Preek Eerste Paasdag 2018

Preek Eerste Paasdag 2018
Schriftlezing: Mattheüs 28:1-10

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Vrouwen naar het graf
‘Je vindt er niets, daarom ga ik nauwelijks naar het graf.
‘Mijn overbuurvrouw, die  gaat alle weken naar het graf.’
En die overbuurvrouw zal zeggen:
‘Waarom ik alle weken naar het graf ga? Niet dat je er iets vindt,
maar het is toch goed om er te zijn.
En het graf bijhouden is toch het minste wat je kan doen?’

Zou het ook voor de vrouwen die naar het graf gaan gelden?
Al gaan we er naar toe, je vindt er niets,
want Jezus is gestorven aan het kruis en begraven.
Deze twee vrouwen Maria Magdalena en die andere Maria hielden de wacht bij het graf.
Ze konden niet weggaan.
Nadat Jezus was begraven, bleven zij bij het graf zitten.
Deze twee vrouwen komen niet van het graf los.
Dit is er wat er van Jezus overgebleven is: dood en begraven.
Alsof ze het nog niet kunnen bevatten: deze snelle dood van Jezus.
Nog maar een paar dagen geleden die feestelijke intocht in de stad,
Jezus als een koning door iedereen toegejuicht.
Gisteren nog de maaltijd van Jezus met Zijn discipelen
en binnen een dag ligt Jezus begraven, in een grot, achter een steen weggelegd.
Je hebt er niets meer te zoeken, want er is niets meer te vinden,
maar de overgang naar het gewone leven, waar Jezus niet meer is, is te groot.
Alsof ze het moeilijk vinden om Jezus te laten gaan, Jezus niet los kunnen laten.
Twee tengere wachters bij het graf van Jezus,
die blijven waar God het af liet weten,
die misschien nog de laatste woorden van Jezus in hun oren hebben:
Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten,
de schreeuw, de uitroep waarmee Jezus stierf
en nog voor zich zien hoe Jezus van het kruis gehaald wordt en in het graf gelegd wordt

Van de dood kom je niet makkelijk los, dat weet iedereen die een begrafenis meemaakte.
Het kost moeite om de gang weer te pakken, om verder te gaan.
Als je bij een graf weggaat, kost dat vaak moeite, het afscheid wordt steeds definitiever.

Na de sabbat komen ze weer terug, alsof ze een missie hebben:
Waken bij het graf van een overledene.
Misschien nog een vage hoop dat het toch niet zo was, dat het een boze droom was.
Maar dat zal niet, want er is een graf: Jezus die gekruisigd was, is echt gestorven.
Pasen begint met de werkelijkheid van de dood.

(2) Bewakers moeten Jezus in het graf houden
Er zijn er meer die het graf in de gaten houden,
de opdracht hebben gekregen om dit graf van deze Jezus te bewaken.
Speciaal door de Joodse leiders aangevraagd
om te voorkomen dat de leerlingen van Jezus het idee mochten krijgen
om het lichaam weg te halen en zo rond te bazuinen dat Jezus is opgestaan
met het lege graf als bewijs.

Jezus moet niet alleen dood zijn, maar vooral ook dood blijven
en daarom bewaking bij het graf
om te zorgen dat de dode Jezus in het graf blijft, een graf dat verzegeld is.
Het heeft iets komisch om te bedenken dat je de God die ons leven bewaard bewaken kunt
dat de Heer die de macht van de boze verbrak
en afdaalde in het rijk van de dood om daar degenen die gestorven zijn
Te verkondigen dat ze eens weer zullen opstaan
dat Hij die neerdaalde tot in de hel
om daar niet alleen het lijden van Gods oordeel te ondergaan,
maar ook in het hol van de leeuw de duivel aan te zeggen dat zijn tijd voorbij is,
dat deze Heer, God en mens tegelijk, in de dood gehouden kan worden
door enkele wachters te laten posten voor het graf
Het heeft iets komisch om te bedenken, dat je de Heer achter slot en grendels kunt houden,
dat je Hem zo kunt bewaken dat Hij dood blijft,
door mensen gebonden in de dood.
Alsof God niet in staat is, om hemel en aarde te bewegen,
koninkrijken omver te werpen en koningen van de troon te gooien.
Ze zullen hun taak vastberaden hebben uitgevoerd
vanaf de dag dat Jezus begraven was.
Ook de sabbat, hoewel ze het op die dag rustig hebben gehad.
Zelfs de twee vrouwen die er laat op de avond van die vrijdag nog bij het graf zaten
en alles in de gaten hielden, waren op de sabbat afwezig.
De sabbat, dat is de dag waarop God rust van Zijn werken,
Al leek het erop dat God een dag eerder rustte van Zijn werken
door Zijn Zoon aan het kruis geen gehoor te geven,
toen Hij het uitroep dat God Hem verlaten had.
Dat werk is nu voorbij en net als na de scheppingsweek
is er na de Goede Vrijdag waarop de wereld herschapen is aan het kruis
een dag waarop God rust.
De eerste sabbat was een dag waarop de Heere genoot van het werk dat Hij gedaan had
en ook de sabbat van na het kruis zal zo’n dag geweest zijn,
in de hemel anders dan op aarde.
Op aarde is er het verdriet van de vrouwen en de discipelen
die zich niet eens meer bij het graf vertonen
en de vrouwen die ook niet komen, wellicht niet om de sabbat niet te schenden.
Terwijl ze thuis gebleven zijn, zullen ze in hun gedachten bij Jezus die gekruisigd werd zijn.
Op aarde zijn de wachters die alles goed in de gaten houden,
maar vergeten omhoog te kijken, vergeten om te letten op wat God doet.

(3) God laat Zich niet tegenhouden
We kunnen niet in de hemel kijken, maar het moet voor de engelen komisch geweest zijn,
om vanuit de hemel naar de aarde te kijken,
naar die wachters die hun taak zo serieus nemen, vast besloten Jezus dood te laten
en te weten dat zij de dag erop, als de sabbat voorbij is,
zo geweldig zullen schrikken dat ze zelf er net zo bij liggen als Jezus in het graf lag
als doden liggen ze erbij, terwijl Degene die ze in de dood moesten houden
het graf uitkomt, opgestaan uit de dood.
God laat zich niet tegenhouden,
de Almachtige laat zich niet achter slot en grendels opbergen
onze Heer laat zich niet in de dood houden, al staan er nog zoveel wachters voor het graf.
Ze hadden op leerlingen gerekend, de wachters bij het graf,
niet op een ingrijpen vanuit de hemel,
opnieuw een aardbeving, zoals die bij het kruis ook al was
en nu een engel die neerdaalt uit de hemel, het hemelse licht met zich meebrengend,
een boodschapper door God gezonden naar de aarde
met een bericht voor Zijn Zoon: Kom maar uit het graf, Mijn Zoon, het is tijd om op te staan.
God laat zich niet tegenhouden.
Niet door de wachters, ze liggen er als figuranten bij, tellen niet meer mee.
Niet door de dood – Jezus de Gekruisigde, Hij is opgewekt, opgestaan uit de dood.
Jezus – Hij behoort niet meer tot de doden
Geen graf hield Davids Zoon omkneld. Hij overwon, die sterke held
Hij steeg uit ‘t graf, door ‘s Vaders kracht, want Hij is God bekleed met macht.
en waar wij machteloos staan en niet meer kunnen doen dan die twee vrouwen
die op de dag van de begrafenis niet weg kunnen komen, bij het graf moeten blijven
en na de sabbat weer terug gaan om het graf weer te bekijken
– dat is onze werkelijkheid: de dood is definitief, zeker zolang we in dit aardse bestaan zijn.
daar laat God zich niet tegenhouden: door geen graf, door geen steen voor het graf,
hoe verzegeld het graf ook is, het graf gaat open
en de dood moet Hem laten gaan,
een eerste oogst uit het land van de dood en eens zal de dood allen moeten laten gaan,
omdat de dood deze Eersteling niet kon houden,
zullen wij opstaan, zullen degenen die ons zijn voorgestaan uit het graf komen,
zullen degenen die nog moeten leven en dan begraven zullen worden opstaan uit de dood.
In het graf waar Jezus begraven lag wordt nu de dood begraven.
Je vindt hier in het graf nog wel de dood, maar niet meer Jezus: Hij is hier niet!
Het geopende graf zegt ons dat geen enkele macht sterker is dan God,
dat niets ons kan scheiden van de liefde van Christus:
Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen,
noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere.
Het open graf, het graf dat Jezus liet gaan, zal ook ons eens moeten laten gaan
en voor wie gelooft mag mee, met Jezus mee, een leven tot in alle eeuwigheid.

(4) De vrouwen en de engel
Op de opstandingsdag kondigt de dageraad een nieuwe tijd aan.
Maar vrouwen die naar het graf gaan, duiden die nieuwe tijd anders: een tijd zonder Jezus.
Ze zullen de draad moeten oppakken, de gang te pakken krijgen,
leren leven met een gemis, met het verlies van een dierbare,
die ook meer was: hun hoop, hun Meester, de door God gezondene.
Zijn dood aan het kruis betekent een nieuwe tijd.

Als ze bij het graf aankomen, deze twee Maria’s, treffen ze Jezus niet aan.
Ze moeten het doen met een engel, die op de steen zit die voor het graf lag
een open graf en de wachters uitgeschakeld.
Maar die engel bij het graf stelt hen gerust: ‘Geen vrees, je hoeft niet bang te zijn.
Want ik weet waarom jullie hier komen bij het graf.
Jullie zijn gekomen voor een Jezus die gekruisigd is en hier begraven zou liggen.
Hij is hier niet.’
Vier woorden waarin Pasen samen te vatten is: Hij is hier niet.
Overal kan Hij zijn – zoals het evangelie van Mattheüs ook afsluit:
Ik ben met u al de dagen van uw leven, tot aan de voleinding van de wereld.
Immanuël: God-met-ons.
Geen stap die we zetten of we worden omringd door Hem, gedragen en bewaard.
Alleen hier niet: niet in het graf als een dode.
Overal kunnen we Hem zoeken en vinden, behalve hier. Hij is hier niet.
Als je iets kwijt bent, moet je gaan beginnen met zoeken waar je het gelaten hebt,
waar je het voor het laatst hebt gehad.
Waar moet je Jezus zoeken?
Niet waar ze Hem voor het laatst hadden gezien, waar ze Hem hadden achtergelaten.
Hij is hier niet – niet weggehaald door de discipelen van Jezus,
om de suggestie te wekken dat Hij is opgestaan, zoals de overpriesters dachten,
maar weggehaald door Zijn Vader,
omdat Jezus werkelijk is opgestaan, opgestaan uit de dood.
Zoals Hij dat al heeft gezegd, dat het zal gebeuren.
Pasen betekent niet alleen, dat God zich niet laat opsluiten, laat inbinden,
maar ook dat Hij doet wat Hij belooft
en dat we weten dat de belofte dat wij eens zullen opstaan ook eens in vervulling zal gaan.
In de evangeliën wordt niet beschreven hoe de opstanding van Jezus gebeurde.
Op het moment van het wonder was niemand aanwezig dan alleen de Vader.
Het is niet het zien, het meemaken van het wonder dat het geloof wekt bij deze vrouwen,
maar de boodschap van de engel dat Jezus hier niet meer te vinden is,
dat Hij, die gekruisigd was, is opgestaan, dat het graf leeg is.
Ze mogen kijken, om te zien dat de woorden van de engel geen verzinsel zijn, maar waar.
Zouden ze dat gedaan hebben?
Of zouden ze genoeg hebben aan de woorden van de engel?
Wij hebben niet meer dan de woorden van de engel, dan de verkondiging.
Wij zijn geen getuige van de opstanding, wij maken het wonder zelf niet mee,
we horen er alleen over en dat moet voor ons genoeg zijn,
zoals bij de vrouwen door de woorden van de engel het geloof gewekt werd.

(5) Ontmoeting met de opgestane Heer
Hebben wij meer nodig?
Hebben wij het nodig om Jezus zelf te zien?
Om Hem tegen te komen op onze weg, zoals de vrouwen Jezus zagen
toen ze teruggingen om het de leerlingen van Jezus aan te kondigen dat Hij leeft.
We weten dat er een dag zal aanbreken, dat we Jezus kunnen zien,
dat we voor Hem op de knieën kunnen gaan, kunnen neervallen in aanbidding,
als Jezus terugkomt, of als onze tijd gekomen is naar Hem te gaan
Daar zal ik mijn Heer ontmoeten, luisteren naar Zijn liefdesstem.
Kijkt u ook uit naar die ontmoeting, om Hem dan te zien?
En al hebben we niet meer dan de verhalen over deze vrouwen,
al hebben we niet meer dan de woorden van de engel,
als we die verhalen lezen kan Christus in ons midden staan,
en mogen we Hem ontmoeten, zoals de vrouwen dat deden,
niet zichtbaar, maar toch wel echt.
Als we over Hem zingen, als we tot Hem bidden, als we aan Zijn tafel zitten,
zijn we bij Hem, die niet in het graf gebleven is,
Die zich niet liet opsluiten, door geen mens, door geen dood,
maar alle boeien verbrak en ook onze boeien heeft verbroken
en eens uit de dood zal leiden.

Geprezen zij de Heer die eeuwig leeft.
Die vol ontferming ieder troost en alle schuld vergeeft.
Die heel het aards gebeuren vast in handen heeft.
Hem zij de glorie, want Hij die overwon zal nooit verlaten wat Zijn hand begon.
Amen

Preek Goede Vrijdag 2018

Preek Goede Vrijdag 2018
Schriftlezing: Mattheüs 27:27-56
Tekst: vers 45-46

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wie kan de diepe afgrond peilen, waarin Christus afdaalt aan het kruis?
Zo diep is nooit een mens gegaan,
Al zijn er heel wat mensen die zich in Psalm 22 hebben herkend en ook hebben uitgeroepen:
Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten.
Nog dieper daalt Jezus af aan het kruis.
En zelfs degenen die de ervaring kennen, door God verlaten te zijn,
kunnen nog niet peilen hoe diep onze Heiland ging
toen Hij daar in die duisternis aan het kruis hing en uiteindelijk tot God riep.

Door God verlaten, Hij die op aarde gekomen is als de Immanuël,
om voor ons God-met-ons te zijn,
Hij, God-met-ons, wordt aan het kruis door iedereen verlaten,
zelfs door Zijn eigen Vader in de hemel.
Een gesloten hemel, het ergste wat je als mens kan overkomen,
God die bij je was, maar dan Zich terugtrekt en jou alleen laat.
God, wiens Naam HEERE is: Ik zal zijn, die Ik zijn zal
– je kunt op Mij aan, Ik ben er altijd voor je: in de hemel sta Ik klaar om in te grijpen.
Maar niet voor Jezus,
Niet voor Zijn eigen Zoon, die naar deze wereld is gestuurd om de wereld te redden.
Voor de Redder zelf is er geen redding, maar verlatenheid,
al zoekt Hij Zijn hulp bij de Vader – geen gehoor.

Deze uitroep van Jezus – deze schreeuw om hulp – roept de spot op van de omstanders,
degenen die het meest aan het woord zijn
– Jezus zwijgt – op die ene schreeuw naar de Vader na,
en de Vader laat zich helemaal niet zien of horen. –
Het zijn de omstanders die het hoogste woord hebben
en de meeste aandacht krijgen van de evangelist.
Juist op het moment waarop Jezus aan het kruis hangt,
het moment waarop het allemaal draait in de komst van deze Immanuël – God-met-ons,
gaat de aandacht naar degenen die de spot drijven met deze Jezus,
die Zich verbeeldt heeft de Redder te zijn, de Zoon van God.
Anderen kon Hij redden, zichzelf niet – hoor maar hoe Hij roept naar God:
Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten.
De omstanders, ze wrijven in hun handen: eens kijken of deze roep tot God wordt gehoord
en kijken of Elia gezonden wordt om deze Jezus te redden.

Duidelijker kan het niet worden, dat zij niet geloven dat Jezus die hier aan het kruis hangt
de Zoon God is, de beloofde Messias –
zo door God verlaten, dat niet de messias, niet Gods eigen Zoon zijn.
Het is een opeenstapeling: eerst laten de discipelen hun Meester in de steek,
de priesters en de leidslieden, het volk, ze roepen om de dood van Jezus: kruisig Hem
en stadhouder gaat ermee akkoord
en op compassie van de Romeinse soldaten hoeft Jezus niet te rekenen.
Nu aan het kruis is  de laatste die bij Hem was ook weggegaan: Zijn eigen Vader.

Waarom doet God dat?
Als Jezus alleen maar een mens was, net als wij,
hadden we God ook kunnen aanklagen, zoals het begin van Psalm 22 ook aan aanklacht is,
hadden we partij kunnen kiezen voor Jezus:
God, ziet U dan niet wat er gebeurt met Jezus die niets verkeerds heeft gedaan
en nu hulpeloos en kwetsbaar hangt aan het kruis, door iedereen bespot
en zelfs door U in de steek gelaten.
Als Jezus alleen maar mens als wij was, hadden we medelijden kunnen hebben,
diep geraakt door het lijden waardoor Hij getroffen wordt
en door de wanhoop waarin Hij wegzinkt.
Maar Jezus is meer, Gods eigen Zoon, God-met-ons,
God neergedaald en mens geworden hier op deze aarde om onze Redder te zijn.
De schreeuw van Jezus naar de Vader is niet alleen voor onze hemelse Vader bedoeld,
maar ook voor ons
en is verkondiging voor ons, heeft ons, hier vanavond bij elkaar om Zijn dood te gedenken,
iets te zeggen.
Maar wat? Want Mattheüs lijkt ons alleen maar verslag te doen van wat er gebeurt,
als een verslaggever die alleen maar de gebeurtenissen aan kijkers of luisteraars doorgeeft.
Mattheüs vertelt hoe Jezus gekruisigd wordt,
hoe Jezus tussen twee misdadigers in wordt gekruisigd,
hoe de omstanders de spot drijven, hoe het duister wordt
en Jezus aan het einde van het duister roept tot God.
En toch is het meer dan alleen de feiten, die Mattheüs ons doorgeeft.
De profeet Amos had het aangekondigd, hoe het midden op de dag donker zal worden.
Een duisternis over het gehele land, over de gehele aarde,
zoals dat ook drie dagen was in Egypte.
In Egypte was dat om de grootheid van God te laten zien,
zoals een andere profeet dat namens God zei:
Ik formeer het licht, Ik schep de duisternis.
Als het kruis midden op de dag opgericht is en de spot van de omstanders klinkt,
is er een duisternis, die door God geschapen wordt,
de zon is weg, ondergegaan – het licht gedoofd als Jezus aan het kruis hangt.
Niet meer het vriendelijk aangezicht van God dat over Jezus licht,
maar de duisternis, die om Hem heen is,
de duisternis die er is, als God zich terugtrekt en een leegte achterlaat.
De duisternis maakt het zichtbaar dat God zich teruggetrokken heeft.

En in die duisternis hangt Jezus, die duisternis is er niet alleen voor de omstanders,
voor Gods eigen volk, die de gezonden messias aan het kruis hebben geslagen,
maar ook voor Jezus.
De duisternis komt op Hem neer, omhult Hem,
hier aan het kruis niet meer de hemelse glans die Hem omhult,
maar de duisternis.
Het is het oordeel van God, dat over Hem losbarst,
de schalen van Gods toorn worden over Hem uitgestort.
Daar hangt Jezus, terwijl Hij het oordeel van God ondergaat en draagt,
die gebeden in Gethsemané heeft of Hij de beker van Gods toorn niet hoefde leeg te drinken
maar toe Hij bevestigd kreeg, dat het wel Zijn taak, Zijn weg, Zijn missie was,
om die beker leeg te drinken, zei Hij: Uw wil geschiede, niet Mijn wil.
Hier wordt de beker leeggedronken.

Het is de beker die voor ons was bestemd,
het oordeel dat over ons voltrokken had moeten worden.
God die bij ons had moeten weggaan, ons had moeten verlaten,
zodat wij het hadden uitgeroepen: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten.
Waarbij we – net als Jezus geen antwoord krijgen uit de hemel,
waarin we zouden ontdekken dat wij begonnen waren met het verlaten van God
en dat Hij alleen maar de consequentie van onze eigen daden liet zien.
Het is onze beker die Jezus leegdrinkt,
Het is onze duisternis waarin Jezus hangt,
ons kruis dat Jezus draagt, ons kruis waarin Hij geslagen is,
het oordeel over ons dat Jezus draagt.
Zoals Jezus dat eerder gezegd heeft over Zijn eigen dood
dat Hij Zijn leven zou geven als losgeld voor velen.
Hier betaalt Jezus de prijs voor onze zonden.
Hier betaalt Jezus de prijs voor de keuze die wij gemaakt hadden:
de keuze om God te verwerpen.
Hier koopt Jezus ons, u, jou, mij vrij door het oordeel in te gaan en te dragen,
door in onze plaats door God verworpen te worden, betaalt Hij de prijs
Die wij hadden moeten betalen, maar niet kunnen betalen.

Hij hangt daar voor ons, in onze plaats.
Dat is het aangrijpende, dat is waarom het lijden van Jezus zo diep is,
waarom de afgrond zo diep is, dieper dan er ooit een afgrond kan zijn voor een mens.
Gods eigen Zoon, Immanuël God-met-ons – Hij is het die in onze plaats daar hangt.
En het laat zien hoe ingrijpend het is, om tegen God in te gaan,
hoe ernstig de zonde is, hoe diep de val in het paradijs.
Hier zien we, aan het kruis waar Jezus hangt, wat de diepte van de woorden is,
die we horen bij de voorbereiding op het Heilig Avondmaal:
laat ieder bij zichzelf zijn of haar zonden en vervloeking overdenken,
opdat u  een afkeer van uw zonde heeft en u zich voor God verootmoedigt,
want de toorn van God tegen de zonde is zo groot
dat Hij die niet ongestraft wilde laten,
maar de straf ervoor door de bittere en smadelijke kruisdood heeft voltrokken
aan Zijn lieve Zoon Jezus Christus.
Dat is de ernst van Goede Vrijdag – het confronterende:
Wij waren eens in de macht van de zonde, op ons rustte een oordeel
en het was verdiend, want wij kozen ervoor God uit te bannen,
wij kozen ervoor God te verlaten, zonder te beseffen hoe ingrijpend dat was.
En hier aan het kruis zien we hoe ingrijpend het is om door God verlaten te worden,
Hier aan het kruis zien we hoe ingrijpend het is om verloren te gaan
als wij het oordeel van God niet kunnen doorkomen.

Het is een aanklacht tegen ons, waarbij we gelijk ook zien
dat de straf gedragen is, het oordeel niet aan ons voltrokken wordt,
er een vrijspraak is
en meer nog dan een vrijspraak: een mogelijkheid om bij God te horen,
onderdeel van Gods gemeenschap te zijn,
zodat de naam van God voor ons waar is: Ik zal zijn die Ik zijn zal.
Ik ben er voor jou, voor u – Ik ben uw God.
Zodat de naam van Jezus waar wordt voor ons: Immanuël, God-met-ons

Daar werd Hij door God verlaten, opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden.
In het leven op aarde worden wij niet meer verlaten.
Als ons leven voorbij is, dan staat Hij aan onze zijde
Als we door de dood heen moeten, draagt Hij ons tot in het Vaderhuis.
Nooit meer door God verlaten.
Dat is de boodschap van het kruis, want Jezus werd verlaten. Hij droeg.
Hoor ik, hoe Hij klaagde dat
Hem zijn God verlaten had,
‘k weet dan, wat mij ook ontvall’
God mij nooit verlaten zal.

God zal mij nooit verlaten.
Ook niet als ik voor God kom te staan, als over mijn leven het oordeel wordt uitgesproken
en mijn zonden een lange lijst zijn,
een lijst die ik maar al te goed kan, omdat zowel de duivel als mijn eigen geweten
die zonde steeds mij onder ogen brengen en mij geen rust gunnen
waardoor het soms moeilijk te geloven is, dat God mij nooit verlaten zal.
Ook niet, nu het er op aan komt, als ik voor Gods troon sta
en het oordeel voorgoed wordt uitgesproken?
Dat er dan niet klinkt: Ga weg, ver bij Mij vandaan, maar: Kom in.
Want dat kruis droeg de straf, nam de schuld van mij af,
‘t werd de toegang voor mij tot Gods troon.
Amen

Les 16 Taken binnen en buiten de kerk

Les 16 Taken binnen en buiten de kerk

Han en Simone krijgen de ouderling op bezoek. Enkele weken geleden belde hij dat hij langs wilde komen. Ze zijn best gespannen. Waar zal het gesprek over gaan? Waar zal hij naar vragen? In het begin van het gesprek stelt de ouderling zich voor en vertellen Han en Simone wie ze zijn. Het gesprek valt hen erg mee en ze worden wat meer ontspannen. Tegen het einde van het gesprek vraagt de ouderling of ze iets binnen de kerk doen. Daar moeten ze het antwoord op schuldig blijven. ‘En wat laten jullie buiten de kerk zien van je geloof?’ vraagt hij verder. Ook daar weten ze niet zo goed wat op te zeggen. De ouderling wil hen helpen: ‘Hebben jullie dan geen zorg voor iemand?’ Dan vertellen Han en Simone dat ze af en toe met de buurvrouw naar het ziekenhuis gaan en contact hebben met de kinderen. Want de kinderen van de buurvrouw wonen ver weg. ‘Heeft dat niet iets te maken met jullie geloof?’ Zo hadden ze het nog niet bekeken.

Erik krijgt een telefoontje van zijn wijkouderling. De wijkouderling vertelt hem dat hij door de kerkenraad is voorgedragen voor de verkiezing van ambtsdragers. Ze stellen hem kandidaat als diaken. Erik schrikt ervan. Er is niemand in zijn familie of vriendenkring die ambtsdrager is. Wat houdt dat in? En als hij verkozen wordt, dan moet hij een beslissing nemen. Maar waar moet hij dan over nadenken? Op basis waarvan moet hij zijn beslissing nemen?

Vraag 1: Welke taken heb jij binnen de kerk (gehad)? Wat hebben die taken gedaan met je geloof?




Vraag 2: Welke taken heb jij buiten de kerk (gehad)? Heeft dat iets met je geloof gedaan?



Vraag 3: Zou jij ambtsdrager kunnen zijn? Wat heb jíj daarvoor nodig? Welk ambt zou het beste bij je passen?


 

Taken binnen de kerk
Als gelovige ben je niet alleen. Je bent onderdeel van een gemeenschap. Dat merk je bijvoorbeeld ‘s zondags als je naar de kerk gaat. Dat merk je ook op andere manieren: als kind ben je wellicht naar de zondagsschool of naar een club van de kerk gegaan. Daar was ook leiding aanwezig. Het kan zijn dat iemand van de leiding voor jouw een voorbeeld was of jou op een bijzondere manier iets heeft geleerd over de Heere God. Wanneer je huisbezoek hebt gehad, is er iemand die namens de kerk op bezoek komt. Wanneer je ziek geweest bent of een overlijden hebt meegemaakt, dan zijn er gemeenteleden die je een kaartje hebben gestuurd.
Geloven is een combinatie van ontvangen en geven. Je draagt zelf ook je steentje bij door bijvoorbeeld club of zondagsschool te geven, door iemand op te zoeken of door een kaartje te sturen, door voor iemand te bidden. Het mooiste is als een taak bij je past. Niet altijd kan iemand een bijdrage leveren. Soms heb je het te druk met je werk of heb je veel taken gehad in de kerk. Of je hebt een aantal taken buiten de kerk. In een bepaalde tijd kan de zorg voor iemand, voor jezelf of voor je eigen gezin de aandacht vragen, waardoor je niet toekomt aan je bijdrage aan de kerk. Ook als je naar de kerk gaat, luistert en meezingt, lever je al een bijdrage aan de gemeenschap.
We geloven dat de kracht en de wijsheid die nodig is voor een taak door de Heilige Geest wordt gegeven. Hij maakt je voor een taak bekwaam.

Taken buiten de kerk
Er zijn niet alleen taken binnen de kerk. Ook buiten de kerk kun je je betrokkenheid laten zien. Als je bijvoorbeeld de zorg hebt voor een buurvrouw. Of als je betrokken bent bij de muziekvereniging of bij de voetbal of de volleybal. Als ouder verwacht de school ook dat je meehelpt. Je kunt je verkiesbaar laten stellen voor de gemeenteraad. Deze taken zijn niet van minder belang dan taken binnen de kerk. Juist in de taken die je hebt buiten de kerk kun je iets van de liefde van Christus laten zien aan anderen die niet van de kerk zijn. Een christen is ook verantwoordelijk voor wat er de maatschappij gebeurt. Ook voor de taken buiten de kerk geeft de Heilige Geest kracht en wijsheid.

 

Vraag 4 Welke taak past er bij de gaven die jij hebt? Wat is er voor nodig om die taak goed uit te voeren?


Ambtsdrager zijn
Een speciale taak binnen de kerk is het ambt. We kennen binnen onze Protestantse Kerk in Nederland 3 ambten: de predikant, de ouderling en de diaken. Er zijn er eigenlijk nog twee: de kerkrentmeester en de kerkelijk werker. De kerkrentmeester wordt bevestigd als ouderling-kerkrentmeester. Een kerkelijk werker wordt meestal als ouderling bevestigd; soms als diaken.
Het ambt is een speciale taak binnen de kerk. Een ambtsdrager is een vertegenwoordiger van Christus binnen de kerk. Dat vertegenwoordigen kan door het huisbezoek. Dat gebeurt door de wijkouderling. Dat vertegenwoordigen kan door de zondagse preek van de predikant: door de woorden van de predikant spreekt Christus de gemeente aan. Dat vertegenwoordigen van Christus kan door het aanbieden van hulp. Dat gebeurt dan door een diaken. De kerkenraad heeft de leiding in de gemeente. Die leiding over de gemeente is niet een vorm van heersen. Als het goed is, dienen ambtsdragers de gemeente, zoals Christus gediend heeft.
De roeping tot ambtsdrager gebeurt door middel van de keuze van de gemeente. In de gemeente die kiest (of de kerkenraad die benoemt) mogen we de stem van Christus horen. Daar hoeft niet een bijzondere ervaring bij te komen. God werkt net zo goed door mensen als door bijzondere ervaring.

Een ambtsdrager is niet boven de gemeente verheven. Ambtsdragers zijn gewone mensen, gewone christenen die door Christus gebruikt worden. De mening van een ambtsdrager is nog niet direct de mening van Christus. Het is daarom goed mogelijk om kritiek te hebben op een ambtsdrager. Ambtsdragers zijn geen betere gelovigen dan andere gemeenteleden. Vaak hebben ze wel meer Bijbelkennis of hebben ze meer levenservaring of ervaring in geloof. Met die kennis en ervaring mogen ze de gemeente dienen.

Vraag 5: Vraag aan je wijkouderling (of een andere ouderling of diaken) hoe de roeping tot het ambt gegaan is. Wat waren de argumenten om aan te nemen? Vraag ook wat het werk als ouderling, ouderling-kerkrentmeester of diaken betekent voor het leven met Christus.




Bijbelstudie – Romeinen 12

Vraag 6: Je inzet voor God is een offer dat je brengt. Wat kosten de taken jou? En wat leveren ze je op? Op welke manier dien je Christus ermee?



Vraag 7: Er zijn verschillende taken binnen en buiten de gemeente. Welke taken worden er genoemd. Moet je als gelovige alle taken kunnen doen? Of mag je ook zeggen dat je bepaalde taken niet kunt uitvoeren?



Vraag 8: Paulus geeft aan dat er gaven zijn die in genade gegeven zijn. Welke gave heb jij gekregen?

Vraag 9: Paulus zegt ook iets over hoe je inzet moet zijn. Vertel daar iets over.


Te veel antwoorden in Reinier Sonnevelds boek over geloofstwijfel

Te veel antwoorden in Reinier Sonnevelds boek over geloofstwijfel

In 2013 kreeg ik de vraag van het RD om het boek “De stilte van God” van Reinier Sonneveld te bespreken. Op 30 maart 2013 verscheen deze recensie in het RD: ”De stilte van God. Zie ook: https://mjschuurman.wordpress.com/2013/06/13/n-a-v-de-stilte-van-god-reinier-sonneveld/

“Waarom geloven moeilijk is”, is het nieuwste boek van Reinier Sonneveld, schrijver van onder meer populair-theologische werken.

De auteur heeft in zijn leven een tijd gehad waarin hij het geloof losgelaten heeft, maar kwam erachter dat hij geloviger was dan hij dacht. Vanuit die ervaring heeft hij dit boek geschreven over geloofstwijfel, waarin hij als een gids wil laten zien hoe twijfel opkomt. Daarbij gaat hij verschillende thema’s langs, zoals de vraag waarom God niet ingrijpt, groepsdruk, schuld.

”De stilte van God” is in heel populaire stijl geschreven, vol met anekdotes, voorbeelden en foto’s, waarschijnlijk bedoeld om twijfelende jongeren te overtuigen.

Het is niet gemakkelijk om er een recensie over te schrijven, omdat het een bizar boek is dat ik om verschillende reden met verbijstering heb gelezen.

Allereerst omdat Sonneveld niet doet wat hij toezegt. Hij geeft aan dat hij, anders dan andere apologeten, geen rationele oplossing wil bieden of een betere communicatie van het geloof, maar een boek dat het hart raakt. Maar op de laatste paar bladzijden na raakt hij nergens het existentiële niveau en blijft hij op het niveau van oppervlakkige redenaties. Zo beweert Sonneveld bijvoorbeeld dat wie zelf lijdt het geloof in God niet opgeeft. Dat is gewoonweg niet waar! Te vaak heb ik meegemaakt dat mensen juist door het lijden dat zij doormaakten hun geloof kwijt­raakten.

Steeds wanneer Sonneveld in de verschillende hoofdstukken de existentiële laag niet weet aan te boren, roept dat bij mij de vraag of hij wel twijfel gekend heeft. Hij is er zelf ambivalent over. Op het moment dat hij zich wilde laten uitschrijven, kwam hij erachter dat hij geloviger was dan hij zelf had willen toegeven. Ook al komen er teksten met existentiële diepgang in zijn betoog voor, zoals klaagpsalmen, gedichten en romanfragmenten – die worden slechts genoemd als illustratie.

De auteur weet niet aan te voelen waarom er zo veel mensen zijn die niet meer geloven of niet meer kunnen geloven. Een groot bezwaar tegen zijn boek vind ik dat hij te weinig de pijn, de verwarring en het gemis die twijfel meebrengt, peilt. Te gemakkelijk suggereert Sonneveld ook dat geloof en twijfel een keuze zijn, die gemaakt kan worden. God kwijtraken is vaak geen keuze, maar een onthutsende ervaring waarbij geen oppervlakkige antwoorden passen.

Sonne­velds betoog wemelt echter van de antwoorden. Hij maakt daarbij onderscheid tussen kort, eenzijdig, lang en complex. Ook al heeft deze laatste categorie met Jezus te maken, het zijn toch korte en eenzijdige antwoorden. Deze wekken ook de suggestie dat mensen God en Zijn handelen kunnen verklaren. Alsof God en Zijn wegen voor mensen begrijpelijk en navolgbaar zijn. Ik mis daarin het besef dat mensen de Heere niet kunnen narekenen en verklaren.

Sonneveld voelt niet alleen niet aan wat twijfel is, maar begrijpt ook niet waarom anderen niet meer geloven of niet meer kunnen geloven. Bovendien mist hij het respect voor mensen die anders denken. Op een pijnlijke wijze wordt dat duidelijk als hij spreekt over atheïsten. Sonneveld haalt de psycholoog Paul Vitz aan, die beweert dat alle bekende atheïsten een problematische relatie hebben met hun vader of een vaderfiguur in hun leven hebben gemist. Hier maakt de schrijver een denkfout: hij suggereert dat wat bij veel bekende atheïsten voorkomt, bij alle atheïsten het geval moet zijn. Bovendien wekt hij de suggestie dat een biografisch gegeven (het gemis van een vaderfiguur) bezwaren van atheïsten irrelevant maakt.

Dit boek helpt anderen niet in gesprekken met niet-gelovigen, omdat de suggestie gewekt wordt dat overal een antwoord op te vinden is. In deze tijd is een luisterende houding belangrijker, waarbij vragen over God en het geloof worden aangehoord zonder een antwoord te hebben.

In het boek mis ik het zwijgen in omstandig­heden waarin geen antwoorden zijn, omdat wat er gebeurd is te erg is en elk woord wat er gezegd wordt te veel is. Zelfs aan het einde van het boek, waar Sonneveld iets zegt over het zwijgen voor God, staat dat in het teken van de verklaarbaarheid van God.

Christenen zijn niet geroepen overal een antwoord op te hebben, maar om er te zijn voor de ander. Om te luisteren, en niet weg te vluchten uit situaties waarin alle antwoorden stukbreken. In zulke omstandig­heden hebben christenen de taak om het in de machteloosheid uit te houden en slechts te roepen naar God en te hopen op Zijn komst. Door met antwoorden klaar te staan, kunnen we God voor de voeten lopen.

Uiteindelijk haalt Sonneveld zijn titel onderuit: het boek eindigt met de oproep om de stilte van God niet te accepteren. De aansporing om God niet los te laten, is heel begrijpelijk, maar had er in het boek ook niet meer aandacht moeten zijn voor het respecteren en dragen van Gods zwijgen als een oefening in kruisdragen? Christenen moeten meer leren om de hand op de mond te leggen en te wachten op God.

De stilte van God. Waarom geloven moeilijk is, Reinier Sonneveld; uitg. Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2013; ISBN 978 90 5881 690 0; 383 blz.; € 17,90.

30-07-2013

Preek zondagmorgen 25 maart 2018

Preek zondagmorgen 25 maart 2018
Afsluiting winterwerk
Schriftlezing: Jesaja 53:1-7 en Mattheüs 27:1-26

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Komende vrijdag is het Goede Vrijdag.
Op die dag staan we er bij stil dat de Heere Jezus voor ons aan het kruis stierf.
Bijzonder om zo’n vrijdag goed te noemen…

In de weken daarvoor – we noemen die tijd de Lijdenstijd –
staan we stil bij de weg die de Heere Jezus ging naar het kruis.
Lijdenstijd: niet alleen aan het kruis heeft Jezus geleden, maar daarvoor al.
In de lijdenstijd denken we na over het lijden van de Heere Jezus:

  • niet alleen: hoe erg het was
  • maar dat Hij dat deed – voor ons
    (Jesaja 53: De straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem)


Alles wat de Heere Jezus deed – deed Hij voor ons, om ons vrede te kunnen geven:
De binnengaan van de stad Jeruzalem op een ezel,
hoe Hij avondmaal vierde met Zijn leerlingen,
daarna Gethsemané, waar vroeg of het lijden aan Hem voorbij mocht gaan
en toen het duidelijk werd dat Hij die weg moest gaan, zei:
‘Het gaat er niet om wat Ik wil, maar wat U wilt, Vader, dat zal gebeuren!’
Daarna kwam Judas, Zijn eigen discipel, met een groep soldaten
en werd Jezus gevangen genomen en meegevoerd naar de priesters, de Schriftgeleerden.
De hele nacht zijn ze bezig geweest met het ondervragen van Jezus
en na die nacht weten ze het zeker: Jezus mag niet blijven leven! Hij moet sterven.

Als kerk, als christenen geloven we dat Jezus niet zomaar moest sterven,
maar dat Hij dat deed in onze plaats.
Daarom is het elk jaar weer bijzonder om stil te staan bij het kruis op Golgotha:
o, ik weet meer dan ooit: dat Hij dit deed voor mij!
Denk jij daarover na, als je die verhalen hoort over de Heere Jezus?
Als je daar op school over hoort, of thuis uit de Bijbel, in de kerk?
Dat je denkt: dat gebeurde niet zomaar, maar dat was wat God wilde,

zodat ik bij God mag horen.

We lazen in de Bijbel dat de hogepriesters en de Schriftgeleerden besluiten
Dat Jezus moest sterven.
Alleen: ze mogen zelf niet beslissen dat iemand moet sterven.
Dat mag alleen Pilatus beslissen, die namens de Romeinen de baas is in Israël.
Als de zon opkomt en de nieuwe dag begint,
gaan ze de Heere Jezus naar Pilatus brengen.
Ze binden Hem vast.
Dat doen ze vast om Jezus veel gevaarlijker te laten lijken dan Hij is.
Want stel je voor, dat ze bij Pilatus komen, zonder dat Jezus is vastgebonden,
zal Pilatus misschien wel zeggen: ‘Jullie kunnen me meer vertellen.
Als die Jezus echt zo gevaarlijk is als jullie zeggen,
waarom heb je Hem dan niet vastgebonden?’
Moet je dat voor je zien – dat ze de handen van Jezus vastbinden.

Dat zijn de handen waarmee Jezus de melaatsen heeft aangeraakt,
waardoor ze genezen werden.
Dat zijn de handen, waarmee Jezus modder op de ogen van een blinde smeerde,
die blinde man waste zijn ogen schoon en hij kon weer zien.
Het zijn de handen die het dochtertje van Jaïrus bij de hand greep
En zei: ‘Meisje, sta op!’
Met deze handen trok Hij Petrus uit het water, toen Petrus wegzonk
en dreigde te verdrinken.
Wat hebben deze handen voor verkeerds gedaan, dat ze nu vastgebonden moeten worden?
En als je verder nadenkt over deze handen,
De handen van Christus, die zo zegt het Nieuwe Testament, betrokken is
bij de schepping van deze wereld.
Het zijn de handen van deze Christus – al was Hij toen nog geen mens –
die de wereld mede hebben geschapen.
Die ons het leven hebben gegeven en ons in deze handen draagt.
Ze worden gebonden, terwijl ze onschuldig zijn.
Hij die de Heer is, mens geworden om ons te dienen,
die hetzelfde werd als ons – alleen dan geen zonde,
dan gebonden – alsof Hij de grootste misdadiger is,
een gevaarlijke crimineel die je niet zomaar vrij kunt laten rondlopen.
Tot de misdadigers gerekend – Hij die gekomen is om de wereld van de zonde te redden.

Waarom maakte Jezus zich niet los, zoals Simson dat wel deed?
Je kent vast het verhaal van Simson wel, Simson die zijn kracht van de Heere kreeg.
Hij kwam steeds bij Delila en die vroeg hem hoe Simson aan zijn kracht kwam.
Simson zei toen: als je mij vastbindt, dan kan ik niets meer.
Maar nadat Delila hem gebonden had, sprong hij op en scheurde hij de touwen af.
Zou de Heere Jezus dan zelf niet de macht hebben,
om de boeien los te maken, om deze touwen te verbinden?
Is dat nu de Zoon van God?
Bij het kruis zullen degenen die er bij staan spottend roepen: ‘Anderen heeft Hij verlost,
maar Zichzelf redden dat kan Hij niet!’
Moet je Hem daar zo zien, zo machteloos, niet meer vrij, maar vastgebonden.
We zongen het: is dit nu de koning waar iedereen zo naar heeft uitgekeken?
Waar de voorvaderen uit het Oude Testament naar hebben uitgekeken?
Als je Jezus zo ziet, zou je dat niet meer kunnen geloven,
Dat Hij Gods Zoon was, de koning die het kwaad en de duivel zou overwinnen.
Waar is dan Zijn almacht nu? Waar is Zijn goddelijke glans?
Daar is nu niets meer van over, maar zonder macht, hulpeloos,
Vastgebonden als een lam, die meegenomen wordt om geslacht te worden.
Waarom deed Hij dat? Waarom liet de Heere Jezus zich vastbinden?

Dat deed Hij voor ons, voor jou, voor mij.
Daar werd Hij vastgebonden, zodat Hij ons zou losmaken. (Avondmaalsformulier)
Afgelopen week was er in Frankrijk een gijzeling.
Er was iemand die een gevaarlijke terrorist uit de gevangenis wilde krijgen.
Hij ging een winkel binnen, nam een aantal mensen gevangen, in gijzeling
en zei: Ik laat hen pas gaan, als die man die in de gevangenis vast zit vrij wordt.
En zo niet, dan dood ik de mensen die ik hier gevangen genomen heb.
Er was een politieagent, die tegen de man die de mensen gijzelde zei:
Laat mij ruilen.
De agent ruilde zichzelf en een vrouw die gevangen was, mocht de winkel verlaten.
Ze was vrij, ze was gered.
Die agent werd nog diezelfde dag gedood.
Omdat die agent ruilde, daarom kon die vrouw gaan.
Het kostte die agent zijn leven en de vrouw was gered.
Het lijkt wat op wat met de Heere Jezus gebeurde:
Als je Mij nu vastbindt, mag iedereen die in Mij gelooft vrij.
Ik neem de plaats in van al die anderen, al moet Ik daarvoor de dood ingaan.
Ik ruil, zegt Jezus – een ruil die voor de Heere Jezus niet goed uitpakte:
Hij werd gevangen, Hij die over alles en iedereen de macht heeft, liet zich binden,
Hij die nooit iets fout gedaan had, zei: reken het Mij maar aan.
Het waren niet alleen de Schriftgeleerden en de priesters die Jezus vastbonden.
Was het God de Vader zelf niet?
Net zoals Abraham zijn zoon Izaäk moest vastbinden,
zo bond de Vader Zijn Zoon Jezus, nu om geboeid naar Pilatus te gaan
En straks vastgebonden, vastgespijkerd aan het kruis.
Bij Izaäk was er iets anders dat de plek innam: er was een ram,
Waardoor Izaäk mocht blijven leven, de ram met de horens in de struiken werd gedood.

In de verhalen van de Heere Jezus zien we wat er eigenlijk met ons had moeten gebeuren,
Wat God met ons zou moeten doen.
Daarom: elke zonde, elke keer als wij iets verkeerds doen,
trekken wij het touw om de polsen van Jezus strakker
en zorgen wij ervoor dat Jezus steviger aan het kruis komt te zitten,
de spijkers dieper in Zijn handen.

Daar werd Hij vastgebonden, zodat Hij ons zou losmaken.
Waar moeten wij van losgemaakt worden?
Waar moet jij van losgemaakt worden? En ik?
Wat houdt ons gevangen? Wat houdt jou gevangen en mij?
Misschien vind je het wel raar om te horen, dat jij gevangen kunt zitten,
want je kunt je vrij bewegen.
Je zit niet achter tralies, je bent niet vastgebonden.
En toch … in de Bijbel lezen we dat wij – als God ons niet bevrijdt – vast zitten.
We noemen dat de zonde
en zonde is dat wij uit onszelf niet naar God toe kunnen
en dat wij niet willen dat God in ons leven de baas is.
Dat we bij God vandaan gegaan zijn en niet zomaar terug kunnen.
Omdat we steeds de neiging hebben om tegen God te kiezen, of dat ook doen,
omdat we lang niet altijd naar Hem willen luisteren,
kunnen wij God ook niet dienen, zijn we niet vrij om naar Hem toe te gaan.
Zitten we vast in de macht van de zonde, van de duivel.
En dat is onze eigen keuze geweest.

Je kunt dat vergelijken met iemand die verkeerde vrienden heeft.
Je hoeft niet voor die vrienden te kiezen, maar je doet het toch.
Omdat het stoer is, wellicht
en eerst denk je: het kan geen kwaad.
Al waarschuwen je ouders je en zeggen ze: niet doen, zoek andere vrienden! Niet hen!
Maar ze nemen je mee als ze een winkel overvallen, ze vragen je van je ouders te stelen.
Je kiest voor die vrienden en je weet dat wat ze doen niet goed is
en toch doe je mee en ga je mee op het verkeerde pad.
Dan kun je niet zomaar thuiskomen.
Er moet eerst weer wat gebeuren: je moet los komen van die verkeerde vrienden.

Daar werd Hij vastgebonden, zodat Hij ons zou losmaken.
Jezus liet zich vastbinden, zodat wij, dat jij, ik, los kunnen komen
van de zonde, van de duivel – redding noemt de Bijbel dat
en Jezus zegt zelf: de schuld die er is, die draag Ik.
Daarom laat Ik mij vastbinden – alsof Ik die misdadiger ben,
alsof Ik zelf al die zonden heb begaan, alsof Ik verantwoordelijk ben.
Reken het Mij aan, Vader en niet hen.
Laten we ruilen: Ik draag hun schuld en zij mogen vrij zijn, bevrijd
Zij mogen weer bij U horen, zij mogen U, Vader, weer dienen,
omdat Ik Mij liet vastmaken.

Daar werd Hij vastgebonden, zodat Hij ons zou losmaken.
Daar werd Hij vastgebonden, zodat Hij jóu zou losmaken.
Geloof je dat? Dan mag je naar Hem kijken
en doet het misschien wel zeer, dat Hij vastgemaakt moest worden,
maar mag je dankbaar zijn, blij dat Hij zich liet vastbinden,
want daardoor kun jij vrij komen, mag jij bij God horen.
Het is een geschenk van God aan jou
en je hoeft er niets voor te betalen,
dan alleen te zeggen: Ik neem het aan, dankuwel.
dan alleen te zeggen: Als ik vrij ben, is mijn leven voortaan van U.
Genade – geschenk, omdat Jezus de prijs betaalde, met Zijn eigen leven.

Ja, Ik dank U voor Uw genade, o Heer,
dat U het kruis voor ons droeg.
U bewijst uw genade aan ons telkens weer.
Uw genade is ons genoeg.
Amen




 

Les 15 Bidden

Les 15 Bidden

Lydia heeft een koffieafspraak met een vriendin. Tijdens deze ontmoeting vertelt die vriendin over heel wat zorgen die er in haar leven zijn. Bij het weggaan zegt Lydia: ‘Ik zal voor je bidden!’

Vraag 1: Op welke momenten bid jij?




Vraag 2: Hoe vaak per dag / per week bid jij?



Vraag: 3: Wat betekent bidden voor jou?
Ik zou niet zonder bidden kunnen, omdat….



Uitleg
Bidden doen we niet alleen omdat we daar zelf behoefte aan hebben. Bidden doen we omdat ons dat is opgedragen: Bid onophoudelijk (1 Thessalonicenzen 5:17).
Het bijzondere van bidden is dat je als mens op aarde voor Gods troon in de hemel mag komen. Je mag Hem vertellen wat je bezig houdt. Je mag Hem danken. Bidden betekent ook een beroep op God doen: je vraagt of Hij iets voor jou of voor een ander wil veranderen. Bijvoorbeeld:
– dat iemand geholpen wordt
– dat iemand beter wordt
– dat er vrede op aarde komt
– dat iemand mag gaan geloven

Belemmeringen
Bidden is niet altijd makkelijk. Vooral het volhouden van het bidden niet. Daarom is het goed als er een bepaalde regelmaat is. Dat je een vast moment op de dag of in de week hebt. Dat je een vaste plek hebt. Er zijn allerlei belemmeringen om het bidden vol te houden:

(1) Je bent te druk. Door een drukke planning heb je geen innerlijke rust om te bidden. Of je vergeeft zelfs helemaal om te bidden. Daarom is tijd nemen erg belangrijk.

(2) Je denkt klein van jezelf. Als je bidt, dan besef je hoe groot of hoe heilig God is. Dan voel je jezelf zo klein of zo zondig. Als je jezelf tekort voelt schieten of als je heel klein van jezelf denkt, kun je tegen het bidden opzien. Omdat je dan God onder ogen komt. Of je gaat het helemaal uitstellen, omdat je de Heere niet onder ogen durft te komen. Daarom is het nodig erop te vertrouwen dat God wilt dat je naar Hem toe gaat.

(3) Je weet niet hoe dat moet. Het kan zijn dat het je nooit geleerd is om te bidden. Bij jou thuis werd niet hardop gebeden. Thuis, op school of tijdens de catechisatie is het je nooit geleerd om te bidden. Je kunt in de Bijbel leren, hoe je moet bidden. Zoals het Onze Vader, of in de Psalmen. Je kunt iemand anders vragen hoe hij of zij bidt.

(4) Je kent God niet. Als je God niet, als je niet weet wie Hij is, dan kan het zijn dat je wel wilt bidden. Maar je weet niet tot wie je moet bidden. Het is meer een schreeuw om hulp, maar je weet niet of er iemand is die je hoort. Hoe leer je God kennen? Door je hart voor Hem te openen.

(5) Je bent teleurgesteld geraakt in God. Als je teleurgesteld raakt in God, lukt het je niet meer om te bidden. Je zoekt geen contact met God. Hooguit praat je nog over God. In verwijten. Het gaat erom dat je dan weer leert om tot God te praten. Desnoods door je klachten en je verwijten naar Hem te uiten. Dit gebeurt in de Psalmen ook vaak.

Vraag 4: Welke belemmeringen herken je bij jezelf?



Vraag 5: Wat doe jij om te voorkomen dat de door die belemmeringen niet meer bidt? Wat helpt jou?






Soorten gebeden
Er zijn verschillende soorten gebeden:
– Dankgebed: je dankt God voor wat Hij wie Hij is of voor wat Hij geeft.
– Voorbede: je bidt voor jezelf of voor een ander.
– Uitspreken van vertrouwen in God
– Klacht: je maakt God kenbaar dat je Zijn weg niet begrijpt.
– Schuldbelijdenis: je vertelt wat er mis is in je leven, in je hart.
– Gebed om vergeving
– Je denkt na over God en je neemt de tijd om te luisteren wat Hij tot je wil zeggen.

Je kunt ‘vrij’ bidden, door je eigen woorden te gebruiken. Je kunt ook vaste gebeden gebruiken, bijvoorbeeld door het Onze Vader, een morgengebed, een avondgebed, een gebed bij het eten.


Hulpmiddel bij het onder woorden brengen van een gebed voor iemand anders (voorbede)

Gebed voor: ……………….

Gebed
Waar wil je voor bidden? Of voor wie?
Hoe wil je God aanspreken?
Wat is er aan de hand?
Wat wil je dat God doet?

Schrijf hier je gebed uit:





Bijbelstudie – Jesaja 38

Vraag 6: Hizkia is het niet eens met het bericht wat hij via Jesaja krijgt. Waarom niet?




Vraag 7: Op welke manier zoekt hij het contact met God? Wat bidt hij?



Vraag 8: Wat is het antwoord van God? Hoe komt dat bij Hizkia?




Vraag 9: Wat kun je voor jezelf van Hizkia leren?




Geloofsbelijdenis – Heidelberger Catechismus

Vraag 116: Waarom hebben christenen het gebed nodig?
Antwoord: Omdat het gebed het voornaamste deel van de dankbaarheid is, die God van ons eist, en omdat God zijn genade en Heilige Geest alleen wil geven aan hen, die Hem met een hartelijk verlangen zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken.

Vraag 117: Wat behoort tot een gebed dat God behaagt en door Hem wordt verhoord?
Antwoord: (1) Dat wij alleen de enige, ware God, die zich in zijn Woord aan ons geopenbaard heeft, van harte aanroepen om alles wat Hij ons bevolen heeft van Hem te vragen.
(2) Dat wij onze nood en ellende goed en grondig erkennen, opdat wij ons voor zijn majesteit verootmoedigen.
(3) DAt wij deze vaste grond hebben, dat God ons gebed, hoewel wij dat niet waardig zijn, om de wil van Christus, de Here, zeker wil verhoren, zoals Hij ons in zijn Woord beloofd heeft.

Vraag 129: Wat betekent het woord: amen?
Antwoord: Amen wil zeggen: het is waar en zeker. Want het is veel zekerder dat God mijn gebed verhoort, dan dat ik in mijn hart gevoel dat ik die verhoring van Hem begeer.

Olie is de vloek voor de islam

Olie is de vloek voor de islam
De islam bevindt zich in een crisis door te veel geld en te weinig onderwijs

De Duitse godsdienstwetenschapper Michael Blume maakt zich grote zorgen om de islam. Volgens hem bevindt deze wereldgodsdienst zich in een grote crisis.  Zijn zorgen beschrijft hij in zijn boek “Islam in der Krise”.

Blume is getrouwd met een moslima van Duits-Turkse afkomst en werkt voor het staatsministerie van Baden-Württemberg als beleidsambtenaar voor interreligieuze zaken en is actief betrokken bij de dialoog tussen christenen en moslims. Vanaf 2014 was hij uitgezonden naar Irak om de Yezidi’s te ondersteunen. Onlangs is hij door dit staatsministerie benoemt om het antisemitisme in Baden-Württemberg te bestrijden.

Crisis
In zijn contacten ontdekte hij dat de islam zich in een diepe crisis bevindt. Deze crisis is er niet alleen in Europa. Blume kwam deze crisis ook tegen in het Midden-Oosten, zoals in de Koerdische gebieden in Irak, Syrië en Turkije en in de Palestijnse gebieden.

Naar beneden bijgesteld
Deze crisis blijft onopgemerkt, omdat het aantal moslims vaak veel te hoog wordt ingeschat. In 2016 schatte een Duits onderzoeksinstituut het islamitische aandeel van de Duitse bevolking op 2,6%. Na de instroom van de vluchtelingen werd dat naar boven gecorrigeerd naar 5,7%. Later werd het aandeel weer naar beneden bijgesteld: 4,4%.

Ex-moslims
Het probleem is namelijk dat iemand geen afscheid kan nemen van de islam. Wie als moslim geboren wordt, blijft dat de rest van zijn leven. Daardoor worden ex-moslims, atheïsten en zelfs bevolkingsgroepen die nooit tot de islam hebben behoord voor moslims aangezien. Dit tot frustratie van vluchtelingen, die aangaven: ‘Wij zijn voor de islam gevlucht en worden in Europa weer tot de moslims gerekend.’

Stille uittocht
Omdat het niet mogelijk is om uit de islam te treden, is er sprake van een stille uittocht: velen staan nog geregistreerd als moslim, maar beschouwen zich niet meer als moslim en houden zich ook niet meer aan de islamitische geloofspraktijken.
In 2009 gaf bij een onderzoek aan dat slechts 33,9% van degenen die voor moslim doorgingen dat zij elke dag een gebed uitspraken. 15,3% gaf aan dat zij enkele keren per jaar baden. 20% gaf aan dat zij nooit meer baden.
Van de Duitsers met een Turkse afkomst gaf 81,4% aan dat zij zich als moslim beschouwen. Van de Duitsers met een Iraanse achtergrond gaf 38% aan dat zij geen godsdienst hadden en 10% beschouwde zich als christen.
Het deel van de moslims dat zich verenigt in een organisatie is erg klein. Die organisaties zijn niet representatief, maar worden wel door de overheid en de media geraadpleegd.

Verbod op boekdrukkunst
De oorzaak van de crisis ligt volgens Blume in het verleden: in 1485 verbood sultan Bayasid II (1447-1512) de boekdrukkunst. Vanaf dat moment verstarde de islam en begon het verval. Het opleidingsniveau daalde, zodat rond 1800 slechts 2-3% in staat was om te lezen.

Onderontwikkeling
De onderontwikkeling is sindsdien gebleven. Doordat er nauwelijks boeken werden gedrukt en gelezen, was er in de islam geen ontwikkeling en wist de islam zich niet van binnenuit te moderniseren en te reformeren.

Staatsislam
Overheden in gebieden met een islamitisch meerderheid begonnen invloed uit te oefenen op de islam, waardoor er een staatsislam ontstond. Dissidente stromingen, vaak juist die stromingen die potentie hadden om de islam te reformeren en te moderniseren, werden door deze overheden verboden. De stromingen die weerstand kunnen bieden zijn vaak radicaliseringen, die gebruik maken van geweld. Het zijn deze gewelddadigheden en de invloed van de overheid op de islam die zorgen voor een (stil) afscheid van de islam.

Samenzweringstheorieën
Wanneer moslims geconfronteerd worden met de extremistische kant van de islam of met de neergang van de islam hebben ze vaak de neiging om de schuld bij anderen te leggen: het is de schuld van het Westen of van de Joden. De aanslagplegers zijn geen echte moslims. De berichten over aanslagen zijn verzonnen door westerse landen om de islam in diskrediet te brengen. Het geloof in samenzweringstheorieën is breed onder moslims verspreid.

Vloek van de olie
Een extra complicerende factor is ‘de vloek van de olie’: de welvaart die de olie opbrengt de prikkel tot democratische vernieuwing achterwege blijft. Doordat de westerse landen deze olie nodig hebben worden ze ook door deze landen niet aangesproken op de schending van de mensenrechten.

Dubbele moraal van westerse landen
Blume sprak veel moslims die vinden dat de westerse landen een dubbele moraal hanteren: de Islamitische Staat wordt door een coalitie bestreden, terwijl met een net zo fundamentalisch regime in Saudi-Arabië vriendschappelijk banden bestaan.

Neergang
Ondanks de vele signalen die wijzen op de neergang van de islam is er in de westerse wereld een angst voor islamisering. Door het grote aantal kinderen dat ze zouden krijgen zouden ze op termijn de meerderheid in het westen krijgen. De islam bevindt zich ook in demografisch opzicht in een neergang.

Daling geboortecijfer
Een van de oorzaken voor de daling van het geboortecijfer is het gebrek aan vrijheid voor organisaties die niet vanuit de overheid zijn opgericht. Daardoor kunnen eigen organisaties die gericht zijn op gezinnen niet tot bloei komen. Ook de emancipatie van vrouwen en de stijging van het opleidingsniveau is een oorzaak. Door emancipatie en de stijging van het opleidingsniveau daalt het geboortecijfer en stijgt de uittocht.

Modernisering
Wat kan er gedaan worden om deze crisis tot stilstand te brengen? Allereerst onze afhankelijkheid van olie afbouwen. Daarnaast het stimuleren van opleiding en leesonderwijs. Een reformatie en modernisering van de islam van overheidswege is geen optie, omdat dan de scheiding van moskee en staat wordt geschonden. Beter is het om moslims in staat te stellen en uit te dagen om van binnenuit de islam te hervormen en te moderniseren.

N.a.v. Michale Blume, Islam in der Krise. Eine Weltreligion zwischen Radikalisierung und stillem Rückzug (Ostfildern: Patmos Verlag, 2017).