De plek van ellendekennis op de geloofsweg

De plek van ellendekennis op de geloofsweg.
(In gesprek met de theologie van de Gereformeerde Gemeenten)

In zijn commentaar op de Heidelbergse Catechismus stelt Klaas Schilder bij zondag 2 dat de kennis van ellende niet mogelijk is zonder geloof. Hij zegt het daar in zijn commentaar als kritiek op Remonstranten en op bepaalde vooraanstaande personen uit de GKN van zijn tijd (prof. dr. V. Hepp, dr. P. Prins), die uitgaan van algemene Godskennis buiten het geloof om. Bij mensen die niet geloven zou er ook een bepaald besef zijn van onze vervreemding van God. Volgens Schilder is dat echter niet mogelijk. Die vervreemding, die er wel degelijk is, wordt pas erkend als iemand is gaan geloven.

Bij het lezen van die passage moest ik denken aan de Gereformeerde Gemeenten. Naar mijn idee gaat men daar uit van een fase van de kennis van onze ellende, die voorafgaat aan het geloof. Dan zou de theologie van de Gereformeerde Gemeenten in een bepaald opzicht dicht tegen de Remonstrantse theologie aanzitten. Dat wordt soms wel gezegd: dat de uitersten elkaar raken. Maar klopt mijn indruk van de theologie van de Gereformeerde Gemeenten wel? Ik besloot het op Twitter na te vragen.

Daaruit kreeg ik eigenlijk twee soorten antwoorden. Voor de een klopte het inderdaad dat de kennis van onze ellende voorafgaat aan het geloof. Wanneer je genoeg onder de indruk bent van de ellende is op er op een keer een moment dat de balans van ongeloof naar geloof omslaat. Anderen gaven echter aan, dat de kennis van de ellende wel degelijk onderdeel uitmaakt van het geloof. Afscheid nemen van de zonde, inzien hoe erg de zonde is, zou dan een eerste stap zijn in de weg van geloof. Mij werd ook verteld dat dit verschil in het plaatsen van de kennis van de ellende in de weg van geloof het onderscheid uitmaakt tussen de Gereformeerde Gemeenten en andere reformatorische kerken.

Een ander inzicht dat ik opdeed, was dat er onderscheid gemaakt wordt in kennis van God en in kennis van Christus. Wanneer iemand nog niet tot geloof gekomen is, is er wel kennis over God. Dat is dan alleen kennis over God-in-het-algemeen, de onbekende God. Dat is nog niet de Verbondsgod, nog geen kennis over Christus. Dat bracht mij in verwarring: wordt er onderscheid gemaakt tussen God en Christus? Na wat overwegingen begreep ik, dat het hier niet om een verschil in wezen gaat, maar om een verschil in kennen. In de fase waarin iemand nog niet gelooft, kan hij wel allerlei indrukken van God hebben, maar omdat hij nog niet gelooft, is het geen echte kennis over God. Echte kennis kan alleen komen uit geloof, uit een levende relatie met Christus.

Nu gaat het bij verschil in opvattingen tussen kerken vaak om wezenlijke vragen, die voor alle gelovigen van belang zijn. Dat het om zulke wezenlijke vragen gaat, wordt niet altijd duidelijk omdat het verschil vaak in polemiek wordt uitgevochten zonder uit te leggen om welke wezenlijke vraag het gaat. In de polemiek ligt men overhoop vanwege het antwoord dat gegeven wordt en de consequenties voor het preken en gemeentezijn die vaak heel zichtbaar kunnen zijn. Om een discussie te begrijpen is het van belang om helder te hebben welke vraag hier ten grondslag ligt. Het duurde voor mij ook wel even voor ik helder had om welke wezenlijke vraag het gaat.

Naar mijn idee gaat het hier om enkele wezenlijke vragen, die niet alleen binnen de reformatorische kerken spelen. Ik kwam op de volgende vragen: (1) Wanneer is het moment dat je als gelovige ‘omgaat’ van ongelovige naar gelovige? (2) Wat is voor een gelovige nodig om ‘om te gaan’? (3) Wanneer komt in het proces van overgaan van ongeloof naar geloof de mens in beeld? (4) Welke kennis over God heeft iemand in de fase waarin hij nog niet gelooft en wat verschilt die kennis met de kennis van wanneer iemand wel is gaan geloven?

Het is duidelijk dat de kennis over God (4) verschilt wanneer iemand nog niet gelooft van iemand die wel gelooft. Wie niet gelooft, kan God niet vertrouwen. De zonde zorgt voor wantrouwen. Wanneer iemand met wantrouwen naar een ander kijkt, is de kennis over de ander altijd gekleurd. Schilder zegt steeds: als iemand in zonde ligt, houdt hij de kennis over de eigen ellende en over wie God werkelijk is eronder. Diegene duwt de kennis over God weg om niet te hoeven geloven.

De overgang van ongeloof naar geloof is een wezenlijke (1). Het is niet minder dan de overgang van dood naar leven, van verloren zijn naar behouden worden. Voor veel mensen in de reformatorische kerken is die overgang ongrijpbaar, omdat er allerlei barrières opgeworpen zijn. Die barrières zijn er om je niet te vergissen en je niet rijk te rekenen. Om niet te denken dat je behouden zult worden, terwijl je nog in verloren staat bent. Een van die barrières is, dat in dit proces de mens er nergens aan te pas komt. Wanneer de mens er wel aan te pas zou komen, zou dat geen stand houden. Alleen als de hele weg Gods werk is, kan iemand gered worden.

Daarmee blijft de overgang iets schimmigs hebben. Bekering is eigenlijk een onmogelijkheid aan menselijke kant. Bekering gebeurt echter wel, omdat God iemand bekeert. Die onmogelijkheid wordt naar mijn idee ook breder dan de Gereformeerde Gemeenten gedeeld. Ook in de kerk waar ik opgroeide was bekering aan mensenkant onmogelijk. Dat bekering mogelijk was, kwam omdat God werkte. Hij zorgde ervoor dat een mens overstag gaat. Alleen moet een mens dat wel eigen maken, toe-eigenen (3). In de praktijk is het voor kerkgangers van belang om te weten, wanneer ze mogen zeggen dat ze geloven, dat ze van Christus zijn. Of nog een stapje eerder: dat ze de genade mogen aannemen? Daar verschillen kerken juist weer in.

In de kerk waarin ik opgroeide, kwam door de toe-eigening de mens in beeld. Dat had in de praktijk ook een voordeel, omdat je als kerkganger wist wanneer jijzelf aan de beurt was om iets te doen. Omdat dat bij andere kerken minder het geval is, krijgt bekering iets mysterieus. In de praktijk gaat het dan om een zo’n ingrijpende ervaring, dat je als mens weet dat je niet meer terug kunt. Dat gemeenteleden zo’n overgang van ongeloof naar geloof (of misschien meer van geloven naar durven accepteren dat je gelovig mag zijn) niet goed helder hebben, merk ik in de gemeente ook. Vaak gaan mensen een stap in geloof maken na een ingrijpende gebeurtenis, zoals een ervaring van overlijden of ziekte. Dat is echter gevaarlijk, omdat de overgang niet gekoppeld wordt aan de beloften van God of aan de Bijbel, maar aan de eigen ervaring.

Nu gaf ik aan dat het om wezenlijke vragen te maken heeft die voor iedere gelovige van belang zijn. De theologie van de Gereformeerde Gemeenten heeft iets kritisch naar allerlei ervaringen, die mensen dan weer duiden als ervaring van God: een zonneschijn, een regenboog, een vlinder die fladdert, een rustig gevoel dat over je komt, het gevoel gedragen te worden. Vanuit de theologie van de Gereformeerde Gemeenten bedenk ik nu: heb je dan echt met God te maken in die ervaringen? En is die kennis genoeg om zalig te worden of is er meer nodig?

Naar de Gereformeerde Gemeenten toe zou mijn vraag zijn: is de ene ervaring, die wellicht terecht bekritiseerd wordt omdat de link met de kennis die zaligmaakt niet helder is, niet ingeruild voor een andersoortige ervaring? Is het niet juist de beleving hier die op een dwaalspoor brengt en in plaats van iemand bij God te brengen om de zaligheid te ontvangen achter laat in een mistig gebied, waarin iemand de weg naar God niet kan vinden en daarmee de zaligheid dreigt mis te lopen?

Les 18: Belijdenisgeschriften

Les 18: Belijdenisgeschriften

Mirthe heeft geregeld met een collega gesprekken over het geloof. Deze collega is niet met het geloof opgegroeid en heeft veel vragen. Op veel vragen weet Mirthe zelf het antwoord niet. Wat gelooft ze eigenlijk zelf? En bestaat er niet een soort samenvatting van wat het geloof inhoudt?

Johan gaat wel eens met een vriend mee naar een andere kerk. Niet alleen de opzet van de dienst is anders, ook de boodschap van de voorganger is anders. Dat brengt Johan in verwarring. Wat gelooft hij zelf? Wat hoort hij te geloven?

Vraag 1: Waar haal jij je kennis over God en over het geloof vandaan?



Vraag 2: Als een collega of een vriend(in) meer wil weten over het geloof, wat bied je dan aan?


Uitleg
In de kerk bestaan er officiële samenvattingen, waarin we kunnen weten waar de kerk inhoudelijk voor staat. Dat zijn belijdenisgeschriften. Onze kerk, de Protestantse Kerk in Nederland, kent een aantal belijdenisgeschriften. In de belijdenisgeschriften staat wat de officiële leer van de kerk is. Deze belijdenisgeschriften zijn vaak ontstaan in een tijd, waarin er veel discussie was over wat de kerk hoort te leren.

De Protestantse Kerk is in 2004 ontstaan uit een fusie van 3 kerken. De Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk.
De Gereformeerde Kerken in Nederland en de Nederlands Hervormde Kerk hadden 6 belijdenisgeschriften:

  • de Apostolische Geloofsbelijdenis
  • De geloofsbelijdenis van Nicea – Constantinopel
  • De geloofsbelijdenis van Athanasius
  • De Heidelberger Catechismus
  • De Nederlandse Geloofsbelijdenis
  • De Dordtse Leerregels

Deze geloofsbelijdenissen zijn ook in verschillende psalmboeken opgenomen. De laatste drie belijdenisgeschriften worden samen de drie formulieren van enigheid genoemd.


De apostolische geloofsbelijdenis
De apostolische geloofsbelijdenis gaat niet terug op de 12 apostelen. De naam geeft aan: de inhoud komt overeen met wat de apostelen geleerd hebben. Deze belijdenis is ontstaan als een belijdenis die nieuwe christenen opzegden bij hun doop. Deze nieuwe christenen lieten de Romeinse of de Griekse godsdienst, waarin ze opgegroeid waren, achter zich en gingen Jezus als hun Heer belijden.
Kenmerkend voor deze belijdenis is de indeling in drieën: eerst wordt iets beleden over God de Vader, daarna over God de Zoon en tenslotte over de Heilige Geest.

De geloofsbelijdenis van Nicea – Constantinopel
In de 4e eeuw werd er gediscussieerd over de vraag of Jezus ook God als of dat Jezus minder dan God was. Op verschillende concilies (officiële vergaderingen) werd uitgesproken dat Jezus net zo goed God was als God de Vader en dat er toch maar één God is. Omdat er ook een Heilige Geest is, spreken we over God als drie-een.
De belijdenis is genoemd naar de verschillende plaatsen waar die concilies gehouden zijn: Nicea (325 na Christus) en Constantinopel (381 na Christus). Deze belijdenis is een uitbreiding van de apostolische geloofsbelijdenis. Deze belijdenis is de meest geaccepteerde belijdenis. Bijna alle kerken over heel de wereld accepteren deze belijdenis.

De geloofsbelijdenis van Athanasius
De geloofsbelijdenis van Athanasius is de meest onbekende geloofsbelijdenis. Ook deze belijdenis is ontstaan in een tijd waarin er werd gediscussieerd over de vraag over Jezus ook God was. Deze belijdenis is een felle verdediging van de gedachte dat God zowel uit Vader, Zoon en Geest bestaat en toch één is. Wie dat niet gelooft, kan niet behouden worden, zegt deze belijdenis. De geloofsbelijdenis is niet geschreven door Athanasius, maar vernoemd naar Athanasius, die de belijdenis van God als drie-één verdedigde.

 

De Nederlandse Geloofsbelijdenis
De Nederlandse Geloofsbelijdenis is in 1561 geschreven door Guido de Brès. In die tijd worden de protestantse gelovigen vervolgd vanwege hun geloof. In deze belijdenis legt De Brès uit wat protestanten geloven. Hij legt uit dat hun geloof niet afwijkt van wat de kerk altijd geleerd heeft. Hij legt uit waarom protestanten niet katholiek kunnen zijn. Ook legt hij uit dat protestanten geen Wederdopers kunnen zijn. Wederdopers hadden voor veel opschudding gezorgd. Niet alleen omdat ze voor de volwassendoop waren (volwassenen werden weder=opnieuw gedoopt), maar ook omdat er nogal wat vreemde praktijken waren bij de Wederdopers.

De Heidelberger Catechismus
De Heidelberger Catechismus is bedoeld om de gewone mensen in de kerk uitleg te geven over wat het geloof inhoudt. Thema’s die aan de orde komen:

  • de geloofsbelijdenis: Wat doet God in jouw leven en in de wereld waarin wij leven?
  • doop en avondmaal: hoe horen we bij Christus en hoe krijgen we deel aan de redding?
  • de Tien geboden: Hoe leven we als christenen tot eer van God? Hoe doen we Zijn wil?
  • en het Onze Vader: Hoe leren we bidden?

Je zou kunnen zeggen: een gelovige hoort zijn geloof op deze thema’s onder woorden te kunnen brengen. De belijdenis bestaat uit vragen en antwoorden. De leermeester stelde de vragen en de leerling gaf antwoord. Zo leerde de leerling zijn eigen geloof persoonlijk onder woorden te brengen.
Deze geloofsbelijdenis is in 1563 ontstaan in Heidelberg. Omdat op dat moment er een gemeente was van uit Nederland gevluchte protestanten, raakte deze belijdenis ook in Nederland bekend.
Deze belijdenis is opgedeeld in 52 zondagen. ‘s Middags konden de jongeren op catechisatie die zondag leren en in de middagdienst werd over die zondag in de kerkdienst gepreekt.

De Dordtse Leerregels
De Dordtse Leerregels gaan onder andere over hoe je gered kunt worden. In 1610 zei Arminius: God redt mensen op basis van hun geloof. Omdat God weet dat mensen gaan geloven, gaat Hij hen redden. De tegenstanders vonden dat Arminius de redding teveel afhankelijk maakte van hoe mensen zullen reageren. God is niet afhankelijk van onze reactie, van ons antwoord. In 1618 komt er een officiële vergadering in Dordrecht, waarin wordt aangegeven dat de kerk kiest voor de lijn van Arminius’ tegenstanders.

Norm of richtlijn?
Veel kerken in Nederland hebben deze 6 belijdenisgeschriften. Er is wel in de afgelopen eeuwen discussie geweest over hoe je ze moet gebruiken. De één ziet ze als norm waarvan je niet mag afwijken. Ook niet als individuele gelovige. De ander ziet de belijdenisgeschriften meer als richtlijn: zo zou je kunnen geloven. De één ziet ze als een samenvatting van wat er in de Bijbel staat. De ander zegt dat je je beter met de Bijbel zelf kunt bezig houden. Het is de moeite waard om de geloofsbelijdenis er steeds bij te pakken. Al kan de plechtige taal waarin ze geschreven zijn een belemmering zijn. Een belemmering om ze goed te kunnen gebruiken is, dat ze ook wel eens over thema’s gaan, die vandaag niet zo actueel meer zijn.
De officiële lijn is dat belijdenisgeschriften aangepast mogen worden, maar dat moet dan wel gebeuren op basis van wat er in de Bijbel staat.  

 

Vraag 4: De eerste vraag van de Heidelberger Catechismus is: Wat is uw enige troost in leven en sterven? Probeer hiervoor je eigen antwoord te formuleren. Wat zou jij zelf op die vraag antwoorden?




Vraag 5: Vergelijk je antwoord met het antwoord uit de Heidelberger Catechismus.
– Welke thema’s heeft de Catechismus, die jij niet hebt?


– Welke thema’s heb jij die niet in de Catechismus staan?


Vraag 6: In de Heidelberger Catechismus worden de geloofsbelijdenis, doop en avondmaal, de Tien geboden en het Onze Vader uitgelegd. Waarover zou jij zelf meer uitleg willen hebben?


 

Klaas Schilder over de Heidelbergse Catechismus – 1: Christelijke troost

Klaas Schilder over de Heidelbergse Catechismus – 1: Christelijke troost

Op 7 oktober 1938 verschijnt er voor het eerst bij De Reformatie, een weekblad dat door Klaas Schilder wordt gerund, een bijlage van acht pagina’s over de Heidelbergse Catechismus. Schilder bedoelde dat als een groots project, dat twintig jaar in beslag zou nemen en in tien delen zou uitkomen. In augustus kwam het project stil te liggen vanwege het publicatieverbod dat Schilder van de Duitsers opgelegd kreeg. Na de oorlog kon de publicatie niet direct ter hand genomen worden, omdat het papier nog erg schaars was.

Zeven jaar lag het project stil. In die zeven jaar was heel wat gebeurd. Zoals vier oorlogsjaren en de voor Klaas Schilder traumatische ervaring van een kerkscheuring, waarbij hij buiten de Gereformeerde Kerken kwam te staan. Op het moment dat Schilder zijn werk met de Heidelbergse Catechismus weer oppakt, is het commentaar tot en met zondag 6 afgerond. Uiteindelijk zullen er vieren delen komen en is bij het overlijden van Schilder enkele jaren later de uitleg van zondag 10 nog niet afgerond.

Schilder vindt het voor de kerk nodig dat er een goede uitleg van de Heidelbergse Catechismus verschijnt. Hij gaat niet mee in het onderscheid dat Kuyper maakt tussen confessie en catechismus. Volgens Kuyper is de confessie binnenkerkelijk te gebruiken en de catechismus voor buiten de kerk.

Goede kennis van de belijdenis – en dus ook van de Heidelbergse Catechismus – is nodig om in begripsmatig opzicht onderscheid te maken tussen wat goed en kwaad is. Discretie noemt Schilder dat en hij ontleent deze term aan artikel 8 van de Dordtse Kerkorde. Discretie is nodig om de inhoud van het kerkelijk geloof en de kerkelijke belijdenis te kunnen onderscheiden van die van secten en ongelovigen. De publicatie van dit commentaar op deze catechismus staat in het teken van dit onderscheid maken, deze discretie.

Ook als het gaat om troost – de inzet van de Heidelbergse Catechismus – is deze discretie nodig, vindt Schilder. Dat lijkt een vreemde gedachte, want troost lijkt toch eerst iets van het gemoed en discretie lijkt meer iets van het verstand te zijn. Troost is echter meer dan een in het gemoed geraakt zijn. Om troost te kunnen ontdekken is het ook nodig om met het verstand onderscheid te maken tussen wat waar is en wat niet.

De gedachte dat troost vooral iets van het gemoed is, heeft voor Schilder iets positiefs: door dit bezwaar in te brengen, laat men zien dat men niet vatbaar is voor het rationalisme. Het rationalisme is een doorgeschoten gebruik van het verstand. In het rationalisme wordt de menselijke rede als enige kenbron gezien (en heeft de openbaring geen enkele mogelijkheid om een rol te spelen in het opdoen van kennis). Het probleem van dit rationalisme is voor Schilder dat het zich losgemaakt heeft van God en autonoom wil zijn ten opzichte van God.

In verzet tegen het rationalisme moet men echter niet doorschieten in het andere uiterste, waarbij het verstand buiten werking wordt gesteld en de menselijke rede geen enkele rol mag spelen. De rede blijft nodig om onderscheid te kunnen maken tussen wat waar is en wat niet. Volgens Ursinus is er om troost te kunnen ontdekken consideratie en ratiocinatie nodig. Consideratie betekent (aandachtige) overweging. Ratiocinatie betekent sluitrede, syllogisme. Ratiocinatie – een sluitrede, een syllogisme dus – maakt gebruik van wat reeds voorhanden is. Een sluitrede verzint die gegevens niet zelf; die gegevens zijn er al. Net zoals de posten debet en credit niet door een boekhouder (ratiocinatie) verzonnen zijn, maar reeds voorhanden zijn. Ratiocinatie is geen rationalisme, maar gaat de confrontatie aan tussen twee werkelijkheden: de werkelijkheid van het geloof en die van het ongeloof. Deze twee werkelijkheden bestaan. Met discretie worden deze twee werkelijkheden tegen elkaar afgewogen.

Een voorbeeld van zo’n discretie met behulp van een syllogisme kunnen we vinden in Prediker 7:25 en 27. In zijn eerste periode maakte hij zijn afwegingen op basis van zijn eigen ervaringen. In zijn tweede periode maakte hij zijn afwegingen op basis van Gods openbaringswoord. De eerste afweging stond in dienst van de zonde. De tweede afweging stond in dienst van God. Het tweede gebruik is goed gebruik van het syllogisme.

Het christelijk geloof dat gebaseerd is op Gods openbaringswoord heeft meer kennis dan de filosofie die gebaseerd is op menselijke ervaring en afweging. Filosofie kent niet de wet van God, die de menselijke ellende aanwijst. Filosofie heeft ook geen weet van het evangelie en kan daarom geen troost bieden. Omdat de kerk wel én de wet én het evangelie heeft, kan de kerk wel troost aanbieden. Dit verschil tussen filosofie (gestoeld op menselijke ervaring en gedachten) en kerkelijke belijdenis (gestoeld op Gods openbaringswoord) mag niet uit het oog worden verloren. Er is een christelijke logica nodig (zoals D.H.Th. Vollenhoven voorstelde); algemene logica houdt geen rekening met de zondeval.

Ursinus, degene die het meest heeft bijgedragen aan de Heidelbergse Catechismus, gaat van dit onderscheid tussen filofosie en kerkelijke belijdenis uit. Schilder kan niet in alles Ursinus volgen. Hij vindt dat Ursinus een onderscheid zou moeten maken tussen natuurlijke theologie en openbaring. Hij valt daar Ursinus niet te hard op aan, omdat de gereformeerde theologie in die tijd nog in de kinderschoenen staat en niet alle onderscheidingen al helder heeft. Kuyper heeft Ursinus op dit punt terecht gecorrigeerd in zijn E Voto dordraceno. Alleen voerde hij weer een verkeerde visie in: de algemene genade (gemeene gratie). Zie: hier.

Mogelijk heeft Ursinus gedacht aan De troost van de filosofie van Boëthius. Er zijn behoorlijke verschillen tussen de Catechismus en dit werk van Boëthius. Boëthius schreef voor geleerde mensen; de Catechismus is voor gewone mensen, werklui, kinderen bedoeld. Boëthius gaf de heidense filosofen teveel stem; de Catechismus ontzegde die ruimte terecht aan de heidense filosofen. Boëthius maakt een onderscheid tussen theorie en praktijk. Theorie is contemplatie en de praktijk is het actieve, concrete leven. Bij dat onderscheid is de contemplatie belangrijker dan het actieve, concrete leven. De Heidelbergse Catechismus maakt dat onderscheid niet en ziet theorie en praktijk gelijkwaardig. Theorie en praktijk staan in elkaars dienst en helpen elkaar. Discretie tussen filosofie, gestoeld op heidense kennis, en christelijk geloof, gestoeld op geopenbaarde kennis, is niet alleen noodzakelijk, maar heeft ook betekenis voor het actieve, concrete leven.

N.a.v. dr. K. Schilder, De Heidelbergsche Catechismus, deel I (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1949) 1-14 (§ 1)

Citaten over “Nedergedaald ter helle”

Citaten over “Nedergedaald ter helle”

In verband met een preek over Nedergedaald ter helle, een zinsnede uit de Apostolische Geloodsbelijdenis, heb ik in mijn boekenkast dogmatieken, uitleggen van het credo en van de Heidelberger Catechismus nagezocht op hoe zij hierover schrijven. Hier een aantal citaten:

(Onveranderde) Augsburgse Confessie – artikel III (1530)
Er is één Christus, waarlijk God en waarlijk mens, geboren uit de maagd Maria, die waarlijk geleden heeft, die gekruisigd, gestorven en begraven is, p[dat Hij de Vader met ons verzoende. Hij was niet alleen het offer voor de erfzonde, maar ook voor alle daadwerkelijke begane zonden van de mens. Diezelfde Christus daalde af in de hel en stond waarlijk op, op de derde dag; vervolgens steeg Hij op naar de hemel, opdat Hij aan de rechterzijde van de Vader zou zitten, een eeuwig zou regeren en heersen over alle schepselen. Hij zal degenen die in Hem geloven heiligen, door in hun hart de Heilige Geest te zenden, die hen regeert, troost en levend maakt, en hen beschermt tegen de duivel en de kracht van de zonde.

Catechismus van Genève – vraag 76 (1542)
Dienaar: Wat betekent de toevoeging, dat Hij is nedergedaald in het rijk van de dood?
Leerling: Niet alleen, dat Hij de natuurlijke dood heeft ondergaan, die de scheiding van lichaam en ziel betekent, maar ook, dat zijn ziel benauwd geweest is door een bijzondere angst, die de heilige Petrus de weeën van de dood noemt (Handelingen 2:24).

Johannes Calvijn – Institutie II.8-12 (1559) – vertaling C.A. de Niet
Ook aan Christus’ afdaling in de hel mogen we niet voorbijgaan, want deze is van groot belang voor de bewerkstelliging van de verlossing. (§ 8)

Zielen van gestorven mensen in een kerker opsluiten, dat is toch onzinnig? En dat de ziel van Christus daarheen afdaalde om hen in vrijheid te stellen, waarom moest dat? (§ 9)

Het zou niets opgeleverd hebben indien Christus alleen een lichamelijke dood gestorven zou zijn. Nee, het was ook nuttig dat Hij de ernst van Gods wraak zou ondervinden om zo Gods toorn te stillen en aan Zijn rechtvaardig oordeel genoegdoening te geven. Vandaar dat Hij ook als het ware handgemeen moest raken met de machten van de hel en worstelen met de verschrikking van de eeuwige dood. (§ 9)

Nederlandse geloofsbelijdenis – artikel 19 (1561)
Zo was het dus wat Hij bij zijn sterven in de handen van zijn Vader heeft overgegeven een echt menselijke geest, die zijn lichaam verliet, maar intussen bleef de goddelijke natuur steeds met de menselijke verenigd, ook toen Hij in het graf lag.

Heidelberger Catechismus – vraag 44 (zondag 16) (1562)
Vraag 44: Waarom volgt daar: nedergedaald ter helle?
Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden, maar inzonderheid aan het kruis gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.

Dordtse Leerregels – artikel II.4 (1619)
Deze dood is van zo grote kracht en waarde, omdat de Persoon, die hem ondergaan heeft, niet alleen een waarachtig en volkomen heilig mens is, maar ook de eniggeboren Zoon van God, van hetzelfde eeuwige en oneindige wezen met de Vader en de Heilige Geest, zoals onze Heiland moest zijn. Bovendien omdat zijn dood gepaard ging met het ervaren van Gods toorn en van de vloek, die wij door onze zonden verdiend hadden.

A. Kuyper – E voto dordraceno I, Zondag XVI, hoofdstuk VII (1892)
De “Nederdaling ter helle”is een zeer wezenlijk en ten volle doorworstelen van het lijden der helle geweest, een uitdrinken van meer dan den tijdelijken dood, ja een sterven van den eeuwigen dood, in de klare verlatenheid van God. Het was een lijden, dat den Christus dreigde heel zijn aanzijn op aarde door, en dat het eerst met de Opstanding uit het graf geheel wierd afgesneden. Alzoo is het een wezenlijk stuk onzer zaligheid, omdat zonder deze nederdaling ter helle de eeuwige dood en het lijden der helle nog voor onze rekening zou liggen. Maar, hoe hoog ook in waardij, van een plaatselijk nederdalen in de diepte des verderfs of van een prediking aan de oudvaderen, terwijl zijn lichaam in het graf lag, is ganschelijk in de Schrift geen sprake; zelfs kan er, zonder heel de voorstelling der Schrift geweld aan te doen, niet aan worden gedacht.

Herman Bavinck – Gereformeerde Dogmatiek III § 46 (1902)
En alle Gereformeerden zonder onderscheid bestreden het gevoelen der Roomschen en beleden, dat Christus ook in zijne ziel, ofschoon daarin voor het schrikkelijkste in de straf, voor zelfbeschuldiging, wroeging en wanhoop geen plaats was, den toorn  Gods gedragen en den geestelijken dood zijner verlating gesmaakt heeft. Maar dit alles neemt in het minst niet weg dit andere feit, dat de staat des doods, in welken Christus met zijn sterven is ingegaan, een even wezenlijke bestanddeel van zijne vernedering heeft uitgemaakt als zijn zielelijden aan het kruis.

K. Schilder – Christus in zijn lijden III (1930), 156
Het staat met die ontkleeding van den Zoon precies zóó als met alle andere dingen van Golgotha: men moet ze zien sub specie novissimae diei: men moet er in vinden de beroeringen van de jongsten dag.  (…) De spijkers en de hamers, die bleken ons reeds eerder katastrofale machten van den jongsten dag. Welnu: de ontkleeding van den Heiland staat onder dezelfde wet: hier was de helsche schande.

O. Noordmans (geciteerd bij Van Niftrik)
In een tijd van apocalyptische aspecten kan de prediking zich eigenlijk niet veroorloven een artikel als dit op non-activiteit te plaatsen. De wereld is er sedert de Renaissance en de Kerkhervorming niet zoo humaan geworden, dat zij het diepste en het ergste zou mogen beperken tot de menselijke ziel.

G.C. van Niftrik – Kleine Dogmatiek (1944), 124, 126
De kerk heeft nu meer dan ooit als roeping om te belijden tot haar troost en kracht: Nedergedaald ter helle.

Practisch beteekent het artikel over de hellevaart van Christus voor ons de zekerheid, dat Christus in alle aanvechting en leed, ook in de hel van de oorlog en verschrikking, niet verre van ons maar bij ons is als Triomfator, die heeft overwonnen. Dood en hel zijn Zijn verwonnelingen.

Karl Barth – Dogmatik im Grundriß (1947), 139:
Es ist ein Ausgeschlossensein von Gott und das macht den Tod so furchtbar, die Hölle zur Hölle. Daß der Mensch von Gott getrennt ist: das heißt an dem Ort der Qual sein. Heulen und Zähneklappen: unsere Vorstellung reicht nicht hin an diese Wirklichkeit, dieses Sein ohne Gott. Der Atheist weißt nicht was Gott-losigkeit ist. Gottlosigkeit ist die Existenz in der Hölle. Was bliebt übrig als Ergebnis der Sünde als das? Hat sich der Mensch nicht mit seiner Tat gesondert von Gott? Niedergefahren zur Hölle, ist nur die Bestätigung. Gottes Gericht ist gerecht, d.h. es gibt dem Menschen, was er gewollt hat. Gott wäre nicht Gott, der Schöpfer nicht der Schöpfer, das Geschöpf nicht das Geschöpf und der Mensch nicht der Mensch, wenn dieses Urteil und seine Vollstreckung ausbleiben könnte.
Aber nun sagt uns ja das Glaubensbekenntnis, daß die Vollstreckung dieses Urteils in der Weise von Gott vollzogen wird, daß Er, Gott selber, in Jesus Christus seinem Sohn, der wahrer Gott und wahrer Mensch zugleich ist, an die Stelle des verurteilten Mensch tritt.

Paul Althaus – Die christliche Wahrheit. Lehrbuch Dogmatik (1948), 268:
Dogmatisch sit zur  Höllenfahrt zu sagen: der Artikel des Bekenntnisses Niedergefahren zur Hölle bedeutet für uns auch in dem zweiten Sinne, den er in der Dogmengeschichte gewonnen hat, keine Aussage über ein chronologisch zu fixierendes Geschehnis neben Kreuz und Auferstehung Jesu. Der christliche Glaube kann ihn aber, neben seiner oben behandelten ersten Bedeutung, als Ausdruck für die Tiefe des Leidenkampfes und des Sieges Jesu nehmen: Jesus hat in seinem Sterben auch die Hölle, nämlich die satanische Anfechtung der Gottverlassenheit erlitten und sie, indem er auch hier der Sohn blieb, für uns überwunden.

H. de Vos, Het christelijk geloof (1948), 206
De bedoeling is niet slechts, dat Jezus Christus in het dodenrijk geweest is, maar dat Hij er ook iets beslissends gedaan heeft. Volgens 1 Petrus heeft Hij er gepredikt en nog wel aan mensen, die van een bizonder ongeloof jegens God blijk gegeven hadden. Zelfs aan deze verstokte zondaren heeft Jezus nog het Evangelie gebracht, opdat zij zich nog zouden bekeren en gered worden. Jezus Christus geeft dus nog aan de ergste zondaren een kans; een wel troostrijke gedachte. Dat sluit echter in, dat Jezus Christus ook de macht heeft over het dodenkrijk en den dood. Hij kan er doordringen en den dood zijn slachtoffers ontrukken.

Emil Brunner – Dogmatik II (1950), 432-433
Innerhalb der Lehre von Jesus, dem Christus, kann der Gedanke des descensus ad inferors für uns kaum anders als in der Deutung der Reformierten in Betracht kommen, nämlich als Ausdruck dafür, dass Jesus nicht bloss höchstes menschliches Leiden auf sich genommen und durchgekostet habe, sondern ein Mass des Leidens, der Gottverlassenheit, das ausser ihm keiner efurh, das wir uns nur als Vorwegnehmen der Hölle – aber dann eben nicht des Totenreiches, sondern des Zustandes völliger Gottgetrenntheit – vorstellen können.

G.TH. Rothuizen – Allemaal zondagen (1959), 59-60, 60-61
Onze belijdenis, die keurig gewacht heeft tot de bijbel helemaal is uitgesproken, ook over dit onderwerp, weet, dat de dood op iets ongewoon heerlijks neerkomt: de hemel of op iets ongewoon ergs: de hel.
Die laatste is er. Niet omdat die harde gereformeerden dat altijd zo graag hebben gewild en geregeld over hel-en-verdoemenis preken – ik heb nog nooit zo’n preek gehoord en wilde wel, dàt ik er eens een hoorde – maar omdat de zachtste mens ter wereld gezegd heeft, dat er zoiets bestond: Jezus Christus.
Natuurlijk niet als een algemene werkelijkheid voor de heidenen, maar als een dreigend gevaar voor de gelovigen! Als God het volle recht op zijn liefde laat gelden, dan is het mogelijk, dat men juist dááraan ontkomt. En wie God zó serieus wil nemen, dat hij verdoemenis en ongeloof onmogelijk meer serieus kan nemen, die neemt de mens minder serieus dan God Zelf doet en die neemt dus God Zelf niet serieus genoeg op dit punt. Want God neemt de mens serieus nl. in z’n geloof, óók op dat in de hel.

De catechismus wil mij juist deze hoogste aanvechtingen van het lijf houden en mij vertellen, dat sinds Jezus er is geweest, dat het juist niet meer de bedoeling is, dat ìk er kom, in de hel. Hij is tenslotte de enige, die weet, wat het woordje precies inhoudt, en die zich dus wel driemaal bedenken zal, voor Hij iemand daarin toelaat.

Th.L. Haitjema, De Heidelberger Catechismus als klankbodem en inhoud van het actuele belijden onzer kerk (1962), 114, 115
Er is dan ook reden te over, om de uitleg, die antwoord 44 van Christus’ nederdaling ter helle geeft, en die gerust een oer-reformatorische correctie genomen mag worden op de ‘verroomsing’ van het antieke denken over een vaart door de onderwereld van Christus tussen zijn begrafenis en opstanding, om de demonen van hun buit te ontroven en de vromen onder de oude bedeling op te voeren tot de volle hemelse zaligheid, aan te vullen met het waarheidsmoment, dat in die visie schuilt, welke recht wil blijven doen aan de gedachte, dat het heilsfeit van de nederdaling ter helle volgde op de begrafenis van Jezus.

Ook dan echter – dus tussen graflegging en opstanding – was en bleef de Zoon Gods nog de actieve Middelaar. Hoe sober wij hierover ook moeten spreken, verzwegen mag toch niet worden, dat het Middelaarswerk van Jezus Christus zó diep grijpt, dat het tussen Goede Vrijdag en Pasen tot in het dodenrijk (in de oudtestamentische zin verstaan als Sjeool) zich uitstrekte tot onze verlossing en in onze plaats.

Hans-Joachim Iwand – Luthers Theologie (Nachgelassene Werke, 1974), 188-189
Der glaubende Mensch wird nicht nur vor die Frage nach der Überwindung der Sünden gestellt, denn diese hat ja keinen Sinn, wenn nicht der Tod als die letzte Macht überwunden wird. Darum konzentriert sich dann die Frage nach den Mächten um den Tod. Hier entwickelt Luther die Lehre von der Auferstehung, von dem Sieg Christi über den Tod.
Vielleicht kann man sagen, daß Luthers Theologie dort überall falsch verstanden wird, wo sie beschränkt wird auf die Vergebung der Sünden. Da muß sie bezogen werden auf die Überwindung des Schuldbewußtseins. Alles, was wir vom Gewissen gehört haben, wird nur dann recht verstanden, wenn wir von da aus weitergehen zu der Frage nach der Überwindung des Todes. Ik würde glauben, daß das ganze Problem der sogenannten “Letzten Dinge”, vielleicht auch die ganze Frage der Entmythologisierung, angefaßt werden müßte vom Gedanken des Todes her. Es ist unmöglich, in seinem Gewissen froh und frei zu werden durch Jesus Christus, wirklich zu wissen, was die Vergebung der Sünden bedeutet, wenn ich nicht an die Überwindung des Todes glauben kann. Wir werden in der Theologie noch lernen müssen, daß die Lehre von der Sünde nicht zu entfalten ist ohne die Lehre vom Tod.

Joseph Ratzinger
Vielleicht steht kein Glaubensartikel unserem Bewusstsein so fern wie diesen.

J.A. Heyns – Dogmatiek (1978), 263
Die Nuwe Testament leer niks meer as die blote feit dat Jesus dood was, en as sodanig dus in die doderuk verkeer het, vanwaar Hy op die derde dag weer opgestaan het. Die woorde in die geloofsbelydenis sal egter nie anders verstaan kan word nie as uitdrukking van die feit dat Christus alle moontlike pyn en smart, alle angs en droefheid verduur het. In die diepste duisternis van die gebroek wêreld het Hy volledig weggesink terwyl die droefheid van sy siel en die benoudheid van sy ontstelde gemoed Hom sweet soos bloeddruppels op die grond laat val het en Hy uiteindelik aan die kruis moes uitroep: ‘My God, My God, waarom het U My verlaat?’ Maar hier, in die diepste van die dood se duisternis het die groot en finale wending ná drie dae dan ook gekom, toe die vernedering van sy lewe met de glans van die verhoging vervang is.

Wolfhart Pannenberg 
Diese dunkle Tiefe menschlichen Sterbens kommt nur dort zu Bewußtsein, wo den Tod als Ausschluß von Gott erfahren wird, und daß kann nur in dem Maße der Fall sein, wie jemand von der Nähe Gottes weiß. Im vollen Bewußtsein der Nähe Gottes doch von ihm ausgeschlossen zu sein, darin hat die alte Dogmatik die Qual der Hölle gesehen. Darin liegt das sachliche Recht von Luthers Deutung der Höllenfahrt Christi auf die Gewissensnot des Gekreuzigten, auf die seelischen Qual, die der Verkündiger der Nähe Gottes erfahren haben muß.

Hans Küng
Die Fahrt ins Totenreich also symbolisch verstanden nicht als eine Leidensfahrt, als letzter Akt der Erneidrigung, nein, als Triumphfahrt und letzter Akt der Erhöhung.

J. van Genderen / W.H. Velema – Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (1992), 446
Wij mogen bij de nederdaling ter helle denken aan de staat van de dood, waarin Christus tussen zijn sterven en zijn opstanding verkeerde. Ook daarin is Hij onze Middelaar, die de straf voor de zonde tot het einde toe draagt om ons ervan te verlossen.

Eberhard Busch – Die Freiheit zugetan. Christlicher Glaube heute – im Gespräch mit dem Heidelberger Katechismus (1998), 165
Daß der Gottessohn am Kreuz, in seinem Sich-Einlassen auf aus, sich unserer Sünde, unserem Elend, unserer Verlorenheit ausgesetzt hat, das bedeutet in letzter Konsequenz, daß er sich damit unserer Gottesverlassenheit ausgesetzt und damit unaussprechliche Angst, Schmerzen und Schrecken in seiner Seele erlitten hat. Das ist der Abstieg zur Hölle: Mein Gott, warum hast du mich verlassen? (Mt. 27, 46). Aber auch das erlitt er für uns – zum Trost in unseren Anfechtungen, höllische Angst und Pein, manchmal lange Tage und Nächte hindurch, manchmal so, daß wir vor Rätsel gestellt werden und durch sie in Schatten geraten, wo wir nicht aus noch ein wissen. Aber wenn uns etwas darin und daraus kann, dann ist es die Erkenntnis: Er ist in dieser Anfechtung mitten drin und mit uns – er, der die Gottverlassenheit durchlitt, damit wir uns daran klammern und daran aufrichten: daß eben darum auch in der tiefsten Finsternis Gott uns nicht verläßt.

A. van de Beek – Jezus Kurios.  De Christologie als hart van de theologie (1998), 160, 161, 162-163
De nederdaling ter helle is bedoeld om te laten zien dat er niet alleen de werkelijkheid van ons mensen is en de werkelijkheid van God, maar ook de werkelijkheid van onze duisternis. Het is weerspiegeling van onze ervaring dat het kwaad ons te boven gaat en ons voorafgaat. Het gaat om de macht van de duisternis. Het gaat ook om de macht van de dood, die over ons heerst. We zijn daaraan onderworpen. We zijn er ook aan overgeleverd.

Aan deze werkelijkheid heeft God zijn Zoon overgeleverd. Jezus participeert dus niet alleen in het historische lot van schuld en lijden van mensen, maar ook aan hun transcendente vervallenheid aan het kwaad en het finale oordeel. God is naar de hel gegaan. En dat was nodig, want daar bevonden zich veel mensen en daar bevond zich de brandhaard van het kwaad.


Omdat de hel van een andere orde is dan de wereld, maakt de ontmythologisering ook duidelijk, dat de strijd en de overwinning van Christus niet na zijn dood nog op een andere plaats eens worden overgedaan. De beslissing valt eens en voor altijd op Golgotha.
Daar is de duivel verslagen. Daar heeft Jezus de demonische werkelijkheid onder ogen gezien. De zinsnede over de nederdaling ter helle wil zeggen dat de kruisdood verder reikte dan alleen aardse verhoudingen en machten. In die zin wordt het kruis al uitgelegd door Athanasius, die zegt dat aan het kruis, in de lucht, de boze geesten rondwaren en dat juist daarom Jezus in die sfeer zijn werk volbracht. Alleen als we geloven dat aan het kruis alle machten overwonnen zijn, kunnen we begrijpen dat Jezus vóór zijn dood volgens Johannes zegt: ‘Het is volbracht.’
Na zijn dood, als alles volbracht is, kan Jezus als bevrijder van het eigen domein van het kwaad binnengaan en de verlossing verkondigen van hen die onder de macht van de duivel gevangen zaten. Het is de eerste plek waar Pasen gevierd wordt. Net als bij de komst van Jezus in de wereld de demonen de eersten waren die Hem erkenden als de Heilige Gods, zo is na zijn volbrachte werk het rijk van het kwaad het eerste dat het bericht van Jezus’ overwinning hoort. Hij komt de boodschap er persoonlijk brengen. Want het is zijn domein en niet dat van een andere God, net als het hout van het kruis dat door Hem geschapen is.

K. Zwanepol – Een menselijke God. De betekenis van Christus voor Luther (2001), 79
In het dubbelaspect van vernedering en verhoging van de nederdaling ter helle, die gedurende de drie dagen tussen het sterven van Jezus en zijn opstanding is gesitueerd, weerspiegelt zich bij Luther de synopsis van kruis en opstanding. Het gaat om één beweging waarbij de nederdaling ter helle zowel de afdaling in de afgrond van de dood en oordeel als tegelijk de weg omhoog naar verlossing en heerlijkheid markeert.

Ingo Baldermann – Ich glaube. Erfahrungen mit dem Apostolischen Glaubensbekenntnis (2004),
So ist er hingegangen zu all den trostlos Untergegangenen, die zuletzt keine Hoffnung mehr hatten.

G. van den Brink / C. van der Kooi, Christelijke Dogmatiek (2012), 416-417
Jezus voer niet slechts op ten hemel, Hij voer ook neer ter helle, d.w.z. naar het rijk van de dood waar geen contact met God mogelijk is. Beide voorstellingen hoeven daarbij uiteraard niet in de kaders van een verouderde kosmologie gevat te blijven, maar kunnen met het oog op hun voorstelbaarheid doorvertaald worden in termen van een hedendaags multidimensionaal wereldbeeld. Gezien dit alles zou er iets voor te zeggen zijn om als kerk, en eventueel ook als samenleving, rond Pasen niet alleen een Hemelvaarts-, maar ook een Hellevaartsdag te vieren.

Henk Vreekamp – Als Freyja zich laat zien. De code van het christendom (2013), 180, 181
Christenen geloven dat Jezus is neergedaald in de hel. En dat daarmee de hel niet meer is wat ze was.
Geloven in Jezus. Moet je daarvoor Jezus in de hemel zoeken, opklimmen en hem naar beneden halen, naar je toe, naar de aarde? Geloven in Jezus. Moet je Jezus zoeken bij de doden, in het dodenrijk, in de afgrond, en hem naar boven halen, naar je toe, naar de aarde? Geen van beide.

Fleming Rutledge, The Crucifixion. Understanding the Death of Jesus Christ (2015) 417
Perhaps the medieval image of the harrowing of hell seemed too literal to the Reformers, too much bound up with the extrabiblical mythology of Limbo and Purgatory. An argument of this chapter is that in the twenty-first century we need to reclaim some of that imagery. We need to understand hell, not as a place, to be sure, but as a domain where evil has become the reigning reality – an empire of death, als Cyril called it. Certainly Barth, in the Barmen Declaration against the Third Reich, showed himself to be thoroughly capable of standing up to demonic usurpation. In our era it has become essential for Christians to appropriate an apocalyptic scenario that takes full account of Satan’s realm, Christ’s invasion of it, and the calling of God’s people to resist in his name. A sense of the principalities and powers is necessary for discerning what the Enemy is up to.

Preek zondag 7 december 2014 – morgendienst

Preek zondag 7 december 2014 – morgendienst
Viering Heilig Avondmaal

Want God heeft ons niet bestemd tot toorn, maar tot het verkrijgen van de zaligheid, door onze Heere Jezus Christus (1 Thessalonicenzen 5:9)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als u voor de Heere Jezus verschijnt, hoe zal dat dan voor u zijn?
Die dag dat de Heere Jezus terugkomt.
Zal het een moment van vreugde voor u zijn?
Of ziet u juist tegen dat moment op
omdat dan heel uw leven voor God openbaar komt?
We komen dan voor de Heere te staan.
Op dat moment zal de Heere oordelen over ons leven.
Wat zal Zijn oordeel zijn over u?
Wat kun jij van de Heere verwachten als Hij over jouw leven spreekt?

Niet alleen op die dag, de dag waarop Christus zal verschijnen, een vraag.
Het is ook de vraag van vanmorgen,
nu we als gemeente het Heilig Avondmaal vieren.
Kan ik voor de Heere verschijnen?
Wat zal Hij zeggen over mijn leven als ik naar Hem toe ga?
Leef ik in Zijn licht
of wandel ik nog in de duisternis?
Een antwoord op die vraag heeft grote gevolgen:
Hoor ik nu bij de Heere en zal ik dan ook voor altijd bij Hem mogen horen?
Of zegt Hij dan: Je leefde op aarde al in de duisternis
en je hebt Mij nooit in je leven toegelaten.
al die keren dat Ik aan de deur van je hart aanklopte,
zodat Ik bij jou binnen kon komen,
liet je Mij buiten staan.
Of Ik je nu waarschuwde, of Ik je nu vol liefde uitnodigde om naar Mij toe te komen
– je hoorde Mijn stem niet.
Een week van voorbereiding is een gelegenheid
om weer bij deze vraag stil te staan:
Kan ik voor de Heere verschijnen als Hij komt?
Leef ik in Zijn licht? Zoek ik het leven bij Hem?
Zulke vragen kunnen je weer onzeker maken
als je wel met de Heere Jezus leeft,
maar ze hebben het doel dat u zich weer opnieuw vastklampt aan de Heere Jezus.
Omdat je dan weer opnieuw beseft:
Alleen door de Heere Jezus kan ik voor God verschijnen.
Zonder Hem kan ik niet en wil ik niet!
Ben je daar in de afgelopen week ook uitgekomen:
Ik kan niet zonder de Heere Jezus en niet zonder het offer dat Hij bracht.
Daardoor mag ik bij de Heere horen en kan ik voor Hem verschijnen.
Dankzij Hem, omdat Hij voor mij stierf.
Dan spreekt de tafel voor in de kerk van Zijn liefde
en laten de stoelen een uitnodiging zien: Kom naar Mij toe, Ik ben je Redder,
en het brood dat straks gebroken wordt
en de wijn die doorgegeven wordt laten het zien: Ik heb je schuld weggedragen. Genade!

Maar als je niet tot dat antwoord gekomen bent
en je voelt: zo kan ik niet voor Hem komen met mijn fouten en tekorten
en dat als de Heere je veroordeeld dat het terecht zou zijn
omdat er zoveel aan je schort.
Vorige week heb je het weer in het formulier gehoord,
dat ik naar de Heere toe tekortgeschoten heb:
mijn geloof was te weinig, want die vragen over God, ik heb ze nog steeds.
En mijn liefde – had vuriger kunnen zijn. Ik heb nog zoveel hier op aarde.
En mijn hoop en vertrouwen – geregeld heb ik toch nog die angst.
Als God over mijn leven een oordeel zou vellen,
dan zou dat antwoord zijn: je hoort nog niet bij Mij!

Of … zou het antwoord zijn, de woorden die Paulus schrijft:
Ik heb je bestemd om bij Jezus te horen.
Dwars door dat oordeel heen dat terecht zou zijn:
Ik heb je bestemd om door Christus de zaligheid te verkrijgen.
Dat is het doel dat ik met jou, met u voor heb.
Ik weet, Ik kan anders oordelen,
als Ik naar je kijk zoals je bent,
maar Ik kijk naar Mijn Zoon die al jouw schuld heeft weggedragen.
Kijk maar naar het brood dat gebroken wordt:
Kijk hoe Mijn Zoon zich aan het kruis liet verbreken. Voor jou.
Kijk naar de wijn die ingeschonken wordt,
De wijn die wijst naar Zijn bloed – voor u vergoten tot volkomen verzoening van al uw zonden.
Een uitnodiging om naar Mij toe te komen,
vanmorgen aan het Avondmaal maar ook op die Grote Dag om Mijn koninkrijk binnen te gaan.
Doordat er een kruis stond op Golgotha – dat was het doel, de bestemming.
Niet het verlorengaan, maar redding, behoud, een open deur naar God toe.
Kijk naar het Avondmaal en zie de liefde waarmee Christus zich gaf.
Kom naar de tafel en proef de goedheid en genade van de Heere in brood en wijn.
Onderga het, ervaar het.
Christus die Zijn leven gaf op Golgotha zal eens terugkomen
om iedereen die in Hem geloofde, die door Hem zich lieten redden voor altijd tot zich te nemen.
Dan zal het een groot feest zijn.
Van dat feest mogen we vanmorgen al iets ervaren
in het avondmaal, in brood en wijn, zichtbare tekenen van Gods liefde en genade
in de gemeenschap met elkaar, samen op reis naar het hemels Jeruzalem.
In de verwachting van Zijn komst. Amen

Gods gerechtigheid: de weg van God om te verlossen

Gods gerechtigheid: de weg van God om te verlossen
Georg Plasger over de Heidelberger Catechismus – deel 5

Door de zonde is de relatie met de Heere gebroken. Daardoor is de mens van God losgeraakt en vervreemd geraakt van God.
Gelukkig kan de Heidelberger Catechismus ook – in navolging van de Schrift – uitleggen hoe de relatie, die verbroken is, weer kan worden hersteld. De Catechismus wijst daarbij op het sterven van de Heere Jezus aan het kruis. Door Zijn sterven kan de zonde vergeven worden.

Moeite
Deze boodschap is een geweldige boodschap voor degenen die gelovigen. Toch roept deze boodschap ook een aantal serieuze vragen op. En die vragen raken ook de manier waarop de Catechismus spreekt over het sterven van de Heere Jezus.
In deze tijd is er steeds meer moeite met de betekenis van dat sterven zoals de Catechismus daaraan geeft. Moeite met de gedachte dat de Heere Jezus in onze plaats moest sterven. Kan iemand wel mijn schuld wegdragen? En vooral: past toorn wel bij Gods barmhartigheid en liefde? Past het wel bij God dat Hij de straf laat dragen door de onschuldige Jezus?

Rechtvaardigheid
De Catechismus kent deze vragen ook en wil ze ook beantwoorden. Is God dan niet barmhartig? Dat is vraag 11. Het antwoord: God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig. Daarmee bedoelt de Catechismus niet dat God twee kanten heeft: een liefdevolle, barmhartige kant en een strenge, rechtvaardige kant. Gods rechtvaardigheid en barmhartigheid horen bij elkaar. Ze kunnen niet van elkaar losgemaakt worden. Hoe zit het met Gods rechtvaardigheid?

Vrouwe Justitia
Bij rechtbanken is vaak het beeld te vinden van vrouwe Justitia: een geblinddoekte vrouw met een weegschaal. De weegschaal moet in evenwicht zijn. Er moet een balans zijn. Maar is dat wel een goed beeld voor wat er moet gebeuren tussen God en mens? Want dan zou betekenen dat beide partijen iets in de weegschaal leggen: God iets en wij ook. Als er gesproken wordt over Gods gerechtigheid moeten we daarom niet denken een oplossen van een conflict waarin beide partijen iets toeleggen.

Verbondstrouw
Het woord rechtvaardigheid (of ook wel gerechtigheid) komt niet uit de wereld van de rechtspraak. Het woord komt uit het Oude Testament en kan worden vertaald met: gemeenschapstrouw of verbondstrouw. Als er gezegd wordt dat God rechtvaardig is, wordt daarmee bedoeld dat de Heere trouw is aan Zijn verbond. Dat verbond is verbroken toen de mensen de relatie met de Heere verbraken. Door Zijn gerechtigheid (trouw aan Zijn verbond) wil de Heere die verbroken relatie herstellen. Met als doel: het verbond met Hem te herstellen.

Ernst van de zonde
Zijn gerechtigheid is echter geen barmhartigheid die alles maar goed vindt en al het verkeerde door de vingers ziet. Daarvoor is de zonde als verzet tegen God te ernstig. Dat de zonde zeer ernstig is, klinkt door in zondag 3 en 4 (vraag en antwoord 6 tot en met 11). Daarom kan Zijn rechtvaardigheid niet de zonde zomaar laten passeren. Want daarmee zou de relatie verbroken blijven. De Catechismus laat dan ook zien, dat de Heere er alles aan doet om de zonde en de ernstige gevolgen van de zonde te overwinnen. De Heere doet dat door ons Zijn gerechtigheid te schenken. Dat de relatie, het verbond hersteld wordt, is een gift van de Heere.

Straf
Hoe zit dat dan met de straf? De Catechismus spreekt toch over toorn over de zonde en de straf op de zonde? Zie antwoord 10: de Heere straft door een rechtvaardig oordeel nu en eeuwig. De straf op de zonde is dat de mens van God is losgeraakt. De eeuwige straf is dat de mens voor eeuwig van God los is, een bestaan zonder relatie met de Heere. Dat mag voor mensen die geen relatie hebben met de Heere niet iets ingrijpends te zijn. Voor de gelovige is dat het verschrikkelijkste wat er denkbaar is: een verbroken relatie die nooit meer hersteld kan worden.

Toorn
Van belang is het om te zien hoe de toorn en de straf van God werkt. Bij toorn gaat het er niet om dat God iets kwijt moet. Het gaat er niet om dat Zijn toorn of woede gestild wordt en dat Hij Zijn woede en toorn kwijtraakt door dat op Jezus te verhalen. Nee, God moet niet veranderd worden. Wij mensen, wij zondaars moeten veranderen. Aan onze kant moet het gebeuren: wij moeten weer met God verbonden worden.

Middelaar
Alleen kunnen wij dat niet zelf. Er is iemand nodig die de verbinding herstelt. Er is – om met een ouder woord te spreken – een middelaar nodig: iemand die de zondaar terugbrengt en weer in relatie brengt tot de Heere. Die middelaar is Jezus Christus: echt en helemaal God en echt en helemaal mens.
Dat kan ook niet anders. Geen enkel schepsel is in staat om de last van Gods eeuwige toorn tegen de zonde te dragen en anderen daarvan te verlossen (antwoord 14). Geen enkel schepsel is in staat om de verbroken relatie te herstellen. Geen enkel schepsel is in staat om ervoor te zorgen dat de zondige mens weer opgenomen wordt in het verbond.

Verbondenheid
Dat kan alleen God Zelf en dat doet Hij gelukkig ook en daarin ligt onze redding. De Heere verbindt zondaars aan Zich door mens te worden en onze straf weg te dragen. God schenkt ons een relatie met Hem door Zelf in de verlorenheid af te dalen. Er vindt een ruil plaats: Christus nam aan het kruis onze plaats in, waar we zonder God waren en waar we verloren waren. Om daarmee te schenken wat Hij heeft: intense verbondenheid met de Heere.

In Gods barmhartigheid en in Gods rechtvaardigheid gaat het beide om het herstel, om terugbrengen: herstel van een verbroken relatie en het terugbrengen van ons in Gods gemeenschap.

N.a.v. Georg Plasger – ‘Gerechtigkeit – oder: Gottes Weg der Erlösung’, in: Idem, Glauben heute mit dem Heidelberger Katechismus (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2012) 70-84

Wat is uw enige troost in leven en sterven?

Wat is uw enige troost in leven en sterven?

Margriet krijgt te horen dat zij ernstig ziek is. Het is een bericht dat haar overrompelt. Al voelde ze wel dat er iets aan de hand was, dit had ze niet verwacht. Er gaat van alles door haar heen. Vragen als: had dit niet eerder ontdekt kunnen worden? Wat staat mij te wachten? Hoe lang heb ik nog te leven? Het bericht maakt haar ook verslagen. Maar er is ook nog een diepe wens om zo lang mogelijk door te leven. Voor haar man, voor de kinderen, de kleinkinderen. Ze klampt zich vast aan de behandelingen. Al wordt ze door die behandelingen nog zieker dan ze al is. Bij alles wat haar overkomt lukt het haar ook niet meer om te bidden. Want welke woorden moet ze nog gebruiken? Het lukt haar ook niet om troost te vinden in het geloof. Als het bezoek het gesprek op het geloof wil brengen of op de toekomst die haar te wachten staat, gaat zij daar niet op in. Margriet kan en wil daar niet over praten. Ze wil leven! De kuur is zwaar en ingrijpend, maar na verloop van tijd lijkt te kuur toch aan te slaan. Ze kan weer van bed af, af en toe wat in de tuin doen en zelfs af en toe op stap naar de winkel. Dan komt er de tegenslag: de ziekte is in hevigere mate teruggekomen. Ze krijgt de vraag of ze nog een keer een behandeling wil. Aan de ene kant twijfelt ze: de kuur zal haar nog zieker maken dan ze is en veel extra levensverwachting wordt er niet geboden. Ze zal hooguit nog een maand leven. Maar ze wil blijven leven! Voor haar man, voor de kinderen en kleinkinderen. Ze kan nog geen afscheid nemen van het leven. Ze besluit toch om de behandeling te ondergaan. Halverwege moet zij de behandeling afbreken, omdat het haar veel te zwaar valt. Ze kan het echt niet meer aan. Een grote teleurstelling. De mensen om haar heen houden hun hart vast: Hoe zal zij omgaan met deze grote tegenslag? Dan gebeurt het onverwachte, wat niemand in haar omgeving nog op had gerekend. Terwijl zij geen enkele hoop meer had dat het nog beter zou gaan met haar en het echt duidelijk was dat haar einde naderde, kwam zij bij God uit. Ze herinnerde zich hoe zij als jong meisje een preek had gehoord over Deuteronomium 33:27a: De eeuwige God is u een woning en onder u zijn eeuwige armen. Daarin vond zij haar houvast en er kwam een rust over haar. Vredig en vol vertrouwen op God stierf zij.

Wat is uw enige troost in leven en sterven? Hebt u daar al een antwoord op? Het is immers een vraag die voor u niet vreemd hoeft te zijn? U hebt deze vraag inclusief het antwoord vroeger vast wel uit uw hoofd moeten leren voor school of voor catechisatie. Deze vraag is vaak langsgekomen wanneer een predikant een begin maakte met een prekenserie over de Heidelberger Catechismus. Daarnaast zult u allemaal wel ingrijpende gebeurtenissen in uw leven gehad hebben, waardoor u wel over deze vraag na moest denken. Omdat een moeder die heel dierbaar was overleed. Of een echtgenoot. Een kind. Of een broer of zus. Dat zijn momenten waarop deze vraag op u af kan komen: Wat als dat met mij zou gebeuren? Welke troost heb ik dan?

Het is een bekende vraag. Zo bekend, dat als ik aan u zou vragen: Wat is uw enige troost in leven en sterven? Dat u vast denkt: ‘Ja, ik weet wel waar dat vandaan komt. Dat kan niet missen! Dat is zondag 1.’ Ik ben benieuwd of u ook het antwoord weet dat de catechismus geeft. Of geldt voor het antwoord hetzelfde als wat over alle belijdenisgeschriften gezegd wordt: veel geprezen, maar weinig gelezen?
En dan ben ik niet alleen benieuwd of u het antwoord kunt opzeggen, maar of dat antwoord u ook helpt om voor uzelf een antwoord te vinden op die vraag naar de enige troost in leven en sterven. Want de catechismus is niet alleen gegeven om de juiste leer aan te leren, maar om in uw eigen leven met de Heere te leven.

Ik wil met u uitgebreider nadenken over het antwoord dat in de Catechismus gegeven wordt. Allereerst het woord ‘troost’. Vandaag de dag heeft dat woord een andere betekenis dan 450 jaar geleden toen de catechismus werd opgesteld. Vandaag heeft troost vooral te maken met verdriet of teleurstelling. Troost betekent dat iemand je probeert op te beuren. In de vraag van de Catechismus gaat het om meer: om houvast, om zekerheid.

Ik neem u mee naar de tijd waarin de catechismus is ontstaan. Het is 1563, 5 jaar voor het uitbreken van de 80jarige oorlog. Voor de gelovigen die de kant van de Reformatie hebben gekozen is het leven niet gemakkelijk. Ze zijn in hun eigen plaats hun leven niet zeker. Vaak zijn ze ook verbannen en mogen ze niet terugkeren naar de plaats waar zij vandaan komen. De gelovigen moesten wegvluchten naar Londen, naar plaatsen in Duitsland. Op verscheidene plaatsen waren gemeenten ontstaan van Nederlandse vluchtelingen. Hun toekomst was hoogst onzeker. Ze hadden hun bezittingen verloren. Ze waren vreemdelingen elders en ze wisten niet hoe het anders zou zijn. Dan is de vraag die de Catechismus stelt een heel mooie vraag. De vraag is: Wat is je houvast in leven en sterven – nu je bijna alles op aarde kwijt bent? Wat heb je dan nog? Wat geeft je de moed om verder te leven? Wat geeft je zekerheid nu je niets meer hebt?

Die zekerheid en houvast betreft niet alleen het naderend einde. Dat is natuurlijk ook van groot belang. De Catechismus gaat ervan dat er één zekerheid is die wij hebben. Die zekerheid is er bij de naderende dood en het uitzicht na de dood. Diezelfde zekerheid is er ook in het leven. Als u zegt: ik kán sterven, dan kunt u ook leven. Dan hebt u ook zekerheid in het aardse leven. Zekerheid als er tegenslagen komen, als er ziekte komt, een verkiezingsuitslag. En omgekeerd – als u zegt: ‘Ik heb een goed leven, een leven dat zinvol is’, zou dat ook moeten inhouden dat u kunt sterven. De Catechismus zegt: we kunnen hierin geen onderscheid maken. Daarin is de Catechismus niet uniek. In heel de christelijke traditie wordt gezegd: Wie kan sterven, kan ook leven. Wie een gelukkig leven wil hebben, dient zich rekenschap van te geven dat er eens de dood als einde is. En nog een stap verder: dient er rekening mee te houden dat er eens een moment komt, waarop we voor God zullen staan en aan Hem rekenschap afleggen over het leven. Het leven hebben wij van Hem gekregen – als geschenk. De vraag zal zijn hoe wij daar mee omgegaan zijn. Wie God kan ontmoeten, kan sterven. Wie God kan ontmoeten, heeft houvast in het aardse leven. Ook als er tegenslagen zijn als geldgebrek, zorgen.

Wat is die zekerheid, die troost, houvast dan? Dat ik met ziel en lichaam, zowel in leven en sterven, niet mijzelf toebehoor, maar eigendom ben van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus. Ik ben van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus. Hem behoor ik toe. Dat is mijn houvast en ook uw houvast. Op de achtergrond horen wij de tekst uit Filippenzen 1: het leven is mij Christus, het sterven winst. Dat mijn leven van Christus is, dat is die zekerheid die ik nodig heb. Om te kunnen sterven en voor God te verschijnen, maar ook om te leven hier op deze aarde.
De gelovigen uit de tijd van de Catechismus waren hun leven niet zeker. Zij hadden geen huis meer. Verbannen, gevlucht. Hun huis hadden zij in Christus. Hij was hun toevlucht. Wellicht keken zij daardoor ook des te meer uit naar dat hemels Vaderland. Vandaag de dag moet denk ik des te meer worden gezegd, dat er ook een troost en houvast in het leven nodig is. En dat die troost en houvast is, dat wij van eigendom zijn van Christus.

Die gedachte dat we eigendom van Christus zijn en dat daarin ons geluk ligt, is voor velen vandaag de dag moeilijk te begrijpen. Misschien niet voor u, maar wellicht wel voor uw kinderen of kleinkinderen. Ik kwam erachter toen ik aangesproken werd op deze zin uit deze zondag: ‘Dat eigendom van Christus vind ik maar niks.’ Ik was benieuwd waar dat in zat. Toen kwam het verhaal. Haar relatie was net verbroken. Ze had een aantal jaren samengewoond, maar in die relatie was zij niet gelukkig. Ze had het idee dat zij zichzelf steeds meer kwijtraakte en steeds meer in een gevangenis kwam. Dat haar vriend haar leven ging bepalen. ‘Bij het woord “eigendom” moet ik dan terugdenken aan die relatie.’

Nu zit het niet in het woord. Waar het om gaat, is dat wij pas echt vrij zijn als we gebonden worden aan Christus. Dat wij pas echt mens worden als wij van Christus zijn. Dat wij voor God kunnen verschijnen, kunnen sterven en kunnen leven, als wij van onze getrouwe Heiland Jezus Christus zijn. Heiland. Heiland: Redder, Degene die mij heil schenkt. Er is wat gebeurt. Met Christus en met ons. Christus stierf aan het kruis. Voor Hem was dat verschrikkelijk. Hij zag er tegenop om die weg te gaan. In Gethsemané bad Hij in angst omdat Hij de toorn van God op zich zag afkomen. Omdat Hij al aanvoelde dat Hij door God verlaten zou worden en af zou dalen in de hel.

Van Hem ben ik, zegt de Catechismus ons voor. Van Hem die Zijn leven en Zijn kostbaar bloed gaf. Zijn kostbaar bloed: het zijn ook de woorden die bij het avondmaal worden uitgesproken. Deze beker is het nieuwe testament in Zijn bloed. Neemt, drinkt allen daaruit, gedenkt en gelooft dat het kostbaar bloed van onze Heere Jezus Christus is vergoten tot volkomen verzoening.

Over elke formulering is nagedacht in de Catechismus: ook over de formulering waarin gesproken wordt over dat bloed. In deze woorden wordt namelijk aangegeven dat de Heere Jezus gestorven is als een offer. Voor onze zonden stierf Hij als een offer. Bij een offer gaat het om leven en dood. De dood van het ene dier geeft leven aan een heel volk. Het kostbaar bloed van Christus wijst naar dat ene offer dat werd gebracht op Golgotha om een heel volk te verzoenen en vrij te kopen. Het is ook voor u gestort, dat bloed van Christus. Ook uw zonden zijn daarmee voldaan. Volkomen voldaan. En u bent vrijgekocht uit de macht van de duivel.
Wanneer iemand zegt: Ik hoef niet van Christus te zijn; ik ben liever van mijzelf – is dat een vergissing. Je kunt niet van jezelf zijn. Je kunt alleen maar van God zijn. Wij zijn niet van onszelf. U bent niet eigenaar over uw eigen leven. Ik niet over de mijne. Ons leven hebben wij in bruikleen gekregen.

Voor ’t leven hebben wij de dood
het lege niets verkozen,
voor vrede vreze, steen voor brood,
voor ’t eeuwig goed de boze.
Wij hebben onze ziel verkocht
van ademtocht tot ademtocht
aan die genadeloze.

En dan zegt de Catechismus tegen ons: je bent vrijgekocht en dat is het houvast dat je hebt in leven en sterven. En je bent niet aan je lot overgelaten, je mag van Christus zijn. Al je zonden zijn voldaan, omdat Christus stierf voor ons. U bent in de hand van Christus! Hij waakt met zoveel zorg over mij!
Omdat Hij niet wil dat we terugvallen, teruggeroofd worden door de genadeloze duivel. Hij waakt met zorg over mij. Wie van Christus wordt, wordt ook van de Vader en wordt ook van de Geest.

Dat gaat niet zonder aanvechting. Een aanvechting is dat wij deze zorg niet altijd zien. Een andere is dat het voor velen niet eenvoudig is hun leven uit handen te geven. Dit houvast, deze troost wordt geschonken. Ligt buiten onszelf.
De Catechismus houdt met deze vraag en dit antwoord ons ook voor dat we het daar – in Christus – moeten zoeken. Wat is uw troost, uw houvast?

Inleiding ouderenmiddag