Alternatieve homiletiek

Alternatieve homiletiek

In de afgelopen jaren ben ik heel wat benaderingen tegengekomen waarvan ik dacht: als ik deze benadering nu eens inzet in het preekproces, kan het mij heel veel opleveren. Hierbij een alternatieve homiletiek.

Deze alternatieve homiletiek is bedoeld als aanvulling op (en niet als vervanging van) het gebruikelijke proces van preekvoorbereiding. Voor mijzelf is de uitwerking hiervan een project waaraan ik tussen de bedrijven door mee bezig ben. In ieder geval in mijn reflectie. En misschien ook wel op papier

Opzet van elk hoofdstuk:
Wie – wat – uiteenzetting – toegepast op de preek – werkvormen – literatuursuggesties

I. Uitzoeken van de Bijbeltekst

1. De Bijbel elementair

2. Curriculum; einddoelen

3. Competentiegericht

4. Waar de kerk van leeft: zekerheid – gemeenschap – leer – sacrament (Christian Möller)

5. De geloofsbelijdenis als gids voor het persoonlijke leven (M. Craig Barnes)

II. Ontsluiten van de tekst

1. Biblioloog & bibliodrama

2. Lectio divina

3. Existentiële bijbeldidactiek (Ingo Baldermann)

4. Laaggeletterdheid

5. Kinder- en jongerentheologie

6. Meisjes en jongens als exegeten

7. Contextuele benadering

III. Boodschap van de preek

1. Elementarisering (Friedrich Schweitzer)

2. Basismotieven in de Bijbel (Gerd Theißen)

3. Motiverende gespreksvoering (Miller & Rollnick)

IV. Prediker

1. De basishouding van Carl Rogers

2. Communicatietheorie van Schulz von Thun

3. Transactionele analyse

4. Geloofwaardig leiderschap (Joke van Saane)

5. Minor poet (M. Craig Barnes)

6. Mystagoog (Henk van der Meulen; Paul M. Zulehner)

V. Hoorder en context

1. De ideale gemeente (bestaat niet) – Eugene Peterson / Reiner Knieling

2. Journalistieke benadering


3. Gevoeligheid voor de sociale milieus (Heinzpeter Hempelmann ea)

4. Dialogisch zelf (Hubert Hermans)

5. Levensloop: preken voor kinderen, jongeren, volwassenen, 50+, ouderen.

6. Pastoraat aan mannen

7. Kerk op het dorp

VI. Preek

1. Theo-poëzie

2. Leren van schrijvers, schilders, fotografen, filmmakers enz

3. De kunst afkijken van Bach en andere musici

4. Het kerklied als levensbegeleider (Michael Heymel)

5. Creative writing

6. Preek als kleinkunst; als song(tekst)

7. Marketing

8. Voetbal & kerk (Christian Möller, Michael Herbst, Thorsten Kapperer)

VII. Eredienst

1. Homiletische presentie

2. Enscenering; toneel


3. Performatieve godsdienstpedagogiek; kerk(ruimte)pedagogiek

4. Het gezangboek (Rainer Braun)


Het unieke karakter van de Afro-Amerikaanse prediking

Het unieke karakter van de Afro-Amerikaanse prediking

De prediking binnen de Afro-Amerikaanse kerken hebben een uniek karakter. Dat stelt Frank A. Thomas in zijn Introduction to the Practice of African American Preaching. Tegelijkertijd komt deze cultuur steeds verder van de realiteit van alledag af te staan.

Thomas is zelf Afro-Amerikaan en Nettie Sweeney and Hugh Th. Miller hoogleraar Homiletiek aan de Christian Theological Seminary te Indianapolis (Indiana) en rector van de aan dezelfde universiteit verbonden Academy of Preaching and Celebration. Hij is een warm pleitbezorger van de Afro-Amerikaanse prediking. Hij doet dat door onder andere preken uit de afgelopen eeuwen te publiceren en nu ook met deze introductie.

51yynlrbv6l-_sx331_bo1204203200_

Mondeling
Het unieke van deze preektraditie is onder andere het mondelinge karakter. Dat maakt het onderzoek al ingewikkeld: de meeste preken zijn niet op papier gezet en de preken die wel zijn gepubliceerd zijn vaak gelegenheidsgeschriften bij een jubileum van een kerk. Lange tijd is de de Afro-Amerikaanse preektraditie onzichtbaar geweest voor de bredere Amerikaanse samenleving en ook voor de homiletiek. In de vroegste fase werd de Afro-Amerikaanse preektraditie alleen bestudeerd door onderzoekers die zich met de Afro-Amerikaanse gemeenschap bezighielden, zoals cultureel antropologen en etnologen. De retorische kracht van preken werd pas zichtbaar in de tijd van de burgerrechtenbeweging uit de vijftiger en zestiger jaren van de twintigste eeuw. Onder andere door de preken en toespraken van Martin Luther King en andere betrokken Afro-Amerikaanse predikanten.

Gestudeerd
De Afro-Amerikaanse preektraditie dateert al uit de 18e eeuw, toen de Afrikanen naar Amerika werden gebracht om daar als slaven op de plantages de dienen. In de eerste tijd hielden zij vast aan hun godsdienstige tradities, die zij uit Afrika meebrachten. Ze deden dat vaak in het verborgen en ‘s nachts. In de 19e eeuw worden veel Afro-Amerikanen christen, door onder andere opwekkingsbewegingen binnen deze gemeenschap. In het noorden, waar de slavernij was afgeschaft, konden Afro-Amerikanen een opleiding volgen en studeren.en waren er ook gemeenten, vooral van Methodische snit, waarin blank en zwart gelijkwaardig lid waren. Hier kwam de intellectuele manier van preken op: Afro-Amerikaanse predikanten die aan een universiteit of een seminarie hadden gestudeerd. Hun preken hadden dezelfde geleerde, rationalistische inslag als de preken van predikanten van wie de oorsprong in Europa lag. Met deze preekstijl wilden de Afro-Amerikaanse predikers laten zien dat zij intellectueel niet onder deden.

58348
(Gardner C. Taylor (1918-2015), “the dean of the nation’s black preachers”,
van wie een preek wordt besproken als voorbeeld van Afro-Amerikaanse prediking. Bron foto: een in memoriam in Christianity Today)

Whooping
In het zuiden, waar de slavernij pas na de Amerikaanse Burgeroorlog werd afgeschaft, bleef de segregatie een veel grotere rol spelen: als Afro-Amerikanen christen werden, kregen ze hun eigen kerken. De voorgangers waren vaak lekepredikers, die het preken hadden geleerd door dat bij andere voorgangers af te kijken en die na te doen. Deze volkse preekstijl was eenvoudiger en emotioneel geladen. Deze predikanten maakten gebruik van whooping: een emotioneel appèl op de gemeente door zangerig te preken of zelfs te zingen en daarbij de gemeente om een antwoord te vragen. Ondanks hun gebrek aan opleiding waren deze predikers heuse dichters, die gebruik maakten van de kracht van de taal.

Retorica
Wat de Afro-Amerikaanse preken bijzonder maakt ten opzichte van de dominante preekstijl van predikanten van wie de oorsprong in Europa lag, was dat voor Afro-Amerikanen retorica niet verdacht was. De preek is geen theoretische uiteenzetting. De boodschap moet immers worden overdragen en dat kan niet zonder een emotioneel appèl op de gemeente.

Profaan
Bijzonder is de Afro-Amerikaanse preektraditie ook doordat er geen groot verschil is tussen de preek in een kerkdienst en verkondiging in het alledaagse leven. Vrouwen die in de kerkdienst niet mochten preken, konden dat wel doen binnen hun gezin of bij bijeenkomsten van de gemeenschap buiten de kerkdienst om. Wie de Afro-Amerikaanse preektraditie wil bestuderen, dient daarom ook breder te kijken dan preek tijdens de kerkdienst. Ook kent deze gemeenschap geen sterk onderscheid tussen heilig en profaan.

Jay-Z
Om dit te illustreren geeft Thomas een homiletische reflectie op de rapper Jay-Z. De song ‘Meet the Parents’ start met een begrafenis van een 15jarige jongen. Deze jongen is doodgeschoten, naar later blijkt door zijn eigen vader die zijn zoon na de geboorte verliet.

Predikanten kunnen veel van Jay-Z leren, aldus Thomas. Jay-Z wil met zijn songs maximaal effect sorteren. Predikanten mogen bij hun preken dat meer bedenken. Daarnaast wil Jay-Z authentiek zijn en contact houden met waar hij vandaan komt. Van rappers die door succes zich anders gaan kleden en gedragen, moet hij niets hebben. Jay-Z deinst er niet voor terug om moeilijke thema’s zoals geweld binnen de Afro-Amerikaanse gemeenschap en de verbroken gezinnen aan de orde te stellen. De details van de songs laten merken dat hij weet waarover hij het heeft. Predikanten doen er goed aan om niet alleen geestelijke thema’s aan de orde te stellen, maar ook wat er leeft in de maatschappij. Daarbij is het wel een vereiste dat zij weten waar ze het over hebben en zich daarover desnoods laten informeren.

Distantie
Thomas is onder de indruk van de geschiedenis van de prediking binnen de Afro-Amerikaanse gemeenschap. Hij maakt zich wel zorgen over de toekomst. Hij signaleert dat veel Afro-Amerikaanse kerken hun tieners niet kunnen vasthouden, omdat zij bepaalde thema’s uit de weg gaan. Bovendien zijn veel Afro-Amerikaanse kerken conservatief in hun opvattingen en thematiseren ze niet de tweederangspositie van de Afro-Amerikanen binnen de samenleving, het geweld tegen Afro-Amerikanen en het geweld binnen deze gemeenschap.

#BlackLivesMatter
Doordat de huidige beweging, die opkomt voor de rechten en de plek van de Afro-Amerikaanse gemeenschap, zoals #BlackLivesMatter, ook opkomt voor de rechten van de LBTQ-gemeenschap, distantiëren veel kerken zich van deze beweging. Bij de burgerrechtenbeweging uit de jaren’50 en -’60 waren de kerken meer betrokken. Ook toen ging het om een minderheid van de kerken en de predikanten. De angst van Thomas is dat de Afro-Amerikaanse kerken door hun afwijzende houding en het uit de weg gaan van deze maatschappelijke thema’s de band met hun jongeren kwijtraakt en de kerken irrelevant worden voor de opgroeiende Afro-Amerikanen.

Zie ook de websitie en het YouTubekanaal van Frank A. Thomas. Deze recensie verscheen ook op 28 februari in het Friesch Dagblad.

N.a.v. Frank A. Thomas, Introduction to the Practice of African American Preaching (Nashville: Abingdon Press, 2016)

Gepassioneerde prediking: de Gekruisigde voor ogen schilderen

Gepassioneerde prediking: de Gekruisigde voor ogen schilderen

Vanaf het ontstaan is de boodschap van het christendom de gekruisigde Christus geweest. In de laatste eeuwen is er binnen bepaalde stromingen van het christendom verzet geweest tegen de betekenis van Christus die gekruisigd is. Deze kritiek is in de afgelopen decennia veel sterker geworden en is invloedrijk in de kerk en theologie in West-Europa. Tegen de achtergrond van deze vraag stelt Michael Herbst zich de vraag, hoe in deze tijd gepreekt kan worden over de gekruisigde Christus.

Herbst is hoogleraar Praktische Theologie aan de Universiteit van Greifswald, waar hij zich onder meer bezig houdt met de homiletiek. Herbst is tevens directeur van het missionaire Instituut voor Evangelisatie en Gemeenteopbouw.
Hij begint zijn uiteenzetting met de boodschap van Paulus: aan de Galaten schrijft hij dat hij hen u steeds Jezus Christus eerder voor ogen heeft geschilderd alsof Hij onder hen gekruisigd was (Galaten 3:1). Tegen de Korinthiërs zegt hij dat hij geen andere boodschap heeft dan Christus, die is gekruisigd (1 Korinthe 2:2).

grunewald372

Troost
Ook de reformator Maarten Luther heeft deze boodschap in zijn preken en pastoraat centraal gesteld. Zo schrijft hij in een pastorale brief aan Georg Spenlein, dat hij zich steeds de gekruisigde Christus voor ogen moet houden, over de betekenis voor hemzelf moet nadenken en de gekruisigde Christus moet aanbidden als degene die ook voor hem gestorven is.

Ook in zijn liederen klinkt deze boodschap door. Zijn lied Verheug u, christenen, tesaam (Gezang 402, Liedboek 1973) is een ballade, die erover zingt wat de gekruisigde Christus voor de gelovige en de gemeente betekent. In vers 4 schildert Luther de hemelse dialoog tussen Vader en Zoon:

Toen zag God in de eeuwigheid
mijn mateloze ellende
en haastte zich, te rechter tijd
mij, arme, hulp te zenden.
Mijn Vader, want Hij wendde mij
zijn hart vol liefde toe, ja Hij
liet het zich ’t liefste kosten.

In vers 7 en 8 wat Christus tegen de gelovige persoonlijk zegt:

Hij sprak tot mij: Zie, het is nu
de kentering der tijden.
Ik heb mijn leven veil voor u,
Ik zelf zal voor u strijden.
Want Ik ben de uwe, gij zijt mijn,
en waar Ik ben, daar zult gij zijn,
geen vijand zal ons scheiden.

De vijand zal Mij ’t hartebloed,
het leven zelfs ontroven,
’t is u ten goede, en daar moet
gij rotsvast in geloven.
Mijn leven overwint de dood,
mijn onschuld delgt uw schulden groot,
En zo zijt gij behouden.

Luther-Predigt-LC-WB

Christelijke prediking, zo geeft Herbst aan, is in wezen gepassioneerde Christusprediking. Wanneer Christus centraal staat, kan men niet om het kruis heen. De gekruisigde Christus en de betekenis van Zijn sterven aan het kruis voor ogen schilderen is een kerntaak van de christelijke verkondiging. In die verkondiging moet steeds worden bedacht en doorgegeven, dat dit sterven aan het kruis – zoals de liederen van Luther ook aangeven – tot onze troost is.

Omstreden thematiek
Dat wil niet zeggen dat deze kerntaak om de gekruisigde Christus voor ogen te schilderen eenvoudig is. Allereerst omdat de thematiek van de gekruisigde Christus tegenwoordig niet alleen buiten de kerk maar ook binnen de kerk omstreden is. Veel kerkgangers vragen zich af, wat voor God dat is die Zijn eigen Zoon of de mens Jezus opoffert.

Crucifix-strijd
In Duitsland zijn er in het afgelopen decennium enkele voorbeelden geweest die de betekenis  van het kruis laten zien.
Vanaf de jaren-’90 is er in de deelstaat Beieren een discussie over crucifixen in schoolgebouwen. Ouders die geen christelijke achtergrond hebben, hadden via de rechter afgedwongen dat de kruisbeelden werden verwijderd uit de openbare schoolgebouwen. Van christelijke ouders en van kerken kwam er protest, omdat de kruisbeelden aangeven dat Duitsland een christelijke traditie kent. In 2009 gaf de Europese rechter de ouders, die om een verbod vroegen, gelijk. Met als argument dat het kruis niet zo maar een symbool is, maar een duidelijk symbool is dat verwijst naar waar het christendom voor staat. Het kruis is geen nationaal, maar religieus symbool.
Herbst tekent hierbij aan dat de Europese rechter veel duidelijker dan kerken en theologen weet aan te geven wat de betekenis van het kruis voor het christelijk geloof is. Vooral degenen die geen christelijke achtergrond (meer) hebben, ervaren het ergerlijke en aanstootgevende van het kruis. In plaats van kritisch te zijn op de klacht van de ouders en de uitspraken van de Beierse en Europese rechters zouden de kerken juist dankbaar moeten zijn dat het kernachtige symbool van het christelijk geloof zo sterk spreekt en dat het ergerlijke en aanstootgevende voor buitenstaanders zo helder is.

Navid Kermani
Ook in de discussie over de opmerkingen van Navid Kermani zitten de kerken mis. Herbst ziet de kerkelijke reactie bijvoorbeeld kardinaal Lehmann als een theologisch bedrijfsongeval, waarbij men de kans laat liggen om aan te geven welke betekenis de gekruisigde Christus heeft voor christenen.
Wat is het geval? De moslim en oriëntalist Navid Kermani heeft zich over het kruis uitgelaten: Hij ervaart het kruis als negatief. Het kruis is niet een onschuldig symbool, maar roept om zich af te wenden. Hij neemt radicaal afstand van het kruis: het kruis is godslastering en afgodenverering.
Als in 2009 kardinaal Lehmann en Peter Steinacker samen met Kermani zijn voorgedragen voor de Hessische cultuurprijs, geven Lehmann en Steinacker aan dat zij de prijs niet samen in ontvangst kunnen nemen met Kermani vanwege zijn uitspraken over de gekruisigde Christus.
Deze houding van Lehmann en Steinacker heeft voor veel discussie en kritiek gezorgd. Herbst vraagt zich verbaast af, waarom deze vooraanstaande christenen niet hebben gezien dat de woorden van Kermani een goede illustratie zijn van wat Paulus schrijft over het aanstootgevende en het ergerlijke van het kruis. Deze moslim heeft het kruis beter begrepen dan die vooraanstaande christenen.
Hersbt bekritiseert Lehmann en Steinacker ook dat ze door hun verontwaardiging niet verder hebben gelezen. Kermani gaat namelijk verder en schrijft dat over een altaarbeeld van Guido Reni in de San Lorenzo in Lucina (Rome):

‘Toen zat ik voor het altaarbeeld van Guido Reni in de San Lorenzo in Lucina. Ik vond de aanblik zo indrukwekkend, zo vol zeggen, dat ik het liefst nooit meer was opgestaan. Voor het eerst dacht ik: Ik – niet alleen: men – ik zou in een kruis kunnen geloven.’

sllcrocifissoguidoreni

Kermani blijft volhouden dat hij Jezus niet kan zien als Gods Zoon of als een door God gezondene. Toch is deze ‘belijdenis’ van een moslim bijzonder. Door de gekruisigde Christus voor ogen geschilderd te zien, ervaart deze moslim iets van het geheimenis van God.
De prijs is uiteindelijk wel gezamenlijk uitgereikt, maar de schade is groot: in plaats van een missionaire dialoog grepen de vooraanstaande christenen terug op een machtsmiddel.

Herbst vraagt zich af of de kerken niet teveel bezig zijn om het ergerlijke en aanstootgevende af te zwakken. Hij vraagt zich tevens af, of deze strategie wel zinvol en gepast is. Zou het niet beter zijn om dit aanstootgevende te laten staan en anderen uit te nodigen om te ontdekken welk heil en welke troost er in het kruis verborgen is.

Binnenkerkelijke kritiek
Niet alleen buiten de kerk maar ook binnen de kerk reageert men op het ergerlijke en aanstootgevende van het kruis. Binnen de kerken is er veel verlegenheid met de gekruisigde Christus en kan men niet meer de troost van de gekruisigde Christus ontdekken. In preken op Goede Vrijdag wordt dan niet meer de gekruisigde Christus voor ogen geschilderd, maar wil men een pastorale boodschap brengen (God staat aan de kant van degenen die lijden) of een ethische boodschap (zoals Jezus aan de kant van degenen die lijden stond, zo hebben wij aan de kant van degenen die lijden te staan).
Deze verlegenheid kan ook omgezet worden in een programma. De theoloog en journalist Matthias Morgenroth voert een pleidooi om het christendom van Goede Vrijdag en Pasen te vervangen door een Kerst-christendom, waarbij de kribbe – en niet meer het kruis – het centrale symbool van het christendom wordt.
Veel moeite is er met de gedachte dat er aan het kruis sprake is van plaatsvervanging en verzoening. Waarom heeft God een bloedig offer nodig? Hij kan toch ook vergeven zonder offer? Hoezo kunnen wij vervangen worden?

Volgens Herbst is het goed om deze kritiek serieus te nemen. Bepaalde elementen uit deze kritiek is terecht: zoals het beeld van een wrede, sadistische God die zijn gram haalt via een ander. Tegelijkertijd wordt er in de kritiek teveel overhoop gehaald en worden er karikaturen gemaakt van wat er in de Bijbel en in de Reformatie is gezegd. Wat Herbst vooral verbaast, is dat de kritiek op het kruis en de betekenis daarvan meer afkomstig is uit onze eigen cultuur dan uit een goed lezen van wat er in de Bijbel staat.

Verzoening ondanks het kruis
De verlegenheid en de kritiek heeft ook tot een tegenreactie geleid. Bijvoorbeeld van de praktisch-theoloog Reiner Knieling. Herbst vindt de poging tot rehabilitatie van de gekruisigde Christus van belang, omdat Knieling een belangrijke stem is in het missionaire debat in Duitsland.
Herbst neemt wel een verschuiving waar bij Knieling: kan Knieling in zijn onderzoek naar preken over Pasen, Goede Vrijdag en Kerst nog uitgaan van de plaatsbekleding, in latere boeken laat hij dit punt varen. In zijn homiletiek (2009) spreekt Knieling over een verdamping van de christelijke traditie in een postmoderne tijd. Veel onderdelen van het christelijk geloof moeten opnieuw worden uitgelegd en zeker de theologie van het kruis. Wat wil Knieling?
(1) Navertellen van de geschiedenis van de kruisiging, waarbij Jezus de liefdesverklaring van God aan mensen is. Deze liefde gaat zover, dat Jezus zich laat kruisigen. De verzoening vindt dan echter niet plaats door het kruis, maar ondanks het kruis. Zelfs het kruis kan Gods liefde niet afwijzen. Het kruis is de prijs die God bereid is te betalen voor Zijn liefde. Het kruis is de uiteindelijke consequentie van Gods liefde.
(2) In de kruisiging handelt God. Hier volgt Knieling – in de ogen van Herbst doet Knieling dat terecht – de theologen Otfried Hofius en Hartmut Gese.
Conclusies van Knieling:
– Jezus is groter dan onze duidingen. In een gemeente met verschillende stemmen is het goed om de veelkleurigheid met betrekking tot de duidingen van het kruis serieus te nemen.
– In de liturgie moeten liederen, die spreken over de toorn van God, niet te snel meer gezongen worden, omdat deze liederen veel misverstanden oproepen.
– In de boodschap van het kruis moet de passie van God voor mensen worden verkondigd.

Herbst waardeert de poging van Knieling, maar vindt de gedachte dat de verzoening niet door het kruis, maar ondanks het kruis tekort schieten. Op die manier kan men niet gepassioneerd spreken over de gekruisigde Christus.

Plaatsbekleding – voor ons en niet voor God
In de theologie kan er gesproken worden over de hedendaagse Tübinger School met theologen als Bernd Janowski, Peter Stuhlmacher, Hartmut Gese, Otfried Hofius. Deze ‘school’ houdt vast aan de plaatsbekleding van Christus en wijst op de betekenis van het Oude Testament in het geheel. Niet God moet verzoend worden, maar de wereld die zich tegen God heeft gekeerd moet worden verzoend.
De oudtestamenticus Bernd Janowski heeft zich bijvoorbeeld intensief bezig gehouden met dit thema. Hij geeft aan dat de thematiek van de zondebok (Leviticus 16) en het plaatsvervangende offer (Jesaja 53) van grote betekenis zijn om het kruis op Golgotha te begrijpen. In de verzoening wordt de mens gereinigd van de zonde (Romeinen 3:25). Jezus sterft niet voor God, maar voor ons.

Anselmus
Wie nadenkt over de kruisiging, plaatsbekleding en verzoening komt op een gegeven moment bij Anselmus van Canterbury uit. Nu bestaan er veel karikaturen over zijn theologie, alsof Jezus moest sterven om de geschonden eer van God te herstellen. De karikaturen gaan voorbij aan de wezenlijke vraag, waar het voor Anselmus om draaide: Waarom moest de almachtige God een kwatsbaar mens worden. Deze vraag draait om het moeten, om de noodzakelijkheid van dit gebeuren.
Anselmus geeft aan dat de mens voor de zaligheid was bestemd maar door de val een zondaar geworden is die verzoening nodig heeft. De mens heeft Gods eer geroofd. De zonde heeft ook de orde in de schepping verstoord. Als God ons zou straffen, zouden we niet zalig worden en mist God zelf het doel van Zijn schepping. In het kruis gaat het om het herstel van de geschonden orde. Daarbij moet de ernst van de zonde bedacht worden. God kan niet zomaar over de zonde heen stappen, omdat hij anders onrecht zou vergoelijken. Gods toorn is geen duistere emotie, maar de keerzijde van Zijn liefde. In het kruis laat God Zijn bereidheid zien zelf dat onrecht op zich te willen nemen. Het gaat niet om de zwaarte van het lijden, maar om Wie er aan het kruis lijdt: Christus die in overeenstemming met Gods liefde en Gods wil tot heil vrijwillig zich geeft. God heeft het lijden en sterven van Jezus niet nodig voor zichzelf, maar voor het herstel van de schepping. De doordenking van Anselmus is juist gericht tegen een wrede, willekeurige God die zomaar straft.

Waarom moest Jezus dan lijden? Moest het zo gebeuren? Dit moeten, is volgens Herbst, geen moeten uit dwang. Het is een moeten uit liefde: zie de hemelse dialoog in het lied van Luther.
Wanneer we niet bij God beginnen, maar bij de mens die betekenis moet geven aan het gebeuren van het kruis, lopen we het gevaar weer theologisch terug te vallen in zelfverlossing en gaan we er aan voorbij dat in het sterven van Christus de goddeloze wordt gerechtvaardigd. Nogmaals: het aanstootgevende en ergerlijke moet niet worden afgezwakt, maar uitgelegd welk heil en welke troost er schuil gaat in het kruis van Christus.

Wat betekent dat nu voor de prediking?
(1) Navertellen
Het beste wat men kan doen is het gebeuren, die op christelijke feestdagen centraal staan, navertellen van wat er op deze dag in de hemel en op aarde gebeurt (Walter Lüthi). Rudolf Bohren voegt daar aantoe, dat men niet moet onderschatten hoe moeilijk dit navertellen is.
In een narratieve prediking wordt Christus voor ogen geschilderd en worden de gemeenteleden uitgenodigd en meegenomen op de weg van Christus naar het kruis. Herbst voegt hieraan toe, dat het van belang kan zijn om de theologische betekenis in de navertelling in te voegen. Een narratieve verkondiging staat niet haaks op een dogmatische preek. Beide kunnen elkaar versterken: het verhaal kan vooraf gaan om de inhoud uit te leggen. De inhoud kan helpen de diepgang en de betekenis van het verhaal uit de doeken te doen. Het gaat niet om zomaar een historisch verhaal, maar zoals Friedrich Mildenberger in zijn Kleine Predigtlehre terecht opmerkte, over de geschiedenis van God. Juist hier. En deze geschiedenis is ons leven.

(2) De beelden natekenen
Dit is een variant op de narratieve verkondiging. Bij het natekenen van de beelden gaat de preek na wat de betekenis en de diepgang van de in de Bijbel gebruikte beelden is. De ervaringen die in die beelden aanwezig is, is niet eens zo ver van de hedendaagse ervaring verwijderd. Romans, verhalen en films kunnen helpen om analogieën voor het gebeuren aan het kruis te vinden. Daarbij moet men wel rekening houden met de grenzen van de analogie: de dood van Christus is uniek en kan niet te snel met iets anders worden vergeleken. Het is een gevaar om een ingewikkelde dogmatiek te vervangen door eenvoudige verhalen en ervaringen. Daarmee kan de predikant zijn gemeente wel op een verkeerd spoor zetten. Centraal moet blijven staan dat in het sterven van Christus iets gebeurt, dat alleen God kan doen.

(3) Pleidooi voor een apologetische prediking van het kruis
Omdat het gebeuren van het kruis binnen en buiten de gemeente niet helder is, kan een themapreek helpen om de betekenis uit te leggen en met de gemeente nadenken over het geheimenis van het gebeuren van het kruis. De verkeerde interpretaties kunnen dan worden bestreden en de juiste interpretaties uitgelegd worden. In de preek kan dan uit de doeken gedaan worden wat Paulus, Lukas, Johannes of Markus bedoelde en ook wat de Joodse wortels zijn van het apostolisch geloof.

(4) De gekruisigde Christus voor ogen schilderen
Bij het kruis gaat het niet alleen maar om het gebeuren als zodanig, maar ook om de betekenis voor ons en de troost en heil die in het gebeuren besloten ligt. Wanneer de gekruisigde Christus voor ogen geschilderd wordt, is dat tot onze troost en tot ons heil. Waarbij de gemeente ook leert om in de aanvechtingen zich tot de Gekruisigde te wenden en zich aan Hem vast te klampen en Hem te vertrouwen en te belijden. Deze vorm van prediking hoeft niet alleen op kerkelijke ‘insiders’ gericht te zijn. Zo’n prediking kan ook de ‘buitenstaanders’ uitleg geven en uitnodigen mee te doen.

N.a.v. Michael Herbst, ‘Passionierte Predigt: Den Gekreuzigten vor Augen malen. Systematische und praktische Überlegungen zu einem umstrittenen Thema,’ Theologische Beiträge 41/5, oktober 2010, 314-334.

 

Preken in beelden – deel 1

Preken in beelden – deel 1

De preekvoorbereiding levert een ‘mooie rotzooi’ op: informatie uit de exegese, overwegingen uit de Bijbelse en systematische theologie, gedachten over wat er in de gemeente en in de maatschappij leeft. Hoe kan een predikant van die ‘mooie rotzooi’ een goed opgebouwd, verantwoord en artistiek uitdagende preek maken?

Het verzamelen van informatie kan hard werken zijn, maar kan wel volgens een methodisch gestructureerde werkwijze. Doordat de opbouw en de uitwerking van de preek een beroep doet op de creatieve kant van de predikant kan hij tijdens deze fase van de preekvoorbereiding veel minder methodisch werken.

Er zijn wel pogingen gedaan in de homiletische discussie om hier wat structuur en methodische werkwijze aan te bieden. Er wordt voorgesteld om voor de opbouw en uitwerking een boodschap (theme sentence, focus) en een doel (goal statement, function) te verwoorden.

beeld of scène
Volgens Peter Jonker, predikant van de LaGrave Avenue Christian Reformed Church, prikkelen deze opgestelde boodschap en  doel zelden de creativiteit, die een predikant nodig heeft bij de opbouw en uitwerking van de preek. Een predikant wordt zelden zelf geïnspireerd door zijn geformuleerde boodschap en doel. In zijn boek Preaching in Pictures stelt hij daarom voor om naast de boodschap en het doel ook een evocatief beeld of een evocatieve  scène te bedenken, die bepalend is in de preek. Dit beeld of deze scène prikkelt een predikant om aan zijn preek te werken.
In zijn boek Preaching in Pictures wil hij enkele handvatten aanreiken, waardoor de predikant tijdens het proces van preekvoorbereiding methodisch en gestructureerd kan werken gedurende de creatieve fase.

 

preaching-in-pictures
Script van de preek: de 4 pagina’s
Jonker werkt met de 4 pagina’s van de preek, zoals die door Paul Scott Wilson zijn geformuleerd. Deze 4 pagina’s bevatten het script van de preek, zoals een film ook een script bevat. Aan de hand van dit script dient de predikant de preek voor zich te zien als een film die voor zijn ogen afspeelt. De eerste pagina verbeeldt de trouble (nood, zonde, gemis) in de Schrift. Op de tweede pagina wordt verbeeld hoe die trouble overeenkomt met trouble in onze eigen tijd. Tijdens deze twee eerste pagina’s wordt het menselijk handelen (of zo nodig tekortschieten) verbeeldt. Op de laatste twee pagina’s is de aandacht voor wat God doet. Allereerst Gods handelen in het Bijbelgedeelte (pagina 3) en vervolgens analoog daaraan Gods handelen in het heden (pagina 4). Deze pagina’s vormen gelijk de opbouw van de preek, waarbij de predikant zonodig kan variëren met de volgorde van de pagina’s.

Om de predikant te helpen geconcentreerd te blijven tijdens de preekvoorbereiding en de uitwerking van de preek geeft Wilson een focus:

  • Eén tekst (Text)
  • Eén boodschap van de preek (Theme Sentence)
  • Eén dogmatische locus (Doctrine)
  • Eén zorg of vraag in de gemeente (Need)
  • Eén beeld dat in de preek op alle pagina’s kan terugkomen (Image)
  • Eén concrete aanwijzing voor het handelen (Mission)

    Met als ezelsbruggetje: The Tiny Dog Now Is Mine.


Een bepalend beeld of een bepalende scène kan op alle pagina’s terugkomen.

In de leer bij poëten
De predikant is niet de enige die op een creatieve manier met beelden en verbeelding werkt. Schrijvers en dichters werken vaak heel nauwkeurig met beelden en verbeelding. Een predikant kan veel van hen leren als het gaat om de creatieve verwerking van beelden in een tekst. Ook schrijvers en dichters verzamelen een ‘mooie rotzooi’ voordat zij aan het daadwerkelijke schrijven gaan. Dat verzamelen van de informatie is een wezenlijk onderdeel van het schrijfproces.

Waar begint een dichter? Het is een reis, zoals dichter Robert Frost verwoordde, van  verrukking naar wijsheid. Hij begint allereerst bij de observatie. Vaak van alledaagse voorwerpen of gebeurtenissen. Zij observeren die gebeurtenissen of voorwerpen tot zij er een diepere betekenis in zien. Nauwkeurig bestuderen en analyseren zij die gebeurtenis of voorwerp, totdat ze meegenomen worden in een soort verrukking waardoor het hen opvalt wat dat voorwerp of die gebeurtenis aan diepere waarheid wil laten zien. Daarbij waken zij zich ervoor, dat ze abstract gaan formuleren. ‘Go in fear of abstractions’, gaf Ezra Pound als regel mee.

De predikant kan hiervan leren, dat hij steeds blijft bedenken dat abstracte theologische begrippen concreet, beeldend en met oog voor detail verwoord moeten worden.

In de leer bij beeldend kunstenaars
Schrijvers en dichters zijn niet de enige kunstenaars die met beelden werken. Vandaag de dag zijn er grote meesters van het creatieve, evocerende beeld actief in de wereld van reclame, mode en de film. Voor een predikant zijn deze meesters van het creatieve beeld misschien ongebruikelijke compagnons. Toch is het zinvol om hun werkwijze nauwkeurig te observeren:
(1) Het kan helpen om door te krijgen hoe kijkers met beelden gemanipuleerd kunnen worden.
(2) Het kan helpen om te bedenken hoe de predikant beelden die op consumptie gericht zijn kan tegenspreken met aantrekkelijke beelden.

De theoloog James K.A. Smith ging bijvoorbeeld na hoe reclamemakers werken. Zijn stelling is: De kerk is bezig om de nieuwe generatie een bepaald wereldbeeld aan te leren door leerstellige waarheden over te dragen en raakt daarbij het hoofd, terwijl de rest die de jongeren wil overhalen door middel van beelden hun harten te veroveren. Een voorbeeld dat hij daarbij geeft is de lingeriereclame van Victoria’s Secret, die 12jarigen aan de lingerie wil hebben.

Voorheen wierf de reclame door voor te houden dat het leven werd verbeterd als er een bepaald product werd aangeschaft. Tegenwoordig zijn alle producten zo goed als aangeschaft en suggereren de reclamemakers in de reclame een nieuw leven of een nieuwe wereld. In de reclame wordt aangestuurd op identificatie. Omdat voor elkaar te krijgen creëren reclamemakers in de reclame beelden en verhalen die aan een bepaald merk gekoppeld worden. In de reclame gaat het beeld aan het verhaal vooraf en roepen die beelden reeds impliciet een verhaal op.
In de preek vertellen predikanten vaak eerst de uitleg en geven daarna een illustratie. Peter Jonker daagt uit om de volgorde om te draaien:

  • Mits ze niet teveel voor de hand liggen, doen verhalen een beroep op de verbeelding.
  • Uitleg vooraf stuurt reeds de verbeelding.
  • Wanneer het affectieve vooraf gaat aan het cognitieve wordt het beter onthouden.


Een goed beeld of een goede scène dient wel in een geloofwaardig kader te worden geplaatst.

Hoe kan een bepalend beeld worden gevonden?
Een methode om een bepalend beeld te vinden is de methode van de lectio divina:
(1) Voorbereiding: stil worden, stilte opzoeken.
(2) Aandachtig lezen van een korte perikoop.
(3) Meditatie van die perikoop.
(4) Contemplatie van die perikoop.

Een andere methode is de werkwijze van dichters overnemen. Linda Gregg geeft haar leerlingen de opdracht om 6 dingen elke dag nauwkeurig te observeren. Toegepast op de preekvoorbereiding: schrijf alle voorwerpen of gebeurtenissen in een verhaal op en analyseer deze voorwerpen of gebeurtenissen over verschillende dagen nauwkeurig. Liefst in het echt, maar als dat niet kan via de verbeelding.
Werkwijze:
(1) Beschrijf op welke manier dit beeld of deze scène je zintuigen raakt.
(2) Beschrijf op welke manier het beeld of deze scène zich presenteert aan de gevoelens en emoties.
(3) Beschrijf op welke manier je met je verstand nadenkt en reflecteert op dat beeld of op die scène. Hoe denk je over wat je registreerde met je zintuigen? Hoe denk je over wat je voelde met je gevoelens en emoties?

Verbeeld een luisteraar
Daarnaast is het goed om het Bijbelgedeelte, de voorwerpen en de scènes vanuit verschillende perspectieven te bekijken. Neem in je gedachten een van de kerkgangers en verbeeld hoe die reageert met zijn of haar zintuigen, emoties en gevoelens en verstand op de beelden en de scènes. Kies daarbij niet direct voor de hand liggende kerkgangers.

Een mooi voorbeeld hiervan is het boek Psalm 23 van Tim Ladwig, waarbij hij de regels van de Psalm verbeeldt aan de hand van ervaringen van enkele kinderen uit een Afro-Amerikaans gezin uit een voorstad in de VS.

Een ander mooi voorbeeld is een vrouw die in de dankdienst voor haar leven Psalm 16 wilde. De echtgenoot van deze vrouw was predikant. De man overleed jong en zij bleef achter met 3 jonge kinderen. Zij hertrouwde nooit, maar koos voor de opvoeding van de 3 kinderen. Dat kost niet veel moeite om dat te verbeelden: Een alleenstaande moeder, krap bij kas, die elke minuut van haar leven besteedde aan werk of aan de opvoeding van de kinderen, ligt alleen in het tweepersoonsbed. Ze kan niet slapen, maar ligt wakker en ze denkt aan de regels uit Psalm 16: De meetsnoeren zijn voor mij in lieflijke plaatsen gevallen (vers 6); Ik loof de HEERE, Die mij raad heeft gegeven, zelfs ’s nachts onderwijzen mij mijn nieren (vers 7).

[Het laatste hoofdstuk gaat over beamergebruik in de eredienst. Dat is een ander chapiter en dat zal in een aparte blog aan de orde worden gesteld.]

N.a.v. Peter Jonker, Preaching in Pictures. Using Images That Connect. The Artistry of Preaching Series 3 (Nashville: Abingdon Press, 2015).

Separerende prediking

Separerende prediking

Vanuit de zorg dat binnen de gereformeerde gezindte de separerende prediking dreigt te verdwijnen, heeft ds. A. Moerkerken een boekje uitgegeven waarin hij het belang van de separerende prediking benadrukt.

Separerende prediking gaat ervan uit dat er in de kerkelijke gemeente twee soorten mensen zijn: degenen die bekeerd zijn en degenen die onbekeerd zijn. Separerende prediking is prediking die rekening houdt met deze tweedeling in de gemeente. Degenen die tot Gods volk behoren, de bekeerden, worden in de preek onderwezen, gesticht en vermaand. Degenen die nog onbekeerd zijn worden ontdekt aan hun doodse leven zonder God, worden gewaarschuwd en genodigd.

Staat en stand
In de gemeente is er dus een tweedeling tussen bekeerden en onbekeerden. De bekeerden zijn de levend en de onbekeerden zijn de dood. Dit is het onderscheid naar staat. Binnen de beide groepen, staten, zijn er verschillende onderverdelingen en nuanceringen mogelijk. Dat zijn de standen.

In separerende prediking verdedigt ds. Moerkerken de prediking en de leer van de Gereformeerde Gemeenten. Tussen de regels door is te merken dat er op zowel de prediking en de leer geregeld kritiek geleverd wordt. Daarom geeft ds. Moerkerken in het eerste deel een kort overzicht van de preekvoorbereiding. Daarmee geeft hij inzicht aan degenen die geïnteresseerd zijn of kritisch zijn. Tegelijk geeft hij collega’s tips met betrekking tot de voorbereiding en de opbouw van de preek. In het tweede deel wil hij de separerende verdediging vanuit de Schrift, de belijdenisgeschriften en de kerkgeschiedenis verdedigen.

Uitwerking
Over separerend preken wordt in het homiletische debat nauwelijks meer nagedacht. Daarom is het van belang de waarschuwende stem op te merken. Alleen de manier waarop hij de separerende prediking uitwerkt ben ik niet gelukkig.

Allereerst is het meer een pamflet dan een onderbouwde studie, meer een noodkreet dan een boek waarin je kunt vinden hoe een separerende preek wordt voorbereid en gehouden. Helemaal helder is het niet tegen wie hij zich richt. Karikaturen over de separerende prediking en over de prediking in de Gereformeerde Gemeenten wil hij weerleggen, maar houdt karikaturen over andere kerken levend. Wanneer hij bij zijn ‘echte punt’ komt, schakelt hij over op tale Kanaäns en verwijst hij door naar een boekje van prof. Wisse.

Hoe
Moerkerken baseert zijn boekje naast aanwijzingen uit de Nadere Reformatie ook op homileten als T. Hoekstra en K. Dijk. Hij laat hen uitgebreid aan het woord, terwijl hij op andere plaatsen in het boek de manier van preken in deze kerken bekritiseerd. Hoekstra en Dijk zijn de meest recente homileten die in dit boekje aan de orde komen. Moerkerken heeft de ontwikkelingen in de afgelopen halve eeuw niet verwerkt. Ik bedoel dat niet als verwijt, maar als gemiste kans. Want aan de ene kant zullen die ontwikkelingen er toe hebben bijgedragen dat de separerende prediking geen aandacht meer kreeg. Aan de andere kant kunnen die ontwikkelingen helpen om het hoe van de separerende prediking uit te werken:

Aandacht voor de hoorder
* Neem de aandacht voor de hoorder, die er vanaf de jaren’-60 is. De preek is niet gericht op mensen die in een dogmatische categorie zijn in te delen, maar op mensen van vlees en bloed. Dat wil niet zeggen dat een onderverdeling in standen onzinnig is. Bij het lezen van dit boekje bedacht ik dat zo’n onderverdeling in standen in de missionaire doordenking wel eens heel zinnig zou kunnen zijn. Waar het mij om gaat is dat in de preekvoorbereiding en het voordragen van de preek de predikant is gericht op de mensen, zoals die voor hem zitten en zijn preek aanhoren en verwerken.

De prediker als persoon
* Er is aandacht gekomen voor de prediker als persoon. De predikant is de eerste hoorder. Elke separerende preek heeft de prediker eerst op zichzelf toegepast. Slaat de prediker deze stap te snel over dan stelt de prediker zich boven de gemeente en wordt hij hoogmoedig. Alsof hij zonder enige zonde is. Wanneer de predikant zich echt laat aanspreken door Gods woord wordt de preek en de predikant authentieker.

Dynamischere preekvorm
* Er is aandacht gekomen voor  een andere preekvorm die veel dynamischer is. Veel gemeenteleden leven in een tijd waarin er veel geschakeld moet worden en waarin voorspelbaarheid al snel als saai wordt ervaren. In de New Homiletic zijn er dynamischer modellen gekomen, waarbij de gemeente meegenomen kan worden op een reis. Wie wil onderscheiden naar standen, zou zijn licht eens kunnen opsteken bij verschillende aanhangers van de New Homiletic.

Gevoeligheid voor taal
* Er is gevoeligheid gekomen voor taal. Woorden kunnen onbewust uitsluiten. Typeringen kunnen onbewust beschadigen. Woorden en uitdrukkingen dienen wel begrepen te worden. Separerende prediking zal vaak scherp zijn. Dat vraagt om een zorgvuldige analyse in de preekvoorbereiding of de gebruikte woorden en beelden wel door de beugel kunnen. Wat ik nogal eens terughoor, is dat preken niet begrepen worden of als heel scherp ervaren werden zonder dat er concrete aanleiding toe was.

Recht in de ogen
* Een predikant is niet alleen prediker, maar ook pastor. Wat de predikant in de preek aangeeft, moet hij in een gesprek één-op-één kunnen volhouden. De predikant dient de aangesprokene, de gewaarschuwde na afloop recht in de ogen te kunnen kijken, waarbij hij de ander blijft zien als een mens voor Gods aangezicht.
De praktijk van preken dient ook vanuit de pastorale gesprekken gevoerd te worden, waarbij de predikant oog en oor krijgt voor de verschillende nuances waarmee mensen hun verhaal, hun worstelingen en hun ‘standen’ vertellen.

Onderscheid der geesten
* Om separerend te kunnen preken is het van groot belang om onderscheid te kunnen maken tussen de geesten. In de preek gaat het niet om mijn waarheid, om mijn theologie, om mijn kerkvorm.  Steeds dient onderscheid gemaakt te worden mijn waarheid, mijn theologie, mijn uitleg en mijn kerkvorm weleens behoorlijk van de Bijbel kunnen afvallen. Kritiek vraagt dan niet allereerst om zelfverdediging, maar om zelfonderzoek.
Daarnaast is het van groot belang om geestelijk leven scherp te onderscheiden van psychische processen. Mijn ervaring is dat veel mensen deze thematieken nogal eens verwisselen. Ze vertellen over hun geestelijke ervaringen, terwijl het meer iets psychisch is. Dat psychische werkt dan wel door in de relatie met de HEERE, maar het is zaak om niet te snel met geestelijke verklaringen te komen.

Oecumene
* In de laatste decennia is er veel contact tussen de kerken onderling. De polemiek tussen kerken heeft steeds meer plaatsgemaakt voor het gesprek, een gesprek van hart tot hart voor Gods aangezicht. Daarbij komt naar voren dat de tegenstellingen vaak niet zo scherp zijn als men op basis van de leer zou vermoeden. In een preek mag een prediker niet meer zelf conclusies trekken uit de theologische visie van een ander. Want die ander kan wel eens een heel andere uitwerking geven dan verwacht. Concreet toegepast: waarschuwing tegen verbondsprediking of evangelicalisering kan alleen als men echt op de hoogte is van wat er zich in die kringen afspeelt. Kritiek op basis van vooroordelen mogen in de gemeente van Christus niet gehandhaafd blijven. (Zie de ontkenning op p. 81 waarbij Moerkerken van bepaalde Christus-prediking ontkent dat het Christus-prediking kan zijn. En ook p. 86 in zijn kritiek op Woelderink.)

Dialoog
* In de laatste decennia is er ook oog voor het gesprek met de gemeente. Hoewel de democratisering daar vaak de achterliggende gedachte is, is dit gesprek nog niet verkeerd. Want de ambten zijn dienstbaar aan de gemeente. In de Lutherse traditie is het ambt van Woord en sacrament aan de gehele gemeente opgedragen. Dit gesprek is niet bedoeld als eenrichtingsverkeer naar de predikant toe, waarbij de predikant wordt bekritiseerd of wordt voorgeschreven hoe hij dient te preken. Het is een gesprek waarbij de predikant kan luisteren hoe de gemeente leeft bij het Woord en meedenkt hoe dat Woord ingang in de gemeente vindt. Deze dialoog in de voorbereiding helpt de dialoog van de predikant tijdens de verkondiging.

Vooroordeel
Kan Moerkerken het volhouden dat er in andere kerken niet separerend wordt gepreekt? En zo ja, waar baseert hij dat dan op? Zelf kan ik nauwelijks de prediking van mijn directe collega’s bij houden. Laat staan dat ik kan volgen hoe er in andere kerken wordt gepreekt. In de kerk waar ik vandaan kom, de Christelijke Gereformeerde Kerken, werd er net zoals in het boekje van Moerkerken gestreefd naar een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking. Hoewel er van 3 verbonden uitgegaan, werd er wel degelijk gesepareerd. Het lijkt mij stug dat binnen de hervormd-gereformeerde kring, die meer verbondsmatig dachten over de gemeente, de waarschuwende prediking verdwenen is.
Doordat hij niet echt op de praktijk van vandaag de dag ingaat, wekt hij de indruk dat hij zich door vooroordelen laat leiden. Zo zou hij het zelf niet willen zien, vermoed ik. Daarom is het jammer dat hij niet helderder is over de praktijk. Separerende prediking schiet weinig op met omfloerst taalgebruik.

Wat ik vermoed is dat de context van de gemeente anders is en de verwoording van de boodschap is anders. Maar daarmee is de zaak nog niet verdwenen. Daar moet het gesprek verder over gaan: Wat is in deze tijd separerende prediking? Hoe bereid je als predikant die voor, waarbij er niet een bepaalde theologie wordt gediend, maar de Heer van de kerk en daarmee Zijn gemeente. Wat betekent dat voor het pastoraat en de houding van de predikant. Ds. Moerkerken legt een belangrijke zaak op tafel. Het gesprek daarover moet nog wel verder gaan.

N.a.v. ds. A. Moerkerken, Separerende prediking. Gedachten over de verkondiging van het Woord (Houten: Uitgeverij Den Hertog, 2015)

Preken als (theo)poëzie

Preken als (theo)poëzie
Preken in een postmoderne tijd

Als kerken maken we een enorme paradigmawisseling mee: de verandering van moderniteit naar postmoderniteit. Deze paradigmawisseling roept door de vele veranderingen ook veel onzekerheid op.

Volgens Paul Scott Wilson is de overgang naar postmoderniteit niet alleen maar een bedreiging voor de kerken en voor de verkondiging van het evangelie.  In zijn Preaching as Poetry (2014) geeft hij aan dat volgens hem de postmoderniteit juist veel kansen voor de verkondiging van het evangelie biedt . Postmoderne denkers zijn op veel punten geen tegenstanders, maar juist welkome bondgenoten. Veel meer dan in de moderniteit is in de postmoderniteit creativiteit en verbeelding van belang bij de verkondiging van het evangelie. Creativiteit en verbeelding zijn niet alleen noodzaak, maar zijn zelf ook een enorme stimulans in de verkondiging.

preaching-as-poetry

Postmoderniteit
In de moderniteit waren de natuurwetenschappen van groot belang. Zij bepaalden het paradigma en gaven de normen aan van beredeneerde waarheid. Logisch nadenken was de norm. Communicatie moest helder en efficiënt (en dus ook reductionistisch) gebeuren. Wilson spreekt daarom van de Age of Math (tijdperk van de mathematica). Postmoderniteit is een reactie op de dominantie van de natuurwetenschappen. In de postmoderniteit wordt niet alleen met de bril van de natuurwetenschappen gekeken, maar ook met de bril van de poëzie: er komt ruimte voor tegenstrijdigheden, voor wat anders is, voor het irreguliere.

Theopoetry
In zijn Preaching as Poetry sluit Wilson aan bij een recente ontwikkeling in de theologie: de opkomst van de theopoetry (L.B.C. Keefe-Perry, James K.A. Smith, Scott Holland, ea).
Theopoetry is een manier van de werkelijkheid zien en waarnemen, zoals poëten de werkelijkheid zien, een manier van waarnemen die ook aandachtig bezig is met Gods aanwezigheid, met Gods handelen in het alledaagse bestaan. Deze waarneming is niet gericht op verklaring van wat er gezien wordt, maar houdt ruimte voor het mysterie, het ongrijpbare in het alledaagse. Een predikant is bij uitstek een theopoëet, iemand die werkzaam is in Gods poëzie. Volgens theopoëten kan het contact met God niet zonder verbeelding
M. Craig Barnes, The Pastor as Minor Poet (2009) legt het verschil uit tussen handelen volgens Math en volgens Poetry:

Een ingenieur volgt bij het bouwen van een brug over een diepe ravijn zijn tekstboeken. Men mag hopen dat zo’n ingenieur enorm toegewijd is aan die boeken. De poëet, die over deze brug naar huis rijdt, ‘bouwt’ deze hele dag verzen die het verlangen van de ziel onthullen naar zo’n overbrugging als we staan aan de oevers van een ramp en naar beneden staren in de doodsvallei.

Theopoetry heeft een uitnodigend karakter. Volgens Wilson is een dialoog tussen theopoetry en theologie heel zinvol en verrijkend, ook voor de theologie. Volgens hem is de theopoëtische benadering erg geschikt om in een tijd van diversiteit anderen in contact te brengen met het evangelie. In het getuigen en belijden van Christus mag dankbaar gebruik gemaakt worden van de theopoëtische benadering. In de theopoëtische benadering kan men veel meer aansluiten bij de zoektocht en de aarzeling van de ander en toch door authentiek te getuigen ook over Christus vertellen. Het theopoëtische getuigenis is een creatieve bijdrage aan de kerk.

In zijn boek gaat Wilson de 3 klassieke waarden schoonheid, goedheid en waarheid na. Deze klassieke waarden hebben in de postmoderniteit (Poetry) een heel andere invulling gekregen dan in de moderniteit (Math). (De moeite waard om nog eens afzonderlijk uit te werken! Wie weet…)
De verkondiging kan veel leren van die andere invulling. Wilson werkt eerst de verandering uit in de postmoderniteit. Vervolgens schetst hij hoe de schoonheid, de goedheid en de waarheid van God opgemerkt en verwoord kan worden. Vervolgens geeft hij homiletische aanwijzingen waarbij hij de schoonheid van God en Zijn handelen met Kerst verbindt, Gods goedheid met Pasen en Gods waarheid met Pinksteren. Tussendoor werkt hij zijn eigen homiletische model (onder andere de 4 pagina’s) nog meer uit.

N.a.v. Paul Scott Wilson, Preaching as Poetry. Beauty, Goodness, and Truth in Every Sermon. The Artristry of Preaching Series, 1 (Nashville: Abingdon Press, 2014).

De serie The Artristry of Preaching Series werkt creatieve aspecten van het preken maken uit, die in gebruikelijke boeken over preken maken niet echt aan de orde komen:
deel 2: Scott Hoezee, Actuality. Real Life Stories for Sermons That Matters
deel 3: Peter Jonker, Preaching in Pictures. Using Images for Sermons That Connect 

Spreek slechts één woord, één woord met macht

Spreek slechts één woord, één woord met macht
Reactie op ‘Is God in de VS dichterbij?’ 

‘Enige tijd geleden preekte ik over Ezechiël 1. Tijdens de lezing van dit Schriftgedeelte keek ik naar de gezichten van de luisteraars. Ik merkte dat de gemeente niet alleen aandachtig luisterde naar dit gedeelte, maar echt ook gegrepen werd door deze tekst en gefascineerd werd door wat er in deze tekst beschreven werd. Er gebeurde gewoon waar de tekst over spreekt: de hemel opende zich en iets van de heerlijkheid des Heren werd zichtbaar.’

Zo begint Jean-Marcel Vincent zijn boek over De ervaarbaarheid van God in het Oude Testament. In een voetnoot voegt hij eraan toe: ‘Ik hoef niet te vertellen dat mijn preek, die erop volgde, in vergelijking daarmee erg vlak was en geen recht deed aan de tekst.’

Sinds mijn afstudeerscriptie, die gewijd was aan het zien van Gods aangezicht in het Oude Testament, ben ik geïnteresseerd in de manier waarop de Bijbel schrijft over ervaringen met God. Tijdens het lezen let ik er vooral op, hoe God aanwezig is. Wanneer er sprake is van een theofanie of een stem van God. En ook wanneer er omgekeerd sprake is van het zoeken van contact met God lees ik aandachtig. Zelfs als zijn aanwezigheid niet beschreven wordt heeft dat altijd betekenis. Elk bijbelgedeelte heeft een sacramentele dimensie. Dat wil zeggen: elk bijbelgedeelte opent de weg naar God. Door iets van God te laten zien. Zelfs door de afwezigheid van de Here te laten zien. De preken die ik gehoord heb, hebben deze sacramentele dimensie vaak over het hoofd gezien. Naar mijn idee is de oorzaak daarvan dat de predikanten bij het bestuderen van het betreffende gedeelte deze dimensie niet hebben opgemerkt. Over het gebrek aan sacramentele dimensie in de eredienst schrijft De Leede in Is God in de VS dichterbij?

Dit zijn artikelen waar ik erg van houd en veel van leer. De Leede neemt ons mee langs ervaringen, die hij opdeed. Wat mij het meeste raakte, was de opmerking van de zwarte onderzoekster. Dat black preachers tenminste nog in God geloven. Dat hield mij opnieuw de spiegel voor. Dat was al eerder gebeurd toen ik begon in de Predigtlehre van Rudolf Bohren. Volgens hem heeft de prediker te maken met een verlegenheid die hij typeert als sprakeloosheid. De prediker vindt de woorden niet meer, omdat God zelf niet aan het woord komt in de prediking. De prediker heeft een belangrijke stap overgeslagen: namelijk de verwondering en het overdenken van Gods tegenwoordigheid (Staunen). Het overslaan van deze stap heeft twee fatale gevolgen:

(1) De prediker denkt te kunnen beschikken over Gods Woord. De Here is gedegradeerd tot een afgod. De Schrift laat echter zien dat waar mensen denken te kunnen beschikken over God Hij zich terugtrekt en in stilzwijgen hult.
(2) Omdat de Here zich teruggetrokken heeft, wordt Zijn aanwezigheid en Zijn handelen niet opgemerkt. Daardoor denkt de prediker dat hij het handelen van God moet overnemen. Om in de termen van Bohren te blijven: ik vergat zelf eerste hoorder te zijn. Ik vergat, dat ik als predikant geneigd ben God en mijn gemeente te haten. Ik sloeg mijzelf over en luisterde – ondanks mijn interesse voor de sacramentele dimensie van de tekst – vaak vooral met het oog op de gemeente.
Maar als ik kijk in de spiegel die Bohren mij voor houdt, besef ik dat ik in de praktijk van mijn werk maar weinig rekening gehouden heb met het gegeven dat God vandaag de dag werkt. Omdat ik twijfel of God wel handelt, denk ik te kunnen handelen in Zijn plaats. Van Eberhard Jüngel heb ik geleerd om deze houding als zonde typeren. Ik beroof God van Zijn God-zijn, ik op mijzelf gericht, in mijzelf gekeerd en belast mijzelf met een last waaraan ik onderdoor ga (homo incurvatus in se).

Daardoor herken ik het citaat van de collega, die door De Leede wordt aangehaald: ‘Het is net of er bij ons iets tussen staat, iets onzichtbaars, een soort glazen wand.’ Dit is de taal van de aanvechting. We kunnen als gelovige en ook als predikant alleen maar uit de aanvechting komen, wanneer we weer geloven in de werkzaamheden van onze Heer. U hebt het heden, het vandaag te verkondigen, hield Hans-Joachim Iwand zijn studenten in de jaren ’30 voor en verwees naar 2 Kor. 6:1-3 en Hebr. 3:7-19. ‘Wat daaruit worden zal, mag u aan God over laten. Hij kan de gemeente ook in dwaalleer laten verkeren. Dank God, dat u vandaag de dag de gemeente nog mag verkondigen!’
Iwand zei dit midden in de strijd tussen de Deutsche Christen en de Bekennende Kirche (wat die opmerking over de dwaalleer een spannend gegeven laat zijn). Eerder had hij al tegen zijn studenten gezegd: ‘Tussen u en uw gemeente staat God. Een zegen en een troost als u deze grens respecteert, maar een scherp zwaard voor wie deze grens negeert. Op het moment dat u als verkondiger wilt heersen over de harten, loopt u in Gods zwaard.’ Dit citaat van Iwand was ik al eens tegengekomen. Alleen de eerste zin bleef mij bij. Door het bezigzijn met het artikel van De Leede drong de consequentie hiervan door in wat Iwand in de daaropvolgende zinnen schreef. Ik negeerde de grens. Ik als homo incurvatus in se kon alleen uit mijn in-mijzelf-gekeerd-zijn gered worden door de kracht van Christus of Gods Woord. Dat woord, gesproken met macht, doorbrak mijn ongeloof en liet mij op God zien. Zoals ook Abram onderbroken wordt in zijn klacht en van God de opdracht krijgt om omhoog te kijken naar de sterren. Deze bevrijding kan extra kracht hebben als de aangevochtene door anderen met een gezagvol woord op Christus gewezen wordt. Spreek slechts één woord, één woord met macht, dan krijgt ons leven nieuwe kracht (Gez. 170, al kies ik liever voor de versie uit de Bundel-’38:) dan is voorbij der zonde nacht. Dat kan alleen het Woord doen, als het Woord ons stoort in onze in-onszelf-gekeerd-zijn.

Het Woord van God plaatst haalt ons weg en plaatst ons onder de macht van Christus. Want mijn leven is onder de macht gesteld, van mijn Heer die mijn dagen en nachten telt. Wat verkondigen in de werkelijke aanwezigheid van Christus betekent, laat Handelingen 8:35: en hij predikte hem Christus. Hier wordt niet uitgelegd wie Christus is. Het woord dat Filippus sprak was dat woord van macht, waardoor de kamerling onder de macht van Christus werd gesteld. Met als gevolg dat hij zijn oude leven aflegde en bekleed werd met Christus.

Matthijs Schuurman
predikant te Oldebroek

Enkele opmerkingen à la De Leede:
* Presentia realis kunnen wij niet realiseren, wel blokkeren.
* Wanneer De Leede de oceaan oversteekt, laat hij dan onze oosterburen niet vergeten. Manfred Josuttis heeft op een eigenzinnige, soms esoterische manier de presentia realis doordacht. Hij hielp mij om van theoloog geestelijke te worden. Martin Nicol schreef een boeiende homiletiek, die helpt om de presentia realis in de prediking praktijk te brengen.
* Het wordt tijd, dat we Van der Leeuw eindelijk eens serieusnemen. Het verwijt van magie is volgens Josuttis een protestants vooroordeel. Of liever een protestantse projectie. Zij hebben graag zelf de macht over het woord, ipv dat het woord macht over hen heeft.
* Een kerkdienst die uitgaat van de presentia realis, neemt Romeinen 6 als uitgangspunt. De kracht van het evangelie (Romeinen 1:17) is geen inwendige kracht, maar een kracht die ons van gebied en eigenaar verwisselt. (Herrschaftswechsel) De aarzelingen rondom Stanley Hauerwas laat zien, dat men binnen de Protestantse Kerk in Nederland de consequenties van de sacramentele dimensie van de eredienst niet ten volle beseft.
* Er moet een verbinding zijn tussen spiritualiteit, dogmatiek en kerkelijke praktijk. De rechtvaardigingsleer en zondeleer worden dogmatisch keurig behandeld, maar werken in de praktijk van de prediking nauwelijks door.
* Wanneer de presentia realis uitgangspunt is, is het niet verwonderlijk wanneer men zich ervaart als een concreet bestaan in ruimte en tijd ervaart. Christus redt niet alleen onze ziel, maar heel ons bestaan. Wanneer we onder de macht van Christus geplaatst worden, wanneer we verschijnen voor het aangezicht van God verschijnen wij daarmee als persoon.
* Wie spreekt over de ontmoeting met de/het heilige kan er niet omheen dat er sprake is van fascinans én tremendum. Niet alleen de schoonheid,maar ook de huiver en distantie dient gerealiseerd te worden.
* Volgens de liturgiewetenschapper Wolfgang Ratzmann is de sacramentele dimensie van de eredienst de enige voorwaarde voor missionaire kerkdiensten: namelijk dat in de dienst de weg tot God wordt geopend.
* De oud-oosterse visie op de tempel kan ons verder helpen in de doordenking van de sacramentele dimensie van de eredienst (denk aan de artikelen van Bernd Janowski op dit punt).
* Tegelijkertijd met het artikel van De Leede las ik het afscheidscollege van Christian Link, waarin hij aan gaf juist voorzichtiger geworden is met het spreken over het heden van Gods handelen. De actualisatie is niet zonder risico’s (denk aan de predikanten die in het enthousiasme voor de Eerste Wereldoorlog zagen als een nieuwe uitstorting van de Geest)
* Bij het nadenken over de aanwezigheid en het hedendaags handelen van God zijn de christologie (en de sacramentsleer als onderdeel van de christologie) de norm.
* Het onderscheid sacramentum-exemplum geldt niet alleen voor de christologie, maar voor elk bijbelgedeelte en voorkomt dat men naar de moralisering grijpt als brug naar het heden.
* Hemelvaartsdag dient weer in ere hersteld te worden als belangrijkste feest van het jaar. Presentia realis gaat om de aanwezigheid van de verhoogde Heer. De viering van het Kerstfeest kan alleen in dat kader ook gevierd worden: de Redder die heilbrengend is verschenen. Zoals ook de evangeliën in dat kader staan: niet alleen geschreven vanuit Pasen, maar vooral vanuit het geloof en de ervaring van Zijn verhoging – ter rechterhand Gods.