Preek 26 oktober 2014

Preek zondag 26 oktober 2014
Zendingszondag
Handelingen 16:23-34 en Filippenzen 1:12-18.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De kerk in Marokko is een kleine kerk.
In dit land is slechts 1% aangesloten bij een kerk.
Een deel van deze 1% is ook nog eens buitenlander die voor hun werk in Marokko verblijven.
Enkele jaren geleden kreeg de kerk een behoorlijke klap te verduren
toen de overheid besloot dat buitenlandse zendelingen het land moesten verlaten.
Er waren grote zorgen om de toekomst van deze kerk:
wat zou er gebeuren als de leiders en steunpilaren van de kerk wegvielen;
als de gelovigen in dit land niet meer werden ondersteund?
Maar er gebeurde iets verrassends, iets onverwachts.
Terwijl iedereen verwachtte dat de kerk door deze klap achteruit zou gaan,
begon de kerk te groeien.
Het waren de Marokkanen zelf die de leiding namen in de kerk
en de plaatsen van Nederlanders, Amerikanen en andere buitenlandse leiding innamen.
De kerk werd ook meer Marokkaans in plaats van geleid te worden door buitenlanders.
Wat een tegenslag had moeten zijn voor de kerk
veranderde in een zegen.

Geloof dat verder gaat.
Niet omdat mensen het zo goed bedenken, zo’n goede strategie hebben,
maar omdat Christus zelf Zijn kerk hier op aarde bouwt
en een tegenslag kan veranderen in een zegen.

Ook als Paulus in Filippi aankomt gaat het geloof verder.
Dat leek er eerst niet op.
Het leek er zelfs op, dat het werk van Paulus voorbij was,
want Paulus wordt opgesloten in de gevangenis.
Alsof hij een gevaarlijke man is met een heel gevaarlijke boodschap,
die in de stad Filippi voor heel veel onrust gaat zorgen,
wordt hij opgesloten in de gevangenis.
Stelt u zich eens voor dat de burgemeester en het college van wethouders van onze gemeente
zich over de kerk zouden beklagen om de boodschap die hier in de kerk doorgegeven wordt
en dat ze het hier voor de kerk zouden uitroepen:
‘Jullie brengen een boodschap die ervoor zorgt
dat de mensen hier in Oldebroek niet meer hun eigen normen en waarden hanteren.
Wat jullie hier in de kerk vertellen is gevaarlijk voor onze samenleving.’
Bij Paulus gebeurt dat wel
en vooral omdat Paulus een meisje geneest van een boze geest die haar beheerst.
Paulus moet opgeborgen worden, want hij is een gevaar voor de mensen
en voor de samenleving van Filippi.
Het geloof gaat verder, maar we moeten er wel rekening mee houden
dat overal waar de boodschap van Jezus Christus komt, er verzet kan komen.
Dat mensen zeggen: wij willen niet dat die boodschap in ons land of in onze buurt wordt verteld!
Kijk maar naar het voorval in Marokko  en wat voor Marokko geldt,
geldt ook voor veel andere gebieden:
Als het geloof verder gaat, is dat meestal niet omdat mensen enthousiast
reageren als er over Christus wordt verteld
en dat hun hart open stellen omdat ze geloven dat ze alleen bij Hem iets vinden
wat nergens anders te verkrijgen is.

Dan komt Paulus in de gevangenis.
Hoe zouden wij reageren als wij voor de Heere Jezus in de gevangenis terechtkomen?
Paulus is niet van slag.
Hij doet waar Psalm 42 van zingt: ‘k Zal Zijn lof zelfs in de nacht, zingen daar ik Hem verwacht.
Is Paulus daarmee een voorbeeld? Paulus laat in ieder geval zien dat het kan.
Dat zelfs al zit je in de gevangenis en je weet niet of je er nog uitkomt,
dat je dan nog houvast vindt in de Heere.
Ook dat is geloof dat verder gaat. Dat kan ons weer moed geven.
In een periode van tegenslag kun je aan Paulus zien:
het is niet gek als ik moedig door deze periode heenga,
want het is de kracht van de Heere die ik ontvang: omdat ik Hem verwacht.
Terwijl de burgemeesters en het gemeentebestuur willen dat Paulus zijn mond houdt,
is Paulus zelfs niet in de gevangenis te stoppen.
Zelfs de dikste muren en het diepe duister houden Paulus niet tegen
om te getuigen, zelfs door te zingen.
Het zingen klinkt door de gevangenis heen.
Zo wordt zelfs in de gevangenis de naam van de Heere uitgedragen.
Bidden en zingen in de gevangenis – zelfs afgesloten deuren, gevangen tussen muren
kunnen een gelovige niet tegenhouden om naar de Heere toe te gaan.

En dan wordt de deur van de gevangenis geopend.
Het gemeentebestuur had de cipier opgedragen om Paulus en Silas goed op te sluiten
vanwege het gevaar dat Paulus en Silas meedragen.
Wij zouden zeggen:
in verzekerde bewaring – ervoor zorgen dat de gevangene echt niet kan ontsnappen.
De gevangenbewaarder had deze opdracht heel goed uitgevoerd.
Hij voelde goed aan wat het gemeentebestuur van Filippi van hem vroeg
en zorgde ervoor dat Paulus en Silas op de meest veilige plek zouden zijn:
diep in de gevangenis, in de middelste cel.
Om te voorkomen dat ze zouden kunnen ontsnappen werden hun voeten vastgezet.
De cipier kon rustig slapen, want de gevangenen zouden echt niet kunnen ontsnappen.

En dan wordt er aan alle zekerheden van de cipier geschud – er is een aardbeving.
Hoe goed de gevangenen ook opgeborgen zijn,
ze kunnen ontsnappen, de vrijheid tegemoet.
Hoe sterk de muren ook waren en hoe goed de deuren ook waren afgesloten,
alles breekt open.
Als de gevangenbewaarder aankomt bij de gevangenis is dat ook het eerste dat hij denkt:
iedereen is natuurlijk gevlucht.
Iedereen heeft de kans genomen om uit die gevangenis weg te vluchten
en zeker de gevangenen Paulus en Silas.
Hadden de burgemeesters toch gelijk gekregen dat het gevaarlijke mensen zijn
die alles op zijn kop zullen zetten, die voor een chaos in de stad zullen zorgen?
Maar dan is het zijn verantwoordelijkheid als er iets gebeurt in de stad.
Hoe kan hij dit verantwoorden naar zijn superieuren?
Zijn positie is onhoudbaar. Hij mag zichzelf niet sparen.
Hij kan niet zeggen dat het hier om overmacht gaat.
Hij was verantwoordelijk voor de gevangenen. Hij mocht ze niet laten gaan.
Hij kan niet langer leven.

Dan klinkt er een stem vanuit de diepe duisternis.
Een stem die zijn leven redt: doe uzelf geen kwaad aan.
Iedereen is nog aanwezig; geen enkele gevangene is ontsnapt. Spaar uw leven!
De cipier kan zijn oren niet geloven en gaat kijken
en daar binnen in de gevangenis, daar zijn ze nog: Paulus en Silas en alle andere gevangenen.
Hoe is dat mogelijk!
De cipier beseft dat hier een macht aan het werk is,
die door hem en het gemeentebestuur niet tegen te houden is.
Niet de aardbeving brengt hem op de knieën, niet die bijzondere gebeurtenis,
maar dat al de gevangenen er nog zijn, dat doet hem nadenken.
Over zijn eigen leven.
De man beseft: het gaat niet om zomaar een macht, maar een macht
die zijn eigen goden te boven gaat,
een macht waar hij zich aan moet overgeven.
‘Wat moet ik doen?’ dat is de vraag die bij de man opkomt en hij zegt het ook tegen Paulus:
‘Wat moet ik doen om gered te worden?’
Zijn leven heeft hij niet meer zelf in de hand.
Zijn leven is gered – door de mannen die hij in de gevangenis had opgeborgen.
Redding – de man begint er al iets van te beseffen
waar het om gaat in de verhalen over Jezus Christus.
Al weet hij nu nog niet wie dat is, maar hij beseft: zo kan ik niet langer leven.
Er moet iets met mij gebeuren, anders ben ik alsnog verloren.
Wie kan mij redden?
Jezus!
Geloof in Hem! Grijp Hem vast als je reddingsboei.
Gemeente, zo gaat het geloof verder:
doordat mensen beseffen dat ze zo niet langer kunnen leven,
dat er iets moet gebeuren, dat ze gered moeten worden omdat ze anders verloren zijn.
Wanneer er over de wereld aan zending wordt gedaan,
wordt dat voorgehouden: dat die redding te vinden is in Jezus.
In deze naam: de naam van Jezus, de Zoon van God die op aarde kwam.
Redding!
Deze man hoort vol verwondering de verhalen over Jezus aan
en wil niets anders meer: ik wil bij Jezus horen en niet alleen ik. Iedereen die bij mij hoort.
In die nacht, nadat de man eerst Paulus en Silas verzorgd heeft, de rug gewassen heeft
en eten gegeven heeft, wordt deze man samen met zijn gezin gedoopt.

Geloof dat verder gaat:
Er kwam een tegenslag door dat Paulus in de gevangenis kwam
maar daar kwam juist de zegen uit voort
dat de man die over de gevangenis ging niet meer zonder Jezus wil leven
en zijn leven heeft te danken aan de macht van Jezus.
Ondanks de tegenstand komen er mensen tot geloof
en worden zij gedoopt.
Het eindigt ermee dat de cipier vol vreugde is omdat hij nu gelooft.
Door te zingen in de gevangenis liet Paulus merken dat hij zelfs daar in de gevangenis
de vreugde vond in de naam van Jezus.
Als de cipier samen met zijn hele huis is gedoopt
heeft de gevangenbewaarder dezelfde vreugde: vreugde in God,
vreugde omdat hij Christus nu kent.
Ja, Paulus is gevaarlijk, want zijn leven heeft een onverwachte wending gekregen,
maar de cipier zou niet meer anders willen.
Hij is dankbaar dat Paulus zo op zijn pad kwam
waardoor Paulus hem op de weg van Jezus Christus kon brengen.

Geloven gaat verder:
Het werk van de Heere is door niets tegen te houden,
zelfs niet door tegenstand of door het proberen tegen te houden, gevangen zetten.
Dat is wat we mogen weten voor de kerk wereldwijd.
Bij zending gaat het niet alleen over wat er op de wereld gebeurt.
Zending heeft ook betekenis voor onszelf.
De GZB heeft als leus: zending verbindt.
De kerk in zendingsgebieden heeft ook ons iets te bieden.
wij kunnen leren van hun worstelingen om het evangelie toe te passen in hun levens.
Wij kunnen leren van de radicaliteit die van hen gevraagd wordt.
Wij kunnen ook leren van de vreugde, om nu God – die voorheen onbekend was – te kennen
en in Jezus vreugde en redding te vinden.
Wat moet ik doen om gered te worden?
Is dat nog een vraag die leeft, waar verlangen uit spreekt.
Of is het evangelie voor ons zo bekend, dat we er niet meer van opkijken
en ook er niets meer aan beleven?
Dan houdt de geschiedenis van vanmorgen een spiegel voor.
Waar is onze vreugde om onze redding door Christus?
Wanneer we die vreugde hebben, gaat ook het geloof in ons leven verder
Gods werk in ons leven verder en krijgt Jezus Christus een plek in ons leven. amen

Advertenties

Preek kinderdienst 19 oktober 2014

Preek kinderdienst 19 oktober 2014
Klein maar dapper – David vs. Goliath

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In Zuid-Afrika kent men een gezegde: Een mens maakt het verschil
[uitleg]

Neem als voorbeeld Danny.
Hij zit in Zuid-Afrika in de gevangenis.
Een grote, sterke man met over zijn hele lichaam allemaal tatoeages.
Danny was opgepakt omdat hij de leider was
van een gewelddadige bende in een Zuid-Afrikaanse wijk waarin de ‘zwarten’ woonden.
Voor Danny was dat geweld gewoon, want hij was opgegroeid
in een  stad waar gewelddadige bendes het voor het zeggen hadden.
Je kon alleen iets worden als je meedeed.
Danny deed mee en werd uiteindelijk de leider van zo’n bende.
Zijn bende had met andere bendes gevochten om de macht in die stad.
Daarbij was veel geweld gebruikt en waren doden gevallen.
Uiteindelijk lukte het de politie om Danny, de leider van deze bende, te arresteren.
Zo belandt Danny in de gevangenis.
Als hij in de gevangenis zit, gaat hij op een keer naar een bijeenkomst met de gevangenispredikant.
Daar zit hij dan, de grote, sterke man met over heel zijn lichaam tatoeages
en hij zit daar te luisteren naar het verhaal van de dominee.
Vanaf dat moment gaat hij steeds naar de bijeenkomsten van deze dominee,
want het verhaal raakt hem, het verhaal over Jezus
en hij ontdekt dat er een andere manier van leven is dan geweld.
Hij denkt aan de kinderen uit de buurt waarin hij is opgegroeid
en waarin hij als leider van die bende die met geweld de baas was in dat deel van die stad.
Hij wil dat de kinderen die nu opgroeien een ander leven moeten krijgen.
Danny wordt in de gevangenis gedoopt en krijgt een nieuw leven.
Als hij uit de gevangenis komt gaat hij als eerste naar de directeur van de school in de wijk.
‘Wij moeten iets doen voor de kinderen’ zegt Danny.
Ze maken een plan om op het terrein naast de school een groentetuin te gaan aanleggen.
Danny praat ook met zijn degenen die bij zijn bende horen.
‘Zo kan het niet langer,’ zegt hij, ‘onze kinderen verdienen beter.’
Hij weet hen te overtuigen en de vroegere bendeleden gaan de groentetuin bewerken:
ze verbouwen tomaten, aubergines en sperziebonen.
Een leerkracht van de school kent een dominee uit een betere buurt,
waar een deel van de gemeente bestaat uit blanke rijke wijnboeren.
Deze dominee weet zijn gemeenteleden te overtuigen.
Zo’n blanke wijnboer komt met zijn trekker de wijk en een ploegt de tuin bij de school om.
Tien jaar geleden zou zijn trekker met benzine overgoten zijn en in brand gestoken zijn.
Nu rolt de trekker over een schone straat.
‘Een mens kan het verschil maken’ zeggen de mensen in Zuid-Afrika.
Danny is daarvoor het levende bewijs. Danny houdt vol.
Hij hield het ook vol toen het die morgen heel moeilijk was.
De blanke dominee die langskomt voelt de neergeslagen stemming
op het moment dat hij langskomt bij de tuin.
‘Wat is er?’ vraagt hij.
Dan blijkt de assistent van Danny (die 27 jaar in de bak gezeten heeft)  te zijn vermoord.
Iemand uit de gevangenis die ooit gezworen heeft om wraak te nemen
heeft zijn woorden waargemaakt.
‘We zullen wraaknemen’ zeggen de mensen uit de wijk
en ze gaan al op zoek naar hun machinegeweren.
Danny heeft hard moeten praten, hard moeten werken. Het waren de zwaarste dagen van zijn leven.
Maar Danny hield vol. En won. De sperziebonen wonnen van de machinegeweren,
de kinderen wonnen van de moordenaar,
het evangelie won van het geweld.

Een mens maakt het verschil:
dat is ook wat de Filistijnen denken.
Maar zij denken als de oude Danny, die de baas was door geweld te gebruiken.
Zij schuiven één man naar voren die het verschil kan maken.
Geen gewone man, maar een vechtkampioen.
Goliath is niet alleen een reus, maar hij is ook nog eens de beste
in gevechten van man tegen man.
Een betere vechter dan Goliath is er niet.
Hij maakt indruk.
Niet alleen door zijn enorme lengte waarmee hij boven alles en iedereen uittorent,
maar je ziet aan hem dat hij ook een goed getrainde vechter is, de beste van allemaal,
De vechtkampioen.
Een mens kan het verschil maken en hij, Goliath, moet het gaan doen.
Hij gelooft er zelf ook in.
Al schreeuwend komt hij uit het kamp van de Filistijnen
en blijft in het dal staan
waar hij roept naar de Israëlieten die op de bergen
aan de andere kant van het dal hun kamp hebben.
En wanneer ze Goliath zien en horen
zijn ze maar wat blij dat ze op die bergen zijn, hoog en veilig, onbereikbaar nog voor de Filistijnen.
Ze zijn onder de indruk van Goliaths indrukwekkende uitstraling.
Groot en sterk, niet te verslaan.
Er is niemand die het tegen hem durft op te nemen.
Als Goliath hard naar de Israëlieten schreeuwt
en hen uitdaagt om het tegen hem op te nemen,
verstijven ze van schrik.
Meer dan een maand liggen zijn daar de beide legers: 40 dagen.
Het enige dat er gebeurt is dat elke dag Goliath uit het kamp van de Filistijnen komt
en de Israëlieten uitdaagt en tegen hen schreeuwt dat ze een stelletje lafaards zijn
die bang zijn voor Saul terwijl dat maar een waardeloze koning is
en de Israëlieten elke dag weer opnieuw bang maakt.
De Israëlieten voelen zich klein en zijn te bang om iets te kunnen doen.
Ze kunnen niet op tegen die grote sterke man, die goed getraind is, de vechtkampioen.
Eén man maakt het verschil: Goliath.
Door Goliath durven de Israëlieten niet aan de strijd te beginnen.

En dan komt David.
David is niet groot en sterk en stoer.
Hij loopt ook niet met een zwaard rond, want hij mag nog niet meedoen in het leger.
Daar is hij te klein voor.
David mag pas naar het leger als zijn broers lang wegblijven.
Zijn vader is benieuwd hoe het met zijn zoons gaat
en stuurt David op pad.
David moet gaan kijken hoe het met zijn broers is
en hij moet eten voor de commandant meenemen.
Wat David gaat doen, gaat echt geen verschil maken in de strijd met de Filistijnen.
Hij komt alleen eten voor een paar dagen brengen
en een aardigheid voor de commandant.
Verder heeft hij niets te zoeken in het leger.
Zijn broers willen hem daarom ook wegsturen: veel te gevaarlijk voor zijn kleine jongen als David.
Maar David heeft iets gehoord: het schreeuwen van Goliath.
David is daar niet van onder de indruk;
David hoort in dat geschreeuw van die Goliath iets anders:
Goliath maakt God belachelijk. Goliath, met al zijn gebrul en trots en zelfverzekerdheid,
Goliath bespot de Heere.
En dat kan toch niet zomaar?
Hoe groot en sterk Goliath ook is, dat gespot moet toch stoppen!
David voelt zich niet groot en sterk, misschien ook niet eens  dapper.
Maar hij voelt boosheid omdat Goliath aan zijn God komt.
Goliath wil je doen geloven dat je aan God niets hebt.
Nou, David heeft als herder een andere ervaring.
Toen er eens een leeuw kwam om zijn schapen aan te vallen,
hielp God hem de leeuw te verslaan.
Toen er een beer kwam om de kudde aan te vallen,
kon David met behulp van de Heere ook die beer wegjagen.
Zou die reus, die Filistijn, dan ook niet met behulp van de Heere weggejaagd kunnen worden.
Zo maakt David het verschil: door te geloven in de Heere.
Klein, maar door zijn geloof dapper!
Of misschien moeten we het anders zeggen: God maakt het verschil
door zo’n kleine jongen te sturen.
Dat is vaak Gods manier om te vechten, te strijden:
niet om geweld te gebruiken, zoals Goliath,
niet door te laten zien hoe sterk je bent en wat je allemaal kunt,
maar juist door het zwakke, kleine te gebruiken, zoals de kleine David.
Zo maakt God het verschil,
zo lacht de Heere Goliath uit die daar met zijn grote mond staat te schreeuwen.
Als David het toneel op komt om het tegen Goliath op te nemen,
is Goliath beledigd: ‘Jullie doen alsof ik een wild dier ben dat je weg kunt jagen.
Jullie nemen mij niet serieus. Wat moet ik als vechtkampioen nu tegen zo’n kleintje?
Straks roepen jullie nog: durf je wel tegen zo’n kleintje!’
Goliath ziet niet dat David door God is gestuurd
om aan Goliath en de Filistijnen en ook aan de Israëlieten te laten zien
dat je niet sterk hoeft te zijn om te winnen en ook niet dapper,
maar dat het genoeg is om te vertrouwen op de Heere.
Met God ben je sterker dan iedereen.
Met God kan ik door sterke bendes heendringen, zal David later zeggen.
Met God aan mijn zijde ben ik niet bang, zal ik niet vrezen.’
David maakt het verschil door te vertrouwen op God.
Maar vooral God maakt het verschil door te laten zien
dat geweld en kracht niet het belangrijkste zijn.
Je kunt er vaak wel mee winnen, maar niet altijd.
Want niemand is sterker dan God
en de Heere kan juist kleine gebruiken
om te laten zien hoe dwaas het is om te geloven in je eigen macht.
Klein maar dapper, gelovig!

Een mens kan het verschil maken.
En jullie?
Kunnen jullie het verschil maken?
Misschien zeg je van jezelf: ik kan helemaal niet zoveel.
Ik ben niet sterk. Ik ben niet goed in taal of rekenen. God kan mij vast niet gebruiken.
Maar in het geloof gaat het er niet om of je iets goed kunt, of je groot en sterk bent,
maar of je vertrouwt op God.
God kan je gebruiken, juist als je niet zoveel kunt.
Zoals hij David gebruikte toen hij nog een kleine jongen was.
Amen

Preek zondag 28 september 2014

Preek zondag 28 september 2014
Bediening Heilige Doop
Exodus 14:1-22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hier heb ik een sleutel.
Met deze sleutel kon de kerk van Watergang opengemaakt worden.
De deur van de kerk was een stevige dikke deur.
Deze sleutel werd vast een lange tijd gebruikt om die deur te openen,
maar enkele jaren geleden werd het slot vervangen.
Het slot was niet veilig genoeg meer als er inbrekers zouden komen.
Om inbraak tegen te gaan, kreeg de deur een nieuw slot.
De sleutel mocht ik houden als herinnering aan de kerk van Watergang.
De sleutel heb ik al die tijd bewaard,
als herinnering, maar ook omdat het een mooie sleutel is.

Deze sleutel heb ik meegenomen om iets over de doop te vertellen,
maar ook iets over het verhaal dat we met elkaar hebben gelezen te vertellen,
het verhaal over het volk Israël dat door de Rode Zee trekt.
Zowel in de doop als in de tocht door de Rode Zee gaat er een deur open.
In beide gevallen is het God die de deur opent.
De doop en de weg door de Rode Zee hebben ook met elkaar te maken.
Als je begrijpt wat er met het volk Israël gebeurde
toen het door de Rode Zee trok,
als je dat begrijpt, begrijp je ook wat er in de doop gebeurt.
In het gebed bij de doop wordt die tocht door de Zee ook aangehaald:
U hebt de verharde farao met heel zijn volk in de Rode Zee verdronken, maar Uw volk Israël daar droogvoets doorheen geleid, waardoor de doop wordt aangeduid
Ook Hendrik Helmig Saïd Boeve en Ruben Rohen van Oene
zijn als het ware door de Rode Zee getrokken.
En als je zelf ook gedoopt bent, geldt dat ook voor jou, voor u:
je bent door de Rode Zee gegaan,
net als het volk Israël eeuwen terug.

Maar wat betekent dat: door de Rode Zee gaan?
Wat betekent dat voor de dopelingen?
Wat betekent dat voor ons en voor het volk Israël?
Dan moet u naar het verhaal van het volk Israël luisteren
alsof u zelf erbij bent geweest.
Alsof u en jij erbij hebben gelopen.
Het was een hele grote menigte,
misschien wel zoveel mensen als er in de provincie Gelderland wonen.
Ieder afzonderlijk van deze grote groep had alle bezittingen meegenomen die ze hadden.
In Egypte zouden ze nooit meer terugkeren.
Dat lag voorgoed achter hen.
Wat er ook achter hen lag, wat nooit meer terug zou komen,
was het harde werken als slaaf.
Nooit meer zouden ze het geschreeuw van de slavendrijver horen,
nooit meer de klappen van de zweep op de rug voelen
als ze niet harder konden werken.
Nooit meer hoefden ze bang te zijn
dat de kinderen die geboren worden van hen afgenomen zouden worden
om gedood te worden.
Wat een ander leven, een leven in vrijheid!
Dat nieuwe leven in vrijheid, dat kregen ze omdat de Heere voor hen de deur open deed.
De deur van hun slavenbestaan, de deur van de gevangenis.

Daarom die sleutel, die ik meegenomen heb,
die herinnert eraan dat er voor het volk Israël een deur openging.
Een deur die zij zelf nooit open gekregen zouden hebben.
En achter die deur lag een weg naar de vrijheid.
Ze hadden er misschien zelf nooit aan gedacht om die weg te kiezen,
weg uit Egypte, waar het leven zo zwaar was,
omdat ze niet geloofden dat ze ooit uit de macht van Egypte zouden kunnen ontsnappen.
Zouden ze op de vlucht gaan, de farao zou hen terug kunnen halen.

U moet zich voorstellen dat u daarbij liep,
Dat u, dat jij daar met het volk Israël de vrijheid tegemoet ging.
Want de God die voor Israël de deur open deed naar de vrijheid
heeft ook voor u, voor jou die deur opengedaan naar de vrijheid.
Al die mensen die achter Mozes aangingen op de weg door de woestijn
hadden allemaal één ding gemeenschappelijk: allemaal zijn ze in Egypte geboren.
Maar ook wij, ook u, ook jij hebben dat gemeenschappelijk:
we zijn allemaal in een soort Egypte geboren.
Onze kinderen zijn – net als wij – in zonde ontvangen en geboren.
Dat wil zeggen: op een plaats buiten het land van God,
waar God is, waar Hij koning is en gediend wordt.
Daar zijn we buiten geboren – buiten het paradijs.
Een soort Egypte, omdat we dan in het gebied geboren zijn
dat in de macht van de zonde is, van de duivel.
De geboorte van een kind is een rijke zegen,
een bijzondere gebeurtenis waarin je veel van de Heere ontvangt.
Maar er is wel eens schaduwzijde aan de geboorte van een kind:
elk kind dat geboren wordt, wordt buiten het paradijs geboren.
Dat is misschien niet het eerste waar je aan denkt als je je kind in de armen sluit:
weer een zondaar op aarde gekomen.
En dat is misschien ook niet het eerste dat bij je boven komt
als kinderen de kerk ingedragen worden om de heilige doop te ontvangen:
in zonde ontvangen en geboren – eigenlijk in een soort Egypte geboren,
in het slavenbestaan waarin de zonde en de duivel de heerser zijn.

Gelukkig is dat niet het enige dat over een klein kind gezegd kan worden.
Gelukkig is er nog een andere kant aan de zaak
Waar de Heere voor gezorgd heeft.
Wanneer een kind in Israël geboren wordt, wordt het weliswaar in Egypte geboren,
maar wordt het tot het volk van God gerekend.
Dat geeft een dubbelheid, een spanning:
Wanneer er niets gebeurt – als de Heere niets doet,
zal dit kind opgroeien in Egypte, zal het een moeilijk bestaan hebben
als slaaf, zal het afgebeuld worden, zal het uiteindelijk sterven en begraven worden in Egypte
en zal het nooit de vrijheid hebben ervaren, maar altijd slaaf en gevangen.
Dat maakt de uittocht uit Egypte zo bijzonder: de Heere opent de deur
en laat het volk Israël trekken naar het Beloofde Land en naar de Sinaï.
Vooral die berg is van belang: vorige week op Startzondag heb ik verteld
dat op die berg de Heere is en dat Hij vanaf dat moment ook echt in eigen persoon
meegaat met Zijn volk en bij Zijn volk komt wonen.
Heel het volk gaat mee, achter Mozes aan: eerst naar de berg van God
en daarna naar het land dat de Heere hen gegeven heeft.
Je moet er niet aan denken dat er sommigen achtergebleven waren,
die het niet zagen zitten om mee te gaan.
Die bij zichzelf dachten: we weten nu wat we hebben;
wat we krijgen, wat het leven wordt, dat moeten we maar afwachten.
Iedereen ging mee, de deur die door de Heere was geopend door.

Net had ik het over een spanning, een dubbelheid:
geboren in Egypte, maar lid van het volk Israël.
Die dubbelheid, die spanning is er ook voor elk kind dat uit gelovige ouders geboren wordt.
Het wordt in een soort Egypte geboren, buiten God,
maar het mag er ook bij gerekend worden.
Maar dat zijn wel twee verschillende krachten die aan een kind trekken.
Er blijft een kracht uit dat Egypte aan de kinderen trekken.
Zal er een soort heimwee zijn, naar het oude bestaan van voor de doop?
Zullen zij zeggen: Mijn ouders hebben mij weliswaar meegenomen
op die weg door de Rode Zee, maar ik keer liever terug.
Ik hoef niet tot Israël gerekend te worden. Laat mij alsjeblieft terug gaan naar Egypte.
Liever slaaf dan op de weg van God zijn.
En welke twee van de krachten is het sterkst bij u?
De kracht van de Geest die u meeneemt om de weg van Christus
of de kracht van de zonde die u het heimwee bezorgd naar een bestaan
waar de zonde en de duivel over u de baas zijn.
Liever in de macht van de zonde dan op de weg van God te zijn.
Want gemeente, deze dopelingen hebben de doop ontvangen,
maar dat is geen garantie dat ze de eindbestemming
die God met de doop bedoeld heeft zullen behalen: namelijk het hemels Kanaän.
Ook degenen die gedoopt zijn kunnen zeggen: Waren we maar in Egypte gebleven.
Pa, ma, had mij maar nooit door de Rode Zee laten gaan.
Had mij maar daarvoor gelaten.
Zonder de redding van Christus had ik een prettiger leven gehad!

Waarom eigenlijk, gemeente?
Waarom blijft Egypte zo trekken bij het volk Israël?
En waarom is het voor degenen die gedoopt zijn geen garantie
dat hun weg eindigt in de hemel, in Gods heerlijkheid?
We zien het in het verhaal dat we hebben gelezen:
leven in vertrouwen op God is voor mensen niet eenvoudig.
Elke keer is er weer de herinnering aan het verleden,
waarbij de nare kant onderdrukt wordt en alleen aan het positieve wordt teruggedacht.
Elke keer is er het wantrouwen aan de leiding van de Heere.
Het begint al direct na het uittrekken uit Egypte:
Het volk moet een andere weg gaan. Niet een directe weg naar Kanaän,
maar een weg waarbij het vast lijkt te lopen.
Keer om op de weg.
Doe net of je niet meer de weg weet en je tijd moet nemen om de weg te vinden in de woestijn.
Dat is de weg die God vaak met Zijn volk gaat:
niet een rechtstreekse weg,
maar een weg met bochten en omwegen, waarbij je zelf denkt: ik kom niet meer verder.
Kijk maar naar het volk Israël.
Het moet het kamp opslaan op een plaats waarbij het bijna omsingeld is.
Er is nog één weg open: dat is de weg terug naar Egypte.
Aan twee kanten liggen bergen waar het volk niet overheen kan.
en voor hen wordt de weg geblokkeerd naar Egypte door de Zee.
Je zou denken dat het om aardrijkskundige namen gaat,
maar waarschijnlijk gaat het om meer:
In de naam Pi-Hachiroth klinkt de naam van de Egyptische god Hathor door
en in de naam van Baäl-Zefon, de naam van Baäl.
Gevangen tussen deze twee goden: de god uit wiens macht ze net ontsnapt zijn
en de god die heerst in het land waar ze naar toe gaan.
De bergen omringen hen en vanaf die bergen grijnzen deze goden hen aan:
je redt het niet – verloren.
Ik hef mijn ogen op naar de bergen – nou, daar komt geen hulp vandaan,
maar de grimmige spot van de goden die sterker lijken te zijn dan de God van Israël.
En voor hen is de weg ook geblokkeerd – door de zee.
Ook hier gaat het om meer dan een aardrijkskundige benaming:
de zee: dat is een verwoestende macht, een tsunami, geweldige golven,
waartegen niets bestand is, een onneembare hindernis.
Daar is geen weg doorheen, maar wie daardoor heen gaat, wacht de dood, is verloren,
ten dode opgeschreven.
Achter hen zien ze de farao van Egypte aan komen stormen met de beste soldaten die hij heeft.
Dat zal een paniek gegeven hebben:
net als bij de mensen die uit Syrië gevlucht waren en voor de grens van Turkije stonden
maar er niet in mochten, omdat Turkije de grens gesloten had.
Achter hen rukte de dreiging op: de dood, vaak voorafgegaan door gruwelijke gebeurtenissen.
Niemand die veilig is, maar je kunt niet vooruit, omdat die weg gesloten is.

Gebeurt dat in het geloof ook niet?
Je bent op weg gegaan met de Heere, maar daar was opeens die omweg.
Je kwam vast te staan: geen enkele uitweg.
Klem tussen de goden van onze tijd die je uitlachen omdat je het geprobeerd had
met de Heere en achter je aan de zonde, de duivel die je komt achterhalen,
dravend met een zekerheid dat je een makkelijke prooi bent om terug te halen
en weer terug te brengen in zijn slavenbestaan.
Dan gaat opeens de deur open:
vandaar die sleutel die is meegenomen.
De deur door de zee heen, door het verwoestende water, niet te temmen,
Een weg door wat de dood had moeten zijn, daardoorheen een weg die de Heere geeft.
Door de dood wordt een weg gebaand door de Heere
en Israël kan in vrijheid gaan.
Zo is de doop ook een weg door de dood heen. Daarom die sleutel.
Jullie als ouders nemen je kind mee, door de Rode Zee.
Je neemt je kind mee uit Egypte, uit het slavenbestaan van de zonde en de duivel.
Zoals de ouders van Israël hun kinderen bij de hand meetrokken,
meesleurden als de kinderen begonnen tegen te stribbelen.
Weg van hier, door het water heen.
Zo nemen jullie door je kind de doop te laten ondergaan je kind mee.
Die weg is de Heere Jezus, is Zijn dood.
Daarin neem je je kind mee.
Daarmee is je kind uit Egypte, dat is het mooie – dat is het evangelie:
je mag je kind meenemen op de vlucht uit het zondebestaan,
maar het is nog niet in Kanaän – het is nog niet in het land van God.
Er zal steeds die aantrekkingskracht zijn: was ik daar maar in Egypte.
Er zal steeds een strijd zijn tussen die kracht en tussen de Heilige Geest
die je mee wil nemen verder op de weg van de Heere Jezus.
Welke kracht gaat het winnen? Welke kant gaat je kind op?
Door de Rode Zee is nog geen garantie dat je in Kanaän komt.
Want van de Israëlieten die daardoorheen gingen, kwamen er maar 2 aan: Jozua en Kaleb.
Het is een smalle weg; niet omdat God zo’n hoge drempel geeft,
maar omdat ons hart zo moeilijk de weg van God gaat.
Daarom is de doop geen garantie dat we in Gods heerlijkheid komen.
De doop brengt ons niet in de hemel.
De doop laat de sleutel zien:
het bloed van de Heere Jezus waardoor er een weg weer is naar God.
Je mag als ouders je kind lang op deze weg meenemen,
het mag lang aan je hand meelopen en zo mag je het in de opvoeding de weg wijzen,
maar er zal een moment komen, waarop het zelf de keuze moet maken:
Egypte of Kanaän; de zonde of de Heere; het leven in Gods heerlijkheid of de verlorenheid.
De Heere wil dat laatste: daarom toont Hij in de doop de sleutel,
toont Hij dat Christus de weg gebaand heeft
en dat de machten die ons op de hielen zitten ondergegaan zijn in Zijn dood
en voor ons de weg naar de Heere open ligt.
Wie die weg niet gaat, keert terugaar het leven van vóór de Rode Zee, van voor de doop
en dat is een leven van de ondergang.
Dat zou de slechtste keuze zijn, want dan kies je voor de verliezer , voor degene die ondergaat
en sta je buiten de lofzang op Gods heerlijkheid en macht.Maar dan moeten we die weg wel gaan, voor onszelf en voor onze kinderen
en moet je als ouders de ernst van de keuze voorhouden.
Alleen als je deze weg gaat, dan ga je de weg van de Heere, de weg van behoud.
De weg is gebaand – dat laat de doop zien. Ga die weg dan ook!
Wie die weg gaat, mag meezingen in de lofzang van Israël.
Het volk dat Zijn God bezingt, omdat het van deze God mag zijn.
Amen