Moed leren

Moed leren

Op 4 mei is er de jaarlijkse dodenherdenking. We gedenken degenen die in de Tweede Wereldoorlog omgekomen zijn. Het is een goede zaak om deze herdenking elk jaar weer en terug te denken aan degenen die hun leven gegeven hebben voor onze vrijheid.
Inmiddels ben ik erachter gekomen, dat de oorlog in deze omgeving soms diepe sporen heeft nagelaten. Ik heb verhalen gehoord over families die Joodse onderduikers verborgen hielden en dat ook voor elkaar verborgen moesten houden. Hoewel de omgeving zich er door de bossen en de boerderijen voor leende, was het niet zonder gevaar, omdat er vanwege de kazernes veel Duitse soldaten in de omgeving aanwezig waren. Er zijn Oldebroekers die moed hebben laten zien.
Hoe wordt moed aangeleerd? Deze vraag kreeg ik onder ogen bij de voorbereiding van de preek van afgelopen zondag over Openbaring 21.* Ik las dat er moed voor nodig was om alles op te schrijven wat Johannes opgeschreven had. Het boek Openbaring kan worden beschouwd als een boek van verzet. Johannes roept zijn gemeenteleden en lezers op om niet mee te doen met de praktijken van het Romeinse Rijk. Net als in de Tweede Wereldoorlog gebeurt deze oproep tot (innerlijk) verzet niet altijd openlijk. Soms ook een boodschap tussen de regels door, die door de goede verstaander wordt opgepikt.
Moed verwacht men van mensen op een belangrijke post, die hun gezag op de juiste manier uitoefenen. In de oorlog zijn er ook vooraanstaande mensen geweest, die moedig waren. Ook eenvoudige mensen zijn in de oorlog moedig geweest. Boeren bijvoorbeeld die op hun boerderij of in de bossen achter het huis onderduikers hadden verborgen.
Johannes leerde zijn gemeenteleden en lezers om vol te houden. Zij moesten hun hart en innerlijk bewaren voor de dienst aan Christus. Zoals de meeste Nederlanders hoopten op het ineenstorten van de macht van Hitler en zijn aanhangers hoopte Johannes op de ondergang van het machtige Rome. Als een echt verzetsboek werd deze stad aangeduid met de naam van die andere machtige vijand: Babylon. Op het moment dat Johannes schreef, werd de macht van Rome alleen maar sterker.
Hoe wordt moed geleerd? In de Bijbel staat niet alleen het boek dat Johannes schreef (over wat hij in een visioen van de Heere te zien kreeg). Er staat bijvoorbeeld ook het verhaal van de vrienden van Daniël. Zij wilden niet buigen voor het beeld – ook al konden zij dit met het eigen leven bekopen. Een minder bekend gedeelte is het spotlied op de koning van Babylon uit Jesaja 14. In dat spotlied wordt gezongen over de val van de machtige koning van Babylon. Hij waande zich eerst zo groot, dat hij reikte tot in de hemel. Hoger dan de sterren was hij. Iedereen op aarde sidderde voor hem. Ook deze machtige koning valt en komt in het dodenrijk terecht. Daar wordt zijn komst en zijn verlies van macht bezongen door degenen die op aarde bang voor hem waren: hij die zich op aarde groter waande dan wie dan ook, is het allerdiepst van iedereen gevallen. Dit spotlied eindigt ermee dat de Heere deze machtige koning ten val zal brengen. (Zowel het bijbelboek Daniël als Jesaja 14 komen terug in het boek dat Johannes moest schrijven.)
Zo leert het Woord van God ons moed te hebben door deze verhalen, maar bovenal door ons steeds weer op te roepen te geloven in de God, die de macht over alles heeft.

* Martin Leutzsch, ‘Didaktik der Apokalypse’, in: Bernd Dressler / Harald Schroeter-Wittke (Hg.), Religionpädagogisches Kommentar zur Bibel (Leipizig: Evangelische Verlagsanstalt, 2012).

Geschreven voor de Veluwse Kerkbode

Advertenties

Interview dr. Bert de Leede

‘In de verkondiging moet er veel sterker geïdentificeerd worden met het Woord van God, met de stem van Jezus’
Interview met dr. Bert de Leede over preken over Christus

Zo’n 5 jaar maak ik nu preken. Ik heb in die tijd gemerkt dat het niet gemakkelijk is om te preken over Christus. De vraag waarom Hij voor mij gestorven is, kan ik in een preek niet goed verwoorden. Terwijl dat wel de basis van mijn geloof is. Hoe kan ik leren om te preken over Christus? Ik heb deze vraag voorgelegd aan dr. Bert de Leede.

De Leede is betrokken bij de nascholing voor predikanten in de Protestantse Kerk in Nederland op Hydepark. De vragen rondom de prediking hebben zijn hart. Hij herkent de moeite: ‘Ik vraag het mij zelf ook steeds af. Christus is voor ons gestorven, maar raken wij die kern zelf nog wel in de verkondiging?’

Ontwikkelingen
Volgens de Leede zijn er in de afgelopen decennia ontwikkelingen geweest, waardoor de noodzaak van Christus’ sterven steeds minder beleefd wordt. Deze ontwikkeling signaleert hij ook onder orthodoxe gelovigen: ‘Als reformatorische kerken kennen wij geen boetepraktijk meer. In de leer zullen orthodoxe gelovigen nog wel zeggen dat Christus voor hun zonden gestorven is. In hun leven is die noodzaak vaak verdwenen. Ook in die kringen is niet meer helder dat wij nood aan Hem hebben.’
Hoe komt dat? ‘In de overgang van de  20e naar de 21e eeuw is er iets gebeurd, waardoor die noodzaak verdwenen is.’ De Leede wijst op hedendaagse godsbeeld: ‘Ons denken en ons wereldbeeld is geseculariseerd. Dat mist zijn uitwerking in de godsleer niet. Men beleeft God vandaag de dag veel meer als de grond van het bestaan. Daardoor gaat het in de verkondiging niet meer om Christus die in onze plaats gestaan heeft, maar over Jezus die ons tot onze bestemming brengt. Jezus die ons tot voorbeeld is. God wordt veel minder als een persoon gezien. Niet meer als de heilige God, als een tegenover, als degene die ons roept tot onze bestemming, die ons oordeelt, voor wie wij schuldig staan, die in Christus onze Vader is. Die spanning is uit het geloofsbewustzijn weggevloeid. Wij zijn iets gaan missen door steeds te bevestigen. Dan was de boodschap: “Je mag er zijn!” “Je mag groeien naar je bestemming.” De groei naar bestemming heeft ook met die breuk tussen God en mens te maken.’

Waagstuk
Deze ontwikkeling heeft gevolgen: ‘Onderzoek laat ook zien dat als het gaat over Christus de gedachten afdwalen. De klassieke verzoeningsleer is uitgewoond. Men weet het wel. Of het raakt de gelovigen niet meer.’  Dat ligt niet alleen aan de gemeenteleden. ‘Preken over de verzoening is niet uitleggen wat de leer van de verzoening inhoudt. Die leer is wel de noodzakelijke basis. Een prediker dient vanuit de verzoening te preken en niet over de verzoening. De preek grijpt in op onze relatie tot God. De prediking gaat met ons het geding aan. Het gaat om de ik-Gij-relatie.’
Preken wordt er niet gemakkelijker op. De Leede zoekt naar woorden: ‘Preken is een waagstuk. Een roeping. Dat raakt aan de ernst, die de verkondiging heeft: de verantwoordelijkheid die de prediker met het oog op zijn luisteraars naar God toe heeft ‘De prediker is bemiddelaar tussen God en mens. Prediking is dus geen mededeling van een stand van zaken. De levens van gemeenteleden dienen in de verhouding tot God te worden geplaatst, zodat men Christus ontmoet en ingewijd wordt in de vergeving, in de navolging.’

Aanwezigheid van Christus
Volgens De Leede kan er krachtiger ingezet worden op de relatie tussen het gemeentelid en God. ‘In de reformatorische traditie is heeft de preek sacramentele werking. Net zoals men in het avondmaal Christus ontmoet, gaat het in de verkondiging om een werkelijke presentie van Christus.’ De Leede vraagt zich af, of gemeenteleden zich nog wel van die aanwezigheid van Christus in de verkondiging bewust zijn. ‘In de verkondiging moet er veel sterker geïdentificeerd worden met het Woord van God, met de stem van Jezus. Zodat de hoorder de ervaring opdoet: Christus staat in ons midden. Hij staat midden in mijn leven. En Hij spreekt ons aan: “Sta op, o mens!” “Zweer de duivel en de zonde af!” “Ik veroordeel u niet!” Het christelijke karakter van de gemeente wordt nogal eens onderschat. Gemeenteleden willen ook aangesproken worden op navolging. In de prediking kan de insteek genomen worden bij de toewijding, het discipelschap, het verschil dat gemaakt wordt, de strijd tegen de duivel en zijn ganse rijk.’
Die aanspraak vanuit Christus kan ook op een kritische manier gebeuren. ‘Christologie is crisis. Er is sprake van een breuk tussen God en mens. Verkondiging maakt scheiding. Als het voor hen geldt, moeten gemeenteleden ook kunnen zeggen: “Ik zit hier zonder bruiloftskleed. Ik sta er buiten!” Dit moet niet afgezwakt worden. Het wordt immers gezegd binnen de gemeente, het lichaam van Christus? Het wordt gezegd vanuit het besef, dat elke kerkgang vernieuwing van het verbond is. Dat de gemeente met Christus is gestorven en dat zij daar ook op wordt aangesproken: “Leef met Hem!” “Doe weg wat u weerhoudt!” Vanuit het besef dat we zonder Christus niet voor God kunnen bestaan. Jezus kan zeggen: ‘Dan zij hij u als de tollenaar’. Met als doel dat het lichaam van Christus hersteld wordt. Als de tollenaar uit Mattheüs 18 de tollenaar uit Lucas 18 wordt, die zich in berouw op de borst slaat, is hij natuurlijk weer van harte welkom. Het lichaam van Christus is ook  de ruimte van de verzoening.’ Wat dat van ons als predikers vraagt? ‘Dat wij als predikers de boete ook zelf in praktijk brengen.’
Voor De Leede is die identificatie met het Woord van God, met de stem van Jezus ook een nieuwe zoektocht. In die zoektocht heeft hij de waarde van het gebed om de Heilige Geest herontdekt, die de ontmoeting met Christus in de verkondiging bewerkstelligt.

Ambacht
‘Tegelijkertijd is preken ook gewoon ambacht. Ambachtelijkheid om de levensvragen van de gemeenteleden in verbinding te brengen met Christus. Ook een zoektocht naar een nieuwe taal, waarin wij aangesproken worden door Christus. Zo eenvoudig is dat niet. Ook dit is een nieuw oefenen. Het valt mij op hoe vaak wij predikers in beschrijvende taal spreken en vanuit de aanspraak.’
Tot die ambachtelijkheid behoort ook de identificatie. ‘De verzoening kan niet als een raamwerk over de tekst of over het leven heen gelegd worden Dat is dodelijk. Dé verzoening kun je niet preken.’
De Leede pleit ervoor om verzoening en boete bij verhalen in te brengen, waar de gemeenteleden het niet verwachten. ‘Een oefening in boete die verrassend opkomt. Preek over de rijke jongeling zo, dat het gemeentelid verdriet ervaart, maar niet wegloopt. Dat het gemeentelid verlangt naar een woord van Jezus. Misschien zijn wij wel de rijke jongeling en kunnen wij ons gevangen voelen in het economisch bestel, onmachtig, hebben wij het gevoel: “Ik maak vuile handen.”  “Ik heb mij verrijkt ten koste van anderen.” “Mijn geld is mijn god geworden. Ik kan alleen uit de gevangenschap van mijn geld uitgeleid worden als ik het aan de armen geef.” Dan kan het lichaam van Christus een plaats van ontferming zijn. Niet iedereen hoeft zich hierin te herkennen. Ik kan ook rijk zijn zonder dat ik mij hoef te identificeren met de rijke jongeling.’

Risico
De Leede is zich bewust van het risico. Hij benadrukt de gevaren. ‘De gemeente aanspreken op de navolging heeft wel het risico van het moraliseren. De prediking wordt dan dwingend.’ Het is een vraag die hem bezighoudt: ‘Hoe kunnen wij met de prediking insteek nemen bij de navolging zonder wettisch of moralistisch te worden? Het gemeentelid moet de kerk uitgaan met de ervaring: ik ben dieper ingewijd in het discipelschap. Dat kan alleen als de navolging verankerd is in werkelijke verzoening, die in het leven een plaats gekregen heeft. Daarvoor is een vernieuwing van de boetepraktijk nodig. De erkenning dat het ons bij de handen afbreekt, dat we tekortschieten in discipelschap. En dat van God uit wegen geopend worden.’
Matthijs Schuurman
 

 

Preek zondag 15 april 2012 (morgendienst)

Preek zondag 15 april 2012 (morgendienst)
Schriftlezing: Lukas 24:13-35
Tekst: En het gebeurde, terwijl zij met elkaar spraken en van gedachten wisselden, dat Jezus zelf bij hen kwam en met hen meeliep (vers 15)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat maakt het verhaal van de Emmaüsgangers tot een verhaal dat ons aanspreekt? Waardoor is dit verhaal een verhaal waarin wij onszelf herkennen?
Dat zal te maken hebben met de weg die deze twee mensen aflegden: de weg van Jeruzalem naar Emmaüs en weer terug. De weg die wij in geloof afleggen kan veel op deze weg lijken.

Het begint ermee dat deze twee mensen weggaan. Ze gaan weg – waarschijnlijk omdat ze zich niet meer thuis voelen in de gemeenschap van de discipelen. Ze waren nog niet eerder weggegaan naar huis. Ze zijn gebleven nadat Jezus was gearresteerd en gedood aan het kruis. Ze hadden deze dagen doorgebracht in de kring van de discipelen.
Zo gebeurt dat vaak. In de tijd na het overlijden kan er een hechte band ontstaan. Een tijd waarin je als broers en zussen dit verdriet met elkaar deelt en samen draagt. Door het overlijden van een vader of moeder kan er een hechte band ontstaan – ook door de herinneringen die worden gedeeld. Als het overlijden onverwacht komt, probeer je bij elkaar steun te vinden en met elkaar te achterhalen wat er is gebeurd.
Kleopas en zijn metgezel zijn daar bij geweest. Het is niet het verdriet om de dood van Jezus dat hen terug doet gaan naar huis. Ze gaan weg om iets anders: vanwege de verhalen waarmee de vrouwen zijn thuisgekomen. Zij vertelden dat Jezus niet meer dood was, maar dat Hij was opgestaan uit de dood. Dat bericht konden zij niet verdragen. Juist dat blijde nieuws zorgt ervoor dat zij weggaan. Het is nu wel mooi geweest. Zij horen er niet meer bij.
Terwijl deze twee mensen naar Emmaüs terug gaan is er in Jeruzalem vreugde. Deze twee op weg naar hun woning in Emmaüs verlaten niet een gemeenschap in rouw gedompeld, maar zij verlaten een gemeenschap die het verdriet juist heeft afgelegd. Dat heeft iets aangrijpends. Terwijl de gemeenschap vreugde beleeft, trekken deze twee het niet meer. Vaak valt het niet op als mensen de kerk verlaten. Vaak kom je er pas na een tijd achter – als je ontdekt dat je iemand al tijden niet meer hebt gezien.
Waarom verdwijnen mensen uit de kerk? Soms om naar een andere kerk te gaan. Vaak doordat er iets in hun leven is gebeurd. Een heftige gebeurtenis, zoals het overlijden van iemand die belangrijk of dierbaar was. Of een teleurstelling, waardoor het leven anders werd. Moeilijker dan voorheen. Ontslag. Of een ziekte. Waarom moest God mij dat aandoen? Waar heb ik dat aan verdiend?
Wat mij bij de Emmaüsgangers opviel was het moment waarop zij weggingen: als het geloof bij de anderen doorbreekt.
Als er geen ruimte is voor vragen te stellen bij wat God in je leven doet, als er niet geluisterd wordt naar de moeite die geloven ook kost, kunnen mensen afhaken. Vaak heel stil en geruisloos. Soms ook bedoeld als een stil protest of een stille schreeuw om hulp. Als ze merken dat ik niet meer kom, zullen ze wel op mij afkomen om te vragen wat er aan de hand is. Als dat niet gebeurt, kunnen mensen er verbitterd om raken: de kerk wil niet meer naar mij omzien en misschien God ook niet.
Dat we hier met een kerk vol mensen zijn is geen vanzelfsprekendheid. Ik denk dat er ook hier in de kerk gekomen zijn met vragen of twijfels in hun hart.
Zoals het lied van Sela over Emmaüs zingt:

Als geloven soms moeilijk is
waar U lijkt te zwijgen
waar mijn hart zo ontmoedigd is
ik kan U niet bereiken.
Wie bent U, Heer
als U zich niet openbaart
als mijn oog U niet ziet
mijn hart U niet ervaart
.

Zou het verhaal van de Emmaüsgangers daarom zo geliefd zijn, omdat Jezus met hen meeloopt, naar hun vragen en moeiten luistert en hen uitdaagt om te vertellen wat hen bezig houdt? Dat ze hun hart uitstorten bij Jezus, zonder dat zij weten dat Hij het is?
Verlangen wij er ook naar dat de Heere Jezus naast ons loopt en niet zomaar iemand? Dat Hij naar ons luistert naar wat we te vertellen hebben. Dat Hij oog heeft voor wat ons dwarszit? Kennen wij het verlangen niet dat Hij ons uitnodigt om te vertellen waarom we wegblijven van de gemeenschap (of zouden willen wegblijven). Dat we met de Heere Jezus in gesprek zijn over ons eigen leven of over de weg die Hij met ons gaat?
Wanneer dat gesprek er niet van komt en je je hart niet kunt uitstorten kan de Heere Jezus een vreemde zijn:
* Christus is dan voor ons een vreemde: Hij is er wel, maar we zien Hem of ontmoeten Hem niet. Terwijl dat wel ons verlangen is.
* Of we hebben het gevoel dat wij voor Hem een vreemde zijn. Hij is er niet in ons leven en dat geeft ons teleurstelling en gemis.
Je zou het dan tegen de Heere willen zeggen: ziet u niet wat er in mijn leven gebeurt? Zijn Uw ogen gesloten? Heeft U er geen weet van? Het christelijk geloof is een persoonlijke relatie met God. Maar hoe vaak lijkt deze relatie geen eenrichtingsverkeer? Als wij in gebed gaan, richten wij ons tot God en in Zijn Woord en in de verkondiging richt Hij zich tot ons. Je kunt voor je gevoel langs elkaar heen praten.
Kan deze spanning verdwijnen? Kan de spanning opgelost worden zodat wij de Heere Jezus wel kunnen ervaren? Soms kunnen er van die momenten zijn, waarop je met een ander in gesprek bent en je ervaart dat je niet alleen met z’n tweeën bent, maar dat je verhaal ook door de Heere Jezus wordt gehoord.
Deze twee Emmaüsgangers zijn met elkaar in een heftig gesprek, in een discussie verwikkeld. Wij herkennen dat wel: als er iets opzienbarends is gebeurd waar we vol van zijn, kunnen we er met elkaar over doorspreken om te achterhalen wat er is voorgevallen. Tijdens dat gesprek komt Jezus meelopen. Hij mengt zich in het gesprek. Hij luistert en daagt hen uit om te vertellen. Hij laat zien dat de weg van God een andere is dan deze twee hadden gedacht. Maar ze zien niet dat Hij het is.
Als wij vol zitten met onze vragen en die onderling met elkaar bespreken, kan de Heere Jezus er bij zijn – zonder dat wij er erg in hebben. Hij gaat niet op de vlucht voor onze vragen. Wij zouden Hem wel willen zien en horen. Wij zouden ook wel net als de Emmaüsgangers die uitleg van de Heere Jezus willen horen, waardoor ons hart ook gaat branden.
Waarom kunnen zij Hem eigenlijk niet zien? Waarom worden hun ogen gesloten gehouden? Ik denk dat het gaat om het horen van de woorden van de Heere Jezus. Dat zijn niet zomaar woorden. Jezus is hier geen gids die deze twee mensen meeneemt langs de woorden van het Oude Testament. Hij is het Woord zelf dat ons aanspreekt en ons oproept om te geloven. Hij spreekt ons aan. Hij kan zich verborgen houden – zodat wij Hem gaan zoeken waar Hij voor ons te vinden is: in Zijn woord. Hij, de Levende spreekt ons aan: Ik ken je hart en je levensweg. Ik ben er bij – ook als je het niet ervaart. Ik ga mee – ook de weg van vragen. Om je bij Mij te brengen.
Amen

Preek Eerste Paasdag 2012

Preek Eerste Paasdag 2012
Lukas 24:1-12

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Zij gingen heel vroeg in de morgen – dat is een heel mooie aanwijzing voor wat Pasen betekent.

Mij is altijd verteld dat de vrouwen er vroeg bij zijn. Ze hadden niet kunnen wachten totdat de sabbat voorbij was. Zoals we dat ook wel eens hebben bij een bijzondere dag: je gaat de avond ervoor extra vroeg naar bed om de volgende dag vroeg op te kunnen staan. Vroeg in de morgen – vaak wordt gedacht dat de vrouwen die naar het graf toe gingen vroege vogels waren. Ze hadden niet kunnen wachten totdat de sabbat voorbij was.
Maar daarmee zien we één ding over het hoofd. En dat is juist de reden waarom Lukas er melding van maakt.
Het aanbreken van de nieuwe dag is niet iets gewoons. Niet iets vanzelfspekends. Het is de Heere die er elke dag voor zorgt dat het wee licht wordt. Hij zorgt ervoor dat de duisternis voorbij is en dat er weer een nieuwe dag aanbreekt. Vroeg in de morgen wil zeggen: alles om de vrouwen heen wijst erop, dat God iets gaat doen. De eerste dag van de week, de dag waarop alles anders wordt.
Het is Lukas, die ons vertelt over de morgen die aanbreekt. We zouden Lukas kunnen vergelijken met een filmregisseur. In een film kan een wending in een verhaal alvast worden voorbereid. Als er iets spannends gaat gebeuren, maar de hoofdpersoon in de film heeft daar nog geen erg in, kan de muziek dreigend gaan klinken. Als kijker houd je je adem in: wat gaat er gebeuren? Wanneer een hoofdpersoon zich treurig voelt of het verhaalt treurig is, regent het vaak in films om het troosteloze te benadrukken. Door te melden dat het vroeg in de morgen is, laat Lukas ook zien dat er om de vrouwen iets gebeurt. Alleen geeft deze nieuwe morgen niet weer wat de vrouwen voelen, maar geeft deze nieuwe morgen aan wat er om heen hen zal veranderen. Lukas filmt als het ware de vrouwen. Je ziet dat ze verdrietig zijn, maar zonder dat zij er erg in hebben lopen zij in het beginnende licht van de nieuwe morgen: er wordt een nieuwe dag aangekondigd, de dag waarop hun verdriet van hen zal worden afgenomen.
Lukas wil ons als lezers en als gemeente van deze tijd laten zien: de vrouwen zijn verdrietig; ze komen uit de duisternis, uit de nacht. Hun hart is nog vol verdriet en teleurstelling. Maar let eens op wat de Heere gaat doen! Een onverwachte wending: Jezus is opgestaan uit de dood!
Vroeg in de morgen wil dus zeggen: de Heere is er anders bij betrokken dan de vrouwen. De vrouwen komen om af te maken wat zij vanwege de sabbat niet konden doen. Zij wilden van het graf van Jezus een monument maken, een herinnering. Zij waren bezig met Jezus, zoals Hij was. Zijn leven is voorbij, maar het is de moeite waard om Hem te blijven gedenken. Als zij zijn graf in ere houden, kan het een bijzondere plaats worden. Zijn graf zou een bedevaartsoord kunnen worden, waar mensen wellicht nog de bijzondere kracht ervaren, die Hij tijdens zijn leven bezat. Door Zijn dood heen zou Hij nog werken.
Maar God is al bezig met een andere toekomst. Niet Jezus zoals Hij was, maar Jezus zoals Hij vandaag is: de Levende, die dood was.
Daarom is dat zinnetje, dat Lukas opschreef, een kenmerk van Pasen: terwijl wij vaak met een hart vol somberheid en verdriet rondlopen, is God al weer bezig met Zijn werk.
Wij kunnen om verschillende reden rondlopen met een hart vol somberheid en verdriet: We hebben iemand, die ons dierbaar was, verloren aan de dood. We zijn bedroefd omdat we de kerk achteruit zien gaan of omdat onze kinderen niet meer naar de kerk willen gaan. Of wellicht omdat u zelf het geloof langzaamaan kwijtraakt. Een hart vol somberheid en verdriet, omdat u eigenlijk afscheid aan het nemen bent. De Heere heeft gewerkt, maar dat tijdperk is voorbij. Voor ons rest alleen nog de herinnering. Door de gebeurtenissen in het leven (het overlijden van een geliefde, de achteruitgang van de kerk,de teleurstelling in eigen leven) kun je diep geraakt worden, waarbij je denkt: God werkt niet meer. Wat merk ik ervan?
Vroeg in de morgen wil zeggen: God handelt. Een nieuwe ingreep van God! Ook al is ons hart er niet bij en hebben wij er geen oog voor, toch werkt de Heere! En op Paasmorgen op een heel bijzondere manier: Hij laat zien dat Hij machtiger is dan de dood. Voor ons achterblijvers heeft de dood iets definitiefs: het einde van het leven. Vaak geeft da ook pijn, omdat er nog zoveel was dat je samen zou willen beleven en bespreken. Ik denk dat we ook goed kunnen begrijpen dat de vrouwen met verdriet in het hart naar het graf gingen en geen oog hadden voor wat de Heere om hen heen deed. Hoe begrijpelijk dat voor ons is – Pasen wil zeggen dat God ons vooruit is. Wanneer Hij iets doet, wanneer Hij ingrijpt, loopt dat niet gelijk aan wat wij ervaren. We zien dat aan de vrouwen die naar het graf gaan. Ze komen uit de duisternis van het verdriet. Ze kunnen door hun verdriet het licht niet waarnemen.
Maar Lukas laat ons niet alleen de vrouwen zien in wie wij ons goed kunnen verplaatsen. Hij laat ook iets anders zien: het licht dat God doet aanbreken. Niet zomaar een licht, maar het licht van de nieuwe dag, het licht van de eerste week, waarop alles veranderde – omdat Christus was opgestaan. Na deze eerste dag is er geen dag meer hetzelfde. Jezus is niet meer dood, maar Hij is de Levende! Dat wat Lukas beschrijft is als in een muziekstuk: de toonsoort is mineur (droevig gestemd), maar erdoor heen komen de klanken van de andere toonsoort: een blijde, majeure toonsoort. De muziek waarmee God Zijn handelen omlijst. De muziek die ons laat horen dat God ingrijpt en zo radicaal dat de wereld niet meer hetzelfde is als voorheen. De dood, de machtige vijand die ons tot dan toe overheerste, is overwonnen!
Een ongelooflijke boodschap. Een boodschap die wij nauwelijks kunnen geloven, omdat wij om ons heen de werkelijkheid van de dood nog zo merken: wanneer er iemand overlijdt, of wanneer we te maken hebben met diepingrijpende teleurstellingen. De boodschap, dat God heeft overwonnen, dat God heeft ingegrepen, moet ons ook steeds weer verkondigd worden. We moeten er in mee genomen worden: Jezus is niet meer dood, maar Hij is de Levende! God kijkt niet werkloos toe, maar Hij laat Zijn macht zien. Hij grijpt zo radicaal in: er is niets tegen Zijn macht bestand. De dood moet deze Eersteling (Christus) laten gaan. En daarmee is de macht van de dood gebroken. De dood is nog wel de laatste vijand, maar niet meer almachtig.
’s Morgens in de vroegte. Het is alsof Lukas ons wil zeggen: de schepping is ons mensen vooruit. Heel de schepping houdt de adem in, wacht gespannen en vormt als het ware het ontvangstcomité, luistert de komst op. En de mensen lopen nog in zak en as – een hart vol droefenis.
Na de winter is het altijd te merken als de lente weer aanbreekt. De mensen zijn vaak opgewekter. Ze reageren op de natuur, die open bloeit, op het licht en de warmte van de zon. Deze vrouwen – zij merken de natuur om zich heen niet op. Zij zien niet om zich heen dat de natuur zich opmaakt om de Levende te begroeten. Ze geloven het pas als de engel hen aangesproken heeft op hun ongeloof: wat zoekt u de Levende bij de doden! Ze vangen de signalen niet op. Zij moeten de boodschap te horen krijgen. In het bijzonder met Pasen, maar eigenlijk elke zondag: dat God nog werkt en dat Hij dat heeft laten zien door Zijn Zoon op te wekken uit de dood.  Dat Hij machtiger is dan wat ook.
Heel ons leven staat in dat licht. Zoals de vrouwen op weg naar het graf te maken kregen met de opgaande zon. Het licht van Christus overwint de duisternis, de Levende overwon de dood, God liet Zijn macht en heerlijkheid zien.
Zo mag ook ons leven in dat licht van Christus als de levende staan, in het licht van God die nog steeds werkt: Christus is opgewekt! De levende is er. Hij regeert en werkt! Ook al merken wij er vaak niets van. Alle macht is van Hem. Elke morgen als de zon opkomt en wij een nieuwe dag ontvangen van de Heere wijst dat niet alleen terug naar de eerste scheppingsdag, maar ook naar de dag waarop Christus opstond uit de dood. Elke ochtendschemering is een herinnering aan deze morgen. Hoe God al werkte voor wij er iets van merkten.
Amen

Jongerentheologie (3, slot)

Jongerentheologie (3, slot)

De vorige twee bijdragen waren gewijd aan jongerentheologie. Jongerentheologie moet worden gezien als het nadenken van jongeren over hun eigen visie op God en geloof. De gedachten van jongeren over God en geloof kunnen soms ver verwijderd zijn van wat de christelijke traditie leert. In de vorige bijdrage konden we de visie van Janine lezen, die op duidelijk afweek. Moeten de gedachten van jongeren als ze afwijken van de traditie eigenlijk wel bijgestuurd of gecorrigeerd worden? En wanneer dat wenselijk zou zijn, biedt de jongerentheologie daarvoor aanknopingspunten? Of verdedigt de jongerentheologie vooral dat jongeren zelf mogen bepalen hoe zij over God en geloof denken?
We moeten bedenken wel dat de meeste jongeren opgroeien zonder een godsdienstig thuis. Meer dan volwassenen ervaren de jongeren de multireligieuze samenleving. Omdat zij er middenin zitten. Bovendien worden jongeren door hun ouders niet in een godsdienst ingewijd. De meeste jongeren hebben geen sterke binding met een kerkelijke stroming. Ik denk dat we als kerk blij mogen zijn als jongeren enigszins zijn ingewijd in de christelijke traditie. Veel jongeren die opgroei(d)en in kerkelijke omgeving worden nauwelijks voorbereid op de multireligieuze samenleving. Ze zullen in hun visie op God verwerken wat hen aanspreekt.
Het boek laat goed zien dat ook de christelijke traditie een boeiende uitdaging voor jongeren is.
De christelijke geloofsleer heeft een eerbiedwaardige traditie, waarbinnen eeuwenlang is nagedacht over God, over Christus, over de mens, de wereld, enz. Jongeren zijn opgegroeid om zelf te bepalen wat zij denken. Zij moeten ook wel als het gaat om geloof, omdat zij vaak niet meer in een bepaalde traditie worden opgevoed. Zij hebben vaak wel behoefte aan iemand, die hen aan de ene kant in hun waarde laat, maar aan de andere kant een wijsheid en inzicht heeft, die niemand anders heeft. Ik heb geen kennis gemaakt met de nieuwe serie van Schrift en belijden over de Apostolische geloofsbelijdenis. Het zou mooi zijn als deze serie ook voor de zoektocht van jongeren geschikt is!
En anders kan het een uitdaging voor de predikant zijn om te kijken om jongeren met deze serie eens uit te dagen met wat de christelijke traditie te bieden heeft.
Er is nog een andere reden voor jongeren om kennis te maken met de christelijke traditie. Wie geen godsdienstige thuisbasis heeft, is vatbaarder voor de ideologieën die in onze maatschappij overheersen. De christelijke traditie (hoewel deze ook niet altijd vrij is van ideologieën) heeft altijd ook oog voor de ‘bekering van de mens tot menselijkheid’ (zoals de postuum uitgegeven christologie van H.-J. Iwand heet). Dat geeft aan deze traditie iets dwarsigs.
Om een voorbeeld te geven: in onze maatschappij zijn prestaties heel belangrijk. Denk aan de overgangsnormen en toetsen op scholen. Gemakkelijk denkt een jongere dat zijn identiteit ligt in het presteren. Een groter contrast met wat de reformatorische traditie van de rechtvaardiging van de goddeloze is niet denkbaar. Deze traditie zegt, dat men door prestaties (‘werken’) niet zalig wordt en dat onze identiteit niet afhankelijk is van onze prestaties, maar een geschenk is in Christus. Mijn ervaring in het pastoraat is, dat dit evangelie voor perfectionisten nauwelijks te geloven is. En van perfectionisten zijn er onze prestatiemaatschappij behoorlijk wat! Ik vraag het me geregeld af: kan een perfectionist wel zalig worden?

ds. M.J. Schuurman

Geschreven voor: HWConfessioneel

N.a.v. Thomas Schlag / Friedrich Schweitzer, Brauchen Jugendliche Theologie? Jugendtheologie als Herausforderung und didaktische Perspektive (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Verlag, 2011).

Eerdere bijdragen over jongerentheologie:
https://mjschuurman.wordpress.com/2012/04/02/ik-geloof-dat-iedereen-zijn-eigen-god-voor-zichzelf-moet-definieren/ 
en
https://mjschuurman.wordpress.com/2012/02/09/jongerentheologie/

Meditatie Jesaja 56:1

Onderhoudt het recht en doet gerechtigheid, want mijn heil staat gereed om te komen    Jesaja 56:1
Gods volk was afgedwaald. Eerst doordat zij vanzelfsprekend uitging van Gods aanwezigheid. Daarna doordat het niet meer geloofde in Zijn terugkeer. De HERE komt weer tot Israël om Zijn volk terug te brengen in Zijn dienst. Israël had de hoge roeping om volk van God te zijn. Tussen alle andere volkeren moest Israël laten zien Wie de HERE is. Nu de HERE op het punt staat te komen, roept Hij het volk op om zich gereed te maken voor Zijn komst. De HERE zendt de profeet als een bode uit. Het onderhouden van de richtlijnen van de HERE is geen voorwaarde vooraf. Hij komt niet pas als het volk in gereedheid is. Maar omdat Hij komt, roept de HERE Zijn volk op tot trouw. Het volk van Israël wordt geroepen om weer in dienst van de HERE te staan. Er zijn geen redenen meer om tegen de HERE in te gaan. Hij is er weer. Zijn genade is onvoorstelbaar ruimhartig.

Schriftlezing: Jesaja 56:1-6
Zingen: Psalm 40:3,7 NB / Psalm 40:2,8 OB

Immanuël-kalender 5 juni 2012

Meditatie Jesaja 55:6

Zoekt de HERE, terwijl Hij Zich laat vinden                       Jesaja 55:6

Hoe kan de HERE Zijn volk weer voor Zich winnen? De HERE doet dat door een indringende oproep, een indringende uitnodiging. De HERE is weer in uw midden. U kunt dus weer naar Hem toe gaan met uw gebeden. U kunt Hem weer om raad en om Zijn zegen vragen. Het volk Israël had de afwezigheid van de HERE ervaren. Het land was verwoest door vijandelijke legers. Het volk was weggevoerd in Babel. De HERE had hen in de steek gelaten. Konden ze Hem vertrouwen? Dat wantrouwen van het volk wordt doorbroken door de uitnodiging van de HERE: Zoekt de HERE. Hij is weer in uw midden! De oproep om de HERE te zoeken is tegelijkertijd een oproep tot bekering. Een oproep om de zelfgekozen wegen te verlaten en weer naar de HERE toe te gaan. Zijn barmhartigheid wint het van Zijn toorn. Kunnen wij deze genadige roepstem negeren? Daarmee zouden wij de HERE en onszelf tekort doen!

Schriftlezing: Jesaja 55
Zingen:  Gezang 37:4,5

Immanuël-kalender 4 juni 2012