“De vier pagina’s van de preek” – blog 10: Filmen van ‘trouble’ in de Bijbel

“De vier pagina’s van de preek” – blog 10: Filmen van ‘trouble’ in de Bijbel

Elke preek die op de Bijbel is gebaseerd belicht iets van ‘trouble’. In het preekmodel van Paul Scott Wilson gaat het er om dat die ‘trouble’ met woorden wordt verfilmd.

In dit preekmodel is ‘trouble’ in de Bijbel pagina 1. De ‘trouble’ die hier aan de orde komt is het omgekeerde van de boodschap van de preek.
images (1)
Paul Scott Wilson heeft de volgende tips bij het verfilmen in woorden van ‘trouble’. Zie voor de algemene richtlijnen voor verfilmen in woorden hier.

    • Werk ‘trouble’ uit. Niet door de Bijbeltekst te herhalen maar door daarbij de discussie over een Bijbeltekst te verwerken.
      In een preek over Lukas 10:25-37 doet Samuel D. Proctor dat: Jezus begint: “Een zeker man…” Hij vertelt daarbij niets over uit welke stam deze man komt, wat zijn ras is, zijn clan, zijn sociale klasse, zijn dialect en zelfs niet de taal die hij sprak. Wij weten daar niets over. Waarom zouden we kenmerken moeten weten? Jezus laat al die informatie achterwege! Gewoon homo sapiens. Dat is alles. Een zeker man, dat zou iedereen kunnen zijn, was gewoon onderweg van Jeruzalem naar Jericho. Als we vragen naar de achtergrond van de man, ruïneren we het hele verhaal. Jezus wil vanaf hier vertrekken.
      De reis was 17 gevaarlijke mijlen door een eenzame, droge, ruwe woestijn. Vandaag de dag nog steeds 17 eenzame mijlen. Het was bekend dat rovers en dieven de reizigers aanvielen. Deze man was geslagen door dieven en bleef halfdood achter. In het verhaal dat Jezus vertelt hebben ze de man zijn kleren uitgetrokken, zodat hij niet geïdentificeerd kan worden aan de hand van zijn kleren. Wij kunnen niets zeggen over de snit van zijn kleding. We kunnen niet vertellen of de man arm was met een goedkoop geweven stuk kleding of een rijke man die stof van dure purper droeg en zorgvuldig gemaakt.  We hebben geen enkele aanwijzing om onze vooroordelen hun gang te laten gaan. Alleen maar “een zeker man”. Jezus laat hem naakt achter, zodat we geen enkele aanwijzing met betrekking tot zijn status hebben. Hij heeft niets gezegd, zodat we zijn accent niet kunnen horen. We weten niet of hij “sjibbolet” zei of “sibbolet”.
      Zo, omdat hij daar lag zonder kleren en zonder iets te zeggen kunnen we niet zeggen wie daar lag. Jezus wilde dat we ons zouden focussen op het lijden van de man. Jezus liet elk detail achterwege. Hij was gewond! Zonder kleren en zwijgzaam lag de man daar. Hij kon iemand zijn van ons eigen ras en onze eigen klasse. Hij kon van een ander ras en een andere klasse zijn.  Jezus laat in het verhaal alleen een mens in nood, halfdood, in elkaar geslagen, beroofd ten tonele komen. Wij weten niet of hij een goede opleiding had of hij arm was. We weten niet uit welke familie hij kwam en in welke stad hij leefde. Zwaar ademend, bloedend, bijna dood – deze “zekere man” was achtergelaten om te sterven.
      511h28bhz5l._sx334_bo1,204,203,200_
    • Werk de vraag of het verlangen van de luisteraar uit.
      Wilson geeft een voorbeeld van een eigen preek over Johannes 3:1-20. Boodschap is: ‘God brengt Nicodemus tot geloof’. Pagina 1 van de preek is: ‘Nicodemus verlangt ernaar God te ervaren’. De vraag van de luisteraar, die in de preek wordt opgepikt is: ‘Hoe kan ik God ervaren?’ Het antwoord komt via pagina 3 (God brengt Nicodemus tot geloof) bij pagina 4: ‘God brengt ons tot Jezus’.
      Nicodemus is een man met een innerlijk conflict. Zelfs als hij zich haast door het stormachtige duister door de nauwe geplaveide straten van het oude Jeruzalem ligt zijn hoofd overhoop met zijn hart. Het kind in hem rebelleert tegen de volwassene. Er woedt een strijd onder zijn huid. ‘Zal ik gaan?’ vraagt hij zich af als hij zijn weg gaat langs slapende honden. ‘Zal ik gaan? Zal een rechter van de hoge raad naar een wonderdoener van boerenafkomst, die vandaag de tafels in de tempel heeft omgegooid?’ Hij trekt zijn hoed ver over zijn gezicht en beklimt de Olijfberg naar de plek waarvan gezegd werd dat Jezus daar gevonden kan worden.
      Hij weet nauwelijks wat hij wil zeggen. Hij vindt Jezus vlak bij de top, waar hij zit bij een klein kampvuur. Nicodemus stapt uit de schaduw van het duister in de lichtkring van het kampvuur, doet zijn hoed af, wacht en zegt dan op de bedachtzame toon, die hij leerde tijdens het onderwijs over de wet: ‘Rabbi, wij weten dat u een leraar bent, die door God is gezonden. Niemand kan deze tekenen en wonderen doen die u doet, zonder de aanwezigheid van God.’ En dan opeens, weet hij welke woorden hij heeft voor wat er in hem omging, waar hij eerst de vinger nog niet op kon leggen: hij bespeurt in Jezus de aanwezigheid van God. Hij weet veel over God. Hij heeft over God gestudeerd vanaf zijn kindertijd, jaren besteed aan het bestuderen van de Schrift en de rabbijnse wet. Maar hij weet niets van de aanwezigheid van God. Hij heeft veel informatie over GOd, maar verlangt naar een ervaring van God, de werkzaamheid van God in zijn leven. Je kan naar een theologische universiteit gaan en niets van God weten. Hij voelt te beschaamd om dat tegen iemand anders te zeggen, in verlegenheid gebracht door zijn verlangen naar God, hij voelt zich dwaas in zijn verlangen naar geloof. Hij durft nog niet te geloven dat de God naar wie hij zo verlangt hem op weg gebracht heeft om Jezus te ontmoeten.
      [Pagina 2] Veel mensen verlangen ernaar iets van God te vernemen in hun leven, zelfs zonder het te weten. Er is niet zoveel tijd vandaag de dag voor God. Twee jonge vrouwen komen elkaar tegen bij Starbucks…

 

  • Gebruik een bepalend beeld
    Barbara Brown Taylor gebruikt het beeld van Lukas als arts om eenheid in de preek te creëren:
    Ik denk dat Lukas nooit zijn werkzaamheden als genezer heeft beëindigd. Hij is alleen van medicijnen veranderd. In plaats van kruiden en specerijen voor te schrijven, warme compressen en bedrust. vertelt hij verhalen vol kracht om gebroken levens te verbinden en bange harten nieuwe kracht te schenken. In plaats van pillen en toverdrank stopt hij woorden in zijn zwarte tas, woorden zoals: ‘huil niet meer’, ‘wees niet bevreesd’, ‘uw zonden zijn u vergeven’, ‘sta op en wandel’. Zijn medicijn is het medicijn van het evangelie, wat Jezus’ medicijn was. Een medicijn dat werkte, vreemd genoeg, door middel van woorden.

  • Prikkel de zintuigen
    In een preek over Handelingen 16:16-40 werkt John M. Rottman levendig en vol humor uit hoe Paulus en Silas zingen in de gevangenis:
    Daar zitten ze in de inktzwarte duisternis van deze vochtige gevangenis. Onterecht beschuldigd, tot bloedens toe geslagen, hun voeten in blokken. Zij hebben verkondigd hoe Jezus de Heer van de wereld was, de redder van de kosmos. Elk klein hoekje van deze wereld behoort Hem toe. En nu overkomt hen dit.
    Paulus stelt voor om te gaan zingen.
    ‘Zingen? Nou, vooruit,’ zegt Silas weinig enthousiast, ‘jij begint.’
    Paulus begint te zingen uit Psalm 9 (misschien was het de oude berijming uit het oude psalmboekje van lang geleden):
    Ik zal met al mijn hart den Heer’,
    blijmoedig geven lof en eer.
    Je kunt Paulus onmiskenbare bas de psalm vol overgave horen zingen. Silas gaat meezingen met een onzekere tenorstem.
    Mijn tong zal mijn gemoed verzellen
    en al Uw wonderen vertellen.
    Twee Joodse mannen van middelbare leeftijd die een thuis zoeken in deze donkere wereld door samen een psalmduet te zingen. Je kunt je erover verbazen. Jezus is Heer van deze wereld. Elk klein hoekje behoort hem toe. Werkelijk!

  • Werk intermenselijke ‘trouble’ uit om empathie op te wekken
    In een preek over Hosea en Gomer vertaalt werkt Brown Taylor dit levendige beeld van de relatie tussen God en Israël uit:
    Op dit moment blijft de regen achterwege en de koeien geven weinig melk. Gomer was vertrokken. Ze had niet eens een briefje achtergelaten op de keukentafel: “Ik ben ergens anders naar toe gegaan waar ik het beter kan krijgen.” Waar is zij naar toe gegaan? Naar andere minnaars, die haar beloofden te geven waar haar hart naar verlangde? Met Baäl was er geen somber gepraat over betrokkenheid of eer, geen waar-was-je-afgelopen-nacht of heb-je-wel-eens-gedacht-wat-je-de-kinderen-aandoet. Alles was spontaan. Je deed wat je ingegeven werd, net zoals je voelde wat je ingegeven werd. De enige regel was dat je je er goed bij voelde op dat moment. Niemand kent je naam en je kent niemand anders naam. Maar dat deed er niet toe. Het enige dat er toe deed was dat je voelde dat je leefde op een fijne, intense manier. Israël kwam altijd weer thuis als ze genoeg had gekregen, of op de momenten dat ze realiseerde dat het gras aan de andere kant helemaal niet zo groen was als het leek. Op een morgen zou Jahweh de voordeur horen slaan en haar ruiken voor Hij haar zag: de geur van de sigaretten, haar muffe kleren, van oud bier. Dan zal ze de kamer binnenkomen en tegen de deuropening leunen en naar Hem kijken, een snee in haar bovenlip, een blauwe plek op haar bovenarm ten teken dat iemand haar hard had beetgepakt. Thuisgekomen bij haar echtgenoot, waar Hij haar bij de hand neemt en haar meeneemt naar het bad, haar de kleren uitdoet en zij haar magere armen omhoog doet voor hem zoals een kind.

  • Verfilm de tekst vanuit een verrassend perspectief
    Haddon Robinson werkt de ontmoeting tussen de slang en Eva uit als een film:
    De satan is niet alleen als persoon vermomd, hij vemomt ook zijn bedoelingen. Hij zegt niet: ‘Ik ben hier om je te verleiden.’ Hij wil alleen een godsdienstige discussie. Hij wil met haar discussiëren over theologie. Hij heeft niet de intentie om over zonde te praten. De slang opent de discussie door te vragen: ‘Heeft God echt gezegd: “Je mag van geen enkele boom eten?”’ Daar kun je niet over discussiëren. Satan wil alleen opheldering. ‘Kijk, ik wil dat je zeker bent van je exegese. Ik wil helder hebben wat God met je van plan is. Heeft Hij echt gezegd dat je nergens van mag eten?’ Je ziet het, de duivel is godsdienstig. Hij komt niet bij je aankloppen op de deur van je hart door te zeggen: ‘Mag ik een half uurtje van je leven en ik zal je daardoor naar de ondergang brengen.’ Nee, hij wil alleen maar met je praten over theologie. Hij wil alleen maar Gods woord interpreteren. Het is mogelijk, nietwaar, om over theologie te discussiëren, waarbij we onze ondergang tegemoet gaan. We kunnen niet op een abstracte manier over God spreken, als Hij een wiskundige formule is. Je kunt een theologie erop nahouden die je ertoe aanzet God ongehoorzaam te zijn.

    Nancy Hastings Sehested gebruikt voor een preek over Exodus 1:8-22 het verrassende perspectief van de 2 vroedvrouwen. Boodschap van de preek: ‘De God die leven schenkt begeleidt ons’.
    Farao had geen idee wat hij vroeg… Maar Sifra en Pua wisten wie zij waren. Zij wisten dat het hun roeping was om het leven te ondersteunen, niet om te assisteren bij het sterven. Zij wisten dat zij in Farao’s ogen geen macht hadden. Zij lieten Farao zijn gang gaan – om zijn eigen gedachten te hebben, om het op zijn eigen manier te doen. Ondertussen gingen zij door om het leven te ondersteunen. Het duurde niet lang voordat Farao erachter kwam dat zij hem ongehoorzaam waren. Hebreeuwse vrouwen wandelden met hun pasgeboren zoontjes om die baby’s vol trots aan anderen te tonen. De vroedvrouwen werden op het matje geroepen. ‘Ik kan geen burgerlijke ongehoorzaamheid tolereren in dit land,’ zegt Farao.
    De vroedvrouwen keken Farao recht in de ogen aan en beweerden met droge ogen dat de Hebreeuwse vrouwen hun kinderen zoveel sneller op de wereld brachten dan de Egyptische vrouwen en dat de kinderen, die zij baarden, al gevoed en gebakerd in de wieg lagen op het moment dat zij arriveerden. Sifra en Pua moesten vast gedacht hebben dat zo’n nobele leugen gemakkelijk door Farao geloofd zou worden. Want wat weet een Farao nou van kinderen die geboren worden? Wie zijn onze Farao’s nou eigenlijk?

  • Creëer een gebeurtenis; reporteer zo’n gebeurtenis niet
    We slogan toon, vertel niet omvormen in verbeeld, reporteer niet. Roep een ervaring op. Geef niet slechts een opsomming van feiten. Ook niet als het gaat om maatschappelijke of sociologische gegevens.
    Martin B. Copenhaver geeft daarvan een voorbeeld in een preek over Lukas 14:12-24:
    Jezus vertelde hoe je een feestje moest geven, terwijl hij zelf aanwezig was tijdens een feestje dat door een heel belangrijk persoon werd gegeven, een van de voorbeeldige personen, een toonaangevend figuur. Aan de tafel zaten invloedrijke priesters, succesvolle priesters en andere personen van maatschappelijk belang. (….) Tijdens deze feestmaaltijd, terwijl ze de koosjere kwartelpastei doorgaven, zei Jezus: ‘Als je een diner of een etentje geeft, nodig dan niet alleen je vrienden of je broers of je familie uit of je rijke buren, die jou op hun beurt ook weer zullen uitnodigen.

    Uit een andere preek van Copenhaver. Dit keer over Lukas 12:16-21:
    Ik probeer me voor te stellen hoe het zal zijn om door de weduwe van de rijke dwaas gebeld te worden. Dat is niet zo moeilijk voor te stellen, want ik krijg geregeld zulke telefoontjes. De boer is net overleden, zijn vrouw in shock. Ze vraagt: ‘Wat behoor ik nu te doen? Niemand heeft me verteld hoe ik dit moet doen.’ Al sprekend zoekt ze naar wat ze moet doen, en ik volg haar en luister alleen maar. Dan bespreken we de afscheidsdienst. Ik stel haar enkele vragen over haar man die nog maar pas is overleden. U weet dat ik hem niet zo goed ken. Ik kwam hem maar af en toe tegen. Maar nu we de afscheidsdienst voorbereiden, wil ik me een beeld vormen van de hele persoon, omdat ik in de overdenking de hele persoon recht wil doen en niet alleen die enkele vluchtige momenten dat we elkaar tegenkwamen. Daarom vraag ik haar: ‘Wat was belangrijk voor hem?’ De weduwe antwoordt: ‘Zijn familie is – was – heel erg belangrijk voor hem. Hij was echt trots op zijn kinderen, hoewel ik niet zeker weet of ze dat wel weten. Maar hij sprak vaak over hen. Zijn portemonnee was gevuld met hun foto’s.’ Ik vraag haar: ‘Waar besteedde hij zijn tijd aan?’ Zij antwoordde: ‘Met werken op de boerderij. Hij was erg succesvol. Aan de andere aspecten van het leven kwam hij niet echt toe. Ik heb het hem ook niet altijd makkelijk gemaakt. Ik wilde hem geregeld vragen wanneer hij zou stoppen om meer tijd voor elkaar te hebben. Hij zou mij steeds proberen gerust te stellen met woorden als ‘morgen’ of ‘binnenkort’, ‘dit ga ik niet eeuwig doen’, ‘op een dag’, ‘ik beloof je’. Hij meende dat echt. Ik weet dat hij dat meende.

  • Verfilm het verhaal door de context voor te stellen
    In de Week van Gebed voor de Eenheid van de Christenheid preekte Wilson over Romeinen 8:14-27. Brieven uit het Nieuwe Testament kunnen gemakkelijk als abstracte essays worden ervaren. Daarom wilde Wilson het Bijbelgedeelte dichterbij halen door aandacht te schenken aan de locatie van zowel degene die de brief schrijft als degenen die de brief ontvangen:
    Ons tekstgedeelte uit de brief van Paulus aan de Romeinen is een van de meest overvolle gedeelten uit het het Nieuwe Testament. Christenen roepen in hun lijden: ‘Abba, Vader’. Tegelijkertijd getuigen ze als kinderen van God. ‘De hele schepping’, schrijft Paulus, ‘kreunt in barendsnood tot nu toe.’ ‘Wij zelf’, voegt hij eraan toe, ‘kreunen ook innerlijk, terwijl we wachten op onze “adoptie”, de uiteindelijke “redding van onze lichamen”. En zelfs de Heilige Geest, die tot God bidt vanwege de kerk, komt tussenbeide met verzuchtingen die te diep zijn om te verwoorden. Het Griekse werkwoord stenazo betekent zuchten of kreunen, kreunen die te diep zijn om onder woorden te brengen. Zelfs de Heilige Geest zucht voor de kerk, verlangt naar de vervulling van Gods doelen.
    Waarom legt Paulus de nadruk op dat kreunen en zuchten? Paul schreef aan de kerk in Rome vanuit Korinthe, waar hij overwinterde, een schuilplaats had voor de winter. In zijn gedachten zijn die zuchten. Wellicht kreunt het houten dak onder het gewicht van de sneeuw of de bevroren regen en de arctische winden. Of hoort hij het kreunen van de houten schepen, die in de haven naast zijn huis zijn aangemeerd. Misschien hoort hij wel het kreunen van de vrouw in het huis naast hem, die aan het bevallen is van een baby. Want hij schrijft: ‘De hele schepping is in barendsnood tot nu toe.’ Wellicht roept hij zijn eigen kreunen in herinneringen, als hij terugdenkt aan de laatste marteling: zoals hij ergens anders schrijft: veertig stokslagen min één, drie keer geslagen met een roede, een keer gestenigd, vaak halfdood achtergelaten en in in veel gevallen zonder eten, schuilplaats en kleren. Misschien zucht hij wel hardop als hij zijn brief dicteert aan Tertius, zijn secretaris, die bij hem zit bij het licht van de flakkerende kaars in een tochtig huis, en zijn woorden opschrijft. Want we weten dat Paulus is geraakt door de verdeeldheid in de kerk. Heeft hij niet de verdeeldheid in de kerk van Korinthe pas proberen te overwinnen?
    als de lente komt en het weer veilig genoeg is om uit te zeilen over de Middellandse Zee om op de winden uit Afrika voortgedreven te worden, moet hij zich inschepen om  naar Jeruzalem te gaan om daar een scheuring proberen te voorkomen. Hij heeft bij de Griekse kerken geld ingezameld voor de armen in Jeruzalem. Sommigen in Jeruzalem hebben gezegd dat Paulus’ gemeenten afvallig zijn en dat Paulus zelf een afvallige is. Paulus zucht als hij denkt aan de mogelijkheid dat de kerk van Christus kan scheuren. Na Jeruzalem is Paulus van plan om door te zeilen naar de zeven heuvels van Rome om daar iets aan de verdeeldheid te doen. Enkele jaren geleden heeft de keizer Claudius de Joodse christenen uit Rome verbannen. Nu Claudius overleden is, vergiftigd door zijn vrouw, zijn de bannelingen na 6 jaar teruggekeerd naar hun oude gemeenten. Nieuwe leden vormen altijd een bron van conflict. Overal zijn problemen en alles wat Paulus verkondigt heeft met de eenheid van het lichaam van Christus te maken.

  • Ken de karakters
    De predikant moet de Bijbelse persoon tot leven wekken, net of het voor de luisteraar een mens van vlees en bloed is, die op dit moment leeft.
    In een preek stelt Suzan D. Johnson Esther de vraag wat het is om deze persoon te zijn.
    Esther was een Joodse vrouw die in Perzië leefde. Zij was in dat land gekomen op dezelfde manier AfroAmerikanen in de VS aankwamen: door middel van slavernij. Zij was tweede generatie van degenen die als slaaf waren weggevoerd. Niemand, behalve haar oude oom Mordechai, wist dat zij Joods was. Dat was een geheim. Hoe voelt dat om je identiteit te verbergen? Als je jezelf niet bekend kunt maken? 

 


N.a.v. Paul Scott Wilson, The Four Pages of the Sermon. A Guide to Biblical Preaching (Nashville: Abingdon Press, 2018) 95-107.

“De vier pagina’s van de preek – blog 9: Het filmen in woorden

“De vier pagina’s van de preek – blog 9: Het filmen in woorden

Om een boodschap over te brengen, is het van belang om de luisteraar mee te nemen in het verhaal. Dat meenemen van de luisteraar in het verhaal gaat beter als de predikant geen uitleg geeft, maar in woorden verfilmd.
5789filming

Deze richtlijnen gelden voor alle 4 pagina’s. Daarbij hoeft niet de hele preek als een film getoond te worden. Het verfilmen in woorden legt wel de lat hoog wat betreft communicatie aan de luisteraars.

Paul Scott Wilson geeft een aantal richtlijnen voor het verfilmen:

  • Ga er niet vanuit dat de luisteraars het Bijbelgedeelte kennen. (Ook al is het vooraf aan de preek gelezen of gaat het om een bekend gedeelte.)
  • Voordat een predikant commentaar of uitleg geeft, moet het Bijbelgedeelte eerst tot leven komen en daarom getoond worden als een film in woorden. (Nog beter is het om het commentaar of de uitleg al vertellenderwijs te verwerken.)
  • Show, don’t tell.
  • Doe alsof het Bijbelgedeelte zich in het heden afspeelt. Gebruik daarom de tegenwoordige tijd en niet de verleden tijd.
  • Het gaat erom dat de luisteraars ervaren wat er gebeurt. Daarom is een hele pagina in de preek nodig.
  • Gebruik woorden die visueel en zintuiglijk zijn. Voordat je de pagina uitwerkt, moet je de desbetreffende pagina eerst voor jezelf verbeelden en visualiseren.
  • Werk kenmerkende details uit. Gebruik daarvoor de exegese en reconstrueer die details aan de hand van informatie over het Midden-Oosten:
  • – over de geografie
    – de flora en fauna
    – over de mensen
    – over de economie
    – over de architectuur
    – over het klimaat
    – enz.
    Deze informatie vind je in Bijbelse encyclopedieën (of soms in commentaren).
  • Doe net zoals filmmakers zouden doen bij het opnemen van een scène:
  • Blijf in de film in woorden op dezelfde plaats totdat de scène voldoende is gefilmd.
  • Maak de scène concreet, waarbij je als een regisseur optreedt. Zeg niet: ‘Ergens in het Midden-Oosten’, maar plaats de scène bij een wadi, berghelling, een rivier, een dorp, een marktplaats. Doe net zoals filmmakers zouden doen bij het opnemen van een scène.
  • Focus op de hoofdpersoon die iets doet.
  • Begin midden in de actie of handeling. Neem geen lange aanloop. Vertel wat eraan vooraf gaat in flashbacks.
  • Blijf zo dicht mogelijk bij de tekst. Voeg geen extra personen onnodig toe.

obdWFTF39YA8vwSBmEjeyj.jpgGebruik de camera: (1) Scènes verfilmen

  • Houd de focus op één groep mensen of één gebeurtenis voor meerdere minuten om de gemeente de gelegenheid te geven in het verhaal mee te komen.
  • Snelle wisseling van scènes is bij filmen in woorden niet geschikt. Dan raak je luisteraars kwijt. Elke keer als de scène of de personages wisselen, moeten de luisteraars die wisseling in hun verbeelding, in hun hoofd kunnen meemaken.
  • Maak aan het begin van een pagina en van een nieuwe scène de locatie waar het zich afspeelt helder.
  • Laat kenmerkende details van de locatie zien, een detail dat tot de verbeelding spreekt en evocatief werkt.
  • Neem de tijd om de scène en de attributen te verfilmen. Een luisteraar kan geen boot voor zich zien als de boot niet in een haven aangemeerd ligt of dobbert op de golven.
  • Laat geen belangrijke details weg. Dat schept verwarring.
  • Beperk beschrijvingen tot het minimum. Vertel ze niet, maar laat ze al filmend zien.

Uneasy_iPhone.jpgGebruik de camera: (2) Mensen en handelingen

  • De setting moet duidelijk zijn, maar tegelijkertijd achtergrond blijven.
  • Focus op wat mensen doen.
  • Beschrijving en gesprek kunnen belangrijk zijn, maar houdt dit kort en weef het in de gefilmde handelingen in.
  • Als een personage in de Bijbel iets zegt, laat die persoon die woorden ook in de preek zeggen.
  • Vermijd bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. Velen gaan er ten onrechte van uit, dat zij een teken zijn van creativiteit.
    Zeg daarom niet: ‘een mooie weg’, maar laat concreet zien hoe de weg eruit zien.
    Zeg daarom niet: ‘ze rende vlug’. maar beschrijf hoe ze liep of rende.
  • Focus de camera op details, zoals gebaren, manier van lopen, kleding en voorwerpen, vooral op de details die iets onthullen van het karakter van de hoofdpersoon. Deze kleine details laten het echte leven zien.

shutterstock_618915005-825x465Neem de beperkingen van de camera serieus

  • Blijf zoveel mogelijk weg uit de hoofden van de hoofdpersonen. Innerlijke monologen en uitgebreide dialogen zijn zelden effectief.
  • Laat daarom een personage een korte zin zeggen. Bij voorkeur een zin die uit de Bijbeltekst afkomstig is.
  • Laat de camera je gids zijn in wat je wel of niet kunt laten zien.
  • Ga niet psychologiseren als je een karakter verbeeldt.
  • Voeg geen motieven aan een hoofdpersoon toe als de Bijbeltekst die niet vermeldt.

‘De vier pagina’s van de preek’ – 2: Eenheid in de preek

‘De vier pagina’s van de preek’ – 2: Eenheid in de preek

Voor Paul Scott Wilson is het van belang dat de preek een eenheid is. De vier pagina’s van de preek zijn in feite vier variaties op één thema. Dan wel weer steeds op een andere manier uitgewerkt.


De preek hoort een eenheid te zijn. Daarom:

  • één bijbelgedeelte – one text
  • één boodschap – one theme sentence
  • één onderdeel van de christelijke geloofsleer – one doctrine
  • één vraag uit de gemeente – one need
  • één (voor)beeld of slogan – one image
  • één taak om uit te voeren – one mission

Als ezelsbruggetje: The Tiny Dog Now Is Mine.

images (1)

Eén bijbelgedeelte
Een leesrooster kan verschillende lezingen opgeven voor de desbetreffende zondag. Of bij een bepaald onderwerp kan een predikant verschillende Schriftlezingen hebben. De preek kan echter maar over één Bijbelgedeelte gaan. In de preekvoorbereiding heeft een predikant ook geen tijd om meer dan één Bijbelgedeelte te onderzoeken.

Eén boodschap
Een preek kan maar boodschap bevatten. De boodschap wordt geformuleerd als een korte, krachtige zin. In deze zin is God het onderwerp. Hij handelt. Het werkwoord is een sterk werkwoord. Bijvoorbeeld:

  • God geeft een betere wereld
  • God geeft Israël een nieuwe identiteit
  • God handelt reeds in ons leven
  • God kan niet worden tegengehouden
  • De Geest werkt ten behoeve van Paulus
  • Christus is voor iedereen gestorven en opgestaan

Een boodschap kan worden ontdekt door de vraag: Wat doet God in deze tekst? Of, als dat niet duidelijk is: Wat doet God achter deze tekst?

Een boodschap (theme sentence) bevat steeds:

  • Een van de drie Personen van de Triniteit als onderwerp
  • Een actief werkwoord
  • Een reddende of versterkende handeling
  • Een complete gedachte, waarin Gods handelen in het heden ook helder in wordt uitgedrukt
  • Een korte, enkelvoudige zin: onderwerp – actief werkwoord – handeling – eventueel ten behoeve van: … (geen complexe samengestelde zin)

photo-4
Daarom:

  • Geen zwakke, statische of passieve werkwoorden
  • Geen werkwoorden als ‘zegt’ of ‘vertelt’.
  • Geen vragen (Werk vragen om tot een statement met God als handelende persoon)
  • Geen boodschap onder voorbehoud
  • Geen complexe of samengestelde zinnen

Manieren waarop een theme sentence gevonden wordt:

  • Het Bijbelgedeelte herschrijven in actieve zinnen, zoals ik deed met Mattheüs 5:1-16.
  • Op basis van exegese. Bij zijn model heeft Paul Scott Wilson 35 vragen opgesteld die behulpzaam zijn bij het vinden van de theme sentence.
  • Antwoord op de vraag: Wat doet God in of achter deze tekst?
  • Omkering van de trouble.
  • Antwoord op een vraag die in de gemeente leeft (need).

De boodschap (theme sentence) is ook de titel van pagina 3 en/of 4. Het verschilt tussen beide pagina’s is dat de titel op pagina 4 de toevoeging ‘nu’ of ‘ten behoeve van ons’ heeft.

Deze korte, eenvoudige zin wordt door de preek heen, maar vooral op pagina 3 en 4 verschillende keren genoemd en uitgewerkt (zoals verbeeld of met woorden gefilmd).

Eén onderdeel uit de christelijke geloofsleer
In de dogmatiek, het nadenken over de christelijke geloofsleer, wordt  nagedacht over Gods handelen in heden, verleden en toekomst. Elke boodschap, geformuleerd als theme sentence, heeft betrekking op één van de onderdelen van de dogmatiek. Voor de preek is de dogmatiek van belang, omdat de geloofsleer nagaat of de beweringen die ik doe over God terecht en houdbaar zijn.

Dit onderdeel van de geloofsleer kan de predikant helpen in de geloofsleer om de theme sentence in al zijn kracht en gevarieerdheid, maar ook in zijn ambivalentie (aanvechting, twijfel, complexiteit, contra-argumenten) te gebruiken in de preek.

Gerhard Ebeling: ‘Theologie is noodzakelijk met als doel de prediking zo moeilijk te maken als voor de prediker nodig is.’

Voor Paul Scott Wilson is het echter de bedoeling dat de keuze voor één onderdeel uit de christelijke geloofsleer helpt om de gedachten in de preek eenvoudiger, helderder en dieper te laten worden.


Het zou de moeite waard zijn om een geloofsleer of dogmatiek uit te werken die allereerst gericht is op de preekvoorbereiding en niet op de interne dogmatische discussies.

sermon-preparation

Eén vraag uit de gemeente
Elke preek hoort één vraag op te pakken, die in de gemeente zou kunnen leven. Daarbij kan gedacht worden:

  • aan een pastorale vraag
  • een gemis dat gevoeld wordt
  • een verlangen dat leeft binnen de gemeente
  • een aanvechting met betrekking tot Gods handelen
  • een worsteling om iets in praktijk te brengen

Van belang is dat de boodschap van de preek (theme sentence) een antwoord formuleert op deze vraag die in de gemeente zou kunnen leven. Dat antwoord hoeft niet afgerond te zijn. Dat antwoord kan fragmentarisch en voorlopig zijn, met eschatologisch voorbehoud. Maar dan wel op zo’n manier dat duidelijk wordt hoe God handelt.

De vraag die leeft wordt uitgewerkt op pagina 2. Het antwoord in al zijn gevarieerdheid wordt uitgewerkt op pagina 4.

Eén (voor)beeld
Bij het (voor)beeld (image) gaat het om een beeld in woorden of een evocatieve zin. In de meest ideale vorm kan dit beeld aan de boodschap (theme sentence) worden gelinkt en is dit beeld afkomstig uit het Bijbelgedeelte. Elke preek hoort een (voor)beeld te hebben om te voorkomen dat een preek abstracte ideeën uitwerkt. Een (voor)beeld maakt de trouble en de grace met woorden inzichtelijk en invoelbaar voor de gemeenteleden. Een (voor)beeld is een visueel hulpmiddel om Gods daden in het heden te blijven onthouden.

Waar komt een (voor)beeld vandaan?

  1. Uit de Bijbeltekst
  2. Uit onze eigen (leef)wereld
  3. Een retorische zinsnede of een refrein van woorden

Peter Jonker schreef op basis van het model van “De vier pagina’s van de preek” een boek over de (voor)beelden in de preek.
preaching-in-pictures

Eén missie
De preek laat zien wat Gods handelen verandert in ons leven en onze werkelijkheid. Missie gaat over hoe wij Christus kunnen ontmoeten in onze eigen werkelijkheid en over hoe God ons in staat stelt om te leven tot Zijn wil en eer.
Van belang is wel dat de missie uiteindelijk wordt geformuleerd als handelen van God. De mens kan wel in de preek aan de orde komen als medewerker van God, als ‘junior verbondspartner’, waarbij God degene is die uiteindelijk handelt. Wanneer de last bij mensen komt te liggen en niet bij God, dan hoort een missie thuis op pagina 2. Op pagina 4 wordt uiteengezet hoe Gods handelen ons in staat stelt tot deze missie.

  • Missie op pagina 2: Appèl vanuit Gods woord, vanuit Zijn geboden; menselijk falen; niet kunnen of willen voldoen aan dit appèl; verlangen om dit te doen, maar de eigen onmacht ervaren.
  • Missie op pagina 4: Gods reddend of versterkend handelen. Aandacht voor Christus die voltooit of de Geest die ons in staat stelt.

Waarom de preek echte verhalen nodig heeft

Waarom de preek echte verhalen nodig heeft
N.a.v. Scott Hoezee, Actuality. Real Life Stories for Sermons That Matter

Tell me the old, old story of unseen things above, of Jesus and His glory, of Jesus and His love.

7 Elements of Passionate Preaching041610


In veel preken wordt geen verband gelegd met de alledaagse werkelijkheid van de luisteraars. Dat is de ervaring van Scott Hoezee, rector van het Center for Excellence in Preaching van de Calvin Theological Seminary in Grand Rapids (Michigan).  Preken hebben vaak een boodschap, die ontzettend waar is. Ook de schoonheid van de preek komt niet tekort. Wat wel tekort komt, is wat de kerkganger met deze boodschap kan, omdat de boodschap abstract blijft.

Daardoor leert de kerkganger ook geen verbinding te maken tussen de Bijbel en zijn eigen leven. Volgens Hoezee kan er door middel van verhalen een brug worden geslagen tussen de boodschap en de leefwereld van de luisteraars. In verhalen heeft de luisteraar de mogelijkheid om zichzelf te herkennen en om te zien hoe de boodschap verschil maakt in zijn eigen leven.

actuality


Doel
Het verwerken van verhalen is geen gemakkelijke klus, erkent Hoezee. Kant-en-klare preekvoorbeelden werken averechts, omdat ze saai en voorspelbaar zijn en vaak ook niet echt zijn. Een predikant dient daarom zelf de voorbeeldverhalen te vinden. In de literatuur, de films, het nieuws of de eigen pastorale praktijk. Bij voorbeelden uit de eigen praktijk dient een predikant voorzichtig te zijn. Het ambtsgeheim is een groot goed. Daarom zijn voorbeelden uit de literatuur en film veiliger. Met dit boek geeft Hoezee een nadere uitwerking van wat zijn leermeester Cornelius Plantinga heeft verwoord in Reading for Preaching.

Pastorale zorg en liefde
Ook al is het vinden en verwerken van verhalen geen makkelijke klus. Het is volgens Hoezee wel een belangrijke taak voor een predikant. Door verhalen te verwerken, geeft de predikant woorden aan de ‘trouble’, waar gemeenteleden mee te maken hebben. Door verhalen laat de predikant ook zien hoe God aanwezig is in die ‘trouble’ en welke uitwerking Gods genade heeft. Het verwerken van verhalen is daarom geen vorm van zelfetalering, maar een vorm van pastorale zorg en liefde voor degenen die naar de kerk gekomen zijn om te horen wat God voor hen doet. Verhalen worden niet in de preek opgenomen om de preek interessanter te maken, maar om de preek echter en werkelijker te maken.

sharpton 910-091312


Show, Don’t Tell
De prediker dient concreet en specifiek te zijn in de uitwerking van de boodschap. De Amerikanen kennen daarvoor het principe Show, Don’t Tell. Als een predikant uitleg geeft of stelt (tell) blijft dat meer abstract en wordt het minder goed onthouden dan wanneer de predikant laat zien (show).
Een predikant kan voor het principe Show, Don’t Tell veel leren van schrijvers en filmmakers. Een voorbeeld geeft Hoezee met de eerste roman van Harper Lee, To Kill a Mockingbird (Spaar de spotvogel). In die roman is de hoofdpersoon Atticus een goed man. Lee gebruikt echter nooit deze typering voor Atticus, maar laat in gebeurtenissen en door het beschrijven van gebaren zien dat Atticus een goed man is.

Boodschap uitwerken
In een preek dient er ook uitleg gegeven worden. Het Tell-element kan niet ontbreken. Hoezee pleit voor een juiste balans tussen Tell en Show en voor een goede balans tussen beide. Uitleg dient wel gepaard te gaan met de concrete uitwerking in een verhaal. Want een predikant kan wel zeggen, dat God helpt, bemoedigt, erbij is, enz. Maar hoe dan? Wanneer de predikant dat uitwerkt in een concreet verhaal, leert de kerkganger zien hoe God in zijn alledaagse leven aanwezig is en werkt.
Dat predikanten deze uitwerking niet geven, zou ook wel eens te maken kunnen hebben, dat zij zelf het ook niet eenvoudig vinden om Gods aanwezigheid daar te zien. Een predikant dient te leren zien hoe God werkt en hoe Zijn genade verschil maakt.

Levendiger
Een preek wordt levendiger als de predikant dezelfde manier van spreken hanteert als in het alledaagse contact. Wanneer iemand bij de koffie vertelt over wat er thuis gebeurde, wat zijn vrouw of dochter zei, wordt iemand al sprekend geciteerd. ‘Ze zei tegen mij: “Bij anderen heb je er wel oog voor.” Hoezee pleit ervoor om ook op die manier te citeren, iemand in de 1e persoon sprekend in te voeren.
Wanneer een voorbeeld te algemeen is, helpt het nog niet verder. Maak een voorbeeld specifiek, door authentieke details te vermelden. Gebruik verbeelding, maar niet op een ongebreidelde manier. Zorgvuldig en gedisciplineerd, zegt Hoezee.
En vermijd ‘kunststof-heiligen’. Geen enkele heilige is alleen maar goed. Niets is moeilijker te beschrijven dan een heilige, zegt de predikant-schrijver Frederick Buechner. Ook het beschrijven van de aantrekkingskracht van een heilig leven is volgens hem het moeilijkst te beschrijven.

Showing trouble
Hoezee sluit in zijn boek aan bij Paul Scott Wilson, die in zijn The Four Pages of the Sermon aangeeft dat in elke preek zowel de menselijke trouble (zorg, nood, zonde) als de goddelijke genade verwoord moet worden. Naar mijn idee is de menselijke trouble gemakkelijker te tonen dan de werkzaamheid van God. Dat valt mij ook bij Hoezee op. Het hoofdstuk over ‘Showing trouble’ is veel uitgebreider dan het hoofdstuk over ‘Showing grace’.
Het belang van het tonen van de menselijke problematiek is dat de luisteraars woorden vinden voor wat hen bezighoudt. Door het lezen van literatuur en biografieën, door het kijken van films, door de eigen pastorale praktijk krijgt een predikant een sensitiviteit voor de menselijke problematiek. De kunst is om in de preek deze problematiek met de Bijbel te verwoorden. Door verhalen te vertellen kan de luisteraar op een veilige afstand blijven en zich toch herkennen.

Voor Hoezee zijn er 4 belangrijke vormen van menselijke trouble:
– de pijn van niet-functionerende gezinnen
– het verdriet om niet-uitgekomen dromen en vervlogen hoop
– menselijke karakters en de zonden
– De worsteling van eenzaamheid.
In zijn boek geeft Hoezee voorbeelden hoe deze trouble op een zorgvuldige en herkenbare manier voor luisteraars verwoord kunnen worden door te laten zien hoe hij zelf deze thema’s aan de orde stelt en verbindt met een Bijbelgedeelte. Alleen daarom al is dit boek de moeite waard om zelf te lezen!
De predikant stelt deze problematiek niet aan de orde uit een soort leedvermaak. De predikant vindt ook geen genoegen in het verwoorden van al deze ‘sores’. Deze nood wordt verwoord om aan te geven welk verschil God en Zijn genade maakt.

Showing grace
Het is een groot voorrecht voor de predikant om elke week te laten zien hoe God in Zijn genade werkzaam is. De uitwerking van Gods genade dient net zo echt en levendig uitgewerkt te worden als de menselijke trouble. Het ontdekken van Gods genade en het vinden van verhalen die Gods handelen uitwerken zijn niet eenvoudig te vinden. De predikant moet ook niet op zoek gaan naar grootse verhalen. Gods genade zit vaak juist in het kleine. Gods handelen komt vaak openbaar in iets dat onverwachts gebeurt. Ook Gods genade dient concreet en specifiek te worden uitgewerkt.
Hoezee vertelt dat zijn kinderen op de middelbare school de opdracht kregen om een opstel te schrijven over de glimpen van God, die zij om zich heen zagen. Alle kinderen van de klas zagen in die glimpen in hun alledaagse leven. Niet in de uitzonderlijke gebeurtenissen. Juist in de alledaagse gebeurtenissen zagen zij iets van Gods genade oplichten.

And when, in scenes of glory,
I sing the new, new song,
‘twill be the old, old story

that I have loved so long.

N.a.v. Scott Hoezee, Actuality. Real Life Stories for Sermons That Matter. Serie: The Artistry of Preaching (Nashville: Abingdon Press, 2014).

 

Show, don’t tell

Show, don’t tell

Een verhaal wordt het beste gecommuniceerd als het beeldend aan de luisteraars wordt verteld. Wanneer er een beroep wordt gedaan op het inlevingsvermogen van de luisteraars, komt het verhaal en de boodschap beter over dan wanneer er allerlei beweringen worden gedaan. De slogan Show, don’t tell is terecht.

Theologische taal kan heel beeldend zijn, maar tegelijkertijd kent theologische taal ook beweringen, vaststaande formuleringen. Een predikant kan bij de preekvoorbereiding terugvallen op zulke formuleringen. Bewust, omdat hij ervan uit gaat dat zijn luisteraars die formuleringen wel kennen en zullen gebruiken. Onbewust door gemakzucht, tijdgebrek of gebrek aan woorden en inspiratie tijdens het schrijven van de preek.
Deze oefening van Daniel Overdorf wil predikanten ertoe aanzetten, dat zij tijdens de preek niet terugvallen op die beweringen en vaststaande formuleringen, maar dat zij die formuleringen beeldend en verhalend uiteenzetten.

Uitbeelden
Zo werkt het in de film en in de literatuur ook. Als een regisseur de angst van een hoofdpersoon wil uitbeelden, plaatst hij geen ondertiteling in beeld: ‘Dit meisje is bang’. In plaats daarvan laat de regisseur ons kijkers zien dat het meisje bang is. Bijvoorbeeld vanuit de ogen van het meisje of aan de buitenkant aan het gezicht en de lichaamstaal van de acteur.
Goede schrijvers bouwen hun verhalen op dezelfde manier op. Een schrijver zal niet snel schrijven: ‘De man was zenuwachtig voor zijn toespraak.’ De schrijver zal laten zien dat hij over het podium loopt, het zweet van zijn voorhoofd wist, de benen trillen en zijn hart klopt.
In plaats van te vertellen dat iemand angst heeft of zenuwachtig is, wordt de angst en de spanning getoond.

Jezus maakte in zijn onderwijs vaak gebruik van dit principe. Soms vertelt Hij over het Koninkrijk van God, over Zijn Vader, over discipelschap. Meestal vertelt hij door te laten zien. Als iemand hem vraagt wie zijn naaste is, geeft Jezus geen definitie uit de Dikke van Dale. Hij laat zien hoe een man vanuit Jeruzalem naar Jericho gaat (Lukas 10:30). Als Hij ermee geconfronteerd wordt dat Hij veel met zondaren optrekt, had Hij kunnen zeggen: ‘Die zondaren hebben mij nodig.’ Maar Hij liet dat zien: ‘Gezonden hebben geen dokter nodig, maar iemand die ziek is wel.’ Als antwoord op dezelfde beschuldiging vertelt Hij over de vreugde van een vrouw die een verloren geraakt muntje terugvindt, over een herder die blij is met een teruggevonden schaap, een vader die zijn verloren gewaande zoon weer kan omhelzen. Jezus gaf beeldend onderwijs.
Predikanten kunnen van hun Meester leren. Door hetzelfde principe in hun preek toe te passen: Show, don’t tell. Predikanten vragen zich meestal af: hoe kan ik dit het beste uitleggen. Ze kunnen zich beter afvragen: hoe kan ik dit het beste uitbeelden?

Voorbeelden
TELL: Toen hij naar de universiteit ging, leken hem de dingen die hij tijdens zijn middelbare-schoolperiode van belang vond minder belangrijk.
SHOW: Pa en ma hadden hem gedag gezegd en gingen weer naar huis. Hij gooide zijn tas in zijn kamer. Gelukkig, zijn kamergenoot komt pas de volgende dag. Hij heeft tijd nodig om tot zichzelf te komen. Hij deed zijn sokken in de la en legde zijn tandenborstel in de douche. Hij hing zijn shirts op een hanger. Ook het shirt van het voetbalteam van zijn school. Hij aarzelde om dat shirt uit zijn tas te halen, deed het toch en hing het shirt helemaal achter in de kast. In dat shirt had hij vele malen gevoetbald en verschillende prijzen voor zijn school gewonnen. Hij hing het bij de oude jas van zijn vader, die hij had gekregen en waarvan hij wist dat hij dat shirt ook nooit zou dragen.

TELL: Sommige mannen zijn zo druk bezig met hun carrière dat zij hun relatie stukmaken.
SHOW: Een man haast zich zijn kantoor uit. Doet zijn stropdas af en laat zijn Lexus uit de parkeergarage voorrijden. Terwijl hij de motor start, gaat zijn telefoon af. Via de bluetooth komt de stem van zijn vrouw in de auto. Zijn en haar dochter gaan erop uit dit weekend. Hij was tot op het laatst op het kantoor gebleven, omdat er nog zaken zijn aandacht vroegen. ‘Wij komen niet thuis,’ zegt zijn vrouw. ‘Blijven jullie een extra dag?’ vraagt hij. ‘Nee,’ zegt ze direct, ‘Dat bedoel ik niet. Ik bedoel, wij komen helemaal niet meer thuis. Nooit meer.’

TELL: Zij had grote moeite om haar vader te vergeven.
SHOW: Tijdens het gesprek stamelde ze. Het was een moeizaam gesprek. Ze hing op en liep naar de kast en pakte daar een briefje uit. Op het briefje schreef ze wat ze niet had kunnen zeggen: ‘Pa, ik vergeef je.’

TELL: Jezus leed aan het kruis.
SHOW: Met elke hamerslag van de soldaat kromp het lichaam van Jezus ineen. Afgrijselijke uitroepen kwamen uit zijn bebloede mond, waarin de gebroken tanden zichtbaar waren.

Oefening
TELL: Ik voelde me geïntimideerd toen ik haar kantoor binnenliep.
SHOW: ….

TELL: Hij is erg bezorgd over wat het gezin nog te besteden had.
SHOW: …

TELL: Zij werd hoe langer hoe meer een enthousiaste gelovige.
SHOW: …

TELL: Ouders en tienerdochters begrijpen elkaar lang niet altijd.
SHOW: …

TELL: Roddel berokkent schade aan vriendschappen.
SHOW: …

1) Doe de oefening volgens het principe: Show, don’t tell.

2) Lees na afronding de preek die net geschreven is nog eens door. Kruis 5 zinnen aan, waarin je iets beweerde of stelde (tell) in plaats van het te laten zien (show).

3) Herschrijf die zinnen volgens het principe: Show, don’t tell.

N.a.v. Daniel Overdorf, One Year to Better Preaching (2009) 43-47.

Literatuursuggesties:

  • Mark Galli – Preaching That Connects: Using the Techniques of Journalists to Add Impact to Your Sermons (Zondervan, 1994)
  • Sondra Willobee – The Write Stuff: Crafting Sermons That Capture and Convince (Westminster John Knox, 2009)
  • Dawn Copeman – ‘How to “Show Don’t Tell”’
  • Rabort J. Sawyer – ‘On Writing: Show, Don’t Tell.

Houd de principes van het preken maken bij!

Houd de principes van het preken maken bij!

Preken maken kan vergeleken worden met sporten. Net als bij een sport heeft het preken maken ook regels waaraan je je moet houden. En een predikant moet net als een sporter blijven trainen op onderdelen.
In 2013 publiceerde Daniel Overdorf het boek One Year to Better Preaching. 52 Exercises to Hone Your Skills. Predikanten kunnen hun preken verbeteren door elke week een oefening uit dit boek te doen. Een oefening kost een predikant ongeveer 1 à 2 uur werk. De 4e oefening gaat over 5 fundamentele principes van het preken maken.

(1) Bestudeer de tekst
Bestudeer de tekst waarover je wilt preken voordat je besloten hebt wat je in de preek wil zeggen. Ga de context van het gedeelte na: hoe past het gedeelte dat je gekozen hebt in de originele context? Gebruik hiervoor commentaren en andere hulpmiddelen om de culturele en historische context te achterhalen. Gebruik de grondtalen (wanneer je ze beheerst).
Vaak is er reeds een boodschap gekozen voordat de Bijbeltekst is bestudeerd. Draai dit om en laat de Bijbeltekst je gedachten en de boodschap van de preek bepalen.

(2) Formuleer de boodschap van de preek
Effectieve preken hebben een enkel idee als basis. Deze boodschap is dan herkenbaar en makkelijk te onthouden geformuleerd. Om dit idee te formuleren gebruik je de vorige stap (bestudering van de tekst). Formuleer dan een tijdloze waarheid die uit het Bijbelgedeelte opkomt en formuleer dat als een duidelijke stelling. Weersta de verleiding om alleen een vage omschrijving of een breed thema te formuleren.

(3) Kies een vorm
De preek is dan gebaseerd op een enkel idee, dit idee moet wel worden uitgewerkt in een preek. Er zijn over het algemeen twee manieren om een preek uit te werken:
– In een deductieve vorm plaatst de predikant de stelling (de boodschap van de preek) aan het begin van de preek, liefst in de introductie. De stelling wordt in de preek uitgewerkt.
– In een inductieve vorm is de boodschap van de preek (de stelling) de climax van de preek. De preek werkt naar de boodschap toe en de boodschap wordt aan het slot, in de climax meegegeven.
Ga voor jezelf na welke vorm het beste past bij de boodschap. Stel jezelf de vraag: is het voor de luisteraar beter om de boodschap aan het begin van de preek reeds mee te geven of is het beter om naar die boodschap toe te werken?

Opbouw
Deductief:
(1) Introductie: stelling
(2) romp: punten die ontleend zijn aan de tekst om de stelling uit te leggen, te onderbouwen of toe te passen
(3) Conclusie: herhaling van de stelling en de punten
Geef na de stelling in de introductie kort weer welke stappen je onderneemt om de stelling uit te werken.

Inductief
(1) Introductie: probleemstelling
(2) Romp: bewegingen vanuit de tekst, stappen ontleend aan de tekst om deze probleemstelling te beantwoorden
(3) Conclusie: uiteindelijke beantwoording of oplossing.
Maak duidelijk dat de bewegingen en de stappen de luisteraars leiden naar een manier die voor hen duidelijk is en hen verder helpt om de probleemstelling te beantwoorden.

(4) Ontwikkel voorbeelden en toepassingen
Voorbeelden helpen de luisteraars om de waarheid te begrijpen. Toepassingen helpen de luisteraar om te zien welk effect deze waarheid op hun leven heeft.
Ga, nadat je je boodschap en structuur hebt uitgekozen, na welke verhalen, quotes, statistieken, suggesties of scenario’s-uit-het-leven-gegrepen de luisteraar kan helpen om de boodschap te begrijpen en toe te passen.

(5) Bereid het begin en het slot zorgvuldig voor
Als de preek is uitgewerkt, bereid je zorgvuldig voor hoe je de preek wilt beginnen en afsluiten.

De introductie zou (1) de aandacht moeten vangen door een verhaal, quote, of misschien een vraag.
De introductie zou (2) op basis van de Bijbeltekst een zorg of verlangen moeten formuleren met betrekking tot onze onvolmaaktheid of worsteling met de boodschap van de tekst.
De introductie zou (3) de luisteraar het idee moeten geven welke kant de preek opgaat – zie punt 3 over de vorm van de preek.

Het slot zou (1) de stelling moeten belichten. In een deductief opgebouwde preek zou het slot de stelling uit de introductie moeten herformuleren in het licht van wat er in de preek aan de orde is geweest.  In een inductief opgebouwde preek formuleert en benadrukt het slot de stelling voor de eerste keer, waarmee het de preek tot een climax brengt.
Het slot zou (2) aan de luisteraar een duidelijk beeld kunnen geven door een voorbeeld bij de stelling te geven.
Het slot zou (3) de luisteraars moeten uitdagen om de in de preek onderwezen waarheid in praktijk te brengen.

Overdorf geeft enkele leestips:

  • Donald R. Sunukjian, Invitation to Biblical Preaching: Proclaiming Truth With clarity and Relevance (Kregel, 2007)
  • Calvin Miller, Preaching: The Art of Narrative Exposure (Baker, 2006).

N.a.v. Daniel Overdorf, One Year to Better Preaching. 52 Exercises to Hone Your Skills(Kregel, 2013) 33-38

De predikant als minor poet

De predikant als minor poet
Over de roeping, de inzet en taak van de predikant

Als iemand predikant wordt, brengt offers. Een predikant verhuist naar de plaats waar de gemeente gevestigd is. Hij neemt zijn gezin mee en laat zijn sociale netwerk achter. Hij moet een hele nieuwe omgeving leren kennen, waarderen en liefhebben.

Het leren kennen betekent niet alleen de buitenkant: de weg in de omgeving, de plaats waar de winkels staan. Een predikant moet ook de binnenkant leren kennen: de manier van denken en handelen, de interacties tussen mensen, de taal van het hart, de emoties van de gemeenschap, de lokale geschiedenis, de relatie tot God in de gemeenschap.

Totale overgave
Predikant zijn van een gemeente kan alleen door je helemaal, zonder reserve te geven. Zo ervaar ik mijn roeping ook. Geregeld komt de psalmregel boven: Want de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd (Psalm 69:4 Oude Berijming). Predikant worden is offers brengen. Dat is niet altijd erg, want deze offers worden gebracht voor een hoger doel: in naam van Christus voor de gemeente zorgen.
Tot voor kort had ik altijd gedacht dat het wezen van het predikantschap ook het brengen van dat offer was, dat grote gebaar van mijzelf helemaal geven aan deze gemeenschap. Door het lezen van The Pastor as Minor Poet heb ik leren inzien dat de roeping van de predikant een heel andere is: niet het grote offer, maar een bepaalde manier van naar de gemeente kijken en de gemeente daarbij helpen. Niet het grote gebaar, maar een fijnzinnige waarneming van wat God in de gemeente doet. Voor mij is The Pastor as Minor Poet  een belangrijk boek geworden.

Geschonken identiteit
Craig Barnes is hoogleraar Leadership and ministry en leidt hij predikanten op en begeleidt hij hen in hun werk. Volgens hem is predikantschap de laatste decennia ingewikkelder geworden, omdat de roeping en de taak van predikanten diffuser is geworden. Deze roeping en taak is ingewikkelder geworden, omdat we leven in een maatschappij die de suggestie wekt dat we onze identiteit zelf kunnen en moeten vormgeven (constructed identity). Rode lijn door het boek heen is dat identiteit in het christelijk geloof juist het tegenovergestelde is: identiteit is geen menselijke prestatie maar een geschenk van Christus. Het leven is geen presteren maar ontvangen: ‘We ontvangen deze identiteit door onze participatie in Christus, die ons thuis bracht in de gemeenschap met onze Schepper.’ Ons bestaan is een gracieuze gift van Christus. Alleen is het ontvangen van deze identiteit in een maatschappij van zelfgecreëerde identiteiten niet eenvoudig. Daarom hebben we volgens Barnes predikanten nodig: om ons eraan te herinneren en te helpen inzien dat onze identiteit een genadig geschenk is.

Minor poet
De roeping en de taak van de predikant is daarom volgens Barnes om de minor poet van de gemeente te zijn: het leren zien van dit geschenk in alle kleine onderdelen van het gemeentezijn. Dichters kijken niet alleen naar de werkelijkheid, maar zijn ook op zoek naar de waarheid in of achter de werkelijkheid. De predikant is bezig met de diepere laag van de ziel. Niet op een grote schaal, maar in de kleinschaligheid van de lokale context van de gemeente.
Er zijn ook major poets. Dat zijn theologen die in hun leven met een enkel thema bezig zijn (geweest) en daar veel en grote offers voor hebben gebracht. Dat zijn de Bijbelschrijvers, vroege christenen die hun leven gaven, de woestijvaders die uit de maatschappij waren getreden, de reformatoren die gevangen zaten. In een maatschappij zijn volgens de dichter T.S. Eliot beide dichters nodig. Barnes past het toe op de kerkelijke gemeente. Predikanten zijn minor poets die de theologische waarheden en de inzichten van de major poets doorvertalen naar de lokale gemeenschap. De lokale gemeenschap zit niet te wachten op de inzichten van Luther of Barth. De predikant gebruikt hun inzichten wel om zelf het werk van God in de eigen, kleine, lokale gemeenschap waar te nemen. De creativiteit van de minor poet is niet het vinden van een nieuwe theologische waarheid, maar het ontdekken en onthullen van de waarheid in deze lokale gemeenschap. De meeste theologische opleidingen leiden predikanten op als major poets, maar in de praktijk zullen de meeste predikanten juist minor poets zijn.

Alledaags
Over het algemeen is de lokale gemeenschap juist niet-poëtisch. Terwijl een predikant wellicht in de gemeente komt met hoge idealen om het geleerde door te geven. De gemeente zit vaak niet op diepe theologie te wachten, maar eerder op eenvoudige inzichten. Barnes: ‘Niemand heeft mij tijdens de opleiding geleerd om rond te lopen in de lage vlakten van de alledaagse gesprekken over alledaagse dingen.’ (Wel door hooggebergten met theologische vergezichten.) Volgens Barnes hoort een predikant in het Westen de taal van het gebabbel te leren over koetjes en kalfjes. Net zoals een zendeling in Afrika Swahili hoort te leren.
Small talk is vaak een manier om over kleine dingen te praten om ons te verbergen voor het heilige gebeuren. Het heilige is, zoals Rudolf Otto aangaf, niet alleen aantrekkelijk maar ook afschrikwekkend.

Oog voor Gods aanwezigheid
Volgens Barnes komen mensen vanwege de taak van de predikant als minor poet naar de kerk: zodat de predikant in hun prozaïsche levens iets kan laten zien van de poëzie van Gods werkzaamheid in hun alledaagse leven. De predikant kan dat alleen doen door de het heilige in het alledaagse leven te onthullen, zodat in het alledaagse er een sacramentele ervaring van God is. Barnes geeft als voorbeeld de naturalistische stelling van Ludwig Feuerbach: De mens is wat hij eet. Hij haalt de Orthodoxe theoloog Alexander Schmemann aan die die zinsnede onderschrijft, maar daar tegenover stelt: het materiële maakt ons spiritueel. Hij laat zien hoe belangrijk het eten is voor de band tussen God en mens. Het eten doet hem bewust zijn van zijn afhankelijkheid van God. Gemeenteleden geven in theorie Schmemann gelijk, maar handelen en kijken naar de werkelijkheid alsof Feuerbach gelijk heeft. Ze zien de werkelijkheid los van God als bron. En deze werkelijkheid los zien van God is zonde.

Waarheid
De minor poet helpt de gemeente inzien dat de werkelijkheid niet alleen bestaat uit de realiteit van wat voor ogen is, maar ook uit de waarheid van Gods aanwezigheid en werkzaamheid en helpt de gemeente de werkelijkheid van Christus te zien vanuit het reddend en verzoenend handelen van Christus. Deze zoektocht naar het geheimenis in de werkelijkheid, de laag van de ziel, is een van de grote taken van de predikant als minor poet.

Donkere nacht van de ziel
De minor poet heeft oog voor Gods aanwezigheid in het schone. De predikant als minor poet heeft ook oog voor Gods aanwezigheid in de donkere nacht van de ziel en helpt gemeenteleden te ontdekken hoe God daarin aanwezig is. De donkere nacht van de ziel is een uitdrukking van Johannes van het Kruis. Daarmee bedoelde hij dat de gelovige alle zegeningen van God kwijt raakt. In deze donkere nacht van de ziel is het enige dat de gelovige nog kan doen zichzelf aan het kruis van Christus te hangen. In een crisis, een ramp raakt de gelovige alles kwijt. Het kruis is dan nog het enige houvast. (Barnes werkt dit uit aan de hand van een huwelijkscrisis: de vrouw die van haar man te horen gekregen heeft dat hij bij haar weg wil, moet niet persé gaan voor de redding van het huwelijk. Want haar huwelijk is niet haar houvast. Het enige werkelijke houvast is het kruis van Christus. De minor poet helpt gemeenteleden dat houvast te ontdekken.)
Predikanten kennen vaak de donkere nacht van de ziel maar al te goed. Zij lopen rond met krassen en schrammen op de ziel. Veroorzaakt door het leven, door hun familie door henzelf, door de gemeente. Volgens Barnes is de predikant met de littekens op de ziel een voorbeeld voor de gemeente. De predikant is geen voorbeeld met de open wonden. De wonden zijn genezen door Christus, maar de littekens zijn gebleven. Predikanten lijden veel. Soms aan hun eigen familie, aan zichzelf, aan de gemeente. Soms aan de vraag waarom zij geen ‘succesvolle’ gemeente mogen dienen. Deze littekens laten zien dat zij niet perfect zijn. Juist in hun fragmentarisch bestaan zijn ze van waarde en tot voorbeeld voor de gemeente.

N.a.v. M. Craig Barnes, The Pastor as Minor Poet. Texts and Subtexts in the Ministerial Life (Grand Rapids / Cambrigde: William B. Eerdmans Publishing Company, 2009)