Was de oorlog in Irak een gerechtvaardigde oorlog?

Was de oorlog in Irak een gerechtvaardigde oorlog?

De oorlog in Irak houdt al enkele jaren de gemoederen bezig. Vooral omdat veel mensen deze oorlog niet legitiem vinden. Men beschouwt het als een privé-oorlog van Bush en zijn vrienden. Was de invasie in Irak te rechtvaardigen?

 Pacifisme

Er zijn christenen die oorlog voeren helemaal afwijzen. De principiële pacifisten beroepen zich op de boodschap van Jezus. Hij riep op om de vijand lief te hebben en onrecht geduldig te ondergaan. Als Jezus tegen geweld was, waarom mogen zijn volgelingen dan wel geweld gebruiken? De principiële pacifist wijst de oorlog in Irak af, omdat het niet past bij de leer van Jezus.

Er zijn ook christenen die om pragmatische redenen pacifist zijn. Zij zijn van mening dat oorlog gewoon niet werkt. Kijk maar naar het Midden-Oosten. De Amerikaanse invasie heeft er alleen maar een grotere puinhoop van gemaakt.

 Kruisvaarders

Er zijn ook christenen die van mening zijn, dat een oorlog in bepaalde gevallen wel moet gevoerd worden. Zoals God vecht tegen het kwaad, dienen de christenen ook het kwaad te bestrijden. Bush lijkt af en toe in dit kamp te zitten. Hij heeft aan het begin van de oorlog gezegd dat het Gods wil was.

Dit standpunt leidt gemakkelijk tot demonisering van de tegenstander. En dan is het minder erg als er bij de vijand veel slachtoffers vallen. Het gevaar is ook dat de kruisvaarder God wel erg vanzelfsprekend aan zijn kant heeft. Bovendien kan een tegenstander een verkeerd beeld krijgen van God. Als een oorlog in naam van God gevoerd wordt, strijdt men dus tegen deze God.

 De gerechtvaardigde oorlog

Er zijn ook christenen die een oorlog onder bepaalde omstandigheden kunnen rechtvaardigen. Binnen de christelijke ethiek heet dit de theorie van de rechtvaardige oorlog.Het is dan heel belangrijk om aan een aantal criteria te voldoen. Niet elke oorlog is te rechtvaardigen.

De aanleiding om een oorlog te beginnen moet te rechtvaardigen zijn. Men kan geen oorlog beginnen uit eigenbelang, bijvoorbeeld om een olieveld te bemachtigen of om een strategisch punt te veroveren. Een aanleiding is alleen te rechtvaardigen als er een recht wordt hersteld. Dit recht is geschonden door een ander land of een ander leger. Men is aangevallen door een ander. Er is een staatsgreep gepleegd. Er dreigt een genocide. Als een oorlog het geschonden recht herstelt, is een oorlog rechtvaardig.

Men kan niet op eigen houtje een oorlog beginnen. Alleen een rechtmatige regering van een land dat door andere landen is erkend kan een oorlog voeren.

Men moet wel alles in het werk stellen om een oorlog te voorkomen. Een oorlog is een uiterste middel. Men moet het zien te voorkomen. Men moet ook het idee hebben dat de oorlog op een redelijke manier gewonnen kan worden. Als men een zinloze oorlog start, wordt het onrecht alleen maar meer in plaats van minder. Voorafgaande aan de oorlog moet men de oorlog verklaren.

 Tijdens een oorlog

Maar de theorie van de rechtvaardige oorlog stopt niet bij de oorlogvoering. Ook tijdens de gevechten moet men rekening houden met het recht.

Men moet een onderscheid maken tussen soldaten en burgers. Dit onderscheid is in de twintigste eeuw niet meer makkelijk te handhaven, maar geldt nog wel. Men moet alles doen om te voorkomen dat er burgerslachtoffers vallen. Maar soms dan vallen er burgerslachtoffers omdat de tegenstander burgers gebruikt als menselijk schild. Vaak doen ook burgers mee in gevechten.

Het geweld dat men gebruikt binnen een oorlog moet niet uit de hand lopen. In de twintigste eeuw zijn bepaalde wrede wapens, zoals gifgas en bepaalde mijnen, eigenlijk niet meer toegestaan.

Bij een oorlog denken we vaak aan de Tweede Wereldoorlog. Deze oorlog voldoet echter op een aantal punten niet aan de bovengenoemde criteria. Zo hebben ook de geallieerden bewust hele steden gebombardeerd, waardoor er ook veel burgerdoden waren te betreuren. Bovendien hadden die bombardementen een tegenovergestelde effect. De bombardementen hadden het doel om het moreel van de burgers te breken, maar het effect was tegenovergesteld.

 Irak

Er was een aantal redenen om de oorlog tegen Irak te beginnen: Regime change: ook de tegenstanders van de oorlog waren er over eens, dat Irak én het Midden-Oosten beter af waren als Saddam Hoessein verdwenen was. Irak stond bekend als de Republiek van de Angst. Massavernietigingswapens: Saddame Hoessein had laten zien dat hij rustig massavernietigingswapens gebruikte. Een mogelijke verbinding tussen alQaida en Irak. Dit verband was niet aangetoond, maar was in de toekomst wel mogelijk. Door 11/09 werd deze reden acuut. Saddam Hoessein leefde VNsancties niet na.

Het is makkelijk praten achteraf. De massavernietigingswapens zijn niet gevonden. Maar voorafgaande aan de oorlog was iedereen ervan overtuigd, dat als hij ze had, hij ze ook zou gebruiken. Een privé-oorlog van Bush is het desondanks niet. Ook Clinton schaarde zich achter de aanval. Onder zijn bewind werd de invasie reeds voorbereid en ook hij heeft Irak aangevallen (1998).

De tegenstanders van de oorlog voerden als bezwaar aan, dat de VS de VN-Veiligheidsraad wilde omzeilen. Deze raad heeft echter in het verleden laten zien, dat zij niet daadkrachtig kon optreden. Voor de theorie van de rechtvaardige oorlog is het preventieve karakter van de oorlog een probleem. De theorie ging uit van een situatie waarin men aangevallen werd. Bij een preventieve aanval is men zelf een agressor.

Waren er geen andere middelen dan oorlog? De economische sancties hielpen nauwelijks, want troffen vooral de burgerbevolking en niet het bewind.

Een rechtvaardige oorlog?

Wanneer men een preventieve aanval goedkeurt, kan de oorlog in Irak worden gerechtvaardigd. Maar men heeft de gevolgen van de oorlog niet goed ingeschat. De VS hadden de intentie om in Irak een democratie te vestigen. Juist het punt van de wederopbouw laat zien dat men voorzichtig moet zijn met een preventieve aanval. Is de chaos in Irak niet een groter probleem dan de dictatuur van Saddam Hoessein? En heeft deze preventieve aanval niet nieuwe vijanden gecreëerd? De situatie van na de oorlog moet binnen de theorie nog grondig worden overdacht. Maar dat geldt ook in situaties van de VN-vredeslegers.

Ik denk dat het goed is om als christenen kritisch te zijn over een oorlog. Niet elke oorlog is te rechtvaardigen. Maar dat moet wel vooraf worden gezegd en niet achteraf als het uit de hand loopt.

  ds. M.J. Schuurman, Ilpendam-Watergang

Geloof en politiek – meditatie n.a.v. Jes. 14:16-17

Geloof en politiek

 16 Wie u zien, beschouwen u, letten op u: Is dit de man, die de aarde deed sidderen, die koninkrijken deed beven; 17 die de wereld tot een woestijn maakte en haar steden afbrak; die zijn gevangenen niet naar huis liet keren?       (Jesaja 14: 16-17)

 Wie een machtig volk regeert, denk al gauw dat hij de gehele wereld regeert. We zien dat in het grote wereldgebeuren. Landen die veel macht hebben, kunnen hun wil opleggen aan andere, zwakkere landen.

Aan de andere kant kan er ook veel respect zijn voor de macht van een groot land. Zo’n land moet omzichtig benaderd worden. Principes, zoals mensenrechten, kunnen aan de kant worden geschoven uit angst om de handelsrelatie te schaden. In onze wereld geldt: wie de macht heeft, bepaalt wat er gebeurt. Deze wet geldt van alle tijden. Altijd zijn er wereldrijken geweest. Ook ten tijde van de Bijbel. De koning van Babylonië had de macht over een groot deel van het Midden-Oosten. Hij bepaalde wat er in de wereld gebeurde: of er oorlog werd gevoerd of er een vrede gesloten werd. Of volkeren in ballingschap moesten of weer naar huis terug te keren.

Wie een machtig volk regeert, denk al gauw dat hij de gehele wereld regeert. De koning van Babylon voelde zich aan God gelijk. De Babyloniërs dachten zelfs dat het paleis van de koning het centrum van de wereld was. Het centrum van de wereldmacht. Maar de Allerhoogste duldde deze concurrentie niet. Gezien de verhoudingen in het wereldgebeuren, was het een verbazingwekkend geloof. De God van Israël, dat kleine landje, dat steeds onder de voet gelopen werd, regeert de wereld. Zelfs de machtige koning van Babylonië is aan hem onderworpen.

Vanaf Jesaja 13 klinken de profetieën over de volken rondom. En ook het machtige rijk van Babylonië wordt geconfronteerd met deze God van Israël. De God van Israël stuurde een profeet, Jesaja, met de boodschap: Wie hoog klimt, zal diep vallen. In die tijd zullen mensen Jesaja hebben uitgelachen. Toch hield Jesaja het spotlied op deze machtige koning vol. Omdat hij geloofde in de werkelijke Koning van deze wereld. Het geloof in deze God doet elke wereldmacht een toontje lager zingen.

Humor is dodelijk. Wanneer dit in de naam van God over de koning van Babylonië uitgesproken wordt, begint zijn macht reeds af te brokkelen. Nog dodelijker is de macht van de God, in Wiens naam Jesaja spreekt. Hij stoot deze machthebber, deze geweldenaar van de troon en daar ligt hij: de onoverwinnelijke is overwonnen. Vol verbazende spot vragen de volkeren, die aan de koning van Babylonië onderworpen waren: ‘Zijn wij bang geweest voor deze man? Hij leek een god, maar door de ware God is hij diep vernederd.’

Maria (de moeder van Jezus) zal later in datzelfde geloof zingen, dat God de machtigen van de troon heeft gestort.  In Openbaring 12:9 verhaalt Johannes van het visioen, dat de duivel ook uit de hemel is geworpen. Alle macht is aan God gegeven. Wie de strijd aan gaat met de levende God zal uiteindelijk het onderspit delven. Een geweldige bemoediging voor de gelovigen die leven in de verdrukking: de Here regeert!

Daarom hoeft een christen zich geen zorgen te maken om wat er in de politiek gebeurt. Geen enkele politicus, geen enkele wereldleider heeft het voor het zeggen. Alleen God regeert. Uiteindelijk zal elke knie zich buigen voor Zijn heerschappij. Goedschiks of kwaadschiks. (vgl. Ps. 2, Fil. 2:10, Hebr. 1:13b) De Bijbel relativeert elke macht. Want de Here heeft uiteindelijk alle macht. In de hemel en op aarde. In dat vertrouwen mogen wij leven. Ik kan slapen zonder zorgen. Omdat God waakt.

Ds. M.J. Schuurman, Ilpendam-Watergang (N.-H.)

Toespraak Dodenherdenking 2007

Vrijheid als geschenk en opgave

Mijn God, hoe snel vergeet men zijn bevrijding. Deze regel staat in het Gezangboek waar wij in de hervormde gemeente uit zingen. (Psalm 78:14 berijmd) De bevrijding mag men niet vergeten. Het is een taak van het nageslacht  – van ons – om deze bevrijding te blijven herdenken.

In de eerste plaats om degenen te herdenken die zijn omgekomen in de oorlog. Soldaten, verzetsstrijders, gewone burgers, degenen die weggevoerd zijn naar concentratiekampen. Mensen die hun leven gaven. Mensen die op een tragische manier omkwamen. Door geweld, maar ook door de honger. We denken terug aan het leed van de oorlog: aan nabestaanden, aan bezit dat vernietigd werd: landbouwgrond, huizen. Er is een offer gebracht voor onze vrijheid. Vrijheid is een geschenk.

Vrijheid: niet vanzelfsprekend

In de tweede plaats maakt het ons dankbaar. Door steeds onze bevrijding te herdenken, beseffen we dat vrijheid niet vanzelfsprekend is. Wat leven wij nu dan in gezegende omstandigheden. Wij hoeven niet te vrezen voor ons leven. Wij mogen in vrijheid leven. Wij mogen onze stem laten gelden. Het kwaad is overwonnen.

Vrijheid lijkt zo vanzelfsprekend voor ons. Maar vrijheid is helemaal niet vanzelfsprekend. Daar kwam ik in contact met Iraakse asielzoekers achter. Zij kwamen uit Irak, uit de Republiek van de angst. Die angst droegen ze ook in Nederland in zich. Die angst raakten en raken ze nooit meer kwijt. Zelfs hier in Nederland konden ze andere Irakezen niet vertrouwen. De ander kon door de geheime politie zijn gestuurd. Die angst droegen ze mee als ze in de bus stapten. Voortdurend waren ze in bezorgd over familie in Irak. Aan den lijve hadden ze de terreur en de willekeur ervaren. Ze waren gevlucht en hun vlucht kon consequenties hebben voor hun familie die achterbleef.

Ik vroeg hen hoe zij naar mij keken. Ik had immers niet veel meegemaakt. Ik had maar een gemakkelijk leven: geen angst, geen onzekerheid, geen willekeur, geen terreur. Wees blij, zeiden ze. Dit gun je niemand.

Vrijheid lijkt vanzelfsprekend, maar is het niet. Dat laat de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog ons zien. Wie deze geschiedenis bestudeert, het waarom van de oorlog, leert zaken die voor ons vanzelfsprekend zijn te waarderen. Democratie, vrijheid van meningsuiting, de waarde van het individu, recht en gerechtigheid. Al deze zaken zijn voor ons van betekenis en gemeengoed. Dat is de les die wij van de oorlog hebben geleerd. Ook daarom is het goed om de oorlog te herdenken.

 Leven in de vrijheid: een opdracht

Herdenken betekent: het verleden zien als een opdracht. Er is een offer gebracht. Er is geleden voor de vrijheid van Nederland. Als ik als kind van een na-na-oorlogse generatie hier niet bij stil sta, dan verkwansel ik gemakkelijk mijn vrijheid.

Dat offer doet een appèl op mij. Het geschenk van de vrijheid geeft ons een opdracht mee. Wij zijn bijvoorbeeld niet bevrijd om anderen te knechten. Vrijheid is een groot goed, waar we zuinig op dienen te zijn.

Niet iedereen maakt de automatisch de goede keuze. Ook dat laat de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog ons zien. De periode van bezetting laat verschillende reacties zien. Mensen die al voor de oorlog het demonische van het nazisme aan de kaak stelden. Mensen die dat pas later ervoeren. Mensen die te naïef waren. Mensen die zich niet konden of niet durfden te verzetten. Meelopers, profiteurs, verraders, collaborateurs.

Het gaat mij niet om een oordeel over het verleden. Maar het gaat mij om het heden. De les voor ons. Wat zouden wij doen als wij oog in oog kwamen te staan met het kwaad. Als onze vrijheid wordt bedreigd, of die van onze medemensen. Ik ben er niet van overtuigd, dat ik automatisch de goede keuze maak. Wij moeten elkaar bij de les houden. Vrijheid is geen vanzelfsprekendheid, maar een geschenk. Een kostbaar geschenk. Vrijheid is een opgave. Er is voor gestreden en er moet voor worden gestreden. Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede. (Romeinen 12:21)

  Ds. M.J. Schuurman

 Predikant van de Hervormde Gemeenten Ilpendam en Watergang

Toespraak bij de Dodenherdenking te Ilpendam