Altijd dat kruis – preludium

Altijd dat kruis – preludium

De eerste keer dat ik een preek hoorde van dr. A. van de Beek was ik een jaar of 16. Hij preekte in de Oude Kerk te Veenendaal. Ik was op dat moment niet hervormd, maar was door mijn orgelleraar gevraagd om te helpen bij het registreren. De naam zei me toen nog niet zo veel. Wat ik nog weet was dat het Eerste Paasdag was en dat de preek ging over 1 Korinthe 5:7: Ons Paaslam is voor ons geslacht: Christus: Wat ik van die preek onthouden heb, was dat in de Vroege Kerk Goede Vrijdag en Pasen op één dag werden gevierd.

9789021170633_5893_front
Evangelie voor de 21e eeuw
Later heb ik meer preken gehoord. Een preek over Markus 16, waarin Van de Beek aangaf dat deze perikoop die geschreven is voor de 21e eeuw: in de vroegste versie ontbreekt namelijk een duidelijke aanwijzing dat Jezus is opgestaan.

Uria, de Hethiet
Of een preek over 2 Samuël 23:39. Deze tekst stond op het psalmbord. Degene die achter mij zat, had voor de kerkdienst de Schriftlezing reeds opgezocht en zei tegen de buurman of buurvrouw: ‘Hoe kun je hier nu een preek over houden.’ De tekst was namelijk: Uria de Hethiet, bij elkaar zevenendertig. De Schriftlezingen maakten je weinig wijzer: naast de opsomming van de namen van de helden van David werd het geslachtsregister uit Mattheüs 1 gelezen. Van de Beek begon zijn preek: ‘Het is net of je de medewerkers van Clinton hoort opnoemen. Ze zeggen je niets, totdat je de naam van Monica Lewinsky hoort.’ Zoals Clinton voor altijd in verband wordt gebracht met Lewinsky, wordt de naam van David in het Oude Testament voor altijd in verband gebracht met Uria. Pas als de naam van Jezus genoemd wordt kan de naam van David los komen van Uria. Naast de voor mij originele verwoording van verzoening door Christus viel mij de nauwkeurigheid waarmee Van de Beek de Bijbel las.

Jezus Kurios
Van de Beek was net begonnen aan een serie boeken over Spreken over God. Ik had als beginnend student zijn Schepping. De wereld als voorspel voor de eindigheid gelezen. Ik las het boek helemaal uit zonder het te begrijpen. Ook zijn boek over wonderverhalen las ik zonder echt te begrijpen wat hij in dat boek deed. Het eerste deel van de serie raakte mij echter direct en existentieel: Jezus Kurios. Ik las het in de tijd dat ik inleiding bijbelwetenschappen kreeg en hoorde over de zoektocht naar de historische Jezus. Deze keer begreep ik wel de radicale insteek: hij draaide de zoektocht naar historische Jezus om: over God kunnen we alleen spreken als we het hebben over Christus. En dan niet de aardse, historische Jezus die een voorbeeld van geloof liet zien. Nee: God die wij kennen in de gekruisigde Christus. Alleen aan het kruis kun je als mens God kennen.
666750620
Een met de schuldige, verloren wereld
Aan het kruis wordt God één met de schuldige, verloren wereld. God deelt ons leven en redt daarmee ons leven. God maakt vuile handen door in onze wereld te komen en onze wereld aan te nemen. Dit boek leerde mij dat juist een hoge christologie (technische term van Jezus als God de Zoon) hoopvol is voor een wereld vol lijden en onrecht. Van de Beek vertelt hoe hij in Zuid-Afrika op weg naar de universiteit steeds langs de sloppenwijken liep. Die ervaring staat aan de basis van
Jezus Kurios, zoals het lijden dat hij onder andere als predikant steeds tegenkwam voortdurend zijn denken over God vormde. Zijn denken hielp mij om het lijden van deze wereld in mijn theologie een plek te geven. En niet alleen het lijden dat via de media tot ons komt. In zijn preken en columns in het ND heeft Van de Beek het vooral over het lijden dat in het westen vergeten is en voor het lijden waar het westen voor verantwoordelijk is.

Zoektocht
Na dit boek bleef ik Van de Beek volgen en schafte zijn boeken aan, voor zover mijn budget als student en beginnend predikant dat toeliet. Zijn boeken deden stof opwaaien. Al begreep ik nooit echt goed waarom. Ik begon als predikant in Noord-Holland, waar kerkgang verre van vanzelfsprekend was. Het was voor mij zoeken wat predikantschap inhield en vooral zoeken wat verkondiging was. Het was voor mij zoeken naar hoe ik dat zou moeten doen: verkondigen. Al was niet elk boek of elk hoofdstuk even sterk, de boeken van Van de Beek waren voor mij behulpzaam tijdens die zoektocht.

Uit beeld
In de laatste jaren is Van de Beek wat uit beeld gebracht. Ik schafte nog wel
Mijn Vader, uw vader aan, maar na het eerste hoofdstuk gelezen te hebben, legde ik het boek weg. Het pakte me niet. De publicatie van Altijd dat kruis ging aan mij voorbij. Tot mijn zwager onlangs zij dat hij dat boekje gelezen had en bij mij achterliet. Met wat tegenzin begon ik het te lezen en ik kwam er niet goed in. Van de Beek probeert het aanstootgevende van het kruis te bewijzen. Het werkt echter averechts: als je het aanstootgevende moet aantonen is het niet aanstootgevend. De karikaturale weergave van wat Van de Beek afwijst werkt ook niet echt mee. Tijdens het lezen dacht ik: het boek had beter de titel kunnen krijgen Tegen de vrijzinnigen, de vrijgemaakten en de (charismatische) evangelischen.

Onverschillige wereld
Totdat ik in hoofdstuk 6 aankwam. Opeens begreep ik waar het Van de Beek in zijn theologie om te doen is. Hij schrijft theologie voor een wereld, die onverschillig is geworden als het gaat om God. God, Christus, geloof, kerk: het zegt mensen uit deze tijd helemaal niets meer. Ze worden er niet koud of warm van. Die woorden hebben gewoon niets meer met hun leven te maken. Hooguit kennen ze het nog als woorden, die bij het leven van hun opa hoorde, die nog wel naar de kerk ging. In deze wereld is de theologie van Van de Beek geboren en voor deze wereld is zijn theologie uitgewerkt.

Het ergste wat je kunt doen in deze wereld
Het ergste wat je in deze wereld kunt doen is je theologie aantrekkelijk maken. Door je beeld over God op te leuken door de scherpe kantjes ervan af te halen. Door verhalen weg te laten uit de Bijbel. Door liederen te zingen die makkelijk in het gehoor liggen. Door Jezus als een goed mens te typeren. Door iets te doen om een betere wereld voor elkaar te krijgen. Maar je hebt niet door, dat de mensen helemaal niet meer op je zitten te wachten, al leuk je alles nog zoveel op. Ondertussen verkoop je wel je ziel aan de duivel en maak je alles in de kerk gelijk aan de wereld. ‘In die wereld hebben we het over vreemdelingschap voor christenen, over opstanding uit de doden, een leven aan gene zijde van de dood, over de hemel waarheen Jezus gegaan is en waar ons thuis is. Dat zeggen we in een context waar deze wereld het enige is wat is overgebleven. Het gaat dus nergens over. Het is allemaal onzin. Zo ervaart de seculiere mens de klassieke versie van het christelijk geloof.’ (p. 76-77)

Ik had het kunnen weten. Want zo begint Jezus Kurios ook: begin maar gelijk met Christus, want met redeneren en aantonen help je niemand: je atheïstische vriend niet en je eigen aangevochten geloof ook niet.

Met Christus gekruisigd
In die voor geloof onverschillige wereld is de kerk geroepen om te leven: met Christus gekruisigd, in de doop in Zijn dood ondergegaan, om zijn lijden en sterven in het avondmaal elke zondag opnieuw te vieren. Dat kun je op zondagmorgen doen als je met maar een handjevol mensen bij elkaar bent om Christus’ dood te gedenken. Dat verhaal wordt niet persé geloofwaardiger als je dat met een grote groep doet. Eerder omgekeerd: als je dat doet met een handjevol mensen op een dorp of in een wijk waarin de meeste mensen de kerk niet eens zouden missen als dit groepje niet bij elkaar zou komen, omdat het geloven hen niets meer zegt.

Wel het goede antwoord?
Tot aan hoofdstuk 6 vroeg ik mij af of Altijd dat kruis niet een mislukt boek was. Ik vond het jammer dat Van de Beek bezweken was om zijn critici, die vinden dat hij te somber is, te antwoorden met dit boek. Een passender antwoord had naar mijn idee de uitgave van een bundel preken geweest. Eerlijk gezegd hoop ik dat die bundel preken ooit nog uitgegeven gaat worden. Om te helpen bij de vraag hoe je in deze onverschillige wereld blijft verkondigen dat Jezus de Here is.

N.a.v. dr. A. van de Beek, Altijd dat kruis (Utrecht: KokBoekencentrum, 2018).

P.s. Binnenkort verschijnt in Christelijk Weekblad een artikel over Van de Beek, waarbij ik begin bij zijn uitgangspunt: een theologie voor een onverschillige wereld. Daarin werk ik uit hoe hij dat voor zich ziet.

 

Preek 24 februari 2019

Preek 24 februari 2019 |(Vorchten, Werkhoven)
Schriftlezing: Mattheüs 8:1-17
Tekst: vers 2-3, 17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Let niet op de rommel’, wordt er gezegd als je onverwacht op bezoek komt.
Ze zijn wel blij met je bezoek, maar er klinkt ook een licht verwijt in door:
Had even laten weten dat je komt, dan hadden we alles kunnen opruimen,
zodat je in een schoon en opgeruimd huis komt.

‘Let niet op de rommel’, hadden ze vast in de menigte gedacht,
toen Jezus de berg afdaalde.
Ze waren met Jezus op de berg geweest en waren onder de indruk van Zijn woorden.
Wat Jezus zei, waren meer dan gewone mensen woorden, woorden van God zelf
En op de berg hadden ze het gevoel dat ze zo heel dicht bij God waren,
Even boven hun alledaagse beslommeringen uitgetild,
woorden die hen getroost hadden, maar ook diep hadden geraakt en aangesproken,
confronterend, maar dan juist op een heilzame manier,
Waardoor ze zich opgescherpt voelden in hun relatie met de Heere.
Dat zouden ze wel vast willen houden, zo dicht bij God zijn,
maar nu dalen ze met Jezus vanuit dat dicht bij God zijn weer in hun eigen wereld.
Hun wereld van hun eigen rommel en hun eigen sores,
die je voor anderen wilt verstoppen.
En wellicht wil je dat ook voor de Heere verstoppen
En zeg je stil in jezelf: Heere, als U in mijn leven komt, geef dan eerst een seintje,
zodat ik mijn leven op orde heb en U niet in mijn rommel hoef te ontvangen.
Want als U zo onverwacht komt, dan schaam ik me om U hier te moeten ontvangen.

‘Let niet op de rommel.’ – net nog een hoogtepunt op de berg gehad
en dan iemand ontmoeten, die daar niet hoort te zijn,
die door de ziekte die zijn huid afgrijselijk heeft toegetakeld heeft, aangevreten,
zich niet onder de mensen zou mogen begeven.
De ziekte die deze man heeft
– melaatsheid in de oudere vertalingen, huidvraat in de NBV –
was niet zomaar een ziekte, maar werd gezien als een stempel door God gegeven:
Jij hoort niet meer tot Mijn volk. Je hoort verbannen te worden naar de rand.
Als dat oordeel ook nog eens door een priester werd uitgesproken
was je je plek in de samenleving kwijt, je mocht er niet meer bij horen.
Daar kunnen we raar van opkijken, maar ik dat vertellen gemeenteleden ook,
van wie bekend zijn dat ze ernstig ziek zijn en aan wie dat soms ook te zien is:
een kaal hoofd door de chemokuur, een rode huid van de uitslag.
Zij maken het mee, dat bekenden die hen in de supermarkt normaal gesproken aanspreken
nu gauw een ander gangpad inslaan en geen gesprek durven aan te gaan,
of degenen die normaal gesproken even aan zouden komen nu wegblijven,
omdat ze niet weten wat ze moeten doen, wat ze moeten zeggen,
er niet tegen kunnen om de gevolgen van de ziekte met eigen ogen te zien.
Wellicht hebben de mensen na het horen van Jezus’ verhaal op de berg gedacht:
De man die we hier zien is een illustratie van de bergrede.
Want Jezus had het voortdurend over het hart van de mens,
Waarin van alles verkeerd is: vatbaar voor verleiding, vol van zonde,
het is nodig dat ons hart gereinigd wordt, schoongemaakt
en bij het zien van deze man met zijn aangevreten huid en verminkte gezicht
hebben ze misschien wel gedacht, dat zijn uiterlijk het gevolg is van zijn hart dat mis is,
zoals dat ook met spanning kan zijn, die op het lichaam slaat:
zonde in het hart, die zichtbaar aan de buitenkant op de huid zichtbaar wordt.

Het is opvallend wat deze man doet: voor het oog van al die mensen
het oordeel dat de priester ooit over hem heeft uitgesproken,
namelijk dat voortaan de mensen moest mijden om hen ook niet onrein te maken,
negeren en zich onder de mensen te begeven en neer te knielen voor Jezus.
Mattheüs wil er ook de aandacht op vestigen:
kijk dan, let er eens op, sta er bij stil en neem de tijd om het op je te laten inwerken.
Kijk eens, hier zie je geloof: deze man die de moed heeft om naar Jezus te gaan
en beseft dat hij met zijn verhaal en zijn ellende bij Jezus moet zijn
voor een nieuw leven, een nieuwe toekomst.
Ook dit is een illustratie van de Bergrede:
NBV: Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want ieder die vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt, zal worden opengedaan. Is er iemand onder jullie die zijn kind, als het om een brood vraagt, een steen zou geven? Of een slang, als het om een vis vraagt?
Hier komt iemand op zoek naar Jezus en vraagt, iemand die bij Jezus aanklopt
en Jezus heeft al gezegd wat er al met iemand zou gebeuren, die zo komt aankloppen.
Jezus is niet alleen maar een Messias van mooie woorden,
maar een Messias die de mooie woorden ook in praktijk brengt, in daden omzet.

Ik denk dat Mattheüs om nog een reden onze aandacht wil vangen:
want het zou ook kunnen zijn, dat dit het niemandsland is, waar een verbannene mocht zijn.
Daar in de bergen, net als een bezetene in de holen en de grotten in de bergen woonde.
Dan zou Mattheüs ook tegen ons willen zeggen: Zie je wel welke weg Jezus neemt?
Voor Hem is er geen tegenstelling tussen het bij God verkeren,
het geestelijk op een berg zijn, een hoogtepunt in het geloof
en een weg door de menselijke diepte, waar de mensen zijn die er niet meer bij horen,
die te horen hebben gekregen, dat ze niet meer mee tellen.
Waar wij ons willen excuseren voor onze rommel en niet zouden willen

dat God die onder ogen zou willen komen, gaat Jezus juist die weg,
niet alleen maar om onze rommel te zien, maar ook om die te reinigen.
Aan het einde van drie verhalen over genezingen door de Heere Jezus
meldt Mattheüs wat Jesaja, de profeet, gezegd heeft:
NBV: Opdat in vervulling zou gaan, wat gezegd is door de profeet Jesaja:
Hij was het die onze ziekten wegnam en onze kwalen op zich heeft genomen.
HSV: Hij heeft onze zwakheden op zich genomen en onze ziekten gedragen.
Dat Mattheüs deze tekst hier plaatst, levert alleen maar vragen op.
Want Jezus geneest wel – in die zin neemt Hij de ziekten wel weg,
maar hier wordt niet zichtbaar, dat Jezus de ziekten draagt, zoals Jesaja wel zegt
en toch ziet Mattheüs in deze drie verhalen, die hij aan ons vertelt,
dat Jezus de profetie die Jesaja uitsprak vervuld heeft.
Jezus begeeft zich in de wereld van die man, die met zijn verminkte huid,
met zijn getekend gezicht en zijn stempel van onreinheid.
Wat Hij doet is meer dan genezen alleen – dat op zich is al heel bijzonder.
Hij neemt de ziekten ook op zich
– allereerst door zich er mee in te laten.
Jezus raakt de man aan, die bij Hem om hulp komt,
een man van wie je afstand moet houden, omdat je anders zelf ook besmet kunt worden,
waarbij jezelf ook het oordeel kunt horen uitspreken, dat je er ook niet meer bij hoort.
Het is een teder gebaar, een gebaar vol barmhartigheid,
Jezus die net verteld heeft over mensen die het koninkrijk der hemelen niet kunnen ingaan
omdat ze de brede weg gekozen hebben, de weg naar de ondergang,
die net vertelde dat diegene die de woorden van Jezus alleen maar aanhoort
en ze niet in praktijk brengt een huis bouwt, dat op zand gebouwd is,
het huis van je leven dat instort als het oordeel van God erover heengaat,
die vertelde dat je beter je hand kunt afhakken als die je in verleiding brengt,
Jezus die met Zijn handen straks in Jeruzalem de tafels zal omkeren,
het brood aan de tafel breekt en ronddeelt aan Zijn discipelen,
met Zijn hand het brood in dezelfde schaal doopt als degene die Hem verraden zal,
Jezus, wiens handen aan het kruis gespijkerd zullen worden.
Die handen raken nu deze man aan – en de man wordt gereinigd.
Dat is meer dan genezing.
Dat is van buiten een schone huid, maar ook van binnen een schoon hart.
Niet alleen genezen, maar ook van het stempel af, geen oordeel of veroordeling meer.
Het is het leven weer terugkrijgen, opstaan uit de dood, opnieuw geboren worden.  
En Jezus zegt: Ik wil.
dat gebaar van barmhartigheid en tederheid onderstreept dat nog eens,
dat Jezus genegen is om de man te reinigen.
Het wordt zichtbaar, dat Jezus het wil.
Jezus had de mogelijkheid blijkbaar om te zeggen: Nee, bedankt, Ik doe het deze keer niet.
Waarom eigenlijk? Waarom moet Jezus er persoonlijk mee instemmen?
Waarom is het zo van belang, dat Jezus dit zelf ook wil,
dat de man gereinigd wordt, en zo genezen en een nieuw leven mag beginnen.
Ik denk dat we hier opnieuw bij Jesaja aankomen:
Het dragen van onze zwakheden en kwalen, op het zich nemen van onze ziekten.
Ja, Ik wil dat doen. Ik neem jouw ziekte op mij en alles wat daar aan ten grondslag ligt,
wat die ziekte heeft veroorzaakt
en ook wat het effect is op je plek in deze maatschappij
en hoe jou dat op een afstand tot God heeft geplaatst.
Ja, Ik wil.
In het aanraken van de man zegt Jezus tegen Zijn hemelse Vader:
Dat kruis is ook mijn wil.
Ik wil afdalen van de berg, in die wereld waarin de mensen schamen voor hun rommel
en dat liever verborgen houden, omdat ze dat zelf niet aankunnen
en waarvan ze zelf ook vermoeden dat het een afstand tot God oplevert.
Ja, ik wil.
Dat is niets minder dan dat Jezus aangeeft: Ik ga de weg naar het kruis.
Ik ben bereid om die weg naar Golgotha te gaan,
op die berg, daar bij Jeruzalem de plek van deze melaatse man in te nemen
en af te dalen in zijn wereld en zijn wereld te dragen
en nog dieper gaan: neerdalen in het rijk van de dood, in de hel
en daar de plek van deze man over te nemen.
Ja, Ik wil.
Mattheüs heeft gezien welke diepte er is in de instemming van Jezus,
wat daar gebeurt als Jezus die man aanraakt en zegt: Ik wil.
Woorden die lang geleden door de profeet tegen Israël zijn gezegd
gaan nu in vervulling.
‘Let maar niet op die rommel.’ zouden we zeggen.
Als een belangrijk persoon komt, dan wordt de stad schoongemaakt.
Fietsen die verkeerd gestald zijn, worden weggehaald.
Mensen die geen huis hebben en op straat leven worden naar elders gebracht
om de straat een goed aanzien te geven.
Bij Jezus krijgen we geen kans om  wat in onze ogen rommel is op te ruimen,
omdat Hij zegt: Ik wil die weg gaan. Ik ben juist gekomen om die rommel op te ruimen.
Op een bijzondere manier – weg te dragen.
Niet alleen maar door een aanraking en daarmee de risico ook besmet te worden

en ook onrein verklaard te worden,
maar door te komen waar je bent, als je er niet meer bij hoort en afgeschreven bent.
De berg waar Jezus zijn toespraak op hield, die wij bergrede noemen,
is daarom ook niet een berg die ontstegen is aan onze wereld,
maar juist waar de melaatsen wonen, de verschoppelingen, degenen die verbannen zijn.
Daar in die wereld staat de berg, waar Jezus spreekt over het koninkrijk der hemelen,
en over het binnengaan van dat koninkrijk.
En Zijn aanraking van de man, die komt met zijn huidvraat, Hem zoekt, bij Hem aanklopt,
die hand is een zichtbare uitleg van wat Hij later in een gelijkenis zal zeggen:
Zoek de mensen op buiten de stad, op de landwegen,
waar de mensen zijn, die je niet in je stad wil hebben.
Jezus laat dat zelf zien: Hij is bereid om mee te gaan met die centurio
om bij hem in huis te komen om zijn zieke slaaf te genezen.
Jezus die in het huis van Petrus komt, waar die zieke schoonmoeder is.
Drie verhalen over hoe ziekte mensen gevangen houdt, knevelt,
drie verhalen waarin we kunnen ziek,
hoe dat is als je leeft in een macht die je gevangen houdt
en waar je jezelf niet van kunt bevrijden.
Jezus komt. Hij komt in jouw wereld, daalt daarin af, treedt die binnen.
Ja, Ik wil – wordt gereinigd.
Het gaat hier om meer dan genezing
– dat is ook al een voorbode van hoe het in het koninkrijk der hemelen zal zijn.
Geen ziekte, geen beperking of handicap.
Geen aangetaste huid of lichaam, niemand die een blokje omloopt,
omdat hij of zij je niet in het gezicht durft te kijken.
Het gaat hier om bevrijding uit een macht en innerlijke reiniging,
omdat Jezus dat wilde – wilde komen, wilde afdalen,
maar ook onze wereld en onze gevangenschap, onze zwakheden en ziekten wilde dragen.
Een Messias niet alleen maar in woorden, maar ook in daden.
Omdat Hij komt, ook in onze wereld, is Hij benaderbaar
en kunnen wij Hem zoeken en vinden,
kunnen wij bij Hem vragen en gehoord worden,
kunnen wij aankloppen en doet Hij ons open.
Met heel mijn hart heb ik de HEER verwacht.
Dat is al heel wat – als iedereen je afschrijft.
Daar is moed voor nodig en dat is volgens Mattheüs geloof:
De verwachting dat Christus ook in jouw wereld kan komen,
om jou te redden en te bevrijden en jou een nieuw leven te geven.
Hij heeft gehoord naar mijn gebed,
mij uit de modderpoel gered,
mijn voet weer op een vaste grond gebracht.
Hij heeft mij doen herleven.
Opstanding uit de dood, een nieuw leven, herboren, opnieuw geboren,
omdat Jezus kwam en zei: Ja, ik wil, wordt gereinigd.
Omdat Jezus vervulde wat Jesaja al zei:
Hij was het die onze ziekten op zich nam
en onze kwalen heeft hij op zich genomen.

Hij heeft onze zwakheden op zich genomen en onze ziekten gedragen. Amen

Preek zondagmiddag 17 februari 2019

Preek zondagmiddag 17 februari 2019
Dienst met medewerking van Christelijke Muziekvereniging Concordia
Schriftlezing: Psalm 118

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het loven van God is niet iets dat je in je eentje doet.
Je betrekt er anderen bij: Loof de Heer.
Een oproep om mee te doen in het loven van God.
Je wilt niet de enige zijn die onder de indruk is van de Heere
en je wilt alleen staan in het bezingen van God,
Want Hij is het waard dat er velen zijn die de Heere loven.
Want Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw.
Iedereen moet instemmen met de ervaring die je hebt opgedaan,
dat God goed is en dat aan Zijn trouw nooit een einde komt.
Heel Israël moet er in meestemmen, dat God goed is en Gods trouw nooit eindigt.
Israël, dat vanuit de eigen geschiedenis kan vertellen over Gods goedheid
en verhalen te over heeft om te vertellen van Gods trouw.

De priesters, die dag in dag uit in de tempel mogen werken
en dicht bij God mogen zijn, vrijgesteld om Hem te dienen met hun werk,
ze worden opgeroepen
om het dienen van God in de eredienst van de tempel niet tot een formaliteit te laten worden
maar om het met hart en ziel te doen, met vreugde om de God die ze mogen dienen:
de goedheid van God is niet alleen maar iets dat je in de tempel ervaart,
maar in alles om je heen, in de schepping, in je eigen leven, in de wereld
kun je steeds weer opnieuw opmerken dat deze wereld geschapen is
door God die alleen maar goed is
– goedheid is Zijn karakter en goed was de wereld toen Hij deze wereld schiep.
Steeds weer opnieuw mag je ervaren
dat je voor altijd geborgen bent in Zijn trouw, Zijn goedertierenheid.
Je kunt niet uit Zijn hand vallen. Daarom: doe mee in de lof op jouw en onze Heer.

Het loven van God is niet iets dat tot de kerk of tot de tempel beperkt mag blijven.
Ook daarbuiten, bij degenen die er van oudsher niet mee opgegroeid zijn.
Dat is namelijk van de derde groep
die na het volk Israël en de priesters uitgedaagd worden om mee in te stemmen met de lof
de gedachte: dat zijn mogelijk degenen die er niet van huis uit mee zijn opgevoed.
Die later in hun leven met God in aanraking gekomen zijn
En onder de indruk zijn geraakt en zijn gaan geloven.
Of je er nu van huis met opgegroeid bent en de verhalen over God hebt meegekregen,
dat je het in je opvoeding hebt meegekregen
dat God goed is en dat je altijd mag rekenen op de trouw van God,
of dat je dat later ook hebt mogen ontdekken en bent gaan geloven:
Iedereen wordt opgeroepen om God te loven,
zodat heel de aarde vol is van de lof op God.

Dat loven van God – is dat nu iets wat je doet als je in de stemming bent?
Als je een dienst hebt met een orkest en waarin je veel liederen zingt?
Stemming kan best uitmaken.
Het valt mij altijd op aan het einde van de winter, als de eerste lentedagen komen
alle mensen gelijk vrolijker zijn, uitbundiger.
Dan ben je misschien wel makkelijker mee te nemen in het loven op God
En geef je wellicht eerder gehoor aan de oproep om God te loven.
Toch gaat het bij het loven van God om meer dan een bepaalde stemming.

Ik kwam dat tegen bij de Duitse theoloog Claus Westermann.
Deze Claus Westermann heeft zich veel met het Oude Testament bezig gehouden
En een van de thema’s uit het OT waar hij mee bezig was, was het loven van God.
In zijn boek over het loven van God in de Psalmen begint hij ermee
door te zeggen dat het loven van God de kerk weer bezig hield.
Het waren juist de moeilijke tijden van de Tweede Wereldoorlog
En voor de Duitse kerk de tijd ervoor, toen Hitler aan de macht gekomen was
En velen in de verleiding raakten om daarin de hand van God te zien,
die tijd was voor de Duitse kerk al een moeilijke tijd,
maar juist in die tijd ontdekte de kerk volgens Claus Westermann weer het loven van God.
Na de oorlog werd een verzameling van brieven uitgegeven,
Die geschreven was door predikanten die in de gevangenis gezeten hadden.
De titel van die uitgegeven brieven was En zij loofden God.
Een andere predikant gaf gedichten uit van de periode 1933-1945
En die bundel gaf hij de titel mee Lof uit de diepte.
Juist de tegenstand waar de kerk mee te maken kreeg,
Zorgde ervoor dat de kerk weer uitkwam bij het loven van God.
Westermann wist overigens waar hij het over had.
Hij was als predikant lid van de groep kerken die zich verzette tegen Hitler,
wat hem in die tijd al verdacht maakte.
diende in de Tweede Wereldoorlog als soldaat
en zat als krijgsgevangene een aantal maanden in een Russisch kamp.
Om zich bezig te houden, verdiepte hij zich in de psalmen.
In zijn voorwoord van zijn boek over het loven van God in de psalmen schrijft Westermann:
Hier en daar ervoeren gemeenteleden onder de zware druk van het gebeuren
dat zij niet alleen het geduld leerden
en zich eerden om zich te voegen in wat hen werd opgelegd,
maar dat zij onder de hun opgelegde last – ondanks alle aanvechtingen –
in staat waren om God te loven.
Voor iedereen die dat meemaakte was dat een ontdekking.
Westermann gaat erop door: de lof op God die in moeilijke omstandigheden opkomt,
zorgt ervoor dat je niet meer alleen staat,
maar dat je onderdeel bent van een gemeente, een gemeenschap
Loof de Heer, want Hij is goed. Want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

Dat zijn dus niet alleen woorden, die klinken om een mooie dag in februari,
waarbij de lentezon alles weer tot leven wekt
en laat weten dat het met de kou en de regenachtige dagen voorlopig gedaan is.
Juist de ervaring dat alles in je leven op het spel staat  en je alles kunt kwijtraken
die je brengt tot de lof op God.
Uit de benauwdheid heb ik tot de Heere geroepen. horen we in de psalm.
Een nare ervaring, waarbij je geen lucht meer hebt om te ademen en dreigt te stikken.
Ik hoorde een keer iemand in het ziekenhuis zeggen:
‘Benauwdheid is erger dan pijn. Want bij pijn kun je nog pijnstillers nemen,
maar bij benauwdheid weet je niet waar je het moet zoeken.’
Ik heb ook de verhalen gehoord van mensen met longproblemen
die ‘s morgens voor dag en dauw al hapten naar adem
en dan moest de dag nog beginnen.
Een gebrek aan lucht en ruimte – benauwdheid.
Later in de psalm wordt die ervaring concreter gemaakt:
Oorlogsgeweld, een omsingeling, waarbij er geen ontsnappen meer mogelijk is
en de vijand vol dreiging op je afkomt.
Dat is het moment, waarop de lof geboren wordt,
Was het inzicht dat Westermann had opgedaan.
Dat inzicht doe je niet op door met elkaar te discussiëren,
Want daar is geen tijd voor, je kunt alleen maar roepen, roepen om God
dat Hij komt helpen: Uit de benauwdheid heb ik tot de Heere geroepen.
Daar in de benauwdheid wordt de lof geboren,
niet in de zin dat je dan al kunt loven, daar heb je dan geen adem voor,
maar wel, dat als je zelf geen uitkomst meer ziet, als alles verloren lijkt
dat God er dan is, en je eruit helpt en je het leven teruggeeft.
Want dat roepen was niet tevergeefs,
het was geen loze kreet, in het heelal geslingerd uit onmacht,
maar gericht aan de Heere, die het ook hoorde en daadwerkelijk kwam.
Dat is kenmerk van geloof, zo gaan de gelovige en God met elkaar om:
de gelovige roept tot God en om God en de Heere antwoordt,
de Heere laat Zijn trouw en goedheid zien en de gelovige looft de Heer.
God is goed.
Eigenlijk kun je het niet onder woorden brengen.
God is goed – dat zeggen is eigenlijk maar een stamelen, een zoeken van woorden
om aan anderen te beschrijven hoe wij God ervaren:
God is goed – het is een lof op Gods karakter: zo is God.
Zo laat God zich zien en zo heb ik Hem zelf ook mogen ervaren.
En het is niet alleen maar mijn eigen ervaring.
Het wordt ook in de verhalen in de Bijbel zo verteld,
Het is door veel gelovigen voor mij zo ervaren, ze hebben die ervaringen doorverteld
En zelf mag ik het ook ervaren: Gods goedheid en Gods trouw.
En ik wil mee kunnen zingen over Zijn goedheid en over Zijn trouw,
omdat zij daarmee kunnen instemmen en dat ook zelf mogen ervaren.
Loven doe je niet in je eentje. Je betrekt er anderen bij.

Maar wat als je net als Thomas bent, die Jezus nog niet heeft ontmoet
op de eerste avond van Pasen, toen Jezus aan Zijn discipelen verscheen
en daarom het geloof niet heeft?
Toch nodigen ze Thomas weer uit, zodat Hij er de volgende keer er wel bij is
en Hij Jezus mag ontmoeten, opgestaan uit de dood.
En zo heeft Hij zelf die ervaring ook, dat Jezus inderdaad leeft
en zijn verdriet wordt van hem afgenomen, Thomas gelooft
en kan wel zingen van vreugde: Loof de Heer, want Hij is goed.
Zelfs de dood kan Zijn trouw en goedheid niet beëindigen.
Voor altijd geborgen in Gods trouw.

In de uitleg wordt God is goed verbonden aan de schepping,
God zag wat Hij geschapen had en zie het was goed.
De goedertierenheid, de trouw zou dan op de geschiedenis van Israël wijzen.
God gaat met Zijn volk mee:
Vanaf dat Hij deze wereld geschapen had,
Abraham die werd uitgekozen als vader van een volk dat God zal dienen,
God die dat volk uit Egypte bracht, door de woestijn, in Kanaän.
Loof de Heer, want Hij is goed, Want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
Loven is vol verwondering opzien naar God,
onder de indruk van hoe Hij alles heeft geschapen: Hoe groot zijt Gij!
In het zingen worden we meegenomen in de verwondering
dat Jezus naar de aarde kwam, om onze schuld te dragen.
Loof de Heer, want Hij is goed, Want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
Hoe groot zijt Gij.
Het uitzicht, de verwachting dat Jezus eens zal komen
met majesteit en luister, om ons thuis te brengen.
Loof de Heer, want Hij is goed, Want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
Amen

Preek zondagmiddag 10 februari 2019

Preek zondagmiddag 10 februari 2019
Dankzegging Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Mattheüs 7:13-27
Tekst: vers 18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie
We zijn hier bij elkaar om de Heere te danken voor wat Hij ons geeft in het avondmaal.
Allereerst geeft Hij een tafel hier in het midden van de kerk,
waar Hij zelf de gastheer is en waar wij naar toe kunnen gaan
om bij Hem, onze Heere, aan tafel te zitten.
Dat is al een voorrecht: de Heere die hemel en aarde gemaakt heeft,
die alles wat er is gemaakt heeft: de wereld waarin wij leven en de schepping om ons heen,
die aan ons het leven heeft gegeven,
die in de hemel troont en regeert over het hele universum, over alles wat er is,
een voorrecht dat Hij in ons midden wil zijn en dat wij naar Hem toe kunnen gaan,
bij Hem aan tafel kunnen zitten, waar Hij ons bedient met brood en wijn.
De almachtige en heilige God wil met zondaren de tafel delen
en aan hen Zijn goede gaven geven.
Dat op zichzelf is al een reden om de Heere te danken.

Aan Zijn tafel maakt de Heere zichtbaar dat er voor ons vergeving is voor ons.
Een tweede reden om Hem te danken,
dat Hij het ons niet meer aanrekent, wanneer we een verkeerde weg hebben gekozen,
dat Hij het vergeeft als we te weinig vertrouwen hadden,
te weinig met Hem bezig geweest zijn, Hem uit het oog verloren zijn.
Zelf wanneer we tegen Hem in gegaan zijn, een verkeerde keuze maakten, zondigden,
als we ons mee lieten nemen door verleidingen,
dan is er bij de Heere vergeving.
Dat die vergeving er is, wordt zichtbaar in het brood dat gebroken wordt,
een herinnering aan hoe het lichaam van Christus voor ons verbroken werd.
Dat God ons vergeeft en met ons opnieuw wil beginnen wordt zichtbaar in de wijn,
die rondgaat, de beker waaruit we drinken,
die ons weer doet weten, wat Christus heeft over gehad, dat Hij Zijn leven gaf,
dat Hij diep wilde gaan, zo diep mogelijk,
als Herder die het verloren schaap zoekt, hoe ver dat ook is afgedwaald,
bereid om uit de hemel te komen, maar ook bereid om aan het kruis te gaan,
in het rijk van de dood en in de hel, om ons bij de Vader terug te brengen.

Avondmaal is een moment bij Hem zijn.
De grazige weiden, waar we neer mogen liggen en op krachten mogen komen,
de stille wateren, waar Hij ons naar toe leidt.
Hij sterkt ons met Zijn aanwezigheid,
Hij voedt ons met Zijn Woord en lest onze dorst met het levende water, de Heilige Geest.
Avondmaal is een plek op onze reis door het leven,
op de weg die smal is en moeilijk te vinden en moeilijk te gaan is,
om bij te komen, maar ook de bevestiging te krijgen, dat dit de juiste weg is,
de weg die God wil dat we gaan.
We krijgen er aanwijzingen voor hoe we verder gaan
en de bevestiging dat  de Heere zelf mee gaat op onze weg.
Wat we krijgen bij het avondmaal, het moment om heel dicht bij God te zijn,
aan Zijn tafel gast te zijn, gesterkt te worden in het geloof,
de bevestiging dat er voor ons vergeving is en dat God weer opnieuw met ons begint,
ons reinigt van onze zonde – dat nemen we mee als we naar huis gaan
en er zijn in ons eigen huis, in ons gezin, onze familie, de buurt waarin we wonen,
op de plek waar we werken en onder collega’s zijn.
Dat is wat de Heere Jezus bedoelt met de goede vruchten die een gelovige voortbrengt.

(2) Christus verwacht van de gelovige goede vruchten
Het klinkt steeds bij de voorbereiding van het Heilig Avondmaal:
laat ieder zijn of haar geweten onderzoeken
of u ook gezind bent voortaan met uw hele leven
waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen
en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht.
Dat laat zien dat het Heilig Avondmaal niet alleen een plek is om op adem te komen,
om gesterkt te worden in het geloof,
om weer te zien en te mogen weten dat het lichaam van Christus ook voor u gebroken is
en dat Hij ook voor jou Zijn leven gaf, daar aan het kruis van Golgotha.
Christus geeft dat aan ons, het is een geschenk dat we aan mogen nemen
en we hoeven daar niets voor te betalen, we mogen dat zo maar ontvangen,
maar Hij verwacht er wel iets voor terug:
Hij verwacht dat we Hem dankbaar zijn
en dat we die dankbaarheid die we hebben niet alleen maar in woorden zullen zeggen,
of als een gevoel in ons hart meedragen,
maar dat die dankbaarheid ook tot uiting komt in wat we doen.
Christus verwacht van ons daden, waarin het zichtbaar wordt,
dat we vergeving hebben ontvangen,
dat God het goed maakte met ons en opnieuw wil beginnen.
Christus verwacht het van ons, dat het zichtbaar wordt, allereerst voor God
maar ook voor de mensen om ons heen,
zodat die weten dat we een God hebben, een Heer hebben die Zijn leven gaf,
die met ons een nieuwe start maakt, die genadig is.
Aan de vrucht zult u ze kennen.
Stel dat je een moestuin hebt, waar je niets aan doet.
Je laat de planten hun gang gaan, ook het onkruid (of het niet-gewenste kruid).
Als je dan een aantal maanden later gaat kijken, om iets uit de tuin te halen
als groente, of vruchten die groeien, of om een bos bloemen op tafel te zetten,
dan zul je niets vinden.
Van een brandnetel kun je geen appel plukken: daar heb je een appelboom voor nodig.
Als er zevenblad in je tuin staat, dan kun je die niet oogsten
om die in de pan te koken en als groente op tafel te zetten.
Wanneer je groente uit de tuin wilt hebben, dan moet je zaaien,
Moet je weten welk zaad je moet hebben
en moet je de tuin steeds wieden en het gewas steeds weer opnieuw verzorgen.
Dan zegt de Heere Jezus: wie gelooft en dat niet alleen maar van binnen doet,
maar ook je karakter door het geloof laat vormen,
als je leven met Christus een stempel op je drukt,
dan ben je kun je verwachten dat er vrucht te vinden is.
Dan zal God dat in ieder geval merken.
Of de mensen om je heen dat merken zullen, hangt ervan af
of zij de ogen hebben om de vrucht van het geloof waar te nemen.
Als je geen werk maakt van je geloof,
als geloof alleen maar een gevoel is dat je af en toe hebt, een fijne stemming,
Als geloof alleen maar iets is wat je oppervlakkig doet
en waar je niet uit leeft, dan moet je er niet raar van opkijken
als je geen vrucht voortbrengt, als er niets bij je te vinden is,
voor God niet en voor de mensen om je heen niet.
Hij draagt het ons wel op, om die vrucht voort te brengen
en de avondmaalstafel, of nu deelgenomen hebben of niet, vraagt aan ons:
En nu, wat ga je er mee doen? Wat breng je er van in praktijk?
Niet om dat als een vervelende plicht te doen,
maar uit dankbaarheid, omdat je zoveel van de Heere ontvangen hebt,
omdat Hij er weer was, omdat Hij je geloof wil vernieuwen en je wil vergeven.
Wat staat daar tegenover? Wat doe je ermee?
Laat je het alleen een fijn gevoel zijn, of mag het ook een uitwerking op je leven hebben?
Denk ook er aan, dat je met wat je in je in je leven gedaan hebt voor God komt te staan.
Zul je dan kunnen aankomen met een mooie oogst uit je leven, die je Hem kunt aanbieden?
In de voorbereiding lopen wij zelf er even in de tijd terug
om na te gaan, welke vruchten wijzelf zouden kunnen vinden in ons leven,
Wat wij vanuit wat wij zien de Heere kunnen aanbieden.

Vrucht dragen kan alleen als je aan Christus verbonden bent,
Als je van Hem bent en als Hij met Zijn Geest in je leven werkt.
Dan mag je ervan uit gaan, dat je wat aan kunt bieden.
Dat je kunt zeggen: Heer, ik heb omgezien naar mijn buurman die niemand had.
Ik was bereid om iemand op te zoeken die het moeilijk had.
Ik was iemand op wie je kon bouwen. Ik heb nooit iemand laten vallen.
God zal vruchten bij ons vinden, die we zelf niet zouden zien:
de vreugde die je uitstraalt brengt bij anderen de vreugde in het leven.
De manier waarop je moedig met je zorgen omgaat, geeft anderen een voorbeeld
om zelf wanneer er moeilijkheden komen niet van slag te raken
en de steun en hulp bij de Heere te zoeken.
Vruchten die groeien als je bij de Heere Jezus hoort.
En met het avondmaal hebben we aangegeven,
dat wat wij er zelf aan kunnen doen ook zullen doen,
uit dankbaarheid en liefde voor God.
Kunnen wij dat wel uit onszelf, wat God ons opdraagt?
En wat brengen er in de komende tijd van terecht?

(3) God laat de gelovige goede werken doen
De belofte van God bij het avondmaal is, dat Hij die vrucht aan ons geeft,
omdat we bij Christus horen
en het vanmorgen weer bij Hem gezocht hebben,
omdat we aan Zijn tafel kwamen en daarmee aangaven:
We brengen er zelf niets van terecht.
De vruchten die wij zelf zien in ons leven, de vruchten van geloof,
is maar een schamele opbrengst en niet de grote oogst die U belooft, die U vraagt.
En  dan zegt Hij tegen ons: Ik laat je vrucht dragen.

Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen.
Als je bij Mij hoort, als je naar Mij luistert, dan zul je vrucht dragen.
Dan zal er iets te vinden zijn, wat je later als je voor Mij verschijnt kunt aanbieden,
dankbaar en vol verwondering, dat je dit mocht doen.
Als je dan op je leven terug kijkt, dan zul je tot je eigen verrassing zien,
dat er een licht van je uitstraalde in de wereld om je heen,
niet je eigen licht, maar Gods licht dat door je heen ging
en dat andere mensen om je heen merkten: er is een God, die ook mijn God wil zijn.
Er is een God, die mij niet veroordeelt als ik kom
omdat er een gelovige was, die mij niet veroordeelde.
Er is een God, die royaal geeft, omdat er een christen in mijn omgeving was,
Die niet karig was in het geven.
Er is een God, die bereid is om iemand die van zijn leven niets gemaakt heeft,
op te zoeken en een nieuw leven te geven,
omdat er iemand was, gedreven door dezelfde liefde die deze God heeft,
Die mij opzocht in de gevangenis of in een kliniek.
Er is een God, die geduld met mij heeft, omdat ik iemand ontdekte,
Die beter thuis was in het geloof, die de tijd en de moeite nam om uitleg te geven
en met mij mee te lopen en mijn vragen aan te horen.
Er is een God die luistert, omdat ik iemand heb waar ik mijn verhaal kan uitstorten
en elke keer als ik met mijn verhaal kom is het niet teveel,
maar kan ik zomaar weer vertellen, waar anderen zeggen: nu weten we het wel.
In wat we doen, vervangen we God niet
en we doen het wellicht, omdat het ons zo geleerd is, of bij ons karakter past
En toch zijn het de gaven die de Heere uit ons leven kan vinden,
vruchten die Hij zelf aan ons laat groeien, omdat we aan Christus zijn verbonden
en dat we aan Christus verbonden zijn, is te merken aan de vrucht die we voortbrengen.
Vrucht voortbrengen is altijd een wonder van God.
Dat geldt voor een appelboom, voor een veld vol koren, voor koeien die melk geven.
Ook de vrucht die in het leven van gelovigen groeit is een wonder van God.
Bijzonder dat Hij ons kan gebruiken, een instrument in Zijn hand
om de wereld om ons heen van Hem te laten zien.
In het evangelie van Mattheüs is er steeds de aansporing om vrucht voort te brengen.
– Dat is wellicht in de afgelopen weken al opgevallen.
Het gaat erom, dat we het niet alleen bij woorden laten, maar ook doen.
Steeds wordt daarbij naar de basis gegaan: ons hart.
Als ons hart goed is, dan is het als een goede boom die goede vruchten voortbrengt.
Vruchten vol smaak en kleur, voedzaam en gezond.
Het is het wonder van Gods genade, dat God met ons hart bezig is om het te zuiveren,
te reinigen van de zonde,
zodat we die goede vruchten kunnen voortbrengen.
Vanmorgen hebben we dat gevierd, mocht het weer zichtbaar worden,
Dat Christus zijn leven gaf, zich liet verbreken om ons te reinigen van onze zonde,
volkomen verzoening van al onze zonden.
Dan kunnen we vrucht voortbrengen.

(4) Afsluiting
Een leven niet voor onszelf, maar voor anderen en vooral voor God.
Dan is ons leven een loflied op Hem,
dan is onze manier van leven een eerbetoon aan onze Heer.

Amen.

Preek zondagmorgen 10 februari 2019

Preek zondagmorgen 10 februari 2019
Viering Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Mattheüs 7:13-27
Tekst: Vers 24-27

Gemeeente van onze Heere Jezus Christus,

We moeten allemaal eens voor God verschijnen.
Als ons leven op aarde voorbij is, dan komen we voor Zijn troon te staan.
Hoe zal Hij dan over ons leven oordelen?
Mag je binnenkomen in Zijn heerlijkheid?
Of zal Hij aangeven dat er geen plaats voor je is?

Je kunt die vraag voor je uitschuiven,
maar er komt een dag waarop we daar staan voor Hem.
Niemand weet wanneer die dag zal komen
en niemand of hij of zij de tijd krijgt om daar alsnog over na te denken.
Als je niet wilt nadenken over hoe het straks zal zijn, als je voor Hem komt,
dan lijk je op iemand die een huis bouwt op het zand, een huis zonder fundament.
Een huis op zand bouwen, betekent dat je je niet zo druk maakt
over hoe het zal gaan als je voor God komt te staan.
Je komt er wel door en zult wel worden binnengelaten.
Je bent dan iemand die een huis bouwt, je eigen levenshuis,
zonder je druk te maken om het fundament,
zonder na te denken of je huis wel stevig staat.
Het is onverstandig, dwaas, als je ervan uit gaat dat het altijd mooi weer blijft,
dat de zon altijd in je leven blijft schijnen.
Als het zover is, blijft er weinig van overeind, want het had geen enkele vastigheid.
De storm, waar de Heere Jezus over spreekt,
de hevige regen en het water dat buiten de oevers treedt en zorgt voor een overstroming,
daarmee bedoelt Hij niet dat er over je aardse levens heel wat stormen kunnen komen.
Dat kan zeker – hier in de kerk zijn er heel wat bij wie het gestormd heeft in hun leven
en ook dan is het belangrijk dat het huis van je leven op Christus de rots is gebouwd.
Maar hier betekenen de storm die om het huis heen waait:
het oordeel van God over ons leven, dat Hij zal uitspreken
Als we aan het einde van ons aardse leven voor Zijn troon komen te staan.
Er is maar één manier waarop ons levenshuis in die storm overeind kan blijven staan,
Waardoor we ook geen zorgen hoeven te maken voor dat moment,
Waarop we voor Hem moeten verschijnen.
Als ons huis gebouwd is op Christus de rots
en het huis van ons leven is op Hem gebouwd
als we Hem in geloof aannemen, als we in vertrouwen op Hem leven
en dat niet alleen bij mooie woorden laten.
Ons levenshuis is op Hem gebouwd, als we Zijn woorden niet alleen horen,
maar ook in praktijk brengen.
Wanneer je dat doet, dan ben je verstandig
en dan weet je zeker dat je kunt verschijnen, dat je houvast hebt.

Wanneer je dat niet doet, wanneer je de woorden van Jezus wel hoort,
maar langs je heen laat glijden en er niets mee doet en ze niet in praktijk brengt
dan ga je er aan voorbij dat je leven hier op aarde eens zal eindigen
en dan ben je net zo dwaas bezig als iemand die een huis bouwt,
zonder voor een goed fundament te denken.
We komen niet alleen aan het einde van ons leven voor God,
maar ook als we in de kerk zijn, als we bidden of lezen in de Bijbel.
Dan komen we voor God te staan.
Omdat we Hem dan niet zien en niet altijd ervaren,
kunnen we er op dat moment aan voorbij gaan, dat we voor God zijn gekomen.
En als we het hier goed hebben, kunnen we het voor ons uitschuiven
dat het moment eens zal komen waarop de Heere vraagt
wat we met ons leven hebben gedaan.
We kunnen dat niet voor ons uitschuiven,
want als we ons levenshuis nu niet op Hem bouwen, dan staat ons huis op het zand
En zijn we onvoorbereid voor dat moment.
Het gaat er om dat ons levenshuis op Hem is gebouwd.
Als we naar de kerk gaan, dan is de vraag die steeds op ons afkomt:
Waar is ons huis op gebouwd?
Op zand omdat we denken dat we er zo wel komen en zelf genoeg doen?
Of is ons huis gebouwd op de enige Rots die er is: Jezus Christus?
Als we avondmaal vieren, dan zijn we bezig om ons levenshuis op Hem te bouwen.
We beseffen dat als Christus niet het fundament onder ons leven is
We niet overeind blijven als we voor Hem komen.
Als we avondmaal vieren, kijken we ook terug en beseffen we
Dat er heel wat momenten weer zijn geweest, waarop we eerder bouwden op het zand
Dan op de Rots, die God ons biedt, de stevigheid, het houvast dat God ons aanreikt.
Avondmaal vieren is de kans weer opnieuw krijgen,
om niet op zand te bouwen, maar ons levenshuis te bouwen op Christus.
Alleen dan heeft ons huis stevigheid en houvast.
Alleen dan blijft ons levenshuis overeind als de storm om het huis giert,
Als een zware regenbui tegen de ramen en de muren aanslaat.
De Heere Jezus vertelt het ons ook als uitnodiging om het te doen,
als aansporing om te komen tot Hem en ons leven niet zonder Hem te leven.
Als waarschuwing dat als we dat niet doen,
we niets anders hebben dan een huis zonder fundament, dat niet overeind blijft.
Als we avondmaal vieren, dan zoeken we onze houvast in Hem.
Dan zeggen we tegen de Heere: wij willen ons huis niet op zand bouwen,
maar ons levenshuis bouwen op het fundament dat U geeft, dat U zelf bent.
Als we avondmaal vieren, is dat een gebed: Bouwt U ons levenshuis,
legt U dat fundament onder ons leven,
want wijzelf zijn geneigd om op een verkeerde plek te bouwen.
Dat moeten we ook belijden, en vragen of U ons wilt vergeven
door het sterven van Uw zoon Jezus Christus
Door Zijn sterven is er fundament onder ons leven
En met dat fundament onder ons leven laat U ons bij U binnengaan. Amen

 

Vragen bij Richteren 13

Vragen bij Richteren 13

history-channel-the-bible-samson
In de miniserie The Bible op History Channel speelde Nonso Azonie de rol van Simson

  1. In de uitleg wordt gesteld dat het in de verhalen over Simson gaat over Gods wil. In Als nazireeër moet hij aan Gods wil voldoen. Wat is Gods wil en wat brengt Simon daarvan terecht?
  2. De vrouw van Manoach is onvruchtbaar en heeft geen kinderen gekregen. Wat is daar de betekenis van? In welke verhalen in de Bijbel speelt kinderloosheid ook een rol?
  3. Er zijn moderne uitleggers die vinden dat de vrouw van Manoach (van wie de naam niet genoemd wordt) de eigenlijke held van het verhaal is. Bent u het daarmee eens?
  4. Waarom komt er een engel? Wat is daar de betekenis van? Wordt de engel wel of niet geloofd?
  5. Op welke manier zal Simson een redder zijn?
  6. De legerpredikant dr. J. van Eck schreef eens: ‘Als je niet van een figuur als Simson hebt leren houden, ben je nog niet rijp voor het Nieuwe Testament.’ Begrijpt u die uitspraak?
  7. Welke lijnen naar het Nieuwe Testament zijn er te trekken?

“De vier pagina’s van de preek – blog 9: Het filmen in woorden

“De vier pagina’s van de preek – blog 9: Het filmen in woorden

Om een boodschap over te brengen, is het van belang om de luisteraar mee te nemen in het verhaal. Dat meenemen van de luisteraar in het verhaal gaat beter als de predikant geen uitleg geeft, maar in woorden verfilmd.
5789filming

Deze richtlijnen gelden voor alle 4 pagina’s. Daarbij hoeft niet de hele preek als een film getoond te worden. Het verfilmen in woorden legt wel de lat hoog wat betreft communicatie aan de luisteraars.

Paul Scott Wilson geeft een aantal richtlijnen voor het verfilmen:

  • Ga er niet vanuit dat de luisteraars het Bijbelgedeelte kennen. (Ook al is het vooraf aan de preek gelezen of gaat het om een bekend gedeelte.)
  • Voordat een predikant commentaar of uitleg geeft, moet het Bijbelgedeelte eerst tot leven komen en daarom getoond worden als een film in woorden. (Nog beter is het om het commentaar of de uitleg al vertellenderwijs te verwerken.)
  • Show, don’t tell.
  • Doe alsof het Bijbelgedeelte zich in het heden afspeelt. Gebruik daarom de tegenwoordige tijd en niet de verleden tijd.
  • Het gaat erom dat de luisteraars ervaren wat er gebeurt. Daarom is een hele pagina in de preek nodig.
  • Gebruik woorden die visueel en zintuiglijk zijn. Voordat je de pagina uitwerkt, moet je de desbetreffende pagina eerst voor jezelf verbeelden en visualiseren.
  • Werk kenmerkende details uit. Gebruik daarvoor de exegese en reconstrueer die details aan de hand van informatie over het Midden-Oosten:
  • – over de geografie
    – de flora en fauna
    – over de mensen
    – over de economie
    – over de architectuur
    – over het klimaat
    – enz.
    Deze informatie vind je in Bijbelse encyclopedieën (of soms in commentaren).
  • Doe net zoals filmmakers zouden doen bij het opnemen van een scène:
  • Blijf in de film in woorden op dezelfde plaats totdat de scène voldoende is gefilmd.
  • Maak de scène concreet, waarbij je als een regisseur optreedt. Zeg niet: ‘Ergens in het Midden-Oosten’, maar plaats de scène bij een wadi, berghelling, een rivier, een dorp, een marktplaats. Doe net zoals filmmakers zouden doen bij het opnemen van een scène.
  • Focus op de hoofdpersoon die iets doet.
  • Begin midden in de actie of handeling. Neem geen lange aanloop. Vertel wat eraan vooraf gaat in flashbacks.
  • Blijf zo dicht mogelijk bij de tekst. Voeg geen extra personen onnodig toe.

obdWFTF39YA8vwSBmEjeyj.jpgGebruik de camera: (1) Scènes verfilmen

  • Houd de focus op één groep mensen of één gebeurtenis voor meerdere minuten om de gemeente de gelegenheid te geven in het verhaal mee te komen.
  • Snelle wisseling van scènes is bij filmen in woorden niet geschikt. Dan raak je luisteraars kwijt. Elke keer als de scène of de personages wisselen, moeten de luisteraars die wisseling in hun verbeelding, in hun hoofd kunnen meemaken.
  • Maak aan het begin van een pagina en van een nieuwe scène de locatie waar het zich afspeelt helder.
  • Laat kenmerkende details van de locatie zien, een detail dat tot de verbeelding spreekt en evocatief werkt.
  • Neem de tijd om de scène en de attributen te verfilmen. Een luisteraar kan geen boot voor zich zien als de boot niet in een haven aangemeerd ligt of dobbert op de golven.
  • Laat geen belangrijke details weg. Dat schept verwarring.
  • Beperk beschrijvingen tot het minimum. Vertel ze niet, maar laat ze al filmend zien.

Uneasy_iPhone.jpgGebruik de camera: (2) Mensen en handelingen

  • De setting moet duidelijk zijn, maar tegelijkertijd achtergrond blijven.
  • Focus op wat mensen doen.
  • Beschrijving en gesprek kunnen belangrijk zijn, maar houdt dit kort en weef het in de gefilmde handelingen in.
  • Als een personage in de Bijbel iets zegt, laat die persoon die woorden ook in de preek zeggen.
  • Vermijd bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. Velen gaan er ten onrechte van uit, dat zij een teken zijn van creativiteit.
    Zeg daarom niet: ‘een mooie weg’, maar laat concreet zien hoe de weg eruit zien.
    Zeg daarom niet: ‘ze rende vlug’. maar beschrijf hoe ze liep of rende.
  • Focus de camera op details, zoals gebaren, manier van lopen, kleding en voorwerpen, vooral op de details die iets onthullen van het karakter van de hoofdpersoon. Deze kleine details laten het echte leven zien.

shutterstock_618915005-825x465Neem de beperkingen van de camera serieus

  • Blijf zoveel mogelijk weg uit de hoofden van de hoofdpersonen. Innerlijke monologen en uitgebreide dialogen zijn zelden effectief.
  • Laat daarom een personage een korte zin zeggen. Bij voorkeur een zin die uit de Bijbeltekst afkomstig is.
  • Laat de camera je gids zijn in wat je wel of niet kunt laten zien.
  • Ga niet psychologiseren als je een karakter verbeeldt.
  • Voeg geen motieven aan een hoofdpersoon toe als de Bijbeltekst die niet vermeldt.