd wordt om niet al te rechtvaardig te zijn, zou het wel eens kunnen betekenen dat de torah niet al te stipt gehanteerd moest worden. Ook met zo’n stipte vroomheid kan onheil je overkomen. Je moet echter ook niet klakkeloos de Griekse cultuur overnemen. Dan ben je onrechtvaardig of dwaas.
Prediker pleit voor een derde weg: de vreze des Heren. Het dienen van de Here bewaart je voor beide extremen. Mocht deze uitleg kloppen, wordt het wel spannend hoe wat dat vandaag de dag in praktijk brengen. Op welke manier kunnen we te bijbelgetrouw zijn? Op welke manier kunnen we teveel van de cultuur overnemen? Op welke manier kan de derde weg, de vreze des Heren, ons vandaag de dag behoeden voor beide extremen? Een belangrijke vraag voor de hedendaagse christelijke ethiek, lijkt mij.

ds. M.J. Schuurman

Geschreven voor Maandblad Réveil

Herwaardering van de schuldbelijdenis

Herwaardering van de schuldbelijdenis

Verdwijnen van de schuldbelijdenis (biecht)
Volgens Gestrich heeft het verdwijnen van de biecht met bepaalde ontwikkelingen te maken. Het Piëtisme (een Duitse stroming in de kerk in de 17e eeuw) wilde af van de verplichting. Een waarachtig geloof heeft geen verplichtingen nodig en weet van uit zichzelf wanneer een schuldbelijdenis nodig is.
Daarnaast zijn mensen vandaag de dag niet meer gewend om de schuld van iets voor zichzelf te accepteren. Ze zullen eerder anderen of bepaalde instituties de schuld geven.
In de Middeleeuwen was biechten gewoon. De reden voor de biecht was de angst voor straf in het leven na de dood. Vandaag de dag gelooft men niet meer in een straf in het hiernamaals (bijvoorbeeld de hel). De angst hiervoor is dus verdwenen en daarmee ook de noodzaak tot beiechten.

In 1993 voerde de Duitse dogmaticus een pleidooi voor ‘een vernieuwing van de evangelische cultuur van omgaan met schuld’. Omdat naar mijn idee dit pleidooi niets aan actualiteit heeft verloren, hierbij een samenvatting. Ik las dit artikel overigens ter voorbereiding op een preek over de verloochening van Petrus.

De achtergrond van de schuldbelijdenis
De schuldbelijdenis is niet zomaar ontstaan. In Mattheüs 16 wordt aan de kerk de sleutels van het hemelrijk gegeven. De kerk mag de zonden vergeven.
Volgens Dietrich Bonhoeffer, die voorstander was van de schuldbelijdenis, is de schuldbelijdenis verbonden aan wat de kerk in wezen is. Een gemeenschap op basis van de verzoening in Christus. Wanneer de Gekruisigde ons aanspreekt, zal de behoefte er zijn om de eigen schuld te belijden.
De schuldbelijdenis wordt niet gepraktiseerd om verlost te raken van de schuld. Eerder is het omgekeerd: omdat we horen over de vergeving in Christus, kunnen we komen tot een schuldbelijdenis.
Schuldbelijdenis is er niet om een genadig God te vinden, maar omdat we God ontdekken als de genadige God kunnen we onze schuld belijden. Vergeving is geen resultaat van de schuldbelijdenis, maar een veronderstelling.
De schuldbelijdenis gebeurt dan ook niet uit angst voor God of uit angst voor straf. Nee, de schuldbelijdenis vindt plaats vanuit de ontdekken dat God barmhartig en genadig is (Psalm 103). De schuldbelijdenis is niet bedoeld om ons verder te laten wegzinken in onze schuld, maar om gewezen te worden op het kruis van Christus.

De schuldbelijdenis in de kerkdienst
Predikanten denken over de schuldbelijdenis vaak na in het kader van de eredienst. Volgens Gestrich gaat het daarbij om 3 vragen:
(1) Op welke plaats in de eredienst komt de schuldbelijdenis? De plaats ligt nog niet vast. Zelfs een schuldbelijdenis na de preek is mogelijk.
(2) In welke vorm vindt de schuldbelijdenis plaats? Een schuldbelijdenis dient zo geformuleerd te worden, dat gemeenteleden deze kunnen meemaken. Dat betekent dat de schuldbelijdenis niet te concreet moet worden. Bij een concrete schuldbelijdenis is het goed dat deze wordt voorbereid of aangekondigd, zodat gemeenteleden hierdoor niet overvallen worden.
(3) Is de schuldbelijdenis een noodzakelijke voorwaarde voor deelname aan het avondmaal? De schuldbelijdenis is niet noodzakelijk gekoppeld aan de avondmaalsviering. Avondmaal kan ook gevierd worden vanuit de belofte van vergeving. Pastoraal gezien is het verstandig om niet onvoorbereid deel te nemen. Het gaat immers om de gemeenschap met Christus. Dat heeft gevolgen voor de onderlinge verhoudingen.
Bij het avondmaal gaat het om het geloof, dat instemt met de betekenis van het offer van Christus voor mij.
In de eredienst wordt ook gepredikt. In de reformatorische traditie is de preek verbonden aan schuldbelijdenis en de belofte van vergeving. De preek is echter wel te onderscheiden van schuldbelijdenis of biecht. Bij een persoonlijke schuldbelijdenis is het beter die in een persoonlijk gesprek te doen. Dat hoeft niet alleen bij een predikant. In de reformatorische traditie kunnen ook gewone gemeenteleden een schuldbelijdenis aanhoren en de belofte van vergeving uitspreken.

Pedagogisch belang van de biecht
De schuldbelijdenis opent het leven van de gelovige weer tot God. Vanuit het vertrouwen dat God vergeeft. Schuld belijden betekent niet dat iemand vertelt hoe de situatie ervoor staat. Schuld belijden betekent dat iemand daartoe in staat is, omdat hij de genadige God heeft leren kennen. De schuldbelijdenis herinnert mij eraan dat ik gedoopt ben. Schuldbelijdenis is de wederopstanding van de (gevallen) christen. De gelovige kan weer leven vanuit de Geest van Christus. Een schuld kan alleen op christelijke wijze beleden worden als de bedoeling is dat de zondaar weer opstaat tot een nieuw leven. Wanneer het opgericht worden door het evangelie ontbreekt, is het geen christelijke vorm.
Wat brengt mij ertoe om schuld te belijden? De wet? Volgens Gestrich is niet de wet als eerste, maar het evangelie overtuigt mij van mijn zonde. De wet laat mij bovendien aan mijzelf overgeleverd, terwijl het evangelie reeds mij in aanraking heeft gebracht met Christus en Zijn verzoening.

ds. M.J. Schuurman

Zie ook: https://mjschuurman.wordpress.com/2010/02/11/de-biecht-schuld-belijden-voor-gods-aangezicht-kans-om-opnieuw-te-beginnen/

N.a.v.: Christoph Gestrich, ‘Ist die Beichte erneuerungsfähig?’ (1993), in: Idem, Peccatum – Studien zur Sündenlehre (Mohr Siebeck, 2003) 151-162.

De gedachten van Dietrich Bonhoeffer  over de biecht zijn opgenomen in zijn Gemeinsames Leben. DBW 5 (1989).

Zie voor een ander pleidooi voor de biecht: http://www.velkd.de/1006.php

Verloochening van Petrus

Verloochening van Petrus (Mattheüs 26: 58, 69-75)

De verloochening van Petrus is bewust verbonden met het verhoor van Jezus voor het sanhedrin. Terwijl de evangelist vertelt hoe Jezus ondervraagd gaat worden, vertelt hij ook dat Petrus meegekomen is. De gelijktijdigheid van de beide gebeurtenissen (ondervraging van Jezus en verloochening door Petrus) is volgens de evangelist dus van belang.

In vers 58 wordt verteld hoe Petrus Jezus navolgt. Een woord dat discipelschap aangeeft. Probeert Petrus een echte discipel te zijn? Een discipel, die bereid is zijn leven te verliezen (vgl. Mattheüs 16:24-35)? Voelt hij nog steeds de roeping? Of klopt, wat Joachim Gnilka zegt: dit is geen echte navolging?

Met Jezus
Petrus gaat het paleis van de hogepriester binnen. Een waagstuk. In eerste instantie is Petrus dus bereid om het gevaar op te zoeken. Eén van degenen die met Jezus was had immers het oor van een dienaar van de hogepriester afgeslagen? Was het Petrus? Mattheüs vertelt niet wie het heeft gedaan.
De evangelist voert de spanning op: Petrus gaat tussen (meta) de knechten zitten. Slechts een moment geleden bevond hij zich tussen de volgelingen van Jezus. Was hij iemand die met (meta) Jezus was. Straks zal hij daarmee geconfronteerd worden: was jij ook niet iemand die met (meta) Jezus was? Die zich tussen zijn volgelingen bevond?

Het einde
Waarom gaat Petrus eigenlijk het paleis binnen? Om het einde (to telos) te zien.
Betekent dat, zoals de Naardense Bijbel vertaald: om te zien hoe het afloopt? ‘Telos’ heeft meerdere betekenissen: einde, maar ook doel. De vertaling van de Naardense Bijbel ziet over het hoofd, dat de evangelist teruggrijpt op een eerdere uitspraak van Jezus: wie volhardt tot het einde (telos, Mattheüs 10:22).
In de manier van vertellen wordt al vooruitgegrepen op de verloochening. Nogmaals: in eerste instantie wil Petrus Jezus navolgen en volharden tot het einde.

De Zoon des mensen
Dan gaat de blik weer naar Jezus toe. Hij wordt verhoord. De confrontatie tussen Jezus en de hogepriester zet de verloochening van Petrus nog meer op scherp. Jezus maakt zich bekend als de Zoon des mensen, die aan Gods rechterhand is gezeten en die komt met Zijn oordeel. Jezus had gezegd: wie de Zoon des mensen verloochent, diegene zal door de Zoon des mensen in het oordeel worden verloochend. Tegen degene die verloochent zal de Zoon des mensen zeggen: ‘Ik ken u niet. Ga weg van Mij!’
In de ogen van het sanhedrin wordt Jezus ontmaskerd als valse profeet. Zij hebben geen beschuldiging meer nodig. Ben Witherington ziet hier de scherpe ironie van in: Jezus wordt gezien als valse profeet, maar Zijn profetie over Petrus komt uit (zie vers 75).

Pilgrim’s regress
In het oordeel zal de Zoon des mensen degenen die Hem verloochenen van Zich verwijderen. Petrus doet dat hier uit zichzelf al. ‘Onze evangelist portretteert Petrus, terwijl hij bezig is met de pilgrim’s regress. Deze verwijdering is zowel fysiek als moreel,’ aldus Witherington. Petrus is namelijk het paleis uitgegaan, de tuin in. Steeds verder zal hij van Jezus verwijderd raken. Door zijn uitspraken, maar ook doordat hij echt bij Jezus weggaat.
In de tuin wordt Petrus aangesproken door een dienstmeisje. Dat meisje komt naar hem toe en zegt: ‘Ook ú was met (meta) hem, met die Jezus uit Galilea.’ Dit meisje ziet in Jezus geen messias, maar een politieke onruststoker. Iemand uit Galilea, die zich afkeert van de politiek in Jeruzalem, een oproerkraaier.
Waarom wordt Petrus herkend? Wordt hij gezien als degene die het oor van de dienaar van de hogepriester heeft afgehakt. Dan is hij in het hol van de leeuw. Tussen de vrienden en collega’s van die knecht.

Verloochening
Petrus distantieert zich. Nog niet vol overtuiging. Als Galileeër kan hij de uitspraak van dit meisje ook verkeerd hebben verstaan: ‘Ik weet niet wat je zegt.’ Om zich te redden, ontkent hij het niet alleen naar het meisje, maar tegenover (emprosthen) iedereen. Zonder zich er wellicht bewust van te zijn, refereert Petrus aan de verkondiging van Jezus. Jezus verzette zich tegen mensen die bepaald gedrag lieten zien om door anderen gezien te worden. Die mensen deden zulk gedrag niet tegenover God, maar tegenover (emprosthen) de mensen. Jezus heeft ook gesproken over het belijden van Zijn naam tegenover (emprosthen) de mensen (10:32).
Petrus afwijzing van Jezus is niet overtuigend. Het is eerder omgekeerd. Hij trekt de aandacht. Terwijl hij naar buiten gaat (dus verder van Jezus vandaan), komt er weer iemand op hem af en zegt tegen de aanwezigen: ‘Deze was met die Nazoreeër.’ De man gebruikt de messiaanse titel, waarmee sommigen Jezus aanduidden.
Zowel in de beschuldigingen als in de ontkenning van Petrus is er een climax. In de beschuldigingen wordt steeds meer de messianiteit van Jezus tot uitdrukking gebracht. Ondertussen distantieert Petrus zich steeds meer van Jezus.
Hij zegt het met een eed: ‘Ik ken die mens niet.’ Jezus wordt in het Evangelie van Mattheüs nergens anders als die mens aangesproken. Hij is niet zomaar een mens, maar de Zoon des mensen. Tegelijkertijd is het een zeer krachtige ontkenning. Ook de hemelse Vader kan zich op deze manier van mensen distantiëren: ‘Ik ken die mens niet!’ (25:12) Witherington zegt hierover: ‘Terwijl Petrus dus druk is met het ontkennen en aangeeft dat hij Jezus zelfs niet kènt, bevestigt Jezus zijn eigen identiteit. Het is iets verschrikkelijks voor Petrus om op deze manier te zweren bij God, terwijl hij aangeeft dat hij Gods Zoon niet kent.’
Petrus komt er niet vanaf. Deze keer is het zijn uitspraak, die hem verraadt. Als Petrus er niet van afkomt, plaatst hij zichzelf onder een vloek. Wat de inhoud van die vloek is wordt niet gezegd maar laat zich wel raden: ‘God moge mij doen … indien ik deze Jezus ken.’
Daarop kraait de haan. Petrus gaat nog verder weg. Hij heeft zelf de band met Jezus doorgesneden. Bitter bedroefd gaat hij naar buiten. Er is geen weg meer terug. Hoe moet dat in het oordeel? Hij zal tot de bokken worden gerekend en door de engelen worden verwijderd.

Open einde
Hier eindigt voor Petrus zijn verhaal. Zonder de Zoon des mensen. Toen Petrus door de golven zakte, riep hij tot Jezus en werd gered. Nu is er geen redden meer aan. Hij kan niet meer roepen tot Jezus. Hij is bitter bedroefd. Hij heeft geen adres meer, waar hij met zijn schuld heen kan. Hij is aan zichzelf overgelaten.
Is er nog een terugweg mogelijk? Het evangelie van Mattheüs vertelt het niet. In het Evangelie van Mattheüs heeft het verhaal van Petrus een open einde. Zijn verloochening staat onder de spanning, onder de ernst van het oordeel. Kan hij het oordeel nog ontlopen?

Dat Petrus weer is opgenomen, vertellen andere evangeliën. Hooguit kan de positieve uitspraak van Jezus over Petrus (Mt. 16) een indicatie zijn dat Petrus weer opgenomen is. Vanuit Mattheüs weten we daar niets over.
Petrus gaat niet zover als Judas, die er zelf een einde aan maakt.
Petrus is aangewezen op de gunst van de Zoon des mensen. Zal de Zoon des mensen nu Petrus ook verloochenen?

Plaatsvervanging
De enige aanknoping die we naar mijn idee hebben is dat het verhaal van Jezus wel verder gaat. Waar Petrus’ verhaal ten einde loopt, neemt Jezus het over. In plaats van Petrus sterft Jezus. Zo brengt Jezus de profetie tot vervulling: om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem (…) de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. (Jesaja 53: 5, 6)
Het Evangelie van Mattheüs vertelt dus de plaatsvervanging. De verzoening wordt niet geponeerd, maar geïllustreerd.
Het is dus waar, wat er over Jezus werd gezegd bij Zijn geboorte: dat Hij zijn volk zal redden van hun zonde (1:21). Waar de discipel ontkent met Jezus te zijn geweest en zegt niet tussen Jezus’ aanhangers te hebben verkeerd, brengt Jezus God weer temidden van Zijn volk.

Ds. M.J. Schuurman