Waar blijven de mannen?

Waar blijven de mannen?

Op 17 september wordt het preekfestival in Amersfoort gehouden. Wie naar de aangeboden workshops kijkt, ziet dat er aandacht is voor veel doelgroepen: kinderen, jongeren, ouderen, zelfs meerdere workshops over vrouwen. Als deze doelgroepen zo nadrukkelijk aandacht krijgen is het opvallend dat één doelgroep ontbreekt: de mannen.

Dat past bij de signalen, die aangeven dat mannen het moeilijk hebben in de kerk, omdat er geen specifieke aandacht voor hen is. In Duitsland waarschuwen de mannenbewegingen binnen de katholieke als de grootste protestantse kerk al geruime tijd, dat mannen afhaken. De Männerarbeit der EKD heeft berekend dat het aandeel mannen onder de kerkverlaters beduidend groter is dan het aandeel van vrouwen. In 2017 lieten in de leeftijd van 25-39 jaar 113.000 mannen uitschrijven tegen 81.000 vrouwen.

David Kuratle en Christoph Morgenthaler, die een boek schreven over pastoraat aan mannen, houden er rekening mee, dat mannen zich er op moeten instellen dat zij een minderheid zijn binnen het ambt, onder de kerkbezoekers en bij kerkelijke activiteiten. Kuratle en Morgenthaler schatten, dat slechts 30% van de pastorale gesprekken met mannen wordt gevoerd. Zij signaleren zelfs dat mannen geregeld door hun vrouwen buiten het pastorale gesprek gehouden worden. Vaak met de opmerking dat ze niets met de kerk of het geloof hebben.

Als ik aankaart, dat er binnen de kerk weinig aandacht is voor mannen, krijg ik steevast de reactie dat de kerk lange tijd toch een mannenbolwerk is geweest. Daaruit spreekt impliciet de gedachte, dat er oog is geweest voor alle mannen. Uit onderzoek blijkt echter dat lang niet elke man zich identificeerde met de mannen die aan het roer stonden. Dat mannen dominant zijn in de kerk, wil nog niet zeggen dat participatie in de kerk voor mannen aantrekkelijk is.

De manier waarop de mannen, die de leiding hebben in de kerk, zich presenteren en gedragen kan een drempel zijn. Niet alleen de thema’s, die in de preek aan de orde komen, kunnen voor een afstand zorgen, maar ook de manier waarop er over mannen gesproken wordt.

Clichématige beelden over mannen hebben vaak de overhand in de exegese. In deze weken ben ik bezig met de verhalen over Jakob. Daarin kan Ezau gemakkelijk overkomen als de echte man: een avonturier, een jager die erop uittrekt en zijn grenzen verlegt, terwijl Jakob een moederskindje is die zich in de buurt van de tent ophoudt. Deze clichébeelden ontnemen de boodschap op de betekenis van deze verhalen, die de lezer de twee wegen uit Psalm 1 willen voorhouden.

Waar in de exegese al enkele decennia aandacht is voor de manier waarop de Bijbel vrouwen ten tonele voert, is er sinds enkele jaren pas aandacht voor de manier waarop de Bijbel over mannen bericht. Daarbij is het goed de verhalen niet vanuit onze eigen beelden en verwachtingen te lezen, maar nauwkeurig te lezen hoe de personages worden uitgebeeld.

Dat de relatie van mannen met geloof en kerk zo moeizaam is, komt doordat zij minder dan vrouwen geneigd zijn om in religieuze taal te spreken of hun ervaringen religieus te duiden. Door hun opvoeding of door de beelden die zij hebben meegekregen over man-zijn, zijn mannen van bepaalde generaties vaak niet goed in staat om te spreken over hun gevoelens. In een tijd waarin gevoel en beleving steeds meer aandacht krijgen en steeds meer eisen worden gesteld aan communicatie en empathie hebben zij het moeilijk. Daarbij komt, dat als mannen hun leven of over geloofsbeleving spreken, zij vaak begrippen gebruiken die bij vrouwen tegen de borst stuiten.

Er is nog een hele wereld te winnen volgens Reiner Knieling, die zich vanuit zijn interesse voor contextualisatie van het evangelie zich bezig houdt met het thema mannen & de kerk. Het mooiste zou er volgens hem zijn als er – in navolging van de feministische theologie – een leerstoel zou komen voor een specifiek op mannen afgestemde theologie, waarbij alle theologische disciplines hun bijdrage leveren.

Ps. Ik ben gewoon op het preekfestival te vinden en aan enkele workshops deel te nemen.

N.a.v. het zingen van het Wilhelmus in de kerkdienst: christelijk geloof en nationale identiteit

N.a.v. het zingen van het Wilhelmus in de kerkdienst: christelijk geloof en nationale identiteit

Afgelopen zondagmorgen, de dag na Koningsdag, zongen we als gemeente het Wilhelmus. Het had niet veel gescheeld of we zongen dit lied niet, omdat ik het vergeten was om op te geven. De organist was alert en vroeg of we geen Wilhelmus zouden zingen. Die zondag zag ik tussen de bedrijven door op Twitter dat opmerkingen dat men gelukkig geen volkslied zong of als er wel gezongen werd dat men demonstratief de lippen op elkaar hield. Ik kon het niet laten melding te maken dat we het Wilhelmus wel gezongen hadden en dat ik het belangrijk vond om dit lied te zingen. Daarna vroeg het Friesch Dagblad om een opinie-artikel. Hierbij mijn verhaal:

De allereerste reden om het lied toch te laten zingen in de dienst is omdat het traditie is. Als kind zong ik het al mee op de zondag na 31 januari. Ik heb het altijd mooi gevonden om in de kerk het Wilhelmus te zingen. Net als lied Een vaste burcht (waarvan ik later ook begreep dat het een problematisch lied is).
KBMI01_LblKBWouters22025-011_V

Dankbaarheid
In de laatste jaren heeft het zingen voor mij een dubbele betekenis gekregen. Aan de ene kant een dankbaarheid naar God toe voor de manier waarop ons land geregeerd wordt. Zeker als je ons land vergelijkt met landen waar een dictatuur heerst.

Nationale identiteit
Daarnaast ben ik me er steeds meer van bewust dat er in het verleden ook door de kerken de gemeenteleden is bijgebracht dat nationale identiteit en geloof bij elkaar horen. Noem het God, Nederland en Oranje. Deze verbinding leeft nog sterk binnen bepaalde stromingen van de Protestantse Kerk in Nederland en binnen bevindelijk-gereformeerde kerken. Het is een traditie die nog leeft. Wanneer ik als predikant zou vinden dat er afscheid genomen zou moeten worden van die traditie, zou er een grondige bezinning moeten zijn met de gemeente, waarin de voors en tegens tegen over elkaar worden afgewogen.
200px-Vlag_uit

Vluchtingen
Wat voor mij meespeelt is dat het Wilhelmus stamt uit een tijd van spanningen en oorlog. Het herinnert ons eraan dat we een geschiedenis kennen van verdreven-worden, op de vlucht zijn, opgevangen worden in de regio waar de buurlanden niet altijd zaten te wachten op de komst van de vluchtelingen uit de Nederlanden. In het Wilhelmus is een vorst aan het woord, die verbannen is. Hij houdt zijn onderdanen voor om trouw te blijven aan een vreemde mogendheid, ook al toont die mogendheid zich als een tiran. Het is een lied waarin onderdanen opgeroepen worden de toekomst in Gods handen te leggen. Het volkslied herinnert eraan, dat hoe ons eraan dat de vrede in ons land en de manier waarop we geregeerd worden, bijzonder zijn. Het had ook anders kunnen zijn. Ook als we het Wilhelmus niet herinneren, moeten we zoeken naar vormen waarin het verleden levende herinnering blijft.
adolf-van-nassau-dood
Graaf Adolf sneuvelt tijdens de Slag bij Heiligerlee (1568)


Waardering geschiedenis
De dieperliggende vraag, die bij het al dan niet zingen van het Wilhelmus rond Koningsdag hoort, is: hoe waarderen we de geschiedenis van ons land? Is het een toevallige samenloop van historische omstandigheden dat ons land zo gegroeid is? Of zien we daarin toch iets van Gods leiding?
6f93a4b9d6f0f38d156d5908e99603a81e357d7994b077b30a6926c3ca0b0ee2
Groepje saluerende verkenners tijdens het spelen van het Wilhelmus. Tilburg 4 november 1944 (Bron: regionaal archief Tilburg)

Heilige strijd
Men kan soms vaderlandse geschiedenis heel makkelijk koppelen aan het handelen van God. Voor Duitse predikanten was het enthousiasme voor de oorlog in 1914 een uitstorting van de Heilige Geest en de oorlog tegen het ‘perfide Albion’ een heilige strijd. Men ging het Oude Testament weer lezen en zag de parallel met de eigen tijd. Vanaf 1939 stopten kritische predikanten en geestelijken met het bekritiseren van Hitlers regering en gingen meedoen in de oorlog. Hun land was in oorlog. Politieke meningsverschillen waren aan de oorlog ondergeschikt. Heden ten dage is de steun van evangelicalen aan president Trump te zien als een verlangen naar een christelijke identiteit van de VS.

Voorzienigheid
In de laatste decennia wordt in de theologie zo’n sterk onderscheid gemaakt tussen het Gods handelen in Zijn voorzienigheid en de eigen geschiedenis, dat het twee losse categorieën zijn die niets meer met elkaar te maken hebben. Ik ben er zelf heel voorzichtig in om de ontstaansgeschiedenis van ons land en om onze huidige vorm van parlementaire geschiedenis Gods hand te zien. Maar helemaal niets van Gods voorzienigheid daarin is wel heel mager. Plaatsen we daarmee Gods handelen niet buiten onze werkelijkheid?

Oorlog
Voor veel gemeenteleden is er trouwens een band met de oorlog. De oorlog is nog lang niet voorbij. De oudste generatie heeft de oorlog als kind nog meegemaakt en de generatie eronder is opgegroeid in de schaduw van de oorlog. De voorliefde voor het Wilhelmus, niet alleen met 4 en 5 mei maar ook rond Koningsdag, is ook een manier om de herinnering aan wat de oorlog teweeggebracht heeft te herinneren.

Koningin_Wilhelmina_luistert_naar_het_Wilhelmus_dat_door_de_aanwezigen_wordt_gez,_Bestanddeelnr_900-4117
Koningin Wilhelmina luistert naar het Wilhelmus dat door de aanwezigen wordt gezongen bij het Van Abbemuseum. Eindhoven, 19 maart 1945 (bron: nationaal archief)

Zoektocht naar nationale identiteit
Voor mij heeft het Wilhelmus niet met nationalisme te maken. Ik ben wel van mening dat de zoektocht naar de nationale identiteit ook de kerken iets te zeggen heeft. Wie deze zoektocht verwaarloost laat deze groep christenen die hun nationale identiteit mede via de kerk verkregen heeft over aan cultuurchristenen die het christendom misbruiken voor hun eigen doel. Dat doel komt in de buurt van ons vorige volkslied: een bloed van vreemde smetten vrij.

Staatsburgerschap
Overigens is de verhouding tussen het staatsburgerschap en het geloof ook een kwestie die binnen de kerk speelt. Iemand twitterde dat hij in de kerk maar één identiteit heeft. Dat geloof ik niet. Elk mens bestaat uit meerdere identiteiten. Als kerkganger neem je die meerdere identiteiten mee de kerk in. De vraag is naar de relatie tussen die beide. Wat ik wel steeds meer waarneem, is dat er steeds meer moeite komt met de verhouding tussen de identiteit als staatsburger en die als gelovige. Er komt steeds meer distantie tussen beide. Voorheen werd die distantie afgewezen als dopers.
Nederland_Paspoort_Cover_2011
Gesprek
Dat er binnen de kerken overgegaan wordt op een andere opvatting vind ik op zich geen probleem. Wel dat het gebeurt zonder bezinning en zonder na te gaan waarom eerdere generaties een andere keuze maken. Ik zeg ook niet dat we die keuze op dezelfde manier moeten maken. Het gesprek met het voorgeslacht is wel belangrijk om te begrijpen wat er nu gebeurt en om de fouten die zij maakten zelf te voorkomen.

Geschreven voor het Friesch Dagblad

Advent

Advent
Komende zondag is het de eerste zondag van advent. In deze periode oefenen we ons als kerk in het verlangen naar de Wederkomst van onze Heere Jezus Christus. In onze Nederlandse kerkelijke traditie bestaat de periode van Advent uit 4 weken. In andere kerkelijke tradities duurt de Adventsperiode 7 weken.

Advent is niet een voorbereiding op het Kerstfeest. Soms lijkt het wel zo met alle kerstvieringen en uitvoeringen die in de adventsweken al gehouden worden en alle voorbereidingen van koren.

Belang kerkelijk jaar
In de Anglicaanse traditie en de Lutherse traditie is er veel meer vastgehouden aan het kerkelijk jaar. Na de Reformatie hielden de kerken die in het spoor van Luther gingen vast aan het kerkelijk jaar. Zij waren van mening dat de gang door het kerkelijk jaar hielp bij het overdragen van het christelijk geloof: de leer was verdeeld over de zondagen en werd niet alleen uitgelegd maar ook gevierd. Op die manier werd de christelijke leer makkelijker eigen gemaakt.

Verlies kerkelijk jaar
Helaas heeft de traditie in het spoor van Calvijn het kerkelijk jaar losgelaten. En de uitleg van het geloof bijvoorbeeld gekoppeld aan de catechismus. Dat geeft een meer afstandelijke benadering van het geloof dan het vieren van Gods grote daden. In onze tijd is er behoefte aan om gemeenteleden, jong en oud, in te wijden in het christelijk geloof. Steeds meer wordt daarbij teruggegrepen op het kerkelijk jaar.

Verheft uw harten
Als kerk zijn we zonder een diepgewortelde kerkelijke traditie erg kwetsbaar voor wat er buiten de kerk gebeurt: de commercie rond Sinterklaas en kerst kan de aandacht en de focus opeisen. Juist in de Adventsperiode gaat het om de aansporing, die vanuit het avondmaal tot ons komt: Verheft uw harten tot Christus, die in de hemel is. We verwachten Zijn komst en kijken uit naar Zijn komst in hemelse glorie en heerlijkheid.

Rutledge
Momenteel lees ik het boek van Fleming Rutledge, Advent. The Once and Future Coming of Jesus Christ (Advent. Jezus Christus, die in het verleden kwam en in de toekomst zal komen). Daarin schrijft ze dat er steeds meer aandacht komt voor Advent, omdat de periode voor kerst overschaduwd wordt door commerciële belangen. Afgelopen donderdag was het in de VS Thanksgiving. De dag erop is het Black Friday (Zwarte Vrijdag), de start van de kerstinkopen die begint met grote kortingen. Het vieren van het kerkelijk jaar en in deze periode de Adventstijd is een stil protest tegen de vercommercialisering van onze kalender.

Wederkomst
Daarnaast is er vanwege alle verschrikkelijke gebeurtenissen in de 20e eeuw weer aandacht gekomen voor de Wederkomst van Christus in haar kerkelijke episcopale (Amerikaanse variant van de Anglicaanse) traditie. Ze schrijft dat zij als kind op zondagsschool hoorde dat het vooral gaat om de komst van Christus in je hart. Met de aandacht voor de Wederkomst en de verschrikkingen uit de 20e eeuw is er ook aandacht gekomen voor de apocalyptische teksten, die gaan over het laatste oordeel en over de gebeurtenissen vooraf aan de Wederkomst. Rampen, oorlogen en andere verschrikkingen die de komst van Christus aankondigen.

Apocalyptiek
Kenmerk van de apocalyptiek is dat we als gelovige niet alleen te maken hebben met God en mens, maar dat er ook een derde macht is: de duivel. Hij heeft de macht gegrepen in Gods goede schepping. Apocalyptiek geeft aan dat we in een tussenperiode leven: de tussenperiode van de zonde en de duivel tussen de goede schepping en herschepping en ook de tussenperiode van de overwinning van Christus op zonde en duivel en de uiteindelijke verdrijving van de duivel en de zonde uit deze wereld.

Nood
Het boek
Advent is eigenlijk een bundeling van allerlei preken die Rutledge in gehouden heeft. Daarin geeft ze aan dat de periode van advent aan de ene kant een roepen tot God is vanwege de nood die er in deze wereld is en het lijden aan de stilte van Gods kant en aan de andere kant de hoop en stellige verwachting dat Christus zal wederkomen om vrede en recht te brengen op aarde.

Niet voor zwakkelingen
‘Advent is niet voor zwakkelingen’ schrijft ze geregeld. Het uitzien naar de Wederkomst en het roepen tot God om Zijn ingrijpen in deze door de zonde getekende en de duivel geknechte wereld vraagt om een robuust geloof. Het vraagt om moed om in de donkere, koude tijd van de zonde uit te zien naar Christus’ komst en je leven niet te laten bepalen door de zonde en de duivel, maar door de verwachting dat Christus terugkomt. Advent is altijd een sobere periode van verootmoediging en schuldbelijdenis en tegelijkertijd een hoopvolle periode vol vreugdevolle verwachting: onze Heer komt!

Voorbereiding
Een goede voorbereiding is het luisteren naar muziek: de Messiah van Georg Friedrich Händel of de mooie cantate van J.S. Bach – ‘Wachet auf ruft uns die Stimme’ (BWV 104) of de eveneens indrukwekkende cantate ‘Aus der Tiefe ruf ich zu Dir’ (BWV 131). Deze muziek is via Spotify of YouTube eenvoudig terug te beluisteren.

Komende zondag is het in onze gemeente viering van het Heilig Avondmaal. Ook een mooie manier om ons te oefenen in de verwachting van Christus’ komst in heerlijkheid

De hervormde traditie duikt steeds meer op in het debat over de multiculturele samenleving.

De hervormde traditie duikt steeds meer op in het debat over de multiculturele samenleving.

Tijdens een bijeenkomst waar ik was,  sprak voor iemand mij geheel onverwacht zijn steun uit voor de PVV. Met als argument: Als je als land en als kerk geen stelling neemt tegen de islam, hoef je niet meer na te denken over orthodox-zijn in deze tijd, omdat je doordat de islam over enige tijd ons land overgenomen heeft een orthodox-christelijk geloof niet meer mogelijk is. Op dat moment besefte ik: dit is een punt waarop ik de hervormde traditie niet begrijp, omdat ik een christelijk-gereformeerde achtergrond heb. Nu ik al een aantal jaar meedraai binnen de hervormde stroom van de Protestantse Kerk in Nederland, zie ik dat deze hervormde traditie steeds weer opduikt in het debat over de multiculturele samenleving en het migratievraagstuk. Grofweg gezegd gaat het hier om een clash tussen de oude christelijk-historische lijn en de anti-revolutionaire lijn.

Binnen de hervormde, christelijk-historische stroom ligt de nadruk op de eenheid van de gehele samenleving. Verschillen mogen niet leiden tot een breuk: je hoort bij elkaar en als christen zonder je je niet af van de samenleving door aparte organisaties op te richten. Als kerk ben je dienstbaar aan de hele samenleving. In deze hervormde traditie is er ook veel oog voor traditie: je komt ergens vandaan. Deze traditie is niet toevallig ontstaan, maar laat een band zien van God met ons land. Nederland is een christelijk land en de overheid is er om de christelijke identiteit te beschermen. Niet voor niets is er in deze traditie veel nagedacht over theocratie. Binnen deze traditie is er moeite is met de multiculturele samenleving, omdat de komst van niet-christelijke migranten de christelijke identiteit van Nederland ondergraaft.

De anti-revolutionaire stroming, begonnen in de 19e eeuw met voormannen als Guillaume Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper, verzette zich tegen de eenheid in de samenleving, die gestalte kreeg volgens verlichte idealen, die in godsdienstig opzicht neutraal zouden zijn. De anti-revolutionairen stelden dat geen enkele levensbeschouwing neutraal is, maar altijd uit een bepaalde vorm van geloof voortkomt. De overheid is niet bevoegd om uit te spreken welke geloofsovertuiging de juiste is. De overheid kan slechts faciliteren.  Deze stroming is altijd een minderheid geweest, die de eigen plek heeft moeten bevechten binnen de kerk en de politiek. Omdat het geloof op alle terreinen zeggenschap heeft, wordt dit politiek uitgewerkt in een christelijke partij, die voortkomt uit de gereformeerde levensbeschouwing.
Daarom kan iemand uit de anti-revolutionaire traditie zich er zich druk over maken als  partijen als de PVV of FvD, zich opwerpen als beschermers van de christelijke traditie. Er mogen dan overeenkomsten zijn in concrete beleidskeuzes, deze partijen komen uit een andere levensbeschouwing. Binnen de christelijk-historische traditie is het niet vreemd om de keuze voor een partij als PVV of FvD te combineren met actieve kerkgang, zoals in het verleden ook nogal wat hervormden van de VVD waren. Men heeft daar altijd beseft dat het christendom ook buiten de kerk werd gewaardeerd door cultuurchristenen.

Als anti-revolutionairen iets willen bereiken kan er ook gekozen worden voor bondgenoten die niet voor de hand liggen. In de afgelopen decennia is er gekeken hoe moslims bondgenoten kunnen zijn. Wie zelf ruimte nodig heeft voor de eigen geloofsovertuiging, omdat geloof niet alleen maar een gedachte is maar het hele leven bepaalt, weet dat iemand van een ander geloof dat ook nodig heeft.

Juist het verschil in visie op de identiteit van Nederland en op de rol van de overheid zorgt voor een scherp debat. Het maakt voor het denken over de multiculturele samenleving uit of Nederland een christelijk land is of dat Nederland een land met een diversiteit aan geloofsbelevingen. Wie uit de (neo)calvinistische levensbeschouwing komt, zal eerder de multiculturele samenleving als feit accepteren, omdat hij zichzelf al een levensbeschouwelijke minderheid wist voor de komst van de multiculturele samenleving. Wie uit de hervormde traditie komt, zal daar meer moeite mee hebben, omdat deze multiculturele samenleving het moeilijker maakt om Nederland als christelijk land te beschouwen.
De veranderde samenleving legt vragen op tafel voor beide tradities. Welke uitdagingen geeft God door middel van de multiculturele samenleving aan kerken en christenen en hun positie in de samenleving? Is het mogelijk om een land een christelijke identiteit en geschiedenis te geven? Hoeveel eenheid is er nodig voor een samenleving en wanneer wordt eenheid een ideologie? Hoe neem je als (christelijke) minderheid verantwoordelijkheid voor de samenleving als geheel? Welke ruimte kunnen we bieden aan niet-christelijke gemeenschappen en wat is de rol van de overheid daarin? Welke verantwoordelijkheid hebben we voor degenen die deze veranderingen niet mee kunnen maken?

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad van 21 september 2018

Crisis der Middenorthodoxie en prediking binnen de Gereformeerde Bond

Crisis der Middenorthodoxie en prediking binnen de Gereformeerde Bond

‘Onlangs las ik weer in een bekend geworden boekje van prof. dr. H. Berkhof,
Crisis der Middenorthodoxie (Nijkerk 1952)’, schrijft een collega in de Waarheidsvriend. Weer dat boekje van Berkhof! In kringen van de Gereformeerde Bond wordt dit boekje tegenwoordig haast als een belijdenisgeschrift gezien. Of minstens als een profetisch vergezicht: ‘Wat hij hierin schrijft over de gevaren die de midden-orthodoxie bedreigen, zien we vandaag terug in gemeenten die zich rekenen tot de Gereformeerde Bond.’
PTRanELmfoKPrK6FqYEIEr zijn twee redenen waarom Crisis der Middenorthoxie geciteerd wordt: Het is de enige  polemiek, waarin iemand uit de kring van de Gereformeerde Bond op niveau discussieerde met iemand van buiten de Gereformeerde Bond. Het is dus de enige polemiek waarin duidelijk wordt wat de Gereformeerde Bond heeft in te brengen in het bredere geheel van de kerk. Het citeren van dit geschriftje gebeurt dan ook niet zonder de nodige nostalgie.
Hendrikus_Berkhof


De andere reden is dat het boekje wordt gebruikt om de prediking van collega’s binnen andere gemeenten die zich tot de Gereformeerde Bond rekenen de maat te nemen. De prediking binnen de kring van de Gereformeerde Bond vervlakt. En Berkhof had nota bene daar al meer dan 65 jaar geleden voor gewaarschuwd! In het artikel wordt Berkhof geciteerd: ‘De midden-orthodoxe prediking verkondigt genade zonder gericht, verlossing zonder dankbaarheid, vreugde zonder vrees, voorzienigheid zonder gebod.’ Het voordeel van een citaat is dat dit niet bewezen hoeft te worden, maar als een profetische waarschuwing uit het verleden, die inmiddels in eigen kring bewaarheid zou zijn, naar voren gebracht kan worden.

Eerlijk gezegd vind ik deze manier van elkaar de maat nemen erg kwalijk. Ik ben zelf niet iemand die de prediking van collega’s bewust volgt. De preken die ik hoor zijn vaak van gastpredikanten. Een enkele keer beluister ik preken van een collega, van wie ik vind dat hij een bijzondere manier van preken heeft waar ik van kan leren. De eerste vraag die bij mij boven komt, is: Hoe weet men binnen de Gereformeerde Bond dat de prediking in eigen kring vervlakt? Beluistert men veel preken van predikanten? Gaat men af op signalen van gemeenteleden, die melden dat ze de prediking vinden vervlakken? Wat zijn de criteria voor vervlakking? Als ik de kenmerken van Berkhof aanhoudt, dan heb ik nog nooit een midden-orthodoxe preek gehoord binnen de Gereformeerde Bond.
91650abe72b74891ce17dffa3726f716_XL


De tweede vraag die bij mij opkomt, is of de analyse wel klopt. Is er niet iets anders aan de hand? Mijn indruk is dat er wel verschuiving in de prediking kan zijn: de verschuiving van een Kohlbrüggiaanse prediking of een meer Lutherse prediking van wet en evangelie naar een meer gereformeerde prediking, die het geheel van de Bijbel wil laten spreken in plaats van de persen door de mal van de verzoening (door voldoening). Als ik het artikel van deze collega lees, heeft het evangelie één kern: de hoogspanning van de verzoening. 2 Korinthe 5:12-21 wordt de norm voor elke preek.
Tijdens mijn studie was het niet meer vanzelfsprekend dat studenten uit de Gereformeerde Bond kozen voor kerkgeschiedenis en dogmatiek. Het merendeel koos juist voor de Bijbelse vakken: exegese van het Oude of van het Nieuwe Testament, Bijbelse theologie. Er was een enthousiasme voor de Bijbel en voor de grote mate van variatie in de Bijbel. Aandacht voor het Oude Testament, zonder dat dit deel van de Bijbel direct in een christologische exegese werd geduwd. Aandacht voor de wijsheid van het Oude Testament, de verhalen, de profeten, voor de godsdienstgeschiedenis in het Oude Israël. In het Nieuwe Testament aandacht voor de gelijkenissen, de paranese, de apocalyptische teksten, de zoektocht naar de historische Jezus. Zou deze aandacht voor de exegese en de Bijbelse theologie niet in de prediking doorwerken? Naar mijn idee maken we meer de omslag mee van een eenzijdige prediking, waarin het Paulinische evangelie norm en kern van de Bijbel is naar het oog voor de eigenheid en de variëteit van de Schrift.

Een derde vraag die bij me opkomt is: hoe doe je dat dan? Dan zijn we op het terrein van de materiële homiletiek: de inhoud van de verkondiging. Want je kunt stellen dat er gepreekt moet worden vanuit de gedachte van ‘tweeërlei kinderen van het verbond’, ‘twee wegen en drie stukken’, maar hoe doe je dat in de concrete praktijk? Daar worstel ik bijna bij elke preek mee. Vooral ook omdat er nauwelijks materiaal is dat mij daarbij helpt. Zonde en het laatste oordeel zijn thema’s die mij theologisch bezighouden en boeien en waarin ik mij geregeld verdiep, maar er het materiaal dat mij helpt om erover te preken is erg schaars. Als ik zou willen uitzoeken hoe ik in deze tijd ‘onderscheidend’ zou willen preken (d.w.z. in de preek er niet vanuit gaan dat elke aanwezige kerkganger een ware gelovige is), hoe doe ik dat dan? Een van de weinigen die dat uitgewerkt heeft is ds. A. Moerkerken, maar dat stamt uit een heel andere theologische traditie, waardoor het niet eenvoudig wordt om er iets uit mee te nemen. Als je wilt dat de prediking onder de ‘hoogspanning van de verzoening’ staat, volstaat het niet om te zeggen waar het aan schort of wat de norm is, maar ook hoe dat praktisch uitgewerkt kan worden: welke stijl, welke inhoud, welke aanspraak hoort erbij? En wat houdt dit in voor de predikant als eerste hoorder? Zonder die uitwerking blijft zo’n oproep alleen maar in de lucht hangen.

download (2)

Een complicerende factor is dat de kennis van de eigen traditie, ook binnen de Gereformeerde Bond, aan het wegebben is. Dat gebeurt onder kerkgangers, zodat er vanuit de prediking niet zomaar aansluiting is, maar van onderop opgebouwd moet worden. Het volstaat niet om leuzen in de prediking rond te strooien, maar zo’n leus dient uitgelegd en praktisch toegepast te worden, wil de traditie levend gehouden worden. De eigen traditie van de Gereformeerde Bond verdwijnt volgens mij ook onder predikanten. Want wie van de predikanten leest nog ds. I. Kievit, ds. G. Boer, ds. J.G. Woelderink of ds C. van der Wal? Zelf heb ik alleen enkele boeken van ds. Woelderink – ongelezen – in de kast staan. Als de eigen traditie hooggehouden moet worden in het geheel van de kerk, vraagt dat ook om een levend houden van de eigen traditie en een doorwerking naar onze huidige tijd.

Is dat nodig dat de oudere generatie predikanten uit de Gereformeerde Bond nog gelezen worden? Ik weet het niet. Ik red me redelijk met theologen en homileten uit Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten of Canada. (Nee, geen N.T. Wright!) Alleen is er misschien niet steeds een aansluiting op de specifieke spiritualiteit binnen de Gereformeerde Bond.

Naschrift
De reactie kan zijn: er wordt toch minder over of vanuit de rechtvaardiging van de goddeloze gepreekt? Deze constatering heeft een aantal complexe elementen in zich:

(1) is die rechtvaardiging de kern van de Schrift? Volgens prof. dr. W. van ’t Spijker is volgens de gereformeerde traditie niet de rechtvaardiging van de goddeloze de kern van het christelijk geloof, maar de gemeenschap met Christus. Een andere manier om de kern van het christelijk geloof aan te geven is: hoe God aan Zijn eer komt. Daarbij is de rechtvaardiging van de goddeloze weliswaar onmisbaar, maar niet dé kern.

(2) Is de rechtvaardiging van de goddeloze de enige manier om over het heilswerk van Christus te spreken? Volgens Fleming Rutledge zijn er twee hoofdbetekenissen van het kruis op Golgotha (met allerlei nuanceringen): verzoening door God van de zondige mens (waarvan de rechtvaardiging een onderdeel is) en de overwinning van God op de zonde, het kwade en de duivel.

(3) als je vanuit de rechtvaardiging wil preken: wat vraagt dat van Schrift, gemeente en predikant? Aan welke voorwaarden moet de verkondiging voldoen wil de boodschap gehoord en geloofd worden? Daarbij is het niet alleen nodig om te kijken naar de predikant, maar ook naar de gemeente en naar de Schrift. In welke gedeelten komt de rechtvaardiging aan de orde en welke niet? Welke plaats krijgen de brieven van Paulus in de verkondiging? Welk effect heeft de verschuiving van de Lijdenstijd naar de Veertigdagentijd voor de inhoud van de verkondiging?

(4) is het ook mogelijk dat de zaak in hedendaagse woorden en begrippen waardoor de sfeer anders is maar de inhoud niet? M.a.w. Is het slechts schijn dat de verkondiging oppervlakkiger wordt? Is er sprake van verandering van preekvorm of voordracht, waardoor het lijkt dat de inhoud oppervlakkiger wordt? Of het die veranderde vorm of performance effect op de inhoud?

(5) In hoeverre is de rechtvaardiging nog een levende geloofsbeleving of wordt het bewust of onbewust in de prediking gemeden omdat het slechts een systeem geworden is waarbij de levende geloofswerkelijkheid is verdwenen?

(6) De prediking over de rechtvaardiging van de goddeloze is extra complex geworden door het Nieuwe Perspectief op Paulus, waarin de Paulus-exegese van Luther, die ten grondslag ligt aan de gedachte van de rechtvaardiging van de goddeloze, ernstig wordt bekritiseerd. Inmiddels zijn daarop weer nuanceringen gekomen en wordt dit nieuwe perspectief ter discussie gesteld. Dat maakt het er allemaal niet eenvoudiger op.

Naschrift – 2
1) In de inleiding haal ik het boek Crisis der Middenorthodoxie (1952) van dr. H. Berkhof en de briefwisseling tussen dr. H. Berkhof en ds. G. Boer uit 1956 door elkaar.

2) In 2016 kwam het verzameld werk van ds. G. Boer uit: Tijdbetrokken vreemdelingschap.
Tweedehands zullen de boeken van ds. I. Kievit, ds. L. Kievit, ds. J.G. Woeldering, ds C. van der Wal verkrijgbaar zijn.
Meer recentere publicaties m.b.t. hervormd-gereformeerde prediking zijn de boeken van C. Graafland, W. Balke, W. Verboom en J. Hoek. Of de serie postilles: Woord der prediking.

Mijn punt was niet zozeer dat geschriften niet verkrijgbaar zijn, maar dat ik merk dat er eerder naar theologen van buiten de GB gegrepen wordt: Koopmans, Miskotte, Noordmans, Van Ruler. Of Engelstalig: Tom Wright, Tim Keller, Eugene H. Peterson.

Hervormingsdag

Hervormingsdag

Vandaag, 31 oktober 2017, is het Hervormingsdag. 500 jaar geleden zou de monnik Maarten Luther 95 stellingen hebben geslagen op de deur van de Slotkapel te Wittenberg. Een eeuw later, in 1617, een jaar voor het uitbreken van de Dertigjarige Oorlog in Duitsland beginnen de gereformeerden in de Palts de Hervormingsdag te gedenken. Andere regio’s en ook de Lutheranen sluiten hierbij aan. Niet alle regio’s overigens, maar de herdenking van de Reformatie op 31 oktober verspreidt zich wel over Duitsland. Zodoende kan de componist Johann Sebastian Bach in 1725 zijn cantate maken ter herdenking van de Hervorming.

In Nederland is de herdenking van de Hervorming vooral een Lutheraanse aangelegenheid. In 1617 sneeuwt deze herdenking onder bij de spanningen tussen de aanhangers van Arminius en de aanhangers van Gomarus en de op handen zijnde synode in Dordrecht.

In 1817 wordt de Hervormingsdag in Nederland ingevoerd. De Franse tijd is net achter de rug. Nederland heeft een koning uit het Oranjehuis. De kerk krijgt in 1816 een nieuwe kerkorde: het algemeen reglement. Willem I wil naar Pruisisch voorbeeld de Lutheranen en de Gereformeerden in één kerk laten samenkomen. De invoering van de (gezamenlijke) Hervormingsdag in 1817 is daarvan een voorbode. Hervormingsdag is niet alleen een kerkelijk gebeuren. Hoewel het op zondag gehouden wordt. Na de Franse tijd krijgt Nederland de Zuidelijke Nederlanden erbij en heeft Nederland een grote katholieke bevolking binnen de landsgrenzen. Is Nederland nu een protestantse of een katholieke natie? Hervormingsdag is aan de ene kant een poging tot oecumene (Lutheranen en Gereformeerden), maar ook een poging tot afgrenzing: anti-katholiek.

Vergelijkbare ontwikkelingen zien we in Duitsland. In 1817 wordt de Reformatie herdacht. Deze herdenking wordt verbonden aan de Slag van de Volkeren uit 1813 te Leipzig. De herdenking van de Reformatie wordt sindsdien gekoppeld aan de Duitse nationale identiteit. ‘Ein feste Burg’ wordt in die tijd meer een nationale anti-katholiek hymne dan een kerkelijk gezang. Ook dat zien we in Nederland: na 1817 vertaalt J.J.L. ten Kate dit lied en maakt er qua tekst meer een martiale mars en strijdlied van. Vanaf die tijd wordt Luther in Duitsland als één van de grondleggers van de Duitse nationale staat.

Overigens: de synode draagt in 1817 op Hervormingsdag te houden op de zondag na 31 oktober. Pas rond 1850 Hervormingsdag op de dag zelf. Dan krijgen de katholieken officieel weer toestemming om kerkdiensten te beleggen (grondwet 1848). In 1853 invoering bisschoppelijke hiërarchie. Als reactie daarop: meer aandacht voor herdenken hervorming.

31 oktober wordt gevierd vanwege de 95 stellingen die Luther sloeg op de deur van de Slotkapel te Wittenberg. Al geruime tijd is onzeker of deze gebeurtenis echt heeft plaatsgevonden. Degenen die over deze gebeurtenis vertellen, waren in 1517 nog niet in Wittenberg. Ook is het raadselachtig waarom deze stellingen de naam ’95 stellingen’ hebben, omdat er versies bekend zijn met andere nummeringen. Ook voor de theologie van Luther en de reformatorische doorbraak zijn deze stellingen veel minder kenmerkend dan bijvoorbeeld de stellingen van de Heidelbergse Disputatie of zijn commentaar op de Romeinenbrief. Deze stellingen zijn wel een publicitair succes. Ook al heeft Luther ze wellicht niet geslagen op de deur, hij verstuurde ze wel op 31 oktober naar enkele bisschoppen en gaf exemplaren aan zijn vrienden. Binnen enkele weken werden ze over heel Europa gedrukt en verspreid. Deze stellingen zijn het eerste mediasucces sinds de uitvinding van de boekdrukkunst.

Veranderziekte?

Veranderziekte?

Het Reformatorisch Dagblad heeft de laatste tijd aandacht besteed aan de veranderingen in de eredienst. De toon van die bijdragen was niet altijd even positief. Ronduit stuitend was de laatste column van mijn collega J. Belder, waarin hij spreekt over veranderziekte als een agressief virus en liturgische playboys die hun kans grijpen.

Er zijn verschillende manieren om beleid te maken met betrekking tot de eredienst. Een manier is om uit te gaan van een theologische norm: gemeenteleden horen twee keer per zondag naar de kerk te gaan, in de eredienst worden uitsluitend psalmen gezongen. Uitgaan van een bepaalde norm voor de eredienst is een mooi en respectvol ideaal. Ik zie in de praktijk echter dat niet alle gemeenteleden die norm meemaken. Gemeenteleden onder de 30 jaar hoor ik geregeld zuchten over de moeilijkheidsgraad van de psalmen. Niet alleen de woorden van de oude berijming (1773) worden als moeilijk ervaren, ook de melodieën vinden ze vaak te moeilijk.

Op huisbezoek stel ik vaak de vraag: ‘Stel dat ik voor de Loco (de lokale radio hier) een psalm of een lied aan zou mogen vragen, wat zou het dan moeten worden?’ Meestal wordt er een lied uit de Bundel van Johannes de Heer opgegeven, soms een bekend gezang en af en toe een opwekkingslied. Geregeld hoor ik verhalen over hoe er vroeger op zaterdagavond bij het harmonium gezongen werd uit deze Bundel. Ik vraag dan altijd of dat niet als een tegenstelling werd ervaren: doordeweeks uit de Bundel en ‘s zondags uit de Psalmen. Het antwoord is meestal: dat was nu eenmaal zo. Ik ben mij steeds meer tegen deze tegenstelling gaan verzetten, omdat hierdoor de kloof tussen de zondag en de andere dagen van de week wordt versterkt.

Bij doopdiensten vraag ik aan ouders of zij tijdens de doopdienst een psalm of een lied willen laten zingen die veel voor hen betekent. Daar heb ik verschillende redenen voor: Deze gemeenteleden worden uitgedaagd de in de gemeente gebruikte liedbundels door te gaan. Daarnaast wordt een dienst als veel persoonlijker beleefd, wat de betrokkenheid op de gemeente en op de dienst vergroot. Zowel actieve gemeenteleden als gemeenteleden die zich wat meer aan de rand bevinden, voelen zich meer serieus genomen als lid van de gemeente. Bovendien merk ik dat gemeenteleden vaak niet goed in staat zijn om aan te geven waarom zij laten dopen. Door een persoonlijke insteek gaat de doop zowel voor hun kind als voor henzelf meer leven.

Als predikant en als gemeente is het altijd van belang rekening te houden in wat voor omgeving een gemeente zich bevindt. De omgeving van Oldebroek scoort zwak op taalbeheersing en (begrijpend) lezen. Omdat de Herziene Statenvertaling en de hertaalde formulieren al als moeilijk ervaren worden, moedig ik het gebruik van de Bijbel in Gewone Taal aan en geef ik een vereenvoudigde versie van het doopformulier door. Of een gemeente de gewenste norm met betrekking tot de eredienst kan behalen, hangt ook van de scholen af. Het maakt nogal uit of kinderen goed zangonderwijs krijgen of dat de te leren liederen via YouTube worden aangeleerd. Als een gemeente toch een bepaalde norm wil aanhouden, dient men daarvoor binnen eigen gemeente aan te leren. Het is merkwaardig dat zangonderwijs nooit een plek heeft gekregen binnen de catechese.

De veelgemaakte fout in de bezinning op de eredienst is dat de discussie vooral inhoudelijk wordt gevoerd, terwijl andere factoren bepalender zijn.
Nadat de bundel Jeugd in Aktie werd vervangen door Op Toonhoogte, zei een gemeentelid tegen mij: ‘Eindelijk kan er iets veranderd worden.’ Ik krijg nogal eens te horen, dat het uit de weg gaan van de bezinning als verstikkend wordt ervaren. Alles moet bij het oude blijven. Ook als er geen goede argumenten zijn. Een gemeentelid, die geen kerkelijke opvoeding had gehad, zei tegen mij: ‘Als u de kerkdienst met een psalm begint, begin ik al op achterstand en maak ik de dienst niet meer goed mee.’ Net als een preek moet de orde van dienst de gemeenteleden ophalen waar ze zijn. Om ze uiteindelijk voor Gods aangezicht te brengen. Want dat is de bedoeling van elke kerkdienst, ongeacht de gehanteerde orde van dienst.

Daarom is de cruciale vraag met betrekking tot de eredienst niet of er wel of geen veranderingen mogelijk zijn, maar of een orde van dienst de gemeente voor Gods aangezicht brengt. Veranderingen in de eredienst kunnen een bijdrage leveren aan het besef dat in de eredienst de gemeente voor Gods aangezicht komt.