Preek zondag 29 september 2019 – Avonddienst

Preek zondag 29 september 2019 – Avonddienst
Dankzegging Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 1 Korinthe 1:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Een apostel, die blij is dat hij niet zoveel mensen heeft gedoopt.
Hoe kan Paulus daar nu blij mee zijn, dat hij niet zoveel mensen heeft gedoopt?
Trouwens, de opluchting dat hij niet zoveel mensen heeft gedoopt,
zal in de tijd dat hij werkte een heel ander gevoel zijn geweest:
een gevoel van hard moeten ploeteren zonder veel resultaat te halen.
Een tijd lang daar in Korinthe moeten werken,
zonder te merken dat zijn boodschap zo veel had uitgewerkt.
Slechts een enkeling uit Korinthe die ging geloven.
Pas nadat Paulus na een lange tijd van bijna vruchteloos evangelisatiewerk verder trok
en na hem andere apostelen kwamen, zoals Apollos en Petrus,
begon de gemeente te groeien doordat mensen tot geloof kwamen
en zich lieten dopen in de naam van Jezus Christus.
Paulus moet wel een sterke persoonlijkheid geweest zijn met een ruim hart
als hij niet jaloers wanneer Apollos komt met enthousiaste verhalen
over hoeveel mensen er onder zijn prediking tot geloof komen en zich lieten dopen.
Paulus heeft alleen maar geplant en Apollos mocht begieten.
Paulus strooide het zaad van het evangelie en Apollos mocht oogsten
en mocht het water van de doop over de nieuwe gelovigen gieten.
Vanwege de ruime oogst, die Apollos mocht binnenhalen,
stond Apollos in hoger aanzien dan Paulus. Ze hadden liever dat Apollos kwam dan Paulus.
Ondanks alle kritiek die veel gemeenteleden hadden op Paulus
en duidelijk lieten blijken dat zij meer hadden met Apollos,
heeft Paulus wel een zwak voor deze gemeente
en is hij dankbaar voor wat er in de gemeente gebeurt,
voor wat de Heere in de gemeente doet.
Daar dankt Paulus elke keer de Heere royaal voor.
Als Paulus zegt, dat hij blij is dat hij zo weinig mensen heeft gedoopt,
is dat niet een zure opmerking, waarbij hij tussen de regels door
wil laten merken dat de houding van de Korinthiërs hem kwetst,
dat hij ook een mens is met gevoelens, die gekwetst kan worden.
Het gaat Paulus om het grotere doel: dat er in Korinthe een gemeente is ontstaan,
volwassenen en kinderen, die bij Christus zijn gaan horen,
die de doop hebben ontvangen,
waardoor zichtbaar werd dat ze het oude leven achter zich lieten
en een nieuw leven in Christus ontvingen.
Dat zijn bijdrage maar klein geweest is, dat houdt hem niet zo bezig.
Hij heeft gezaaid. Dat is voor hem genoeg geweest.
Hij is vooral dankbaar dat er nu een oogst mag zijn, dat er vrucht is, geloof in Christus.
Hij ziet daarin dat God in de gemeente werkt,
dat de genade van God ook in de gemeente van Korinthe ontvangen mag worden.
Vanavond zijn we bij elkaar gekomen om God te danken voor wat Hij gegeven heeft.
We kunnen dankbaar zijn voor wat wij zelf, persoonlijk hebben ontvangen.
We kunnen in deze dienst van dankzegging ook kijken
hoe Gods genade hier in de gemeente uitgedeeld mag worden.
Gemeenteleden die vanmorgen met ons hun zonden bij het kruis brachten
om bij Christus genade en vergeving te ontvangen.
Het is bijzonder om te zien dat ook in onze gemeente het kruis een kracht heeft
om gemeenteleden te roepen tot Christus, tot de gemeenschap aan Zijn tafel.
Steeds weer is het bijzonder om te merken dat de roepstem van het kruis
gehoor vindt in onze gemeente.
Daar mogen we de Heere voor danken, voor die genade die ons als gemeente gegeven is.
Die dank voor wat God in de gemeente doet gaat bij Paulus altijd voorop.
Hij kan heel wat aan te merken hebben op de gemeente – en dat blijkt ook wel,
maar het eerste wat Paulus doet als hij de gemeente een brief schrijft,
is om te laten merken dat hij dankt voor Gods werk.
Het avondmaal vieren helpt ons ook om te zien, dat de Heere hier in de gemeente werkt.
We kunnen heel wat op de gemeente aan te merken
en toch is het goed om allereerst de blik omhoog te doen en te zien hoe God hier bezig is.
We kunnen dat gemakkelijk uit het oog verliezen.
De neiging kan er zijn om eerst te kijken naar wat niet zo goed gaat,
Wat je als gemeentelid mist, wat je voor je geloof tekort komt aan gevoed worden.
Ik heb dat wel meegemaakt, dat in een bepaalde gemeente gevraagd wordt
naar één punt waar men dankbaar is  als het om de eigen gemeente gaat
en een punt van zorg of kritiek,
dat de lijst met zorg en kritiek al snel een hele waslijst werd,
maar dat het moeilijk werd om iets aan te dragen waarvoor men dankbaar was
in deze gemeente – alsof er niets was om dankbaar voor te zijn.
Danken betekent dat je oog krijgt voor wat heel gewoon lijkt
en toch heel bijzonder is omdat je dat kunt rekenen tot wat de Heere nu hier doet.
Dat uzelf naar voren kwam en dat u zag dat degenen die naast u zaten ook gingen.
Dat degenen, die niet naar voren kwamen, omdat ze de moed niet hadden,
stilletjes in hun eigen hart avondmaal gevierd hadden.
Ze zagen hoe gemeenteleden vooraan zaten aan de tafel van Christus,
Ze zaten weliswaar zelf niet aan,
maar brachten zelf ook hun zonden aan de voeten van Christus.
Daar kunnen we de Heere niet genoeg voor danken.
Die dank is ook belangrijk, want het helpt ons ook te zien hoe God in onze tijd werkt.
Er kan een behoefte zijn om te zien waar de Heere werkt.
Vaak wordt daarbij wat in onze ogen gewoon is over het hoofd gezien,
Want dat vinden we gewoon en zien het bijzondere er niet van.
Paulus ziet in de gemeente van Korinthe wel het bijzondere,
Wat voor de gemeenteleden van Korinthe zelf misschien niet eens bijzonder meer is.
Paulus is dankbaar voor iedereen, die in de gemeente betrokken is geraakt,
voor iedereen, die is gaan geloven en de doop mocht ontvangen,
al was de echte groei van de gemeente pas gekomen nadat hij was weggegaan
En zal hij bij de doop van veel gemeenteleden niet zelf aanwezig zijn geweest

en alleen van horen zeggen wie er bij de gemeente zijn gekomen
doordat ze gedoopt werden in de naam van Christus.

Danken voor de gemeente wil niet zeggen dat je geen kritiek mag hebben.
Paulus schrijft zijn brieven steeds uit bezorgdheid over hoe het in de gemeente gaat.
Die bezorgdheid heeft te maken met de dank voor de gemeente,
met de genade die aan de gemeente geschonken is,
aan het zichtbaar zijn van het werk van God in die gemeente.
De eerste brief aan Korinthe is een vrij lange brief, waaraan we kunnen merken
Dat er best wat in de gemeente heeft gespeeld
En wie de brief doorleest, zal merken dat de gemeenteleden of de kerkenraad
niet altijd onder ogen heeft willen zien welke problemen er zijn.
De gemeente, waar Paulus voor dankt,
de gemeente waar Paulus op een afstandje zoveel ziet van het effect van genade,
Van kracht dat het kruis heeft – een kracht tot behoud, schrijft hij in vers 18.
Een gemeente die onderdeel is van de gemeenschap met Christus.
Toch zorgt die dankbaarheid er niet voor dat Paulus de ogen sluit voor de misstanden.
We lazen over groepen in de gemeente:
De ene groep die naar Apollos trekt, de andere groep die Petrus op het schild heft,
Een andere groep die de voorkeur uitspreekt voor Paulus,
Een vierde groep die weer een heel andere keuze heeft
en zegt dat ze met de kerkleiding die er is niets te maken heeft,
niet met Paulus, niet met Petrus, niet met Apollos,
maar puur en alleen aan Christus verbonden is
en schermt met die verbondenheid met Christus,
alsof zij binnen die gemeente een exclusieve groep zijn,
die zich van anderen niets hoeven aan te trekken, met hen niet hoeven samen te komen,
en niet met de anderen hoeven mee te leven.
Ik ben van Christus
– dan niet in de zin van dankbaarheid dat ze gered zijn van een verloren bestaan,
en dat ze beseffen dat ze in het oordeel van God vrijgesproken kunnen worden,
maar als een groep die hen exclusief maakt en apart zet van andere gelovigen.
Als een soort elite binnen de gemeente, een speciaal niveau,
een hoog level dat je niet zomaar bereikt.
Dan maak je van genade een status
En redding van verlorenheid een exclusief gebeuren, waarin jij alleen speciaal wordt.
Dat is nu precies het omgekeerde.
Daarmee doe je als gelovige het kruis tekort en doe je de betekenis teniet.
Want Christus stierf niet voor onze zonden om ons nu eens op het schild te heffen,
Want dan zouden we zwak blijven voor de zonde van hoogmoed
en van neerkijken op anderen
en de zonde om toch uiteindelijk niet voor God te willen knielen.
Paulus heeft ontdekt dat het kruis je nederig maakt.
Dat was een harde, confronterende les, waarbij hij alles wat hij dacht te hebben,
kwijtraakte, zelfs zijn status als gelovige moest inleveren,
omdat het alleen maar buitenkant was, schijn.
Hij dacht God te hebben en God te dienen,
maar toen hij Christus ontmoette besefte hij dat het leeg was bij hem van binnen.
En toch was er ook voor hem genade
zelfs voor hem, die de gemeente van Christus vervolgde
En daarmee Gods werk dwarsboomde.
De genade ging zelfs nog verder: Hij werd geroepen om als apostel te dienen.
Om erop uit te gaan het verhaal te vertellen over Christus,
van het kruis en de opstanding, van de straf die Christus droeg
en de vrijspraak in het oordeel die is te ontvangen.
Misschien is het wel die eigen ervaring,
die intense ervaring, die heel zijn leven op zijn kop zette
wel die hem fijngevoelig maakt voor de genade die in de gemeente werkt
en waardoor hij haarscherp aanvoelt hoe die genade
binnen de gemeente onder druk kan komen te staan.

Zo komt de vreemde uitspraak van Paulus, dat hij blij is
dat hij er maar weinig gedoopt heeft in de gemeente in een ander licht te staan.
Het gaat er niet om wie er gedoopt heeft.
Natuurlijk, je mag een speciale band hebben met een predikant
die je kinderen doopte, bij wie je zelf belijdenis deed, met wie je in de kerkenraad zat.
Paulus zal met bepaalde mensen ook een speciale band gehad hebben.
Hij had in ieder geval contact met Chloë en degenen die bij haar hoorden,
haar huisgezin, of degenen die met of voor haar werkten.
En van hen krijgt hij informatie over hoe het in de gemeente gaat.
Het gaat er niet om, wie er doopt of bij wie je belijdenis doet.
Het gaat allereerst om Christus, wiens naam je belijdt, in wiens naam gedoopt wordt.
Dat je in Hem gelooft, dat je toetreedt tot de gemeenschap met Hem, onze Heere.
Dat je van Hem wordt – Jezus Christus mijn getrouwe heiland eigen ben.
Je kunt niet bij de hemelpoort komen en zeggen: Ik ben door die dominee gedoopt.
Of bij die predikant heb ik belijdenis gedaan.
Het gaat erom of je van Christus bent, dat je verbonden bent aan Hem,
die Zijn leven gaf op Golgotha, die vanmorgen brood en wijn aanreikte.
Die de genade in de gemeente laat werken.
DAt je op de dag waarop Christus terugkomt, voor Hem kunt verschijnen:
onberispelijk, zegt Paulus.
Dat er niets op je aan te merken is.
Dat kan allleen maar als je met Hem verbonden bent, van Hem geworden bent.
Als dat zo is, dan mag je aan het avondmaal,
dan is de toegang tot het koninkrijk van God open en mag je binnengaan
omdat Christus je binnenlaat: voor jou ben ik aan het kruis gegaan.
Dan mogen we voor eeuwig loven en prijzen.
Dat loven, die dankbaarheid, de lofprijzing begint nu al, omdat we nu al mogen merken
dat God werkt en Zijn genade geeft en dat die genade ontvangen wordt
opgenomen wordt met dankbaarheid en blijdschap, geloofd wordt.
Amen

Preek zondag 29 september 2019

Preek zondag 29 september 2019
Viering Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 1 Korinthe 1:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Onlangs was ik weer te gast in een gemeente, waar ik al lang kom als gastvoorganger.
Het is een gemeente, die ik aardig heb leren kennen.
Ik wist dat die gemeente ook de nodige zorgen hebben gehad.
De gemeente was lange tijd vacant en was behoorlijk gedoe binnen de gemeente geweest.
Ik was benieuwd hoe ik de gemeente zou aantreffen.
De vorige keer dat ik er was, begin dit jaar, viel het me op dat het zo leeg was in de kerk.
In tussentijd was er wat veranderd in de gemeente: er was een nieuwe predikant gekomen.
Ik was benieuwd wat voor predikant er gekomen was en wat zijn komst betekent.
In de consistorie vertelde een van de ouderlingen,
dat er heel wat gebeurd was voordat deze predikant kwam.
Ze wilden de nieuwe predikant niet opzadelen met de problemen van de afgelopen tijd
en als gemeente wilden ze na alle spanningen en conflicten een nieuwe start maken.
Ze besloten een speciale kerkdienst te beleggen,
waarbij alle gemeenteleden uitgenodigd werden.
Het zou een dienst van verootmoediging en schuldbelijden worden,
waarbij iedereen de pijn die is aangedaan, maar ook de fouten die hij of zij zelf maakte
bij Christus konden brengen.
Om het zichtbaar te maken, dat de fouten en de pijn bij Christus gebracht konden worden,
hadden ze een groot houten kruis laten maken, van wel 2 meter.
Dat kruis stond voor in de kerk.
De kerkenraad wist van tevoren niet hoeveel gemeenteleden er zouden zijn in die dienst.
Toen ze de kerk in kwamen, bleek de kerk vol te zitten.
Tijdens de dienst kwamen de gemeenteleden een voor een naar voren
en gingen naar het kruis toe.
Bij het kruis legde iedereen een briefje neer met daarop de eigen fouten die gemaakt waren.
Die werden aan de voet van het kruis gelegd.
Aan het einde van de dienst werden de briefjes verzameld en vernietigd.
Het was voor de gemeente een indrukwekkende dienst geweest:
om met elkaar als gemeente de eigen fouten, die naar elkaar gemaakt zijn
En de zonden die men naar God toe gedaan had, bij het kruis te kunnen brengen.
Zichtbaar stond daar voor in de kerk het kruis, dat heenwees naar het kruis van Christus,
Waar Hij hing om de zonden van de mensen weg te dragen en het goed te maken met God.
Nadat deze dienst er geweest was en de zonden en fouten bij de Heere waren gebracht
Was er ook ruimte om met elkaar een nieuwe predikant te beroepen.
Toen ik met de kerkenraad de kerk binnenkwam, zag ik naast de preekstoel dat kruis staan.
Een groot kruis, een eenvoudig kruis van hout.
De kerkenraad had er voor gekozen om het kruis te laten staan
Als herinnering hoe het mis gegaan was in de gemeente,
maar vooral ook als herinnering hoe de gemeente een nieuwe start mocht maken,
een nieuwe start van de Heere ontving.
Ik kan u zeggen, dat het indrukwekkend was om onder aan de kansel te staan
naast dat houten kruis en op de kansel dat houten kruis naast me te hebben,
dat sprak van het nieuwe begin met Christus.
Duidelijk ervoer ik hoe het kruis van Christus een kracht heeft
en hoe bijzonder de genade van God is, dat Hij Zijn Zoon gaf
en dat wij onze fouten en zonden bij Hem mogen brengen,
om van onze zonden en fouten los te raken, vergeving te ontvangen,
een nieuwe start te krijgen.
De zonden, die ons aanklagen, de pijn die we een ander aandoen, mogen we brengen
aan de voet van het kruis, waar Hij hing in onze plaats.
Vanmorgen komen we ook bij dat kruis, om daar onze zonden te brengen
en vergeving te ontvangen, een nieuwe start te krijgen van de Heere.
We hebben geen zichtbaar kruis voor in de kerk staan.
Wel staat voor in de kerk de tafel met het brood en de wijn:
het brood dat straks gebroken wordt laat zien hoe Christus zich liet brengen.
De wijn, die uitgegoten wordt en doorgegeven wordt,
laat zien hoe Christus met het offer dat Hij bracht ons reinigt van onze zonden.
We mogen daar onze fouten, onze zonden brengen, aan de voet van het kruis.
Hij neemt ze aan en draagt ze weg, zodat ze ons vergeven zijn.
Krachtig is het kruis, want daar nam Christus al onze zonden op zich,
zodat wij van al onze zonden bevrijd kunnen worden en gereinigd kunnen worden.
Dat kruis, dat zo lang geleden werd opgericht, spreekt nog steeds:
van genade, van bewogenheid van de Heere, van de grote liefde die onze God heeft,
zo groot dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gaf.
Laat het kruis die kracht niet verliezen, waarschuwt Paulus in de brief aan Korinthe.
Raak de inhoud van het kruis niet kwijt, dat spreekt van verzoening, van vergeving,
van Gods liefde die niet te beschrijven is.
Want daar leren we God kennen, kijken we Hem in het hart.
Daar kunnen we van onze zonden bevrijd worden en opnieuw beginnen.
Het staat er voor ons, zodat wij komen en neerknielen en alles neerleggen bij Hem.
U bent geroepen, hoorden we vorige week, geroepen tot de gemeenschap met Hem.
Hij liet van Zich horen, kwam in uw en jouw leven, zodat je niet achter kon blijven,
maar voelde dat je wel moest komen, omdat Hij je riep.
Nu roept Hij u, jou om naar voren te komen, naar de tafel,
om uit Zijn eigen hand het brood te ontvangen, uit Zijn hand de beker aangereikt te krijgen.
In dat gebaar, waarmee Hij dat brood en de wijn ons aanreikt, zegt Hij:
Dit heb ik voor jou, voor u gedaan.
Het is genoeg!
Neemt, eet en drinkt tot Mijn gedachtenis,
geloof hoe Ik ook voor u, voor jou mijn leven gaf,
Jouw zonden meenam op Golgotha en uw fouten droeg aan het kruis.

Genade, zo oneindig groot. Dat ik, die ’t niet verdien

het leven vond, want ik was dood en blind, maar nu kan ‘k zien.


Want Jezus droeg mijn zondelast en tranen aan het kruis.

Hij houdt mij door genade vast en brengt mij veilig thuis. Amen

 



Preek zondag 22 september 2019

Preek zondag 22 september 2019
Bevestiging ouderling (kerkelijk werker) & voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 1 Korinthe 1:1-17.
Tekst: 1 Korinthe 1:8-9

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Op 2 mei 1999 was er een belijdenisdienst, waarbij er aan een van de aanwezigen
een tekst werd meegegeven uit het gedeelte dat we lazen.
De tekst zal in de oude Statenvertaling geklonken hebben:
God is getrouw, door Welken gij geroepen zijt
tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onzen Heere.
Onze kerkelijk werker deed in die dienst openbare belijdenis van het geloof,
samen met zijn vrouw, met wie hij bijna een jaar eerder was getrouwd.
Een tekst die spreekt over de roeping om te leven met Christus,
om als gewone gelovige je leven toe te wijden aan onze Heere,
Die Zijn leven gaf aan het kruis op Golgotha.
Op dat moment had je er vast nog geen idee van
dat er een specialere roeping zou komen,

waarbij je met de gaven die de Heere je gegeven heeft
En de ontwikkeling die je hebt doorgemaakt en alles wat je hebt geleerd onderweg
een gemeente zou mogen dienen.
Je bent daar langzaamaan naar toegegroeid.
Je zette je in voor het jeugdwerk in je eigen gemeente
en bent later een opleiding gaan volgen,
waarmee je kerkelijk werker zou kunnen worden.

Je deed mee aan verschillende evangelisatieactiviteiten
en raakte in de afgelopen tijd betrokken bij GlobalRize.
Bij dat alles had je nog je gewone baan in de keukens.
Nu je kerkelijk werker wordt, krijgt je belijdenistekst een extra betekenis:
een roeping om een gemeente te dienen door middel van bezoekwerk, catechese,
bijbelkringen, toerusting en misschien ook wel prediking.

Niet dat het werk dat je voorheen deed minderwaardig is.
Als Paulus erover spreekt dat hij geroepen is als apostel
wil hij daarmee niet zeggen dat het werk dat gemeenteleden doen die geen ambt hebben
minder is in het koninkrijk van God, of dat zij geen roeping hebben.
Integendeel: Paulus begint zijn brief met zijn roeping, maar gaat in de volgende zin door
over de roeping die gewone gemeenteleden hebben.

Roeping is niet alleen maar iets voor degenen die een ambt hebben binnen de kerk,
die geroepen zijn om ouderling, ouderling-kerkrentmeester, diaken, predikant te zijn.
Nee, ieder gemeentelid is geroepen.
Paulus spreekt in vers 2 over geroepen heiligen.
Ieder, zoals u of jij hier in de kerk zit bent geroepen om een heilige te zijn.
Die roeping kun je niet doorschuiven naar een ander; die roeping geldt voor een ieder.
Roeping komt ook voor in de belijdenistekst die meegegeven werd:
Je bent door God geroepen.
Met roeping bedoelt Paulus
dat de Heere met ieder van ons afzonderlijk bezig is (geweest)

om je zover te brengen dat je in Christus gaat geloven.

Dat kan op verschillende manieren: Voor Paulus was het een vrij abrupte gebeurtenis,
waarbij zijn leven helemaal op de kop werd gezet.
Zijn roeping kwam toen hij door een fel licht van zijn paard op de grond werd gegooid
en een stem uit de hemel hoorde: Saul, Saul, waarom vervolg je mij.
Dat je zo duidelijk de stem van onze Heere hoort, kan nog steeds gebeuren
en ook dat je leven van het ene moment op het andere moment totaal wordt omgegooid.
Je hoort je naam, je wordt aangesproken en je weet, dat is niet zomaar een stem,
maar een stem van Christus. Hij roept mij en ik kan die stem niet naast mij neerleggen.
Ik moet daar wat mee. Ik moet gehoorzamen.

Het kan ook zijn dat de manier waarop de Heere in je leven werkt
veel minder duidelijk is.

Het kan beginnen met een voorzichtig verlangen.
Je krijgt wat interesse, je denkt na over bepaalde vragen, je zou meer willen weten.
Of er is sprake van een onrust, die je niet goed begrijpt.
Je moet iets, maar je weet niet goed wat.
Je denkt erover na, je gaat naar iets op zoek.

Er zijn veel verschillende manieren, waarop de Heere in ons leven kan werken.
Het einddoel is wel hetzelfde, een aards en een hemels einddoel.
Het hemelse einddoel is dat als Christus terugkomt Hij bij de Wederkomst
je niet veroordeelt, maar welkom heet in het Vaderhuis en je toegang biedt tot de hemel.
Het aardse einddoel is dat je al iets van de hemel hier op aarde mag ervaren,
omdat je Christus kent.

Dat kennen is niet alleen maar iets van je verstand,

waarbij je kunt vertellen wie Jezus is en hoe Hij leefde,
dat je de verhalen kunt navertellen.
Nee, het gaat in het kennen van Christus om een relatie,
dat je een band hebt met Christus,

dat je diep van binnen in jezelf weet: Ik ben van Christus.
Ik hou van Hem en mijn leven is voortaan van Hem en voor Hem.
geroepen (…) tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus.
Gemeenschap – Paulus spreekt hier van koinonia.
Koinonia is dat wat een groep mensen samen deelt.

Gisteren stond ik aan de lijn om te kijken bij het voetbalteam van mijn zoon
en langs de lijn stonden ouders van beide kanten
en ze waren sterk bij het spel betrokken.

Ze gingen er net zo in op als de spelers in het veld.
Dat is koinonia: dat je op het team dat speelt betrokken bent, dat je ze steunt.
Koinonia kan ook zijn dat je als familie bij elkaar bent.
Op zondagmorgen uit de kerk bij elkaar of op een verjaardag.
Ik spreek geregeld echtparen die een jubileum hebben.
Voor de meeste jubilerende echtparen is er vaak een cadeau waar ze naar verlangen.
Dat is niet een verre reis of een mooie tuinset,
maar gewoon weer even met elkaar als gezin ontbijten, zoals het vroeger was,
met de kinderen op dezelfde plek.
Het mooiste moment van de dag is niet wanneer de burgemeester komt,
maar wanneer ‘s morgens vroeg de bel gaat, er een ontbijtmand wordt bezorgd
en de kinderen een voor een binnen komen waaien om samen te ontbijten.
Dat is koinonia: dat je samen bent en de band samen beleeft,
weet en ervaart dat je bij elkaar hoort.
Die koinonia, die gemeenschap, is er ook in het geloof.
geroepen tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus.

Zo bij Christus zijn en delen in wat Christus heeft en geeft – dat is gemeenschap, koinonia.

Zoals een gezin aan tafel zit en dan ervaart dat je bij elkaar hoort.
Bij koinonia gaat het om een band die heel diep gaat, die je samen beleeft.
Er is geen enkele band, die zo diep gaat als de band van de gelovige met Christus,
of het moet een relatie tussen man en vrouw zijn,
of de liefde die er tussen ouders en kinderen is.
Paulus vergelijkt de gemeenschap met Christus niet voor niets met het huwelijk
of het leven in het gezin.

Hier in dit hoofdstuk speelt het beeld van het gezin mee
als Paulus in vers 2 spreekt over Sosthenes als onze broeder.
Wij geloven dat we in de kerk bij Christus horen:
als kinderen in het gezin van onze hemelse Vader, waar we allemaal thuis horen.

Aan dat bij Christus horen gaat wel iets vooraf:

Dat je hart open gaat voor Hem, dat je een antwoord geeft als Hij je roept.
Dat je weet en gelooft: Christus is ook voor mij gestorven
en het was nodig dat Hij voor mij aan het kruis ging.
Als ik dat niet heb, dat niet geloof, daar niet in deel, dan ben ik verloren.
Dat is niet wat God wil: dat we verloren gaan.
Hij is niet voor niets in jouw, in uw leven bezig, omdat Hij iets anders met ons wil:
dat we die gemeenschap met Christus hebben.

Als jubilerende echtparen verlangen om met hun kinderen, die uit huis zijn te ontbijten,
zit er een bepaald heimwee in: de tijd dat je als gezin nog bij elkaar was.
Als God ons roept om tot de gemeenschap van Christus te komen,
zit daar als het ware ook heimwee in: de tijd van het paradijs,
Waarin zo dicht bij God leefden en de Heere bij de mensen kwam.
God zegt: die gemeenschap wil ik weer terug.
Ik wil dat je weer bij me bent, dat je weer bij Mij aan tafel zit, net als vroeger.
Ik wil dat je weer Mijn kind bent en niet meer dat contact met Mij vermijdt,
dat je je niet meer tegen Mij keert, dat je je tegen Mij verzet, tegen Mij in opstand bent.
Zo is de Heere bezig om te roepen, zodat je komt.

Volgende week zal er een tafel staan, waar we weer bij de Heere mogen zitten.

Om te vieren dat we mogen delen in Christus,
om te vieren dat we weer bij God mogen komen
om te gedenken dat er van Gods kant, van Christus’ kant heel wat nodig was:
dat Hij moest sterven aan het kruis voor onze zonden.
U bent geroepen tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus.
Aan de tafel waar we brood eten, dat heen wijst naar hoe Christus gaf,
Wijn die we drinken, die ernaar wijst hoe Christus zichzelf gaf.
Het zal voor de meeste gemeenteleden een hele stap zijn om aan het avondmaal te gaan.
Er is zoveel dat je aanklaagt, van de voorbije weken of van heel lang terug.
Dat is het verschil met kinderen die op de trouwdag van hun ouders komen ontbijten
om de feestvreugde te vergroten en nog eens weer te ervaren hoe het vroeger was.
Ik hoop alleen wel dat als u niet kunt aangaan, als jij niet naar voren kunt lopen,
dat er een lege plaats is en dat je door de Heere wordt gemist.
Als je nog niet zo ver bent, moet je toch eens aan de slag met wat je dan wel nodig hebt
om zover te komen om naar voren te gaan en aan tafel te zitten.
Als je nog geen belijdenis gedaan hebt,
kun je beginnen om belijdeniscatechisatie te volgen.

Als je nog te weinig geloof hebt, nog vast zit aan je zonden,
mag je je daarbij niet neerleggen.
Dat mag je niet accepteren. Er moet dan wat gebeuren.

Want ook jij, ook u bent geroepen tot die gemeenschap met Christus,
geroepen om één te zijn met Hem.
Dat is het einddoel.
Het einddoel is wel hetzelfde, een aards en een hemels einddoel.
Het hemelse einddoel is dat als Christus terugkomt Hij bij de Wederkomst
je niet veroordeelt, maar welkom heet in het Vaderhuis en je toegang biedt tot de hemel.
Het aardse einddoel is dat je al iets van de hemel hier op aarde mag ervaren,
omdat je Christus kent.

Binnen de kerk helpen we elkaar om dat einddoel te bereiken.
Natuurlijk, we kunnen dat niet aan elkaar geven. Dat kan alleen de Heere.
We kunnen het er wel met elkaar over hebben.
We kunnen elkaar aanspreken, stimuleren.

Vanmorgen zijn namen van broeders afgekondigd,
die over enkele weken gekozen kunnen worden.

De taak, waarvoor zij gekozen kunnen worden, is
om elkaar te helpen dat einddoel te bereiken.
Dat we gehoorzaam zijn, ons overgeven aan Hem, ons hart openstellen, ons toewijden.
Als we nieuwe kerkelijk werker hebben om vandaag als ouderling bevestigd te worden
is dat vanwege dat einddoel.

De gesprekken die gevoerd worden, al gaan ze soms over heel gewone dingen
en vraag je je na afloop af of het wel een pastoraal gesprek mag worden gevoerd,
de Bijbelkringen die je leidt, de catechisaties die je voorbereidt en geeft:
om gemeenteleden, jong en oud, te helpen dat einddoel te bereiken.
Dat is best een hoge roeping, iets dat veel van je kan vragen.
Iets wat ook op je kan drukken en kan voelen als een zware last.

Want stel dat er toch iemand verloren gaat, omdat jij niet genoeg verteld hebt,
niet genoeg genodigd hebt of gewaarschuwd.
Dat kan je aangerekend worden als Christus terugkomt.
En toch spreekt Paulus over de mogelijkheid dat dat je niet aangerekend wordt.
Dan denk je al snel: het gaat erom dat je je best doet en hard werkt,
als je dan faalt, mag dat je niet aangerekend worden, want je bent ervoor gegaan.

Nee, het gaat niet om wat wij presteren, om hoeveel bezoeken we afleggen,
hoeveel uren we maken voor Gods koninkrijk.
Als Christus terugkomt, zal Hij allereerst naar één ding vragen
En ons erop beoordelen of we dat gedaan hebben: uitzien naar de Wederkomst.

Ook dat kan nog weer een prestatie worden.
Het gaat om een houding, waarbij je alles van God verwacht.
Ik heb het zelf niet. Ik kan het niet voor elkaar krijgen in eigen kracht.
U moet het doen.
Wat ik kan is alleen maar een gave die U geeft.

Zoals Uw eerste komst naar de aarde een geschenk was, een gave
en ook de Wederkomst een geschenk is, een gave van God.
Daar kun je tegenop zien, om Christus te ontmoeten,
net zoals het veel spanning kan geven om aan het avondmaal te gaan.
Heb ik wel genoeg geloof? Leef ik er wel genoeg naar?
Is mijn zondelast niet te zwaar om van mij afgenomen te worden?
Alles wat ik naar God verkeerd gedaan heb, of naar anderen:
wie kan dat van mij afnemen?

Paulus spreekt erover: We kunnen onberispelijk voor God verschijnen.
Paulus bedoelt dat er een mogelijkheid is, dat we niet aangeklaagd worden,
omdat Christus onze zonden, onze schuld gedragen heeft.

Er is heel wat dat ons aanklaagt, maar God geeft ons de waardigheid,
om Hem te ontvangen in ons hart, om te delen in Zijn gemeenschap,
een te worden met Hem, om naar de tafel te komen om brood te eten, wijn te drinken.
Hij kan ons ook een waardigheid geven, waarmee we voor God kunnen verschijnen
en bij de Heere in de hemel kunnen komen.
Hij wil dat doen en Hij zal dat doen.

Paulus spreekt over een zekerheid, waarmee God ons die belofte geeft:
God is trouw. Paulus bedoelt daarmee: Wat God belooft, zal Hij nakomen.
Als Hij toezegt dat Hij je zonden zal wegnemen, zal Hij dat ook doen.
Als Hij je roept om tot Hem te komen, zal Hij als je komt niet zeggen: jammer dan.
God is getrouw, door Wie u geroepen bent tot de gemeenschap van Zijn Zoon.

Die trouw is de basis.
De basis waarop we geroepen worden, de basis van ons werk in de kerk,
de basis waarop we avondmaal kunnen vieren.
Omdat God trouw is, kunnen we komen tot Hem, kun je werken.
Zie slechts op Hem: als je hier werkt omdat Christus nog niet is teruggekomen.
Zie hoe Hij trouw is, hoe Hij mensen roept en wint voor Zijn koninkrijk,
Hoe Hij je de kracht geeft om dit werk te doen.
Totdat die dag is aangebroken, dat er geen kerkelijk werkers meer nodig zijn,
geen predikanten, misschien ook geen keukenzetters of verkopers van keukens,
omdat Christus gekomen is en ons tot ZIch neemt in Zijn heerlijkheid.
Met die trouw, die rust in het werk van Christus op Golgotha
en ons klaar maakt om Hem te ontmoeten, bij het avondmaal of bij de Wederkomst,
kan een kerkelijk werker aan de slag in de gemeente
en kan de gemeente zich voorbereiden om aan de tafel van de Heere te komen.
Zie slechts op Hem. Hij, die trouw is, zal het doen.
Amen

Mannen en depressie

Mannen en depressie

Mannen kunnen aanleg voor depressie hebben, omdat:
– ze hebben geleerd dat dat ze niet zwak mogen zijn.
– ze hebben niet geleerd om te praten over wat hen bezig houdt.
– ze willen voortdurend presteren.
– ze hebben een diepe angst om te mislukken.

Mannen hebben vaak geleerd om niet naar hun angst, verdriet of pijn te luisteren. Ze moeten opnieuw leren bij deze gevoelens stil staan (dmv liefdevolle confrontatie). Vaak schamen ze zich dat ze in therapie moeten en verzwijgen bezoeken aan de therapeut voor familie.

Ze verzwijgen hoezeer ze aan prestatiedruk onderdoor gaan.  Onderdrukte gevoelens uiten zich door agressie, geweld en/of anti-sociaal gedrag, door een wegvluchten in werk, alcohol of drugs, tot en met suïcide toe.

Depressie bij vrouwen wordt geregeld gemakkelijker gediagnosticeerd door artsen dan depressie bij mannen. Depressie bij mannen uit zich vaak niet in neerslachtigheid en een verlamd gevoel, maar eerder in overdreven activiteit (waardoor depressie gecamoufleerd wordt.

Dat depressie niet onderkend wordt, komt ook omdat artsen uitgaan van hun eigen stereotypen en mannen zich niet snel bij een arts zullen melden met psychische problematiek.

Wat een man tot een man maakt en wat dat voor pastoraat betekent

Wat een man tot een man maakt en wat dat voor pastoraat betekent


Wie pastorale gesprekken voert met mannen doet er goed aan rekening te houden

  •  met de eigensoortige manier waarop zij communiceren 
  • eigen manier waarop ze naar zichzelf kijken (zelfbeeld)
  • welke voor mannen specifieke thema’s ze in een gesprek aan de orde stellen
  • welke verplichtingen ze aangaan.

Hier is in de afgelopen decennia onderzoek naar gedaan, vooral vanuit gesprekstherapie waaraan mannen deelnemen. Ook is er onderzoek gedaan naar de specifieke manier waarop mannen omgaan met zingeving. De resultaten van deze onderzoeken geven veel inzichten voor hoe pastorale gesprekken met mannen gevoerd kunnen worden.

Socialisatie
Bij deze thema’s – communicatie, zelfbeeld, gespreksthema’s en verplichtingen – is de socialisatie van mannen van groot belang. Socialisatie gaat over de normen en waarden, idealen en verwachtingen die iemand in de opvoeding bewust en onbewust meekrijgt. In een opvoeding worden normen en waarden, idealen en verwachtingen over hoe een man hoort te zijn bewust en onbewust doorgegeven:

  1. Zoals mannen nu zijn, zijn ze omdat ze zo ‘gemaakt’ zijn door hun socialisatie. Ze zijn gevormd door wat ze thuis, in hun omgeving, op school, op hun werk, enz hebben meegekregen en gezien over man-zijn.
  2. Mannen worden mannen doordat ze zelf verwerken wat ze hebben meegekregen en gezien aan normen, waarden, idealen, opvattingen en verwachtingen over man-zijn. Daar kan een nadrukkelijke keuze aan ten grondslag liggen. Dit proces kan ook heel onbewust gaan.

Deze socialisatie gebeurt niet alleen in de vroege kindertijd, zoals lang gedacht wordt, maar is een levenslang proces vanaf de kindertijd en gaat via (post)adolescentie en volwassenheid door tot in de hoge ouderdom.

Aangeboren of aangeleerd?
Het is de vraag hoe het komt dat mannen de mannen worden die ze zijn. Is dat aanleg en aangeboren? Of is dat opvoeding, socialisatie, aangeleerd? Dit is het beroemde debat tussen nature en nurture. In die discussie zijn de volgende modellen:

 

  • Neurobiologisch: omdat mannen genetisch anders in elkaar zitten, hebben ze ook een andere ontwikkeling.

 

  • Persoonlijkheidpsychologisch: mannen zijn het ‘extreme geslacht’. Mannen zijn zowel in de intraverte kant als de extraverte kant extremer dan vrouwen. Ook als het gaat om intelligentie of geestelijke beperking zijn volgens de personlijkheidspyschologie bij mannen extremere varianten te vinden dan bij vrouwen.
  • Evolutiebiologisch: de man als jager. Hoe mannen zicht ontwikkelen gaat ver terug tot in de oertijd.
  • Psychoanalytisch: het drama van Oedipus. Mannen ontwikkelen zich volgens de psychoanalyse in hun vroege kindertijd als afgrenzing van wat typisch vrouwelijk is. Mannen voelen zich door nabijheid en intimiteit bedreigd in hun mannelijkheid. Later groeit dit uit tot een onbewust drama, waarbij de opgroeiende jongen de concurrentie aangaat met zijn vader om de moeder en zich in toenemende mate met zijn vader gaat identificeren.
  • Humanistisch-psychologische duiding: vervreemding van het ware zelf. Mannelijkheid ontstaat doordat jongens leren hun primaire verlangens en behoeften te onderdrukken. Wat anderen van hen verwachten, gaan ze ook van zichzelf verwachten.
  • Leertheoretisch: tot man gedresseerd worden. Mannelijkheid ontstaat door een proces van conditionering, versterking en modellering van gedrag naar modellen van mannelijkheid.

 

 

Wat een man tot man maakt staat dus in geen geval vast. Dat biedt voor het pastorale gesprek de ruimte om met de gesprekspartner te verkennen hoe hij zichzelf ziet als man, hoe de socialisatie is geweest, welke verwachtingen, idealen, normen en waarden hij heeft meegekregen en welke hij zelf heeft.
Daarbij moet bedacht worden: mannen zijn geen slachtoffer van de omstandigheden. Man-zijn en man-worden is een project, een taak om zichzelf als man verder te ontwikkelen. Uit onderzoek blijkt: ‘Mannen gunnen zichzelf deze ontwikkeling.’ (Onderzoek van Rainer Volz en Paul M. Zulehner). Pastoraat met mannen betekent volgens Kuratle en Morgenthaler mannen begeleiden en te versterken in deze ontwikkeling van zichzelf.

Veranderbaar zelfbeeld
In pastorale gesprekken met mannen is het goed om te beseffen dat er talloze varianten zijn op wat een man tot een man maakt:

  • Zo maakt het bijvoorbeeld uit of iemand een traditioneel beeld heeft van wat een man tot een man maakt of juist een modern beeld. Dat zijn twee uiterste polen. Daarbinnen zijn nog varianten mogelijk: een pragmatisch zelfbeeld of een man die onzeker is en zoekt naar wat een man tot man maakt.
  • Hoe een man een man is of zich als man ziet, hangt sterk af van het sociale milieu waarin hij is opgegroeid en van het milieu waarin hij nu verkeert (of zou willen verkeren).
  • Wat een man tot man maakt verschilt per generatie en per cohort (leeftijdsgroep die gekenmerkt wordt door dezelfde maatschappelijke en historische gebeurtenissen meemaakt).

Dat houdt in dat wat een man tot een man maakt niet vastligt, per sociaal milieu en per generatie kan verschillen. Het beeld van wat een man maakt ligt niet vast en is dus veranderbaar, kneedbaar. Die mogelijkheid tot veranderen is kenmerkende trek voor wat een man tot een man maakt.

Project
Lange tijd werd gedacht dat er een soort oerkern was wat een man tot man maakt. Mannelijkheid is dan een essentie. Wie onzeker is over zijn eigen rol en beeld als man, hoeft alleen maar in zichzelf te graven om het beeld boven te krijgen. Hedendaagse populaire visies die hier vanuit gaan zijn De ijzeren man (The Iron Man) van Robert Bly en De ongetemde man van John Eldredge. Volgens Kuratle en Morgenthaler gaan deze visies de complexiteit uit de weg en vluchten ze weg in ongezonde beelden. Het is veel zinvoller om ervan uit te gaan dat man-worden en man-zijn een ingewikkeld levenslang project is, waarbij een man verschillende rollen moet combineren.
Veel mannen hebben trouwens te maken met een veranderde beeld van wat een man tot een man maakt: ze zien een verschil tussen hoe ze zichzelf beleven en welke opvattingen hun omgeving heeft. Dat kan innerlijke spanningen geven. Veel mannen, zeker van de wat oudere generaties, zijn in de weer met de traditionele opvattingen die ze hebben meegekregen en zoeken naar een nieuwe identiteit en nieuwe invulling. Van belang is het om deze mannen te laten weten dat man-zijn geen vaste identiteit is, maar een beeld dat zich kan ontwikkelen. Dat biedt een kans: hun mannelijkheid wordt een creatief onderdeel van hun bezig-zijn met het zoeken en vinden van hun identiteit. Mannen kunnen door deze zoektocht overvraagd worden, maar die zoektocht naar identiteit als man kan juist ook een motor zijn om veranderingen in gang te zetten en iets te laten zien.

Pastoraat als hulp bij de zoektocht naar de identiteit als man
Pastoraat aan mannen kan helpen bij die zoektocht:

  • door een diversiteit aan beelden, rollen, verwachtingen en normen aan te bieden over wat een man een man maakt.
  • door hen in gesprek te gaan over hoe zij zichzelf ervaren in hun rol als man.
  • Door hen te helpen om een manier te vinden waarop zij kunnen omgaan met wat ze hebben meegekregen en waar ze naar toe willen groeien.

‘Pastoraat aan mannen schept ruimte, zodat mannen beelden van man-zijn, die voor hen persoonlijk relevant zijn, preciezer kunnen waarnemen, net als de daarbij behorende conflicten en mogelijkheden. Dan kunnen zij zich er kritisch toe verhouden.’ (p. 97). Deze zoektocht is erg ingewikkeld en kan gepaard gaan met schaamte en verloopt vaak anders dan de vast gevormde voorstellingen over wat een man tot een man maakt. Ervaringen van discrepantie worden vaak verzwegen. Deze zoektocht moet ook anders verlopen dan de vaste vormen, want anders kan de zoektocht niet bevredigend zijn. Identiteit is niet te verkrijgen zonder het risico een ander te worden.

In het pastorale gesprek dient de pastor ervan uit te gaan dat de zoektocht naar de identiteit als man een zoektocht is die nooit afgesloten kan worden. De pastor ondersteunt de man in zijn zoektocht en begeleidt hem, waarbij de pastor oog heeft voor en sensibiliteit heeft voor de complexiteit van de zoektocht van deze man en voor wat anders en speciaal is juist aan deze man.

Gender-gevoelige sleutelvragen:

  • Hoe schaalt u uzelf als man in? (0= watje, 10=superman). Waar staat u? Waardoor zou u op de schaal een stap opzij naar links of naar rechts kunnen doen?
  • Hoe denkt u dat u als man zou willen zijn? Bent u werkelijk zo? Hoe goed past wat u wil zijn bij hoe u bent? Wanneer merkt u overeenstemming? Wanneer is er een verschil tussen wat u wil zijn en hoe u bent?
  • Zijn er uitzonderingen in dit gedrag (als man)?
  • Hoe zou uw partner of uw dochter u als man beschrijven? Wat doet u in haar ogen op verschillende terreinen (werk, relaties, openbaar optreden) anders dan andere mannen?
  • Geeft de rol als man u stress? Geeft de rol u vleugels? Verlamt de rol u?
  • Wat is uw wapen als man? Wat is als man uw achilleshiel?
  • Stel dat u een oude man bent, die tevreden is over het leven dat hij heeft geleid. Wat zou dan als u terugkijkt wezenlijk voor u geweest zijn? Waarin zou u geslaagd zijn? Wat zou u anders doen? Welk advies zou u aan een opgroeiende jongeman geven?
  • Wat denkt u hoe ik over u als man denk? Welk effect heeft dat op uw gedrag in ons gesprek?


(volgende bijdrage gaat over zingeving door mannen)

N.a.v. David Kuratle & Christoph Morgenthaler, Männerseelsorge. Impulse für eine gendersensible Beratungspraxis (Stuttgart: Verlag W. Kohlhammer, 2015) 88-99

Overdenking middagdienst 15 september 2019

Overdenking middagdienst 15 september 2019
Kolossenzen 3:12-17

Twee weken geleden waren we in een klein kerkje in het land van Maas en Waal.
Er waren meer Oldebroekers aanwezig in de diensten op die zondag
omdat Jasper Lensen werd bevestigd tot predikant.
Na afloop van de morgendienst sprak ik met een van de kerkenraadsleden.
Hij had zo genoten van het zingen in de dienst.
Nu kunnen ze daar in Poederoijen zelf ook best zingen,
maar met de aanwezigheid van Oldebroekers had hij echt gemerkt in de kerk.
Het had de vreugde, die er al was door de komst van weer een eigen predikant,
nog meer vergroot.
Als je het hebt over samen gemeente zijn, kun je niet om het bij elkaar komen op zondag
en om het zingen tijdens de dienst heen.
Want samen gemeente zijn gebeurt niet alleen op de Bijbelkring of op gemeenteavonden,
dat zeer zeker ook, en ik ben blij dat ze er zijn,
maar ook op zondag als je bij elkaar komt en samen zingt.

De dichter Willem Barnard verwoordde dat eens in een gedicht:

Tussen het zingende kerkvolk

Soms, als ze hun longen te boven zingen,

het dak bol staat van geluid,

kijk ik mijn ogen uit:

alles verandert, de dingen

staan stil te dansen, het altaar haast swingende,

pinkstertongen worden de kaarsen en de gezichten

van de gewoonste stervelingen glanzen van licht.

Ik verwonder mij tot ik versta:

zonder die tranen in mijn ogen

had de wereld zich niet bewogen,

gingen de dingen niet opgetogen


al dat geloven achterna.


Wat zouden we zijn als we als gelovigen niet meer zouden kunnen zingen?
Dan zou ons geloof heel wat kouder zijn, minder opgetogen, meer wankel.
Hoe vaak gebeurt het niet, dat je iets zingt dat haast niet te geloven is,
maar je zingt het en omdat je het zingt samen met anderen, ga je het weer geloven.
We zongen de geloofsbelijdenis, een versie van Jaap Zijlstra:
Ik geloof in God de Vader
die een bron van vreugde is
Dat kun je gewoon zeggen en dan is het ook waar,
maar als je het zingt, krijgt het nog meer een vorm van lofprijs
en neemt het ons nog meer mee.
Door te lijden en te sterven
– groot is het geheimenis –
schenkt Hij mij het eeuwig leven
dat uit God en tot God is.

Je kunt tobben of dat eeuwige leven wel voor je bestemd is,
maar dan heb je wel net gezongen dat God het ook aan jouzelf geeft:
schenkt Hij mij het eeuwig leven.
Dat getob is even weg en je zingt het met overgave.

We zongen over eeuwig leven.
Er zijn momenten waarop het soms moeilijk te geloven is dat er een eeuwig leven is,
dat je geloof wordt aangevochten.
Dan is het nodig om ervan te zingen, dat je het weer weet, weer gelooft:
Er is een eeuwig leven en God schenkt dat. Hij schenkt het ook aan mij.

Toen mijn opa werd begraven, ik was 12 jaar, het was mijn eerste begrafenis,
zongen we bij het uitdragen van de kist ‘k Heb geloofd en daarom zing ik.
We zongen van genade, van ontferming en verlossing,
door het bloed van Golgotha.
Later in mijn tienertijd werd geloven voor mij moeilijker, omdat ik ging twijfelen
of er wel een God was, of er wel eeuwig leven was.
Ik leerde de eerste regel van het lied,
dat gezongen werd bij de begrafenis van mijn opa en dat ik daarna nooit meer vergat,
om te draaien: Ik zing opdat ik geloof.
Er zijn momenten, tijden in je leven, waarop je niet zingt, omdat je gelooft,
maar zingt om te gaan geloven, om weer moed te krijgen,
om er boven uitgetild te worden.
Het is niet voor niets volgens mij dat veel melodieën van psalmen en gezangen te hoog zijn.
Ik moest een keer een groep mannen begeleiden tijdens een kerstviering.
Ik kon de toonhoogte van het orgel stellen. Ik zette de toonhoogte stukken lager.
De mannen genoten, want nu konden ze bij de juiste toon en konden ze voluit zingen.
Ze hoefde niet meer een octaaf lager te zingen.
Het is niet voor niets, dat de melodieën hoog zijn.
Het is bedoeld om ervoor te zorgen, dat je boven je uit gaat zingen.
Dat als je niet kunt geloven, dat je meegenomen wordt, door de melodie
op de juiste toonhoogte om God te loven.

Kun je nog zingen, zing dan mee.
Zo heette het boekje dat we vroeger gebruikte op de zondagsschool.
Soms kun je niet zingen, omdat het niet kunt geloven.
Als je verdrietig bent, omdat iemand gestorven is,
Als je teleurgesteld bent, in mensen of in God, is het niet makkelijk om te zingen.
Dan mompel je maar wat mee, als je al je mond kunt open doen.
Aan Niek Schumann, hoogleraar Liturgiek in Kampen, werd eens tijdens college gevraagd:
‘Gelooft u nu alles wat u zingt?’
‘Natuurlijk niet! Ik zing het opdat ik het gá geloven.’
We lazen met elkaar enkele verzen uit Kolossenzen:
onderwijs elkaar en wijs elkaar terecht, met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen.
De manier waarop het geschreven is, is vreemd.
Tenminste, je zou er een ‘en zing’ tussen verwachten.
onderwijs elkaar en wijs elkaar terecht, en zing psalmen, lofzangen en geestelijke liederen.
Het staat er echter niet. Je kunt ook het zo lezen,
dat je elkaar als gemeenteleden vermaant en onderwijst door te zingen,
Voor de ander te zingen, met de ander te zingen,
zo te zingen dat je de ander meeneemt in de lof op God,
meeneemt in het vertrouwen dat de ander op dat moment niet heeft.
In deze brief komen die woorden onderwijzen en elkaar terecht wijzen ook voor:
in hoofdstuk 1:28: onderwijs en terecht wijzen,
met als doel zodat iedereen volgroeid is in Christus.
Onderwijzen en terecht wijzen hebben met opvoeden te maken,
iemand te laten rijpen tot volwassenheid.
Dat doe je door onderwijs te geven: uitleg over hoe het leven in elkaar zit.
Dat doe je ook iemand terecht te wijzen wanneer dat nodig is.

Ik las een keer bij een hoogleraar Godsdienstpedagogiek,
die een keer een kleinzoon meemaakte tijdens een bruiloft:

Toen mijn oudste kleinzoon 15 jaar oud was, hadden wij een bruiloft van een vriendin van de familie. Tijdens de bruiloft zag ik dat mijn kleinzoon in een boek las. Ik vroeg hem naderhand wat hij gelezen had. Een krimi, zei hij. Vanuit mijn liberaliteit heb ik toen gezwegen en geleden. Later dacht ik: wat heb ik deze mens eigenlijk aangedaan door hem niet te laten merken hoe ik erover dacht? Hoe moet hij sterk worden als hij mij steeds meemaakt met de vriendelijkheid van een weekdier? Toen zei ik tegen hem: “Het was laf en respectloos. Je hebt geen respect getoond voor wat voor anderen heel belangrijk was. Je was laf door erbuiten te blijven staan als het je niets zegt.” Later hebben wij een mooi en ernstig gesprek hierover gehad. Dat had ik heb ontnomen als ik niets had gezegd.

Deze hoogleraar zei: je wordt alleen sterk als je ook weerstand krijgt.
Dat geldt ook voor het geloof in Christus: je groeit alleen naar volwassen geloof,
Als je ook weerstand krijgt.
Als je hoort wanneer je je teleurstelling moet opgeven,
of het blijven hangen in twijfel kinderachtig wordt,
of als je voor de zoveelste keer geen gehoor geeft aan de uitnodiging om aan het avondmaal te gaan, of belijdenis doen weer voor je uitstelt.
Elkaar opvoeden én terecht wijzen. Dat kan dus ook door te zingen.

Een mooi voorbeeld – waar ik mee wil afsluiten – is Paulus zelf.
Toen hij in de gevangenis zat in Filippi.
Daar zitten ze in de inktzwarte duisternis van deze vochtige gevangenis. Onterecht beschuldigd, tot bloedens toe geslagen, hun voeten in blokken. Zij hebben verkondigd hoe Jezus de Heer van de wereld was, de redder van de kosmos. Elk klein hoekje van deze wereld behoort Hem toe. En nu overkomt hen dit.

Paulus stelt voor om te gaan zingen.

‘Zingen? Nou, vooruit,’ zegt Silas weinig enthousiast, ‘jij begint.’

Paulus begint te zingen uit Psalm 9 (misschien was het de oude berijming uit het oude psalmboekje van lang geleden):

Ik zal met al mijn hart den Heer’,

blijmoedig geven lof en eer.

Je kunt Paulus onmiskenbare bas de psalm vol overgave horen zingen. Silas gaat meezingen met een onzekere tenorstem.

Mijn tong zal mijn gemoed verzellen

en al Uw wonderen vertellen.

Twee Joodse mannen van middelbare leeftijd die een thuis zoeken in deze donkere wereld door samen een psalmduet te zingen. Je kunt je erover verbazen. Jezus is Heer van deze wereld. Elk klein hoekje behoort hem toe. Werkelijk!
We hebben elkaar nodig in de gemeente: ook om samen te zingen.
Om gedragen te worden door het geloof van elkaar ook tijdens het zingen.
Als de een niet kan zingen, niet kan geloven, dan zingen wij als anderen voor die ander
en geloven voor die ander, tot hij of zij dat zelf weer kan.
Zo zijn we als gemeente door God aan elkaar gegeven,
om elkaar op te bouwen in het geloof.
Amen

Preek zondag 15 september 2019 – morgendienst

Preek zondag 15 september 2019 – morgendienst
Start van het winterwerk en presentatie doelen diaconale winteractie
Thema: Kom, doe mee! (aangereikt door HGJB). Schriftlezing: Nehemia 2.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is feest in het paleis, een groot feest dat door de koning is georganiseerd.
Voor dit feest heeft Nehemia de opdracht gekregen om voor de wijn te zorgen,
een belangrijke taak die hij heeft gekregen,
Want er mag natuurlijk alleen maar de beste wijn geschonken worden.
De wijn zal er aan bijdragen dat de vreugde van het feest alleen maar groter wordt.
Want wijn verdrijft de somberheid en zorgt ervoor dat mensen vrolijk zijn.
Somberheid kun je tijdens zo’n feest niet gebruiken.
Maar Nehemia is wel somber.
Terwijl iedereen om zich heen vrolijk is en in stemming komt voor het feest
dat straks groots gevierd zal worden, voelt Nehemia zich eenzaam
tussen al die vrolijk gestemde mensen.
Hij kan niet vrolijk zijn.
Ook al is het voor hemzelf deze maand een bijzondere maand,
want in deze maand Nisan wordt Pesach, Pascha gevierd,
het feest waarop Israël viert dat het uit Egypte werd bevrijd en mocht gaan
naar het beloofde land in Kanaän.
Hij is somber, omdat hij moet denken aan die andere feestmaand,
Waarop zijn broer uit het verre Juda bij hem in Susa kwam,
het was de maand kislew, de maand waarin herdacht werd
dat de tempel weer in gebruik genomen werd,
dat er in Jeruzalem weer tot God gebeden kon worden, dat er geofferd kon worden.
Dat was mooi nieuws en het was fijn om zijn broer na zo’n lange tijd weer te zien,
maar wat zijn broer vertelde over Jeruzalem houdt hem nog steeds bezig.
Ook nu tijdens het feest dat de koning organiseert.
Zijn broer vertelde dat de mensen die in Jeruzalem woonden het erg moeilijk hadden.
Het gaat slecht met hen, want ze worden door iedereen bespot,
omdat de stad geen muren en poorten meer had.
De muren en poorten waren verwoest en door het vuur verbrand.
Een teken dat de stad door God gestraft was en in de steek gelaten.
De stad was zonder bescherming.
Wilde dieren konden de stad zomaar binnen komen en voor gevaar zorgen.
Rovers en dieven konden ‘s nachts de stad binnen komen om te stelen.
Het had Nehemia geraakt, want Jeruzalem was niet zomaar een stad,
maar de stad van God.
De Heere had deze plek uitgekozen: daar in Jeruzalem stond Zijn troon op aarde.
Daar kon je naar de Heere toe gaan om raad te vragen in belangrijke kwesties,
om genezing als je ziek was, om bescherming voor als je onderweg moest.
Sinds kort was de tempel weer herbouwd, maar de stad was nog incompleet.
Sterker nog, een gewonde stad, zonder enige bescherming.

Als hij tijdens het feest rondloopt om te kijken of het goed gaat met de wijn
en om te kijken of hij voor de koning nog wijn kan inschenken,
moet hij denken aan de stad Jeruzalem
en ziet voor zich hoe de graven van zijn voorouders door rovers zijn geplunderd.
Hij kan gewoon niet vrolijk zijn.
Toen zijn broer bij hem gekomen was met dat verhaal over Jeruzalem,
de stad die nog steeds verwoest was, vroeg hij zich af waarom hij hier in Susa was,
zoveel duizenden kilometers van Jeruzalem vandaan.
Waarom was hij niet daar in Jeruzalem? Daar in de stad van God zou hij iets kunnen doen!
Is er soms een reden, waarom hij hier aan het hof van de koning een belangrijke taak heeft,
zoals later Esther gekozen werd tot koningin om het volk te redden?
Nehemia besluit om dat aan de Heere voor te leggen, de God Israël,
de God van zijn voorvaderen, de Heere die Jeruzalem heeft uitgekozen om er te wonen.
We hebben daar een naam voor, voor het tijd nemen voor God om je vragen voor te leggen:
Stille tijd.
Hij heeft een speciale vraag aan God:
Wilt U ervoor zorgen dat de koning helpt om mijn plannen uit te voeren.
Nu loopt hij op het feest, terwijl hij denkt aan Jeruzalem en ook aan zijn gebed.
Hij voelt spanning in zich: zou de koning hem willen helpen?

De koning ziet dat er met Nehemia iets aan de hand is.
Hij ziet dat het gezicht van Nehemia anders staat.

Zou er iets met hem aan de hand zijn? Zou hij ziek zijn?
Hij vraagt het aan Nehemia: “Wat is er met je aan de hand? Je ziet er zo anders uit!”
Nehemia had wel gehoopt dat de koning hem zou willen helpen,
maar of hij erop had gerekend?
In zijn hart is er een gebed tot God in de hemel, Die hoger is dan iedereen
En ook in staat is om het hart van de koning aan te sturen,
zodat de koning van Perzië bereid is om Nehemia te helpen
met zijn plan om iets voor Jeruzalem, dat zoveel verder ligt.
Nehemia heeft de hulp van de koning nodig,
want hij zal heel wat tegenslag krijgen onderweg.
Er zullen mensen zijn die niet willen dat de muur overeind komt
En het juist mooi vinden als Jeruzalem zo kwetsbaar is.
Dan kunnen zij van buitenaf de baas spelen over Jeruzalem, of makkelijk aanvallen.
Hij beseft dat hij daarom ook niet zonder Gods hulp kan.
Daarom bidt hij tot God, een gebed in zichzelf.
De aardse koning hoort het niet, maar de hemelse koning, de God van de hemel wel.

De koning stemde ermee in,
maar nu was het zijn beurt om somber te worden.
Hij was blijkbaar op Nehemia gesteld.
Een muur is niet zo maar gebouwd, dat kost veel tijd.
Een muur bouwen kun je niet alleen.
Het bouwen van een muur is net als in de werken in de kerk: dat kun je niet alleen.
Je hebt anderen nodig.
Bij de bouw van een muur, en ook bij het werken in de kerk, heb je een team nodig.
Je hebt elkaar nodig: door samen te werken kun je pas echt wat bereiken.
Soms is het wel nodig als er een is die begint, het voortouw neemt,
zoals Nehemia het gevoel krijgt dat hij iets moet doen voor Jeruzalem, de stad van God.
Of iemand die begint met het idee om een gemeentedag te organiseren,
waarbij anderen kunnen aanhaken en kunnen meedoen.
Daarom: Kom doe mee!
We hebben elkaar nodig als gemeenteleden, om de weg van Christus te gaan
en met Gods hulp de gemeente helpen bouwen.

Na een lange reis komt Nehemia aan.
Bij zijn aankomst weet niemand wat hij komt doen.
Zouden ze aangevoeld hebben wat Nehemia kwam doen?
Of was het niet opgevallen.
Nadat hij is aangekomen, doet Nehemia de eerste paar dagen niets.
Waarschijnlijk moet hij uitrusten van de reis.
Enkele dagen nadat hij is aangekomen, wil Nehemia toch weten
Wat er aan de hand is, hoe de stad erbij ligt.
Hij heeft gehoord dat de stad er niet best bij lag, van zijn broer.
Hij heeft er iets van gezien toen hij in de stad kwam.
Nu wil hij met eigen ogen kijken wat er nodig is,
Hij is hier niet gekomen om niets te doen. Er is actie nodig.
Want anders blijft de situatie zo.
Als Nehemia iets wil gaan doen, moet hij wel eerst weten wat er nodig is.
Er moet een aanpak komen, idee voor wat er allemaal nodig is.
Je kunt niet zomaar beginnen.
Dat geldt voor het werk in de gemeente ook:
Soms is er ook actie nodig, moet er wat gedaan worden:
Een tov-groep geleid, catechisatie gegeven, huisbezoeken afgelegd.
Daar heb je voorbereiding voor nodig.
Je moet weten wat er nodig is, wie je moet bezoeken of wat je moet vertellen over God.
Er is dit seizoen ook een andere actie: De diaconale winteractie.
Elk jaar weer halen we geld op voor goede doelen.
Ook dit jaar weer 3 doelen, waarmee we organisaties steunen die het geloof uitdragen.

Die nacht gaat Nehemia op pad.
Hij gaat ‘s nachts, omdat hij nog niet wil dat anderen weten, waarom hij hier is.
Hij wil de stad rond om te zien hoe het met de muur is,
om te zien wat er allemaal gedaan moet worden.
In het donker gaat hij op pad.
Onderweg schrikt hij en zijn schrik wordt steeds groter.
De hele stad is een ruïne, de stad van God ligt er onbeschermd bij.
Op bepaalde plekken kan hij niet komen door de stenen die er liggen.
Nehemia had gehoord dat het erg was met de muur, maar zo erg?
De volgende morgen gaat Nehemia vertellen over het doel van zijn komst,
Dat hij gekomen is om de muur van de stad te herbouwen.
Dat hij dat niet alleen kan maar ook de hulp van de inwoners nodig heeft.
Samen kunnen ze bouwen.

Er zijn ook mensen, die als ze van het plan horen, er niet blij mee zijn.
Die mensen wonen niet in Jeruzalem, maar ergens anders in het land.
Zij vonden het wel prettig als de muur van de stad niet was herbouwd.
Want dan konden zij de baas spelen over Jeruzalem,
of dreigen de stad aan te vallen.
Er ontstaat ruzie tussen Nehemia en de mensen die buiten de stad wonen.
Zij zeggen tegen Nehemia: Wat jij doet is verkeerd.
Je wilt in opstand komen tegen de koning van Perzië.
Je mag de muur van de stad niet herbouwen.
Nehemia is echter niet bang, want hij heeft iets bijzonders: Rust in God.
Hij weet: de Heere heeft mij hier gebracht. Hier is mijn taak.
En als God mij roept om deze taak uit te voeren, zal Hij mij helpen en beschermen.
Door de muur om de stad heen, heeft de stad weer een toekomst:
Ze zijn veilig achter de muur.
De muur is meer dan een stenen muur alleen.
De muur staat voor de bescherming die God geeft.
Er was al een tempel in de stad: God woonde er al. Hij had er al Zijn huis.
Nu is er ook een muur: een teken dat God de stad beschermt.
Je kunt naar God toe als je bescherming zoekt: Toevlucht.
De psalmen zingen er steeds van (en ook andere liederen)
dat we een toevlucht bij God kunnen vinden.

Dit verhaal van Nehemia kun je ook toepassen op wat een gemeente nodig heeft.
Ook de gemeente heeft een muur nodig: bescherming tegen gevaar van buitenaf.
Daarmee bedoel ik niet de mensen van buitenaf,
zoals Nehemia last had van mensen die buiten de stad woonden.
Maar een muur, die ons beschermd tegen gevaar van de duivel,
die de gemeente wil binnendringen en mensen wil weghalen bij God vandaan.
Kom doe mee, zegt Nehemia tegen de leiders van Jeruzalem.
Ik kan het niet alleen, ik heb jullie hulp nodig, zoals ik ook de hulp van de koning nodig heb.
MEt de hulp van anderen kunnen we zien dat God helpt.
Zo hebben we in de gemeente ook de hulp van elkaar nodig.
We kunnen het niet alleen. Het geldt ook voor de gemeente: Kom doe mee.
Daarom: Kom, doe mee. Zet je in voor de gemeente,
Om je handen uit de mouwen te steken en je steentje bij te dragen,
maar ook om je handen uit de mouwen te steken om te bidden.
Wat is er dan nodig?
Gebed, toewijding aan God, zoals Nehemia ook steeds aan de Heere dacht}
en eerst alles aan de Heere voorlegde.
Daarom beginnen we de kerkdienst ook in de kerk,
omdat we niet zonder Gods zegen en kracht kunnen.
Om de gemeente te bouwen zijn er twee dingen nodig: bidden en werken.
Als je bidt, moet je niet met de armen over elkaar gaan zitten.
Want het kan zijn, dat God juist jou iets wil laten doen.
Onze actie kan ook niet zonder gebed. Want als we wel aan de slag gaan,
Wij bouwen – maar we kunnen het niet alleen.
Als God de stad niet bouwt, zegt Psalm 127, bouwen we tevergeefs.
Als God de gemeente niet opbouwt, is alles tevergeefs wat we doen in de kerk.
Hoe hard we ook werken, hoeveel activiteiten we hebben, hoeveel geld we ophalen.
Daarom zingen we ook:
Heft uw handen naar omhoog,
slaat naar het heiligdom uw oog
en knielt eerbiedig voor Hem neer.
Dan mogen we van de Heere ook iets verwachten:
De zegen van de Heere, die over ons daalt. Zijn gunst die uit Sion over ons straalt.
Amen