Preek zondag 27 mei 2018

Preek zondag 27 mei 2018

Handelingen 2:37-47
Voorbereiding Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Voor een dienst op een dankdag had ik eens een preek gemaakt
waarvan de strekking was dat we allemaal ondankbaar zijn
en dat we God toch wel meer dankbaar mogen zijn.
De volgende dag werd ik opgebeld door een gemeentelid
die mij emotioneel afvroeg waarom ik de preek tegen hem gericht had.
Als ik iets tegen hem had, dan had ik toch naar hem toe kunnen stappen
in plaats van de preek te gebruiken om hem de les te lezen?
Tijdens het maken van de preek had ik echter geen enkele keer aan hem gedacht
en het telefoontje overrompelde mij dan ook.
Het was voor mij een les om te merken dat je als predikant voorzichtig moet zijn
als de boodschap van de preek naar de gemeente toe is: jullie zitten fout.
Want degenen die zich aangesproken moeten voelen, doen dat niet
en degenen voor wie die boodschap niet bedoeld is, trekken zich het aan.

Bijzonder dat degenen die de boodschap van Petrus horen
dat zij verantwoordelijk zijn voor de dood van Jezus, die door God gestuurd is,
zich de boodschap aantrekken,
dat de woorden van Petrus hen diep in het hart raken.
Ze wijzen de kritiek van Petrus niet af
er is geen weerstand of verontwaardiging,
maar er daagt een besef dat ze echt iets verkeerds gedaan hebben.
Al hebben ze zelf misschien niet eens mee geroepen op het tempelplein
met de menigte mee, die riep om de kruisdood van Jezus.
Al hebben ze zelf misschien niet eens langs het kruis op Golgotha gelopen
en hebben ze toen niet meegedaan met de spot van degenen die daar waren.
Hun ogen gaan open voor wat er fout is gegaan
en ze beseffen dat ze niet kunnen zeggen: daar hebben wij niets mee te maken gehad.
Ze worden in hun geweten aangesproken, ze zijn verbijsterd over wat er gebeurd is
over wat door hun eigen volk gebeurd is.
Hun ogen gaan open dat ze niet Gods wil hebben uitgevoerd,
maar juist degene die door God gestuurd is hebben gedood: Gods eigen Zoon.

Vanmorgen bereiden wij ons als gemeente voor op de viering van het Heilig Avondmaal.
In de voorbereiding gaan we bij onszelf na, hoe dat met onszelf zit.
en onze band met God, hoe wij tegenover de Heere staan.
Dat moet u voor uzelf nagaan. Ik kan dat niet voor u invullen.
Ik kan niet voor jou invullen hoe het met jou zit.
Het gaat erom dat je eerlijk naar jezelf kijkt en eerlijk nagaat hoe het zit.
De mensen op het tempelplein die naar de woorden van Petrus luisteren,
horen twee kanten: aan de ene kant zit het goed mis, maar er is ook hoop.
Ook het formulier voor het avondmaal heeft deze twee kanten
en zegt tegen ons: denk er niet te licht over.
Denk niet te snel dat het wel goed zit, maar wees ook eerlijk als het niet goed zit.
Stop dat niet weg, maar kom dat onder ogen.
En tegelijkertijd dat bijzondere: God wil je vergeven en met je opnieuw beginnen.
Diezelfde twee kanten als in de woorden van Petrus:
Besef dat het goed mis zit en God alle reden had om ons weg te sturen

en dat God alle recht had om tegen ons te zeggen: nu is het voorbij.
Maar juist het bijzondere aan God is dat Hij zegt: Toch stuur ik je niet weg.
Al heb je Mij aan de kant gezet, Ik zet jou niet aan de kant.
Al laat je Mij los, Ik zal je niet loslaten en net zo lang met je bezig zijn
tot je tot het inzicht komt dat je zonder Mij niet kunt
en dat je zonder Mij alles mist in je leven.
We kunnen wat er mis is bij het volk Israël toen niet helemaal vergelijken
met wat er bij ons mis is.
Bij het volk Israël was het niet alleen een duidelijk afwijzing,

maar meer ook nog: het doden, uit de weg ruimen van Gods Zoon.
Als wij nadenken over wat er mis is, komen we vaak uit bij wat veel kleiner is:
geen tijd nemen voor God, de woorden die Hij tot je spreekt niet opnemen,
of al jaren het kloppen van Christus op de deur van je hart negeren,
aan alle aanwijzingen dat de Heere ook in jouw leven wil komen.
Of misschien gaat het toch wel verder en heeft de lijst met zonden,
waarvan gezegd wordt als dat in je leven speelt je niet naar het avondmaal mag.
Het kan zijn dat je God voor je eigen karretje gespannen hebt,
of dat je niet eerlijk geweest bent naar anderen toe
of zelfs gestolen of geroddeld hebt, dat je je huwelijk op het spel gezet hebt.
Het formulier zegt dat als het om ons hart gaat, om hoe het van binnen gaat
in onze gedachten, in wat we van plan zijn, in wie we zijn nauwelijks afwijken
van wat het hart van Israël was op de dag dat Christus werd gekruisigd.
Of het nu kleine zonden zijn, of dat we God negeren en Hem geen plek geven in ons leven
of dat we echt duidelijk tegen zijn geboden ingaan, het wijst op een hart
dat niet is zoals God ons geschapen heeft, een hart waarin niet Christus de koning is,
maar waarin heel wat moet gebeuren: waarin er een reiniging plaats moet vinden
– door het bloed van Christus, dat er een nieuwe weg ingeslagen moet worden,
opnieuw begonnen moet worden – met God.

Het bijzondere is dat het ook kan: opnieuw met God beginnen, ons hart gereinigd krijgen.
Wanneer je nadenkt over wat er mis is in je relatie met de Heere
is dat bedoeld om je weer bij de Heere uit te laten komen.
als Petrus het volk aanklaagt, omdat zij Christus hebben gekruisigd,
de Zoon van God hebben gedood die naar hen toegestuurd was,
volgt daarna niet als consequentie dat het nu allemaal voorbij is,
dat God van het verbond met Israël zegt: nu kan dat niet meer, het is over.
Nee, integendeel.
Petrus lijkt eerst de deur naar de hemel, naar God dicht te doen.
Er is geen plaats meer voor jullie bij God en daar hebben jullie het zelf naar gemaakt.
Maar als ze verslagen bij hem komen, tot diep in het hart geraakt,
verbijsterd over wat er gebeurd is, over wat ze zelf hebben gedaan
en ze niet weten hoe het verder moet en wat er van hen nog terecht kan komen
zet Petrus de deur naar de hemel wagenwijd open:
Als je je bekeert, als je naar God teruggaat, als je helemaal opnieuw begint
dan zal God je niet laten staan, je welkom heten, je vergeven en je opnieuw laten beginnen.
Bij de voorbereiding van het avondmaal gaat het er ook om dat je bij Christus uitkomt
en dat je van Hem de reiniging van je hart ontvangt.
Het gaat er volgens het formulier ook om dat je de belofte van God gelooft
dat al je zonden vergeven zijn, omdat Christus voor de zonden gestorven is.
Wanneer je in de voorbereiding niet uitkomt bij Christus,
maar alleen maar kijkt naar je fouten en tekorten – en dat kan terecht zijn,
dan is de voorbereiding niet af. Dan laat je iets wezenlijks achterwege.

Kun je de stap van het inzicht van wat allemaal mis is overslaan
en beginnen bij de belofte van God?
Is het erg als je getrokken wordt door die deur die Petrus wagenwijd openzet:
Want voor u is de belofte, ja en niet alleen voor uzelf, maar ook voor uw kinderen
en als je er nooit bij gehoord hebt, als je er niet in opgegroeid bent, als je ver weg staat
dan ook, want God roept je!
Mag je op basis van deze belofte komen? Of moet je eerst het besef hebben wat er mis is?
Ik denk dat het besef dat niet alles goed zit, dat er heel wat schort vanzelf wel komt,
dat je ook daarin groeit

en wanneer je Gods liefde voelt en geroepen wordt omdat je Gods genade merkt
dat je dan ook vooral moet komen, want ook dan wordt je door God geroepen!
Zovelen als onze God roepen zal.
Het gaat erom dat je komt, dat je luistert naar Gods roepstem.
De manier waarop maakt minder uit: het kan door schuldbesef,
maar dat kan ook doordat je onder de indruk van Gods genade bent gekomen,
dat Gods liefde tot je spreekt, dat je dankbaar bent voor Wie God is.
Je hoeft je leven niet eerst op orde te hebben.
Als je beseft dat je Gods hulp daarbij nodig hebt
En als je gelooft dat God de hulp daarvoor in de Heilige Geest geeft
is dat genoeg om te komen naar de tafel.
Want door naar het avondmaal te gaan – zegt het formulier –
geef je niet aan dat je het allemaal bereikt hebt, of dat je een perfecte christen bent,
nee, je beseft dat er nog zoveel is dat er aan je en in je moet gebeuren
en toch roept God je, zoals Hij de mensen op het tempelplein riep,
waarvan Petrus zegt dat het niet zomaar toevallige voorbijgangers zijn
maar mensen die Christus aan het kruis gebracht hebben.
Als voor hen de belofte is, waarom zou die belofte niet voor u gelden.
Als zij geroepen worden, waarom zou jij dan niet geroepen worden, door God zelf?
Voor u is de belofte – en Petrus bedoelt dan echt niet mensen die het op orde hebben,
maar mensen die beseffen: zo kan het niet langer, er moet wat gebeuren!
Voor u is die belofte – heel persoonlijk, je mag die belofte je eigen maken.
Er is niemand die hoeft te zeggen: voor mij is de belofte niet.
Voor u, voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn.
God heeft zoveel manieren om te roepen, zoveel als verschil tussen mensen is.
Het is persoonlijk voor u, maar ook voor degenen die bij u horen,
Voor uw kinderen – zegt Petrus.
Dat wil zeggen: voor degenen die geen deel hebben aan de dood van Christus
en die ook niet aangesproken kunnen worden op de daden van hun ouders.
Het zijn degenen die bij je horen, met wie je verbonden bent.
De belofte is niet voor hen pas als ze volwassen zijn en besef hebben,
maar je mag ze meenemen naar Christus toe.
Dat vind ik het mooie van de kinderdoop: dat je je kinderen helemaal mee mag nemen
naar Christus toe en dat ook voor hen Gods belofte al is.
Het is vooral deze tekst die de basis is voor de kinderdoop:
Gods belofte die ook geldt voor degenen die bij jou horen.
Het geeft aan hoe royaal Gods aanbod is, hoe wijd de deur wordt opengezet.
Diep, diep, diep als de zee, hoog, hoog, hoog als de lucht,
wijd, wijd, wijd als het water blauw, is Jezus’ liefde voor jou.

Ook voor allen die veraf staan – voor degenen die niet als kind gedoopt zijn,
voor degenen die geen christelijke opvoeding hebben gehad,
die in hun kindertijd nooit over de Heere Jezus hebben gehoord,
Gods belofte is ook voor hen. Voor deze belofte van God wordt niemand uitgesloten.
Veraf – dat is net als de Vader uit die bekende gelijkenis,
die al die tijd op de uitkijk stond, wachtend tot zijn zoon weer thuis zou komen
en terwijl hij in de verte kijkt, zijn zoon reeds ziet aankomen.
Allen die veraf zijn – al ben je ver van God verwijderd,
de vader komt met de armen wijd open aangesneld:
Welkom thuis, mijn zoon, je was dood, maar nu leef je weer.
Je hoeft het alleen maar aan te nemen

door tot inkeer te komen, door je te laten dopen.
De weg naar God terug te vinden en toegewijd aan Christus te worden.
Dat geldt voor iedereen – voor u, voor uw kinderen en voor allen die veraf zijn.

Het is een belofte met een dubbele betekenis:
Het is vergeving van de zonden – God komt er niet meer op terug.
Een nieuwe start, waarbij God ons van binnen vernieuwt, reinigt.
het is weer mogelijk – door Christus – om bij God te komen, om Hem weer terug te hebben,
om aan Zijn tafel te zitten, om deel uit te maken van Zijn gemeenschap.
Maar dat is niet het enige: God geeft ons niet alleen onze plek terug bij Hem,
maar geeft ons ook iets in ons hart om bij God te blijven,
om zo te leven zoals God dat wil – vol van Hem
en vol verlangen om samen met Hem verder te gaan, op Zijn weg.
Hij geeft ons de Heilige Geest.
Hij laat het niet leeg in ons hart, maar geeft ons de Heilige Geest.
Bij de doop is het al beloofd dat de Geest in ons hart zal wonen

om daar ruimte te maken voor Christus,
om in ons hart dat verlangen te geven van Hem te zijn
en Hem nooit meer kwijt te raken.
Dat verlangen, gewekt door de Heilige Geest, is ons antwoord op Gods belofte.
Wat houdt u tegen om dat verlangen ook in praktijk te brengen
door volgende week naar voren te gaan en mee te doen met de andere leden
Die aan de tafel van Christus komen en daar brood en wijn van Christus ontvangen,

die daar aan de tafel gedenken en vieren dat Hij Zijn leven gaf
en dat het brood en de wijn daarop wijzen dat voor u persoonlijk, voor uw kinderen,
voor allen die veraf zijn de vergeving van zonden is, de belofte van de Heilige Geest.
Want voor u is de belofte, voor uw kinderen en voor allen die de Heere roepen zal
Amen

Preek Tweede Pinksterdag 2018

Preek Tweede Pinksterdag 2018
Ezechiël 37:1-14, Mattheüs 10:5-8

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Aan de dood kunnen wij niets doen.
Een dood dier kunnen wij niet levend maken. We kunnen alleen begraven.
Wanneer een mens gestorven is, kunnen wij aan hem of haar het leven niet teruggeven.
We moeten afscheid nemen.
Er zijn heel wat gemeenteleden die afscheid hebben moeten nemen
en die weten wat het is als iemand van wie je gehouden hebt nooit meer terugkomt.

Als de Heere Jezus Zijn leerlingen uitzendt, geeft Hij hen enkele opdrachten mee:
Verkondigen, zieken genezen, demonen uitdrijven, doden opwekken.
Moet u zich eens voorstellen, dat de ambtsdragers deze opdracht meekrijgen:
Ga Oldebroek in om de doden op te wekken!
Ik denk dat iedereen die deze opdracht krijgt, zich ongemakkelijk zou voelen.
Want wie zou er nu op ons woord opstaan uit de dood?
Het is eerder andersom: dat als we naast een dode staan, we de onmacht voelen,
moeilijk meer kunnen spreken, eerder fluisterend.
Soms kun je naast de kist staan om afscheid te nemen en denken:
Het lijkt wel of iemand slaapt; hij zou zo de ogen kunnen opslaan,
maar je weet dat het alleen maar een gedachte is en dat het niet zal gebeuren.
Aan de dood kunnen wij niets doen.

Als we het opwekken van de doden niet letterlijk op zouden vatten, maar figuurlijk
dan wordt het er niet veel beter op.
Mensen die geestelijk dood zijn opwekken uit hun dood,
mensen die geen levend geloof hebben, die geen band met Christus hebben.
We geloven dat mensen onder de preek opgewekt kunnen worden uit de geestelijke dood,
maar is dat vaak niet meer dan een theorie
en hebben we, als we naar de kerk gaan, niet veel vaker helemaal geen verwachting
dat wijzelf of dat anderen die in de kerk aanwezig zijn en de verkondiging horen
opgewekt zullen worden uit de dood.
In een van onze geloofsbelijdenissen belijden we over de Heilige Geest
dat Hij de Geest is die levend maakt, maar geloven we dat ook nog?
Dat Hij onszelf, de gemeente, de kerk kan opwekken uit de dood
En een nieuw leven kan geven?

We zullen wel niet zo snel de klacht aanheffen van het volk Israël,
de klacht die Ezechiël verwoordt:
Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden.
Ook omdat er mooie momenten zijn, die ons bemoedigen,
Zoals een mooie belijdenisdienst gisteren.
Dan kunnen we er weer even tegen.
Daardoor kunnen we niet zeggen dat wij als kerk leven in een tijd van ballingschap.
Er zijn nog teveel momenten die ons bemoedigen,
waardoor we kunnen zeggen dat de Geest ook werkt.
Toch kunnen we ook momenten hebben, waarop we twijfelen of de Geest nog wel werkt
en leven in een tijd waarin het allemaal zo doods is
en omdat wij niet in staat zijn om mensen die geestelijk dood zijn
of een gemeente die geestelijk niet meer levend is op te wekken uit die dood
kan er een pessimisme komen, de verwachting gaat weg dat er nog iets kan gebeuren.

In extreme mate was dat voor het volk Israël
en  ze hadden reden om daarover te klagen:
Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden.
We zijn er nog wel, maar levend zijn we niet meer.
We wonen hier in Babel, ver weg van het land waar we horen
en daar in ons thuisland is geen tempel meer, verwoest tijdens de oorlog.
We zijn overwonnen en onze God heeft ons verlaten.
We zijn er nog wel, maar stellen niets meer voor en hebben geen toekomst meer
en ook geen God.
Niet meer dan een hoopje botten. Niet alleen maar dood,
maar nog meer, al tijden dood, zodat elke hoop op een nieuw leven weg is.

Dat is de situatie als Ezechiël door Gods hand wordt opgepakt
en door de Geest wordt meegenomen naar een dal.
Het dal is een massagraf.
Onbegraven liggen de doden daar.
Een snelle ramp is er geweest, te snel om de overledenen nog te kunnen begraven.
Of een grote slag tijdens de oorlog waarbij de overwinnaar het niet de moeite vond
om de gesneuvelden van de overwonnen tegenpartij eervol te begraven
om zo de schande van de nederlaag nog eens extra te laten zien.
‘Waar de profeet gaat of staat, overal liggen de dorre mensenbeenderen verspreid,
naamloos, levenloos, als stille getuigen van het grote zinloze sterven
en de sprakeloze aanklacht tegen de elkaar bestrijdende wereldmachten.’ (dr. M. Dijkstra)
Ezechiël krijgt de opdracht om het dal rond te lopen
om het troosteloze op zich te laten inwerken.
Deze restanten van wat eens mensen waren liggen er al heel lang,
er is weinig meer over dan wat botten die her en der verspreid zijn.

Als Ezechiël rond heeft gelopen en genoeg indrukken op heeft gedaan
krijgt hij van de Heere, die hem hier neergezet heeft een vraag:
‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’
Mensenkind – een benaming waarmee God Ezechiël voortdurend aanspreekt.
Mensenkind – jij bent gelijk aan wat die mensen eerst waren en het kan jou ook overkomen.
Mensenkind, van wie het leven maar kort is,
voor wie de dood er ook eens aan komt en die niet in staat is om de dood tegen te houden
of degenen die in het dodenrijk zijn afgedaald in het leven terug te brengen.
Mensenkind, wat zeg jij er van, nu je zo hebt rondgelopen en dit hebt gezien:
Is er voor deze botten nog mogelijkheid dat het weer mensen worden die rondlopen,
die ademen en bewegen, die leven en een toekomst hebben?
Wat een vraag voor Ezechiël. Wat moet hij er op antwoorden?
‘HEERE, mijn God, dat weet U alleen.’
Dat antwoord kan op verschillende manieren opgevat worden.
Als een onmogelijkheid, maar omdat God dat van Ezechiël
vraagt kan hij er geen nee op zeggen en legt hij het in Gods handen.
Het kan zijn dat er een geloof is bij Ezechiël, omdat de Heere de God van het leven is.
Leven en dood – daar gaan wij mensen niet over, dat is in Gods hand.

Er is een Middeleeuws lied, dat later bewerkt werd door Maarten Luther
en in vertaling in het Liedboek voor de Kerken terechtgekomen is:
Midden in het leven zijn wij door de dood omvangen.
We kunnen wel doen alsof de dood ver van ons afstaat
en om daarmee geconfronteerd te worden, hoeven we niet net als Ezechiël
door Gods hand en met Gods Geest meegenomen te worden.
De dood is om de hoek, we zijn er door omgeven.
Wie is er die ons hulp biedt dat wij troost erlangen?

Dan komt de ongelooflijke opdracht op Ezechiël af,
een opdracht die een vraag is aan zijn geloof:
Geloof je werkelijk dat God weet of deze beenderen weer mensen kunnen worden?
Geloof je dat God in staat is om hier weer leven in te brengen, de kracht heeft?
Het is overigens niet alleen een vraag naar Gods macht,
maar ook een vraag of God dat wil.
Want doden die niet begraven zijn, een leger dat zo massaal verslagen is,
met zulke grote aantallen gesneuvelden, dat was een grote oneer, een schande,
een teken dat het leger van dit volk door de eigen God in de steek gelaten was.
Dat het volk dat verdiende dat het zo verslagen was.
Geloof je, Ezechiël, dat God weer naar Zijn volk terugkeert
en dat door Zijn terugkeer er weer leven is voor Zijn volk?
Als je dat gelooft – profeteert en de botten die je ziet liggen
zullen weer levend worden, op hun voeten staan en in staat zijn om Mij te loven.
Jouw woord zal Mijn kracht hebben, opstandingskracht,
Ze zullen levend worden en dan niet alleen maar schimmen of geesten,
maar echt mensen van vlees en bloed, hersteld zoals zij waren.
De botten die nu verspreid zijn, zullen bij elkaar komen, pezen en spieren krijgen,
organen en een huid erom heen
en bovendien de adem, zodat ze weer echt leven. Geest in hen.

Het woord ‘geest’ kan hier betekenen: Gods Geest, menselijke geest, adem, wind.
Al die betekenissen komen in dit gedeelte naar voren.
De overledenen die hier al zo lang liggen, ze zullen weer kunnen nadenken,
beslissingen kunnen nemen, ze zijn weer iemand, niet meer die anonieme doden,
waarvan niemand meer kan reconstrueren wie het is geweest.
Onbekend bij ons, maar bekend bij God.
Ezechiël doet het. Ik profeteerde zoals mij was opgedragen.
Ezechiël spreekt die doden aan, die zelfs geen oren meer hebben
en toch horen ze zijn woorden omdat het de woorden van God zijn,
die tot leven kan roepen wat eerst geen leven heeft,
die in het leven kan brengen wat in de dood was afgedaald.
De botten worden mensen van vlees en bloed, ze worden weer wat ze waren.
Rechtop staan ze, niet een, maar een heel leger, een grote menigte,
net als op de Eerste Pinksterdag in Jeruzalem.
Ze worden weer mensen, omdat ze net als de eerste mens in het paradijs
de adem van God ingeblazen krijgen, de Geest ontvangen die hen mensen maakt,
De Geest die levend maakt.
Een menigte die niet te tellen is.

Dit is Pasen en Pinksteren inéén: een wederopstanding uit de dood,
maar tegelijkertijd een wonder dat ons aangaat,
omdat het laat zien dat wij, als wij geestelijk dood zijn,
Als wij geen toekomst meer zien, het leven weer kunnen ontvangen.
En waar de weg onvindbaar scheen, mochten wij door geloof alleen
de tocht opnieuw beginnen.
Het is Kerst en Pinksteren inéén omdat de boodschap van Ezechiël is:
God heeft naar Zijn volk omgezien, zoals Zacharias zong bij de geboorte van zijn zoon.
Zijn volk – dat zijn wij, omdat God ook met ons een verbond gesloten heeft.
Dat is de kerk, die lang niet altijd het leven leeft van opgewekt uit de dood,
Zijn volk, dat is ook Israël dat nooit uit Gods aandacht en bewogenheid is.
Zij horen, daar in ballingschap, afgesneden van Jeruzalem, zonder tempel, zonder God,
dat God er voor hen is, dat ze opstaan, een nieuw leven ontvangen,
weer mogen leven – God is genadig.
Dan zult u weten dat ik de HEERE ben – HEERE is mijn naam:
de God van het verbond, dat God die er is als je Hem nodig hebt,
ook als je Hem niet verwacht, of geen recht meer hebt op Zijn genade.
Pinksteren: de kerk én Israël – God keert terug.
Ik ben de Heere, groot aan geduld en genade.
Niet voor eeuwig handhaaft Hij Zijn toorn.
Daarom kan in het lied dat Luther dichtte  ook een beroep op God gedaan worden.
Het is waar – in het leven zijn we door de dood omvangen en dat ligt aan onszelf,
maar er is een God van het leven, die Zijn Zoon gaf in die dood,
En die Zijn Geest uitzendt om ons weer tot leven te wekken
en het leven van Christus te geven.
Daarom kan in datzelfde Liedboek voor de kerken een avondmaalslied staan
van Muus Jacobse dat de zin van Luther omdraait: Midden in de dood zijn wij in het leven
want Eén breekt het brood om met ons te leven midden in de dood.
De Geest geeft ons dat leven. Ezechiël moet het zeggen tegen Israël:
Ik ben de HEERE en Ik zal doen wat Ik beloofd heb. Je krijgt dit leven weer.
En wij mogen het door de genade van Christus ook horen: Je krijgt het leven weer.
Ik ben de Heere en ik zal doen wat ik heb beloofd.
Ontwaakt gij die slaapt en sta op uit de doden en Christus zal over u lichten!
Amen

Preek zondag 20 mei 2018 Eerste Pinksterdag

Preek zondag 20 mei 2018 Eerste Pinksterdag
Handelingen 2:1-21
Openbare belijdenis van het geloof
Tekst: wij horen hen in onze taal over de grote werken van God spreken (vers 11b)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vijf gemeenteleden die hier voor in de kerk zitten
waarvan er vandaag 4 in het openbaar hun ja-woord aan Christus zullen geven.
Een van de 5 heeft dat vorig jaar al gedaan,
toen ze de doop mocht ontvangen in dezelfde dienst waarin haar zoon ook gedoopt werd.
In de afgelopen tijd zijn ze naar dit moment toegegroeid.
Dat gebeurde niet allemaal op dezelfde manier.
Bij de één was er al jong een relatie met de Heere Jezus,
bij de ander kwam dat pas veel later.
Bij de een hoorde geloof en ook kerkgang er al vanaf de kindertijd bij,
de ander werd niet gedoopt en hoorde op school de verhalen uit de Bijbel
en ging in de verkeringstijd mee naar de kerk.
Voor de een was er een ingrijpende ervaring,
zoals het overlijden van een vader of schoonvader of een broer of zwager,
een gebeurtenis die diepe indruk maakt,
zodat je dat nooit meer vergeet en je leven voor altijd gevormd heeft.
Bijzonder dat God er beide keren was, in de tijd van ziekte, rond het overlijden
en in de tijd na het overlijden, de tijd van het gemis.
Je zult je vader, je broer op deze zo bijzondere dag missen.
Als hij het meegemaakt had, had je vader, je broer het vast heel bijzonder gevonden.
Tijdens de belijdeniscatechisatie ging het er nogal eens over,
hoe het gemis jullie leven heeft gevormd, welk voorbeeld er was
en dan merkten we dat niet iedereen zo’n ervaring heeft.
Voor de één een heel bewuste keus om belijdenis te gaan doen,
voor de ander was er vooral aarzeling:
Leef ik wel op de goede manier? Past belijdenis doen wel bij mijn manier van leven.
De ander wilde juist belijdenis doen,
omdat er in de andere kerk geen belijdenis is
en omdat er in de opvoeding meegegeven was dat voor deelname aan het avondmaal
toch eerst de belijdenis nodig was, kwam de vraag om mee te doen.
Daarmee wordt in één geval de belijdenis ook een afscheid van de gemeente
waarin je bent opgegroeid, omdat je met je vriend een andere gemeente gevonden hebt
Die meer bij jullie samen past.
Op deze manier neem je op een mooie manier afscheid
Door het waardevolle uit de kerk van je kindertijd en jeugd mee te nemen.

Mooi was het om te zien hoe jullie in de afgelopen maanden zijn gegroeid in geloof.
De een onbevangen, steeds nieuwsgierig naar hoe de anderen het zagen.
De ander meer voorzichtig, net een tijd achter de rug die niet zo makkelijk was.
Groei was er omdat je er in de afgelopen maanden zo mee bezig was,
met elkaar in gesprek was, van elkaar hoorde hoe het ging.
Het ging misschien niet zoals op de eerste Pinksterdag,
waarbij er een grote groep mensen in één keer meegenomen werd door de Geest,
ging geloven en tot het besef kwam dat ze zonder Christus niet verder konden,
maar het is wel diezelfde Geest die toen het huis vervulde
waar ze allen eensgezind bij elkaar waren,
dezelfde Geest die in de afgelopen maanden in jullie werkte
door jullie te laten groeien naar het moment dat je in het openbaar ja kunt zeggen,
dezelfde Geest die nu hier in de kerk aanwezig is
en werkt om ruimte te maken voor Christus bij ieder van ons.

Als de Joden die in Jeruzalem aanwezig zijn hen horen spreken,
De leerlingen van Jezus over wie de Heilige Geest komt, zeggen ze:
We horen in onze eigen taal spreken over de grote werken van God.
Daar zijn we in het afgelopen seizoen ook steeds mee bezig geweest:
Wat betekent het nu voor jezelf dat God deze wereld heeft geschapen en ons ook.
Wat betekent het voor ons persoonlijk dat Christus stierf aan het kruis.
Hoe kan de Heilige Geest in mij werken?
Wat betekent het om bij een kerk te horen en voor ouderling of diaken gevraagd te worden?
Ik weet niet of we in de afgelopen maanden nou gezegd hebben:
Dat zijn de grote werken van God. Ik denk het niet.
De grote werken van God komen namelijk lang niet altijd op zo’n spectaculaire manier
zoals dat op de eerste Pinksterdag in Jeruzalem gebeurde
met geluid van een storm, vlammen van vuur die op de hoofden verschijnt.
Maar je hoort er over in verhalen die thuis uit de kinderbijbel worden voorgelezen,
Die op school of op zondagsschool worden verteld.
Je ziet aan je ouders wat die grote daden van God zijn
als zij op latere leeftijd belijdenis gaan doen
of als je merkt dat ze hun rust in de Heere vinden als het bericht komt
van een ernstige ziekte en het besef er is dat er over niet al te lange tijd
afscheid genomen moet gaan worden.
Je hoort over die grote daden van God als je er met opa en oma over kan praten
als je merkt dat kerkgang en geloof al generaties meegaat,
omdat de ouders van je opa aan de kerk een Bijbel hebben geschonken.
Zo hoor je in je eigen taal, in het Nederlands, misschien zelfs het Oldebroeks
vertellen over God en merk je dat het ook voor jou kan zijn
dat ook jij mag geloven en merk je dat er iets in je gaat groeien:
een verlangen om Hem beter te leren kennen,
een verlangen om gedoopt te zijn en er zo bij God te horen
een verlangen om deel te nemen aan het avondmaal.
Een verlangen dat gegroeid is binnen een gemeenschap,
van het gezin waarin je opgroeide, van de kerk waartoe je behoort,
net als de leerlingen van Jezus bij elkaar waren, 120 vertelt het vorige hoofdstuk,
en 10 dagen lang samen met elkaar wachtten op de komst van de Heilige Geest.
En of je nu hier in de kerk blijft en hier je plek gevonden hebt of naar een andere kerk gaat,
zo’n gemeenschap, waarin op de Heilige Geest gewacht wordt, hebben we allemaal nodig.

Daarom vind ik zelf de openbare belijdenis altijd heel waardevol
en voel me als predikant elk jaar weer bevoorrecht om gemeenteleden te begeleiden
naar het moment waarop ze ja zeggen tegen God.
Je kunt er vragen bij stellen of het noodzakelijk is, of zelfs bijbels
dat er belijdenis gedaan wordt in het openbaar, binnen de gemeente.
Is het persoonlijke antwoord dat je geeft naar God toe, in het verborgen, niet genoeg?
Ik zou dan de vergelijking willen maken met gisteren, de Royal Wedding:
de prins en zijn bruid hebben vast tegen elkaar al hun ja uitgesproken,
dat binnen de familie besproken hebben dat ze samen verder kunnen gaan,
maar hoe bijzonder het is om in het openbaar ja tegen elkaar te zeggen
was gisteren zichtbaar en is elke trouwdag zichtbaar.
Bijzonder is het ook om het openbaar ja tegen God te zeggen,
waarbij je er zelf naar toegroeit en dat verdiept je band met God,
dat heeft betekenis voor jezelf en ook voor iedereen die hierbij aanwezig is, een getuigenis.
En ook belangrijk: zonder belijdenis doen is onze doop niet af.
Een volgende keer preek ik over het einde van het hoofdstuk
waarin verteld wordt hoe veel mensen zich laten dopen na de toespraak van Petrus.
Op één na zijn jullie allemaal als kind gedoopt.
Je bent gedoopt, omdat je ouders geloven en doordat je verbonden bent met je ouders
ben je ook verbonden met de God van je ouders.
In het leven gaat het om zelfstandig worden, je eigen weg gaan:
Vier van jullie zijn er getrouwd, de vijfde gaat binnenkort trouwen,
je wordt zelfstandig, je gaat je eigen weg, los van je ouders
(al woon je er misschien dicht bij).
Zo gaat het ook in geloof: je groeit op bij je ouders.
Het mooie van de kinderdoop vind ik altijd dat je als ouders
je kind heel dicht bij de Heere Jezus mag brengen.
Misschien is dat ook wel hier in de kerk gebeurd, bij het doopvont hier.
Je kind hoeft alleen maar de laatste stap te doen: Gods belofte aannemen,
Zelf ja zeggen tegen God.
En daar heb je als ouders ook bij de doop ja op gezegd,
dat de opvoeding van je kind ertoe leidt dat hij of zij zelf ja tegen God zegt
En zijn of haar weg met Christus zal gaan.
Openbare belijdenis van het geloof geeft aan: dat ja mag heel persoonlijk zijn,
moet zelfs heel persoonlijk zijn,
maar het gaat de hele gemeenschap aan: je bent in de kerk gedoopt,
je bent toegezongen, er is voor je gebeden, er is met je meegeleefd,
leiding van de clubs en de (zondags)school, ouderlingen op huisbezoek
dan is het toch ook mooi als binnen die gemeenschap gezien wordt
dat het zaad dat gestrooid is, ontkiemt, vrucht draagt,
dat je ja gehoord wordt en als bemoediging ervaren wordt.
Wanneer dat gebeurt, wanneer je ja gehoord wordt,
komt er een kleine herhaling van het Pinksterfeest in Jeruzalem.
We horen dan geen grote stormwind, maar merken wel hoe de Geest werkt,
we zien geen vlammen van vuur boven jullie hoofd,
maar zien wel hoe de Geest over jullie gekomen is.
En het wordt weer waar wat de oude profeet Joël al eens aankondigde:
Ik zal Mijn Geest over iedereen uitstorten, ook over jullie.
Uw zonen en dochters zullen profeteren,
al is het voor jullie op een bescheiden manier,
omdat je het niet altijd even makkelijk vindt om over God te spreken.
Dromen en visioenen zijn er misschien niet geweest
maar dat de Geest over iedereen kan komen, kunnen we aan jullie zien
en dat geeft ook moed dat de Geest over ons allemaal kan komen,
zodat wij ook ja zeggen tegen God, zoals jullie dat vandaag doen.
Of misschien is dat al eens gebeurd en is vandaag een herbevestiging van dat ja.
Als je nog geen ja gezegd hebt, is dit een uitnodiging om er ook over na te denken,
en als je meer wilt weten in september mee te doen met de belijdeniscatechisatie
om erachter te komen wat de Geest in jouw leven doet,
wat Gods grote werken voor jou betekenen en hoe jij ja kunt zeggen tegen God.
Joël sprak over allerlei indrukwekkende verschijnselen: bloed, vuur en rookwalm,
de zon die verduisterd wordt.
Ook als die verschijnselen nog niet geweest zijn, blijft wat daarop volgt van betekenis:
namelijk dat er een dag aanbreekt dat Christus terugkomt
En wie hier op aarde ja gezegd heeft tegen Hem zal van Hem een ja horen:
Kom in mijn heerlijkheid binnen, wees waar Ik ben, in de hemel, in het Koninkrijk van God.
Als je naar Mij toe komt, Mij aanroept, zul je zalig worden, is er redding mogelijk, toekomst!

Ja zeggen betekent niet, dat je nooit meer twijfel hebt.
Daarom zongen we ook: Geest van hierboven, leer ons geloven,
hopen, liefhebben door Uw kracht.
Maar we zongen ook: Gij houdt ons bij de hand gevat.
U bent het die ons vasthoudt en dat blijft voor altijd ons gebed:
Houd mij vast, laat uw liefde stromen, houd mij vast, heel dicht bij uw hart.
Want we hebben het ontdekt, dat als we aan Uw voeten zijn zoveel leren:
veranderd worden, trots en twijfel wijken voor de kracht van Uw liefde.
Heer, Ik kom tot U, neem mijn hart, verander Mij, als ik U ontmoet, vind ik rust bij U.
gedragen door Uw Geest en de kracht van Uw liefde.
Amen

v

Preek zondagavond 13 mei 2018

Openbaring 22:6-21
Tekst: En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! (vers 17)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de afgelopen preken over Openbaring heb ik steeds gezegd
dat het niet zozeer om allerlei gedachten over de toekomst gaat,
maar dat het gaat om hoe wij in onze eigen tijd trouw zijn aan Christus.
Als je Openbaring leest, kun je niet je schouders ophalen
en zeggen: het gaat mij niet aan.
Nee, als je als gelovige, als gemeente in dit Bijbelboek leest,
besef je dat het steeds gaat om een keuze, een keuze voor Christus,
een keuze om Christus trouw te blijven
en dat in een wereld, die zoveel verleidingen heeft.
Het hele Bijbelboek is steeds een appèl op de gemeente.

Aan het slot van het Bijbelboek zien we twee keer kort iets van het effect
dat het Bijbelboek Openbaring op de gemeente heeft.
Het is maar één woord: Kom!
En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom!
Als je vers 20 meeneemt zijn het enkele woorden extra: Ja, kom, Heere Jezus!
Dat is dus de reactie bij de gemeente op wat Johannes doorgeeft: Kom!
Als Christus zich nog eenmaal voorstelt, aangeeft wie Hij is,
dat de Wortel, het nageslacht van David, de blinkende Morgenster is,
dan blijft het niet stil, maar komt er een roepen vol hartstocht: Kom!
Als U dat bent, blijf dan niet weg, maar kom naar ons toe!
Kom naar deze aarde!
We willen niet langer meer wachten.
Het liefste dat wij zouden willen is dat U in ons midden bent, bij ons hier op deze aarde.
Dat U terugkomt, zoals U van de aarde bent heengegaan.
Kom! – dat is de echo in de hemel en op aarde op wat Christus zegt over Zichzelf
En op wat Johannes aan de gemeenten meedeelt.

Dat roepen om de komst van Christus is uitzonderlijk.
Nee, niet voor de Geest, die gelijk is aan Christus,
Die samen met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt.
De Geest op gelijke hoogte met de Zoon kan het appèl op Christus doen: Kom!
Maar voor de gemeente, ook al is zij de bruid, is het een waagstuk.
Want zij is niet aan Christus gelijk.
Christus is Heer
en het is een heel waagstuk om als ondergeschikte bij je Heer aan te kloppen: Kom!
Geen beleefdheid: ‘Zou u alstublieft willen komen!’
Nee, ‘Kom!’ Heel direct: Kom!
De bruid hoort de Geest roepen en kan niet achterblijven,
het verlangen wordt gewekt door de Geest.
Als de Geest het niet meer kan uithouden, als de Geest wil dat Christus komt,
dan moet de kerk die de bruid van Christus is,
op wie de liefde van Christus gericht is, die Zijn hart gewonnen heeft, niet achterblijven.

Het is de gemeenten ook opgedragen
in de brieven die de gemeenten van Christus kregen:
Die oren heeft, hoort wat de Geest tot de gemeenten zegt.
Let goed op, wees alert wat de Geest tegen jullie zegt en doe mee, stem ermee in.
En nu komt de Geest: Kom! En de bruid van Christus blijft niet achter: Kom!
De Geest is hier niet de gelijke van de bruid, van de gemeente.
Nee, de Geest is degene die de bruid op sleeptouw neemt,
Die aangesteld is door de hemelse Heer om de bruid voor te bereiden,
gereed te maken voor de komst van Christus,
om het verlangen in haar te wekken naar Christus,
die zorgt dat het vuur van het geloof niet uitgedoofd is, maar blijft branden.
Vandaag is het de zondag voor Pinksteren en na hemelvaart,
Een zondag die in het teken staat van het wachten op de komst van de Geest,

als een voorbereiding op het Pinksterfeest
waarop we vieren en gedenken dat de Geest gekomen is,
uitgestort als een regenbui over een dorstig land.
In de traditie van de kerk is aan elke zondag een bepaald vers uit de psalmen verbonden
en de eerste woorden van dat psalmvers vormden de naam van die zondag.
Zondag: ExaudiHoor, HEERE, mijn stem als ik roep. (Psalm 27:7)
Hoor mij als ik roep om de Geest.
Hoor mij als ik meeroep met de Geest: Kom!
Want met alleen de Geest doen we het niet, we willen dat Uzelf komt, terugkomt.
De Heilige Geest is daarin de voortrekker, moedigt ons aan en gaat voorop: Kom.
De Geest schakelt ons in, betrekt ons bij het plan van God, door ons mee te laten roepen,
door ons met reikhalzend verlangen uit te laten zien naar de komst van Christus,
zoals een bruid niet kan wachten tot het moment
waarop ze verenigd wordt met haar bruidegom.

Dat is de kerk: de gemeenschap die met de Geest meeroept om de komst van Christus,
Die door het roepen van de Geest het verlangen in zich op voelt komen
om ook bij Christus te zijn, Hem in je midden te hebben, van Hem en bij Hem te zijn.
De kerk wordt hier genoemd als de bruid.
Bruid betekent allereerst: liefde van de Bruidegom, liefde van Christus.
Christus die om de bruid geeft, het verlangen van Christus dat naar de bruid uitgaat.
Om haar als bruid te werven, kwam Hij ten hemel af.
Bruid, dat is in Openbaring de gemeente die door Christus is vrijgekocht,
bevrijd uit de macht van de boze.
Bruid, dat zijn de mensen die nieuwe kleren aan mogen:
Witte kleren als teken van een nieuw leven, gereinigd van de zonde
en na het overlijden opstaan in een verheerlijkt lichaam.
De bruid kijkt ernaar uit om van de Bruidegom te mogen zijn.
Kijkt uit naar de bruiloft, zoals in Openbaring het wordt genoemd: de bruiloft van het Lam.
De bruiloft moet nog komen:
het moment waarop de gemeente aan haar Heer verbonden wordt
als de Wederkomst is geweest en het oordeel is uitgesproken
en al degenen die van Christus zijn, die de nieuwe kleren hebben aangenomen,
Die hun zonden hebben laten afwassen, die geloofden en trouw bleven,
die volhielden in het geloof, ondanks vervolging en tegenstand mochten ingaan.
Uit het verhaal van Jozef en Maria, het bekende kerstverhaal, weten we
dat een bruid reeds van tevoren van de bruidegom was.
Niet pas op het moment van de bruiloft wordt de bruid van de bruidegom,
maar al eerder: als besloten is tot het huwelijk.
Ze horen dan bij elkaar, zijn al verbonden.
Op de bruiloft wordt het officieel: in het openbaar gevierd.
In de roep van de bruid, waarin ze met de Geest meeroept, geeft ze aan
dat ze verlangt naar het moment van de bruiloft om aan de zijde van de bruidegom te staan
zodat er geen scheiding meer zal zijn,
Ze zijn al van elkaar, al is er een afstand in tijd en ruimte, nog niet bij elkaar,
maar vanaf de bruiloft onafscheidelijk.
De gemeente, de bruid van Christus, verlangt ernaar onafscheidelijk te zijn van haar Heer.
Kom!

Ik kom spoedig heeft de bruidegom gezegd.
Aan het einde nog eens de herhaling: Ja, Ik kom spoedig. Het duurt niet lang meer.
Maar we zijn bijna 2000 jaar verder na het Bijbelboek Openbaring
en na het naar de hemel gaan van Christus.
Kunnen we nog wel spreken van spoed?
Hoelang moeten wij nog wachten totdat Christus komt?
Kunnen we er nog wel vanuit gaan dat Hij komt?
Mijn schoonvader vertelde geregeld dat hij meegemaakt had
dat een bruidegom op de dag van de bruiloft even wegging
om een pakje sigaretten te kopen.
De bruidegom kwam nooit meer terug, verdween voorgoed.
Hoe weten wij dat onze bruidegom ons niet laat zitten en toch komt?
Omdat dit geen aardse bruidegom is,
maar Christus die Zijn betrouwbaarheid heeft laten zien
door Zichzelf te geven om Zijn bruid te redden.
Omdat God en Christus samen één zijn
en God nog nooit een belofte niet is nagekomen.
Als Christus zegt dat Hij komt, mogen we ervan uitgaan, dat Hij komt
omdat Zijn woorden betrouwbaar zijn.
Christus benadrukt het nogmaals: Nageslacht van David, blinkende morgenster,
Alpha en Omega – begin en het einde, A -Z. Er komt niets voor Hem en niets na Hem.
B van belofte dat Hij zal komen, een belofte die vaststaat
en waar we niet aan hoeven te twijfelen
C van crisis, die ons er niet onder krijgt, hoe sterk de crisis zich ook toont.
D van duivel overwonnen, verslagen door Christus, niet langer een vijand.
Eenheid tussen gelovigen hier op aarde, al zijn ze in zoveel verschillende kerken onderverdeeld en eenheid tussen de kerk op aarde en de kerk in de hemel.
H van hemel waar Christus is en de plek waar we zullen zijn als Christus gekomen is.
K van kanker in welke vorm dan ook, een weg die je niet alleen hoeft te gaan
omdat Christus met je meegaat en je draagt, zelfs als de schaduw van de dood over je heen valt, Zijn stok en Zijn staf die je een uitweg wijzen.
De O van oorlog en alle rampen die er op aarde kunnen zijn
S van sterven, het einde van het aardse leven maar voor wie gelooft in Christus een doorgang in een nieuw leven.

Op al die momenten roept de bruid het de Geest na: Kom
En iedereen die het hoort – u, jij wordt opgeroepen dat ook te zeggen: Kom!
Dat Christus komt als je het moeilijk hebt om je te verlossen en te redden,
maar ook op de momenten waarop je gelukkig bent en het goed hebt. Kom!

 

Hoe moet je dat nu doen: die verwachting, dat uitkijken naar het moment
terwijl je gewone dagelijkse leven doorgaat?
Als morgen de wekker gaat, je kleren aantrekt om te gaan werken,
als de kinderen naar school gebracht moeten worden,
als je klaar moet staan vanwege de zorg voor een vader of een moeder,
als je weer voorraden moet aanleveren, bestellingen moet opnemen voor de komende week.
Als je offertes maakt voor over enkele weken, een begroting voor het komende jaar
of een meerjarenonderhoudsplan.
Dat kun je niet laten rusten, dat moet gedaan worden
en toch wordt van ons tegelijkertijd gevraagd om te wachten, om te verlangen
naar de dag dat Christus komt.
Hoe doe je dat?
Zoals een kind dat al maanden van tevoren naar de verjaardag kan uitkijken,
allerlei lijstjes al maakt, allerlei plannen voor het kinderfeestje.
Het moet naar school, speelt bij vriendjes en vriendinnetjes,
gaat trainen, naar muziekles en ondertussen droomt het over die dag.
Zijn we als volwassenen het dromen verleerd,
dromen over hoe het zal zijn als Christus terugkomt
omdat we hier op aarde nog zoveel hebben: een gezin, een baan, een carrière, toekomst,
allerlei zaken die we nog willen meemaken of willen bereiken?
Dat roepen van de Geest maakt de zorg voor het aardse bestaan niet onnodig.
Dat is ook onze taak, een roeping die ons door God gegeven is
En tegelijkertijd, daarbij, ook rekening houdend met die dag die eens dagen zal.

Hoe het niet moet, geeft Okke Jager weer in een gedicht: Kom haastig!

“Kom haastig, Jezus!” bidt de predikant.

“Ja, Amen,” zegt de boer, “wil spoedig komen!

Maar na de oogst, want van m’n nieuw stuk land

Heb ik nog nooit de opbrengst waargenomen.”

“Ja, Amen,” zegt Mevrouw, “maar mag ik voor

De bontjas die ik gisteren zag hangen

Eerst sparen en hem aandoen, als het Koor

Een avond geeft in “Christ’lijke Belangen”?”


“Ja, Amen,” zegt het kind, “maar nu nog niet,

Ik moet nog met vacantie naar de bossen.

Maar ik zal zwaaien, zodat U het ziet,

Als U ons onder schooltijd komt verlossen.”


“Kom haastig, Jezus!” bidt de predikant.

“Maar mag ik eerst die nieuwe lezing lezen,

Die ik gemaakt heb voor het Jeugdverband

Over “Gij zult het wel verstaan na dezen”?”


De beden komen in de hemel aan.

De cherubijnen zwijgen, die ze brachten.

En Jezus vraagt: “Kan Ik vandaag al gaan?”

Zijn Vader zucht: “Ge moet nog even wachten.”

De bruid kan niet meer wachten en zegt het de Geest na: Kom!
De bruid dat kan de kerk zijn die reeds in de hemel, reeds aangekomen in heerlijkheid,
bij Christus, in afwachting alleen nog van die ene dag, de Jongste Dag.
En zij die op aarde zijn – ze worden opgeroepen, zij die het horen, om in te stemmen: Kom!
Zodat de kerk in de hemel en op aarde klaar is om de Heer te ontmoeten,
de stem van Zijn liefde te beantwoorden als Hij gekomen is en dan zegt:
Kom, gezegenden van Mijn Vader, beërf het Koninkrijk  dat voor u bestemd is vanaf de grondlegging van de wereld.
Amen.

 

Preek Hemelvaartsdag 2018

Preek Hemelvaartsdag 2018
Openbaring 18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Afgelopen zondag leidde ik ergens anders een kerkdienst.
Na afloop praatte ik met een van de ouderlingen nog door
over de preek over Openbaring 20 (die ik twee weken geleden ‘s morgens hield).
Het was die zaterdag ervoor Bevrijdingsdag geweest en de dag daarvoor Dodenherdenking.
Het begon met een vraag van zijn kant: ‘Weet u wat uw collega vanmorgen zei?’
Dat wist ik natuurlijk niet.
De predikant van de morgendienst had iets gezegd dat hem nogal geraakt had:
‘Wij zijn helemaal niet bevrijd.’
Dat beaamde hij ook:
‘We hebben wel Bevrijdingsdag gevierd, maar we zijn helemaal niet vrij.’
Hij ging zelf ook niet meer naar de lokale Dodenherdenking.
‘Ook al staat mijn naam daar op het monument.’
Hij wachtte even om mij te laten nadenken over hoe dat kon.
‘De naam van de broer van mijn moeder staat erop. Ik heb zijn naam gekregen.’
Eerder ging hij wel altijd naar de Dodenherdenking
onder andere om zijn oom die de oorlog niet overleefde te gedenken.
‘We zijn helemaal niet bevrijd. Ik heb jaren bij de politie gewerkt.
Sindsdien vraag ik me af: wat doen we met onze vrijheid.
We zijn helemaal niet bevrijd.’
Hij hoefde niet naar andere landen, verder weg, waar oorlog was,
hij zag het steeds weer voor zich gebeuren hoe mensen onvrij waren:
door wat ze elkaar aandeden, door de verslaving waaraan ze zich overgaven,
de criminaliteit die hij tegenkwam.
‘We zijn helemaal niet bevrijd’
Omdat we allebei naar huis gingen, vertelde hij niet wie ons gevangen hield.
Uit zijn woorden proefde ik, dat doelde op de macht die tegen God ingaat
en niets liever doet dan Gods werk kapot te maken, de kerk te bedreigen
en de volgelingen van Jezus te verleiden om een andere weg te kiezen.
De duivel heeft deze wereld en ons nog in zijn macht.

En toch, vandaag is het Hemelvaartsdag en vieren we als kerk onze Bevrijdingsdag.
Vieren we dat we leven in een nieuwe tijd, waarin Christus regeert.
Daarmee vieren we dat we bevrijd zullen worden uit de macht van de zonde, de duivel
en dat we reeds apart gezet zijn en de duivel geen enkele zeggenschap over ons heeft.
We kunnen het meezeggen met de engel die met zijn heerlijkheid,
de hemelse glans die hij met zich meebrengt de aarde in hemels licht zet
en met krachtig geluid over de aarde uitroept: Zij is gevallen! Zij is gevallen!
Het bijzondere van deze aankondiging is dat deze engel spreekt
over een toekomst alsof die al gekomen is:
De grote stad is er nog en volop in macht
en geen enkele suggestie dat deze stad ook snel voorbij zal zijn.
En toch, de engel roept het uit: ja, haar tijd is voorbij.
Dat terwijl de stad nog fier overeind staat.
Dat is wat Openbaring is steeds wil leren: leven met de toekomst van God
alsof die al werkelijkheid geworden is,
omdat die toekomst werkelijkheid geworden is.
Het is misschien makkelijker om dat uit te leggen met de Wederkomst.
We moeten leven met de Wederkomst, alsof de Wederkomst al gekomen is
omdat we er zeker van zijn dat Christus zal komen.
Met de Wederkomst zal zichtbaar worden wat er al is
namelijk dat Babylon gevallen is en haar macht voorbij is
en dat het zichtbaar wordt dat Christus reeds over hemel en aarde regeert.

Alleen het is nog niet zichtbaar. We zijn nog niet bevrijd.
En is de macht van Babylon zichtbaar, we moeten leven alsof Babylon al gevallen is.
Babylon – dat was voor de christenen het Romeinse Rijk
dat zich presenteerde als een wereldmacht waar niemand tegenop kon,
zo sterk was Rome dat de keizer zich steeds meer als god ging bedragen
en als een god behandeld wilde worden.
Het Romeinse Rijk dat door macht andere volken overwon
en een groot deel van de wereld beheerste.
Door de luxe die het had de andere volken verleidde om aan Romes kant te komen.
Deed je met Rome mee dan kon je een graantje meepikken van de rijkdom van Rome.
Maar wat is Babylon voor ons nu dan?
Babylon is allereerst een verleiding: verleiding om een leven op te bouwen zonder Christus.
Je hebt Hem niet nodig, omdat je het zonder Hem prima lijkt te redden.
Je gaat op in deze wereld. Laat Christus nog maar even niet komen,
want het leven hier op aarde is goed. Ik heb alles wat ik hebben wil
En als ik dat niet heb, dan laat ik dat bezorgen of schaf ik dat aan.
Of een leven dat leuk moet zijn en waarin niet veel van je als christen wordt gevraagd.
Je wilt meedoen met de wereld om je heen, een graantje meepikken.
Als je het zelf maar goed hebt, als jij maar kan genieten,
je moet het nu maar doen, want voor je het weet is het voorbij
en wat stelde je leven dan voor als je er niet van genoten hebt.
Ik denk dat we ons half niet realiseren hoezeer wij vandaag de kerk in Babylon zijn,
Waarbij voor omstanders of voor andere christenen het verschil niet te zien is
en dat we ons moeten afvragen of we teveel opgaan in deze wereld.
Te gemakkelijk ingaan op al de verleidingen die er zijn.
Maar we zien niet dat ook dit Babylon reeds gevallen is
en alles wat wij als mensen op de een of andere manier hier op aarde voor elkaar krijgen
maar tijdelijk is en ons niet het geluk kan brengen dat Christus ons geeft.
Openbaring is een voortdurende waarschuwing om niet te collaboreren,
niet samen te werken met Gods vijand, maar weg te trekken,
zoals Lot uit Sodom ging, omdat de zonden tot aan de hemel gekomen zijn.
De maat is vol. Er kan geen zonde, er kan geen onrecht bij.
Dit kan God niet langer accepteren. We moeten weg!

 

Vorige week had ik vakantie en las ik over de kerk ten tijde van de oorlog.
Het is vandaag 78 jaar geleden dat de Duitse legers onze grens overtrokken
dat de vliegtuigen overgingen om de parachutisten af te werpen rond Den Haag.
Ik las dat binnen de Gereformeerde Kerken enkele toonaangevende predikanten zeiden:
We leven in een nieuwe tijd. De Duitsers zijn onze nieuwe rechtmatige regering.
Deze predikanten waren teleurgesteld in de koningin en de regering
die naar Engeland waren gegaan.
Die teleurstelling schreven ze ook openlijk op
en bewonderden de Duitsers om hun overwinning.
Ze zeiden ook: dit is wat God ons aandoet en we hebben het maar te accepteren.
Gelukkig niet iedereen deelde deze opvattingen
en er waren er ook die vonden dat je in verzet moest komen.
Niet zozeer de wapens grijpen, maar innerlijk je hart afsluiten,
je niet van de wijs laten maken door de propaganda van de bezetter.
In Duitsland zelf was niet iedereen handlanger van Hitler.
Voor wie achterbleven, niet konden wegvluchten was er vaak maar één mogelijkheid:
innerlijke emigratie.
Je bleef daar in Duitsland wonen, maar je hield je hart vrij
En zo mogelijk liet je tussen de regels doorschemeren dat je er niet mee eens was
om anderen een hint te geven, omdat openlijke kritiek niet getolereerd werd.

Dat is ook wat Johannes hier de gemeente voorhoudt:
Laat je niet van de wijs brengen door de propaganda van Babylon,
laat je niet verleiden door de wat de boze je voorhoudt,
werk niet met hem samen en haal je geluk en je rijkdom niet bij hem vandaan,
maar sluit je hart af voor hem en luister maar naar één stem: die van Christus
En houd je hart alleen maar vrij voor Hem.
In de uitleg wordt Openbaring ook wel getypeerd als een verzetsboek
omdat ons hart alleen van Christus is, die ons bevrijd heeft uit de macht van de boze
en zich tot Zijn eigendom verworven heeft.
We zijn van Hem, die naar de hemel is gegaan
om daar de troon te bestijgen, te regeren over hemel en aarde, over de kerk, over ons.

Dat vraagt ook om een ander leven, een ander patroon,
dat je je leven niet laat bepalen door de normen van deze wereld,
maar door de geboden van de Heere.
In de tijd van Openbaring kon je al met de overheid in conflict komen
Als je weigerde de keizer heer te noemen, omdat je maar één Heer hebt: Christus.

Waarom noemt gij Hem onze Heere?

Omdat Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goud of met zilver,maar met zijn dierbaar bloed gekocht, en van alle heerschappij des duivels verlost heeft, en ons alzo zich tot een eigen gemaakt

Dat vraagt om een leven alsof Christus al gekomen is,
omdat je weet dat Hij zal komen.
We leven in de tijd dat Christus reeds de overwinning heeft behaald
en dat het nog maar een korte tijd is voor Hij komen zal op deze aarde.
Wanneer wij nu nog ons laten meeslepen door deze wereld
dan is het of je in de laatste dagen van de oorlog nog besluit om toe te treden tot de NSB.
Zij is gevallen! Zij is gevallen! De grote stad.
We leven nog in Babylon, maar tegelijkertijd weten we, wordt het ons meegedeeld
dat de strijd beslist is, de overwinning behaald,
nog een korte tijd, maar voor ons is het al zover dat haar macht voorbij is
En dat er maar één Heer: Christus in de hemel, die regeert tot in alle eeuwigheid.

Daarom is het goed om Hemelvaartsdag te vieren,
Te vieren dat we een koning hebben die naar de hemel is gegaan,
niet als een laffe vlucht, maar om de troon in de hemel te bestijgen
En we kijken er naar uit dat we Zijn macht en heerlijkheid op deze aarde zullen zien.
En tot die tijd leven we al op zo’n manier alsof Hij al gekomen is.
Amen

Commentaren Bijbelboek Openbaring

Commentaren Bijbelboek Openbaring

Bij de prekenserie over Openbaring heb ik de volgende boeken gebruikt:

(1) Dit recente commentaar van Klaus BergerDie Apokalypse des Johannes
die-apokalypse-des-johannes-kommentar-978-3-451-34779-5-49193

Het bijzondere aan dit commentaar is: (a) Bergers grondige kennis van de Joodse apocalyptiek en (b) Bergers grondige kennis van de receptiegeschiedenis. Bij elke perikoop geeft Berger ook aan op welke manier dit gedeelte door de eeuwen heen in liturgie en preken is opgenomen.  (c) Bijzonder is ook dat zijn commentaar is opgedragen aan de herinnering van de kathedraal, die in zijn geboorteplaats stond. Deze kathedraal van 800 jaar oud moest plaats maken voor een kazerne die na 80 jaar werd afgebroken. (d) Bergers combinatie van wetenschappelijke exegese en meditatieve overweging van dit bijbelboek. Berger is ook eigenzinnig in de uitleg. Soms storend, vaak prikkelend. Ondanks de hoge prijs een mooie aanwinst voor de exegese van Openbaring.

(2) Dit recente commentaar van Craig R. Koester.
revelation.jpg
Ook Koester is een kenner van de apocalyptiek. Steeds een sterke exegese, waarbij je als lezer merkt dat Koester dit bijbelboek begrijpt. Dit commentaar bevatte voor mij veel eye-openers en maakte voor mij het ook aangeschafte commentaar van Beale eigenlijk overbodig.

(3) Op de een of andere manier heb ik iets met Ben Witherington III. Daarom heb ik ook zijn commentaar op Openbaring aangeschaft.
517oj1kW+lL._SX331_BO1,204,203,200_
Zijn commentaar is beknopt en to-the-point. Prettig om mee te werken. Zijn specialiteit: aandacht voor de rethotiek en de socio-historische achtergrond van Openbaring. Steeds legt Witherington uit hoe Openbaring gelezen moet worden in de context van het Romeinse imperium.

(4) Ook het commentaar van Gregory K. Beale schafte ik aan.
682076
Vooral omdat dit commentaar werd geroemd vanwege de aandacht voor het Oude Testament in Openbaring. Een nuttig commentaar, maar zoals ik al schreef: naast het commentaar van Koester niet echt nodig.

Naast deze meer wetenschappelijke commentaren gebruikte ik nog twee meer meditatieve commentaren, die geschreven zijn met kennis van de wetenschappelijke exegese:

(5) Marva J. Dawn, hoogleraar theologie, die te maken heeft met allerlei ziekten en lichamelijke handicaps vond in Openbaring Vreugde (met hoofdletter!) in Christus beschreven.
download
Vanuit de kennis van de exegese en vanuit haar eigen ervaring schreef ze een uitleg van Openbaring: Joy in Our Weakness, waarin de nadruk ligt op de volharding en de trouw aan Christus in een wereld vol verleidingen. Net als al haar andere boeken zeer de moeite waard!

(6) Ook Eugene H. Peterson schreef een boek over Openbaring. Het enige boek dat in het Nederlands (alleen tweedehands) verkrijgbaar is: Laatste woorden. Net als het boek van Dawn geschreven met het oog op de gemeente. Voor Peterson is Johannes, de schrijver van het bijbelboek Openbaring allereerst pastor.
989104.jpg

Naast deze boeken heb ik nog twee boeken thuis liggen die ik incidenteel gebruikte:
(7) K. Schilder, Openbaring en het sociale leven
(8) K.H. Miskotte, Hoofdsom der historie

Tijdens huisbezoek de geloofsopvoeding aan de orde stellen

Tijdens huisbezoek de geloofsopvoeding aan de orde stellen

Wim Hogenbrink is net bevestigd als ouderling als de kerkenraad het besluit neemt om dit seizoen aandacht te besteden aan geloofsopvoeding binnen de gezinnen. Bij het besluit hoort ook dat de ouderlingen op huisbezoek dit thema aan de orde stellen. Tijdens het gesprek op de kerkenraad ging het door Wim heen: ‘Maar hoe dan?’ Omdat hij nog maar net bevestigd is, durfde hij dat niet goed aan de orde te stellen. Eerst er maar eens voor zichzelf over nadenken. Onderweg naar huis piekert hij verder: Hoe gaat de geloofsopvoeding in zijn eigen gezin eigenlijk? Hoe vertelt hij aan zijn eigen kinderen over Christus? En wat pikken ze van hem op? Hij begint zich ineens zorgen te maken over hoe hij het zelf als vader de geloofsopvoeding van zijn kinderen doet. En dan moet hij aan andere ouders gaan vertellen hoe het moet?

Geloofsopvoeding is een breed begrip. Het helpt Wim als geloofsopvoeding concreet gemaakt wordt om op huisbezoek erover te beginnen. Bij geloofsopvoeding kunnen we denken aan:

  • Lezen in de Bijbel of de kinderbijbel, bijvoorbeeld bij de afsluiting van de maaltijd.
  • Ouders die bidden voor hun kinderen, met hun kinderen of hun kinderen leren bidden.
  • Met elkaar doorpraten over wat er zojuist in de Bijbel gelezen is of op zondag over de kerkdienst en de preek.
  • Ouders die iets vertellen over hun eigen leven met Christus om zo hun kinderen te laten zien hoe zij zelf Christus kunnen leren kennen en om te laten zien hoe hun geloof kan groeien.
  • Vaste gebruiken: het bidden voor en na het eten, voor het slapen gaan, bij het opstaan, Bijbel lezen, gebed voor het slapen gaan, het lezen in een dagboekje.
  • Het in het gezin vieren van bijzondere dagen, zoals Kerst, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren, verjaardagen en de doopdagen van de gezinsleden.


Wanneer Wim op huisbezoek gaat, is het van belang dat hij beseft dat alle gezinnen waar hij komt in ieder geval een of meerdere vaste gebruiken heeft. Ook als hij komt bij gezinnen die minder actief bij de kerk betrokken zijn. Uit een Zwitsers onderzoek bleek dat 75% van de ouders, ook van niet-kerkelijk betrokken ouders, een avondritueel hadden waarbij een gebedje een vast onderdeel was.


Het kan zijn dat Wim hen wel moet helpen ontdekken dat ook dat een vorm van geloofsopvoeding is die ze aan hun kinderen meegeven. Ik kwam een keer bij een gezin. De vader zei bij toen ik was gaan zitten: ‘Wij zijn niet zo gelovig.’ Ik ging er niet gelijk op in, maar onthield die uitspraak wel om er later op terug te komen. Nadat ik wat verder in het gesprek was gekomen, zei ik: ‘U zegt dat u niet zo gelovig bent. Maar hoe onderhoud u dan uw geloof?’ ‘O, maar wij lezen wel uit de Bijbel en bidden ook.’ ‘Maar u zei: “Wij zijn niet zo gelovig.” Hoe zit het dan?’ ‘Wij gaan niet naar de kerk.’ ‘En op zondag?’ ‘Dan luisteren we naar een kerkdienst op de radio.’ ‘Dan komt het helemaal niet, dat u zegt: “Wij zijn niet zo gelovig.” U doet alles wat een gelovige doet. U gaat alleen niet naar de kerk. Niet dat kerkgang onbelangrijk is, maar als u de rest wel doet dan bent u best veel bezig met het geloof.’


De vragen die ik in dit gesprek stelde, waren nieuwsgierig, vanuit betrokkenheid bedoeld. Wanneer Wim op bezoek gaat, is het belangrijk dat hij ook een betrokken nieuwsgierigheid laat zien. Hij moet het gezin dat hij bezoekt niet gaan beoordelen of ze het wel goed doen en of ze wel genoeg tijd besteden. Het is zinvoller om hen te stimuleren in wat ze reeds doen en (voorzichtig) uit te dagen om ook iets anders op te pakken.


Om geloofsopvoeding in het huisbezoek aan de orde te stellen is de sfeer van het gesprek belangrijk. Dat is des te belangrijker omdat Wim namens de kerk komt en zijn insteek in het gesprek ook bepalend kan zijn voor het oordeel van het gezin over de kerk. Als Wim respectvol en betrokken is, op een positieve manier doorvraagt, kan er de benodigde openheid voor het geloofsgesprek komen. Het kan best zijn dat de ervaring van de vorige huisbezoeken in het gezin een rol spelen. Was het vorige huisbezoek goed, dan kan Wim daarvan profiteren in zijn bezoek. Was het een voor het gezin beroerd bezoek, dan moet Wim alle zeilen bijzetten om openheid te krijgen. Dan helpt oprechte belangstelling en respect om het vertrouwen te winnen.

Als Wim welkom is, mag hij erop vertrouwen dat het gezin waar hij op bezoek is er rekening mee houdt dat hij naar hun omgang met God vraagt. Zelfs bij leden die minder betrokken zijn. Als dat op een open, respectvolle manier gebeurt, vinden kerkleden het nogal eens fijn dat de ouderling erover begint. Vaak vinden ze het moeilijk om er zelf over te beginnen en wachten af tot de ouderling er tijdens huisbezoek over begint. Daar kan Wim gebruik van maken. Hij kan bijvoorbeeld het gesprek over de geloofsopvoeding inleiden met:

  • ‘U weet wellicht waar ik voor gekomen ben. Ik zou het ook willen hebben over uw band met God, maar ik vond het belangrijk om eerst met elkaar kennis te maken. Lukt het wel eens om tijd te nemen voor God?’
  • ‘We hebben als kerkenraad afgesproken om dit jaar op huisbezoek geloofsopvoeding aan de orde te stellen. Dan moet u denken aan Bijbel lezen, bidden, samen praten over de Heere Jezus. Ik ben eigenlijk wel benieuwd: hoe gaat dat hier?’

Belangrijk is dat er een open vraag komt, die uitnodigt om te vertellen, zonder dat de leden van dit gezin zich hoeven af te vragen welk antwoord gewenst is. Het kan voor Wim heel behulpzaam zijn om van tevoren na te denken over de manier waarop hij dit thema in het gesprek introduceert.

Er ontstaat een mooi gesprek als Wim daarop weet voort te borduren. Hij kan bijvoorbeeld vragen naar een mooi voorbeeld dat een van de gezinsleden altijd is bijgebleven. Hij kan vragen waar ze tegenaan lopen en dan met hen nadenken wat zij zelf al doen aan deze belemmeringen. Wanneer hij hoort dat ze best wat pogingen ondernemen om verder te komen, kan hij hen daar erkenning voor geven en eventueel laten zien hoe hij die belemmeringen zelf herkent en hoe hij er zelf in zijn gezin mee omgaat.

Wim geeft een extra waarde aan het huisbezoek als hij verdieping aanbrengt door te vragen naar de band die er met Christus is. Merken de ouders dat hun eigen band met Christus meer gaat leven of wordt versterkt door er zo mee bezig te zijn? Zien de ouders dat de manier waarop zij in hun gezin bezig zijn met Christus ook bij hun kinderen iets doet? Groeit er een eigen band van de kinderen met Christus? Groeit er verlangen om Hem te dienen en Hem beter te leren kennen?

Na een mooi gesprek kan er gedankt worden voor wat de ouders doen voor hun kinderen. In dat gebed bidt Wim om een zegen over het gezin en om de hulp van de Heilige Geest voor alle gezinsleden.

Geschreven voor HGJB Generator