Vragen over het proces van preken voorbereiden

Vragen over het proces van preken voorbereiden

photo-4

Persoon van de predikant

1) Kunt u iets vertellen over uw drijfveer om een preek voor te bereiden en te houden?

2) Kunt u vertellen wat het preken met u doet met u als persoon?

3) Kunt u vertellen wat het preken maken met uw relatie met God doet? Hoe denkt u zelf over God? Groeit uw relatie of komt die relatie juist onder druk te staan?

3) Wat hoopt u met uw preken te bereiken? Merkt u daar ook iets van?

4) Merkt u iets bij gemeenteleden van een verwachtingspatroon met betrekking tot de predikant en eredienst? Welk beeld hebt uzelf? Gaat dat samen?

5) Het is een tijd van grote veranderingen in kerk en maatschappij? Hoe staat u in deze tijd? Welke veranderingen ziet u? Ziet u deze tijd en de veranderingen als een uitdaging of juist als een bedreiging?

6) Hoe houd u het vol om predikant te zijn en steeds weer opnieuw preken te maken?

7) Op welke manier laat u iets van uzelf zien in de preek of de eredienst?

8) Welke valkuilen ziet u bij uzelf en bij anderen?

sermon-preparation

De predikant als theoloog

1) Kunt u iets vertellen hoe u in een Bijbelgedeelte de boodschap vindt?

2) Er wordt wel gezegd dat elke predikant uiteindelijk maar één preek heeft. Wat is die ene preek van u?

3) Wat doet u als u merkt dat die boodschap op weerstand stuit bij uzelf of bij de gemeente op weerstand zal stuiten? Zijn er thema’s die u mijdt?

4) Helpt uw theoloog-zijn bij het preken maken of had u ook kunnen preken zonder theoloog te zijn? Of: wanneer komt de theoloog om de hoek kijken in het proces van preken maken?

5) Op welke manier houdt u uw theologische ambacht bij? Speelt de verkondiging daarbij een rol? Kunt u iets vertellen van uw leerproces / ontwikkeling als theoloog en als predikant?

6) Welke theologen inspireren u? Kunt u daar iets over vertellen hoe dat doorwerkt in het proces van preken maken?

7) Wat is de betekenis van de preek in deze tijd?

8) Voelt u zichzelf genoeg toegerust om in deze tijd predikant te zijn en te verkondigen? Op welke punten zou u meer willen worden toegerust?

Ambacht van de prediking

1) Kunt u iets vertellen hoe het proces van preken maken er bij u uitziet? Kunt u daarbij ook aangeven op welke manier u dit in uw werkweek inplant en hoeveel tijd deze onderdelen kosten?

2) Hoe komt u tot de keuze van uw Bijbeltekst of bij een themadienst tot uw thema?

3) Welk onderdeel van het preken voorbereiden of houden geeft u het meeste energie? Welk onderdeel kost het meeste energie? Speelt de wetenschap hiervan nog een rol bij uw preekvoorbereidingsproces?

4) Welke preekstijl heeft u: bijv inductief of deductief, homilie of vaste structuur? Welke overwegingen gaan hieraan vooraf?

5) Hoe vindt u woorden, beelden en structuur om uw boodschap te vertolken?

6) Hoe bereidt u de tekst van uw preek voor? Schrijft u de preek uit? Of juist niet? Welke overwegingen spelen daarbij een rol? Heeft u wel eens last van een ‘writers block’?

7) Welk format neemt u mee de kansel op: de uitgewerkte preek, een mindmap, of preekt u uit het hoofd? Kunt u de overwegingen hiervoor geven? En ook wat de voor- en nadelen zijn?

8) Op welke manier reflecteert u op het preken maken en op uw eigen preken? Luistert of leest u wel eens een preek terug? Waar let u dan op?

9) Bij wie gaat u te rade als u hulp nodig hebt bij de ambachtelijke kant van het preken maken?

393878076_6257d0c303

In de context van uw gemeente

1) Kunt u aangeven op welke manier uw gemeente of de context van uw gemeente uw (manier van) preken beïnvloedt?

2) Hoe denkt u over de gemeente die voor u in de kerkbanken zit?

3) Wat doet u om erachter te komen wat er bij uw gemeenteleden leeft? Op welke manier speelt dat mee in de verkondiging? Heeft u bij de preekvoorbereiding wel eens een concrete persoon op het oog? Op welke manier maakt u tijdens de dienst contact met de gemeente?

4) Is er sprake van samenwerking met gemeenteleden vooraf of reflectie met gemeenteleden achteraf?

5) Is er een bepaalde categorie kerkgangers of soorten diensten waar u in het bijzonder affiniteit mee hebt? En een bepaalde categorie waarbij u minder affiniteit mee hebt? Hoe gaat u daar zelf mee om? Is voor beide ruimte in uw gemeente?

6) Op welke manier krijgt u reacties op uw preken? Wat doen complimenten en kritiek met u?

7) Vind u het belangrijk dat de gemeente in theologisch opzicht op dezelfde lijn zit als u? Welke noties vindt u als predikant onmisbaar voor een/uw gemeente? Hoe gaat u daarmee om als u die noties niet tegenkomt?

8) Preekt u wel eens elders? Hoe zijn uw ervaringen daarmee (denk aan preekvoorzieners, reactie in consistorie, gemeente, enz)? Kunt u de preken die u voor uw eigen gemeente voorbereidt ook in andere gemeenten houden?

Preek Tweede Pinksterdag 2015

Preek Tweede Pinksterdag 2015

Handelingen 1:1-9

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hoe wij Pinksteren vieren hangt af van hoe wij hemelvaart vieren.
Hoe wij over de hemelvaart van Christus denken en beleven,
heeft gevolgen voor ons denken en beleven van Pinksteren, van de Geest.
Ik heb wel eens het idee dat hemelvaart wordt gevierd,
wordt beleefd als het afscheid van Jezus op aarde.
Zijn tijd op aarde zit erop, Zijn taak is volbracht:
aan het kruis heeft Hij geleden en Hij is opgestaan uit de dood.
Hij gaat heen naar de hemel en laat een lege plaats op aarde achter.
En gelukkig is er nog de Heilige Geest,
die ons gegeven w ordt om de lege plaats van Christus op te vullen.
Maar de Geest is slechts een plaatsvervanger,
de lege plaats van Christus blijft leeg.
Misschien vindt u het vreemd dat ik het op deze manier formuleer
en zo dicht bij hemelvaart en Pinksteren komt het vast ook raar over.
En toch, wat verder bij hemelvaart en Pinksteren neem ik het wel waar
dat ik er op deze manier over denk:
Dat de plek van de Heere Jezus op aarde leeg is.
Ook al heeft Hij gezegd dat Hij ons niet als wezen zou achter laten,
Toch heb ik – zeker in een tijd verder bij Pinksteren vandaan –
dat ik toch verweesd ben.
Als ik dan nadenk over de Heere Jezus,
dan denk ik Hem afwezig, ergens ver weg in de hemel,
soms onbereikbaar, in ieder geval op een grote afstand.
Dat zijn de momenten waarop ik sterk verlangen in mijzelf waarneem
om iets van Hem te horen of te ervaren,
vaak momenten waarop er een tegenwind waar ik tegen in moet fietsen.

Als we Handelingen 1 lezen, lijkt dat ook een bevestiging te zijn:
Jezus neemt afscheid van de leerlingen en gaat terug naar de hemel.
In de 40 dagen na Zijn opstanding heeft hij af en toe met ze gesproken,
Hij is hen verschenen, heeft hen wat onderwijs gegeven,
een vorm van overdracht lijkt het wel,
zoals iemand die gaat stoppen met zijn werk.
Binnenkort stopt mijn vader met werken
en veel van zijn werkzaamheden heeft hij overgedragen
en hij hoeft niet overal meer bij te zijn.
Zo bereidt hij zichzelf voor en ook de school bereidt zich zo voor op de tijd
waarop mijn vader niet meer in dienst is,
zodat het werk op school gewoon verder kan gaan
en geen hinder heeft van de afwezigheid van mijn vader.
Zo lijkt het erop, dat de Heere Jezus ook instructies geeft
en Zijn leerlingen voorbereidt op de tijd dat Hij niet meer op aarde is,
zodat ze weten waar ze aan toe zijn en wat ze moeten doen.
Al nadenkend over de aanwezigheid van Christus op aarde
merk ik dat ik na vers 9 een punt zet.
Opgenomen door een wolk en niet meer zichtbaar voor ons. Punt.
Dat was het dan. Geen Jezus meer op aarde.

Ik kan bijna geen grotere fout maken door zo te denken,
dat Jezus de aarde heeft verlaten en niet meer onder ons is.
Het is een grote valkuil in het geloof, een grote verleiding met schadelijke gevolgen
als we zo denken en als we Christus vooral als de afwezige ervaren
omdat Hij vanaf het moment van Zijn hemelvaart in de hemel is
én dus niet meer op aarde.
Dat is ook juist niet wat Lukas ons hier wil uitleggen.
Hij schetst hier geen afscheid en hij zet ook geen punt bij vers 9.
Nee, de Heere Jezus is wel naar de hemel gegaan,
maar dat wil niet zeggen dat Hij afscheid heeft genomen van de aarde
en Zijn discipelen vaarwel heeft gezegd.
In zijn manier van vertellen in het Bijbelboek Handelingen,
het tweede boek dat Lukas heeft geschreven,
laat hij voortdurend zien dat de Heere Jezus vanuit de hemel
nog steeds met de aarde bezig is.
Denk aan Petrus, die een visioen krijgt
of Paulus die geroepen wordt als hij vlak bij Damaskus is
en erachter komt dat hij te maken heeft met Christus die in de hemel is.

Pinksteren betekent dus geen aflossing van de wacht,
waarbij de Heere Jezus wordt afgelost door de Heilige Geest
en de Geest de lege plaats van Christus ingenomen heeft.
Zo heeft Lukas het ook niet bedoeld, toen hij de hemelvaart van Christus beschreef.
Lukas heeft Handelingen gezien als een deel 2 van zijn evangelie.
In het eerste boek, het evangelie van Lukas,
vertelde hij over de daden en woorden van Jezus.
Ook in zijn tweede boek, Handelingen der apostelen, schrijft Lukas
over de daden en woorden van Jezus.
Die daden en woorden zijn niet opgehouden,
het gaat alleen om een verschil van plaats:
in het eerste boek ging het om Jezus op aarde,
in het tweede boek om Jezus die vanuit de hemel,
waar Hij plaats had genomen op aarde,
vanuit de hemel werkt Hij op aarde.
Het werken en spreken is niet stopgezet.
Het gebeurt alleen op een andere wijze, vanuit een andere plaats.
Vanuit de hemel grijpt de Heere Jezus in,
door Paulus te stoppen, Petrus van advies te voorzien,
door als kracht in Petrus en Johannes en de anderen te werken.
Ook het spreken van de Heere Jezus gaat door.
Als Lukas in zijn evangelie schrijft over de hemelvaart,
gaan de discipelen met vreugde terug.
Je wordt toch niet blij van een afscheid?

Wat heeft dat dan met Pinksteren te maken?
Pinksteren gaat toch om de Heilige Geest en niet om de Heere Jezus?
Vandaag vieren we toch de uitstorting van de Heilige Geest?
Waarom dan de aandacht voor de Heere Jezus op het feest van de Heilige Geest?
Omdat de Heere Jezus met de Geest te maken heeft.
De Geest wordt ook door de Heere Jezus gestuurd
en het is de taak van de Geest om mensen bij de Heere Jezus te brengen,
om ervoor te zorgen dat zij in Hem gaan geloven.
Om alle weerstanden die er zijn, te overwinnen,
duidelijkheid te geven over het geloof
en de manier waarop Christus in ons hart komt.
Als Petrus in hoofdstuk 2 moet uitleggen wat er gebeurt,
vertelt hij niet alleen over de uitstorting van de Heilige Geest
die al door de profeet Joël is voorspeld,
maar vertelt hij ook over de Heere Jezus,
hoe Christus werd gekruisigd en opstond uit de dood
en nu in de hemel is.
Pinksteren betekent dus dat Christus vanuit de hemel
Zijn kerk die hier op aarde is stuurt, en bewaart, en leidt
en dat Hij daarvoor de Heilige Geest gebruikt.
Wanneer de Geest werkt en mensen gaan geloven,
wordt het Koninkrijk van God steeds groter.
Zo wordt er ook wel om gebeden: dat God Zijn koninkrijk uitbreidt.
Daarmee vragen we aan de Heere of Hij ervoor wil zorgen
dat de mensen die nu nog niet in Hem gaan geloven,
het geloof ontvangen, dat ook Christus in hun hart komt wonen.
Pinksteren betekent: dat we gaan geloven in de Heere Jezus,
of dat ons geloof in de Heere Jezus sterker wordt.

De uitstorting van de Geest is het teken dat het Koninkrijk van God dichterbij komt.
Het was een van de tekenen, die Joël voorspelde, de belofte die God gaf.
Blijf wachten op de belofte van de Vader,
Die Geest zal zo overvloedig zijn, dat je er helemaal in ondergaat.
Je wordt gedoopt met de Heilige Geest.
Dat is geen apart fenomeen, maar dat geeft aan dat we ondergedompeld worden
in de Heilige Geest en helemaal vol van de Geest worden
en daarmee vol van Christus.
Het is net als met een vis.
Gisteren gebruikte ik het beeld van vissen, hengelen:
Als je een vis gevangen hebt, uit het water, gaat-ie dood uit het water.
Gedoopt worden met de Geest
is dat als we eruit gevist zijn, teruggegooid worden in de Geest
en daardoor helemaal koppie onder gaan in de Heilige Geest.

Ga naar Jeruzalem terug.
Wachten en afwachten gaat ons vaak niet zo goed af.
Pinksteren geeft aan, dat het wachten niet voor niets is.

Pinksteren geeft aan dat het wachten ook door de Geest omgezet wordt in daad.
Door de daden van Christus en door Zijn spreken,
door de kracht die de Heilige Geest is, worden we getuigen.
Zo sterk zelfs, dat we getuigen worden van Christus,
dat we gaan vertellen aan anderen dat Christus stierf aan het kruis,
dat Hij opstond uit de dood en vanuit de hemel op aarde regeert.

Ik begon ermee, dat ik dat vaak niet beleef en ervaar
dat de Heere Jezus vanuit de hemel de kerk regeert
en alles naar Zijn doel leidt.
Misschien hebt u het me juist vaak horen zeggen,
dat onze Heer in de hemel is en toch ook bij ons op aarde.
Ik hoop het eerlijk gezegd, want ik heb het nodig
om daar steeds aan herinnerd te worden.
Bij het avondmaal bijvoorbeeld,
Dat we opgeroepen worden om onze harten omhoog te heffen
omdat Christus in de hemel is
en tegelijkertijd, juist omdat we avondmaal vieren is Hij bij ons.
Ik heb dat steeds in ieder geval weer nodig
om daaraan herinnerd te worden.
Ik heb de Geest steeds weer nodig,
om Jezus niet uit het oog te verliezen.
Hij is niet voor niets gegeven – juist daarvoor.
Amen

Preek Eerste Pinksterdag 2015

Preek Eerste Pinksterdag 2015
Openbare belijdenis van het geloof
Efeze 3:14-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Geloven kan zo gewoon zijn,
dat we het bijzondere, het wonder van het geloof niet opmerken.
Een van de kernwoorden in de brief aan Efeze is het woord geheimenis.
Met dat woord geheimenis wil Paulus aangeven:
wat je ziet en ervaart, lijkt heel gewoon,
maar het heeft een diepte en een grootsheid die God er in heeft gelegd.
Als je geen tijd neemt om erbij stil te staan
en het op je te laten inwerken, dan kun je het ook heel gewoon vinden.
Vanmorgen zijn we in de kerk
en we kunnen dat heel gewoon vinden,
omdat de meeste mensen in de kerk op dezelfde plek zitten.
Goed, deze dienst heeft wel een bijzonder tintje
omdat 8 zijn die op een andere plek zitten dan anders: helemaal vooraan.
Als we alleen maar daarop gericht zijn, op degenen die vooraan zitten,
zien we het bijzondere van de kerkdienst over het hoofd,
namelijk dat de Here naar ons toe komt, in deze dienst;
dat Hij ons wil ontmoeten en meer nog,
dat Hij ons roept om in Hem te geloven, in Zijn dienst te leven.
dat Hij ons wil verzoenen met Hem.
Dat is het geheimenis van elke kerkdienst.
het lijkt heel gewoon, een groep mensen bij elkaar, vaak in dezelfde samenstelling
die met iets bezig zijn dat met God te maken heeft.
En toch heeft God daar een diepte en een grootsheid aan gegeven
van Zijn komst, van Zijn spreken tot ons, Zijn stem die ons tot Hem roept,
dat God iets van ons wil, namelijk dat ons leven, uw en jouw leven van Hem wordt.
Elke kerkdienst heeft de grootsheid dat de hoogste Heer,
die over alles regeert en alles in Zijn hand houdt, die aan ons het leven heeft gegeven
naar ons toekomt en ons aanspreekt, ons roept bij onze naam.
De Heilige Geest zet ons stil,
om onze ogen te openen voor wat God doet, zodat wij niet alleen maar zien
wat mensen doen, zoals een predikant of een ouderling
of jonge gemeenteleden die belijdenis doen,
maar dat we daarin ook zien hoe God aan het werk is.
De Heilige Geest opent ons de oren voor de woorden die gesproken en gezongen worden, zodat we ze opeens horen als woorden die God tegen ons persoonlijk zegt.
Als de Geest onze ogen en oren opent, baant Hij een weg naar ons hart.
Want daar in ons hart moet Christus gaan wonen.
Dat is het werk van de Heilige Geest: dat Hij in ons een plek klaarmaakt,
zodat Christus daar intrek in kan nemen.
Ook dat is een geheimenis: dat Christus in ons hart wil komen wonen.
We kunnen dat zo gewoon zijn, dat het geloof te maken heeft met Christus,
dat geloven een persoonlijke band met de Heere Jezus is,
dat we niet het bijzondere ervan zien,
dat Christus in ons wil komen wonen.
Christus, dat is de Zoon van God, die in de heerlijkheid, de glorie van God is.
Hij wil intrek nemen in ons hart.
Christus, dat is de Zoon van God, die naar deze aarde gestuurd is
voor de grote missie van God, om aan het kruis te sterven voor onze zonden.
Hij wil in ons hart komen wonen.
Christus, dat is onze Heer, die opstond uit de dood en de dood overwon
en de macht van de duivel heeft gebroken, omdat Hij ook deze kwade macht overwon
Hij wil komen wonen in ons hart.
Christus die naar de hemel ging om te regeren – ook over ons leven
Zijn koninkrijk zal geen einde hebben
Hij wil in ons hart wonen.

Vanmorgen doen 8 gemeenteleden belijdenis in het openbaar van hun geloof.
Daarmee zeggen zij dat ook: mijn hart is open voor u.
Kom in Mijn hart wonen.
U woont daar al en daarom ben ik gaan geloven.
Ik kan niet meer zonder U, Heere Jezus.
Ook dat is een geheimenis:
want dat ze hier voor in de kerk zitten en straks hun belijdenis zullen afleggen
betekent dat God in hun leven heeft gewerkt,
dat ze dat ook ervaren dat God in hun leven werkt,
dat Hij hen tot het geloof heeft gebracht,
misschien wel tot hun eigen verrassing.
De Heere werkt op een verrassende manier.
Soms gebruikt Hij daarvoor een relatie,
waarbij je verkering krijgt met iemand die wel naar de kerk gaat.
Soms gebruikt Hij daarvoor een ontmoeting met iemand
die je een stapje verder helpt in het geloof, door te wijzen op een AlphaCursus bijv.
Soms is het een zin of een opmerking die bij je blijft hangen.
Soms gaat het roer van je leven radicaal om, omdat de Heere je stil zet.
Soms gaat het geleidelijk aan, stapje voor stapje,
waarbij de Heere weerstanden die er in je zijn steeds weer overwint,
of je het steeds meer duidelijk laat worden hoe het is als Hij in je hart komt.
Zo kan het bij jou of u nu zo zijn,
dat u volgend jaar of over enkele jaren belijdenis doet,
terwijl u, jij daar helemaal nog niet aan denkt.
Het is als met vissen: de ene vis hapt sneller dan de andere vis,
om bepaalde vissen te vangen heb je geduld nodig.
Voor elke vis is er een eigen tactiek nodig.
Voor het vangen van sommige vissen is heel veel geduld nodig.
Zo heeft de Heere ook Zijn ‘tactiek’ om mensen te vangen.
Jullie, die belijdenis doen, jullie zijn door Hem ‘gevangen’.
De Heere Jezus gebruikt dat beeld tegen Petrus:
Je zult een visser van mensen worden.
Dat woord, dat de Heere Jezus daar voor het vangen van mensen gebruikt, betekent:
levend vangen, het leven schenken,
het reeds verloren gewaande leven terugschenken.
Dat kunnen we vanmorgen ook op jullie toepassen:
jullie zijn als het ware levend gevangen.
Je was er misschien niet uit jezelf op gekomen om de Heere Jezus te zoeken,
maar er gebeurde wat, zodat je langzaamaan Zijn kant op werd gehaald,
zoals een visser bezig is de vis te vangen.
Voor vissen is het water hun levenselement.
Ze gaan dood als je hen daar uit haalt.
Bij de mensen is het net andersom:
Als je gevangen wordt, kom je juist in het levenselement,
wordt je ergens uit weggevist, waar je het goed dacht te hebben,
waarin je je ook best wel zou kunnen redden.
En toch is het veel beter dat je opgevist wordt, want je krijgt het leven weer.
Het leven dat verloren gegaan is en dat al verloren gewaand was,
wordt terug gevonden – een leven met God.
De Heilige Geest is de visser die je opvist, al spartelde je misschien flink tegen
om je in het levenselement te brengen: in Christus.
Verandering van levenselement noemen we ook wel bekering:
de ene keer is dat heel radicaal, de andere keer geleidelijk aan
ontdekken en accepteren dat de Heilige Geest met je bezig is
om je binnen te halen.
Ook dat zegt Paulus in deze brief: het is een overgang van dood naar leven.
Het verloren gewaande leven met God
ontvang je in Christus weer terug.
Je leeft weer, omdat je in Hem bent.
Daarom is Hij ook bezig om in je leven te komen
en doet Hij dat de ene keer op een verrassende manier
en de andere keer juist heel confronterend doordat je iets ingrijpends meemaakt,
waardoor je opeens beseft wat er op het spel staat
en dat je zo niet verder kunt leven, omdat je zo niet voor God kunt verschijnen.

Verandering van levenselement, bekering, van dood naar leven,
opgevist worden om het verloren gewaande leven terug te ontvangen,
heeft een gevolg:
dat Christus in je hart gaat wonen, binnen in.
Ook dat is het werk van de Heilige Geest:
Hij haalt ons binnen en Hij zorgt ervoor dat Christus in ons hart gaat wonen.
Paulus bedoelt daarmee, dat Christus heel ons bestaan gaat doortrekken.
Dat Christus onze identiteit wordt.
Ik ben het niet meer die leeft, maar Christus leeft in mij.
Hij stuurt mijn denken aan, Hij stuurt mijn handen aan, Hij leidt mijn leven.
Ik heb niet meer de regie over mijn eigen leven.
Paulus geeft trouwens het goede voorbeeld.
Hij buigt zijn knieën. Dat was in die tijd niet gewoon.
Bidden deed men vooral staande,
maar Paulus maakt zich klein, hij onderwerpt zich
en zegt: Heere, u bent mijn God en mijn Heer. Ik erken U en belijd U als Heer.
Straks zullen jullie ook knielen en daarmee dat ook aangeven met dat gebaar:
Christus is Heer van mijn leven.
Ik ben het niet meer zelf die de baas is over mijn leven, maar mijn hart en mijn leven
is van Hem, mijn Heer, die mijn schuld droeg en met God verzoende
en in mij wil komen wonen.

Christus komt inwonen en laat het niet bij het oude.
Hij gaat zich ermee bemoeien, hoe ons leven eruit komt te zien.
Als Paulus hier bidt dat Christus in het hart komt wonen,
bedoelt hij daarmee niet, dat het de eerste keer is,
maar dat de gelovigen het effect merken dat Christus in hen woont.
Het gaat hem hier om de uitwerking
van de gekruisigde en opgestane Heer in je leven,
de Heere Jezus in de hemel en toch ook in je hart en leven.
Om de uitwerking: dat je sterk bent in je geloof.
Dat je niet snel meer twijfelt of het ook wel voor jou is.
Dat je niet meer van slag raakt als je leven anders verloopt dan gedacht
en je teleurstellingen moet ervaren.
Dat je sterk bent als je in de verleiding komt.
Dat je moed ontvangt om deel te nemen aan het avondmaal.
Dat je jezelf onder handen neemt en corrigeert als je geloof gaat verslappen.
Dat is het effect van Christus in je leven, in je hart.
Paulus bidt daarom, dat het in de gemeente van Efeze zal gebeuren.
Ook bidden is een geheimenis:
namelijk de mogelijkheid om bij God in de hemel te komen,
om tot God, de hoogste Heer, die heel deze wereld bepaalt.
Bij wie wij als kleine en ook zondige mensen kunnen aankloppen
met wat er in ons hart leeft.
Paulus bidt dat de gemeente sterk mag zijn.
Zo zit de gemeente achter jullie, met het gebed in hun hart voor jullie,
dat jullie sterk zullen zijn, nadat je de belijdenis hebt afgelegd.
dat je het niet kwijtraakt en bovenal dat de Heere Jezus in je hart blijft wonen

en dat Hij blijft werken in je, met je bezig blijft.
Het is spannend om voor in de kerk te zitten, maar ervaar het ook als een steun,
als een gemeente die je welkom heeft en je in het gebed draagt.
Afgelopen woensdagavond was het aannemingsavond,
ik hoop dat je het ook ervaren hebt als een welkom binnen de gemeente.
Je hoorde er al bij, maar nu als lidmaat,
als een lid van onze gemeente die ervoor uitkomt, die ervoor wil staan,
die dat in dankbaarheid aangeeft:
De Heere werkt in mij, Hij woont in mij en het is mijn gebed
dat Hij niet uit mij weggaat,
want ik heb het leven in Hem gevonden.
Amen

Preek zondag 17 mei 2015

Preek zondag 17 mei 2015
Preek in de themadienst. Thema: “Wachten op God”.
Schriftlezing: Psalm 27 & Handelingen 1:13-14.
Tekst: Psalm 27:14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Laura is bezig met haar examens.
Ze vindt het een spannende tijd,
want ook al heeft ze er goed voor geleerd,
zal ze de examens goed maken?
Vooral tegen dinsdag ziet ze op, als ze wiskunde moet doen.
Wiskunde gaat haar niet goed af.
Als ze bezig is met de sommen, heeft ze altijd de uitleg van de docent nodig.
Als hij uitlegt, snapt ze het weer even,
maar als ze het weer alleen moet doen,
is ze alles weer kwijt en weet ze niet meer hoe ze het moet aanpakken.
Zal ze daar dinsdag ook last van hebben?
En als alle examens voorbij zijn, dan is het wachten op de uitslag.
Ook dat zal een spannende tijd zijn,
zeker als de dag komt waarop ze te horen krijgt of ze geslaagd is of niet.
In het afgelopen jaar is ze gaan op andere scholen gaan kijken
om te ontdekken wat ze wil gaan doen als ze klaar is met deze school.
Welke richting moet ze kiezen?
Ze weet het nog niet zo goed: moet ze voor economie gaan of juist voor zorg?
Ze moest een keuze maken om zich alvast,
want ze moest zich inschrijven voor de volgende school.
Hoewel ze daar ook best tegenop ziet, een nieuwe school zonder haar vriendinnen
is ze daar nu niet mee bezig: eerst de examens van deze week
en daarna ziet ze wel verder.
De volgende ochtend ontbijt Laura met haar moeder
en haar moeder weet dat ze die middag Engels heeft
en morgen wiskunde.
Na het eten zal Laura naar boven verdwijnen om de laatste keren
Engels en wiskunde te oefenen.
Als afsluiting van de ochtendmaaltijd leest haar moeder voor uit de Bijbel.
Het gaat eerst langs haar heen,
maar dan die laatste regel – opeens hoort ze die woorden,
alsof ze voor haar zijn bedoeld:
Wacht op de HEERE,
wees sterk, Hij zal uw hart sterk maken
ja, wacht op de HEERE.

Deze woorden blijven hangen
en ze denkt over deze woorden na
en vraagt zich bij zichzelf af: Wat heeft die psalm mij te zeggen?
Is dat de stem van God die dat tegen haar zegt
om haar rustig te maken en alle spanning van haar weg te nemen?
Als ze aan haar bureau zit, denkt ze er over na,
hoe ze dat kan doen als ze die middag bij Engels of de volgende dag bij wiskunde
achter een tafeltje zit met de opgaven voor zich
en dan tijdens de examens wachten op de HEERE
en ook nu al bij de laatste voorbereidingen die ze heeft.
Ja, ik wacht op de HEERE.
Ze voelt dat ze veel zekerder wordt.
Oké, ze blijft de spanning houden
en ze gaat gauw aan de slag om nog even te oefenen voor over een paar uur.
Maar ze weet dat ze er niet alleen voor staat
en dat de Heere met haar meegaat,
ook in het schoolgebouw bij haar zal zijn, in het lokaal waar zij de examens maakt.
Hij zal uw hart sterk maken – als ze deze rust vanmiddag ook maar heeft en morgen.
Ze zegt het tegen zichzelf: Ja, wacht op de HEERE.
Ze weet nu wat die tekst voor haar betekent:
Houd er rekening mee, dat God er ook is, juist dan op dat spannende moment.

Laura, ze houdt er rekening mee, dat God er dan is,
dat Hij dan bij haar komt in het examenlokaal.
En ze ervaart dat nu al, als ze erover nadenkt, dat God heel dicht bij haar is.
Dat is wachten op God:
dat je weet, dat God er zal zijn als je Hem nodig hebt.
Dat zorgt voor een verschil tussen het wachten op God
en heel veel andere soorten van wachten die er voor ons zijn.
Vaak geeft wachten een onzekerheid: je weet niet wat er komt,
of je weet niet of het zal gebeuren,
maar bij wachten op God, houdt het in dat we zeker van Hem mogen zijn,
dat Hij er dan zal zijn
en dat die zekerheid er niet voor later is,
maar dat je, als je wacht op God, als je zeker weet dat Hij zal komen,
dan is Hij er ook nu.

Vaak zorgt wachten voor heel veel onzekerheid.
Ik zie dat als ik in het ziekenhuis ben
en de familie op de gang wacht tot het spreekuur is,
of wacht op een arts die hen de uitslag komt brengen.
Ze kunnen niets anders dan wachten
en terwijl ze wachten, staren ze voor zich uit, zijn ze bezig met hun telefoon,
of proberen ze met de mensen om zich heen een gesprek te beginnen.
Wachten geeft veel onzekerheid:
je hebt het niet in de hand wat er gaat gebeuren.
De uitslag kan positief zijn, maar ook negatief.
Zal je leven er over enkele weken er heel anders uit zien?
Of kun je deze spannende periode achter je laten?
Iemand vertelde over de kanker die in zijn leven gekomen was
en wat dat voor hem betekende.
Hij gaf aan, dat het voornaamste was, dat je steeds moest wachten.
Wachten in het ziekenhuis, tot je aan de beurt bent,
vooral wachten na het onderzoek, tot de uitslag wordt meegedeeld.
Tijdens dat wachten probeer je steeds een voorstelling te maken van wat er komt.
De ene keer het ergste scenario, waarbij het door je heen schiet dat je afscheid moet nemen,
De andere keer juist een optimistischer scenario,
terwijl je je vastklampt aan alle lichtpuntjes die de dokter heeft gegeven.
Maar hoe het echt zal uitpakken, dat kun je pas over enige tijd zien
en tot die tijd maar wachten.
Dat wachten is slopend, maakt onzeker, neemt je helemaal in beslag.

Naar mijn idee is dat wat er vaak gebeurt
als we wachten op God, dat het niet gaat om de zekerheid
dat Hij er zal zijn en dat Hij er nu is, maar meer de onzekerheid.
Die onzekerheid is er niet alleen in tijden van ziekzijn,
maar naar mijn idee is die onzekerheid soms verweven met de manier waarop wij over het geloof praten en hoe wij het geloof beleven.
Mag ik mijzelf een kind van God noemen?
Die onzekerheid heeft Jan ook.
Hij is met het geloof opgegroeid.
Thuis werd er aan tafel uit de Bijbel gelezen en elke zondag ging hij mee naar de kerk.
Dat het geloof echt kon zijn, dat zag hij aan zijn moeder.
Zij leefde er echt uit.
Soms vertelde ze tegen degenen die op bezoek kwamen wat er met haar was gebeurd.
Hoe ze was stilgezet
Hoe ze voelde dat ze niet meer zonder de Heere verder kon, niet zonder Hem verder mocht.
Maar zoiets heeft Jan nog nooit ervaren.
Hij wacht.
Hij wacht op God, tot er ook iets in zijn leven gebeurt,
zoals dat met zijn moeder gebeurde, zodat ook hij kan zeggen: ik ben een kind van God.
De Heere werd mij te sterk.
Vanmorgen had hij Psalm 27 gelezen, de psalm had hem geraakt.
Vooral het 8e vers:
Mijn hart zegt tegen U wat U zelf zegt:
Zoek Mijn aangezicht – Ik zoek Uw aangezicht.
Zo is dat met Jan ook. Hij zou het wel willen
en hij zoekt er naar,
wanneer was het moment dat hij God zal vinden.
Hij wacht op de Heere, tot de Heere in zijn leven komt.
Vaak zit hij in de kerk en wacht en leest hij in de Bijbel en zoekt.
Wacht op dat moment, dat God komt.
Jan denkt vaak aan zijn moeder, vooral aan haar sterfbed,
hoe ze in alle rust kon sterven,
omdat ze uitzag naar haar Heere,
dan ga ik op tot Gods altaren, tot God, de bron van vreugd.
Zover was hij nog niet.
Hij kon God nog niet ontmoeten; hij voelde zijn tekortkomingen, zijn kleinheid, zijn zonde.
Kwam de Heere maar.
Ik krijg wel eens het idee dat we van de bekering, van het moment dat God in ons leven komt
iets mysterieus maken, iets ongrijpbaars, waarbij we maar moeten wachten
op wat God doet
en dat het onzeker maakt, omdat je niet weet, waar je op wacht
en niet weet hoe je dat herkent, dat je mag zeggen: nu is God van mij en nu ben ik van Hem.
Hij heeft mij gevonden en ik heb Hem gevonden.
Wacht op de Heere
– maar Jan, dat is niet om je onzeker te maken, om je eindeloos te laten wachten,
maar zodat je gaat uitzien naar Hem, dat je verlangt naar Hem
en de zekerheid hebt, dat God er is, in je leven
en dat Christus ook voor jou gestorven is,
daar moet je niet onzeker over zijn, dat moet je niet gelaten afwachten.
Dat zoeken is niet bedoeld als een dwalen, waarbij je maar moeilijk vindt,
maar dat is bedoeld om je bij het juiste adres te brengen: bij de Heere.
En God zegt het tegen je:
Zoek Mijn aangezicht – Hij zegt niet: Zoek,
maar Hij zegt: Zoek Mijn aangezicht.
Zoek Mij waar Ik ben – in de Bijbel, in Christus.
Jan, wat heb je nog meer nodig dan het Woord van God dat tegen je zegt: geloof Mij.
Wat heb je nog meer nodig dan de Heere Jezus, met Zijn armen wijd,
die tegen je zegt: Jan, ook voor jouw zonden ben Ik gestorven.
Je bent zo dichtbij – wat heb je nog meer nodig?
Dat wachten op iets – iets mysterieus, dat is heel menselijk,
maar dat heeft met geloof niets te maken.
En dat zoeken, dat is heel begrijpelijk – God zegt het zelf!
en hoe herken je dat God met je bezig is?
Maar als het onzekerheid geeft, heeft dat met geloof niets te maken.
God is mijn licht en mijn heil – daarmee begint de psalm.
Van God moeten we en mogen we zeker zijn,
want God heeft het beloofd.
Al moeten we net zo lang als Abraham wachten tot Hij zijn belofte vervult.
God vervult de belofte, die Hij bij de doop gegeven heeft.
Dat Zijn Heilige Geest in ons zal werken en dat Hij ons het geloof zal schenken.
Jan, zie je niet, dat God het je wil geven?

God vervult Zijn beloften – wees sterk, want God doet wat Hij belooft.
Maar dat is juist voor Maria zo moeilijk te geloven.
Ze wil wel sterk zijn en ze wil dicht bij God leven
en ze wil haar Heiland niet kwijt.
Maar dan denkt ze aan haar kinderen.
Haar kinderen die de doop ontvangen hebben,
haar kinderen aan wie God het heeft beloofd dat Hij aan hen de Heilige Geest zal geven.
Ze ziet er helemaal niets van.
Wat ze ziet, is dat haar kinderen er helemaal niets meer van moeten weten.
De kleinkinderen die geboren werden, zijn niet gedoopt.
Dat deed zo’n pijn. Ze was blij met de geboorte van haar kleinkinderen.
Maar er was ook die schaduw.
Elke keer als de kleinkinderen er zijn,
heeft ze het gevoel dat er iets tussen hen in staat,
dat ze niet helemaal bij elkaar horen, omdat ze de doop niet hebben ontvangen.
Ze kan dit gevoel met niemand delen,
want dan zullen haar kinderen boos worden.
Ze zou zo van haar kleinkinderen willen genieten, maar dat lukt niet zonder die pijn.
Ze begrijpt het niet, waarom haar kinderen niets meer met het geloof hebben.
Wat heeft ze verkeerd gedaan?
Vroeger vond ze die Psalm 27 zo’n mooie psalm:
Als ik toch niet de de goedheid van de Heere had gezien in het land van de levenden.
Ze herinnert zich een preek van vroeger,
waarbij de predikant had uitgelegd, dat vers 13 daar ophield.
Zonder de Heere te leven, daar zijn geen woorden voor.
Ik was vergaan – dat is maar zacht uitgedrukt.
Nu echter, nu haar kinderen die goedheid niet zien, beklemt het haar.
Zullen haar kinderen verloren gaan?
Wat komt er van haar kleinkinderen terecht?
Wat kan ze nog van de HEERE verwachten?
Kon zij maar in de toekomst kijken en zien dat er een verandering in hun leven kwam
en dat zij de weg naar God terugvonden.
Dat ze Hem gingen zoeken.
Soms denkt ze: gebeurde er maar wat in hun leven; werden ze maar stil gezet.
Pas had ze die psalm nog eens gelezen
en toen was opeens dat laatste vers blijven haken.
Ze kende dat vers wel, maar ze ging er over nadenken:
Wat mocht ze nog van de Heere verwachten?
Wat wilde Hij haar daarmee zeggen?
Dat de Heere haar kinderen en kleinkinderen toch niet had losgelaten?
Dat ze haar zorgen in Zijn hand moest leggen?
Het hielp haar – ze merkte de laatste keer dat ze dit keer meer ontspannen was
dan anders en dat ze meer kon genieten van hun aanwezigheid.
Ze had nog haar zorgen, maar ze voelde dat de zorgen van haar werden afgenomen
en dat God zelf tegen haar zei: Wacht op Mij, wees sterk en Ik zal je hart sterk maken,
ja, wacht op Mij.

Wacht op de HEERE, zegt de Psalm.
op de Heere, Zijn naam betekent: Ik zal er zijn.
Die naam die aangeeft, dat God vanuit de hemel Zijn volk trouw blijft,
ondanks hun ongeloof,
de naam die aangeeft, dat God Zijn verbond houdt, ook al breken mensen dat verbond.
Die God die in de hemel troont, maar ook dichtbij
en bereikbaar is voor onze gebeden. He’s only a prayer away.
Wacht op de HEERE, dat geeft ons gebed een adres: de God van hemel en aarde,
die deze wereld bestuurt en in mensenlevens ingrijpt.
Die ons alles geeft wat we nodig hebben, in het leven.
Die ons alles geeft wat we nodig hebben om te geloven,
die ons alles geeft wat we nodig hebben om bij Christus te komen,
om bij Christus te blijven en Hem niet kwijt te raken
door onze zorgen, door onze spanningen, door onze onwil.

Zo hebben de discipelen ook gewacht
in die kamer bij de tempel, terwijl de Heere Jezus was heengegaan.
Ze kwamen bij elkaar, om elkaar te bemoedigen en om met elkaar te bidden.
In gebed wachtten ze op God
Ze wisten niet wat er zou gebeuren, en toch:
ze waren zeker dat ze niet voor niets wachtten.
En daarom was hun wachten een uitzien – vol verwachting.
Vol verwachting blijf ik uitzien.
Zo wachten wij op God – niet uit onzekerheid, maar uit geloof,
ons geloof dat door God sterk gemaakt is:
Wees sterk en Ik zal uw hart sterk maken.
Met die kracht – de Heilige Geest – wachten wij op God
die Zijn beloften waarmaakt.
amen

Boeiende introductie in de gereformeerde theologie

Boeiende introductie in de gereformeerde theologie
N.a.v. Matthias Freudenberg, Reformierte Theologie (2011)

FILAGO_db2_2471_M_00

In de afgelopen jaren is de gereformeerde theologie volop in de belangstelling komen te staan. Aan de toenemende belangstelling zullen het Calvijnjaar (2009) en het jubileum van de Heidelberger Catechismus hebben bijgedragen. In de afgelopen tijd is een aantal boeiende boeken verschenen, waardoor de gereformeerde theologie weer op de kaart staat.

Een voorbeeld hiervan is het mooie boek van Matthias Freudenberg, Reformierte Theologie. Eine Einführung – in 2011 uitgegeven bij Neukirchener Verlagsgesellschaft. Freudenberg promoveerde in 1997 op de vraag hoe de jonge Barth omging met de reformatoren Calvijn en Zwingli en is sindsdien betrokken bij de heruitgave van de werken van Zwingli, Calvijn en Barth. Vanuit die kennis schreef hij een boeiende introductie in de gereformeerde theologie.

In het eerste hoofdstuk wijst Freudenberg erop dat de vraag: “Wat is gereformeerd?” vooral opkomt in crisistijd, als gereformeerden niet meer weten waar ze voor staan. Gereformeerd is de afkorting van een langere zin: de kerk die gereformeerd wordt door naar Gods Woord te luisteren. Hierbij zou men kunnen aantekenen, dat juist ook in tijden van een jubileum de gereformeerde theologie onder de aandacht wordt gebracht. (Maar dat zou juist kunnen duiden op een crisis: we noemen ons wel gereformeerd, maar weten eigenlijk niet meer waar we voor staan.)

Het boek is opgebouwd uit 3 delen: begin – thema’s – ontwikkelingen. In het eerste deel schetst hij op een sympathieke wijze de persoon en de theologie van Zwingli, Bullinger en Calvijn en laat hij iets van de context zien van de tijd waarin een aantal bekende belijdenisgeschriften zijn ontstaan.
In het tweede deel gaat hij een aantal thema’s langs, die kenmerkend zijn voor de gereformeerde theologie. In die hoofdstukken steeds op dezelfde manier het thema langs: (a) themazetting, (b) weergave van dit thema bij Calvijn en bij belijdenisgeschriften, zoals de Heidelberger of de Geneefse Catechismus, (c) latere ontwikkelingen in de tijd van de gereformeerde orthodoxie, (d) de herinterpretatie van het thema door Barth.

Thema’s die aan de orde komen:
– de betekenis van de Schrift als het spreken van God
– het geloof op een publieke wijze belijden (belang van belijdenisgeschriften)
– het belang van de catechismi voor het kennen en vertrouwen van God en voor een levenswandel in dankbaarheid aan God.
– Schepping, voorzienigheid en bewaring van Gods kinderen in een tijd van aanvechting
– het belang van het verbond
– Jezus Christus als koning, profeet en priester en de betekenis van voor het leven als christen.
– Uitverkiezing
– Leven uit dankbaarheid: de Heilige Geest, de heiliging en het naleven van de geboden
– Vrijheid
– de kerk als plaats waar Gods goedheid wordt ervaren, de eredienst en de traditie van het zingen van de psalmen
– doop en avondmaal als teken en zegel
– de betekenis van het beeldverbod
– als christen leven in een wereld die nog niet is verlost: thema van kerk en staat
– elkaar als mensen ontmoeten: sociale en economische ethiek

In het derde deel schetst Freudenberg de latere ontwikkelingen aan de hand van Melanchton, Karl Barth, Alfred de Quervain en Barmen.

Een mooie introductie, waarbij elk hoofdstuk uit 20-30 pagina’s bestaat. Een prima omvang om elke dag een hoofdstuk te lezen of bij de preekvoorbereiding even kort de gereformeerde inzet bij bij een thema mee te nemen. Ook al zijn we enkele jaren verder – nog steeds een aanrader.

N.a.v. Matthias Freudenberg, Reformierte Theologie. Eine Einführung (Neukirchen-Vluyn, 2011).

Preek Hemelvaartsdag 2015

Preek Hemelvaartsdag 2015
Psalm 68: 1-20; Efeze 4:1-16

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als God komt, dan gebeurt er wat.
Psalm 68 is er vol van.
Er is een oorlog, we kunnen denken aan de IS,
of aan andere oorlogen waarbij de vijand oprukt
zonder dat er iemand in staat is die vijand tegen te houden.
De vijand heeft meer soldaten, een groter leger,
betere wapens, meer paarden
of vandaag de dag zouden we zeggen: meer tanks, helikopters en vliegtuigen.
Het leger van de vijand komt steeds dichterbij
en de mensen beginnen hun spullen bij elkaar te pakken
om op de vlucht te slaan voor de vijand, een veilig heenkomen.
Angst heerst er in het land.
En de vijand is al zeker van de overwinning:
bijna en hij heeft alles overwonnen: alle steden, alle bewoners, al het land is van hem.
Hij paradeert al alsof hij de overwinning binnen heeft.
Maar dan staat de Heere op en de vijand heeft daar niet op gerekend.
God staat op, Zijn vijanden worden verspreid.
Dat trotse leger, zo zeker van de overwinning, komt de Sterkere tegen,
de Heer over alles: de Heere van de legermachten, de God van Israël.
Wie Hem haten, vluchten voor Zijn aangezicht.
Als God komt, gebeurt er wat.
Bij Zijn verschijnen boezemt Hij ontzag in:
de vijanden van God zijn vol angst
en ook de aarde beeft.

Dan mag je verwachten dat alle mensen vol angst de komst van God afwachten,
omdat ze onder de indruk zijn van de machtige verschijnselen
waarmee Zijn komst gepaard gaat.
Nee, toch niet.
Degenen die de Heere horen, degenen die onder de indruk zijn van Zijn macht en majesteit,
die van Hem houden en Zijn grootheid erkennen, zij hoeven niet bang te zijn.
Maar de rechtvaardigen verblijden zich,
zij springen op van vreugde voor Gods aangezicht.
Juist zij die ontzag hebben voor de Heere en van Zijn grootheid weten,
zij kunnen zich verheugen in Zijn komst,
omdat de Heere voor hen opstaat, om hen te bevrijden.
Juist voor hen staat de Heere op, om hen te bevrijden.
Voor degenen die geen hulp hebben te verwachten van de mensen,
juist zij worden door de Heere geholpen.
God is een Vader voor de weduwen en de wezen,
wie niemand heeft wordt door God in een huisgezin, in een gemeenschap geplaatst.
God staat op – huiveringwekkend voor Zijn tegenstanders,
maar tot troost van degenen die bij Hem horen,
die in Hem geloven, die van Hem zijn.

En dat is wat we met hemelvaart vieren – dat God opstaat.
Opstaat om te strijden tegen Zijn vijanden,
om de overwinning te behalen
en om Zijn volk, Zijn kinderen te redden en hen te beschermen.
Met hemelvaart staan we er weliswaar bij stil
dat de Heere Jezus naar de hemel is gegaan,
maar dat betekent niet dat Hij zich heeft teruggetrokken van de wereld
en dat Hij deze wereld aan Zijn lot overlaat
en niet meer naar Zijn volk. Zijn kinderen omkijkt
en Zijn handen van de wereld aftrekt.
Juist niet!
Hemelvaart is de triomftocht van de Heere Jezus naar de hemel,
na de overwinning die Hij heeft behaald op Golgotha en in het graf
toen Hij opstond uit de dood.
Dat is ook de reden waarom Paulus deze tekst uit Psalm 68 citeert
in de brief aan de Efeze,
om uit te leggen wat de Heere Jezus in de hemel voor de gemeente doet.
Waarom Hij van de aarde wegging.
want de mensen in Efeze zullen dezelfde vragen hebben gehad
die ook bij ons boven kunnen komen.
Waarom laat de Heere Jezus vanuit de hemel Zijn macht niet zien?
Wat merken we van Hem nu Hij in de hemel is?
En misschien zijn die vragen in Efeze nog wel sterker dan bij ons,
want de gemeente van Efeze was een kleine gemeente
in een omgeving waarin de goden van hun tijd heel nadrukkelijk aanwezig waren,

die het leven bepaalden.
In hun families waren ze wellicht de enige die geloofden in Christus als Zoon van God.
In hun vriendengroep kregen ze met weerstand te maken,
omdat de keuze die zij maakten niet begrepen werd.
Hoe kon je het geloof waarin je was opgegroeid vaarwel zeggen?
Zouden de goden niet boos worden, als je hen verwaarloosde?
Zal er geen economische crisis komen als de goden niet in ere werden gehouden?
We kunnen het ons niet voorstellen hoe dat moet zijn geweest
om in zo’n cultuur als christen te leven.
Er was niet alleen onbegrip en tegenstand vanwege hun keuze voor Christus,
maar alles was anders.

Paulus houdt hun voor dat ze nederig moeten zijn.
Dan zal hun opvoeding bestaan hebben uit het tegenovergestelde:
dat ze zichzelf op de kaart moesten zetten
omdat je anders niet gezien werd,
dat je voor jezelf op moest komen, omdat er anders over je heen gelopen werd.
Dat je niet zwak moest zijn, want dan delf je het onderspit.
Dat je ambitieus moet zijn, want alleen dan kom je er.
Dat is nederigheid die bij het geloof in Christus hoort,
namelijk dat je niet steeds bezig bent om jezelf op een voetstuk te zetten.
En dat je ook niet onder de indruk bent
wanneer anderen dat wel doen, zichzelf naar voren schuiven,
zichzelf voortdurend presenteren, in de kijker spelen.
Dan moet je sterk in de schoenen staan
als je merkt dat je nederigheid ervoor zorgt
dat je over het hoofd gezien wordt, dat de mensen die er toe doen je niet zien staan.
Dan moet je sterk in het geloof staan,
om te geloven, dat je het voor de Heere doet en dat het daarom zin heeft
als je tot dan toe alleen maar merkt dat je nederigheid en zachtmoedigheid
vooral betekent, dat je inlevert,
geen promotie maakt, omdat je niet gezien wordt,
winst misloopt, omdat je te eerlijk bent.
Wij leven in een cultuur waarin je als persoon jezelf
voortdurend onder de aandacht van anderen moet brengen.
Waarbij je met jezelf moet leuren, anders kun je zomaar naast het net vissen.
Waarbij je afgerekend wordt op hoe je eruit ziet of hoe je overkomt.
Wat merk je er dan van dat God opstaat om voor jou te strijden?
Wat merk jij er dan van dat de Heere Jezus vanuit de hemel regeert
als je met tegenstand te maken krijgt,
of als er niemand om je heen is die je begrijpt in de keuzes die je maakt?
De Bijbel kan er vol van staan, dat God opstaat en strijdt,
Zijn volk bevrijdt en redding biedt,
maar als het niet in je eigen leven gebeurt, als je het zelf niet ervaart,
dan zijn het mooie woorden,
maar ze gaan niet over jouw leven,
want in jouw leven is Christus juist afwezig, ver weg, in de hemel
en lijkt het er juist wel op dat Hij niet meer omkijkt naar deze wereld.
Dat is de achtergrond, dat is de reden waarom Paulus Psalm 68 citeert:
dat God opstaat, dat Hij de troon bestijgt om als koning over de wereld te regeren,
dat is niet alleen een verhaal uit het Oude Testament, uit een ver verleden.
Die Psalm is nog steeds actueel,
niet omdat er bepaalde gebeurtenissen overeenkomen,
maar omdat God dezelfde is.
God die in de tempel te Jeruzalem troonde en Zijn volk bevrijdde van de vijanden,
is dezelfde God die wij dienen en eren.
En wat Hij in het verleden heeft gedaan, dat kan Hij nog doen
en dat doet Hij nog.
Juist wat Hij doet, is de rode lijn in de Bijbel,
juist de daden van God zorgen voor een eenheid tussen het Oude en Nieuwe Testament.
In het Oude Testament hebben wij niet met een andere God te maken
dan in het Nieuwe Testament.
We geloven dat de Heere Jezus naar de aarde kwam, als Zoon van God,
maar ook het Oude Testament vertelt, dat God naar de aarde kwam,
om te redden en te verlossen.
De komst van de Heere Jezus naar de aarde past in dat patroon.
Jezus die naar de aarde kwam,
dat is God die de strijd aanbindt met de vijanden,
de God die ten strijde trekt, de Heer zal opstaan tot de strijd,
Daarvoor kwam Hij de hemel uit,
om de duivel en de zonde te bestrijden.
Hoe diep Hij ook moest gaan om Zijn vijanden te bestrijden.
‘We gaan ze uitroken’ (George W. Bush), maw: we zoeken ze op waar ze zijn,
om ze daar te raken.
Zo is ook Christus naar de aarde gekomen,
hoe diep Hij ook moest gaan – nergens was de vijand veilig.
Nergens een plek voor de zonde, de duivel om zich verborgen te houden voor Christus.
Hij daalde af, Paulus past Psalm 68 toe op Christus.
Paulus kan gedacht hebben aan de Heere Jezus die niet alleen op aarde kwam,
maar nog dieper ging, naar het rijk van de dood,
daar waar niemand uitkwam, omdat de dood niemand laat gaan.
naar de hel, de plek waar de duivel zijn woonplaats heeft,
om daar de strijd aan te gaan en de overwinning te behalen.
Het kan ook zijn, dat Paulus denkt aan de Heere JEzus die op aarde kwam
om mens te worden, vanuit de hemel afdaalde naar de aarde,
die lager is dan de hemel.
Vanuit de plaats waar Hij was, naar de plek waar wij zijn.
Hoe we de betekenis van Paulus ook mogen opvatten,
wat van belang is, is dat de Heere Jezus de hemel verliet
om op te staan tot de strijd en voor ons de bevrijding te brengen.
Voor ons betekent dat, dat er geen enkele plek op aarde is,
waar God géén koning is. – Hij regeert overal.
En er is geen plek op aarde waar Hij Zijn macht niet kan laten gelden.
Want de overwinning is reeds behaald.
Psalm 68 zingt van de overwinning van God
en de parade die gehouden wordt,
de gevangenen die meegenomen worden om te laten zien
dat de overwinning ook echt behaald is,
de vijanden waar men eerst bang voor was, ze zijn nu gevangen
en ze worden getoond aan het volk
en de mensen in Jeruzalem kunnen die gevreesde tegenstander bespotten:
Zijn dit de mensen waar we zo bang voor geweest zijn?
Wat is er van hun macht over?

Zo, zegt Paulus, kan de christen ook zien
hoe de Heere Jezus de gevreesde vijanden meeneemt in Zijn overwinningstocht.
In de afgelopen week was er een grootse parade in Rusland,
vanwege het einde van de Tweede Wereldoorlog
en bedoeld om aan de wereld te laten zien,
dat Rusland als wereldmacht nog steeds meetelt:
tanks, marcherende soldaten, buk-systemen, het werd allemaal getoond.
Hemelvaart betekent dat Christus ook Zijn macht laat zien, demonstreert
en dat Hij de vijanden, de machten die het geloof tegenwerken,
toont als overwonnenen, als degenen die de nederlaag hebben geleden.
De duivel, de zonde, de dood – het zijn machten die in de stoet van Jezus meelopen.
ze hoeven ons geen angst meer aan te jagen.
Alle machten die er zijn, zijn overwonnen.
Welke regeringsleider de christenen ook wil vervolgen – als God het wil
is het met zijn macht zo afgelopen, want God regeert.
En die machten kunnen ook processen en ontwikkelingen zijn
die wij als mensen niet kunnen keren.
Het kan het proces van de secularisatie zijn, de kerkverlating,
de neergang van het geloof in onze omgeving – het is een macht

die moet buigen voor Jezus.
Is het een economische macht die ons in wil palmen om ons los te weken van Christus,
het is een macht die het onderspit delft als Jezus aantreedt.
Alle machten moeten hun macht inleveren bij Jezus
en als overwinnaar laat Hij zien, wat Hij allemaal veroverd heeft.
En wat de gemeente daar aan heeft, laat Paulus ook zien.
De overwinningsbuit wordt aan de gemeente meegedeeld.
Heel de gemeente, alle gelovigen, al Gods kinderen delen in de buit van Christus.
Vanuit die glansrijke overwinning deelt Christus uit aan de gemeente.
Efeze 1:3 – alle zegeningen uit de hemelse gewesten.
Alles wat we nodig hebben om hier op aarde van Christus te zijn
en het vol te houden in het geloof – we ontvangen het van Christus
onze Heer die in de hemel is.
Dat kan een kracht in onszelf zijn – kracht van boven, volharding, steun.
Dat kan een gave in de gemeente zijn, waardoor iemand tot zegen van de gemeente wordt:
een ambtsdrager, een clubleider, een zondagsschooljuf, een bezoekbroeder of – zuster.
Het is allemaal een gave die de Heer in de hemel aan de gemeente geeft,
niemand wordt van die gave uitgesloten – iedereen in de gemeente
deelt in de overwinning, ontvangt een gave.

Groeien in geloof: de kracht van de opgestane Heer,
die opgevaren is naar de hoogste hemel – daar waar de troon van God is
en vanwaar uit heel de aarde, heel het universum en ook ons leven wordt bestuurd.
Hij  ging niet zomaar naar de hemel,
maar vanuit de hemel daalt Zijn kracht neer in deze wereld: de Heilige Geest
en die Geest gaat net zolang door, totdat alles en iedereen vol is van Christus.
Ook degenen die niets van Christus moesten weten, zegt Psalm 68: de opstandigen.
Eens komt er een moment dat iedereen moet buigen, iedereen zal belijden
dat Jezus de Heer is.
Nu is het nog niet zover.
Nu is de aarde nog een strijdtoneel voor de gelovige – niet voor God,
want de overwinning is behaald
en Christus is reeds koning en Hij regeert
en Hij houdt Zijn kerk in stand in de strijd hier op aarde.
Van Hem krijgt de kerk alles wat ze nodig heeft
in de strijd hier op aarde
totdat ze eens het moment mag zien, dat Christus werkelijk regeert
omdat Hij dan terugkomt en Zijn koninkrijk op aarde vestigt.Amen

Preek zondagmorgen 10 mei 2015

Preek zondagmorgen 10 mei 2015
Bediening Heilige Doop
Efeze 3:1-13

 

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

 

Als ik op bezoek kom vanwege de geboorte van een kind
lees ik graag uit Psalm 139.
In deze psalm wordt het wonder beschreven,
hoe God het kleine kindje reeds vormde in de schoot van de moeder
nog voor dat het voor ons mensen zichtbaar was,
werd het al door God gevormd en werd het al door God gezien.

Er is nog een reden waarom ik graag uit deze psalm lees bij een geboorte:
in de psalm wordt er over ons leven gesproken als een boek.
Dat boek van ons leven wordt door God geschreven.
Terwijl je kijkt naar het kleine kindje dat nog maar zo pas geboren is,
vraag ik mij vaak af: hoe zal het leven van dit kleine kind gaan verlopen?
Wat zal het allemaal meemaken?
Dat zal ook wel met mijn werk te maken,
waarin ik van alles zie:
mooie momenten die er in het leven zijn,
maar soms ook hele moeilijke momenten, diepe dalen waar iemand door heen moet?
Hoe zal dan het leven van dit kind zijn?
Zal het een gelukkige onbezorgde kindertijd kennen?
Wat zal het allemaal meemaken in zijn of haar leven?
En als er moeilijke momenten komen in het leven, zal hij of zij dan sterk genoeg zijn
om deze tegenslagen te dragen?
Het mooie van Psalm 139 is dat daarin staat dat God ons levensboek schrijft
en dat Hij onze dagen opschrijft in Zijn boek.
God schrijft het boek van ons leven.
Wij zijn het zelf niet die ons eigen leven schrijven, die ons leven uitstippelen,
maar God is het die ons leven vormgeeft en beschrijft.

De gebeurtenissen die we meemaken, krijgen dan een plekje in dat boek.
Hoe de bevalling was en hoe de baby reageerde, hoe lang en hoe zwaar de baby was,
wie er diezelfde dag allemaal op bezoek kwamen om te kijken.
De prik die al snel volgt, de eerste dagen en weken – het wordt allemaal opgeschreven.
Als het niet goed gaat en de baby moet naar het ziekenhuis, wordt dat opgenomen.
Een boek vol met wat we in het leven meemaken – het boek van ons leven.
En dat boek wordt door God geschreven.
Want we kunnen wel denken dat wij ons eigen leven kunnen beschrijven,
dat we zelf onze eigen weg uitstippelen, maar het is God die ons leven leidt.

Dat zie je vaak pas achteraf.
Als er iets in je leven gebeurt, heb je dat niet altijd door dat God bezig is
om het boek van je leven te schrijven, om je leven te vormen.
Als een jongen en een meisje verkering krijgen, zijn ze daar vaak helemaal niet mee bezig.
Ze voelen alleen maar de roze wolk, de verliefdheid en het samenzijn.
Als de relatie standhoudt en ze gaan verder en de verkering wordt serieuzer
totdat ze uiteindelijk trouwen, dan kunnen we zeggen: God heeft hen samengebracht.
Toen ze om elkaar heen draaiden in de keet,
of toen ze elkaar via facebook berichtjes stuurden
dachten ze wellicht helemaal niet aan de Heere, of aan leiding over hun leven,
maar Hij was al wel bezig met hen, om hen samen te brengen.
Als de Heere ons leven leidt, doet Hij dat vaak op een heel verrassende manier.
We zien dat vaak niet op het moment zelf
en terugbladerend in ons levensboek hebben we lang niet altijd door
op welke momenten God aanwezig was in ons leven
en zien we ook niet als we terugkijken en herinneringen ophalen,
dat de Heere ons vormde en leidde.

Dan blader je terug in je levensboek
en dan zie je weer dat moeilijk moment dat je als kind bij het graf van je oma stond
van wie je zoveel hield en die je nog steeds mist.
Was u er toen ook, toen ik daar was op de begrafenis?
Of je denkt aan het ongeluk dat je meemaakte,
dat je sindsdien nooit meer kon vergeten?
Was U daar, Heere, toen dat gebeurde? Waarom hebt U mij toen niet beschermd?
Of die tijd toen ik er met mijn opleiding niet uitkwam en niet wist wat ik moest doen?
Had U mij toen niet kunnen helpen?
Als wij ons eigen levensboek zouden schrijven,
zouden er veel minder kromme lijnen inzitten
en zouden we ervoor kiezen om onszelf allerlei moeilijke momenten te besparen.

Het kan ook zijn, dat je terugbladert in je levensboek
en dat je allerlei gebeurtenissen en gedachten van jezelf van vroeger weer terugkomt
maar dat als je verder kijkt, dat je dan helemaal niets van God terugvindt.
Ja, je ging wel naar de kerk en naar catechisatie, naar de christelijke school,
naar de clubs en je deed wel mee en je hoorde alles wel aan,
maar je hebt niet echt iets van God ervaren.
Je had hem ook niet echt nodig, want je hebt niets ergs meegemaakt,
een mooie kindertijd, als jongere gelukkig en nog steeds een leven zonder al te veel zorgen.
Was Hij er wel in die tijd
of was Hij afwezig in je leven, omdat je zelf ook niet zo met Hem bezig was.

Doopouders, vandaag heeft de Heere tegen jullie kind gezegd bij de doop:
Ik zal er altijd zijn.
Ik ben God de Vader en je mag elke dag rekenen op Mijn zorg als Vader in de hemel.
Ik ben Christus die voor je aan het kruis is gestorven,
zodat al het verkeerde dat je hebt gedaan en in je levensboek terecht is gekomen
en wat je zelf niet meer ongedaan gemaakt kan worden
door Mij vergeven wordt en uit je levensboek verwijderd wordt.
Er gaat geen dag voorbij of God is met ons bezig.
Er gaat geen dag voorbij of God zal jullie kind in Zijn hoede nemen.
Dat ervaren we lang niet elke dag
En de dagen dat we de Heere niet ervaren kunnen soms wel meer zijn
dan de dagen waarop we Hem wel ervaren.
Maar als we Hem niet ervaren en Zijn aanwezigheid en betrokkenheid niet opmerken,
wil dat nog niet zeggen dat de Heere er niet is.
Jullie hebben als ouders beloofd om je kind een christelijke opvoeding te geven.
Dat houdt onder andere in, dat je aan je kind leert
op welke manier God in het leven van je kind aanwezig is, elke dag weer opnieuw.
Als je kind iets ouder is, kun je met je kind een avondgebedje doen
waarin je vraagt of God hem of haar wil beschermen deze nacht
en dat je dankt dat God er was, beschermde en zorgde.
Door met je kind te bidden, leer je je kind te zien
dat de Heere er ook is
en ook doet wat Hij beloofde toen je kind werd gedoopt.
Je leert je kind kijken – kijken naar Gods aanwezigheid.
Want God is er wel, maar we zien en ervaren Hem vaak niet – ook al is Hij er wel.
Ook als je je kind voorleest uit de (kinder)bijbel gaat het er niet alleen om
dat ze de verhalen leren kennen – dat is ook belangrijk!
maar vooral dat ze door middel van die verhalen ontdekken
hoe God in hun eigen leven aanwezig is,
wat Hij voor hen doet – als Vader, Zoon en Heilige Geest.
De verhalen in de Bijbel gaan over je kind en over jezelf
en over God en hoe de relatie is tussen God en jou en God en je kind.

Want die relatie is er: tussen jou en God en tussen God en je kind,
want dat is wat de doop aangeeft:
dat God die relatie legt – een verbond – en dat die relatie er vanuit God
voor altijd is.
Maar we zien en ervaren die relatie niet altijd
en we leven er lang niet altijd uit
en we kunnen die relatie verwaarlozen, zoals je ook vrienden kunt verwaarlozen:
een tijdje trek je intensief met elkaar op en dan verwatert het contact
en je neemt eerst nog voor de vorm met elkaar op en daarna laat je het er helemaal bij zitten.
Zo kan ook onze relatie met God verwateren,
maar omgekeerd kan dat niet – dat God Zijn relatie met ons laat versloffen,
want in de doop laat Hij zien dat die band, die relatie eeuwigdurend is.

Het is er wel, maar we zien en ervaren het niet altijd.
Dan komen we uit bij de tekst – geen gemakkelijke tekst
en ik heb geaarzeld of ik deze tekst wel moest nemen bij een doopdienst.
Het gaat mij in deze tekst vooral om 1 woord: geheimenis.
Dat is precies waar ik het over had:
over Gods relatie met ons en Zijn aanwezigheid in ons leven
die er wel is, maar die we niet altijd opmerken.
Dat is een geheimenis.
Een geheimenis is iets dat er wel iets, maar niet direct wordt gezien of ervaren.
Een heel alledaags voorbeeld is de zon die achter de wolken is.
Als het bewolkt is, zien we geen zon  – en toch de zon is er.
We kunnen dan wel zeggen: er is geen zon,
maar we bedoelen dan eigenlijk: de zon is er wel, maar de stralen bereiken ons niet.
We ervaren zijn warmte niet en vaak is dan nog somber ook.
De zon achter de wolken – dat zullen we niet snel een geheimenis noemen.
Want een geheimenis heeft nog iets extra’s.
Als je je ervan bewust bent, kan het je heel diep raken,
raak je erdoor verwonderd.
Je kunt naar een boom kijken als een boom en er verder niet over nadenken,
maar als je daarnaar kijkt en je weet dat die boom door God geschapen is
en dat God de boom laat groeien, dan is kun je je daarover verwonderen.
O Heer mijn God wanneer ik in verwondering, de wereld zie die U hebt voortgebracht
dan zingt mijn ziel tot U o Heer mijn God: hoe groot zijt Gij.

Juist relaties hebben iets van een geheimenis:
Het is er wel, maar je ziet het niet en je ervaart het niet altijd
en als je het wel door hebt, kun je je alleen maar verwonderen.
Neem de band die er tussen ouders en kinderen is,
die is er gelijk, al vanaf de geboorte.
en die is er ook in de puberteit als kinderen in een lastige fase komen
en heel tegendraads worden en de grenzen opzoeken
om uit te testen of je echt van ze houdt
en wanneer ze ontdekken dat je liefde onvoorwaardelijk is,
dan kunnen ze daar heel verbaasd over zijn (al zullen ze dat niet altijd laten merken).

Zo is het ook met de aanwezigheid van God in ons leven.
Het is er wel, maar je ziet het niet altijd en je ervaart het niet altijd.
En als je terugbladert in je levensboek, dan zie je alleen maar de gebeurtenissen
zoals je ze zelf hebt ervaren

en je bladert nog eens terug en je probeert je te herinneren hoe het ging
en je kunt je van God niets herinneren
en terugbladerend zie je het ook niet.
Dat geheimenis – zegt Paulus – daar moeten onze ogen voor open gaan.
Je ontdekt dat niet uit jezelf, alleen de Heilige Geest kan het je leren.
Je kunt het alleen ontdekken als God je helpt, als God het aan je openbaart.
Als de Geest je leert kijken.
Daar kan Hij ook anderen voor gebruiken.
Als de Heilige Geest je leert kijken, gaat het niet altijd om een mysterieuze ervaring
diep in jezelf, waarbij je niet weet hoe je die voor elkaar moet krijgen.
Nee, het komt van de Heilige Geest,
omdat het je toevalt, je doet er niets aan,
maar opeens zegt je kind iets, waardoor je ontdekt: inderdaad, dat doet God.
Of er schiet een Bijbeltekst te binnen.
Ik heb dat wel eens gehad, toen ik op een morgen uit het raam keek
naar de musjes in de tuin keek en me opeens een uitspraak van de Heere Jezus herinnerde:
dat geen musje zonder Gods wil ter aarde valt en dat wij als mensen nog waardevoller zijn.
Sindsdien kijk ik graag naar de musjes, omdat ze het me voorhouden:
God zorgt heus wel.
Die musjes zijn daar helemaal niet van bewust dat zij dat tegen mij zeggen.
God zegt het mij, door die musjes te laten komen in onze tuin.
God spreekt vaak door heel eenvoudige, alledaagse dingen
en juist die dingen merken we niet op, omdat we die gewoon vinden.
Dat ze zon opkomt en God ons weer een nieuwe dag schenkt – teken van Zijn trouw.
Dat een kind gezond geboren wordt – een wonder
en hoezeer dat een wonder is, ontdek je wanneer je tegenkomt
dat het krijgen van een kind helemaal niet vanzelfsprekend is.

God spreekt vaak meer door het alledaagse dan door bijzondere ervaringen.
Gods geheimenissen zijn geen geheimen – de woorden lijken op elkaar,
maar verschillen heel sterk, want bij een geheim moet je er maar naar gissen
en als je er niet uitkomt, raak je of gefrustreerd of je laat het zitten.
Nee, een geheimenis is geen geheim of raadsel,
Nee, het is iets wat er is, alleen zie je het niet of ervaar je het niet.
Het moet tegen je worden gezegd.
Daarom is de kerk ook van belang.
Als Paulus spreekt over het geheimenis, dan spreekt Hij erover dat het geheimenis
aan de kerk is gegeven, aan de gemeenschap en niet alleen aan mensen alleen.
Want we hebben elkaar nodig
om dat geheimenis van God te ontdekken en te ervaren.
Als je op een zondag in de kerk zit en je ontdekt opeens dat de tekst je deze keer iets zegt
– je hoort niet eens de stem van een dominee, maar van Godzelf: Hij praat met je.
Als je een ander hoort vertellen over de weg die hij of zij gaat,
en je herkent wat de ander zegt en je begrijpt opeens veel beter hoe God in jouw leven er is.

Niet altijd zichtbaar – toch is Hij er. Verborgen – en toch: Hij is er.
Hij is er ook als je leven heel anders verloopt dan je had gedroomd.
Hij zal het kwade van je weren – belooft God als Vader aan je kind.
Maar dat kwade kan toch komen en ook dan is God er.
Hij zorgt ervoor dat het kwade meewerkt ten goede.
Dat heb je niet altijd door.
Waarom moest dat ongeluk vorige week gebeuren? Was dat Gods wil?
Heeft Hij daar een doel mee?
Dat weet ik niet. Wel weet ik, dat God er ook toen was
en dat Hij ook daarna er zal zijn als iedereen het ongeluk is vergeten
maar jij zelf nog hinder hebt van dat ongeluk.
Hij laat het meewerken ten goede – zegt God in de doop.
Ik zeg het voorzichtig, want zulke antwoorden kun je ook gebruiken
om weg te kijken en de pijn van een ander niet te hoeven zien.
Nee, het gaat niet om een goedkoop antwoord,
het gaat erom, dat als ons leven heel anders verloopt dan we denken
dat we dan niet twijfelen aan God, want Hij is er.
En al worstelen we met God en met Zijn aanwezigheid
en spoken er in ons hart allerlei vragen – Hij laat ons dan niet in de steek.
Wij moeten oppassen om te snel naar het doel te vragen.
Wij weten niet altijd het doel, waarom iemand ziek wordt,
waarom iemand langzaamaan zijn verstand of geest moet verliezen.
Het gaat erom, dat als dat gebeurt, dat God er dan toch is – verborgen vaak,
we zien Hem niet en ervaren Hem niet en toch is Hij er.
Wij moeten oppassen met het zoeken naar een doel.
Want ook als er helemaal geen doel is in onze ogen,
dan is het geheimenis dat ons leven, ons bestaan waarde heeft voor God.
Juist als ik zwak ben en ik helemaal niets meer voorstel, ben ik sterk.
Want dan geef ik het over aan God: Zoekt U het maar uit, want ik kan er niets van maken.
En dan zegt God: Mijn genade is voor jou genoeg.
het gaat er niet om, dat jij het doet, maar dat Ik het doe en Ik zal het doen!

Zelfs als er in ons levensboek bladzijden komen die er niet hadden moeten komen,
dat we verkeerde keuzes maken, dat we anderen pijn doen
of God verwaarlozen of zelfs tegen Hem in gaan,
trekt Hij zich niet terug, maar gaat Hij naar ons op zoek.
Op dat is de doop – om aan te geven dat er in Christus vergeving is
en dat al willen wij Hem uit ons leven schrappen Hij toch er is en blijft komen.
Opdat zij mogen begrijpen wat de gemeenschap aan dat geheimenis is,
opdat je kind zal begrijpen, zal geloven wat het betekent om bij deze God te horen,
wat het betekent om te delen in de belofte dat God als Vader zorgt,
als Christus je zonden vergeeft, als Geest je nooit loslaat
– dat is niet alleen voorleven hoe God in je leven aanwezig is,
het geheimenis van jouw leven,
maar dat is ook erop vertrouwen en erom bidden
dat God aanwezig is en aanwezig blijft in het leven van je kind
en dat je daar samen steeds weer naar blijft zoeken,
naar Gods betrokkenheid op je kind en op jezelf.
Om te zien, te ontdekken, te geloven
dat God het boek van je leven schrijft
en dat Hij elke dag, zich erbij schrijft
al zie en ervaar je het niet – Hij is er!
Amen