De plek van ellendekennis op de geloofsweg

De plek van ellendekennis op de geloofsweg.
(In gesprek met de theologie van de Gereformeerde Gemeenten)

In zijn commentaar op de Heidelbergse Catechismus stelt Klaas Schilder bij zondag 2 dat de kennis van ellende niet mogelijk is zonder geloof. Hij zegt het daar in zijn commentaar als kritiek op Remonstranten en op bepaalde vooraanstaande personen uit de GKN van zijn tijd (prof. dr. V. Hepp, dr. P. Prins), die uitgaan van algemene Godskennis buiten het geloof om. Bij mensen die niet geloven zou er ook een bepaald besef zijn van onze vervreemding van God. Volgens Schilder is dat echter niet mogelijk. Die vervreemding, die er wel degelijk is, wordt pas erkend als iemand is gaan geloven.

Bij het lezen van die passage moest ik denken aan de Gereformeerde Gemeenten. Naar mijn idee gaat men daar uit van een fase van de kennis van onze ellende, die voorafgaat aan het geloof. Dan zou de theologie van de Gereformeerde Gemeenten in een bepaald opzicht dicht tegen de Remonstrantse theologie aanzitten. Dat wordt soms wel gezegd: dat de uitersten elkaar raken. Maar klopt mijn indruk van de theologie van de Gereformeerde Gemeenten wel? Ik besloot het op Twitter na te vragen.

Daaruit kreeg ik eigenlijk twee soorten antwoorden. Voor de een klopte het inderdaad dat de kennis van onze ellende voorafgaat aan het geloof. Wanneer je genoeg onder de indruk bent van de ellende is op er op een keer een moment dat de balans van ongeloof naar geloof omslaat. Anderen gaven echter aan, dat de kennis van de ellende wel degelijk onderdeel uitmaakt van het geloof. Afscheid nemen van de zonde, inzien hoe erg de zonde is, zou dan een eerste stap zijn in de weg van geloof. Mij werd ook verteld dat dit verschil in het plaatsen van de kennis van de ellende in de weg van geloof het onderscheid uitmaakt tussen de Gereformeerde Gemeenten en andere reformatorische kerken.

Een ander inzicht dat ik opdeed, was dat er onderscheid gemaakt wordt in kennis van God en in kennis van Christus. Wanneer iemand nog niet tot geloof gekomen is, is er wel kennis over God. Dat is dan alleen kennis over God-in-het-algemeen, de onbekende God. Dat is nog niet de Verbondsgod, nog geen kennis over Christus. Dat bracht mij in verwarring: wordt er onderscheid gemaakt tussen God en Christus? Na wat overwegingen begreep ik, dat het hier niet om een verschil in wezen gaat, maar om een verschil in kennen. In de fase waarin iemand nog niet gelooft, kan hij wel allerlei indrukken van God hebben, maar omdat hij nog niet gelooft, is het geen echte kennis over God. Echte kennis kan alleen komen uit geloof, uit een levende relatie met Christus.

Nu gaat het bij verschil in opvattingen tussen kerken vaak om wezenlijke vragen, die voor alle gelovigen van belang zijn. Dat het om zulke wezenlijke vragen gaat, wordt niet altijd duidelijk omdat het verschil vaak in polemiek wordt uitgevochten zonder uit te leggen om welke wezenlijke vraag het gaat. In de polemiek ligt men overhoop vanwege het antwoord dat gegeven wordt en de consequenties voor het preken en gemeentezijn die vaak heel zichtbaar kunnen zijn. Om een discussie te begrijpen is het van belang om helder te hebben welke vraag hier ten grondslag ligt. Het duurde voor mij ook wel even voor ik helder had om welke wezenlijke vraag het gaat.

Naar mijn idee gaat het hier om enkele wezenlijke vragen, die niet alleen binnen de reformatorische kerken spelen. Ik kwam op de volgende vragen: (1) Wanneer is het moment dat je als gelovige ‘omgaat’ van ongelovige naar gelovige? (2) Wat is voor een gelovige nodig om ‘om te gaan’? (3) Wanneer komt in het proces van overgaan van ongeloof naar geloof de mens in beeld? (4) Welke kennis over God heeft iemand in de fase waarin hij nog niet gelooft en wat verschilt die kennis met de kennis van wanneer iemand wel is gaan geloven?

Het is duidelijk dat de kennis over God (4) verschilt wanneer iemand nog niet gelooft van iemand die wel gelooft. Wie niet gelooft, kan God niet vertrouwen. De zonde zorgt voor wantrouwen. Wanneer iemand met wantrouwen naar een ander kijkt, is de kennis over de ander altijd gekleurd. Schilder zegt steeds: als iemand in zonde ligt, houdt hij de kennis over de eigen ellende en over wie God werkelijk is eronder. Diegene duwt de kennis over God weg om niet te hoeven geloven.

De overgang van ongeloof naar geloof is een wezenlijke (1). Het is niet minder dan de overgang van dood naar leven, van verloren zijn naar behouden worden. Voor veel mensen in de reformatorische kerken is die overgang ongrijpbaar, omdat er allerlei barrières opgeworpen zijn. Die barrières zijn er om je niet te vergissen en je niet rijk te rekenen. Om niet te denken dat je behouden zult worden, terwijl je nog in verloren staat bent. Een van die barrières is, dat in dit proces de mens er nergens aan te pas komt. Wanneer de mens er wel aan te pas zou komen, zou dat geen stand houden. Alleen als de hele weg Gods werk is, kan iemand gered worden.

Daarmee blijft de overgang iets schimmigs hebben. Bekering is eigenlijk een onmogelijkheid aan menselijke kant. Bekering gebeurt echter wel, omdat God iemand bekeert. Die onmogelijkheid wordt naar mijn idee ook breder dan de Gereformeerde Gemeenten gedeeld. Ook in de kerk waar ik opgroeide was bekering aan mensenkant onmogelijk. Dat bekering mogelijk was, kwam omdat God werkte. Hij zorgde ervoor dat een mens overstag gaat. Alleen moet een mens dat wel eigen maken, toe-eigenen (3). In de praktijk is het voor kerkgangers van belang om te weten, wanneer ze mogen zeggen dat ze geloven, dat ze van Christus zijn. Of nog een stapje eerder: dat ze de genade mogen aannemen? Daar verschillen kerken juist weer in.

In de kerk waarin ik opgroeide, kwam door de toe-eigening de mens in beeld. Dat had in de praktijk ook een voordeel, omdat je als kerkganger wist wanneer jijzelf aan de beurt was om iets te doen. Omdat dat bij andere kerken minder het geval is, krijgt bekering iets mysterieus. In de praktijk gaat het dan om een zo’n ingrijpende ervaring, dat je als mens weet dat je niet meer terug kunt. Dat gemeenteleden zo’n overgang van ongeloof naar geloof (of misschien meer van geloven naar durven accepteren dat je gelovig mag zijn) niet goed helder hebben, merk ik in de gemeente ook. Vaak gaan mensen een stap in geloof maken na een ingrijpende gebeurtenis, zoals een ervaring van overlijden of ziekte. Dat is echter gevaarlijk, omdat de overgang niet gekoppeld wordt aan de beloften van God of aan de Bijbel, maar aan de eigen ervaring.

Nu gaf ik aan dat het om wezenlijke vragen te maken heeft die voor iedere gelovige van belang zijn. De theologie van de Gereformeerde Gemeenten heeft iets kritisch naar allerlei ervaringen, die mensen dan weer duiden als ervaring van God: een zonneschijn, een regenboog, een vlinder die fladdert, een rustig gevoel dat over je komt, het gevoel gedragen te worden. Vanuit de theologie van de Gereformeerde Gemeenten bedenk ik nu: heb je dan echt met God te maken in die ervaringen? En is die kennis genoeg om zalig te worden of is er meer nodig?

Naar de Gereformeerde Gemeenten toe zou mijn vraag zijn: is de ene ervaring, die wellicht terecht bekritiseerd wordt omdat de link met de kennis die zaligmaakt niet helder is, niet ingeruild voor een andersoortige ervaring? Is het niet juist de beleving hier die op een dwaalspoor brengt en in plaats van iemand bij God te brengen om de zaligheid te ontvangen achter laat in een mistig gebied, waarin iemand de weg naar God niet kan vinden en daarmee de zaligheid dreigt mis te lopen?