Preek Pasen 2011

Preek Pasen 2011
Jezus leeft – en Zijn stem roept ook ons tot leven
Johannes 20:1-18

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Als wij ’s morgens vroeg op weg gaan, hoeven wij niet te zoeken naar de weg. De weg is vaak verlicht door de straatverlichting en ook de auto of de fiets heeft verlichting. Met behulp van de verlichting kunnen wij in het donker de weg vinden.
Maria gaat in het donker op weg naar het graf. Al zoekend en tastend moest ze haar weg vinden. In het duister, waarin ze niets kon zien, moest ze de weg vinden naar het graf. Terwijl ze die weg niet kende. Ze liep in het donker door die tuin, waar ze nog niet eerder was geweest. Met haar handen voor haar uit voelde ze of ze niet tegen een boom op liep of in de takken van een struik terechtkwam. Met haar voeten voelde ze, voorzichtig, hoe de weg liep naar het graf, waar Jozef van Arimathea en Nicodemus Jezus in alle haast hadden neergelegd. Veel tijd hadden ze niet meer, omdat het bijna het grote feest was, Pasen. Waar veel mensen uit de hele wereld naar Jeruzalem waren gekomen. Voor haar, voor Maria, was het geen feest. Ze wilde dat het feest zo snel mogelijk voorbij was. In haar hart was ze te verdrietig om van het feest te genieten. In haar hoofd was ze alleen maar bezig met wat Nicodemus en Jozef van Arimethea haar vertelden: hoe ze Jezus hadden begraven. Het moest snel gebeuren. Het lichaam van iemand die aan het kruis gehangen had, moest nog dezelfde dag worden begraven, want anders zou het lichaam onrein worden. Dat hield in, dat er geen begrafenis meer mogelijk zou zijn. Maar toch, Jezus kreeg een waardige begrafenis. Ze begroeven hem zoals een koning begraven zou worden. Ze balsemden het lichaam, zodat het lichaam nog lang bewaard zou kunnen worden. De mensen zouden nog lang naar het graf van Jezus kunnen gaan. Als iemand ziek was, kon hij naar het graf gaan, in de hoop dat Jezus ook na zijn dood nog voor genezing zou zorgen.
Maria had graag de volgende dag gegaan, maar dat kon niet. Het was sabbat. Dat hield haar tegen om naar het graf van Jezus te gaan. Maar zodra de sabbat voorbij was, kon zij het niet houden. De dag na de begrafenis was voor haar niet gemakkelijk gehad. Want Jezus was voor haar bijzonder geweest. Hij had haar bevrijd van duivelen, die haar leven beheersten. Als zij naar het graf ging, kon zij misschien niet zijn bescherming merken. Dan bleven de duivelen, die haar eerst bezeten hadden, op een afstand. Ze durfden dan niet naar haar toe te gaan, omdat zij nog bij Jezus hoorde. Nog na zijn dood straalde de macht op haar af en was zij beschermd. De dag van de sabbat was zij onrustig geweest, bang en kwetsbaar, ze voelde zich onbeschermd. Waar moest ze haar bescherming vinden nu Jezus er niet meer was? Nu ze niet meer in zijn nabijheid was? Ze was niet alleen verdrietig, maar ook onrustig. Ze hield het niet meer. De volgende morgen ging ze zo vroeg mogelijk naar het graf. Zo vroeg dat het nog donker was. Of liever gezegd: duister.
Ze wandelt in de duisternis naar het graf. ’s Morgens vroeg in het duister, dat is niet alleen maar een sfeerbeschrijving om aan te geven hoe verdrietig Maria is. Dat gebeurt in films wel eens: het verhaal wordt verdrietig of zielig en dan regent het ook nog eens, waardoor het nog verdrietiger wordt. De duisternis, waarin Maria loopt is niet de duisternis van verdriet, van gemis. De Here Jezus had gewaarschuwd om niet in het duister te lopen: Wandelt, terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet overvalle; en wie in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat. Als Johannes vertelt dat Maria in de duisternis naar het graf gaat, geeft hij dus een hint. Maria wandelt in de duisternis, omdat ze nog niet bij Jezus is. Dat was ook wat Maria zelf dacht, alleen bedoelt Johannes het op een andere manier. Maria dacht dat ze door naar het graf te gaan, ook al is het duister, dat zij dan bij Jezus zou zijn. Johannes wil juist zeggen, dat wat Maria denkt (namelijk: door naar het graf te gaan, dat zij zo bij Jezus komt) wandelen in de duisternis is.
Maria zelf heeft dat niet door. Ook niet als de engelen en als Jezus straks zelf aan haar vragen: naar wie ben je op zoek. Het verhaal van Maria gaat er dus een vraag: Hoe kunnen wij dicht bij Jezus zijn? En: hoe is Jezus bij ons? Als we daar een antwoord op hebben, dan hebben wij Pasen begrepen. Dan weten wij waar het met Pasen om gaat: namelijk dat wij weten, waar Jezus is en hoe Hij bij ons aanwezig is.
Zo ver is het nog niet. Maria moet eerst een hele weg afleggen, voor zij dat Jezus vindt. Geen makkelijke weg, want het is een weg, waarop ze eerst zal schrikken, een weg waarop ze veel zal huilen en treuren, voordat zij de Here Jezus werkelijk ontdekt. Ze treurt om het feit dat haar Heer is weggenomen, haar Heer is van haar afgepakt. De Heer bij wie zij dacht bescherming te vinden. Maar was dat wel haar Heer? Of was dat Jezus, zoals zij zich die zelf voorstelde? Daarom wandelde ze in de duisternis, omdat ze niet werkelijk had begrepen, wie Jezus is.
Daarmee is het verhaal van Maria ook voor ons een les. Ook wij kunnen Jezus op de verkeerde manier zoeken. Als we Hem niet zoeken op de plaats waar Hij is, dan kunnen we lang zoeken voor wij Hem vinden. Dan kunnen wij  – net zoals Maria- in zak en as zitten, te treuren, omdat iemand onze Heer van ons heeft afgenomen. Als we teveel denken aan het verleden, wat de Here in het verleden met ons heeft gedaan, hoe Hij in ons eigen leven aanwezig was, of in de kerk, als we net als Maria teveel blijven hangen in het verleden en daardoor het heden niet meer kunnen zien, eigenlijk vergeten dat de Here Jezus ook vandaag in ons midden is en vandaag werkt, dan lopen wij op dezelfde manier als Maria: in de duisternis. Dan lopen we naar het graf van Jezus. Dan is naar de kerk gaan een vorm van herinneren wat Jezus vroeger deed.
Dan zijn het de herinneringen aan vroeger die ons belemmeren om vandaag de dag kerk te zijn, nu blij te zijn, omdat onze Here Jezus is opgewekt. Blijven steken in herinneringen maakt ons somber, neerslachtig en houdt ons gevangen in verdriet, zoals Maria gevangen was in verdriet. Als wij op deze manier naar de kerk gaan, als wij op deze manier met geloof bezig zijn, dan is het goed als ook die Heer wordt weggenomen, zodat wij net als Maria de Levende kunnen ontmoeten. Soms kunnen wij zelf de ontmoeting met de Levende Heer in de weg staan, omdat wij op een verkeerde manier zoeken. Dan loopt ons zoeken op niets uit en vinden wij de Here niet, tenzij Hij naar ons toe komt. En wanneer Hij komt, dan is dat tegelijk de bevrijding uit de duisternis en het licht om ons heen. Dan worden wij wakker geroepen uit ons graf.
We kunnen aan Maria zien, wat het betekent om op een verkeerde manier op zoek te zijn naar Jezus. Er is onrust als ze Jezus niet vindt. Ze rent weg van het graf? Weet ze waar ze heen gaat? Ze komt bij twee discipelen uit: Simon Petrus en de andere discipel. Wanneer je in de duisternis wandelt, wanneer je niet ziet dat Christus ook voor ons vandaag de Levende is, is er onrust: wat moet er gedaan worden om onze Heer in ons midden te hebben? Wat moeten wij doen om Hem bij ons te hebben en Hem vast te houden zodat Hij niet meer van ons kan gaan? De gang van Maria weg van het graf is niet de beheerstheid van iemand die Jezus heeft gevonden, die Hem als de Levende heeft ontmoet.
En ook als ze later weer bij het graf komt na de discipelen. De eerste keer heeft ze het graf niet in durven kijken. Uit angst voor de leegte die op haar af kwam? Bang dat het duistere gat van het graf haar in zijn greep zou krijgen, zoals het eerst donker was in haar leven, omdat ze bezeten was door duivelen?  Als Petrus het graf heeft bezien, durft zij ook te kijken, maar wat zij ziet doet haar verstijven. Geen Jezus, maar wel twee mannen. Wat moet zij er van denken? Waar is haar Jezus? Waar is haar meester? De twee mannen maken haar onrust alleen maar groter. Onnodig, zo weten wij, omdat Johannes ons het verhaal vertelt, maar zo gaat dat in de onrust van het ongeloof, de machteloosheid van gevangen zijn in herinneringen aan de tijd waarin alles beter was. Dan kunnen wij ook de boden, die door God gezonden zijn, om ons te kalmeren en gerust te stellen, die ons er op wijzen dat Christus de Levende is en nog steeds werkt, ook vandaag de dag, dan kunnen wij die boden niet zien als boden die door de Here gezonden zijn. En net als Maria zullen wij dan verstijven bij het graf. Niet getroost, maar gevangen in heimwee, verdriet, vroeger. Dan kunnen we alleen maar treuren, zoals Maria, treuren om een verloren Jezus. Welke Jezus zoeken wij? De Jezus van een glorieus verleden of Jezus die zich vandaag de dag ook in ons midden presenteert als de Levende. Maria ze treurt om de Jezus die haar is afgenomen. Zij weet niet meer waar Jezus is. Ze weet het niet meer. Ze is de regie kwijt. Ze weet de weg niet meer.
Ze weet niet meer waar Jezus is, ze weet niet meer wie Jezus is. In haar gevangenzijn in verdriet herkent zij Jezus niet meer en ziet Hem aan voor de tuinman. Ze keert zich al wel om van het graf. Ze is nu niet meer gefocust op het graf, er niet meer door geobsedeerd. En dat is voor Maria de eerste stap om los te komen uit haar verdriet, los te komen uit die duisternis waarin zij verkeert. Want zij zelf kan zich er niet uit bevrijden. Wat zij ziet bij het geopend graf, het dringt niet tot haar door. Ook als ze de engelen ziet en de vraag van de engelen hoort: “Wat zoek je?” blijft zij geobsedeerd, gevangen haast door het graf. Maar dan keert ze zich om. Het is de eerste stap weg van het graf. En ze richt zich op Jezus. Ze ziet Hem, maar ze herkent Hem niet. Zo dicht bij en toch op een afstand nog. Is dat ook vaak bij ons niet zo: dat we dicht bij Jezus zijn, zonder dat we het beseffen. Dat de Levende zelf in onze nabijheid is, maar dat wij Hem niet zien? Is dat niet de tragiek van de kerk dat Jezus in onze nabijheid is, elke kerkdienst, bij het avondmaal, als Zijn woord opengaat, maar dat wij dat als kerk vaak niet opmerken? Opstanding betekent ook voor ons vandaag de dag dat wij weggeroepen worden van wat wij zien als het graf van Jezus, waarin Hij begraven voor ons lijkt te zijn. Hij is de Levende!
Maria, ze ziet Hem, maar het dringt nog niet tot haar door dat het Jezus zelf is. Ze denkt eerst nog aan iemand die haar kan nood kan oplossen en haar bij Jezus zal brengen. Als ze maar bij Jezus is. Dan is alles goed. Hoopvol en verwachting naar deze man. Iemand die haar bij het echte graf van Jezus kan brengen.
Jezus als de tuinman, het heeft iets mysterieus. Het is alsof Maria nu pas beseft dat het graf in een tuin ligt, een tuin, een hof, zoals ook de hof van Eden een tuin was. Ze krijgt al meer oog voor wat er om haar heen gebeurt. Langzaam laat de duisternis haar los, omdat de duisternis niet tegen het licht van de Levende op kan. De dag gaat over haar op, maar haar ogen kunnen nog niet tegen het licht. Ze beseft nog niet wat er gebeurt. “Wat zoek je?” “Als u weet waar Hij is, toon het mij dan, dan kan ik Hem wegnemen.” Een allerlaatste poging om haar Jezus voor zichzelf te houden, alsof ze begrijpt dat ze haar eigen Jezus verliest, de Jezus die zij zo graag zou willen koesteren en bij zich houden en nooit willen kwijtraken.
Wat er dan gebeurt… Willem Barnard schrijft over dat vers dat het hem nooit lukt “om dit vers te lezen met vaste ongebroken stem. Hier houdt alles op. Hier begint alles.” (Stille omgang, p. 314) De stem die bij de schepping klonk, machtig en majestueus de wereld tot aanzijn riep, die het licht over de aarde aankondigde, opdat de duisternis verbannen zou zijn, de stem die Lazarus bij zijn naam uit het graf riep. “Maria”. Zoals Adam in de tuin tevoorschijn werd geroepen, nadat hij zich voor God verborgen had, zo wordt Maria hier geroepen. Jezus is geen tuinman, Hij heeft een ander beroep: schaapherder. Hier roept de herder zijn schaap terug van de verkeerde weg. Door Maria te roepen bij haar naam, op die manier toont Jezus zich aan Maria als de Opgestane, de Levende. Net zoals onze naam bij de doop klonk. “Ik heb u bij uw naam geroepen: Maria.” Het is niet alleen een stem, die een liefdesverklaring bevat. Dat ook, een intieme, ons liefhebbende stem. Maar ook een stem die ons wegroept uit de verwarring, de godverlatenheid, ons wegroept uit de wanhoop, uit de gedachte dat Jezus iets van vroeger is, die ons aanspeekt als de nieuwe schepping, bij onze nieuwe naam, die het duister uit ons leven wegverkondigt en het licht over ons uitspreekt, die verlorenen thuisbrengt en hen redt van de ondergang en duisternis. Een liefdesverklaring, een uitnodiging: Komt in, Gij gezegende van mijn Vader. Jezus leeft – en Zijn stem roept ook ons tot leven.
Halleluja.
Amen

ds. M.J. Schuurman

Preek Goede Vrijdag 2011

Preek Goede Vrijdag 2011
Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping (…) En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft (2 Korinthe 5:17-18)

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

(1) Duisternis
Wat houdt de duisternis in die opkomt als Jezus aan het kruis hangt? Zullen de omstanders rondom het kruis beseft hebben dat die duisternis te maken heeft met Degene die aan het kruis hangt? Zullen de bewoners van Jeruzalem door gehad hebben dat de duisternis die hen overviel in verband stond
met degene die buiten de muren werd terechtgesteld? Of zullen ze er meer gedacht hebben: hè, wat vervelend, nu kan ik niet doen wat ik me voorgenomen had.
Een hinderlijke onderbreking van het werk, zoals een stroomstoring bij ons: je kunt het gewone werk niet doen. Je loopt naar een collega om te mopperen dat je niet verder kunt, of naar een buurman om te vragen of hij er ook last van heeft. Of zullen ze er van opgekeken hebben en gedacht: dit is nu het moment dat God ons iets wil duidelijk maken: we moeten ons werk neerleggen en ons bezinnen op wat Hij ons te zeggen heeft?
Dat is in ieder geval wel de bedoeling van de Here geweest. Het is het duister dat over het land valt als God zijn aangezicht verbergt. Te dien dage zal het geschieden, luidt het woord van de Here HERE, dat Ik op de middag de zon zal doen schuilgaan en bij klaarlichte dag het land in het donker zal zetten. (Amos 8:9) Als de Here zegt: het leven dat jullie leiden, gaat zo aan Mij voorbij en tegen Mij in, Ik vertrek uit jullie midden. Het duister dat over het land valt, is het duister waarin God er niet meer is.

Waar Gij niet zijt, is het bestaan,
 is alle denken, alle doen
zo leeg, zo dood, als toen Gij,
Geest, nog niet waart uitgegaan.
(Gezang 250:2 Liedboek voor de Kerken)

Als Jezus niet was gestorven zou de wereld niets anders zijn dan deze duisternis en donkerheid. Dan zou ons leven zich afspelen in deze duisternis, waarin Gods bescherming er niet meer is. Een duisternis die al het licht dat er is wil verzwelgen, die als een octopus al het leven dat er is met zich mee wil trekken de ondergang tegemoet.
De enige die beseft, wat hier gaande is, is Jezus.
Hij beseft, wat de omstanders niet beseffen, wat de bewoners van Jeruzalem aan voorbij gaan
en wat wij ook niet zouden begrijpen als het ons niet was onthuld in Gods Woord. Jezus beseft, dat wat hier gebeurt het oordeel van God is. Dat God hier als rechter aan Zijn volk laat zien: zo staat het met jullie ervoor. Jullie denken, dat jullie trouw zijn, dat jullie Mij van harte dienen en zoeken.
Jullie denken dat jullie Mij vereren, maar jullie vroomheid is een façade, een schone schijn. Als jullie een oordeel over jezelf zou moeten vellen, zouden jullie aangeven dat jullie in Mijn volle licht zouden staan.
Maar met de kruisdood van Jezus vel ik een oordeel over jullie: dat jullie verkeren in de duisternis, de donkerheid, de doodsheid waar ik niet ben. Ondanks dat jullie de schijn ophouden dat jullie Mij dienen, ben ik er al lang niet meer. De duisternis, die om het kruis opkomt, is de spiegel die God ons voor houdt en waarin Hij onze aanklager is: dat Ik er niet ben, dat alles doods en duister is,
komt omdat jullie het duister over jezelf hebt afgeroepen.
Duisternis wil niet zeggen, dat er geen menselijk leven mogelijk is. Ook op een begraafplaats kan men overleven, zoals de bezetene van Gardara laat zien, de man die door een legioen duivels bezeten was. Ook met een leven vol corruptie en afpersing valt een leven op te bouwen, zoals Zacheüs laat zien. Ook iemand die zich beter voelt dan anderen, zoals de Farizeeër, zal niet het idee hebben dat zijn leven aan geluk ontbreekt.
En toch, het is niet het leven zoals God bedoeld had, dit is niet het leven dat God aan zijn schepselen wilde geven. Dat is wat de dood van Christus aan het kruis onthult: dat wij niet leven, zoals God ons opgedragen heeft. Wat we als kerk op Goede Vrijdag gedenken, is een drama, waar wij bij betrokken zijn, een gebeuren dat ons aangaat. Dat gebeuren pleit niet in ons voordeel. Integendeel, het is een daad van verzet tegen onze Schepper. Een daad van rebellie. Het ongedaan maken van de schepping,
de wereld die God voor ons geschapen had, de wereld waarin wij tot onze recht zouden komen, waarin wij alleen maar gelukkig zouden zijn, omdat wij het kwade niet kenden, maar een wereld die wij niet wilden.
Omdat het ons een te gemakkelijk leven was. Wie gelukkig wil zijn, moet ook het ongeluk kennen. Wie trouw wil zijn, moet ook de ontrouw kennen om te weten waar hij tegen strijdt. Wie God wil dienen, moet weten wat het is om als God te zijn. Dachten we. Niet beseffend dat we daarmee de duisternis en de chaos over ons zouden afroepen. Machten die ons zouden beheersen. In de duisternis die opkomt rond het kruis, daarin laat de Here zien, hoe het met ons zo vergaan,
hoe ons leven er uit zo zien als Hij niet ingegrepen had door Zijn Zoon te sturen. In wat voor afgrond ons leven zich zou afspelen. Wie de baas zou zijn in ons leven, wie wij zouden hebben te dienen.

Dat leven in de duisternis is niet iets dat je alleen bij een ander kunt constateren. Alsof wij er van verschoond zouden zijn en alleen een ander er last van zou hebben. Als we zo denken: alleen de ander heeft er last van, maar ik niet zo’n manier van denken – is juist een kenmerk van een even

(2) Gods ingrijpen d.m.v. een oordeel

Dat is gelukkig niet het enige dat God heeft gedaan. Als Hij alleen als rechter zou komen en zou laten weten wat er allemaal met ons mis is, zou goede vrijdag alleen maar een boetedag zijn. Zouden we bij elkaar zitten en vragen of de duisternis ons zou opslokken, zodat dat wij niet oog in oog met God hoeven te staan.
We noemen deze dag Goede Vrijdag, omdat God zelf tegenover de duisternis die wij over onszelf hebben opgeroepen, iets anders stelt.
Als Jezus sterft, is het de beëindiging van de nacht, het doorbreken van de macht van deze duisternis. Het licht der wereld, dat het duister overwint, de duisternis ook in ons leven begrenst. Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping. Schepping: dat wil zeggen dat God zich van Zijn beste kant laat zien. Hij laat Zijn macht zien: wat niet is of dood, wordt tot leven geroepen.  Hij laat zich ook van Zijn barmhartige en genadige kant zien:
Hij gunt ons het leven. Het leven dat van Hem afkomstig is en dat wij zijn kwijtgeraakt, door de duisternis over ons af te roepen.
Dat laat tegelijkertijd zien, dat God niet moet veranderen. Hij moet geen ander worden. Wat God in Christus aan het kruis doet, is dat Hij iets met ons doet. Niet Hij moet zich veranderen om bij ons te kunnen zijn, maar wij moeten veranderd worden om met Hem te kunnen leven.
We begrijpen Golgotha verkeerd als we denken dat de toorn van God iets is als een onweersbui die op komt zetten. Dat God zijn toorn als een onweersbui moet ontladen op het kruis. Dat de Here zijn woede kwijt moet raken.
Het oordeel dat God over ons velt, is dat wij zo niet verder kunnen leven, want een leven buiten Hem om, een leven in donkerheid en duisternis, is een leven dat de ondergang tegemoet gaat.
Hij wil ook niet dat wij verloren gaan. Wat Hij hier uitspreekt is een nee tegen de zonde, tegen het duister dat ons omringt en in ons zit. Hij zegt nee tegen de zonde.
Dat oordeel velt Hij over ons om ruimte te maken voor het Ja van zijn liefde. Dat God Ja tegen ons zegt, betekent dat wij Hem weer kunnen aanspreken. Ja – dat betekent een relatie. Een relatie door God zelf met ons wordt aangegaan. Niet meer een relatie die wordt vertroebeld door wantrouwen of angst, maar die bestaat uit geschonken liefde.  Door God geschonken liefde.
Het Ja dat God tegen ons zegt, is het Ja van de rechter die onze vrijheid aankondigt. De poort van de duisternis gaat open en wij mogen weer in het paradijs zijn. Een nieuwe schepping, zegt Paulus. Dat wil zeggen: de toestand waarmee God met ons begonnen is. Het paradijs waarin wij wandelden met God. Met het nee tegen de zonde en het ja tegen ons plaatst God ons weer in zijn nabijheid. Zoals in het beging wij in het paradijs waren.
Alleen heet het geen paradijs. Dat zou suggereren alsof er een terugkeer naar het oude bestaan mogelijk is, het bestaan voor de zonde. God plaatst ons niet in het paradijs, maar in het lichaam van Christus. In Christus – waarin wij niet meer veroordeeld worden, omdat Christus dat oordeel heeft weggedragen. Omdat hij ons heeft verzoend. Wij worden veranderd. Verzoening betekent dat wij anders worden, een ander. Niet meer als iemand die niets meer met God te maken wil hebben, Hem wantrouwt of wegduwt, maar die Zijn Ja tegen ons kan ontvangen.
Een nieuwe schepping – er is bijna niets moeilijker te geloven dan dat wij nieuwe schepping zijn. Dat over ons leven een gunstig en genadig oordeel is uitgesproken. Dat ons ongeloof, onze twijfel en rebellie is overwonnen.
Is dat uiteindelijk niet de verbazing dat er Iemand is die Ja tegen ons zegt? We kunnen ons er al over verbazen, dat er mensen zijn die van ons houden. De verbazing dat God, die wij hebben losgelaten, ons niet heeft losgelaten, is nog groter. Toch is dat wat er op Golgotha gebeurt: dat God Ja tegen ons zegt en dat Ja ons helemaal nieuw maakt, omdat Zijn ja onze vijandschap overwint. Zijn ja verandert ons, vergeeft ons. Zijn Ja dat de deur opent naar Zijn gemeenschap.
Aan het avondmaal vieren wij dat God Nee zegt tegen onze zonde, maar Ja zegt tegen ons en ons zo redt van de ondergang, waarvoor wijzelf kozen. Niet onze verlorenheid, niet ons nee, maar Zijn ja – dat is het geheim van ons leven. Dankbaar en met grote verwondering ontvangen wij zijn Ja. E

En dit alles is uit God.
Amen

We moeten de kerk ten grave dragen. Een poging tot uitleg

We moeten de kerk ten grave dragen. Een poging tot uitleg

Het is de roeping van mijn generatie om de kerk ten grave te dragen. Deze stelling werkte dr. Willem Maarten Dekker in 2010 uit en kreeg de afgelopen week weer volop de aandacht. Dit beeld roept heftige en soms ook heel verontwaardigde reacties op. Door de verontwaardiging heeft men naar mijn idee de boodschap van Dekker niet goed begrepen.

Uit de bocht
Een voorbeeld is de discussie in het EO-radioprogramma Deze week. In de discussie vloog men behoorlijk uit de bocht en deed men totaal geen recht aan wat Dekker wilde zeggen. Blijkbaar is het niet gemakkelijk om een boodschap, die je niet aanstaat, goed tot je te laten doordringen. Daardoor was het discussieprogramma journalistiek ver onder de maat. Op deze manier had het naar mijn idee niet uitgezonden mogen worden.
Nu wil ik niet zeggen, dat ik de stelling van Dekker volledig heb begrepen. Maar met een beetje begrip en kennis van zaken had men niet zo uit de bocht hoeven vliegen. De suggestie, die in het programma werd gedaan dat het hier om de methode van Hendrikse ging, kan echt niet. Degene die deze suggestie gedaan heeft, diskwalificeert zichzelf hiermee. Met de methode van (ds. Klaas) Hendrikse werd niet bedoeld, dat Dekker het bestaan van God ontkent, maar dat Dekker een krasse uitspraak doet, maar in feite iets anders bedoelt. Is dat zo? Dat lijkt mij niet. Wie op Jüngel promoveert, weet wat metaforen kunnen oproepen en uitrichten. Een belangrijk boek van Jüngel (dat hij samen met de filosoof Paul Ricoeur schreef) gaat over metaforen. Wie dus suggereert dat Dekker de methode van Hendrikse hanteert, heeft gewoon geen research gedaan. En laat wellicht blijken, dat hij bij voorbaat de stelling van Dekker niet serieus wil nemen, omdat deze stelling niet uitkomt. (Dit is van mijn kant weer een suggestieve opmerking.)

Geen conservatisme
De stelling kan ook niet aan de kant geschoven worden door te suggereren, dat het hier om verkapt conservatisme gaat. Wie aankondigt dat de BibleBelt binnen korte tijd ook getroffen wordt door de secularisatie kun je niet op voorhand beschuldigen van conservatisme. En wie als stelling bij zijn proefschrift aangeeft, dat spotten met God en Christus is toegestaan, omdat de gekruisigde Christus de Spotprent is, Die God van Zichzelf gegeven heeft, valt naar mijn idee niet in bij voorbaat in een conservatieve hoek te plaatsen. Nogmaals: slecht research.

Waar het beeld vandaan komt
De kerk ten grave dragen – waar komt dat beeld vandaan? In een blog geeft Dekker de herkomst aan:
Op het gymnasium las ik de Antigone van Sophokles. Een toneelstuk waarin de gelijknamige hoofdpersoon ervoor kiest om, koppig en eerbiedig, haar broer Polyneikes te begraven. De machthebbers hebben dat verboden, omdat Polyneikes een landverrader zou zijn. Maar Antigone weet dat men de goden meer gehoorzamen moet dan de mensen. Zij weet ook dat zij niet mag nalaten haar broer tot het einde lief te hebben en het laatste voor hem te doen dat ze kan: hem bewaren voor de schande opgevreten te worden door de roofvogels. Het enige dat zij nog kan, maar ook moet doen, is hem fatsoenlijk begraven.

Tegen missionair optimisme
Dekker gebruikt een kras beeld en hij doet dat bewust (en dus niet om iets anders te zeggen). Dekker richt zijn pijlen op alle missionaire plannen en in zijn ogen opgeblazen optimisme. De kritiek die hij heeft op de plannen en het optimisme zijn: (1) ze gaan over de hoofden van gemeenteleden en predikanten heen, (2) het zal niet werken, want ook de christelijke bolwerken zullen ten prooi vallen, (3) de tijd wordt niet theologisch gepeild, (4) men vraagt zich niet meer af of de kerkverlating een oordeel van God kan zijn. Op zijn blog geeft hij nog een extra reden: de missionaire hausse zal de natuurlijke religie van de postmoderne mens voeding geven. Deze extra reden sluit aan bij het kritische geluid dat hij de afgelopen week zei: men heeft wel aandacht voor christelijke levensstijl, maar vergeet daarbij de Christus.
In mijn woorden: de aandacht voor missionairzijn zou wel eens een maskerade kunnen zijn om het eigen ongeloof te maskeren. “In alle fluctuaties van geloof, religie en atheïsme als een ezel zo koppig je hakken in het Evangelie zetten en doorgaan met balken. Men moet Gode nu eenmaal meer gehoorzamen dan de mensen. Ook in de stervensavond dus niet iets anders gaan verkondigen dan het sterven van Christus. In zijn dood is al onze dood, ook die van de kerk, verzwolgen.”

Koppig en eerbiedig begraven
Gevoed vanuit Sophokles betrekt Dekker de graflegging van Jezus. Ik vraag me af of het hier echt om een theologische grensoverschrijding gaat (zoals De Leede in zijn reactie schrijft): de kerk is ook immers lichaam van Christus. Dekker neemt een paulinische gedachte behoorlijk serieus. Vanuit het gedeelte over de graflegging zegt Dekker dat het begraven van de kerk met liefde moet gebeuren. Of zoals Dekker in zijn blog over de roeping van de kerk zegt: koppig en eerbiedig.
Er op doordenkend: de graflegging is nodig. Zonder een graflegging was er geen opstanding. Toch was dat niet de reden, waarom Jozef het lichaam van Christus in het graf legde. Hij en de anderen hielden geen rekening met de opstanding. De kerk ten grave dragen is dus nodig voordat er een opstanding van het lichaam van Christus komt. Niet dat wij de kerk ten grave dragen om een opstanding te bewerkstelligen. Alsof er een mensenhand bij de opstanding aan te pas komt. De kerk ten grave dragen betekent dus in handen van God leggen. In het geloof dat God de levende en de soevereine is. Wat er met de kerk gebeurt na de graflegging, is onze zaak niet. Dat gaat God aan. 

Oordeel
Dit is geen defaitisme met betrekking tot de kerk, maar geloof in het herscheppend handelen van God, die op zijn manier werkt en niet op onze manier. Hij roept wat niet is tot aanzijn. Op de stelling heb ik ook reacties gelezen: de kerk leeft, kijk maar (vanwege een belijdenisdienst). Alsof de kerk door menselijke activiteiten leeft. Alsof wij de kerk levend kunnen houden. Wie dat zegt, denkt bovendien vanuit menselijk perspectief over de kerk. Bepaalt de Heer van de kerk uiteindelijk zelf niet of een kerk leeft of dood is? Alle menselijke activiteiten vallen onder Zijn oordeel.
De kerk ten grave dragen is het voltooien van het oordeel van God. Begint het oordeel niet bij het huis van God? Ligt de kerk niet onder het oordeel? Heeft de kerk zich in de loop van de tijd zich niet teveel aangepast aan de omringende cultuur? Missionair bevlogen theologen zullen dit contextueel denken noemen. Ik denk dat de kerk voldoende contextueel geweest is en te weinig gehoorzaam aan de opdracht van haar Heer om anders te zijn. Is ze in de Vroege Middeleeuwen niet te Germaans geworden, waardoor de God van Israël trekken kreeg van de Germaanse goden? Heeft ze vanaf de 16e eeuw niet de trekken gekregen van de burgerlijke cultuur die opkwam? Is ze niet teveel opgegaan in de Verlichting en de Romantiek? Is ze met het christelijk conservatisme niet teveel blijven hangen in de Restauratie? Hebben de kerken in de 19e eeuw afstand genomen van het nationalisme? En in de 20e eeuw van verzuiling?
Het oordeel betekent afbraak van wat mensen hebben opgebouwd, omdat ze op eigen kracht bouwden in plaats van het te verwachten van God. Alleen de afbraak door het oordeel schept ruimte voor een nieuw begin. Want God breekt ons op ongeloof gestoelde werken af.

Aanwezigheid van Christus
De kerk begraven betekent dus alle eigen modellen, alle ecclesiologie ten grave dragen. Ons presbyteriaal stelsel, onze liturgie, onze gemeenteopbouwmodellen, onze preken.  We mogen de BibleBelt niet behouden, want wie garandeert dat dit Gods wil is. Wij moeten de christelijke cultuur ten grave dragen. Kortom, alles wat wij zelf inbrengen. Vanuit die begrafenis mag niet alsnog een soort cultus opkomen (zoals bij het christelijk conservatisme gebeurt), waarin getreurd wordt over het verlies. Jozef van Arimethea begroef uit liefde het lichaam van Christus, maar wie terugverlangt, loopt zoals Maria Magdalena naar het graf (in plaats van op zoek te zijn naar de Levende). In de kerk gaat het om de aanwezigheid van Christus. Hij is de levende.
Dat punt is in de discussie niet naar voren gekomen, terwijl het een kernnotie is van het betoog van Dekker. God kiest ervoor om aanwezig te zijn in de gekruisigde Christus en Hij kiest ervoor om de kerk een gebroken en onvolmaakt lichaam te laten zijn. Als wij dat niet willen aanvaarden, gaan wij dan niet tegen de manier in waarop Christus onder ons aanwezig is? Willen wij met onze misisonaire activiteiten God uiteindelijk niet voor de voeten lopen? Willen wij niet handelen, omdat we denken dat God niet handelt.

Zonde
Deze gedachte is kenmerkend voor de Lutherse traditie: een zondaar is iemand die denkt in plaats van God te handelen, omdat hij er niet op vertrouwt dat God handelt. Omdat wij als mensen vinden dat God de secularisatie niet stopt, moeten wij maar wat doen. Zonde is verwisseling van de goddelijke en menselijke activiteit. De kerk ten grave dragen wil dus zeggen: radicaal alle eigen plannen begraven. Ook alle eigen visies op de toekomst. In plaats daarvan zich openstellen voor wat God doet. Niet alleen trouw zijn, maar ook gehoorzaam aan God, die ons opdroeg een gekruisigde Christus te prediken. (Een kenmerkend woord voor de Romeinenbrief: Paulus ziet zijn roeping niet in het gelovig maken van de volkeren, maar om hen tot gehoorzaamheid te brengen, omdat hij weet heeft van het oordeel.) Als de missionaire plannen teveel richting de natuurlijke religie op gaan, loopt de kerk het risico het eerste gebod te overtreden. Dat eerste gebod is het hart van de reformatorische rechtvaardigingsleer en zet ons mensen op de plek waar wij horen: niet op Gods stoel, maar op onze eigen menselijke maat.
Onze beste werken zijn met zonde bevlekt, zegt de Catechismus. Waarom kan men wel over de oude mens zeggen dat deze gekruisigd moet worden, maar kan men dat opeens bij de kerk niet meer zeggen? Naar mijn idee is dat een tekortkoming van het neocalvinisme, die te positief is over de nieuwe mens. We mogen, juist in deze missionaire en postchristelijke tijd, wat meer luthers worden: de nieuwe mens is rechtvaardige en zondaar tegelijk (simil iustus et peccator). Ook de kerk is simil iustus et peccator. En niet de strijdende kerk van het neo-calvinisme of de overwinnende kerk van het evangelicalisme.

Geen defaitisme
Dat is niet somber of defaitistisch, maar werkt relativerend: de toekomst van de kerk hangt niet van ons af, maar van God. Werken aan gemeenteopbouw begint met slapen, zoals Christian Möller voortdurend aangeeft. Wie niet God het werk kan laten doen, raakt gefrustreerd (De Vulgaat spreekt bij Psalm 127 over frustra). Bij Möller kwam ik ook een voorbeeld tegen, dat goed aansluit bij wat Dekker naar voren brengt:
Een jongerenwerker loopt zich het hemd uit het lijf om de jongeren te bereiken. Hij verzet enorm veel werk, maar het respons is teleurstellend. Op een vrijdagavond stort deze jongerenwerker in en laat alles achter en gaat het bos in. In zak en as. Terwijl hij daar zit komen de jongeren naar hem toe en ontstaat daar een plek waar gebeden en gelezen wordt.

ds. M.J. Schuurman

Het blog van dr. Willem Maarten Dekker: http://patrimonium.web-log.nl/theologiaviatorum/ Het blog over de roeping van de kerk: http://patrimonium.web-log.nl/theologiaviatorum/2010/05/koppig-en-eerbi.html

Kruiswoord 3: Een nieuwe gemeenschap

Kruiswoord 3: Een nieuwe gemeenschap
19 april – dinsdag

Toen dan Jezus zijn moeder zag en de discipel, die Hij liefhad, bij haar staande, zeide Hij tot zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon. Daarna zeide Hij tot de discipel: Zie, uw moeder. En van dat uur af nam de discipel haar bij zich in huis.  (Johannes 19:26-27)

I.

Het sterven van de Here Jezus brengt een nieuwe gemeenschap. Allereerst gemeenschap met God. Het kruis verbindt hemel en aarde. Maar ook tussen mensen brengt de Here Jezus een nieuwe gemeenschap, die belangrijker wordt dan familiebanden en belangrijker dan vriendschap. Aan het kruis Jezus schenkt Zijn moeder aan Zijn vriend en Zijn vriend aan Zijn moeder.
Daardoor kunnen we zien, wat het betekent om gemeente van Christus te zijn. Allereerst betekent dat een eenheid rondom het kruis. Maar het betekent ook dat we elkaar als gemeenschap hebben ontvangen van de Here Jezus. We hebben niet voor elkaar gekozen, zoals vrienden dat doen. Deze nieuwe eenheid moeten we niet te romantisch voorstellen: ook in de gemeente van Christus kan het zijn dat we niet met elkaar en niet zonder elkaar kunnen. Het gaat om een eenheid van andere orde: een eenheid die er komt, omdat de liefde van Christus in ons werkt. Aan het heilig avondmaal belijden wij aan elkaar gegeven te zijn.

II.

Bij Johannes hebben verhalen altijd ook een diepere laag. Die diepere laag heeft te maken met de missie van de Here Jezus. ‘Vrouw’, zegt de Here Jezus tegen Zijn moeder. Zo sprak Hij Zijn moeder ook aan bij de bruiloft te Kana. Maria staat daarom niet als de moeder van Jezus bij het kruis. Maria staat voor iets anders: iemand die alles van Christus verwacht. Bij de bruiloft te Kana geloofde zij dat de Here Jezus voor iets bijzonders zou kunnen zorgen. Zij vertrouwde op Hem en kon de regie uiteindelijk aan Hem overlaten. Maria bij het kruis staat voor de kerk, die al haar vertrouwen op de Here Jezus stelt en haar gebeden tot Christus richt.
De aanwezigheid van Maria aan het kruis verwijst terug naar de bruiloft te Kana. Daar was de beste wijn voor het laatst bewaard. De beste wijn voor het laatst: zou dat niet wijzen op de wijn bij het avondmaal. Deze wijn wijst heen naar Christus’ bloed dat Hij voor ons heeft gegeven. Op die manier lest Christus onze eeuwige dorst.
Bij het kruis staat ook de discipel die zich mag verheugen over de liefde van de Here Jezus voor hem. Bij de laatste maaltijd die zij gezamenlijk gebruikten, lag hij het dicht bij zijn Meester. De naam van deze discipel is niet belangrijk. Het gaat om wat deze discipel de kerk voorhoudt: voor een gelovige is het van belang dicht bij Christus te zijn. En waar kunnen we dichter bij Hem zijn dan tijdens de viering van het Heilig Avondmaal? Zoals Maria en de discipel bij elkaar stonden rondom het kruis, zijn wij aan het avondmaal dicht bij het kruis van de Here Jezus.

ds. M.J. Schuurman

Vragen om na te denken over kleiner worden van gemeenten

Vragen om na te denken over kleiner worden van gemeenten

Kerkelijke gemeenten kunnen te maken krijgen met teruggang van leden en kerkbezoek. Hierbij enkele vragen om als kerkenraad over deze thematiek na te denken:
 

1) Welke gezinnen / personen mis je?

2) Wat is de oorzaak van hun vertrek: 
(a) Verhuizing naar een andere plaats
(b) overgang naar een andere gemeente
(c) minder betrokkenheid op onze gemeente
(d) Geen interesse meer in (deze) kerk of geloof

3) Heb je degenen die wegbleven gesproken over de reden van vertrek of minder betrokkenheid?
Wat gaven zij als reden?

4) Welke argumenten heb je zelf om hen weer betrokken te krijgen bij onze gemeente(n)? Wat is de kracht van onze gemeente(n)?

5) Welke houding van predikant, kerkenraad en gemeente is nodig om diegenen, die afgehaakt zijn, weer terug te winnen?

6) Tegen verhuizing kunnen wij weinig doen. Stel dat verhuizing de grootste oorzaak van leegloop is: op welke manier stellen wij ons in op de krimp van onze gemeente(n)? Hoe voorkomen wij dat we in een negatieve spiraal belanden?

NB: Hoeveel kerkgangers zijn er nodig voor een eredienst? Ik spreek geregeld kerkenraden die al gaan nadenken over het afschaffen van de avonddienst als deze nog worden bezocht door 50-70 kerkgangers. Maar waar praten we over? Ter vergelijking: een van de gemeenten die ik dien heeft een bezoekersaantal van 20-30 kerkgangers in de morgendienst.

ds. M.J. Schuurman

De betekenis van de opstanding van Christus voor onze tijd

De betekenis van de opstanding van Christus voor onze tijd

De opwekking van Jezus uit de dood, de opwekking van de doden op de Jongste Dag en het laatste oordeel vormen een belangrijk onderdeel van de boodschap van het Nieuwe Testament. In de persoon van Jezus Christus handelde God op een reddende manier, die op geen enkele wijze overtroffen kan worden. Op welke wijze kan deze boodschap ook ons iets te zeggen hebben?

crosses

(1) De eerste christenen leerden van het Oude Testament en het Vroege Jodendom. Vandaar uit hebben zij geleerd om te spreken over God en zijn heilshandelen in opwekking uit de doden en laatste oordeel. De hedendaagse christelijke traditie is de taal van het Oude Testament vergeten. Aan de hand van psalmen is te leren over het loven van God en de klacht. Psalmen kunnen ons helpen om te spreken over oordeel (psalm 51) en eeuwig leven (Ps. 16:10-11, Ps. 73:23-26). Oude en betere nieuwe paasliederen kunnen ook hierbij gerekend worden.

(2) Dat er mensen zijn die niets met de christelijke belijdenis van de opstanding van Christus kunnen is van alle tijden. Christenen kunnen aan hen voorleven wat het geloof in de opstanding betekent: hoop en opname in de levende gemeenschap van gelovigen.

(3) Ook al is het gebeuren van kruis en opstanding eeuwen geleden terug gebeurd, wij zijn opgenomen in dat gebeuren: Christus is gestorven voor alle zondaars (1 Kor. 15:3-5). De Joodse lofprijzing uit het Achttiengebed (Geprezen zijt Gij, Heer, die de doden levend maakt) kan ons samen met de oude christelijke belijdenissen helpen het geloof in de opstanding na en mee te spreken, zodat ook wij die geloofszekerheid ontvangen.

(4) De eerste christenen zullen een andere wereldbeschouwing hebben gehad. Dat betekent echter nog niet dat hun manier van denken en uitdrukken achterhaald is. Ze hebben gesproken over een hemel, waarin Christus troont naast de Vader. De overledenen werden in het graf gelegd in de verwachting van de opstanding der doden. Ze geloofden dat zij God het dichtst naderden door een leven in gerechtigheid en godsvrucht. De bijbel kan ons helpen om de hedendaagse sprakeloosheid te overwinnen.

(5) Het terugwinnen van de taal (van opstanding en laatste oordeel) leren wij ook van voorbeelden van christenen die hun vertrouwen hebben gesteld op de enige God die er is, de God die de doden opwekt als zij gestorven zijn. Dietrich Bonhoeffer schrijft op de dag van zijn terechtstelling: Dit is het einde – voor mij een nieuw begin.
De Duitse oudtestamenticus Hans Peter Rüger zei, vlak voor een hartoperatie (die hij niet overleefde): Als ik niet meer uit deze operatie kom, moet de begrafenisdienst in het teken staan van Psalm 31. Dit is de psalm die Jezus aan het kruis gebeden heeft.
Als het in onze tijd mogelijk is om op deze manier de dood in te gaan, is de paasboodschap niet verouderd. Deze boodschap bevat woorden van eeuwig leven, die hun waarde tonen op de Jongste dag, waarop de Heilige Geest ‘mij en alle doden zal opwekken … en mij samen met alle gelovigen in Christus eeuwig leven geven.’ (Kleine Catechismus van Luther).

N.a.v. Peter Stuhlmacher, Was geschah auf Golgatha? Zur Heilsbedeutung von Kreuz, Tod und Auferweckung Jesu (Stuttgart: Calwer Verlag, 1998)

Opstanding en laatste oordeel

Opstanding en laatste oordeel

De opwekking van Jezus werd vanaf het begin verbonden met het laatste oordeel. Jezus was de eerste(ling) van degenen die uit de doden worden opgewekt. De opwekking uit de doden is een lichamelijke opstanding; geen voortbestaan van de ziel (of iets dergelijks). Deze opstanding was oor de Vroege Christenen verbonden met de wederkomst van Christus. Door het geloof in Christus waren zij zeker van deelname aan Gods heerlijkheid.
Het geloof van de opstanding is verbonden met het geloof in het laatste oordeel. De doden die opstaan, komen voor de rechterstoel van God. Dat alle doden zullen opstaan, is een gedachte die pas in de 2e eeuw voor het eerst wordt geformuleerd (Justinus, Dialoog, 80.5). Bij Paulus is al wel de gedachte aanwezig, dat elk mens wordt geoordeeld en rekenschap voor God heeft af te leggen. Kan dat wel gebeuren zonder lichamelijke opstanding?
Paulus’ missie werd gedragen door het besef dat door de gekruisigde en opgestane Christus redding mogelijk is van dit laatste oordeel. Er zijn aanwijzingen dat het laatste oordeel door God in handen van Christus wordt gegeven. Het laatste oordeel is een onderdeel van de komst van Gods rijk. Door middel van het oordeel wordt Gods heerschappij gevestigd. Dit laatste oordeel is  niet alleen een heilzame gebeurtenis, maar ook een scheiding tussen goed en kwaad.
Het oordeel treft niet alleen de ongelovigen. Ook de christenen worden voor Gods rechterstoel gebracht. In het oordeel van God kan men niet vertrouwen op wat men zelf inbrengt, maar alleen op het offer van Christus.

N.a.v. Peter Stuhlmacher, Was geschah auf Golgatha? Zur Heilsbedeutung von Kreuz, Tod und Auferweckung Jesu (Stuttgart: Calwer Verlag, 1998)