Preek zondagavond 14 juni 2020

Preek zondagavond 14 juni 2020
Schriftlezing: Psalm 42

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Nadat mijn schoonmoeder overleden was, liet ze een bijbel na.
In deze bijbel ontbraken enkele bladzijden van de berijmde psalmen.
Op die bladzijden die in deze bijbel ontbraken bevatte ook Psalm 42,
de lievelingspsalm van mijn schoonmoeder.
De bladzijden zullen uit de bijbel geraakt zijn
omdat deze psalm tijdens de kerkdiensten veel gezongen is
en waarschijnlijk ook omdat ze thuis deze psalm vaak opgezocht zal hebben.
Zeker toen ze, nog geen 50, met borstkanker te maken kreeg.
Ze zal het vijfde vers vaak opgezocht hebben, al kende ze die uit haar hoofd:
Maar de Heer zal uitkomst geven, Hij die ‘s daags Zijn gunst gebiedt
‘k Zal in dit vertrouwen leven en dat melden in mijn lied.
Dat vertrouwen heeft ze zo vaak gezocht, dat deze bladzijden losgeraakt zijn.
En niet alleen gezocht, maar ook gevonden:
Gods lof zingen in de nacht, zingen daar ik Hem verwacht
en mijn hart, wat mij moog’ treffen, tot de God mijns levens heffen.

‘In de psalmen kijk je de heiligen in het hart.’ (Maarten Luther)
Hij zal daarmee niet alleen bedoeld hebben, dat je in de psalmen ziet
hoe er over het leven van gelovigen allerlei stormen heen kunnen gaan
en hoe zij ook door diepe dalen gaan en dat ze daarin God kwijt kunnen zijn
en moeten zoeken en roepen naar God,
maar ook de Heere gevonden wordt in de donkere nachten die er zijn,
temidden van alle stemmen die het aan je vragen waar God is.
Hier in deze psalm wordt God gevonden in de herinnering en in het lied.
Midden in de nacht klinkt er een lied,
op het moment dat de dreiging het sterkst gevoeld wordt
en de ervaring dat God afwezig is op je neerdrukt,
is het lied, is bijvoorbeeld deze psalm er die je herinnert dat God er ook is,
Zelfs midden in de nacht en dat je dat tegen jezelf moet zeggen:
Hij heeft mij nu ook niet verlaten, al ervaar ik Hem niet
en al ervaar ik vooral een donkerheid en een leegte,
ik mag weten, ik mag erop vertrouwen dat de Heere weer van Zich laten horen.

Ook de herinnering voert naar God.
Eerst is de herinnering vooral pijnlijk, omdat toen God wel ervaren werd
en nu het niet mogelijk is om bij God te zijn,
Een heimwee naar de tijd dat je nog met anderen naar de kerk kon gaan,
dat er gezongen werd en dat je in de vreugde die er was en de zang die er klonk,
dicht bij God was,
zo dicht dat je ervoer dat je voor Gods aangezicht naderde,
dat je in de nabijheid van God kwam en merkte dat Hij er was.
Een pijnlijke herinnering, omdat het nu zo anders is,
en toch, die herinnering van toen, van Gods nabijheid destijds brengt weer bij God terug.
Het begint met het roepen naar God,
zoals een hert roept dat geen water kan vinden en dorst heeft
en hoopt dat er een ander hert is dat hem mee kan nemen naar water,
zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God.
Dat is geloven op bepaalde momenten: roepen tot God, omdat je Hem niet vindt
en je hoopt dat er iemand is, die je mee kan nemen, naar God toe,
die je kan laten zien hoe God toch in je leven aanwezig is, als jij Hem niet ziet.
Een dorst naar God.
Als je God mist, raakt dat je diep in je bestaan, maakt dat je van slag en kun je niet verder.
Er kunnen allerlei redenen zijn, waarom God er op dat moment niet is.
Het kan zijn door eigen onachtzaamheid: je hebt het leven met de Heere verwaarloosd.
Het kan zijn dat je door diepe dalen gaat, een crisis,
Waarin je niet gelijk de leiding van de Heere ervaart.
Maar nu wordt God wel gemist, als een dorst die niemand anders kan lessen,
dan God alleen met Zijn aanwezigheid.
En zolang Hij er niet is, moet je zoeken en als je Hem niet vindt en je zoekt tevergeefs
wordt het een roepen, tot iemand je meeneemt,
of in de hoop dat je roepen de hemel bereikt en God zelf naar je toekomt.
Juist in de afwezigheid van God, juist als je Hem niet ervaart, niet kunt vinden,
kun je erachter komen hoe belangrijk het is, dat je Hem in je leven hebt.
De levende God – de God van het leven.
De dorst is niet naar een willekeurige God, maar naar de enige God,
de enige die leven kan geven, de enige die er is, de enige die uw roepen kan horen.
Ik heb ooit eens gelezen dat in de bijbel over de levende God wordt gesproken
om het verschil met afgoden aan te geven.
Naar afgoden kun je roepen, maar ze horen je niet.
Je kunt ze voor je zien, maar ze zien jou niet.
Je kunt ze aanraken, maar ze blijven onbewogen bij de crisis die je doormaakt.
Je zoekt hen tevergeefs, ze kunnen je niet helpen, omdat ze niet bestaan.
De levende God kun je niet zien, maar je kunt Hem wel zoeken
en je kunt wel voor Hem komen, in Zijn nabijheid, in Zijn aanwezigheid,
verschijnen voor Gods aangezicht.
Zo God te hebben ervaren is in deze psalm een herinnering, een kostbare herinnering,
maar wel iets van vroeger.
Dat is nu niet meer. Nu is er alleen de dorst, nu is er alleen het verlangen dat onvervuld is.
Nu is er alleen die leegte, waarin je roept en niemand lijkt te horen.
Het wordt er niet makkelijker op, omdat er stemmen zijn, die je zwakke plek weten.
Die je raken, omdat je zoekt en God niet lijkt te vinden
en het tegen je zeggen, al spottend: waar is dan je God?
Je zoekt Hem en je vindt Hem niet. Wat zegt dat over jou?
Heeft God nog wel een plek voor jou? Is Hij je niet vergeten?
Heeft Hij je niet uit Zijn gedachten verdreven?
Nu je het zo moeilijk hebt en God er niet blijkt te zijn: Wat zegt dat over God?
Heb je tevergeefs op God gebouwd?
Kun je niet beter op zoek gaan naar een ander die je wel hoort?
Het kunnen mensen zijn die zelf weinig met geloof hebben
en niet kunnen begrijpen dat je het zoeken naar God niet opgeeft,
omdat zij geen idee hebben van hoe het is om bij God te zijn
en niet weten wat je mist als je God niet hebt.
Het kan een stem in jezelf zijn, een stem van iemand die tegen je zegt:
Dat is niet voor jou weggelegd. Beeld je maar niets in dat jij God gaat vinden.

Een herinnering aan vroeger, toen je onbezorgd kon zingen van Gods goedheid.
En er andere mensen om je heen waren in de kerk, met wie je samenzong.
Je zong mee met de gemeente die de lof op God bezong.
Je trok samen op, met in je hart Psalm 122:
Ik ben verblijd wanneer men mij, godvruchtig opwekt, zie wij staan
gereed om naar Gods huis te gaan.
Je kwam in Gods huis, daar was Hij te vinden.
Misschien was het wel een avondmaalszondag, waarop u God zo sterk hebt ervaren
toen u in de kerk was en ervoer hoe Christus voor uw zonden gestorven was
en wist: Hij is ook voor mij gegaan. Ook mijn zonden heeft Hij weggedragen op Golgotha.

Als dat toen kon, waarom nu niet meer?
Natuurlijk, er wordt veel gemist als je weinig andere kerkgangers ziet
en je zit alleen op de bank of met je gezin, zonder dat je de anderen kunt zien vanavond.
Maar als God toen kon werken, als je toen Zijn aanwezigheid kon ervaren,
Waarom nu dan niet? Dat is toch niet afhankelijk van een kerkgebouw,
al helpt het wel om in een kerkgebouw te zijn, samen te kunnen zingen,
het orgel te horen, met andere kerkgangers even te kunnen spreken.
Maar ook nu we als gemeente niet samen komen, kan God er zijn.
Er zijn momenten dat je als gelovige jezelf ook weer tot de orde moet roepen.
Dat je jezelf moet wijzen op God,
jezelf eraan moet herinneren dat wat de Heere toen kon doen, dat Hij dat net zo kan doen.
Waarom dan die onrust? Geloof je niet dat God de wereld leidt?
Geloof je dan niet, dat de Heere u ziet?
Denk je nu echt dat je aan de aandacht van de Heere ontsnapt,
dat je uit Zijn hand gevallen bent en dat er niemand is die je opvangt.
Wat buigt u zich neer mijn ziel en bent u onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem weer loven voor de volkomen verlossing van Zijn aangezicht.
Het bijzondere van deze psalm is dat het een tweegesprek is,
een dialoog van binnen, die je als mens met jezelf voert.
Aan de ene kant de twijfel die er soms kan zijn, het kwijt zijn van God,
die ervaring van vroeger zo missen, toen je zo dicht bij God was en nu niet meer
en tegelijkertijd aan de andere kant jezelf aanspreken, toespreken:
Hoe diep ik ook ga, God is aan mijn zijde
en ik mag op Hem hopen. Hij zal mij kracht geven, Hij zal mij uitredden.
Ik ken God en ik weet dat Hij mij niet laat zitten, want dat heeft Hij nooit gedaan.
Als ik aan de bijbel van mijn schoonmoeder denk,
dan is dat een tastbare herinnering dat ze zo de Heere steeds heeft gezocht en gevonden,
niet alleen omdat er bladzijden ontbreken, maar ook omdat je ziet dat hij veel gebruikt is.
Zo zal ze de Heere hebben gezocht en gevonden, als ze weer voor een chemokuur stond,
of als ze weer een boodschap kreeg dat het niet goed ging
en ze wist dat er een moment zou aanbreken dat ze afscheid moest nemen
van haar man, van haar kinderen en kleinkinderen.
Hoop op God – ook dan, want dan zal Hij ook voor hen zorgen en hen dragen,
zoals ze zichzelf gedragen wist door haar Heere.
Volkomen verlossing, misschien niet hier in dit leven,
maar wel in het leven in Gods heerlijkheid, omdat God Zijn Zoon had gezonden
die de schuld had betaald, een nieuw leven heeft verworven en toegang bood.
Ik zal Hem weer loven, omdat ik dat vooruitzicht heb.
Omdat ik weet dat als mijn leven hier ten einde gaat er een toekomst is,
een eeuwige toekomst bij de Heere,
waardoor ik mij kan overgeven in Zijn handen.
Hoe mijn leven verloopt, door welke dalen ik moet gaan, wat ik nog moet meemaken:
Het is goed zo, omdat het de Heere is Die mijn leven leidt.
Hij weet wat goed voor mij is.

Dat geloof hebben we niet altijd. We kunnen dat ook geregeld weer kwijtraken.
Zo is deze psalm heel realistisch in de verwoording
dat we geregeld heen en weer geslingerd kunnen worden:
De ene keer het vertrouwen en het geloof dat het goed komt en we geborgen zijn
en de andere kant weer dat gemis, de heimwee, God die ver weg lijkt.
Net of je een balling, ver bij God vandaan –
Ik denk aan u vanuit het land van de Jordaan: verder weg kan ik niet zijn.
Meer bij U vandaan kan niet. De uiterste grens.
De vraag is of ik nog ooit terug kom bij de Heere.
Weet Hij waar ik zit? Kan Hij mij hier vinden?
Hier lijken er andere machthebbers te zijn.
De duivel die je geloof aanvalt en die sterk je in de macht lijkt te krijgen.
De pijn die je doormaakt omdat je lichaam niet meer wil.
De zorg die je hebt omdat je weet dat je ziek bent geworden.
Die zorgen en die pijn, die worstelingen kunnen je doen lijken
dat andere machten sterker zijn dan God, als machtige bergen opdoemen.
De berg Hermon, de berg buiten Israël, die ook claimt een berg te zijn
waarop een god woont die de wereld lijkt te beheersen
en de Heere buitenspel lijkt te hebben gezet.
Als die zich sterk voordoet, lukt het niet om jezelf bij God terug te brengen,
om jezelf tot de orde te roepen en te herinneren dat God er zal zijn,
voor je zal zorgen en je zal dragen, dat wat er ook gebeurt het goed is,
omdat je in Gods hand bent.
Je ziet alleen maar wat anders. Je ziet jezelf heen en weer geslingerd.
Je ervaart niets van God, maar wel golven die over je heen slaan,
die op je leven inbeuken, die je alle houvast benemen.
Het kan er zelfs op gaan lijken dat God zich tegen je keert:
al Uw baren en Uw golven zijn over mij heen gegaan.
Hier wordt de ervaring verwoord dat de hele wereld vergaat,
de chaos de baas lijkt te zijn in de wereld,
of zelfs dat God je van Hem af wil duwen en je niet wilt redden,
Dat je weggedreven wordt op krachtige golven bij God vandaan.

Als de nood op het hoogst is, is de redding nabij.
Maar de Heer’ zal uitkomst geven.
Het maar dat de gelovige houvast geeft en vertrouwen,
omdat je leven geen speelbal is van allerlei machten,
maar dat je leven geborgen is in de God die hemel en aarde schiep,
Die de machten die er zijn beheerst en in toom houdt.
Want Hij spreekt en het is er. Híj gebiedt en het staat er.
God zegt: tot hier toe. En dan heeft elke macht te gehoorzamen.
Ze kunnen niet over de grens die de Heere trekt.
Ik zal Zijn lof, zelfs in de nacht, zingen daar ik Hem verwacht.
Zingen is iets bijzonders.
Zingen is geloven dat de stormen in je leven niet het laatste woord hebben,
maar dat er een God in de hemel is, de levende God, die alles in Zijn hand heeft.
Zelfs in de nacht, waarin je alles lijkt kwijt te raken, waarin er geen toekomst lijkt te zijn,
kun je van deze God zingen, omdat Hij uitkomst geeft.
Zijn gunst gebiedt, zingt de berijming die we zingen. Overdag genadig is.
Je niet los laat, je vergeeft, je in Zijn gemeenschap opneemt, bergt in Zijn trouw.
Dat geloof kan alleen de Heere je geven.
Maar je kunt er wel wat voor doen. Zeker op momenten dat het goed met je gaat.
In mijn eigen bijbel, waarin ik aantekeningen schrijf bij teksten,
kwam ik een aantekening tegen, wat ik eerder in een boek had gelezen:
In de nacht over en tot God zingen kan alleen diegene die zingt
en die in vroeger tijden heeft geleerd om de gemeenschappelijke ervaring met God
door zang en muziek uit te drukken.
Dat vertrouwen voeden hoeft niet pas als je het moeilijk hebt.
Het begint ermee dat je dat geloof en vertrouwen voedt op moment dat je daar tijd voor hebt
en niet pas als je midden in de crisis zit.
Dat je weet hoe je God kunt vinden en dat je die ervaring koestert en onderhoudt.
Dat is geen garantie dat je de Heere in een crisis gelijk vindt, maar het scheelt wel.
Het begint al heel klein: dat je elke dag bij het opstaan de tijd neemt,
al is het een minuut, om te beseffen dat je deze dag van de Heere krijgt,
de schepper van hemel en aarde, dat je ook deze dag, wat er ook komt, geborgen bent,
dat je deze hele dag die volgt met deze God te maken hebt,
zoals Hij je ook in de afgelopen nacht beschermd en behoed heeft.
Het is belangrijk dat je mensen om je heen hebt, die je dit voorleven,
Dat je soms heel tastbaar iets hebt, zoals een bijbel die laat zien
hoe iemand met de Heere heeft geleefd en de Heere steeds heeft gezocht.
Zodat je weet dat jij, dat u dat ook kunt: de Heere vinden in die nacht
en dat je kunt zien hoe die gunst, die genade er overdag is
en dat je weet, dat wat je overkomt, je weet dat je een God hebt.
En mijn hart, wat mij moog’ treffen, tot de God mijns levens heffen.
Amen

Psalm 82

Psalm 82

Psalm 82 is een bekende psalm in de uitleg van het Oude Testament, omdat er gesproken wordt over de raad van goden die in de hemel bij elkaar komt. Uit de omringende culturen is zo’n raad van goden bekend. Net als de aardse koning had de hemelse hoofdgod een hofhouding, waarbij allerlei lagere goden als adviseurs en uitvoerders aanwezig waren om de troon van deze god. In deze psalm wordt zichtbaar dat het Oude Testament oud-oosterse kenmerken heeft.

De vraag bij deze psalm is: gaat het om hetzelfde fenomeen: rondom God een raad van lagere goden? Dat is om twee redenen een vraag:
– Men geloofde in het oude Israël toch dat er maar één God is? Waarom kan men dan spreken over een raad van goden?
– Als dit bij andere, omringende goden bekend is, heeft het oude Israël dan iets van hen overgenomen? Met andere woorden: is men beïnvloed door de omringende Kanaänitische godsdiensten?

In de uitleg wordt er vaak gekozen voor 3 opties:

  1. In deze psalm gaat het om de dood van de goden, die hun plicht als goden niet nagekomen zijn.
  2. In de psalm gaat het om aardse rechters die geen recht spreken en aan hun einde komen.
  3. De keuze is een verkeerde, omdat bij onderdrukking door aardse machthebbers er altijd goden achter hen staan en bij goden die hun aardse plicht niet nakomen dat altijd tot uiting komt door middel van aardse machthebbers.

Wie is er in deze psalm aan het woord?
Een belangrijke vraag bij deze psalm is wie er aan het woord is. Duidelijk is dat in vers 8 een mens aan het woord is. Meestal wordt aangenomen dat in het begin de God van Israël aan het woord is. Het is echter ook mogelijk om er vanuit te gaan dat in de hele psalm er een mens aan het woord is.

Gaat deze psalm over de God van Israël?
Meestal wordt in het Oude Testament de God van Israël aangeduid als HE(E)R(E). In deze psalm ontbreekt deze naam. De vraag is of deze psalm wel over de God van Israël gaat. Omdat deze psalm in het boek van de Psalmen is opgenomen mag je daar toch vanuit gaan. Er zijn ook wel meer psalmen waar niet over HEER, maar over God gesproken wordt. Blijkbaar maakt dat in poëtische teksten als de psalmen niet uit.

Wat doet de God van Israël in deze psalm?
In deze psalm wordt niet verteld dat de God van Israël de raad van de goden voorzit. Dan zou hij zitten. Aangezien hij staat, heeft hij de rol van aanklager. Hij klaagt de andere goden aan dat zij hun taak niet nakomen. De God van Israël roept hen ter verantwoording.

Waarom wordt er over de raad van goden gesproken?
Het is vreemd dat er over een raad van goden gesproken wordt, omdat in veel gevallen het Oude Testament ervan uit gaat dat er maar één God is. De andere goden kunnen wel in de gedachten van mensen bestaan en worden wel vereerd, maar ze zijn lucht en leegte, hebben oren maar horen niet.
Hier wordt over de raad van goden gesproken omdat de andere goden worden aangeklaagd. Die goden staan symbool voor de landen om Israël heen, die allemaal hun eigen beschermgoden hebben. Deze goden worden door de God van Israël aangeklaagd voor hun onverschilligheid en wreedheid.
Het gaat hier niet om een abstract of leuk theorietje over goden in de hemel, maar het gaat hier wat er op aarde gebeurt. De psalm staat in de buurt van psalmen die spreken over de inval van andere volken in Israël (Psalm 74, 79, 80). Israël heeft te lijden onder het geweld van de andere goden, omdat hun onderdanen in Israël huishouden. Terwijl het de taak voor een god is om te zorgen voor de armen, de weduwen en andere kwetsbaren in het land (vers 3-4)
Doordat de goden hun taak niet nakomen is de gehele wereld in gevaar: het is duister en de fundamenten van de aarde wankelen. In het Oude Nabije Oosten was er een verband tussen het slechte gedrag van de mensen en het voortbestaan van de wereld: door slecht gedrag (onderdrukking, uitbuiting, oorlog, plundering) raken de fundamenten uit het lood en dreigt de wereld in te storten. De goden doen niets. Nu moet de God van Israël wel ingrijpen. met het einde voor die andere goden als gevolg. Zij stortten ter aarde. Zij verliezen hun macht en hun einde is nabij. Het einde van een god wordt zichtbaar in het einde van een rijk of dynastie. Hoe machtig de landen zich nu tonen (en daarmee hun goden), het einde van die wereldrijken komt er aan en wordt door de God van Israël bewerkstelligt.

Psalm 82 gaat dus over de val van de wereldrijken vanwege hun geweld. Dat wordt verteld in de vorm van goden die hun onsterfelijkheid kwijt raken. Het gaat dus om het tegenovergestelde van apotheose: hoe machtig een wereldrijk is, er komt een einde aan als de God van Israël dat bepaalt.

Een vergelijkbare tekst is: Jesaja 14, waar de val van het rijk van Babylon wordt verteld als een val van de god van Babylon uit de hemel. De zo onsterfelijk geachte god valt van zijn hemelse troon en komt in het dodenrijk terecht. Zijn we daar altijd zo bang voor geweest, vragen de anderen in het dodenrijk zich verbaasd af.

 

Preek zondagavond 28 april 2019

Preek zondagavond 28 april 2019
Schriftlezing: Psalm 30

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Met Pasen vieren we dat Jezus is opgestaan uit het graf, dat Hij de dood overwon.
Hij was sterker dan de dood. Het graf kon Hem niet vasthouden.
Dat Hij de dood overwon en sterker is dan de dood, heeft ook voor ons betekenis.
Wie in Christus gelooft, zal eens opstaan uit het graf en een nieuw leven ontvangen.
Zoals Jezus een nieuw, een verheerlijkt lichaam kreeg,
zullen ook wij een nieuw, verheerlijkt lichaam ontvangen.
Dat zal later zijn, als Christus terugkomt en ons uit het graf zal doen opstaan.
Ook als we hier nog op aarde leven, kan God laten zien dat Hij sterker is dan de dood.
We zingen dat graag:
Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naadren van de dood volkomen uitkomst geven.

Van zo’n ervaring zingt Psalm 30 ook: de dood in ogen gezien,
het had niet veel gescheeld of er moest afscheid genomen worden van het leven.
Met één been in het graf
En dan ook nog eens onverwacht: : in mijn zorgeloze rust zei ik, dat ik niet zal wankelen.
Als je onverwacht opeens stil gezet wordt, moet ervaren dat je leven kwetsbaar is,
dan is dat vaak een hele schok.
Als je altijd goed gekund hebt en je krijgt opeens gezondheidsklachten,
kan dat hard aankomen, helemaal van slag zijn.
OF als je jong bent en nog allerlei plannen hebt en allerlei idealen,
dan weet je ergens wel dat je geen eeuwig leven hebt
En dat het ooit een keer ophoudt, maar als je altijd goed kunt,
schuif je die gedachte voor je uit. Dat komt later wel.
Totdat er opeens wat gebeurt, iets onverwacht, met jezelf of met iemand anders.

Hier in deze Psalm is ook iemand aan het woord, die er ook niet op gerekend had
en een crisis overvalt hem en alle zekerheid die hij had, bleek niets te zijn.

in mijn zorgeloze rust zei ik, dat ik niet zal wankelen.
Iemand die het leven neemt als een vanzelfsprekendheid.
Vanzelfsprekend ben ik gezond. Dat hoort bij mijn leeftijd.
Vanzelfsprekend bruis ik van energie. Dat hoort bij deze levensfase.
Vanzelfsprekend dat ik alles kan.
Ook het geloof kreeg iets vanzelfsprekends: God is er.
Je bidt om Gods zegen en Hij geeft die.
Je hebt het goed en daarin mag je de zegen van God zien,
als bevestiging dat je op de goede weg bent.
Mij kan niet gebeuren – dat zeg je vaak als je in de kracht van je leven bent,
Als je merkt dat allerlei plannen hebt, die je ook tot uitvoer kunt brengen.
Je denkt bij jezelf: Ik kan de hele wereld aan.
Alleen als het vanzelfsprekend gaat worden, dan ga je denken dat het altijd zo zal zijn
Het leven zoals je hebt als vanzelfsprekend nemen,
Dan denk je er niet over na dat het wel eens anders zou kunnen zijn.
Realiseert u zich wel eens, dat je leven zoals je nu hebt, helemaal op de kop kan staan?
En ben jij je ervan bewust dat je leven wel eens helemaal kan veranderen
Als je vader ziek wordt, of je leven heel anders zou zijn als je een beperking zou hebben
en alles wat je nu kunt doen helemaal niet zo vanzelfsprekend is?
Hoe zou je erop reageren?

Hier in deze psalm verwoordt David, dat hij er niet op bedacht was
en dat toen alle vanzelfsprekendheid uit zijn leven weg was
hij in een diepe crisis belandde: in een donker gat viel.
Hij spreekt over een graf, een kuil waarin hij terecht gekomen is.
David spreekt over de Sjeool, het dodenrijk.
Dat is ongeveer het ergste wat je kan overkomen,
want dan ben je afgesneden van alles en iedereen, onbereikbaar en je kunt niet meer terug.
Het is een duister waarin je gevangen wordt gehouden,
Waarin alles wat je hebt afgebroken wordt, er blijft niets van je over.
In de psalmen wordt geregeld verwoord, dat je daar zo diep weggezonken bent,
dat je voor je gevoel zelfs niet meer door God bereikt wordt
En dat als je roept naar God je het idee hebt dat je stem gesmoord wordt
en je noodkreet niet aankomt bij God.
Het aangrijpende hier is dat deze crisis door God gestuurd wordt.
Je kunt dat lang niet van alle crises zeggen.
Vaak weet je niet, waarom je iets overkomt, waarom je zo in een donker gat valt.
Hier heeft het te maken met die vanzelfsprekendheid,
vergeten dat je leven een geschenk is, dat Hij dit alles heeft gegeven,
dat wat je hebt aan gezondheid en kracht van de Heere komt,
dat Hij de basis van je leven is.
De crisis heeft hier een oorzaak: toen U Uw aangezicht verborg.
Dat is een huiveringwekkende ervaring,
want dat is zoiets als dat God zich uit je leven terugtrekt en je loslaat
en wat blijft er dan van je over?
De grond valt onder je voeten weg, er blijft niets meer van je over.
Alle bescherming is weg.
Waarschijnlijk moeten we denken aan een ernstige ziekte.
Iemand die kerngezond is, getroffen wordt door een virus of bacterie,
Waardoor hij opeens moet vechten voor zijn leven en hij zo hard achteruitgaat
Dat je je afvraagt of iemand het nog haalt.
Het gaat hier in deze psalm om een crisis waarin alles afgenomen wordt:
gezondheid, vertrouwen in jezelf en zelfs geloof en zelfs de aanwezigheid van God.
Want het graf, de kuil waarin hij dreigt weg te zinken, het dodenrijk,
dat is een gebied waar God niet komt, waar je onbereikbaar bent voor God.
Althans, dat is een gedachte die vaker opduikt in de psalmen.

Toch vanuit de plaats waar David onbereikbaar was voor God, zo was zijn ervaring,
komt zijn noodkreet toch bij God aan en hij werd door God vastgepakt en eruit getrokken.
Dat is al een eerste teken van Pasen:
dat je als mens ook in de diepste duisternis niet onbereikbaar bent voor God,
dat Hij je eruit omhoog kan trekken en je met beide voeten op de grond kan zetten.
Dat de duisternis niet meer de macht over je heeft
En dat de gevangenis, waarin je gevangen zat, open blijkt te zijn:
uit het graf gered, uit de kuil omhoog getrokken. Uit het dodenrijk uitgeleid.
Al wordt de naam van Christus hier niet genoemd,
we kunnen hier wel iets zien van wat Pasen betekent:
Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood volkomen uitkomst geven.

Dat roept wel de vraag op: als Davids gebed in de hemel aankomt
en God aanzet tot redding van David, hoe zit het dan met de andere gebeden,
die ook opgezonden zijn, maar die niet verhoord zijn.
Of de momenten waarop er geen tijd meer was voor gebed, zelfs geen schietgebed,
zoals de drie kerken die afgelopen zondag, die tijdens de paasdiensten,
tijdens de viering van de opgestane Heer, werden getroffen door aanslagen.
Ik denk dat iedereen hier wel kan aanvullen met verhalen
over iemand uit je eigen familie- of vriendenkring.
Het is beide waar: die kleine lichtpuntjes, waarmee er iets van Pasen zichtbaar wordt.
Iemand die ernstig ziek is en moet vrezen voor haar leven
en toch onverwacht er bovenop komt of nog een tijd krijgt om te leven,
na een ernstig hartfalen toch weer opknapt en weer mag opkrabbelen.
Tegelijkertijd is dat andere waar: dat er anderen zijn voor wie het te laat was,
die het niet overleefden.
Het wonder en de tragedie – ze zijn allebei waar,
waarbij het wonder ons hoop geeft, iets laat zien van de opstanding van Christus
en de tragedie iets laat zien van de wereld die nog zucht.
De worsteling die er kan zijn, een roepen naar God: Hoor, Heere, red mij,
laat mij niet neerzinken.

Hier in deze psalm wordt verhaald van het wonder, de uitredding,
God die vastgrijpt en optrekt.
Er gebeurt meer dan redding alleen.
De relatie met de Heere wordt hersteld.
Het wordt heel subtiel verwoord en je zou er bijna overheen lezen.
Met het vastgrijpen en omhoogtrekken brengt God David niet terug in zijn vorige leven
dat voor hem vanzelfsprekend was.
Het is niet de bedoeling dat David zijn vanzelfsprekende leven verder voortzet.
Er moet wel iets veranderd zijn, namelijk dat vanzelfsprekende weg.
DAt David zijn lesje geleerd heeft, kunnen we zien aan hoe hij God aanspreekt.
Hij zegt: Heere, mijn God: vers 3, vers 13.
In de duisternis die hem overviel, de crisis waar hij in raakte,
begon het hem te dagen dat hij God kwijt was, dat God zich verborgen hield.
Hij miste God in zijn leven.
Dat was de reden waarom dit hem overkwam.
De Heere kan soms voor ons gevoel een harde manier kiezen om te komen in ons leven.
Dat doet Hij niet bij iedereen, maar Hij kan het wel.
Als we zelf een heel leven opgebouwd hebben,
dat zo vanzelfsprekend is dat we er geen plek voor God hebben,
kan Hij dat vanzelfsprekende leven afbreken.
Niet omdat Hij een hekel aan ons heeft, maar omdat Hij ziet
dat het vanzelfsprekende leven een luchtkasteel is,
dat we ons iets voorspiegelen, dat helemaal geen waarde, geen houvast heeft.
Hij breekt dat af, niet om een leven met leegte te geven,
maar om ons op Hem te bouwen, om ons echte vastigheid te geven,
een fundament onder ons bestaan.
De vreugde die hier verwoord wordt, is niet alleen een vreugde om langer te mogen leven,
om te merken dat God inderdaad kan, wil en zal redden van de dood.
Het is de vreugde om God weer terug te hebben, om van Hem te zijn
om te kunnen zeggen: mijn God, we zijn weer samen.
Vanuit die ervaring wil David opnieuw beginnen met zijn leven.
In vers 1 staat dat dit lied geschreven is voor de inwijding van Davids huis.
Zijn huis moet aan God gewijd worden.
Dat kan een huis van hout of steen zijn dat net is afgebouwd.
Dat gebeurt in bepaalde christelijke tradities wel,
dat bij de bouw van een huis of bij de intrek in een nieuw huis
dat nieuwe huis wordt ingewijd met Gods zegen of met gebed.
Hier gaat het allereerst om de inwijding van een huis van hout of steen.
Maar vanuit de ervaring dat hij weer opnieuw mag beginnen,
dat hij van de Heere een tweede kans krijgt, wil hij zijn hele bestaan aan God wijden.
Waar ik thuis ben, dat is niet meer van mij, maar van U.
Vanuit het besef dat wat ik heb, heb ik alleen maar gekregen van U.
Het is een geschenk. Het is niet van mijzelf. Ik heb het hooguit in bruikleen gekregen
en als U het terug vraagt moet ik het zonder mankeren terug kunnen geven.

Een andere manier om te oefenen in het besef dat je leven niet vanzelfsprekend is,
maar dat wat je gekregen hebt van de Heere komt
En dat kun je oefenen door God te loven: Uw naam wil ik groot maken, prijzen.
Loven heeft twee kanten: het is allereerst aan God gericht, dankbaarheid naar Hem toe.
Loven is ook gericht aan de gemeenschap: je roept anderen op om in te stemmen,
mee te doen, zodat zij ook zien dat wat ze hebben van God hebben.
Dat ze niet een crisis nodig hebben om te weten te komen wie God is
en welke plek Hij in je leven inneemt.
Loven is ook vertellen: wat God doet. Dat Hij je heeft gered.
Dat jij in je eigen leven een glimp van Pasen mocht opvangen,
Dat je zelf mocht ondervinden wat Pasen kan betekenen.
Dat je het leven terug krijgt en door Gods genade opnieuw mag beginnen.
Er is verandering gekomen in je leven, door God.
Van verdriet in vreugde, van toorn in liefde, van tranen in gejuich,
de klacht weggenomen en nu kun je dansen van vreugde.
Je hoeft geen rouwkleed meer te dragen, niet meer te treuren,
omdat de tranen zijn gedroogd en het rouwkleed voor een mantel van vreugde is ingeruild.
Geen afstand meer tot God, maar Heere, mijn God.
Niet meer God die Zijn aangezicht voor je verbergt en je in het diepe stort,
maar de Heere, die Zijn hand uitsteekt en je omhoog tilt en een hernieuwd leven geeft.
Niet meer de vanzelfsprekendheid, maar de wetenschap: U hield mij in het leven.
Wat gebeurd is, de donkerheid, de crisis hoeft niet weggestopt te worden,
maar wordt mee doorverteld, maar wel binnen het grote verhaal,
dat God in liefde en zorg op ons leven betrokken is,
Zijn liefde die een echo vindt in ons, opgevangen en beantwoord wordt.
De Psalmen zijn het antwoord van Israël op wat God doet.
Hier is het antwoord: dankbaarheid.
Hier is het antwoord: nooit meer vergeten dat het leven eens zo vanzelfsprekend was
dat er geen plek meer voor God was.
Nooit meer vergeten dat wanneer God zich terugtrekt er niets meer van me overblijft.
OOk altijd blijven herinneren, dat hoe diep ik ook zink, Hij neerdaalt om mij te redden.
Hij ging zelf het graf in, liet zich binden, ging de duisternis binnen,
om die macht te breken en een weg eruit te banen.
Legde ik mij in het rijk van de dood, ook daar bent U.
Overal waar ik ben, elke plek op deze aarde is een plek waar GOd kan komen
waar Hij machtiger is dan welke vijand ook, sterker dan de dood, de duivel of welke macht.
De psalm eindigt met een persoonlijke vreugde – ik hoop dat het ook uw vreugde is:
Mijn ziel zal voor U zingen en niet zwijgen. Heer, mijn God ik wil U eeuwig loven.
Amen

Preek zondagmiddag 17 februari 2019

Preek zondagmiddag 17 februari 2019
Dienst met medewerking van Christelijke Muziekvereniging Concordia
Schriftlezing: Psalm 118

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het loven van God is niet iets dat je in je eentje doet.
Je betrekt er anderen bij: Loof de Heer.
Een oproep om mee te doen in het loven van God.
Je wilt niet de enige zijn die onder de indruk is van de Heere
en je wilt alleen staan in het bezingen van God,
Want Hij is het waard dat er velen zijn die de Heere loven.
Want Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw.
Iedereen moet instemmen met de ervaring die je hebt opgedaan,
dat God goed is en dat aan Zijn trouw nooit een einde komt.
Heel Israël moet er in meestemmen, dat God goed is en Gods trouw nooit eindigt.
Israël, dat vanuit de eigen geschiedenis kan vertellen over Gods goedheid
en verhalen te over heeft om te vertellen van Gods trouw.

De priesters, die dag in dag uit in de tempel mogen werken
en dicht bij God mogen zijn, vrijgesteld om Hem te dienen met hun werk,
ze worden opgeroepen
om het dienen van God in de eredienst van de tempel niet tot een formaliteit te laten worden
maar om het met hart en ziel te doen, met vreugde om de God die ze mogen dienen:
de goedheid van God is niet alleen maar iets dat je in de tempel ervaart,
maar in alles om je heen, in de schepping, in je eigen leven, in de wereld
kun je steeds weer opnieuw opmerken dat deze wereld geschapen is
door God die alleen maar goed is
– goedheid is Zijn karakter en goed was de wereld toen Hij deze wereld schiep.
Steeds weer opnieuw mag je ervaren
dat je voor altijd geborgen bent in Zijn trouw, Zijn goedertierenheid.
Je kunt niet uit Zijn hand vallen. Daarom: doe mee in de lof op jouw en onze Heer.

Het loven van God is niet iets dat tot de kerk of tot de tempel beperkt mag blijven.
Ook daarbuiten, bij degenen die er van oudsher niet mee opgegroeid zijn.
Dat is namelijk van de derde groep
die na het volk Israël en de priesters uitgedaagd worden om mee in te stemmen met de lof
de gedachte: dat zijn mogelijk degenen die er niet van huis uit mee zijn opgevoed.
Die later in hun leven met God in aanraking gekomen zijn
En onder de indruk zijn geraakt en zijn gaan geloven.
Of je er nu van huis met opgegroeid bent en de verhalen over God hebt meegekregen,
dat je het in je opvoeding hebt meegekregen
dat God goed is en dat je altijd mag rekenen op de trouw van God,
of dat je dat later ook hebt mogen ontdekken en bent gaan geloven:
Iedereen wordt opgeroepen om God te loven,
zodat heel de aarde vol is van de lof op God.

Dat loven van God – is dat nu iets wat je doet als je in de stemming bent?
Als je een dienst hebt met een orkest en waarin je veel liederen zingt?
Stemming kan best uitmaken.
Het valt mij altijd op aan het einde van de winter, als de eerste lentedagen komen
alle mensen gelijk vrolijker zijn, uitbundiger.
Dan ben je misschien wel makkelijker mee te nemen in het loven op God
En geef je wellicht eerder gehoor aan de oproep om God te loven.
Toch gaat het bij het loven van God om meer dan een bepaalde stemming.

Ik kwam dat tegen bij de Duitse theoloog Claus Westermann.
Deze Claus Westermann heeft zich veel met het Oude Testament bezig gehouden
En een van de thema’s uit het OT waar hij mee bezig was, was het loven van God.
In zijn boek over het loven van God in de Psalmen begint hij ermee
door te zeggen dat het loven van God de kerk weer bezig hield.
Het waren juist de moeilijke tijden van de Tweede Wereldoorlog
En voor de Duitse kerk de tijd ervoor, toen Hitler aan de macht gekomen was
En velen in de verleiding raakten om daarin de hand van God te zien,
die tijd was voor de Duitse kerk al een moeilijke tijd,
maar juist in die tijd ontdekte de kerk volgens Claus Westermann weer het loven van God.
Na de oorlog werd een verzameling van brieven uitgegeven,
Die geschreven was door predikanten die in de gevangenis gezeten hadden.
De titel van die uitgegeven brieven was En zij loofden God.
Een andere predikant gaf gedichten uit van de periode 1933-1945
En die bundel gaf hij de titel mee Lof uit de diepte.
Juist de tegenstand waar de kerk mee te maken kreeg,
Zorgde ervoor dat de kerk weer uitkwam bij het loven van God.
Westermann wist overigens waar hij het over had.
Hij was als predikant lid van de groep kerken die zich verzette tegen Hitler,
wat hem in die tijd al verdacht maakte.
diende in de Tweede Wereldoorlog als soldaat
en zat als krijgsgevangene een aantal maanden in een Russisch kamp.
Om zich bezig te houden, verdiepte hij zich in de psalmen.
In zijn voorwoord van zijn boek over het loven van God in de psalmen schrijft Westermann:
Hier en daar ervoeren gemeenteleden onder de zware druk van het gebeuren
dat zij niet alleen het geduld leerden
en zich eerden om zich te voegen in wat hen werd opgelegd,
maar dat zij onder de hun opgelegde last – ondanks alle aanvechtingen –
in staat waren om God te loven.
Voor iedereen die dat meemaakte was dat een ontdekking.
Westermann gaat erop door: de lof op God die in moeilijke omstandigheden opkomt,
zorgt ervoor dat je niet meer alleen staat,
maar dat je onderdeel bent van een gemeente, een gemeenschap
Loof de Heer, want Hij is goed. Want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

Dat zijn dus niet alleen woorden, die klinken om een mooie dag in februari,
waarbij de lentezon alles weer tot leven wekt
en laat weten dat het met de kou en de regenachtige dagen voorlopig gedaan is.
Juist de ervaring dat alles in je leven op het spel staat  en je alles kunt kwijtraken
die je brengt tot de lof op God.
Uit de benauwdheid heb ik tot de Heere geroepen. horen we in de psalm.
Een nare ervaring, waarbij je geen lucht meer hebt om te ademen en dreigt te stikken.
Ik hoorde een keer iemand in het ziekenhuis zeggen:
‘Benauwdheid is erger dan pijn. Want bij pijn kun je nog pijnstillers nemen,
maar bij benauwdheid weet je niet waar je het moet zoeken.’
Ik heb ook de verhalen gehoord van mensen met longproblemen
die ‘s morgens voor dag en dauw al hapten naar adem
en dan moest de dag nog beginnen.
Een gebrek aan lucht en ruimte – benauwdheid.
Later in de psalm wordt die ervaring concreter gemaakt:
Oorlogsgeweld, een omsingeling, waarbij er geen ontsnappen meer mogelijk is
en de vijand vol dreiging op je afkomt.
Dat is het moment, waarop de lof geboren wordt,
Was het inzicht dat Westermann had opgedaan.
Dat inzicht doe je niet op door met elkaar te discussiëren,
Want daar is geen tijd voor, je kunt alleen maar roepen, roepen om God
dat Hij komt helpen: Uit de benauwdheid heb ik tot de Heere geroepen.
Daar in de benauwdheid wordt de lof geboren,
niet in de zin dat je dan al kunt loven, daar heb je dan geen adem voor,
maar wel, dat als je zelf geen uitkomst meer ziet, als alles verloren lijkt
dat God er dan is, en je eruit helpt en je het leven teruggeeft.
Want dat roepen was niet tevergeefs,
het was geen loze kreet, in het heelal geslingerd uit onmacht,
maar gericht aan de Heere, die het ook hoorde en daadwerkelijk kwam.
Dat is kenmerk van geloof, zo gaan de gelovige en God met elkaar om:
de gelovige roept tot God en om God en de Heere antwoordt,
de Heere laat Zijn trouw en goedheid zien en de gelovige looft de Heer.
God is goed.
Eigenlijk kun je het niet onder woorden brengen.
God is goed – dat zeggen is eigenlijk maar een stamelen, een zoeken van woorden
om aan anderen te beschrijven hoe wij God ervaren:
God is goed – het is een lof op Gods karakter: zo is God.
Zo laat God zich zien en zo heb ik Hem zelf ook mogen ervaren.
En het is niet alleen maar mijn eigen ervaring.
Het wordt ook in de verhalen in de Bijbel zo verteld,
Het is door veel gelovigen voor mij zo ervaren, ze hebben die ervaringen doorverteld
En zelf mag ik het ook ervaren: Gods goedheid en Gods trouw.
En ik wil mee kunnen zingen over Zijn goedheid en over Zijn trouw,
omdat zij daarmee kunnen instemmen en dat ook zelf mogen ervaren.
Loven doe je niet in je eentje. Je betrekt er anderen bij.

Maar wat als je net als Thomas bent, die Jezus nog niet heeft ontmoet
op de eerste avond van Pasen, toen Jezus aan Zijn discipelen verscheen
en daarom het geloof niet heeft?
Toch nodigen ze Thomas weer uit, zodat Hij er de volgende keer er wel bij is
en Hij Jezus mag ontmoeten, opgestaan uit de dood.
En zo heeft Hij zelf die ervaring ook, dat Jezus inderdaad leeft
en zijn verdriet wordt van hem afgenomen, Thomas gelooft
en kan wel zingen van vreugde: Loof de Heer, want Hij is goed.
Zelfs de dood kan Zijn trouw en goedheid niet beëindigen.
Voor altijd geborgen in Gods trouw.

In de uitleg wordt God is goed verbonden aan de schepping,
God zag wat Hij geschapen had en zie het was goed.
De goedertierenheid, de trouw zou dan op de geschiedenis van Israël wijzen.
God gaat met Zijn volk mee:
Vanaf dat Hij deze wereld geschapen had,
Abraham die werd uitgekozen als vader van een volk dat God zal dienen,
God die dat volk uit Egypte bracht, door de woestijn, in Kanaän.
Loof de Heer, want Hij is goed, Want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
Loven is vol verwondering opzien naar God,
onder de indruk van hoe Hij alles heeft geschapen: Hoe groot zijt Gij!
In het zingen worden we meegenomen in de verwondering
dat Jezus naar de aarde kwam, om onze schuld te dragen.
Loof de Heer, want Hij is goed, Want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
Hoe groot zijt Gij.
Het uitzicht, de verwachting dat Jezus eens zal komen
met majesteit en luister, om ons thuis te brengen.
Loof de Heer, want Hij is goed, Want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
Amen

Zangdienst 15 juli 2018  – Zo ik niet had geloofd

Voor degenen die een zangdienst hebben te leiden (bijvoorbeeld op een camping , evt in het buitenland) hierbij de teksten die ik uitsprak tijdens de zangdienst van zondag 15 juli 2018. Thema: Zo ik niet had geloofd. (Meditatie komt in een apart blog)

Zangdienst 15 juli 2018  – Zo ik niet had geloofd

Zingen: Op Toonhoogte (versie 2005) nr 301 Samen in de naam van Jezus

Stil gebed. Votum en groet

Als ik het geloof niet had, zegt iemand tijdens een gesprek,
dan zou ik niet weten hoe ik het zou moeten volhouden.
Ik hoor dat vaker zeggen, als ik met iemand spreek die te maken heeft met tegenslag,
als iemand bijvoorbeeld te maken heeft met een sterven van iemand die heel dierbaar is.
Het leven is ingrijpend veranderd; niets is meer hetzelfde.
Wel dezelfde God, Die juist dan er is.
Wat dit leven ook brengt: vreugde of droefheid – Hij is nabij.
Als Hij erbij is, dan kunnen we gaan, kunnen we verder.
Leer mij die weg te gaan, samen met U: draag mij, leid mij, houd mij in evenwicht
dat ik voor Uw aangezicht, wandel in het volle licht,
ook als er tegenslag komt, als ik vrees voor wat er komen gaat: leer mij Uw weg.

Zingen: Op Toonhoogte 202 Leer mij Uw weg, o Heer

Zo ik niet had geloofd.
Zouden we ooit zonder geloof kunnen?
Zou er ooit een moment kunnen zijn, dat we het zonder de Heere zouden redden?
We hebben Hem elke dag nodig, elk moment van ons leven, elk uur, elk ogenblik.
We hebben Hem nodig als we het goed hebben en ons gezegend weten.
Als er tegenslag is en het leven anders gaat, ook dan kunnen we niet zonder Hem.
Dan geeft Hij ons kracht, dan draagt Hij ons, wil Hij ons op Zijn weg verder leiden.
Ik heb U steeds nodig, elk uur, elk ogenblik.
Daarom komen we bij U en vragen wij, bidden wij om Uw zegen:
O zegen mij, mijn Heiland, ik kom tot U.

Zingen: Johannes de Heer 80 Elk uur, elk ogenblik

Zo ik niet had geloofd – als ik niet steeds gemerkt had dat de Heere er was,
dat Hij kracht van boven geeft.
hoe de Heere mijn leven leidt, hoe Hij mij kracht geeft steeds weer opnieuw.
Ik wil Hem belijden en vertellen over al het bijzondere dat Hij heeft gedaan:
hoe God die deze wereld schiep ook mijn God wil zijn en mij draagt dag aan dag,
hoe Zijn Zoon voor mij naar de aarde kwam en voor mij naar het kruis ging
om mijn schuld en zonde te dragen, zodat er voor mij vergeving is,
hoe Zijn Geest woont in mijn hart.
Zelfs als de storm opsteekt en om mij heen raast,
dan zal deze God mij behoeden. Hij houdt voor mijn heil de wacht.
Na de belijdenis zingen we: Gezang 178:7 Ruwe stormen mogen woeden.

Geloofsbelijdenis – daarna: zingen: Gezang 178:7 (NH Bundel 1938)

Als er een storm over je leven raast, kan dat het gevoel geven dat je er alleen voor staat,
dat er niemand is die je hebt: geen mens die je helpt en God die er niet is.

Maar als ik het spoor goed bekeek, zag ik langs heel de baan,
daar waar het juist het moeilijkst was, maar één paar stappen staan.
Ik zei toen “Heer waarom dan toch? Juist toen ik U nodig had,
juist toen ik zelf geen uitkomst zag, op het zwaarste deel van mijn pad…”

Dan is de verleiding groot om alleen verder te gaan. Als God er dan toch niet is.
Doe dat niet, want die weg is te zwaar
en te zwaar om te dragen is de eenzaamheid en het verdriet.
Laat Eén uw Helper wezen.
Er is een God, een God die hoort.
Heel wat heeft Hij al aangehoord. Er is al heel wat bij Hem geklaagd,
heel wat tranen die vloeiden in het gebed,
vaak zelfs waren er geen tranen meer, omdat het verdriet te groot was.
Hij heeft al zovelen gedragen en bijgestaan. Daar kan u, kan jij ook nog wel bij.
Ga niet alleen, ga tot uw Middelaar.

Zingen: Johannes de Heer 53: 1, 2, 5

Wie steunt op Zijn ontfermen is nooit alleen.
Dat moeten we vaak leren: steunen op Zijn vertrouwen
En geloven dat als we Zijn weg gaan, Hij mee gaat,
dat als er tegenslag is, waaraan ik niet kan ontkomen, de Heere mij omringt,
dat als ik er aan onderdoor gaat, Hij mij redding geeft en leven schenkt.
Als ik niet had geloofd.
Maar dat geloof is niet altijd even sterk, gaat vaak onderuit
en we durven het niet aan, omdat we dat vertrouwen missen dat Hij zal meegaan,
de twijfel die in ons boven komt en ons aanvliegt.
Als we dat geloof hebben, kunnen we zingen – met heel ons hart Zijn eer vermelden,
Maar midden in de storm, als we Hem niet kunnen vinden, is het een gebed,
meer zelfs nog: een roep naar omhoog, vanuit ons hart naar de hemel
Verlaat niet wat Uw hand begon, o levensbron, wil bijstand zenden.

Zingen: Psalm 138: 1, 4 Oude Berijming (en daarna gebed)

Als ik het geloof niet had.
In de Heidelberger Catechismus is geloven een weten wat er in de Bijbel staat over God,
maar evengoed ook een vast en zeker vertrouwen,
een vertrouwen dat de Heilige Geest in mijn, uw, jouw hart werkt.
Zo ik niet had geloofd, als ik niet over God wist wat er in de Bijbel staat
en als ik niet dat vertrouwen had in God, waar was ik dan?
Waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?
Ik stel mijn vertrouwen op de Heer mijn God, want in Zijn land ligt heel mijn levenslot.

Zingen: Op Toonhoogte 444 ‘k Stel mijn vertrouwen
(Daarna Schriftlezing: Psalm 27 – collecte – Psalm 42: 3, 5 – overdenking – Psalm 27: 1, 7)

Mijn licht, mijn heil is God – dat spreekt van een intieme relatie,
een Heiland die mij dierbaar is, omdat Hij mijn Verlosser is en ik van Hem mag zijn,
schoongewassen, gereinigd in Zijn bloed
Dat geeft mij pas rust, een vrede.
Wanneer ik niet zou geloven, zou ik deze vrede, deze rust niet kennen.
Dan zou ik er naar moeten zoeken, zonder het te vinden.
Nu heb ik het gevonden – in Hem, mijn dierbare Heiland, mijn Verlosser.
Nu heb ik Hem gevonden en ik wel Hem daarvoor eren: Lof en ere zij het Lam.

Zingen: Johannes de Heer 43 Dierb’re Heiland, mijn Verlosser.

Leven en sterven aan zijn zijde – dat is niet teveel gezegd.
In dat vertrouwen, dat ik van Hem ben, gekocht, betaald met Zijn bloed en gereinigd,
In dat vertrouwen kan ik door het leven gaan, zolang ik hier op aarde ben.
Ik kan mij in Zijn handen overgeven, van Hem die heel het heelal regeert.
Die wolken, lucht en winden, wijst spoor en loop en baan, zal ook wel wegen vinden,
waarlangs uw voet kan gaan.

Zingen: Gezang 180:1 Beveel gerust uw wegen

Gebed

Zingen: Gezang 300A:1, 2, 4

Zegen



Preek zondag 19 november

Preek zondag 19 november
Psalm 68:5-21 en Romeinen 8:18-25

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ik zal in dit vertrouwen leven – zongen we net.
Doet u dat eigenlijk?
Leven in het vertrouwen dat God uitkomst kan geven?
Dat dit geloof, dat God er zal zijn en redding zal brengen, u, jou overeind houdt
zelfs als het er niet op lijkt,
als het om je heen donker is, zo duister dat je er zelf niet meer uitkomt
en zo dreigend dat je zelf niet meer verder kan,
dat je niet de moed verliest en dat je daarom kunt zingen,
zelfs in de nacht, waarin alle licht om je heen weg is,
wanneer je wakker ligt van alle zorgen en allerlei piekergedachten in je rondspoken,
dat je kunt zingen van God, die er is,
in dat donker, terwijl je die zorgen hebt en niet kunt slapen
en zelf niet meer weet hoe het verder moet,
maar dat je weet: God zal zorgen dat het goed komt.
Leeft u wel uit dat vertrouwen?
Is dat wat jou opbeurt als je het moeilijk hebt?

Ik heb altijd bewondering als mensen zo kunnen leven,
zo op de Heere kunnen vertrouwen, dat ze altijd op Hem rekenen, in alle omstandigheden.
Ook je om je heen kijkt en zo weinig van God lijkt te merken.
Als het nieuws vol is van allerlei ellende, waarbij je denkt als je dat ziet:
Kan de Heere dat niet tegenhouden?
Je gaat haast denken dat er geen God meer is.
je hebt al je handen vol aan je eigen leven en je hebt tegenslag op tegenslag te verwerken.
Zingen? Dat kan ik niet meer, laat staan in de nacht, want die nacht is zo donker,
Ik zie zelf geen uitkomst meer – en waar is dan God?

En toch, het christelijk geloof is een geloof van hoop
– hoop dat God er is, dat de Heere ingrijpt, verandering brengt.
En dan niet in de vorm van een wens, waarvan je aanvoelt dat het onmogelijk is,
maar een overtuiging, rotsvast, omdat je weet dat God dat beloofd heeft
en die belofte zal waarmaken.

Van die hoop getuigen de beide Schriftlezingen:
Zing voor God, houdt Psalm 68 ons voor, want Hij blijft niet stil in de hemel zitten wachten
en zelfs als je het hier in deze wereld niet voor het zeggen hebt
en door veel mensen niet wordt gezien, voorbijgelopen wordt,
omdat je een weduwe bent, geen ouders meer hebt,
dan is er God die je ziet, die niet aan je voorbijgaat,
maar die voor jou, voor u uit de hemel neerdaalt en in actie komt.
Als niemand je ziet en je eenzaam bent,
Dan is God er die je eenzaamheid opheft omdat Hij mensen om je heen geeft,
bij wie je in huis mag komen, onderdeel mag worden van het huisgezin.
En tegelijkertijd de mensen die denken dat ze zich alles kunnen permitteren
en door niemand een strobreed in de weg gelegd worden
en hun gang maar lijken te kunnen gaan, die zich verrijken ten koste van anderen,
zij komen God op hun pad tegen en God stopt hun praktijken.
En berg je je maar als God niet vóór je opkomt, maar je tegenstander is,
want ontzagwekkend is God, krachtdadig en niet te stoppen, door niemand.
En toch wéér niet té groot voor een klein, eenvoudig mens die op de Heere vertrouwt.
Juist dan is er de Heere voor u, die voor u strijdt
Juist dan is God er die je niet alleen laat.
De sterkste macht zal verliezen van God, het onderspit delven
en God zal overwinnen.
Zelfs de dood, waar wij niet tegenop kunnen, waar wij ons gewonnen moeten geven,
Zelfs de dood, die machtige laatste vijand kan niet tegen God op.
Die God is een God van volkomen zaligheid (uitredding)
Bij de HEERE, de Heere, zijn uitkomsten tegen de dood.
Je kunt er van zingen, ook als je zelf de dood in de ogen kijkt.
Ook als je weet dat je zelf niet meer lang te leven hebt.
Hij kan, en wil en zal zelfs bij het naderen van de dood volkomen uitkomst geven.

Gelooft u dat ook?
Daarom zingen we erover, steeds weer opnieuw,
zodat we daar ook uit leven, dat God bij het naderen van de dood uitkomst geeft,
volkomen uitkomst.
Niet dat we onsterfelijk worden, of dat ons niets zal overkomen
of dat we geen angst meer hoeven te hebben,
maar wel dat we weten dat in het rumoer van de strijd,
als we de dood in de ogen zien,
als je weet dat je niet lang meer te leven hebt,
dat je weet dat God sterker is, sterker dan deze voor ons zo machtige vijand.
De dood en de angst voor de dood – dat wordt niet weggeduwd,
maar er wordt wel een weg gewezen naar God die ons kan beschermen, zal dragen,
die zelfs in de dood en door de dood heen een weg zal wijzen
naar een nieuw leven met Hem.

Die hoop op dat nieuwe leven dat God ons geeft ná de dood
Zien we ook in Romeinen 8.
Zoals Psalm 68 opkijkt naar de hemel en daar God verwacht,
die uit de hemel neerdaalt om te strijden, die komt,
ZO kijkt Romeinen 8 ook vooruit, naar Christus die komt, op de laatste dag,
de dag dat Christus wederkomt en er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen
de wereld die nieuw geschapen wordt.
Op die dag zal Gods heerlijkheid geopenbaard worden
en mag wie gelooft die heerlijkheid zien en zelf ook ontvangen,
Bekleed worden met deze heerlijkheid
en leven in deze heerlijkheid, de glans en glorie van God in de hemel.
Het is nog niet zover, maar het komt wel, we kijken er naar uit!
Dat is nu hoop, zegt Paulus, het is er nu nog niet.
Je ziet er om je heen nog niet veel van, maar je weet dat het zal komen,
Je weet dat Christus zal komen, dat die nieuwe hemel en die nieuwe aarde zullen komen.
Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde.
Ja, stil maar, wacht maar,
Dat is niet met de armen over elkaar zitten, maar dat is uitkijken naar Zijn komst.
Dat is op Hem je hoop vestigen, je leven bouwen.
Ook in tijden waarin je er weinig van ziet.
Als je alleen maar – zoals Paulus dat noemt – het lijden van je eigen tijd kunt zien.
Lijden, omdat deze wereld niet meer is zoals God die bedoelde bij de Schepping.
Je hoeft maar je ogen ervoor open te doen om het lijden te zien.
Ver weg, de ellende die door het nieuws, door internet of door een krant wordt gedeeld:
Oorlog, geweld, natuurrampen, klimaatverandering
of dichtbij iemand die ziek wordt, onverwacht overlijdt,
Heel de schepping zucht, want lijdt ook aan de zonde
en heel de schepping kijkt uit naar die dag waarop de schepping vrij mag zijn.
En toch – ook al is het nog niet zo ver: toch kan er nu al van gezongen worden,
Alsof het al zover is. Alsof die nieuwe wereld er al is,
omdat we weten dat die er – door God – zál komen.
Ook al zuchten we onder dat juk van de zonde, ook al kunnen wij onszelf niet bevrijden,
we weten dat Christus onze bevrijder is en zal zijn.
Naar Hem kijken we uit als het leven te zwaar wordt.
Daar is geen dood, geen rouw, geen leed, geen zielsangst meer,

maar eeuw’ge blijdschap wacht de ziel, daarboven bij de Heer.
We krijgen het alleen maar beter.
Ook al is ons leven nog zo mooi hier,
En soms kan dat ook zo zijn, maar dat is maar kwetsbaar,
het valt mij op in gesprekken
dat er altijd wel iets valt te delen van verdriet, van zorg, spanning.
Voor de buitenwereld lijkt iemand een mooi leven te hebben, zonder problemen,
maar als je bij iemand in huis stapt en zijn of haar verhaal hoort,
Dan weet je dat de uitdrukking: Ieder huis heeft zijn kruis niet zomaar is.
Maar ook als je het wel goed hebt, geldt: Je krijgt het alleen maar beter.
Het is niet alleen iets om naar uit te kijken als je diep in problemen zit,
maar een toekomst voor iedereen om naar uit te kijken, te grijpen.
Doe je dat ook? Doet u dat ook?
Wij verwachten het met volharding, zegt Paulus.
We zien het nog niet gebeuren, maar houden er wel rekening mee.
Heel ons leven is daarop afgestemd – op God die komt.
Het is een lied dat met je meegaat, dat je leven begeleidt, kleur geeft:
Die God is ons een God van heil;

Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,

Ons ’t eeuwig, zalig leven;
Amen

Psalm 80

Psalm 80

Het Common Revised Lectionary geeft voor de 4e zondag van het Jaar A Psalm 80 op als psalmlezing. In het Dienstboek is Psalm 80 de psalm van de zondag van de tweede zondag van advent.

Psalm 80 begint waar Psalm 79 eindigt: met de Heer, die zijn volk als herder hoedt. Dat is niet de enige overeenkomst met Psalm 79. Net als de voorafgaande psalm is Psalm 80 een gebed, waarin naar God toe wordt geklaagd over de omstandigheden waarin het volk en het land zich bevinden. De psalm doet dat in een krachtig beeld: het land ligt open en weerloos, zoals een wijngaard zonder beschuttende omheining. Iedereen die langskomt, met goede of kwade intenties, heeft vrij spel: voorbijgangers plukken hem leeg, wilde zwijnen wroeten hem om, velddieren vreten hem kaal. Dit beeld doet vermoeden dat de psalm ontstaan is in een tijd, waarin het land werd veroverd door vijandelijke legers. Deze vijandelijke legers hebben in het land huisgehouden en het volk was machteloos.
Psalm 80 is zowel een appèl naar God toe om redding als een klacht naar God toe waarom hij dit heeft laten gebeuren. In dit gebed klinkt zelfs door dat God zich tegen het volk heeft gekeerd. In de vijandelijke legers die gekomen zijn en Israël hebben overwonnen wordt de toorn van God zichtbaar. De psalm is daarom een gebed, waarin de nood naar God toe wordt geschilderd, om hem tot ingrijpen te bewegen. De psalm is een klacht over de handelswijze van de Heer, die niet meer aan de zijde van zijn volk staat en voor zijn volk opkomt. De uittocht uit Egypte en de intocht in het land worden naar voren gehaald, waarin God zijn zorg voor het volk liet zien. Israël wordt vergeleken met een wijnstok. De vergelijking met de wijnstok of een wijngaard wordt gebruikt als een beeld voor het verbond dat de Heer met Israël gesloten heeft. In deze psalm functioneert dit beeld op een dubbele manier: Het wordt gebruikt als een herinnering aan het verleden, waarin Gods trouwe zorg zichtbaar was: als een wijnstok die was uitgegraven in Egypte en in Kanaän een nieuwe plek kreeg. Tegelijkertijd wordt dit beeld gebruikt om de hopeloze situatie van het heden uit de doeken te doen: een wijngaard die omver geploegd is door wilde zwijnen.
In deze psalm komt steeds is er een refrein: God, keer ons lot ten goede, toon uw lichtend gelaat. Dit refrein wordt steeds meer uitgebreid in Godsnamen: God (vers 4), God van de hemelse machten (vers 15), HEER, God van de hemelse machten (vers 19). De aanduiding van de Heer als God van de hemelse machten geeft de macht van de Heer over heel de wereld aan. Dat wordt in deze psalm nog eens benadrukt door van de Heer te zeggen dat hij troont op de cherubim. In de tempel in Jeruzalem stond een ark als representant van deze troon in de hemel. Deze Godsnamen worden niet voor niets gebruikt: ze spreken God aan op zijn macht over de geschiedenis en op zijn verbond met Israël. Hij is het die de vijanden deed komen. Hij is het ook die hen weer kan weg doen gaan en redding kan brengen. Dat deze Godsnamen in een klacht naar de Heer toe worden gebruikt, geeft aan dat aan de basis van deze psalm een diep geloof in de Heer ligt: alleen hij is in staat om in te grijpen. Alleen hij heeft die macht. Alleen die macht wordt niet ervaren. De psalm is daarom een appèl om de omstandigheden te veranderen. De psalm vraagt om een theofanie, om een verschijning van God in zijn luister ten gunste van het volk. De psalm vraagt om de terugkeer van de Heer naar zijn volk, die hij had losgelaten. Het lichtend gelaat laten zien is een gracieus gebaar van een hoger geplaatste ten gunste van een ondergeschikte. Het is een gebed om een genereuze interventie om Israël redding te geven.

Preek zondagavond 2 juli 2017

Preek zondagavond 2 juli 2017
Dankzegging en nabetrachting Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Psalm 36

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Psalm 36 begint met een innerlijke stem:
De overtreding van de goddeloze spreekt binnen in mijn hart.

Er zijn heel wat stemmen in onszelf,
ook als je in een kerkdienst aan de avondmaalstafel zit:
– ‘Heb ik er wel goed aan gedaan om naar de tafel te komen,
Want ik heb er in de afgelopen tijd niet echt naar geleefd.’
– ‘Het avondmaal wordt altijd als iets bijzonders gebracht, maar ik voel van binnen niets.
Hoor ik wel iets te ervaren? Doe ik het niet goed, omdat ik niets binnen in mij merk?’
– ‘Wat is het fijn om bij Christus te zijn en mijn zonden achter te laten.
Ik neem mij voor om de komende tijd echt uit Christus te leven.
Ik was vanmorgen zo heel dicht bij Christus, dat wil ik echt vasthouden de komende tijd.’

Daar is avondmaal ook voor bedoeld, dat je de stem van Christus weer verneemt
En dat je je in de komende tijd ook weer laat leiden door Zijn stem
dat je niet ingaat om de andere stemmen die er zijn, die ook in je kunnen klinken.
Psalm 36 begint ermee dat bij bepaalde personen een andere stem klinkt,
die veel overheersender is, een stem waardoor iemand zich laat leiden.
De zonde die diep van binnen in iemand klinkt,
een stem die van binnen zegt: trek je niets aan van God.
Je hoeft in je doen en laten niet met God bezig te zijn.
Trek je eigen plan, een weg zonder God.
Het is voor iemand die gelooft een afschrikwekkend voorbeeld:
Zo wil je niet leven, zo los van God en alleen je eigen plan,
zonder dat je jezelf rekenschap geeft van God.
Je kunt juist dankbaar zijn, dat er in je eigen leven een andere stem heeft geklonken,
de stem van Christus, die je geroepen heeft om naar Hem toe te gaan,
een stem die in de afgelopen week misschien weer heel duidelijk geklonken heeft:
‘Zondag is het avondmaal. Kom naar de tafel en ontvang van Mij brood en wijn,
als tekenen van Mijn genade,
kom bij Mij aan tafel zitten, maak deel uit van Mijn gemeenschap,
kom een stukje brood nemen, kom een slokje wijn drinken,
proef dan weer Mijn genade, weet dan weer dat Ik voor jou aan het kruis ben gegaan.’

Je zou willen dat deze stem steeds de enige stem is, die in je klinkt,
die je luid en duidelijk de weg wijst, die je steeds meeneemt
en ervoor zorgt dat je naar al die andere stemmen niet meer luistert.
Toch klinken die andere stemmen nog steeds.
En dan zal het vast niet zo extreem zijn als bij de goddeloze,
waarbij alleen de zonde het voor het zeggen heeft
en waarin de stem van God wordt bespot: aan God heb je niets, zonder Hem ben ik beter af.
In de eerste dagen zul je zulke stemmen nog negeren of het zwijgen op willen leggen,
waarbij je aan de afgelopen zondag terugdenkt, en het brood en de wijn haast nog proeft,
en je jezelf nog ziet zitten aan de tafel,
je weet nog wat er door je heen ging, dat het weer indruk op je maakte,
wat Christus voor je heeft over gehad, dat het je weer greep: Christus is voor mij gestorven!
En je herinnert je nog heel duidelijk dat je het had voorgenomen,
om in de komende weken dicht bij Christus te blijven en alleen naar Hem te luisteren.
Misschien ook omdat er in de afgelopen periode juist de klad in gekomen was
en je wist, dat moet ik niet weer laten gebeuren,
want dan gaat het mijn geloof achteruit en dan raak ik Christus uit het oog.
En vanmorgen, bij het avondmaal was Hij er weer,
was er weer Zijn brood en wijn, was er weer die genade,
was het zoals Psalm 36 dat bezingt:
Zij worden verzadigd met de overvloed uit Uw huis;
U laat hen drinken uit Uw beek vol verrukkelijke gaven.
Het is iets wat je meekrijgt voor de komende weken, waar je op mag teren
en je zou het willen dat het er steeds weer voor je is,
zoals vers 11 in de NBV is vertaald: Toon aan uw getrouwen gedurig uw liefde.
Gedurig: aanhoudend, onophoudelijk, constant.
Laat er geen dag voorbij gaan zonder iets te zien, te merken van die liefde.
Laat mij steeds weer terugkomen bij die bron van het leven.
Want anders drogen wij net zo uit als het gras dat om het huis staat,
het is droog en bruin, het groeit lang niet zo goed als wanneer er water genoeg is.
Zo kunnen wij ook niet zonder die constante aanstroom van liefde.
En als er momenten zijn waarop ik vergeet om naar die bron te gaan,
dagen waarop ik vergeet om dit water van het leven te drinken,
zorg dan dat ik stil kom te staan, laat mij niet verder gaan zonder U.
Dwing mij desnoods om U weer onder ogen te komen,
want al denk ik dat ik zonder U kan, ik houd het echt niet lang uit.

Hoe voorkom je nu dat deze stem verdrongen wordt, door die andere stem
waar de psalm mee begint, de stem die diep van binnen kan klinken,
maar die je juist een andere weg wilt doen gaan, niet Gods weg,
maar bij Hem vandaan.
Ook in de komende tijd zullen we geen volkomen geloof hebben,
ook in de komende tijd zullen we God niet altijd met zo’n ijver dienen als we horen te doen,
ook in de komende tijd hebben we elke dag weer opnieuw strijd te voeren
– strijd omdat ons geloof en vertrouwen vaak zo zwak is,
– strijd omdat we de tekenen om ons heen, die spreken van Gods trouw en liefde niet horen:
hoog als de hemel is Uw liefde en tot de wolken Uw trouw
we horen deze stem die van Gods goedheid en liefde spreekt vaak niet.
er is strijd, omdat ook in ons die zonde blijft spreken,
wij komen daar niet helemaal los van,
We bevinden ons tussen twee werelden:
De wereld van de goddeloze en de wereld van God
en van beide kanten wordt aan ons getrokken:
Als een strijd die om ons gevoerd wordt, van God en de zonde,
van de boze, die aan ons trekt, die ook een stem in ons heeft, en tot ons spreekt,
die verleiding in ons kan laten opvlammen en daarbij ons geweten in slaap sust,
door te suggereren dat het helemaal niet zo erg is dat je je laat gaan.
Want iedereen doet dat, en niemand is perfect, de boog kan toch niet altijd gespannen staan.
Aan het einde van de psalm klinkt het besef door,
dat de boze je kan meetrekken, voor ons te sterk kan zijn.
Er klinkt een gebed om geen nederlaag te hoeven te leiden,
om niet meegesleurd te worden door een machtiger iemand.
Dat kan een mens zijn tegen wie je niet opgewassen voelt,
maar dat kan ook de boze zijn, die het steeds weer probeert
om je van Christus weg te leiden, op een andere weg,
een weg van minder moeiten, minder tegenstand.
Het is een gebed om dan Gods macht te zien, die zichtbaar werd op Golgotha
waar de macht van de boze werd gebroken,
om die macht ook concreet in je eigen leven te zien
als de boze op je afkomt, om je weer zijn kant op te trekken,
om je te doen vergeten dat je het zo goed had aan tafel bij de Heere Jezus,
om je te doen vergeten dat je zo overweldigd was door alles wat de Heere geeft,
de dankbaarheid en verwondering over God die in de psalm doorklinkt
een dankbaarheid en verwondering die er vanmorgen vast ook was,
en vaak in een kerkdienst, de verwondering over Gods trouw.
Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid, o God!
Die verwondering en die dankbaarheid kan weg zijn, als die andere stem luider klinkt,
die stem waartegen je moet vechten, maar die geregeld sterker is.
daarom dat naar de Heere toegaan om onder Zijn vleugels te schuilen

Daarom dat gebed: laat het niet gebeuren dat de boze sterker is.
Laat het niet gebeuren dat hij mij weer in zijn greep krijgt.
Ik heb juist vanmorgen aan de tafel toch weer gevierd,
dat ik ben bevrijd uit zijn macht,
dat ik die door de boze overweldigd was, gekidnapt, ontvoerd,
bevrijd ben uit die macht en weer in vrijheid mag leven.
Daar werd Hij gebonden, opdat Hij ons zou losmaken.
Vanmorgen is er gevierd, dat de boeien waarmee de boze u had vastgemaakt,
losgebroken zijn en dat hij u moest laten gaan,
maar hij zal niet rusten voor hij u weer terug heeft in zijn macht,
voordat zijn stem weer in u klinkt en u daaraan gehoor geeft.
Maar u heeft ook avondmaal gevierd om te weten
dat u mag leven onder de bescherming van Christus,
de toevlucht genomen onder de schaduw van Uw vleugels.

Weggehaald uit de wereld van de goddeloze,
al zal het niet voor iedereen zo extreem zijn als hoe de goddeloze wordt beschreven,
maar wel weggehaald uit de macht van de boze
om ons te laten leven in de andere wereld, waar Psalm 36 ook over spreekt,
een totaal tegenovergestelde wereld: die van Gods liefde en trouw,
die over heel de wereld gaat, die ieder mens wil bereiken,
een wereld waarin u nu al mag leven, door Christus’ genade.
Het heeft Christus heel wat gekost om ons daar te krijgen:
Hij gaf daarvoor Zijn eigen leven
en vanmorgen heeft u dat weer mogen vieren, dat Hij dat voor u over had,
dat Hij bereid was om Zijn leven te geven
voor mensen die naar de stem van een ander hadden geluisterd,
die op een weg gingen, die niet door Hem was uitgestippeld, die kozen voor het kwade.

Dat is nu die goedertierenheid, die trouw waar deze psalm zo uitbundig van zingt.
Die zo overweldigend groot is – die tot in de hemel reikt,
waar de hele aarde vol van is, die de sfeer is waarin we mogen leven,
de lucht die we mogen opademen, die we mogen inhaleren, als bevrijde mensen.
Avondmaal vieren is je geluk niet op kunnen,
omdat God zo genadig is geweest je mee te nemen naar Zijn wereld
in het geloof dat die oude wereld eens voorbij zal zijn
en er een nieuwe wereld zal komen, die weer helemaal vol van God zal zijn.
Waar de goddeloze, waar de hooghartige geen plek meer heeft,
Waar de boze er niet meer is, radicaal en voorgoed uit onze werkelijkheid verbannen.

De psalm neemt op die toekomst, die er na de Wederkomst zal zijn, een voorschot.
Het blijft niet bij het gebed, om verlossing en bescherming tegen die machtige vijand.
In het geloof wordt gezien dat degenen die nu macht hebben, geweldenaars zijn,
plaats zullen maken, zullen omvallen, onderuit zullen gaan,
omdat zij niet bestand zijn tegen die sterke Held, die ons terzijde staat.
Door God aan ons toegewezen.

Vraagt gij zijn naam?
Zo weet, dat Hij de Christus heet,
Gods eengeboren Zoon,
verwinnaar op de troon:
de zeeg’ is ons beschoren!

Avondmaal is schuilen bij deze held, die de vijand heeft verslagen,
die ons laat weten, dat we niet meer hoeven te vrezen,
dat we niet meer onder de indruk hoeven te zijn
dat we niet meer gevangen hoeven te zijn, niet meer machteloos.
Al zullen we nog steeds onderuit gaan en zullen we nog steeds verliezen,
we hebben iemand die met ons meestrijdt, die voor ons strijdt
die voor ons gestreden heeft, die de overwinning reeds heeft behaald
en vanuit die overwinning ons reeds geeft
om in de tijd die ons op aarde nog rest te strijden tegen alles
wat ons van de weg van God vandaan houdt.
Gebed en geloof gaan hier hand in hand, zoals zo vaak in het leven
en hoort dat niet altijd zo te zijn?
Dat we steeds bidden, schuilen bij God, vragen om Zijn bescherming
en tegelijk geloven en weten, dat Gods macht er is en zal zijn
en niemand ons uit de hand van Christus zal rukken,
zelfs niet degene die sterker is dan wij.


Dan kunnen we om ons heen nog zo veel zien,
dat tegen God in gaat, dat ons aangrijpt,
Waardoor we ons afvragen, waarom is er zoveel onrecht in deze wereld.
Als Gods macht over heel de wereld is en als Gods liefde over heel de wereld gaat,
waarom is er dan nog plek op deze aarde voor de goddeloze,
waarom kan er dan toch weer iemand opstaan die hooghartig is,
en in zijn hoogmoed tegen God strijdt en tegen de kerk.
Daar kun je aan lijden, zeker als je er zelf mee te maken hebt
dat er tegenstand is omdat je gelooft
Daar kun je aan lijden, omdat je weet dat er op deze wereld
broeders en zusters zijn die het minder riant hebben dan wij,
die weten wat het is om vertrapt te worden, die weten wat het is om opgejaagd te worden.
Waarom?
Als er al een antwoord te geven is, is dat wat de Heere Jezus zegt,
als Hij spreekt over het liefhebben van onze vijanden:
God laat Zijn zon schijnen over goede en slechte mensen
en laat het regenen over rechtvaardige en onrechtvaardige mensen,
zodat de goedheid van God die daaruit spreekt het hart zal raken
en een omkeer te weeg brengt, de ogen opent voor de Heere,
het verlangen opwekt om ook bij deze goede God te horen,
die ook aan mensen die Zijn genade niet verdienen royaal Zijn genade uitdeelt
en hen laat proeven van Zijn goedertierenheid
hen laat drinken uit de bron van het leven,
zodat ook zij de genadige God mogen leren kennen, Hem leren aanbidden,
zijn macht, zijn liefde, zijn trouw gaan bezingen,
samen met al die mensen door al de eeuwen heen
van wie het hart vol is geraakt van deze God,
die er helemaal lyrisch van kunnen worden hoe deze God is.
HEERE Uw goedertierenheid reikt tot in de hemel
ook ik ben daarmee in aanraking gekomen, het heeft ook mijn hart geraakt,.
Uw trouw is tot in de wolken
zo oneinding groot en toch ook voor mij,
Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid voor mij geworden. Ik kan er niet meer buiten.
Daarom keer ik steeds weer terug bij U, elke dag weer, vanwege dat wat U geeft.
De overvloed van Uw huis, Uw beek die vol is, de verrukkelijke gaven.
Want bij U is de bron van het leven – meer hebben wij niet nodig.
U bent voor ons alles geworden.
Amen

Preek zondagmorgen 2 juli 2017

Preek zondagmorgen 2 juli 2017
Viering Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Psalm 36
Tekst: Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid, o God!
Daarom nemen de mensen de toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels
Zij worden verzadigd met het goede van Uw huis
U laat hen drinken uit Uw beek vol verrukkelijke gaven (vers 8-9)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als het avondmaal er weer aankomt, word je weer gedwongen om over jezelf na te denken.
Althans zo vergaat mij dat.
Ik ga de afgelopen maanden na: Hoe heb ik geleefd met de Heere?
Je kijkt in als het ware in een spiegel:
Hoe ben ik geweest naar God toe, naar de mensen om mij heen?
Het is altijd weer confronterend, want je kunt altijd wel iets bedenken, wat mis is gegaan.
Ik hoorde een keer iemand zeggen: ‘Het is een heel intensieve week,
maar ik zou die week niet willen missen. Dat intensieve is ook niet erg.’
Het is goed om zo over jezelf na te denken, zeker rondom het avondmaal.
Om eerlijk aan de Heere te belijden als het niet goed zat
en dat niet weg te duwen en te doen alsof dat niet erg is,
maar om daarmee naar de Heere te gaan: Heere, wilt U mij vergeven, mij reinigen?

In de afgelopen weken dacht ik voor mijzelf na over de vraag:
Moet je nu eerst weten dat het mis zit, eerst inzien dat we in ons geloof en wat we doen
tekortschieten en vaak niet doen wat de Heere van ons vraagt?
Of kun je ook eerst onder de indruk zijn van de liefde die de Heere voor ons heeft,
dat je geraakt bent door het besef dat de Heere ook jou genadig wil zijn?
Ik merk bij mijzelf dat ik vaak begin bij de liefde, bij de genade
als ik dan daar over na begin te denken raak ik weer helemaal verwonderd over de Heere.
Dat was voor mij een reden om deze Psalm 36 te kiezen,
omdat deze Psalm zo heel uitbundig over de trouw, de genade van de Heere zingt.
Dan kan ik als ik deze Psalm lees en zing ook verlangen naar het Avondmaal,
waar weer zichtbaar wordt, in het brood dat gebroken wordt, de wijn die uitgegoten wordt,
hoe de Heere Jezus Zich voor mij heeft gegeven,
ondanks mijn fouten en tekorten, ondanks dat ik het er vaak bij laat zitten.
Dan denk ik na over het avondmaal en zie ik de gemeenteleden weer zitten
en weet je dat er voor heel wat gemeenteleden een stap is
om naar voren te lopen en aan het avondmaal te gaan.
Dat gun je ze dan ook, dat ze uitkomen bij de Heere Jezus.
Dat ze niet alleen met zichzelf blijven,
want daar is het avondmaal uiteindelijk niet voor bedoeld dat iemand over zichzelf nadenkt
en er dan niet uitkomt en dan alleen achter blijft met zijn eigen zonden.
Het avondmaal is er niet alleen voor om te laten zien dat het aan onze kant mis zit,
– we hoeven dat niet weg te doen, dat mogen we, moeten we eerlijk onder ogen komen –
maar het avondmaal is er ook voor om ons te laten zien, te laten proeven zelfs
dat God Zijn genade geeft – juist omdat wij die genade nodig hebben
en zonder die genade niet kunnen bestaan.
Dat je naar de Heere toe mag gaan om van je zonden, van je falen los te komen,
omdat bij de Heere vergeving is.
Avondmaal gaat over dat onvoorstelbare: de Heere wil ons vergeven,
Hij wil naar ons toekomen en wij mogen naar Hem toe gaan.
Schuilen onder de schaduw van Uw vleugels, zingt de Psalm.
En dat kan, dat schuilen, dat heel dicht bij Hem komen,
vanwege Zijn goedertierenheid – trouw, liefde, geduld.
Als je bij Hem komt, omdat je Hem nodig hebt, stuurt Hij je niet weg,
De hoge en heilige God, die de zonde niet bij Zich duldt,
duldt wel de mensen in Zijn nabijheid, Hij nodigt hen zelf en roept hen
om naar Hem toe te komen, bij Hem te schuilen.
Hij roept u, Hij nodigt jou uit. Hij wil niets liever dan dat jij, u komt, om bij Hem te zijn.
Dat leeft er in Zijn hart en dat werd zichtbaar op Golgotha
en vanmorgen wordt het weer zichtbaar in dat brood dat gebroken wordt
en waarvan u, jij een stukje mag eten.
Dat wordt zichtbaar in de wijn die wordt uitgegoten
en waarvan u, jij een slok mag drinken.
Dat brood dat gebroken wordt en ook de wijn die uitgegoten wordt,
dat is een uitnodiging: Kom maar, want het zit goed,
het zit goed tussen jou en Mij, want Ik ben een het kruis gegaan
en die plek daar aan die tafel, daarvoor heb Ik gezorgd.
Kom maar bij Mij schuilen, als de zonde tegen je zegt: ‘Daar hoor je niet.’
Kom maar bij Mij schuilen, als je eigen hart je aanklaagt en zegt: ‘Dat is niet voor jou.’
Kom maar hier bij Mij.
Waarom zou je wel luisteren naar de stem die je tegenhoudt
en niet naar de stem die je uitnodigt?
Zie je niet dat Ik het ben, je Heiland, je Redder, je Zaligmaker,
en geloof je dan niet, dat Ik voor jou gestorven ben?
Wijs niet Mij, je Heer, je redder af, maar ontvang dan Mijn genade.
Zie je dan niet, dat die plek daar aan die tafel, de plek bij Mij, er voor jou is
om vergeving te ontvangen, om bij Mij te zijn, brood en wijn tot je nemen
om daarmee aan te geven dat je zonder Mij niet kunt leven?
Als je bij Mij komt, is daar ook het goede dat Ik je wilt geven.
Zij worden verzadigd met het goede van Uw huis
U laat hen drinken uit Uw beek vol verrukkelijke gaven
Het is brood dat je mag eten – het brood dat je herinnert aan Golgotha
en door te eten belijd je dat je niet zonder Mijn offer op Golgotha kunt en neem je het aan.
Je hebt er genoeg aan, het is goed voor je, voor je geloof, voor je weg met Mij.
Het is een slokje wijn en als je dat drinkt, mag je weten, dat je drinkt uit de beek van God,
het verkwikt je, het lest je dorst, omdat Christus aan het kruis Zijn leven gaf,
Als je de wijn in je naar binnen voelt stromen, mag je weten
dat Ik jou reinig van binnen reinig van al je zonden.
Kom dan en ontvang van Mij, brood en wijn
Eet en drink, weet, geloof dat jij gereinigd wordt van al je zonden.Amen

Preek zondagmorgen 25 juni 2017

Preek zondagmorgen 25 juni 2017
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Psalm 36

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Psalm 36 begint met een innerlijke stem:
De overtreding van de goddeloze spreekt binnen in mijn hart.
Er zijn heel wat stemmen in onszelf
als je op zondagmorgen stil zit in de kerk kunnen die stemmen zomaar in je gaan spreken.
Stemmen die te maken hebben met wat er vanmorgen gebeurde:
– ‘Als mijn man eerder uit bed was, hadden we niet zo hoeven haasten op weg naar de kerk.’
– ‘Heb ik er wel goed aan gedaan om mijn kind te laten slapen
ipv te wekken om mee naar de kerk te gaan?’
– ‘Ik zit hier nu wel in de kerk, maar ik heb deze week geen tijd genomen voor God.’

Het kunnen stemmen zijn die met het Avondmaal te maken hebben:
– ‘Dat wordt een intense week van piekeren of avondmaal wel iets voor mij is.’
Of juist: ‘Wat fijn dat het volgende week weer avondmaal is. Ik kijk er altijd naar uit.’
– ‘Nu moet ik er toch echt over nadenken of ik aanga.
Toen ik nog geen belijdenis had gedaan, kon ik die stap voor mij uit schuiven.
Hoe zal dat zijn om de eerste keer aan te gaan?’
Of: – ‘Volgende week ga ik niet, want avondmaal is niets voor mij.
Niemand in onze familie heeft ooit deelgenomen aan het avondmaal.
Dat is niet voor ons en voor mij ook niet.’

Tussen al die stemmen is er ook nog de stem van God,
die tussen al die stemmen ook gehoord wil worden
en van alle stemmen misschien wel het minst gehoord wordt
omdat andere stemmen harder roepen of eerder onze aandacht krijgen.
Zelfs op zondagmorgen wanneer je toch speciaal gekomen bent om naar Gods stem te horen
kunnen allerlei andere stemmen in onszelf om aandacht roepen
en ons afleiden om werkelijk te luisteren naar de stem van God.
Zelfs al laat de wereld om ons heen de trouw van God aan ons weten,
zoals Psalm 36 daarover zingt: HEERE, Uw goedertierenheid reikt tot in de hemel,
Uw trouw tot de wolken

kunnen we daar aan voorbij gaan
en ons afvragen waarom wij niets van God horen,
terwijl eerder de vraag zou kunnen zijn,
waarom we niet openstaan voor alle signalen om ons heen, ook in de schepping,
die tot ons spreken over de liefde, de goedheid en trouw van de Heere, onze God.
Omdat we de handen vol hebben aan onszelf,
allerlei stemmen die in ons iets over onszelf zeggen:
– ‘Wat zal je moeder ervan vinden?’
– ‘Ik kan dit plan zelf wel geweldig vinden,
maar als die ene collega daar een opmerking over maakt,
is mijn zelfvertrouwen gelijk helemaal weg en ben ik niet meer bezig met het plan,
maar met mijzelf, waarom ik er niet in slaag iets voor elkaar te krijgen.’
Er kan vaak een innerlijke onrust zijn, een heel gesprek in onszelf
waarin we met anderen over onszelf bezig zijn,
of waarin je jezelf vergelijkt met anderen,
soms met een bepaalde boosheid, waarom die ander het toch altijd weer voor elkaar krijgt
om over jouw grenzen heen te gaan, waarbij jij je moet schikken.
Zo veel innerlijke onrust, dat er geen aandacht uitgaat naar de stem van God,
terwijl die stem veel belangrijker is dan al die andere stemmen om ons heen.

Zou dat ook komen, zoals in Psalm 36, dat we naar anderen kijken
en daar een mening over hebben,
waarbij je de misstap van een ander ziet, de goddeloze:
Dat is toch erg dat zoiets gebeurt!
Iemand die zo leeft en zo handelt als die goddeloze doet, heeft geen gezag voor God.
De Nieuwe Bijbelvertaling geeft dat eerste vers trouwens anders weer.
Daar is het een stem, die in de goddeloze zelf spreekt,
iemand die je op het verkeerde pad wil brengen, maar je ondertussen wijs maakt
dat het niet zo erg is wat je doet.
Een stem die allemaal redenen weet op te sommen,
Waarom je een verklaring hebt voor je gedrag.
Dat je in de afgelopen week geen tijd voor God had, dat is toch niet zo erg,
je had ook zoveel andere dingen te doen.
Dat je er niet toe kwam om voor anderen te bidden, of geen giften hebt gegeven,
ja, je kunt ook niet aan alles denken – ik heb al zoveel om aan te denken.
Natuurlijk kun je van de goddeloze, zoals hij hier wordt afgeschilderd denken:
Dat staat wel heel ver van me af, daar hoef ik me gelukkig mijzelf niet in te herkennen.
Dat je, zoals de goddeloze, wanneer je oog in oog met God staat,
Dat je dan nog geen ontzag voor God hebt,
dat je dan nog geen reden ziet om iets in je leven te veranderen
en zo zonder God verder te leven – dat staat ver van ons af – gelukkig!
Psalm 36 noemt het gedrag van de goddeloze ook als aan afschrikkend voorbeeld:
wanneer je zo bent en zo leeft, dan is het echt slecht met je gesteld.
Maar ik denk niet dat de bedoeling is dat we daar verder laconiek verder leven,
onze schouders ophalen en denken: met ons zit het wel goed.
Dat extreme voorbeeld van de goddeloze, waarvan we kunnen zeggen:
zo zijn we niet – gelukkig, Goddank!
is er voor bedoeld om jezelf onder de loep te nemen, naar je zelf te kijken:
Hoe zit het dan wel?
In deze Psalm – en dat geldt ook voor de rest van de Bijbel –
gaat het niet alleen om wat we doen: goed of fout,
maar wordt er verder doorgevraagd – naar ons hart, dat wil zeggen:
de intentie waarmee we de dingen doen.
Voor de goddeloze is de intentie duidelijk: hij wil zonder God leven,
hij heeft lak aan God. Al zou God bestaan, dan wil ik daar geen rekening mee houden.
Een intentie heeft altijd effect op wat we doen, op onze daden:
De woorden van zijn mond zijn onrecht en bedrog,
hij laat na verstandig te handelen en goed te doen.
Op zijn slaapplaats bedenkt hij onrecht;
hij gaat op een weg die niet goed is, het kwaad verwerpt hij niet.

Wat er in het hart leeft, komt altijd in daden naar buiten.
Daarom is het altijd van belang om te weten wat er in je hart leeft.
Nou, dat hart van die goddeloze is niet de onze.
Maar wat leeft er dan wel in ons hart?
Passen wij helemaal in de andere wereld, die de Psalm als contrast schildert,
de wereld van Gods trouw, die over heel de wereld is, die hoger dan de wolken is,
machtiger dan de bergen waar je tegenop kunt kijken.
Zitten wij er niet tussen in? Niet helemaal bij de goddeloze – zo zijn we niet,
maar toch ook – als we eerlijk zijn – niet bij God.
We zitten er tussen in, met onze zo je kunnen zeggen huis-tuin-en-keuken-zonden
en daarmee bedoel ik, dat de zonden die we doen vaak niet extreem erg zijn,
daarom huis-tuin-en-keuken, onze zonden zijn vaak net zo gewoon als ons dagelijks bestaan
en tegelijkertijd zijn het wel zonden, die ons tegenhouden om helemaal van God te zijn.
Wat laten die huis-tuin-en-keuken zonden zien van wat er leeft in ons hart?
Het treft mij steeds weer, dat het avondmaal gaat om ons hart, wat daarin leeft.
Niet alleen om de dingen die zichtbaar zijn.
Ja, er worden wel steeds punten opgenoemd die voor anderen zichtbaar zijn:

Alle afgodendienaars,

allen die zich een beeld van God maken,

allen die de Naam van God lasteren en misbruiken,

allen die het Woord van God en Zijn heilige sacramenten verachten,

allen die tweedracht zaaien in de kerk en in ons volk, die weigeren gezag te aanvaarden in kerk en samenleving,

allen die in haat en nijd tegen hun naaste leven of lichtvaardig hun woord breken, die het leven, van God geschonken, verachten,

allen die het huwelijk moedwillig in gevaar brengen, van zichzelf of van anderen,

allen die stelen, die in de ban zijn van geld en bezit,

allen die liegen, bedriegen of kwaadspreken,

allen die zich aan verslaving overgeven en van het genot hun god maken.

Daarbij gaat het er niet om, dat je naar anderen kijkt,
maar je eigen hart erop na gaat: hoe sta ik tegenover God?
Kan ik zelf God met hoe ik leef zelf wel recht in de ogen kijken?
Of zal ik mijn ogen neerslaan, omdat ik besef dat het toch niet goed gegaan is,
dat ik het er weer bij heb laten zitten, dat er aan mijn trouw toch eea ontbrak,
dat mijn hart toch niet onverdeeld was, alleen op God gericht, alleen op Zijn stem,
maar dat ik toch geluisterd heb naar die andere stemmen in mij,
Die mij meenamen op een andere weg, die niet goed voor mij was,
waarbij mijn geloof schade opliep, omdat het niet Gods weg was.
En die terwijl ik me ervan bewust was, dat het een verkeerde weg was,
sussend in mij spraken: ach, het is helemaal niet zo erg, want iedereen doet het.
Wat geeft het als je Bijbel een week hebt dicht gelaten,
Want denk je dat al die andere gemeenteleden daar wel tijd voor hadden?
Wat geeft het als je met elkaar niet gesproken hebt thuis over wat je bezig houdt
en hoe jullie samen staan tegenover God en hoe je elkaar scherp houdt,
want denk je dat die andere echtparen in de gemeente ook niet elke avond voor de tv zitten
en ook niet samen doorspreken over wat goed voor hen is in hun leven met de Heere?
En denk je nou echt, dat het zo erg is dat je meer aan geld verdienen hebt gedacht
dan dat je de tijd hebt genomen om God te danken voor de luxe die je hebt,
van werk en een goed inkomen, een mooie klus of een goede winst,
want God zal toch ook wel begrijpen dat er brood op de plank moet komen
en dat de hypotheek moet worden afbetaald?
En is het echt zo erg om een roddel over een ander de wereld in te helpen,
want iedereen doet dat, op verjaardagen, tijdens het wandelen, in de app.
En denk je dat het zo erg is als je ‘s avonds terwijl je vrouw al bed ligt,
Dat je op de computer foto’s opzoekt van erotische beelden,
want een man is toch snel geprikkeld en kan zijn lust toch niet altijd beheersen?
Dat zijn allemaal stemmen in ons
en zijn dat niet allemaal stemmen, die net als in de goddeloze
ons geweten in slaap sussen en ons verder doen gaan op die verkeerde weg,
een weg die ons uiteindelijk verder bij God vandaan haalt.

Die zonde is niet alleen erg, omdat het ons bij God vandaan haalt,
maar ook omdat vaak anderen er de dupe van zijn, schade lijden door ons gedrag,
doordat wij liegen een ander de waarheid niet meekrijgt,
doordat je roddelt een beeld creëert van een ander, dat niet klopt,
doordat je naar erotische beelden kijkt, niet meer onbevangen van je vrouw kunt genieten,
en alleen maar op haar gericht bent.
Het gaat om ons hart, dat ons hart zuiver op God is gericht
geleidt wordt door zuivere gedachten, over God, over onszelf, over de mensen om ons heen

Ons hart – ook in het avondmaal gaat het om ons hart,
over wat er leeft in ons hart, en dat ons hart gereinigd moet worden,
steeds weer opnieuw.
Geijkt moet worden – net zoals meetinstrumenten geijkt moeten worden.
Voorbereiding avondmaal geeft aan, dat wij zelf in ons hart kijken: Hoe staat het ervoor,
en dat we weer bij God aankloppen, dat Hij ons hart reinigt,
dat Hij een grote schoonmaak houdt, ons hart zuivert
en die andere stemmen, die zo aan ons trekken het zwijgen oplegt en uit ons leven bant
zodat we alleen nog maar aandacht hebben voor de stem van de goede Herder,
zodat het waar is door God zelf, wat Christus zegt:
dat de schapen de stem van de goede Herder horen, omdat ze Zijn stem herkennen
en dat ze daarom niet naar andere stemmen luisteren,
omdat ze weten, dat ze daarmee op de verkeerde weg worden gebracht.

Nu kan er altijd nog een stem in ons klinken, die bij het avondmaal steeds sterker wordt:
Als je in je eigen hart kijkt, en ziet wat er allemaal mis is,
dan kun je alleen maar schrikken en kun je beter wegblijven bij God.
Denk je echt dat je Hem onder ogen kunt komen?
Denk je echt dat je zo aan het avondmaal kunt zitten?
Er moet eerst heel wat gebeuren.
Je moet maar niet gaan.
Maar dan begrijpt u niet, waar het avondmaal over gaat.
Dat daar de Heere Jezus staat, die zegt:
je hart kan weer schoon worden, kijk maar naar het kruis op Golgotha,
Daar ben ik voor jou gestorven, en kijk maar naar het brood,
kijk maar naar de wijn – die wijzen naar mijn lichaam, die voor jou verbroken werd,
jij met je verkeerde leven, met je zonden, met je ongehoorzaamheid,
jij die eerder luistert naar verleiding dan naar mijn stem.
Nu roep Ik je om je te reinigen.
Door het avondmaal wordt u door dit betrouwbare teken en onderpand herinnerd aan en verzekerd van Mijn hartelijke liefde en trouw voor u.
Christus die zich overgaf in de dood, om u weer terug te brengen.

In de psalm is er een kloof, een grote overgang
en daar zullen we volgende week uitgebreid bij stil staan:
een loflied op God, op Zijn goedertierenheid en trouw.
Heere, Uw goedertierenheid reikt tot in de hemel,
Uw trouw tot in de wolken.
Dat is niet om afstand te scheppen.
Hoe heilig het avondmaal ook is, de stem van Christus roept u en jou
om erbij te zijn en erbij te horen bij Zijn gemeenschap
om Zijn goedertierenheid te ontvangen, die zo hoog is en zo wijd,
maar niet te hoog voor jou, voor u, maar juist er voor u, voor jou is,
als je van jezelf weet: ik red het zelf niet om rein voor God te staan
al ben ik geen grote zondaar, een heilige ben ik ook niet.
Of misschien bent u juist wel die grote zondaar.
Hoe ongelooflijk dat ook klinkt, er is ook die ene stem, die roept
de stem van Christus, van de goede Herder, jouw redder, Zaligmaker,
die jouw hart wil reinigen en zal reinigen:
Kom bij mij en ik zal je de waardigheid geven, die jij zelf niet hebt,
maar die je van Mij mag ontvangen om bij Mij aan tafel te zitten
om te proeven van Mijn goedertierenheid die zo hoog als de hemel is, die er ook voor jou is
Mijn trouw, die zichbaar werd op Golgotha en volgende week in brood en wijn.

Je mag komen, om bij Mij onder Mijn vleugels te schuilen, ook jij.
JE mag komen om verzadigd te worden met de overvloed van Mijn huis.

Bij het zien
van al die brokjes
denk ik
het is vogelbrood

Kom maar
schuwe hippe vogel,
kom maar
oude tamme kraai
kom maar
postduif moegevlogen
kom maar
mussen uit de goot.

Bij het zien van al die brokjes
weet ik
het is vogelbrood.

Amen