Het lezen van de Bijbel: verrijkend voor gelovigen en niet-gelovigen

Het lezen van de Bijbel: verrijkend voor gelovigen en niet-gelovigen

Het lezen van de Bijbel is verrijkend voor gelovigen en niet-gelovigen. Dat is de mening van Gerd Theiβen. Volgens Theiβen doet iedere intellectueel er goed aan doet om zich met de bijbel bezig te houden. Theiβen poneert dit niet alleen omdat hij nieuwtestamenticus is en het zijn professie is om de bijbel te bestuderen. Hij is werkelijk van mening dat het lezen van de bijbel voor gelovigen en niet-gelovigen verrijkend is. Hiervoor is een Bijbeldidactiek nodig, die met een open mind in de huidige cultuur staat.

 Gerd Theiβen
Niet iedereen zal bij voorbaat aannemen, dat het lezen van de Bijbel verrijkend is. Voor velen is het duidelijk dat de religie een achterhaalde zaak is. Theiβen bestrijdt die gedachte: het einde van de religie wordt al 200 jaar geregeld voorspeld, maar de wens is de vader van de gedachte. Volgens hem dienen we er van uit te gaan dat religie aanwezig zal blijven en kunnen we beter de meerwaarde van religie inzien.
Een belangrijke reden om de Bijbel te bestuderen is het gegeven dat dit boek een van de bronnen is van onze huidige cultuur. Alleen al vanwege de invloed van de Bijbel op onze cultuur doet een intellectueel er goed aan zich bezig te houden met de Bijbel. Anders kan hij zijn eigen cultuur niet begrijpen. De invloed van de Bijbel op onze cultuur is niet voorbij. Veel toonaangevende schrijvers en musici geven aan, dat zij beïnvloed zijn door de Bijbel. De dichter Wolfgang Biermann geeft bijvoorbeeld aan, dat hij de Bijbel leest, omdat in de Bijbel in zijn ogen een belangrijk boek is vanwege de verwoording van menselijke ervaringen. Een intellectueel die de Bijbel leest is in goed gezelschap.
Men mag verwachten dat er bepaalde terreinen zijn in onze cultuur waar de Bijbel wordt bestudeerd, zoals de kerk. Volgens Theiβen dient ook binnen grote delen van de kerk liefde voor de Bijbel te worden gewekt, omdat dit boek in grote delen van de kerk er bekaaid vanaf komt. Zorgelijk en alarmerend, vindt Theiβen, want de geringe rol van de Bijbel is een teken dat de kerk in vitaliteit heeft ingeboet.

Nu zijn er binnen de kerk stromingen, die zeggen dat zij de Bijbel wel regelmatig bestuderen. Deze stromingen tooien zich vaak met de term ‘bijbelgetrouw’. Die kant wil Theiβen niet op, omdat hij teveel hecht aan de moderniteit. Hij heeft ooit een pleidooi geschreven voor geloven met een kritische instelling, waarin hij een evolutie  en christelijk geloof combineert. Ook in dit boek laat hij voortdurend zien, dat acceptatie van evolutie gecombineerd kan worden met christelijk geloof. Al accepteert hij niet bij voorbaat een evolutionair wereldbeeld. In dit boek laat hij voortdurend zien, dat de Bijbel een evolutionair wereldbeeld doorkruist.

Is de Bijbel eigenlijk wel een boek, die buiten de kerk en buiten het christelijk geloof gelezen kan worden? Doet men daarbij de intentie van de Bijbel wel recht? Volgens Theiβen wel. Bij het ontstaan van de Bijbel (proces van canonisatie) had men de buitenstaander op het oog: het Oude Testament werd gebundeld voor de Perzische koning, die de wet van de Hemelkoning wilde respecteren (Ezra 7). Ook de vertaling van de Hebreeuwse Bijbel in het Grieks (de Septuagint) had men de buitenstaander op het oog. Volgens de Brief van Aristeas is de Septuagint een uiteenzetting van het Joodse geloof voor niet-Joden. De vertaling gebeurde met het oog op de opname van de Bijbel in de beroemde bibliotheek van Alexandrië. Deze universalistische lijn werkt ook door in het Nieuwe Testament.
Een Bijbeldidactiek met een open mind voor de eigen cultuur is niet in tegenspraak met de Bijbel, maar volgt juist de intentie van de Bijbel. In zijn Bijbeldidactiek met een open mind laat Theiβen zien, hoe de Bijbel in gesprek gebracht kan worden met de (post)moderne, multireligieuze cultuur. De Bijbel kan het gesprek aan met gelovigen en niet-gelovigen, met christenen en andersgelovigen. Hoe Theiβen dat doet, zal in andere blogs aan de orde komen.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Gerd Theiβen, Zur Bibel motivieren. Aufgaben, Inhalte und Methoden einer offenen Bibeldidaktik (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 2003) 1-26.

Ontworteling. Opgroeien in een multireligieuze samenleving

Ontworteling.
Opgroeien in een multireligieuze samenleving

Wat betekent dat voor kinderen die in onze multireligieuze samenleving opgroeien en die multireligieuze samenleving in hun klas tegenkomen?

‘Geloven alle mensen in Allah?’, vroeg onze dochter deze week aan tafel. ‘Ja’, zei mijn vrouw, ‘zoals alle christenen in de Here Jezus geloven.’ Ze dacht even na: ‘O, dan zijn wij hele erge christenen.’
Nederland is multireligieus geworden. Dat is de wereld waarin onze kinderen opgroeien. Zat ik nog ’veilig’ op een reformatorische school, waar bij iedereen naar de kerk ging. Onze dochter is een van de weinigen die geregeld naar de kerk gaat, waar er thuis aan tafel gelezen en gebeden wordt. In haar klas zitten ook moslims en kinderen die nergens aan doen. Wij merken dat zelf ook als er kinderen uit haar klas ons thuis komen eten. Ze weten vaak niet wat bidden is en hoe dat moet.
 Kinderen komen er al vroeg achter dat er andere godsdiensten zijn en dat er andere manieren zijn op tegen God aan te kijken. Een jaar geleden zei onze dochter tijdens de rit naar huis verontwaardigd: ‘De juf zegt dat Jezus geen God is.’ Wat moet je daar nu mee? Ik zei dat ze het vast niet goed had verstaan. Op die leeftijd kon ik haar nog tevreden stellen met dat antwoord. Over enkele jaren zal ze oud en wijs genoeg zijn om te begrijpen dat anderen heel anders tegen de Here Jezus aankijken. Als ze dat al niet zelf had ontdekt.
Wat betekent dat voor de geloofsontwikkeling van onze kinderen? In ieder geval dat het niet vanzelfsprekend is om naar de kerk te gaan, te bidden en te geloven in Christus. Dat betekent ook dat het vertrouwd maken met de Here Jezus, met het christelijk geloof niet meer vanzelfsprekend gaat. Van de geloofsopvoeding moet meer werk gemaakt worden.
Veel ouders maken geen deel meer uit van een geloofsgemeenschap. Sommigen zullen hun kinderen desondanks toch nog iets meegeven.  De Duitse godsdienstpedagoog Friedrich Schweitzer wijst erop, dat ook  veel ouders, die nog wel deel uit maken van een gemeente, maken hun kind niet meer vertrouwd met de traditie waarin zij zelf zijn opgegroeid. Ze houden hen op een bepaalde afstand van de gemeente, waar zij zelf deel van uitmaken. Men vindt dat men dat niet van een kind kan vragen. Of men is bang hun kind teveel te belasten, zodat ze zich later zullen verzetten tegen het christelijk geloof of tegen hun ouders. Het lijkt er vaak op of ouders  zich voor hun eigen kinderen generen, dat ze geloven en dat ze naar de kerk gaan.
Vandaag de dag is er sprake van godsdienstige ontworteling: kinderen krijgen niet meer de kans om zich te wortelen in een bepaalde geloofstraditie, zoals het christelijk geloof. De multireligieuze samenleving speelt daar een rol in. Een veel belangrijker factor is in zijn ogen die andere: dat ouders hun kinderen niet meer (durven) in te wijden in het geloof. Daarmee doen we volgens hem zowel onszelf als onze kinderen mee tekort (Vgl. Deuteronomium 6:20-12, Marcus 10:14). De angst dat kinderen zich niet interesseren is een ingebeelde angst. Vaak willen de kinderen wel naar de kerk, een kindernevendienst of een club, maar zien de ouders het op een of andere manier niet zitten.
De kerk dient aandacht te hebben voor de geloofsopvoeding. Zeker in deze tijd, waarin het opgroeien in de christelijke traditie niet meer vanzelfsprekend is. De aandacht dient zowel naar de kinderen en jongeren uit te gaan als naar de ouders. Want soms willen ze ook wel, maar weten ze niet hoe het moet. Elke ouder wil het beste voor zijn kind. Is het vertrouwd maken met de Here Jezus, met de verhalen over God niet het mooiste wat een ouder aan zijn of haar kind kan geven?

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Friedrich Schweitzer, Het leven is niet meer als vroeger. De postmoderne levensloop als uitdaging voor kerk en theologie (Kok, 2006) p. 45-72

Geschreven voor HWConfessioneel

De kerkdienst als multiculturele gebeurtenis

De kerkdienst als multiculturele gebeurtenis
Albrecht Grözinger over de prediking in een pluralistische maatschappij (2)

Wat kan de kerkdienst betekenen in een multireligieuze maatschappij? In zijn essay over de betekenis van de prediking komt Albrecht te spreken over de eredienst. De preek krijgt immers gestalte in een kerkdienst. In deze multiculturele samenleving is het goed om te bedenken dat de kerkdienst is door invloed uit verschillende culturen.

Het is niet vanzelfsprekend om de kerkdienst als een culturele gebeurtenis te zien. In de twintigste eeuw lag de nadruk op het gegeven dat de kerkdienst vooral haaks staat op de cultuur. Vanaf het begin is de christelijke eredienst ontstaan vanuit verschillende culturen.
De liturgische modewoorden van dit moment benadrukken niet het verschil van eredienst en maatschappij, maar in de overeenkomst: ritueel en enscenering. De ars liturgica is daarom de hoge kunst van syncretistische vormgeving.
In de multiculturele samenleving zijn rituelen en symbolen belangrijker geworden, omdat rituelen en symbolen helpen bij de vorming van identiteit. In een plurale samenleving is het juist ingewikkeld om een oriëntatie voor je leven te vinden. De eigen identiteit moet uitgevonden worden. In een risico-samenleving (Ulrich Beck) is ook de eigen levensweg een riskante onderneming. Rituelen en symbolen kunnen helpen bij overgangen en grenzen.
De eredienst is in de multiculturele samenleving een ritueel dat steeds meer verbleekt. De eigenheid van de eredienst kan wel worden herwonnen door:
* de eredienst te zien als ontmoeting met het heilige.
* de eredienst te zien als herinnering aan de Gottesgeschichte (God Story)
* de eredienst als actualisering van de Heilige Schrift.

Ontmoeting met het heilige
Manfred Josuttis heeft met zijn godsdienstfenomenologische wending het nadenken over het heilige weer ingevoerd. Zijn concept is kritisch ontvangen:
(1) Men vindt het heilige te vaag voor de God van de Bijbel. Volgens Grözinger klopt dit gedeeltelijk, want God heeft een Naam. De Here presenteert zich echter ook als de heilige God.
(2) Het begrip mist theologische correctheid. Volgens Grözinger ontnemen theologisch correcte begrippen vaak het zicht op de werkelijkheid.
Het heilige geeft het hedendaagse levensgevoel met betrekking tot religie goed weer: men is niet expliciet religieus, maar voelt zich zowel aangetrokken (fascinosum) als zeer onder de indruk (tremendum).

De hedendaagse eredienst richt zich vaak echter alleen op de aantrekkingskracht en vergeet de heimelijkheid. Daardoor wordt de kerkdienst vaak gekenmerkt door kleinburgerlijkheid. Het heilige is niet zo nabij dat het mij op de schouder klopt, maar geeft mij ook de ervaring van afstand en vreemdheid.
Als voorbeeld hiervan geeft Grözinger het gesprek weer met zijn kapper, toen hij zich vlak voor Kerst liet knippen. De kapper ging alleen naar de kerstnachtdienst. Dan moest hij het gevoel krijgen dat onze lieve Heer naast hem in de bank zat. ‘Hoe zou je daarop reageren?’ vroeg Grözinger nieuwsgierig. Zijn antwoord: ‘Ik zou me wild schrikken!’
Vandaag de dag is er behoefte aan ‘kardinale discretie’ met betrekking tot het heilige: heilig ontzag, het naderen met vrees en beven.

Rituele herinnering aan Gods geschiedenis
In de Schrift is de heilige een Persoon met een naam. Het ervaringsspoor van God in Jezus Christus moet merkbaar zijn in de eredienst. Enscenering van dit ervaringsspoor is daarom noodzakelijk. Maar nog meer de theologische reflectie op dit ervaringsspoor.
In de theologie wordt binnen de triniteitsleer (de leer over de drie-enige God) op deze geschiedenis gereflecteerd. De triniteitsleer verwoordt de veelvoud van de geschiedenis van God (God Story, Gottesgeschichte) in Oude en Nieuwe Testament. In de triniteitsleer gaat het om die levende geschiedenis. Het gaat om de trouw en betrouwbaarheid van God in zijn omgang met mensen. Deze leer verzandt echter vaak in speculatie.
In de eredienst wordt de triniteitsleer in rituelen vormgegeven. Vandaar de noodzaak tot enscenering. In elke kerkdienst gaat het om Gods handelen in de schepping, in zijn uitverkiezing van Israël (de triniteitsleer is bewust anti-marcionitisch), in Jezus Christus tot verlossing van schepping en mensheid.
De triniteitsleer biedt volgens Grözinger een goede basis voor de betekenis van de kerkdienst in onze plurale samenleving.
In deze samenleving hebben mensen vaak alleen via-via een indruk van een kerkdienst. In films ligt er vaak de nadruk op dat een kerkdienst iets van het verleden is. De eredienst is daarom van belang: het gaat om de actuele, levende geschiedenis van God. Het christendom is nog niet voorbij. Ook een kerkdienst is niet doods gebeuren, zoals het Latijn een dode taal is, maar wordt volop gepraktiseerd en volop doorontwikkeld.

Actualisatie van de Heilige Schrift
De verdere ontwikkeling van de eredienst  gebeurt binnen het protestantisme door de actualisering van de Schrift. In binding aan de Schrift ontstaat vrijheid voor verdere doordenking en ontwikkeling.
In de protestantse traditie is God zelf aan het woord in de verkondiging. Het gesproken woord is daarom het meest passend voor het woord van God. Voor de reformator Martin Luther gaat het in de preek om een actueel en publiekelijk woord van God:
* actueel: het woord gebeurt steeds weer opnieuw en wordt steeds weer opnieuw waargenomen.
* publiekelijk: het gaat niet om een privé-openbaring of een mysterieus gebeuren.
In de prediking gaat het dan om de actualisering van dit woord van God. Deze actualisering is door de nauwe binding tussen Godswoord en mensenwoord nooit zonder risico’s. Deze actualisering vindt plaats door middel van enscenering.
Dit woord enscenering (een woord uit de wereld van film en toneel) betekent: het materiaal is van een ander (het woord van God is van God), maar in de publieke vertoning heeft de uitvoerder een eigen verantwoordelijkheid (de prediker die de preek houdt). De liturg heeft dus oefening in enscenering nodig om de geschiedenis van God in de prediking en liturgie te kunnen ensceneren. Net als een interpretatie van een kunstwerk of de uitvoering van een muziekstuk is de opvoering van de God Story in de preek open.
Bij een enscenering is nagedacht hoe het ‘verhaal’ in een toneelstuk of een film het beste kan worden weergegeven. Een goede regisseur is in staat om een indruk achter te laten bij de luisteraar of kijker, al heeft hij het niet in eigen hand. Een bezoeker gaat naar huis met de ervaring dat er iets met hem gebeurde. Die analogie bedoelt Grözinger als hij de kerkdienst een gebeurtenis noemt. Door de opvoering van de geschiedenis van God gaat de luisteraar met een indruk naar huis. Er gebeurde iets, maar de prediker had dat niet in eigen hand

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. ALBRECHT GRÖZINGER, Toleranz und Leidenschaft. Über das Predigen in einer pluralistische Gesellschaft (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 2004) p. 37-57.

 

 

 
 
 
 

 

De preek als open kunstwerk

De preek als open kunstwerk
Albrecht Grözinger over de prediking in een pluralistische maatschappij (1)

Wat kan de prediking betekenen in een multireligieuze maatschappij? En hoe kun je dat als predikant aanpakken? Over deze vragen schreef de praktisch-theoloog Albrecht Grözinger in 2004 een uitgebreid essay: Tolerantie en hartstocht. Over de prediking in een pluralistische maatschappij.

Aan het begin van zijn essay signaleert Grözinger dat predikanten weinig vertrouwen hebben in de prediking. Tegelijkertijd merkt hij dat predikanten op zoek zijn naar de betekenis van de prediking in de hedendaagse samenleving. Om predikanten te helpen bij die zoektocht schreef Grözinger zijn boek.
Wie zich vandaag de dag wijdt aan de prediking dient afscheid te nemen van veel vanzelfsprekendheden. Het homiletische landschap is fundamenteel veranderd. De pluraliteit van onze samenleving kan niet meer ongedaan gemaakt worden. Aan de andere kant dient een prediker zich ook bewust te zijn van de hedendaagse gevaren en de oppervlakkigheden. Daarvoor is moed en vertrouwen nodig.
De huidige tijd wordt ook wel getypeerd als postmoderniteit. Grözinger vindt dat de postmoderniteit een positieve ontwikkeling is die veel nieuwe kansen en ruimten biedt voor de prediking. Om die kansen te laten zien, voert Grözinger een postmodern begrip in: het kwetsbare denken.
Dit begrip is afkomstig van de filosoof Gianni Vattimo. Het kwetsbare denken staat sceptisch tegenover ontologische claims en aannames. Wie op een kwetsbare manier denkt gaat niet uit van vast uitgangspunt, maar heeft een beweeglijke manier van denken. Interpretaties zijn principieel onaf. Een interpretatie is geen definitieve visie, maar opent een nieuw perspectief. Waarheid is geen bezit, maar wordt steeds weer opnieuw ontdekt.
Een essay is daarom bij uitstek geschikt om na te denken over de rol van de prediking in de postmoderniteit.

Als een kunstwerk
Als praktisch-theoloog heeft Grözinger veel nagedacht over het waarnemen (esthetiek). Volgens hem kan een preek op dezelfde manier worden waargenomen als een kunstwerk.
Tegenwoordig wordt een kunstwerk gezien als een autonoom object. Dat houdt in dat een kunstwerk niet hoeft te verwijzen naar een realiteit, maar zelf een werkelijk creëert. Een kunstwerk bevat niet een enkele boodschap, maar roept verhalen (story, Geschichte) op. Daarvoor bevat een kunstwerk bepaalde symbolen en codes. Die codes en symbolen vormen een eigen taal. Op basis van die codes, symbolen en taal ontvouwt een kunstwerk zijn werking.
Een kunstwerk is kwetsbaar. Doordat de gebruikte codes, symbolen en taal meerduidig zijn, kan iedereen zijn eigen verhaal ervan maken. Een kunstwerk is principieel open voor meerdere interpretaties. De definitieve interpretatie bestaat niet. Het kunstwerk ontvouwt zich voor wie zich openstelt voor (de werking van) het kunstwerk.
Wat voor een kunstwerk geldt, geldt ook voor de preek. Ook de preek is open voor meerdere interpretatie. Dat komt door de gebruikte codes, symbolen en taal. Hierdoor ontvouwt een preek zijn werking voorde luisteraar. Een preek verwijst wel naar de werkelijkheid: de werkelijkheid van God.
Toch is ook de preek autonoom. In een preek gaat het om wat de hoorder oppikt en niet wat de prediker eigenlijk bedoelde. Het effect van een preek kan niet afgedwongen worden. Een preek is vooral bedoeld als een uitnodiging om in de wereld van de preek binnen te stappen.

De impliciete luisteraar
De gemeente die bij elkaar komt, bestaat uit een gemengd publiek. Het open karakter van de preek doet recht aan de verscheidenheid van de gemeente en biedt voor al die verscheidene aanwezigen de mogelijkheid om de wereld van de preek binnen te stappen.
Als de preek vergelijkbaar is met een kunstwerk, kan men ook de preek als een kunstwerk bestuderen en analyseren. Net zoals Rudolf Bohren dat deed in zijn indrukwekkende Predigtlehre (1971), ontleent Grözinger inzichten aan de literatuurwetenschap. In de literatuurwetenschap is er sprake van de impliciete lezer.
Elk boek creëert zijn eigen lezer(s). Een schrijver heeft zijn boek voor deze lezer(s) geschreven. Volgens Grözinger is het een uitdaging om deze gedachte homiletisch (d.w.z. met het oog op de prediking) te doordenken: Is er een impliciete luisteraar? Welke luisteraar had de prediker op het oog toen hij deze preek voorbereidde? Welke signalen zendt hij uit naar deze impliciete luisteraar?
Grözinger wil de gedachte van de impliciete luisteraar uitbuiten. De prediker kan zich bewust gaan richten op die impliciete luisteraar. De onverwachte gast In deze multireligieuze samenleving is de impliciete luisteraar een onverwachte gast (Fremde Gast): iemand die voor eerst ergens komt, zomaar binnenstapt en er niet automatisch bijhoort, misschien wel verdwaald is en deze taal, symbolen en rituelen voor het eerst ondergaat.
In deze multireligieuze samenleving weten de luisteraars immers weinig van het christelijk geloof. Er is sprake van een breuk met de traditie.
Niets is meer vanzelfsprekend. Alle vanzelfsprekendheden zijn verdampt in het proces van individualisering en globalisering (Grözinger komt hier later op terug als hij de gedachte van Peter L. Berger over de gedwongen keuze verder uitwerkt). Het is niet meer vanzelfsprekend om christen te zijn. De samenleving is seculier geworden. De volkskerk bestaat niet meer.
We zijn vreemden geworden in wat eerst ons thuisland was. Daarbij zijn we vreemden voor onszelf geworden. Voor Grözinger is dat niet alleen negatief! Ook al is het leven als vreemde gast niet altijd even gemakkelijk, het kan wel veel vreugde bieden.
Een preek zou zich op deze onverwachte gast moeten richten: een gastvrije preek. Zodat die onvermoede gast ook de wereld van de preek binnen kan stappen en niet belemmerd wordt door een traditie waarmee hij niet vertrouwd is. Grözinger is niet tegen traditie, maar denkt vooral na hoe iemand die niet vertrouwd is met de traditie, toch kan deelnemen aan de preek. Zo’n gastvrije preek is volgens Grözinger ook geschikt voor iemand die zijn of haar thuis heeft in het kerkelijke milieu.

Kwetsbaar in een mediacultuur
Heeft de preek nog betekenis in een mediacultuur? Een preek is immers een kwetsbaar werk dat door de allerhande media gewoon verpulverd kan worden.
Grözinger denkt dat er ruimte is voor de prediking. De preek is een vreemde eend in de bijt. Door de vreemdheid kent de preek ook een zekere dwarsheid. Die vreemdheid en die dwarsheid bieden de preek een plaats in de postmoderne samenleving. De preek kan de luisteraar tijd geven. De preek kost niet alleen tijd, maar geeft ook tijd:
* De preek verbindt de luisteraar met een eeuwenoude traditie: godsdienstige en theologische kennis van generaties geleden worden op een eenvoudige manier doorgegeven. De luisteraar hoeft daar niet extreem veel moeite voor te doen.
* De preek kent een ernst, die in deze samenleving nauwelijks meer gevonden wordt. In de preek krijgt de luisteraar de tijd om na te denken over wat er in het leven echt toe doet. In de prediking moet aan ernst recht gedaan worden. Net zoals Martin Nicol wijst Grözinger erop dat schrijvers en journalisten, colleaga’s als het gaat om het gebruik van taal, vaak meer respect hebben voor de preek en aan de preek meer waarde aan de preek hechten dan predikanten.
* De luisteraar die naar de kerk komt, wil graag iets te weten komen. Over zichzelf of over God. De prediker spreekt voor een geïnformeerd publiek dat nog meer meegenomen en ingewijd wil worden. In de kwaliteit van de preek schuilt de aantrekkingskracht.
Wanneer de prediker weet waarover hij spreekt en ook concreet is, heeft de preek een niet te onderschatten waarde in deze multireligieuze en postmoderne samenleving.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. ALBRECHT GRÖZINGER, Toleranz und Leidenschaft. Über das Predigen in einer pluralistische Gesellschaft (Gütersloh: Chr. Kaiser / Gütersloher Verlagshaus, 2004) p. 9-33.