Betekenisverschuiving bij de doop van kinderen

Betekenisverschuiving bij de doop van kinderen

In de afgelopen decennia heeft de doop voor velen een andere betekenis gekregen. In ieder geval voor veel doopouders, maar ook voor officiële teksten waarin de visie van de kerk wordt weergegeven.

images

Voorheen was de doop een ritueel dat erop wees, dat er in het leven van het pasgeboren kind het een en ander nog moest gebeuren. Het pasgeboren kind is net als wij ‘in zonde ontvangen en geboren’, zegt het klassiek-gereformeerde doopformulier. In de doop moest ‘de oude mens’ verdronken worden.

Godsgeschenk
Vandaag de dag benadrukt de doop een heel ander accent: het pasgeboren kind is een Godsgeschenk. Het kind wordt uit dankbaarheid gedoopt. Daarnaast is er het besef dat de pasgeborene kwetsbaar is en een zorg en bescherming nodig heeft die het kunnen van de ouders overstijgt. De doop wordt dan ook gezien als een ritueel waarin de zegen en bescherming van God wordt gegeven.
Met deze betekenis wordt de doop een ritueel hoort dat bij God als schepper (Vader) hoort en niet meer bij God als verlosser (Zoon) of God als vernieuwer (Heilige Geest).

KIA050422_cf30f

Gevolgen
Günther Thomas is niet gerust op deze verschuiving. In zijn ogen heeft de verschuiving grote gevolgen:

– De doop raakt op deze manier los van Christus. In de ‘nieuwe’ interpretatie van de doop gaat het om een vorm van vitalisme dat meer uit het heidendom afkomstig is dan uit het christelijk geloof. Op deze manier blijft er alleen maar een traditioneel argument om te dopen over (‘Dat hebben we altijd gedaan.’). De kerk wordt op deze manier een folklorevereniging die niet meer duidelijk kan maken waarom het van belang dat de kerk ook lichaam van Christus is.

– Deze betekenisverschuiving gaat gepaard met een aantal theologische uitspraken die zowel flinterdun zijn en die niet kunnen aangeven waarom er gedoopt zou moeten worden.
Er zijn veel meer zaken in het leven die ervaren kunnen worden als Godsgeschenk en niet alles hoeft gedoopt te worden. Als bij de doop zichtbaar maakt dat het gedoopte leven door God aangenomen is, roept dat gelijk de vraag op hoe het zit met degenen die niet gedoopt zijn. Zijn zij niet door God aangenomen? Ook wanneer gesteld wordt dat de doop aangeeft dat de dopeling voor God een onvervangbare waarde heeft, komt de vraag op naar de ongedoopten: Hebben zij in Gods ogen minder waarde?

Thomas neemt deze betekenisverschuiving niet alleen waar bij ouders die tot een doopverzoek komen. Hij neemt deze betekenisverschuiving ook waar in officiële kerkelijke teksten over de doop en in de nieuwe doopliederen.

Mogelijkheden
Hoe moet er omgegaan worden met deze betekenisverschuiving? Thomas noemt 4 mogelijkheden:

1) Vasthouden aan de klassieke visie.

2) In de ‘officiële theologie’ meegaan in de betekenisverschuiving om als teken van theologische sensitiviteit voor het geleefd geloof. De doop is dan niet meer een sacrament, maar een ritueel in de levensloop.

3) Elementen van de klassieke betekenis overnemen door bepaalde zaken af te zwakken. In de doop gaat het om ‘aangenomen-zijn’ en niet meer ‘door Christus aangenomen’. In de doop wordt Gods liefde geschonken – zonder dat er een verwijzing naar de kruisdood van Christus gebruikt wordt. Het leven is ons geschonken. Wij hebben het niet van onszelf. Thomas spreekt scherp van ‘theïstische afhankelijkheidsformuleringen die met een heel oppervlakkig christelijk vernisje’.

Trinitarisch
4) Thomas pleit zelf voor een vierde weg. Hij neemt nadrukkelijk afstand van de 2e en 3e optie en wil de 1e optie uitbreiden. Hij pleit voor een trinitarische invulling van de doop. Daarmee kan de klassieke betekenis gehandhaafd blijven, maar wordt deze verbonden met de hedendaagse nadruk op de scheppingstheologie. Daarmee wordt volgens hem ook serieus genomen dat de doop geschiedt in naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

N.a.v. Günther Thomas, Was geschieht in der Taufe? Das Taufgeschehen zwischen Schöpfungsdank und Inanspruchnahme für das Reich Gottes (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Verlag, 2011) 7-22

eBook / Pdf: http://www.theologie.uni-greifswald.de/fileadmin/mediapool/5_LS-Assel/Dokumente/Thomas_Was_geschieht_in_der_Taufe_Druckfassung.pdf

Epiloog
De opmerking van Günther Thomas dat de doop vanuit de scheppingstheologie een heidense betekenis kan krijgen fascineert mij. Bij een recensie van Henk Vreekamp, die zelf zeer geboeid is door de latente heidense onderstroom in het christelijk geloof, refereerde ik aan de doop: ‘Als men op de Veluwe besefte wat de doop inhield, had men minder last van tovenaars en heksen.’ Wanneer ik de interpretatie van Thomas goed begrijp opent zowel het geleefd geloof als de officiële theologie juist bij het ritueel dat de afscheiding naar het heidendom zou moeten aangeven de deur voor het heidendom.

Advertenties

Preek zondag 22 juni – morgendienst

Preek zondag 22 juni – morgendienst
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Psalm 87

De HEERE telt hen erbij,
wanneer Hij de volken opschrijft,
en zegt: Deze is daar geboren.
(Psalm 87:6)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

De Heere telt hen erbij – zegt Psalm 87.
Dat is voor ons allemaal wel van belang, denk ik, dat we meegeteld worden.
Want dat geeft aan dat je gezien wordt, dat je erbij hoort, dat je gewaardeerd wordt.
Dat geldt heel ons leven.

Dat begint al als kind:
Dan is het fijn als je uit school een vriendje of een vriendinnetje hebt om mee te spelen,
dat je met elkaar afspreekt.
Of wanneer iemand je meeneemt de klassen rond.
Als je op de middelbare school zit, is het van belang dat je bij de groep hoort,
dat ze jou ook whatsappen
en dat je het ook hoort als er iets wordt afgesproken,
om te voetballen of naar het zwembad te gaan bijvoorbeeld.
Voor volwassenen is het van belang om mee te tellen op je werk
of dat je voor je gevoel niet achterblijft bij vriendinnen.

En we zijn ook best bereid om iets extra’s te doen
om ervoor te zorgen dat we meetelllen:
Je laat je huiswerk schieten om dat je bij de groep moet zijn
of omdat je de whatsapp-berichtjes wel moet blijven volgen.
Of je spreekt toch maar af met vrienden
terwijl je moe bent en je gezin ook wel tijd kan gebruiken.

Dat het van grote betekenis is dat je meetelt,
merk je pas als je zelf voor je gevoel je best ervoor moet doen
om ergens bij te horen.
en helemaal wanneer je over het hoofd gezien wordt,
Wanneer je geen berichtje krijgt als er ergens een feestje gegeven wordt
en je daardoor niet er niet van weet of je weet niet of je er naar toe moet gaan.
Of als je thuis komt te zitten in de ziektewet,
je collega’s niet naar je informeren en je werkzaamheden makkelijk door anderen opgepakt worden.
Dan vraag je je al snel af: ‘Word ik wel gemist? Tel ik wel mee?’

Tel ik eigenlijk wel mee? Hoor ik erbij?
Dat is een vraag die heel snel bij ons boven kan komen.
We vinden het fijn als iemand die bevestiging geeft: je hoort er inderdaad bij.

Die vraag speelt ook naar God toe:
Hoor ik bij de Heere er wel bij? Telt Hij mij mee?
Dan zegt Psalm 87 wel: de Heere telt hen erbij.

Maar juist dat vinden we moeilijk te geloven.
Voor ons is het geen zekerheid, dat de Heere ons erbij telt,
maar meer een vraag,
een vraag waar we geen antwoord op weten: Telt de Heere mij erbij?
En als we een antwoord hebben, zal het eerder zijn:
‘Ik denk het niet. Ik denk het niet dat God míj erbij rekent – mij meetelt.’
Want, voor ons gevoel, moet je dat ook laten zien, dat je erbij hoort.
Dan mag je jezelf er pas bij rekenen,
als je het hebt laten zien:
als je in de Bijbel leest, trouw naar de kerk gaat
of als er in je leven een verandering plaats vindt, waarbij niet meer de verkeerde dingen doet
(die je nu nog wel doet en die je nu misschien ook nog best leuk vindt
en daarom zo moeilijk kunt laten.)
Misschien zeg je daarom wel: ‘Ik mag mij er niet bij rekenen, of nog niet.’

Maar de voornaamste vraag is niet of wij onszelf erbij mogen rekenen,
maar of de Heere u, jou, erbij rekent.

Geldt het ook voor mij, geldt het ook voor u:
De Heere telt hen erbij?
Want dat is toch dé vraag die in het leven telt: vraag van verloren gaan of eeuwig behoud.
een vraag die je als doopouder voor je kind hebt?
Wat zeggen jullie, doopouders, als je kind later naar vraagt,
wat geef je dan als antwoord?
Of zeg je dan: ‘Eerlijk gezegd weet ik het ook niet. Ik hoop het.’
Wat een onzekerheid kan dat geven.

Maar, gemeente, doopouders, is die onzekerheid wel nodig?
Laat de Bijbel en laat de doop niet zien,
dat de Heere zelf een antwoord geeft,
een antwoord die de onzekerheid wegneemt, namelijk wat Psalm 87 aangeeft:
De Heere telt hen erbij.
Dat is ook de reden waarom er gedoopt wordt
en waarom we als kerk kleine kinderen dopen,
die zelf nog niet kunnen aangeven wie de Heere is,
die zelf nog niet in staat zijn om te geloven
en ook niet in staat zijn om te vertellen dat zij geloven en in wie.
Deze kinderen vanmorgen, ze zijn gedoopt, vanwege dat erbij rekenen van de Heere!
God zelf zegt het: Ik reken je erbij.
God rekent ze erbij en daarom, op basis van wat God aangeeft, worden ze gedoopt.

Omdat het voor ons moeilijk is te geloven, omdat wij ons dat nauwelijks kunnen voorstellen
is er de doop, waarmee we het tegen de Heere mogen zeggen:
‘Heere, U hebt zelf gezegd: ‘Ik reken je erbij!’
U hebt zelf gezegd: ‘Ik wil je Vader zijn!’
U hebt zelf gezegd: ‘Ik ben ook voor jou en jouw zonden gestorven!’
Dat is de zekerheid die we ontvangen, gemeente:
Gods eigen woord, en de doop.

Trouwens, ook de doop is iets dat God aan u, aan deze kinderen heeft gedaan.
Kijk maar naar het formulier:
Als we gedoopt worden in de naam van de Vader
=> dan volgt er een belofte, een uitspraak van de Vader.
De Vader in de hemel belooft met de doop.
en dat geldt ook voor de Zoon, voor de Heilige Geest.
De doop is niet wat deze ouders hebben gedaan, of wat ik als predikant heb gedaan,
nee, de doop komt van God.
De ouders hebben het gewild voor hun kind,
als predikant mag ik het uitvoeren en zichtbaar laten worden,
dat deze belofte van God ook voor deze kinderen geldt
en u als gemeente, ouders, bent er getuige van:
U ziet, omdat u de doop hebt gezien, dat de belofte ook voor deze kinderen geldt.

We maken een stap terug naar psalm 87.
We hebben al gehoord, dat de Heere ons erbij rekent,
u en jou, vanmorgen in het bijzonder de gedoopte kinderen.
Wat betekent dat, wat de Heere zegt: Ik tel je erbij?
Ik reken je tot Sion.
Wat betekent dat?
Sion is de berg waarop Jeruzalem is gebouwd,
maar nog veel belangrijker: Sion is de berg waarop de tempel is gebouwd.
De tempel was voor het volk Israël een bijzonder gebouw:
Daar in de tempel kwamen hemel en aarde bij elkaar,
daar was God, daar in de tempel woonde de God die in de hemel woont,
de God van Israël, de Allerhoogste, zoals deze psalm Hem bezingt.
Hoger dan de God van Israël is er niet.
Omdat de tempel in Jeruzalem stond, op de berg Sion,
daarom kon de mensen in Jeruzalem zingen:
wij zijn de stad van God, God is in ons midden.
Hij heeft hier in Jeruzalem Zijn woning.
Hij heeft hier in Jeruzalem Zijn troon, waar vandaag Hij over hemel en aarde regeert.
Daar in de tempel is er een stukje hemel op aarde, omdat de Heere er is.
Te heilig voor gewone mensen, zelfs te heilig voor de priesters.
Eén keer per jaar mocht de hogepriester bij God kom in het allerheiligste wat er was
Het heilige der heiligen,
om te vragen of de Heere de zonden van het volk wilde vergeven.

Daar mag je dan bij horen, want: Ik tel je erbij, zegt de Heere dan. Ik reken je mee.
Ook jij, ook u, ook de kinderen die gedoopt zijn,
zij behoren ook tot de mensen die in Sion geboren zijn.

Kersverse vader weten: het kind dat net geboren is,
moet binnen enkele dagen ingeschreven worden in de burgerlijke stand.
Psalm 87 geeft aan, dat de Heere ons inschrijft.
Hij maakt het officieel, zodat er niets meer aan veranderd kan worden.
Je hoort ook bij mij – ik reken je bij Israël.
Israël is Mijn volk, Ik ben de God van Israël,
De woorden van God, die zorgen ervoor dat je erbij hoort.
Niet de doop – de doop is alleen het bewijs, het officiële papier dat het ook echt zo is.
Je hoeft er niet meer aan te twijfelen, je mag er niet meer aan twijfelen.
‘Waar kom je vandaan?’ vragen mensen nogal eens.
Wanneer je gedoopt bent, mag je zeggen: Ik ben van Sion, van de Heere.
Ik bedoel daarmee niet, dat je je op de borst moet kloppen
en je ook beter moet vinden dan anderen die niet gedoopt zijn.
Nee, daar gaat het niet om.
Dat je mag zeggen: ‘Ik ben er geboren!’ dat is iets wat je met verwondering mag zeggen,
met tranen van geluk in de ogen: het geldt ook voor mij!
Ook ik, stel je voor: ook ik, mag erbij horen, bij al die mensen die bij de Heere horen!

Dan geldt ook de rest van de Psalm.
In de psalm wordt er gesproken over de poorten van Sion.
Om Jeruzalem heen muren en die muren die zorgen voor de veiligheid
van degenen die in de stad wonen.
Als je tot Sion gerekend wordt, mag je je ook veilig weten bij de Heere.
Zoals we gezongen hebben: Ik ben veilig in Jezus’ armen.
Dat geldt voor de je kind, dat geldt voor jezelf, dat geldt voor allen die bij je horen.
Achter de poorten en de muren ben je veilig tegen het kwaad dat komt.
Daarom al is het mooi om erbij te mogen horen,
maar het gaat om meer: daarbinnen,
als je de poort bent binnen gegaan, ben je bij de Heere.
Is er een ontmoeting mogelijk met Hem.
Een veilige muur om je heen, waar je thuis bent ook bij de Heere.
Je hoort erbij. Je kind hoort erbij.
Maar dat is wel heel stellig.
Is daar niet meer voor nodig?
Want zo hoor je er wel heel makkelijk bij
en ben je zo verzekerd van een plekje in de hemel.
Zo gemakkelijk gaat dat toch niet?
Moet er niet voor gestreden worden?
Kunnen we dat van onszelf wel zeggen,
dat wij ons tot Sion mogen rekenen, tot degenen die bij de Heere horen?
Laat de doop ook niet iets anders zien?
Het doopformulier begint er ook mee, dat de doop allereerst laat zien
dat we buiten Sion geboren zijn: want dat betekent in zonde ontvangen en geboren.
en dat ons begin eigenlijk is: wij mogen onszelf er niet bij rekenen.
We staan erbuiten.
en toch, we worden er buiten gerekend.
Ondanks dat we er buiten geboren zijn, rekent God zelf erbij.
Psalm 87 laat al zien dat Gods liefde over heel de wereld gaat
en niet beperkt blijft tot Jeruzalem en Israël.
Hoewel Israël en Jeruzalem een speciale plek blijven houden,
toch worden alle andere volkeren er bij gerekend.
Egypte in het westen,
Babel in het oosten
Ethiopië in het zuiden
en Libanon in het noorden.
Volken en landen die ook wel tegen Israël streden
en toch erbij mogen horen, vanwege Gods liefde.
Het Oude Testament laat al zien,
dat ook de andere volken over heel de wereld opgenomen zijn in Gods liefde,
door Gods genade erbij gerekend worden.

Wij werden geboren buiten die stad.
De poort van de stad ging open,
omdat Jezus kwam. Omdat Hij stierf. Aan het kruis. Buiten de stad.
Omdat Hij buiten de stad stierf op Golgotha, buiten deze poorten zei Hij
tegen de Vader: laat mij de plaats innemen
van allen die buiten de stad geboren zijn.
Laat mij hun zonde op mij nemen.
en hen zo bij u brengen, in de stad, achter de muren
waar ze veilig zijn en bij U mogen horen.

Te stellig? Zo stellig is de Heere! Zo stellig is het offer van Christus! Zo stellig gaat de poort open.
Voor u! Voor jou!
Maar dat vraagt wel geloof en dat is het moeilijkste.
We geloven het eerder voor ons kind: het beantwoorden van de doopvragen
wordt makkelijker gevonden dan het antwoord van de belijdenis.
We brengen eerder ons kind dan onszelf.
Ik reken je erbij, zegt de Heere.
Niet om je gemakzuchtig te maken, maar om je twijfel te overwinnen,
de onzekerheid weg te nemen,
zodat je dezelfde liefde kunt hebben
die Ik heb voor jou, voor u.

God zelf zal u bevestigen en schragen
en op de rol waar Hij de volken schrijft
u tellen als in Israël ingelijfd
en doen de naam van Sions kinderen dragen.

Amen

dr. A. van de Beek over de doop

dr. A. van de Beek over de doop

Wij geloven (…) één doop tot vergeving van de zonden. Wij belijden de wederopstanding van het lichaam en verwachten het leven in een wereld die komt.

In de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel wordt de doop gekoppeld aan de vergeving van de zonden én aan de wederopstanding van het lichaam. Daarmee wordt de doop geplaatst in het kader van de eschatologie: De doop wordt toegang tot de ‘toekomende eeuw’.

Op deze manier zet dr. A. van de Beek in met de doop. Met deze inzet is het ook begrijpelijk dat Van de Beek de doop aan de orde stelt in zijn boek God doet recht, dat over de eschatologie gaat. Bijzonder is dat de doop op deze manier niet in ecclesiologie (de leer over de kerk) aan de orde komt, maar in het deel dat voorafgaat aan het spreken over de kerk.

Van de Beek kiest er bewust voor om de doop op deze plaats aan de orde te stellen. Anders zou de doop een los onderdeel in de dogmatiek worden en vergeet men de doop thuishoort in het kader van de eschatologie. Wanneer het kader van de eschatologie ontbreekt en de doop dus niet meer gezien wordt als een toegang tot de komende wereld van God mist men ook de ernst van de doop.

Het gevolg is ook dat de doop individualistisch wordt opgevat en dat discussies over de doop gaan over verwante thema’s die doen vergeten dat de eschatologie het omvattende kader is. (Binnen de gereformeerde traditie gaat de discussie dan over de verhouding tussen doop en verbond. Binnen de charismatische beweging komt de nadruk te liggen op de doop met de Heilige Geest.)

Bad
Heeft de term ‘doop’ nog wel betekenis? Dr. H. Berkhof vond van niet. Hij stelde daarom het woord ‘bad’ voor.

(Berkhof vond van wel meer begrippen uit de dogmatiek dat deze niet meer bruikbaar waren en stelde op verschillende plaatsen in zijn Christelijk geloof nieuwe woorden voor. Deze woorden hebben zelden ingang gevonden. Vandaag de dag grijpt men juist weer terug op de ‘klassieke’ woorden.)

Van de Beek heeft bezwaren tegen deze omduiding:
– Het ‘bad’ laat niet zien dat er een verband is met de eschatologie.
– ‘Wassen’ is niet iets wat het innerlijk raakt; slechts de buitenkant wordt gewassen. Daarmee krijgt de zonde een bijkomstig karakter. Zonde raakt dan niet de kern en het wezen van de mensen. Hierdoor mist het ‘bad’ ook de ernst van de zonde.
– In de Schrift wordt reinigen van de zonde niet alleen betrokken op water en wassen, maar ook op het offer: het bloed van het offerdier dat voor de zonde wordt geslacht reinigt.

Toch is wordt er niet voor niets water gebruikt. De doop van Johannes de Doper laat zien, dat water en vergeving van de zonden samengaan. Dat komt omdat er een derde begrip aan wordt toegevoegd: omkeer of bekering. De doop markeert de bekering. De vergeving van de zonden wordt gevolgd door een geheiligd leven. De omkeer is een totale omkeer van het volk van God naar Gods geboden. De doop van Johannes de Doper staat in een eschatologisch kader: Israël moet zich voorbereiden op de grote omkeer van het volk. Door de wet van Mozes niet te houden, hebben zij de toorn van God op zich geladen en moeten zij de exodus (door middel van de doop) overdoen.
Het water van de doop is daarom niet vergelijkbaar met het badwater, omdat het meer doet dan schoonwassen. Het water van de doop is het water van het (laatste) oordeel. Het water van de doop brengt scheiding aan tussen levenden en doden, tussen de vijanden van God en degenen die door God bevrijd zijn.
Door de komst van Jezus is deze doop niet afgeschaft, maar geïntensiveerd en verzwaard.

Bad der wedergeboorte
Er is een tekst die over de doop spreekt als ‘bad’ en dat is Titus 3:5:

en heeft hij ons gered, niet vanwege onze rechtvaardige daden, maar uit barmhartigheid. Hij heeft ons gered door het bad van de wedergeboorte en de vernieuwende kracht van de heilige Geest

In deze tekst gaat het om het bad dat de toekomende eeuw (de nieuwe aeoon) aankondigt. Het gaat hier dus niet om de individuele geestelijke wedergeboorte, maar om de toegang tot het Koninkrijk van God. Deze toegang is mogelijk geworden door de goedheid en mensenliefde van God. Hier is geen sprake van een persoonlijke omkeer, maar van een kosmische omwenteling. De doop is dan het moment waarop mensen betrokken worden op deze kosmische omwenteling.
Er valt op deze manier ook een verband te leggen met de zondvloed: de doop is een zondvloed die over de dopeling heengaat. De doop geeft aan dat er uit deze zondvloed alleen redding mogelijk is door verbonden te zijn met Christus en dat er door Hem ook een nieuw leven ontvangen wordt – een nieuw leven door oordeel, dood en ondergang heen. ‘De doop is de participatie aan Christus die de nieuwe ark van het verbond is.’ (p. 175)

Doop en verbond
Van de Beek is kritisch op het verband dat binnen de gereformeerde traditie wordt gelegd tussen doop en verbond:
– Er is in het Nieuwe Testament en in de Vroege Kerk geen directe koppeling tussen doop en verbond.
– De verbinding aan het verbond haalt de doop weg uit de eschatologische context. Ook het verbond wordt uit de eschatologische context gehaald. Pas wanneer beide thema’s in het eschatologische kader worden geplaatst kan de koppeling worden gemaakt.
– Als er in het Nieuwe Testament gesproken wordt over het nieuwe verbond is dat het verbond dat in Christus is vervuld. Door deze vervulling is ook een tijdperk afgesloten. In de gereformeerde dooptheologie, waarin een koppeling gemaakt wordt tussen doop en verbond, wordt het oude verbond voortgezet. Alleen dan vanuit de relatie met Christus. De doop wordt dan de voortzetting van de besnijdenis in een andere gedaante. Hierdoor verdwijnt echter uit beeld dat de komst van Christus ook een crisis heeft veroorzaakt. Hierdoor wordt ook uit het oog verloren dat Christus gekomen is als Gods Zoon. (De discussie over de verhouding tussen doop en verbond is een Joodse discussie en niet een christelijke discussie, aldus Van de Beek.)

De doop van Christus
In de christelijke doop gaat het dus niet om de voortzetting van Gods verbond met Israël. Christus wordt ook door Johannes gedoopt. Wanneer Jezus wordt gedoopt, vervult Hij daarmee de weg van Israël. Het is echter niet de doop die de voltooiing is van het oude verbond, maar Christus’ offer aan het kruis. Daarom wordt Jezus ook gedoopt met het oog op het kruis. Het kruis is de bloeddoop van Christus. De weg van Jezus is de weg die God zelf gaat. Het is niet alleen een weg van ballingschap, maar ook van de dood en het ondergaan van het oordeel. De doop van Jezus kondigt al aan, dat Jezus aan het kruis als gehoorzame Zoon de weg naar het einde gaat.

Deelhebben aan de dood van Jezus
Aan het kruis nam Jezus het oordeel dat voor ons bedoeld was op zich. Aan het kruis nam Jezus als de Rechtvaardige bij uitstek de wet mee: de wet werd op Golgotha gekruisigd. Aan het kruis werden de vijandelijke machten, die tegenstander van God waren, aan de schandpaal genageld en verloren zij hun macht over de mensen. Daardoor werd Zijn dood aan het kruis in meerdere opzichten onze bevrijding.
De doop is een uitgaan uit het leven van al deze machten en een ingaan in het leven van Christus. Wij zijn gestorven en ons leven is in Hem.

Van de Beek bekritiseert de interpretatie die er leeft in piëtistische en charismatische kringen over het sterven en opstaan met Christus. In deze interpretatie is de ware gelovige een nieuwe schepping. Zij leven al ten volle in het nieuwe leven en worden geleid door de Geest.
De bezwaren die Van de Beek tegen deze opvatting heeft, is dat deze opvatting niet alleen leidt tot een geborneerd christendom, maar ook exegetisch problemen geeft: men kan de strijd uit Romeinen 7 en de spanning tussen vlees en Geest uit Romeinen 8 niet plaatsen. Men kan niet verklaren waarom de apostel hierover spreekt, nadat hij de doop aan de orde stelde. Het voornaamste bezwaar van Van de Beek is dat deze opvatting te individualistisch is: de kosmische betekenis van Christus’ komen wordt uit het oog verloren.

Het deelhebben aan het sterven en opstaan van Christus door de doop kan alleen vanuit een eschatologisch kader op de juiste manier worden begrepen. Het gaat om crisis: het komen van Christus scheurde het menselijk bestaan uiteen zoals bij een geboorte de vliezen gebroken worden. Verbonden aan Christus worden is geboren worden in een nieuwe wereld. Dat geboren-worden in de toekomende eeuw kan niet ernstig genoeg worden opgevat: Het is verlies, het is sterven, de weg naar het leven door de dood heen. We verliezen onze identiteit en ons bestaan aan Christus. We zijn niet meer van onszelf, maar eigendom van Christus (antwoord 1 H.C.). Ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij. (Galaten 2:20a) De doop is daarom radicaler en ingrijpender dan de biologische dood.

Geloof
Wie worden er gedoopt? Zij die geloven. Het binnentreden van de gemeenschap van Christus, van het Koninkrijk van God kan niet zonder geloof. Geloof en doop horen dus bij elkaar en kunnen niet losgemaakt worden. Geloof is ook genoeg. Geloof namelijk dat Jezus de Heer is: ‘Christus is genoeg. Je hoeft dat alleen maar te geloven en er niets aan toe te voegen.’
Alleen is er wel steeds het gevaar dat de aandacht die er voor Christus hoort te zijn, verschuift naar de aandacht voor het geloof. Dan komen de vragen op als: Geloof ik wel genoeg? Heb ik wel een waar geloof? Dan verschuift de aandacht van Christus naar de mens.
Ook deze aandacht voor de mens kan een vorm van zelfhandhaving zijn. ‘Nadenken over onszelf is bezig zijn met de oude wereld. Nadenken over onszelf is nadenken over die machten die Jezus aan het kruis hebben gebracht.’ (p. 210) Het gaat erom dat wij onszelf verliezen. Ondanks de nadruk op het geloof (dat geschonken wordt) en op Christus zijn protestantse gelovigen in hoge mate op zichzelf teruggeworpen.
De Vroege Kerk hield vast aan het eschatologische kader en sprak over participatie: deel hebben aan Christus’ dood en opstanding. ‘Het is Gods genadige toewending tot de wereld, waardoor Hijzelf in ons midden is gekomen, opdat wij door zijn dood die onze dood is, zouden leven in zijn leven.’ (p. 212)

De doopformule
De formulering bij de doop geeft ook aan dat wij niet meer van onszelf zijn en dat onze identiteit buiten onszelf ligt: er wordt gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Wie gedoopt is, is van Christus. Zo nauw als Christus en de Vader met elkaar verbonden zijn, worden ook de gedoopten aan God de Vader, Zoon en Geest verbonden. Daarmee wordt de gedoopte de nieuwe schepping van Christus binnengebracht. De dopeling sterft aan de wereld en wordt van Christus.

Het lijden van dit ogenblik
Doordat we in de nieuwe schepping van Christus worden binnengebracht, delen wij reeds in het einde der tijden. Dat het nieuwe leven gepaard gaat met lijden is geen ontkenning van de heerlijkheid die wacht, maar een bewijs van het toebehoren aan Christus. Het leven van een christen bestaan uit aanvechting en lijden. De gemeente (en ook de gelovige) is hier op deze aarde aanwezig als kruisdragend.

Doop als sacrament
De doop is fundamenteel voor het delen in het Koninkrijk van God. De doop is niet het Koninkrijk van God als zodanig, maar wel aanwezigheid van dat Koninkrijk. In het ritueel van de doop gaat de dopeling immers onder in de dood van Christus. Daarom is de doop een sacrament.
Van de Beek heeft zowel tegen de katholieke als de protestantse visie op het sacrament bezwaren:
– Tegen de katholieke visie brengt Van de Beek in, dat het geen bevestiging van het aardse is, maar verlies van het aardse. Het gaat in het sacrament om afsterven aan de oudere wereld en leven in het Koninkrijk van God.
– Tegen de protestantse visie brengt Van de Beek in dat men hier niet inziet dat het in het sacrament reeds gaat om presentie van het Koninkrijk. De protestantse visie op het sacrament lijkt teveel op de rituelen uit het Oude Testament: het sacrament is type van de komende werkelijkheid.

Kinderdoop
Ondanks het verband tussen geloof en doop werden in de Vroege Kerk reeds zuigelingen gedoopt. Dat heeft ermee te maken dat het geloof meer is dan de enkeling die belijdt. Het geloof strekt zich ook uit tot de kring van mensen om de gelovige heen. De redding gebeurt ook niet omdat wij geloven of het juiste geloof hebben, maar omdat het heil in Christus is gekomen.
Voor degenen die de zuigelingendoop afwijzen vindt de doop plaats op grond van de individuele geloofsdaad. Dan wordt het een menselijke beslissing die bepalend wordt. De opkomst van de volwassendoop en de kritiek op de zuigelingendoop komt dan ook op in een cultuur waarin meer nadruk ligt op de handelende mens, die zelfstandig een vrije keuze maakt.

In de doop gaat het echter om een werkelijkheid die zich voltrekt en die wij als mensen alleen maar kunnen beamen. Het gaat om geloof dat God in Christus beslissend heeft ingegrepen en dat aan Hem het Koninkrijk en de kracht is. Omdat ook zuigelingen en kinderen in de werkelijkheid, die zich voltrekt, mogen delen, worden zuigelingen gedoopt. Het is de doop die mondig maakt en niet omgekeerd een mondig worden die naar de doop verlangt.

In het Nieuwe Testament wordt bovendien over de doophandeling als passivum gesproken: er wordt gedoopt. Dat passivum is een zogenaamd passivum divinum. De passieve vorm wordt in de Bijbel vaak gebruikt om het actieve handelen van God aan te geven. In de doop is God de handelende persoon. Hij is het die de doop voltrekt. De doop geschiedt aan ons of is aan ons geschied.

N.a.v. dr. A. van de Beek, God doet recht. Eschatologie als christologie. Spreken over God 2.1 (Zoetermeer: Meinema, 2008) 168-220.

Doop en sociaal milieu – 2

Doop en sociaal milieu – 2

Vervolg op Doop en sociaal milieu -1

Net als de samenleving bestaat de kerk uit verschillende sociale milieus. De sociale samenstelling van de kerk is anders dan die van de samenleving. Bepaalde milieus, zoals het traditionele milieu en van het burgerlijke midden zijn oververtegenwoordigd in de kerk in vergelijking met de maatschappij. De kerk weet deze milieus beter te bereiken dan andere milieus.

De uitdaging van de kennis van sociale milieus is niet alleen om de minder goed bereikte milieus te bereiken, maar ook om degenen die wel bereikt worden te stimuleren om verder te gaan op de weg van het evangelie. Juist ook rondom de doop. Want de milieus die door de kerk wel bereikt worden, nemen vaak slechts een deel van het evangelie over.

Burgerlijke midden
Degenen die tot het milieu van het burgerlijke midden behoren hebben vaak behoefte aan economische en sociale zekerheid. Ze zijn gericht op harmonieuze verhoudingen. Zij hebben alles over voor hun gezin, want hun gezin staat voor hen voorop. Zij vinden het fijn als hun gezin onderdeel is van de kerkelijke gemeente en willen graag dat de kerk op gezinnen is gericht.

Doop
Rondom de doop speelt gezin en familie dan ook een grote rol. Het is van belang dat de doop plaatsvindt volgens de plaatselijke gebruiken van de kerk, maar de doop moet wel met een persoonlijk accent worden uitgevoerd en niet routinematig. Het mooiste zou zijn als de doopdienst een gezinsdienst is. Een aanknopingspunt is dat de doop het binnentreden is in de gemeenschap van gelovigen, dat gevierd wordt in het midden van Gods gezin.

Provocatie van het evangelie
Daarentegen is voor dit milieu het evangelie ook een provocatie: in de doop gaat het om meer dan de zichtbare gemeenschap, want het gaat ook om de gemeenschap met Christus in Zijn dood en opstanding. Ook de thematiek van de rechtvaardiging van de goddeloze is voor dit milieu een provocatie. Ze zijn gewend om hun identiteit te ontlenen aan wat zij doen en aan wat zij hebben. Genoeg uitdaging voor het doopgesprek en de preek in de doopdienst!

Het precaire milieu
Een milieu dat door de kerk moeilijk bereikt wordt is het laagste sociale milieu: het precaire milieu. Terwijl in de maatschappij 10% van de mensen tot dit milieu behoort, behoort slechts 1% van de kerk tot dit milieu.
Als er toch contact is met de kerk en er gedoopt wordt, wordt de doop door de hele familie beschouwd als een gebeurtenis met status (want dit kind hoort toch bij de gemeenschap).

Doop
Inhoudelijk heeft de doop vooral de betekenis van een zegen: het gedoopte kind krijgt Gods bescherming of een beschermende kracht mee op de levensweg. Voor de gemeenteleden die tot dit milieu behoren is alles wat er in de kerk gedaan wordt vrij snel te moeilijk.
Toch zijn er ook aanknopingspunten: in de genade van God die gratis is en niet verdiend hoeft te worden, het erbij mogen horen bij God en bij Zijn gemeenschap. De doop laat zien dat dit kind geen nummer is, maar een persoon.

De uitdaging van het evangelie
De uitdaging vanuit het evangelie is dat degenen die uit dit milieu komen beseffen dat het in de doop om meer gaat dan bescherming en veiligheid. In het doopgesprek dient de betekenis van de doop en de gang van zaken op een eenvoudige manier te worden uitgelegd.
In dat gesprek zal het verschil in milieu tussen de predikant (of ouderling) en de doopouders merkbaar zijn. Het is zaak om daar met respect voor de ander rekening mee te houden. Het is verstandig om aan te voelen waar de doopouders zich zorgen om maken als het gaat om hun kind, de doopdienst of de kerk. Maar ook om aan te voelen waar deze ouders naar uitkijken en waar ze trots op zijn.

Aanrader
Zo wordt van al de verschillende milieus die er volgens het SINUS Instituut zijn aangegeven welke band er met de kerk is en hoe er tegen de doop wordt aangekeken. Daarnaast worden de aanknopingspunten verwoordt, maar ook op welke manier zij door het evangelie verder uitgedaagd zouden kunnen worden.

Een aanrader! Niet alleen vanwege het overzicht van de verschillende milieus en hun visie op kerk en doop. Maar ook vanwege de vele praktische suggesties voor het doopgesprek en de doopdienst.

Heinzpeter Hempelmann, Benjamin Schlieβer, Corinna Schubert, Markus Weimer, Handbuch Taufe. Impulse für eine milieusensible Taufpraxis (Neukirchen-Vluyn, 2013)

Doop en sociaal milieu (1)

Doop en sociaal milieu (1)

Onze maatschappij bestaat uit verschillende sociale milieus. Deze milieus hebben allemaal hun eigen karakter. Elk milieu heeft weer een andere band met de kerk. Binnen zo’n milieu heeft de doop ook weer een andere betekenis. Het is verstandig dat de kerk oog krijgt voor deze verschillen.

villa_meissen_wohnzimmer

Voorbeeld 1
Een echtpaar meldt zich aan voor de doop. Er wordt een afspraak gemaakt voor een avond. Het huis ligt in de nieuwbouwwijk en behoort tot de grotere huizen. Bij binnenkomst blijkt aan de inrichting van het huis dat het echtpaar behoorlijk bemiddeld is, waardoor de inrichting imponeert. Of misschien ook wel irritatie oproept: kun je in deze tijd nog wel voor zoveel geld een huis kopen en voor zoveel geld een huis inrichten? In ieder geval veroorzaakt de eerste indruk bij binnenkomst een bepaalde gereserveerdheid. Ik stap in een wereld die duidelijk niet de mijne is.

large

Voorbeeld 2
Een tijd later is er een afspraak voor een doopgesprek met een ander stel. Zij wonen in een flat. Het opruimen van de kamer kost duidelijk teveel energie. Aan de muur hangt een grote flatscreen, die nog aanstaat en nog veel lawaai maakt ook. De moeder die het kind nog aan het voeden is beduidt met een handgebaar om ergens te gaan zitten en denkt er niet aan om de tv uit te doen. Door het geluid van de tv is het niet mogelijk om met elkaar een gesprek te voeren. Dat roept de vraag op: moet ik zelf aangeven dat de tv uitgezet moet worden?

Sociale milieus
Deze voorbeelden komen uit het Handboek doop. Dit handboek is een eerste deel in een nieuwe serie Kerk en (sociaal) milieu. Binnen het missionaire werk is steeds meer besef dat in de kerkelijke praktijk steeds meer rekening gehouden moet worden met de verschillende sociale milieus waaruit een samenleving bestaat. Wanneer men in de kerkelijke praktijk geen oog heeft voor dit verschil in sociale milieus kan men als kerk het contact verliezen met bepaalde milieus. De afdeling Missionair werk en kerkgroei van de Protestantse Kerk werkt met de milieus van Motivaction.
Het Handboek doop is afkomstig uit Duitsland. Daar baseert men zich op de studies van het Sinus Instituut. Dit instituut heeft veel onderzoek gedaan naar sociale milieus in Duitsland. Net als Motivaction heeft het SINUS Instituut een aantal milieus gekenschetst. In een aantal studies heeft het SINUS Instituut onderzocht wat de relatie van deze milieus is met de kerk(en).

SINUS-Model
In het onderzoek heeft het SINUS Instituut gekeken naar de sociale positie: behoort iemand hoogste klasse, tot de hogere middenklasse of de laagste (midden)klasse van de samenleving? Daarnaast heeft men gekeken naar de basisoriëntatie. Deze oriëntaties zijn ook weer opgedeeld:

– Is iemand traditioneel? Dat kan op twee manieren: door vast te houden of door te bewaren.
– Of is iemand gericht op modernisering of individualisering? Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen iemand die gaat voor levensstandaard (‘hebben & genieten’) of voor emancipatie (‘zijn en veranderen’).
– Of is iemand gericht op nieuwe waarden en normen? Daarbij kan de ene groep zich richten op een meerkeuzementaliteit en de ander op ontdekken en exploreren.

4df9823a0540a11d71655b7368fdbd8b

Door deze twee te combineren reconstrueert het SINUS Instituut dat de maatschappij uit 10 verschillende milieus bestaat, die allemaal een eigen sociale positie én een eigen basisoriëntatie hebben:
* conservatief-gevestigd
* liberaal-intellectueel
* milieu van de performers
* milieu van degenen die op expeditie uitgaan
* de burgerlijke middenklasse
* adaptief-pragmatisch
* sociaal-ecologisch
* traditioneel
* precair
* hedonistisch.

Deze verschillende milieus zijn in een grafiek ingebracht, waarbij de verticale as de sociale positie weergeeft en de horizontale as de basisoriëntatie (zie voor deze zogenaamde ‘aardappelgrafiek’: www.sinus-institut.de of www.milieus-kirche.de).

images

Doop
Voortbordurend op deze studies willen de auteurs van het Handboek doop nagaan, wat de kennis van de verschillende milieus betekent voor de praktijk van de doop:
– Welk beeld van de kerk leeft er binnen een bepaald milieu?
– Welke betekenis heeft de doop binnen zo’n milieu?
– Hoe moet een doopgesprek gevoerd worden?
– Welke thema’s moeten er aangesneden worden? Hoe legt men een verbinding met het evangelie? Wat moet wel en wat niet in een doopdienst gebeuren? (Daarover de volgende bijdrage.)

Heinzpeter Hempelmann, Benjamin Schlieβer, Corinna Schubert, Markus Weimer, Handbuch Taufe. Impulse für eine milieusensible Taufpraxis (Neukirchen-Vluyn, 2013)

Geschreven voor HWConfessioneel.

Doopverwaarlozing

Doopverwaarlozing

Tijdens het kennismakingsrondje vraag ik de catechisanten om zich voor te stellen met hun doopnaam en te vertellen wat hun doopdatum is. De catechisanten reageren daarop met gezucht en verbaasde reacties: “Ik heb geen doopnaam.” Anderen die wel een doopnaam hebben, zuchten. Zij hebben namen die zij liever niet hardop uitspreken in deze groep: ouderwetse namen waarmee zij vernoemd zijn naar opa of oma. In alle groepen waar ik deze vraag stelde was er slechts één catechisant die zijn of haar doopdatum wist, omdat de doopkaart in de slaapkamer hing.
Daarna vroeg ik wanneer er met hen over de doop gesproken was. Ook maar één reactie: ‘Om mij mee naar de kerk te krijgen. Dan zeggen mijn ouders: we hebben je laten dopen!’

Dat laat zien, dat de doop wel als belangrijk ervaren wordt, maar dat er in de opvoeding van de kinderen zelden gesproken wordt over de betekenis van de doop. Als de doop ter sprake komt, is het vooral in waarschuwende zin: ‘Daar kun je toch niet met een gedoopt voorhoofd komen?’ Of: ‘Denk eraan, je bent gedoopt!’
Verder wordt er in de opvoeding nauwelijks gesproken over de doop. Er wordt niet gesproken over de beloften van de doop of wat het bijzondere is dat de Here Zijn naam aan onze naam verbindt. Over het in zonde geboren en ontvangen en over de noodzaak dat onze zonden afgewassen moeten worden door het bloed van Christus zal ook niet gesproken worden.

images

Door niet over de doop te spreken is de doop veranderd in een kerkelijk ritueel aan het begin van het leven. Dat de doop betekenis heeft voor het gehele leven of dat de doop betekenis heeft voor het kerkzijn is vaak nauwelijks bekend.
Vraag aan jongeren wanneer zij bij de kerk horen en ze komen waarschijnlijk met het antwoord dat wanneer zij belijdenis gedaan hebben bij de kerk horen. In ieder geval zullen ze niet zo snel aan de doop denken. Vraag aan ouders waarom zij hun kind laten dopen. Ze zullen antwoorden dat zij de Schepper dankbaar zijn, of dat zij ook willen dat de hemelse Vader voor hun pasgeboren kind zal zorgen. Ouders die meer weten, zullen antwoorden, dat zij hopen dat hun kind ook van de Heere Jezus mag zijn. Vaak weten ouders niet goed onder woorden te brengen, waarom zij hun kind willen laten dopen. Daar heb ik begrip voor.

Waar het mij om gaat, is dat antwoorden van ouders meestal aangeven dat de doop een gewoonte is. Waarbij ik wil benadrukken dat ik dat niet negatief bedoel: het is een goede gewoonte, een belangrijke traditie die gelukkig nog steeds een levende traditie is.
Tegelijkertijd laten deze antwoorden ook zien, dat als de kinderdoop geen traditie was, veel kerkleden niet zouden kunnen uitleggen wat de meerwaarde is van de kinderdoop boven het opdragen.
Scherper gezegd: is de huidige praktijk van de doop van pasgeboren kinderen niet veelmeer een levensritueel, een inzegenen van het nieuwe leven, dan een ritueel van navolging en discipelschap?
Ik bedoel dat niet kritisch naar de ouders toe, maar naar de kerk en de geloofsopvoeding, de catechese toe. Ergens wordt er een afslag gemist, waarbij uitgelegd zou moeten worden dat de doop meer is dan het zegenen van nieuw leven.

KIA050422_cf30f

Dat de doop toch diep beleefd wordt en voor ouders een grote betekenis heeft, laat de discussie over overdoop zien. Ouders van een kind, dat zich laat overdopen, voelen dat vaak als een kritiek op de opvoeding die zij hebben meegegeven.
Maar ik moet hierbij altijd denken aan een kritische vraag die ik van iemand uit de evangelische beweging kreeg: hoe komt het dat een overdoop tot felle discussies of zelfs verwijdering leidt, maar dat iemand die niet meer naar de kerk gaat (en dus weinig met zijn doop doet) daar niet op aangesproken wordt? Een belangrijke vraag die ons uitdaagt om na te gaan hoe wij onze kinderen de betekenis die de doop voor het hele leven en de gehele geloofsweg heeft uit te leggen en bovenal te vieren.

Hoe kan de doop dichterbij gebracht worden, zodat het niet alleen een levende traditie is, maar ook bijdrage levert aan de geloofsweg die kinderen gaan? Zelf proberen wij in ons gezin dat te doen door de doopdag te vieren. Elk jaar is er ongeveer een maand na de verjaardag nog een kleine feestdag. Op deze doopdag wordt een nieuwe kinderbijbel als cadeau gegeven en op die doopdag wordt die nieuwe kinderbijbel feestelijk in gebruik genomen. Door de doopdag te vieren, hopen wij dat onze kinderen in te wijden in de betekenis van de doop.

Geschreven voor HWConfessioneel

De doop als basis van het christelijke leven

De doop als basis van het christelijke leven

De doop hoort vanaf het begin bij de christelijke missie: de verkondiging en de aanname van het geloof in de ware God en Zijn Zoon Jezus Christus. De doop is vanaf het begin een liturgische handeling met een symbolische betekenis. Dat houdt in dat de doop in een eredienst plaatsvond en dat deze handeling iets tot uitdrukking brengt.

Liturgische handeling
Deze handeling drukte bijvoorbeeld in het ondergaan in het water uit dat men verbonden was met de dood van Christus die verzoening bracht. Het omhoog komen uit het water drukte uit dat men ook deelde in Zijn opstanding. In de rest van het leven dat volgde had de gelovige deel aan de opstandingsleven van zijn Heer: de gelovige ontving de (her)scheppende kracht van de Geest, waardoor God Christus had opgewekt uit de dood.
De doop kan daarom beschreven worden als een nieuwe schepping, een opnieuw geboren worden door de Geest. De gelovige komt letterlijk in Christus, zodat de gelovige in Christus leeft en Christus in de gelovige. Dit kan ook over de Geest worden gezegd: de Geest leeft in de gelovige en de gelovige leeft in de Geest.

Doop van Jezus
Alle 4 evangeliën vertellen dat Jezus ook werd gedoopt. Hij die rechtvaardig was en de doop tot bekering niet nodig had verlangde ook om gedoopt te worden. Volgens Mattheüs om op die manier alle gerechtigheid te vervullen (Mattheüs 3:15). Hij liet zich in onze plaats dopen. Het bijzondere van de doop van Jezus komt tot uitdrukking door het visioen dat er op volgt: Hij is de Zoon van Gods welbehagen (zie Psalm 2:7 en Jesaja 42:1). Na de doop ontving Hij de Heilige Geest (zie Jesaja 61:1). Gelovigen worden gedoopt in de naam van deze Christus, die de Zoon van Gods welbehagen was en ontvangen in de doop ook de Geest die Hij ontving. Vanaf het begin is de doop een trinitarisch gebeuren, waarbij Vader, Zoon en Heilige Geest betrokken zijn.

Overgang naar een nieuw leven
Voor alle eerste christenen was de doop de plaats waarin zich de overgang naar Christus en daarmee de verandering en vernieuwing van het totale bestaan voltrok. De doop is de blijvende basis voor het christenzijn. Aan de ene kant ervaart de gelovige met de vergeving van zonden een radicale en totale bevrijding van de dodelijke heerschappij van de zonde over ons leven. Aan de andere kant wordt voor de gelovige de entree tot de nieuwe levenswerkelijkheid. Door middel van de doop heeft de gelovige reeds deel aan de voltooiing van het heil op de Jongste Dag.
Dat de doop wordt ervaren als een gemeenschap met het sterven en opstaan van Christus is het werk van de Heilige Geest.

Aspecten van de doop
Aan de doop zijn de volgende aspecten verbonden:
(1) Een christologisch aspect: In Zijn dood aan het kruis is Christus in onze plaats getreden. Hij heeft daar op Golgotha in onze plaats de gevolgen van de zonde gedragen.
Wezenlijk voor de doop is dat God ons met de dood die Christus stierf voor onze verzoening verbindt en ons deel geeft aan Zijn opstanding. Hij stierf onze dood en droeg het oordeel over onze zonden.
(2) Een pneumatologisch aspect: De Geest doet ons deze verbinding met Christus’ sterven en opstaan ervaren. Hij schenkt ons dat nieuwe leven van Christus. De Geest is de (her)scheppingskracht die ons het nieuwe leven doet ervaren.
(3) Een eschatologisch aspect: De Geest die wij ontvangen is een werkelijkheid uit de ‘toekomstige eeuw’.
(4) Een sociaal aspect: In de doop wordt de gelovige weggenomen uit de bestaande sociale verhoudingen. Het onderscheid tussen man en vrouw, tussen geschoolde Grieken en ongeschoolde barbaren, maar vooral de fundamentele scheiding tussen Jood en heiden is weggenomen. Er is nu nog maar één rol: in Christus. De Geest neemt niet onze individualiteit weg, maar wel de ik-gerichtheid van de zondaar met zijn egocentrische levenswijze. De Geest bevrijdt ons tot het ware leven: het leven in Christus, die een is met God. Door Christus en Zijn eenheid met God ontstaat een nieuwe gemeenschap met ieder die in Christus is. Deze nieuwe gemeenschap wordt door de Geest geschapen.
In de joods-christelijke heidenmissie werd de kerk als de eschatologische voltooiing van het volk van God gezien. Ook bij deze visie is de doop het fundament (1 Petrus 2:2-10).

De doop is de wijze van navolging van Christus sinds Zijn sterven en opstaan. Voor Pasen kon men Hem volgen zoals de discipelen deden. Na Pasen wordt de doop de toegang tot een levenslang delen in Zijn sterven en opstaan; een levenslang kruisdragen (vgl. 2 Kor. 4:10v). Het nieuwe ten opzichte van de navolging voor Pasen is dat het in de doop ook gaat om een verbinding met zijn dood. Net zoals de discipelen is de doop een breuk met het vorige leven, maar houdt de doop ook een ontvangen van een nieuw leven in Christus in. Na Pasen wordt de navolging getekend door de doop en de voortdurende bewaring van de bevrijding uit de slavernij.

De doop van een geheel ‘huis’
Toen de verkondiging in steden kwam, werden voorname personen met hun gehele huis gedoopt. Dat gebeurde niet alleen vanuit sociale overwegingen (knechten die ondergeschikt waren aan hun heer), maar ook vanuit praktische overwegingen. Een huis kon alleen gebruikt worden voor de eredienst als alle leden van dat huis waren gedoopt. Lukas bericht geregeld over ‘huizen’ die werden gedoopt (Handelingen 10:44-48, 11:15-17, 16:14v, 16:32v, 18:8).
De doop betekent weliswaar een breuk met bestaande structuren, maar het gezin is een belangrijk onderdeel van de christelijke geloofsleer. Het huwelijk krijgt bij de eerste christenen een diepere betekenis: afspiegeling van de band tussen Christus en de gemeente. Het gezin vormt een christelijke gemeenschap, die op de doop is gebaseerd en daardoor verbonden is met het leven van de gemeente.
Een volkskerkelijk milieu waarbij de doop allereerst in dienst staat van het eigen gezin is een omkering van de vroegchristelijke betekenis van de doop en van de vroegchristelijke betekenis van het gezin. De doop is onderdeel van de gemeente en behoort daarom in een eredienst plaats te vinden.
Op veel plaatsen waar christenen een minderheid is, is de doop een gevaarlijke stap waarmee men breekt met de familie waarin men geboren is en buiten de maatschappij komt te staan. Ook bij de eerste christenen had de doop tot gevolg dat men buiten de eigen familie werd gezet.

De kwestie van de kinderdoop
Het zou een duidelijke exegetische bevestiging zijn als uit de gegevens van de huisdoop ook zou af te leiden zijn dat er kinderen werden gedoopt. Op basis van deze gegevens kan geen enkele zekerheid worden gegeven.
Er is 1 tekst uit het Nieuwe Testament die te verbinden is met de kinderdoop: Markus 10:13-16. In dit verhaal wordt een toespeling gemaakt op de doopliturgie: “verhindert hen niet “ is een verwijzing naar het onderdeel van de doopliturgie: “wat verhindert N.N. om gedoopt te worden? “ In de vraag of kinderen gedoopt mogen worden (een discussie die binnen de Joodschristelijke gemeenschap werd gevoerd) laat Markus zien: Jezus geeft toestemming om kinderen te dopen.
En 1 Korinthe 7:14? Paulus geeft aan dat kinderen van een echtpaar waarvan één ouder heiden is en één ouder christen (evenals de niet-gelovige ouder) medegeheiligd zijn in de gelovige ouder. Het is een bijzondere kwestie waar Paulus antwoord op geeft en is niet zomaar breder te trekken naar de vraag of Paulus kinderen doopte. Maar door te spreken over mede geheiligd zijn gebruikt Paulus woorden die hij ook voor de doop gebruikt. (1 Kor. 1:30 en 6:11). Paulus koppelt het geheiligd-zijn aan de doop. Vandaar uit is het waarschijnlijker dat Paulus kinderen doopte dan dan hij de doop aan hen weigerde. Zekerheid is hier echter niet te verkrijgen.

N.a.v. Ulrich Wilckens, Die Theologie des Neuen Testaments als Grundlage kirchlicher Lehre. Theologie des Neuen Testaments II/2, p. 19-36.