Über Rechtfertigung

Über Rechtfertigung

Ondertussen ben ik ook bezig met Martin Walser – ‘Über Rechtfertiging’. De Duitse schrijver houdt zich bezig met een van de centrale thema’s van het protestantisme. En eindigt met een fictief werkcollege over Nietzsche en Barth (Eerst Römerbrief en daarna zijn Evangelische Theologie)

Volgens Ulrich HJ Körtner een van de spannendste theologische boeken van de afgelopen tijd. Zie zijn bespreking: http://www.theologie-und-kirche.de/koertner-walser-furche.pdf

Een interview met Walser: http://www.theeuropean.de/martin-walser/9984-rechtfertigung-religion-und-atheismus

Ik lees dit boek ivm Reformatieherdenking komende zondag (en vanwege mijn interesse voor het thema ‘rechtvaardiging’).
De preek van komende zondag zal gaan over 2 Korinthe 5:10:
Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus verschijnen, zodat ieder van ons krijgt wat hij verdient voor wat hij in zijn leven heeft gedaan, of het nu goed is of slecht.

Handbuch Taufe

Handbuch Taufe

Afgelopen week kreeg ik een boek toegestuurd dat mij de moeite waard lijkt: Handbuch Taufe.

handbuchtaufe

De schrijvers van dit boek gaan ervan uit dat mensen in verschillende milieus zijn onder te delen: 10 SINUS-milieus (vergelijkbaar met de 8 milieus van Motivaction). Waarbij het nog maar de vraag is of de kerk alle milieus weet te bereiken.
In dit boek willen de auteurs laten zien hoe de kerk met doopgesprekken en doopdiensten aansluiting kan vinden bij de verschillende milieus.

Binnenkort volgt hier een bespreking van dit boek.

Kerk-zijn op een dorp: (1) wonen op een dorp

Kerk-zijn op een dorp: (1) wonen op een dorp

Hoewel er veel dorpsgemeenten zijn, is de bezinning op het kerk-zijn op een dorp pas recent op gang gekomen. Door missionaire bezinning is er al geruime tijd aandacht voor de context van de evangelieverkondiging, maar die spitst zich toe op de prediking of op stadsgemeenten. Er wordt volop nagedacht over wat het betekent om kerk in een stad te zijn. Er is een heuse theologie van de stad ontwikkeld. Omdat ik zelf sinds 2007 predikant in dorpsgemeenten ben, houdt mij de vraag bezig wat het betekent om kerk te zijn op een dorp.

Met als onderliggende vragen: Wat is de relatie tussen de dorpsgemeenschap en de kerkelijke gemeente? Wat is er kenmerkend voor een kerkelijke gemeente op een dorp? Wat zijn de voor- en nadelen van een dorpsgemeente? Wat is de toekomst van een dorpsgemeente? Wat betekent de context van een dorp voor de evangelieverkondiging en missionaire opdracht?
Op deze vragen heb ik nog lang niet een antwoord en het antwoord dat ik heb is nog erg voorlopig. Het helpt mij in mijn werk als dorpspredikant wel om deze vragen te stellen en daarover na te denken. In het volgende wil ik u meenemen op een zoektocht. Daarbij wil ik beginnen bij het wonen op een dorp.

Dorps
In mijn kindertijd delen verschillende scholen mee met de aubade op het marktplein. Een van de liederen die we zongen was het Veens volkslied (niet te verwarren met het Nieuw Veens Volkslied van Kees Stip):

Veenendaal, dorp dat tot stad is gegroeid,
stad waar veel goeds van een dorp ook nog bloeit.

Dat laat zien dat het dorpse een aantal mensen een meerwaarde heeft boven het stadse. Ook al wordt het in dat volkslied niet uitgewerkt wat het dorpse kenmerkt. Blijkbaar gaat men ervan uit, dat direct duidelijk is waarom het dorpse een voorkeur heeft boven het stadse en waarom het zo prettig is, dat Veenendaal ondanks de groei nog steeds het karakter van een dorp heeft.

Hart voor het dorp
Degenen die positief zijn over het wonen op een dorp noemen vaak het rustige leeftempo, de aandacht en betrokkenheid op elkaar. Op een dorp zijn er veel contacten: je komt elkaar op verschillende momenten door de week tegen. ’s Zondags bijvoorbeeld in de kerk, doordeweeks op straat, in de winkels (als die er zijn), bij de voetbal, in het dorpshuis. Ik zie het aan mijn eigen zoon: een deel van de vriendjes waarmee hij speelt, zitten bij hem in de klas, bij ons in de kerk, op dezelfde voetbalclub en wonen enkele straten verderop. Geregeld is er overleg met de scholen, bijvoorbeeld om de diensten voor bid- en dankdag of voor de zondag voor school en kerk voor te bereiden. De trits school – gezin – kerk kan in sommige dorpen worden aangevuld met voetbal (of een andere sport). Een collega uit de buurt werd gevraagd om voorzitter te worden van de plaatselijke voetbalvereniging. Hij bedankte voor de eer. Bij het jubileum van de voetbalvereniging werd hij gevraagd om een speech te houden.
Veel dorpelingen zijn nauw betrokken bij de dorpsgemeenschap en zetten zich er volop voor in. De plaatselijke voetbalvereniging hier is er trots op, dat het gras er veel beter bij ligt nu het door vrijwilligers wordt onderhouden dan toen het nog door de gemeente werd onderhouden. Vrijwilligers zijn er volop op een dorp: de vrijwillige brandweer, de oranjevereniging, het buurthuis, de kerk, de voetbal – geen enkele vereniging bestaat zonder vrijwilligers. Degenen die op een dorp wonen hebben vaak hart voor hun dorp en voor de verenigingen van een dorp.

Je weet alles van elkaar
Als ik aan bruidsparen vraag of zij op het dorp willen blijven wonen, krijg ik twee verschillende antwoorden: de een wil niet weg, de ander is blij weg te kunnen. Wie wil blijven, wil niet zonder de onderlinge contacten. De buren en de familie weten veel over je. Ook zonder dat je het hen vertelt. Van de oudere generatie hoorde ik zelfs, dat men al vrij snel wist wanneer een vrouw op het dorp in verwachting was omdat men bij de was op maandag bepaalde was miste… Nauwe contacten hebben ook een nadeel: men weet alles van elkaar en men wil soms ook alles van de ander weten. Degenen die op een dorp wonen, kunnen zich in hun manier van leven ook laten leiden door wat de anderen (de buren, familie) zou vinden: ‘Wat zouden anderen dan van mij zeggen?’
De omringende plaatsen hebben voor de mensen hier op het dorp de bijnaam: ‘rutenkiekers’ of ‘platneuzen’ (omdat ze de hele dag met hun neus tegen het raam zouden staan om te zien wat er in de straat gebeurt). Toen ik een keer vroeg waarom hier zoveel gordijnen ’s avonds open blijven, kreeg ik als antwoord: ‘Je wilt toch wel weten wie er ’s avonds door je straat loopt.’ Het gaat mij er niet om of deze karikaturen waar zijn. Ik haal deze vooroordelen aan om aan te geven, dat wonen op een dorp ook een negatieve kant heeft. Betrokkenheid en roddel liggen soms dicht bij elkaar. (Ik moet hierbij denken aan wat de docent pastoraat ons vertelde over de relatie roddel en betrokkenheid. Zij draaide het om en gaf aan dat het de kunst is om van roddel (‘gossip’) betrokkenheid en evangelie (‘gospel’) te maken.)
Degenen die weg willen, vinden al die betrokkenheid ook benauwend. En mensen die van elders komen kunnen zelfs na jarenlang op het dorp te hebben gewoond nog steeds het gevoel hebben er niet bij te horen.

Voorzieningen
Een heikel punt zijn de voorzieningen. Veel dorpen hebben te maken met teruggang: winkels trekken weg, scholen verdwijnen. De ouderen weten nog te vertellen dat er verscheidene bakkers en smeden waren. Daarnaast is er sprake van regionalisering. Kleine verzorgingstehuizen verdwijnen uit dorpen, waardoor ouderen als zij hulpbehoevender worden de laatste jaren van hun leven uit het dorp, waar zij altijd hebben gewoond, moeten weggaan. Werkgelegenheid kan uit dorpen verdwijnen omdat de bedrijven en voorzieningen wegtrekken. Veel burgerlijke gemeenten zijn in de afgelopen decennia gefuseerd tot grote gemeenten met veel dorpen (waarbij na jaren nog steeds het gevoel kan overheersen dat dit dorp er maar bij hangt.)
Dorpen hebben het gevoel, dat zij leeglopen omdat jongeren elders moeten wonen, omdat er geen starterswoningen zijn. Nieuwbouw is vaak niet meer mogelijk in dorpen en wordt geconcentreerd in grotere plaatsen in de buurt. Door de vertrek en door import kunnen dorpsbewoners het gevoel hebben dat hun dorp sterk van karakter verandert en de betrokkenheid afneemt?
Is er nog toekomst voor een dorp wanneer de jonge gezinnen en de voorzieningen wegtrekken? Verrassend genoeg blijken dorpen vitaal te zijn. De meeste dorpen hebben meer jongeren en kinderen wonen dan zij zelf vaak denken. Slechts enkele gebieden aan de rand (Zeeuws-Vlaanderen, Noord-Oost-Groningen) hebben daadwerkelijk te maken met leegloop.

Gemeentebeleid
In veel burgerlijke gemeenten is er een dubbele tendens: regionalisering (of regionale samenwerking) en het ondersteunen van de dorpskernen te ondersteunen. Aan de ene kant is deze dubbele tendens een vorm van bezuinigingen. In deze tijd kan de gemeente niet alle verenigingen meer van subsidie voorzien. Aan de andere kant is het ook een vertrouwen in de daadkracht en de betrokkenheid van degenen die op een dorp wonen.
Ook regionalisering wordt vaak gedreven door de noodzaak tot bezuinigingen. Deze regionalisering stuit vaak wel op scepsis: levert de regionalisering wel genoeg op of is de kostprijs hoger dan de uiteindelijke winst? Daarnaast gaat regionalisering ook gepaard met het nodige wantrouwen: regionalisering betekent afstand en afname van betrokkenheid. De bereidheid en verantwoordelijkheid van vrijwilligers neemt af bij regionalisering. Daarnaast heeft elk dorp een eigen karakter, waarbij men soms zich ook bewust afzet van de naburige dorpen en plaatsen. Niet bevorderlijk voor het vertrouwen in de samenwerking.

Wat betekent de context van een dorp voor een kerk? Daarover de volgende bijdrage.

Hoe rijk ben jij?

Preek kinderdienst 20 oktober 2013
Thema: Hoe rijk ben jij?
Nav Markus 10:17-30

Hoe rijk ben jij? Weet jij dat, hoe rijk je bent? Je hebt het vast wel eens tegen je ouders gezegd: jullie zijn toch wel rijk, hè? Je hebt vast wel 169,-, want dan kunt u LEGO City de 4 treindozen kopen. Ze zijn nu een heel stuk goedkoper. Kijk maar in de folder van Intertoys: van € 257,- voor € 169,-! Voordeel: € 87,97!
Of misschien ben je zelf wel aan het sparen voor iets groots: een doos van LEGO of Playmobil, een nieuwe wii, een waveboard – iets wat je heel graag wilt hebben. Als je al zakgeld krijgt, kun je dat in een spaarpot doen en de stand bijhouden hoeveel je hebt. Elke keer als je weer zakgeld in je spaarpot gedaan hebt, schrijf je het op. Af en toe tel je na hoeveel geld je hebt om te weten wanneer je het nu kunt kopen.
Als kind keek ik graag in de speelgoedfolders die in de tijd voor Sinterklaas binnenkwamen. Er stond zoveel speelgoed in. Ik bladerde door die folder, omcirkelde het speelgoed dat ik graag wilde hebben. Dan dacht ik: wat zou het fijn zijn om rijk te zijn, om zo maar te kunnen kopen wat je zou willen hebben. Ik dacht wel eens aan de vrienden uit mijn klas. Sommigen hadden veel meer speelgoed dan ik had. Ik verbaasde me erover hoeveel LEGO zij hadden. Of later in groep 7 en 8 deden wij vaak soldaatje. De meesten hadden een oud uniform, gekocht bij een dumpshop, zelf had ik een groene overall. Leuk, maar het zou nog leuker zijn als ik zo’n echt uniform had.
Ik zal niet zeggen, dat mijn ouders arm waren, maar het was wel een tijd waarin zij zuinig moesten zijn. Ik weet nog dat ik een jaar of 7 was, dat ik voor het eerst mijn eigen fiets kreeg, 75 gulden (ongeveer 35 euro). Eindelijk een fiets die ik niet hoefde over te nemen van mijn broers. Mijn oudere broers kregen eerst de fiets en wanneer de fiets voor hen te groot was, kreeg ik die fiets. Een rode fiets – ik weet het nog goed. Wat was ik blij! Tweedehands. Ik dacht ook wel eens anderen, die wel een nieuwe fiets hadden.
Wat zou soms fijn zijn om rijk te zijn. Toch? Om niet te hoeven sparen, maar om gelijk te kunnen kopen wat je zou willen. In de Donald Duck kunnen abonnees zich voorstellen. Een van die vragen is: Wat zou je doen als je net zo rijk was als Dagobert Duck. Als ik zo rijk was als Dagobert Duck, dan zou ik…………. Je kunt er van dromen om rijk te zijn. De voordelen van rijk-zijn kun je zo opnoemen. En je hoeft niet alleen aan jezelf te denken. Als je rijk bent, kun je ook veel anderen helpen. Je kunt arme mensen helpen, kinderen die niet naar school kunnen of geen speelgoed hebben.

Als je rijk bent heb je alleen één probleem. Weet je wat dat probleem is? Als je rijk bent, is het heel moeilijk om in de hemel te komen. Dat is wat de Heere Jezus zegt: ‘Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ De Heere Jezus zegt erbij: Het is zelfs makkelijker om voor een kameel om door het oog van een naald te gaan. Het is makkelijker dat zo’n groot beest door een heel klein gaatje gaat, dan een rijke die de hemel binnengaat. Waarom is dat eigenlijk zo moeilijk om als je rijk bent de hemel binnen te gaan? En zou dat ook voor jou of voor je ouders gelden? Zou het ook voor jou gelden dat het makkelijker is om een kameel door zo’n klein gaatje te krijgen dan dat jij, die zoveel hebt, de hemel in zou gaan?
Wat is er eigenlijk aan de hand? De Heere Jezus zegt dat niet zomaar, dat het moeilijk is voor iemand die rijk is om het Koninkrijk van God binnen te gaan. Hij zegt dat, nadat er iemand bij hem is gekomen, die heel rijk is. Hij komt met een belangrijke vraag bij de Heere Jezus: Wat moet ik doen om eeuwig te leven?
Moet je eens voorstellen, hoe deze jongeman bij de Heere Jezus komt en aan Hem deze vraag wil stellen. Dat laat zien, dat je met al je vragen bij de Heere Jezus mag komen en dat de vragen die jij hebt, best belangrijke vragen kunnen zijn. En ook, dat de Heere Jezus daar een antwoord op geeft.
De jongeman die bij de Heere Jezus komt heeft misschien wel heel lang gewacht op een mogelijkheid om aan de Heere Jezus deze vraag te stellen. Deze vraag die hem al zo lang bezig houdt: Kan ook ik de hemel binnen gaan? Wat moet ik daarvoor doen? Moet ik goed leven? Moet ik mij aan alle geboden houden? Laat ik dat maar doen. Al heel jong is hij daarmee begonnen. Hij heeft van zijn vader en moeder gehouden en hij heeft altijd alles gedaan om zijn ouders te eren. Nog nooit heeft hij gestolen. Misschien kwam het wel eens voor, dat hij langs een kraam liep en dat hij iets graag wilde hebben. Hij wist: ik moet daarvoor betalen. Nooit heeft hij vervelende dingen over anderen gezegd. Nooit heeft hij tegen zijn vrienden gezegd: ‘ Moet je eens luisteren, weet je wat ik nu heb gehoord over Rebekka?’ Nooit heeft hij gezegd: ‘ Vind je ook niet dat Sara zo stinkt?’ Nooit was hij oneerlijk. Als hij voelde dat hij jaloers werd, wist hij: daar moet ik tegen vechten, want ik mag niet jaloers zijn. Ik moet tevreden zijn met wat de Heere mij geeft.
Als kind al hield hij van de Heere en daarom wilde hij het zo graag zo goed doen. Hij wilde dat de Heere ook tevreden was en blij was met Hem. En toch was er een vraag, die hij had: doe ik het wel goed? Doe ik per ongeluk toch niet iets verkeerd, waardoor als ik later bij de hemelpoort kom er tegen mij gezegd wordt: jij komt er niet in! Was er maar iemand die mij daar antwoord op kon geven!
Ja, daar is Jezus! Hij kan vast een antwoord geven op de vraag die mij zo bezig houdt. Het is een bijzonder moment waarop hij bij de Heere Jezus komt. Als hij aankomt, lopen er net moeders bij de Heere Jezus vandaan. Zij zijn bij de Heere Jezus geweest met hun kinderen. De Heere Jezus had hen gezegend en gezegd: hou ze niet tegen, want voor hen is het Koninkrijk van God.
Zou hij het durven, de vraag aan Jezus stellen? Zou Jezus wel naar zijn vraag willen luisteren? Als de kinderen bij Hem mogen komen, mag ik misschien ook wel met mijn vraag komen. Als kinderen in het Koninkrijk van God mogen komen, is er voor mij hopelijk ook een kans om in de hemel te komen. Kan Hij een bevestiging geven dat ik op de goede weg ben? Laat ik maar goed voor de dag komen en heel beleefd doen, dan wil Hij misschien wel naar mij luisteren?
Hij stapt op Jezus af: “Goede meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?” Jezus kijkt hem aan en zegt dan tegen hem: “Goede meester? Waarom noem je Mij goed? Weet je niet dat er maar Eén is die goed is? Weet je niet, dat alleen God goed is? En je weet toch wat God van mensen vraagt?”
De jongeman knikt, dat weet hij. En heel zijn leven heeft hij geprobeerd om zo te leven. Is er dan voor hem toch een kans? Hij hoeft er niet om te liegen, het is waar! ‘Meester’, zegt deze jongeman, ‘Heel mijn leven heb ik zo geleefd. Ik hou van mijn vader en moeder! Ik heb alles gedaan om hen te eren. Nooit heb ik gestolen! Nooit heb ik gelogen of nare dingen over andere verteld. Ik heb met al mijn geld steeds anderen geholpen, vooral degenen die arm waren.’
Jezus kijkt hem aan en weet, dat deze jongeman oprecht is. Wat zou deze jongen een goede discipel van Hem zijn! Deze jongen betekent al veel voor God en wat kan hij nog meer voor God doen. Wat houdt Jezus van deze jongen. Vol liefde kijkt Jezus deze jongen aan: ‘Je hoeft nog maar één stap te doen. Je mist nog maar één iets en dan heb je echt alles.’
Vol verwachting kijkt de jongen Jezus aan: wat zal Jezus gaan zeggen?
‘Verkoop alles en volg mij!’
Ai! De jongen schrikt! Hoe kan hij iets missen als hij alles heeft? Ja, dat is het probleem! Hij kan niets missen! Stel je voor, dat hij iets minder heeft. Dan zou hij veel minder kunnen doen. Dan zou hij niet meer anderen kunnen helpen. Dan zouden anderen niet meer vol dankbaarheid zijn naam noemen en zeggen: hij heeft ons geholpen. Dan zou hij niet meer kunnen sponsoren. Wat zou hij nog meer niet kunnen doen? Hij zou dan niet meer zelf aan eten kunnen komen. Nu hoeft hij zijn knechten maar te roepen en zij zouden het eten klaarmaken. Maar als hij achter Jezus aangaat en alles verkoopt, dan heeft hij niets meer. Dan moet hij maar afwachten wanneer er mensen komen, die hem eten geven. Dat kan hij niet! Misschien was hij wel baas van een groot bedrijf en dacht hij aan al de mensen waar hij verantwoordelijk voor was. Door hem draaide dat bedrijf goed en konden veel mensen eten krijgen en hadden zij een goed bestaan. Hij kan niet alles verkopen. ER zijn zoveel mensen van hem afhankelijk!
Waarom vraagt Jezus om alles te verkopen? Is het verkeerd om rijk te zijn? Moet iedereen vanmiddag al het geld weggeven dat wij hebben? Naar de bank gaan om al het geld dat wij hebben op te nemen en aan de diaconie geven? Alle spullen die wij hebben verkopen: al het speelgoed, je bed, de auto, het huis? Is het verkeerd om iets te hebben?
Nee, er is iets anders, waardoor deze man Jezus niet kan volgen! Hij maakt zich te veel zorgen. Als hij geld genoeg heeft, kan hij voor zichzelf zorgen. Maar als hij niets meer heeft, dan moet hij wachten, tot God iets geeft: eten, nieuwe kleren, een plaats om te slapen. Hij maakt zich te veel zorgen. Hij doet alsof anderen van hèm afhankelijk zijn en niet van God. Alsof God niet kan zorgen van de werknemers van zijn bedrijf. Wees niet bezorgd, zei Jezus, want God zorgt.
Mensen die weinig hebben, maken zich weinig zorgen. Zij vertrouwen er op, dat God zorgt. Dat Hij hen eten en drinken geeft. Maar wie veel heeft, wie altijd alles kan kopen wat hij wil, maakt zich juist veel zorgen. Staat er morgen nog genoeg geld op mijn bank? Zal ik in staat zijn om anderen te helpen? Ik moet maar doorgaan, er zijn zoveel mensen van mij afhankelijk!
Daarom kunnen rijken niet in het Koninkrijk van God binnen gaan. Zij hebben teveel bij zich. Niet teveel geld, maar teveel zorgen. Zij durven dat niet over te geven aan God.
Maar wie kan dan de hemel binnen gaan? Nou, kinderen. Want zij maken zich veel minder zorgen. Zij weten, dat er ouders zijn die voor hen zorgen. Jullie weten: God is er en Hij zorgt.
Maar volwassenen? Kunnen zij wel zalig worden? Kunnen zij die zorgen van zich afleggen? De discipelen schrokken zich ook wild! Ze vragen het geschrokken aan de Heere JEzus: ‘Maar wie kan dan gered worden? Iedereen maakt zich toch zorgen?’
Met ene glimlach antwoordt de Heere JEzus: Wees maar niet bezorgd. Jullie denken dat het niet kan, maar God kan alles. Hij kan jullie zorgen afnemen. Zoek eerst het Koninkrijk van God. En al het andere wordt je gegeven. ALs je dat gelooft, als je zo durft t eleven, mag je het Koninkrijk van God binnengaan. Dat geldt niet alleen voor de discipelen, maar ook voor jullie: Zoek eerst het Koninkrijk van God. En al het andere wordt je gegeven. ALs je dat gelooft, als je zo durft t eleven, mag je het Koninkrijk van God binnengaan. Je bent rijk als je Jezus kent.
Amen

Preek zondagmorgen 20 oktober 2013

Preek zondagmorgen 20 oktober 2013
Jesaja 40:1-11
Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Troost aanbieden is een van de taken van de kerk. Wie zich voorbereidt op het ambt van ouderling of van predikant komt dat ook tegen in de boeken als een van de taken: het troosten en bijstaan van mensen, die een moeilijke periode doormaken.
Mensen verwachten dat ook van de kerk, dat de kerk troost aanbiedt. Niet alleen mensen die bij de kerk betrokken zijn, maar ook degenen die niet zo betrokken zijn. Wanneer de kerk komt met troost, gaat de deur vaak open en kan een ouderling binnen komen.
Vaak wordt de ouderling, de predikant ook verwacht. Het is daarom altijd fijn als het wordt doorgegeven, dat er in bepaalde gezinnen iets aan de hand is, zodat daar ook een bezoek gebracht kan worden.
Bezoek waaruit medeleven blijkt, kan als heel troostvol ervaren worden. Al is het maar een kort bezoek, er kan toch even een hart onder de riem gestoken worden. Troost en steun aanbieden gebeurt niet alleen, omdat er op gerekend wordt dat er bezoek komt, maar ook omdat het een opdracht is van God: Troost, troost mijn volk, zegt uw God.
Dat is ook een van de redenen waarom we als gemeente ouderlingen hebben en waarom het van belang is, dat er weer nieuwe ouderlingen komen: om in naam van God bij te staan en te troosten. Om door meeleven, door bezoek te laten weten dat God er ook is,
dat Hij nooit loslaat, hoe moeilijk het ook kan zijn in een leven.

Maar troosten is niet eenvoudig en misschien dat daarom degenen die verkozen zijn
hun ambt niet konden aanvaarden, omdat zij tegen die taak opzagen. Want wat moet je zeggen als je op rouwbezoek komt?
Je kunt soms tegen condoleren al opzien en dan een bezoek brengen, namens de kerk. Als je geen ouderling bent, kun je – wanneer je er tegen op ziet – nog ervan afzien om te gaan, het uit de weg gaan.
Troosten is niet zo eenvoudig. We kunnen dat ook in de Bijbeltekst zien. Na de oproep om te troosten volgt er een andere zin: Spreek naar het hart van Jeruzalem. Om troost te kunnen aanbieden, moet het hart van de ander gekend worden.
Dat betekent dat er eerst geluisterd moet worden naar wat er bij de ander in het hart leeft. Welke zorgen draagt iemand mee in zijn of haar hart? Eerst luisteren en dan pas praten en niet gelijk met een troost klaar staan. Troost die te snel gegeven wordt is goedkope troost en veroorzaakt een pijn die jaren later nog gevoeld kan worden, pijn vooral ook omdat er niet geluisterd is en daarom ook niet echt getroost is.
Ook om andere reden kan het moeilijk gevonden worden om troost aan te bieden. Juist troost vanuit het evangelie. Soms is de troost te groot. Net als bij een winkel, waar soms bij de kassa aangegeven kan worden: van €200,- en € 500,- hebben wij niet terug. Soms kan de troost van het evangelie als een te grote schat ervaren worden. Waarbij gemeenteleden het teruggeven en aan ons vragen: heb je het niet kleiner? Het is mooi en goed om in een rouwdienst te zingen: U zij de glorie. Het is troostvol om Pasen te vieren. Maar in een gesprek kan het soms als een te grote schat ervaren worden. Alsof je met een briefje van €200,- of € 500,- staat te zwaaien en je het bij de ander in de ogen leest: heb je het niet kleiner? Spreken naar het hart van Jeruzalem, dat betekent dat de troost in kleingeld uitbetaald moet worden. Toegepast op deze situatie, op dit leven, dit hart, dit gesprek.

Troost kan ook te snel gegeven worden. Bijvoorbeeld als niet gezien of gehoord wordt, dat wanneer iemand ontslagen wordt, iemand diep geraakt kan zijn, omdat hij veel voor dit bedrijf heeft gegeven en nu afgedankt wordt.
Spreek naar het hart – is de opdracht die de profeet krijgt. Zorg ervoor, dat de woorden die je spreekt, het hart weten te vinden, niet om daar nog meer verdriet aan te richten, maar om ervoor te zorgen dat de ander voelt, dat hij gedragen wordt en niet alleen door menselijke woorden, maar door God zelf.
Dat is wat de profeet hier voorgehouden wordt: als je de juiste woorden spreekt, woorden die een ander ook echt weten op te beuren, op de goede manier weet op te bemoedigen, zullen de mensen ervaren, dat het niet jouw woorden zijn, maar woorden van God zelf. Dan zullen mensen door je woorden heen ook aanvoelen, dat de Heere hen aanspreekt en bemoedigt.

Ik weet niet of de ouderlingen en bezoekbroeders en bezoekzusters dat herkennen, maar ik ben er geregeld verbaasd over wat mensen aan je vertellen als je op bezoek ben. Geregeld heb ik de ervaring, dat die mensen dat niet alleen maar aan mij vertellen, maar dat zij ook via mij met God in gesprek zijn en dat zij hopen dat wat zij met mij delen, dat dat ook door de Heere wordt gehoord.
Dat laat ook zien, waarom iemand teleurgesteld kan zijn als er geen bezoek geweest is vanuit de kerk: er was een mogelijkheid minder om de zorgen, om het verdriet of de teleurstelling met de Heere te delen. Dat geeft nogmaals aan, hoe belangrijk het bezoek is dat vanuit de gemeente gedaan wordt, niet alleen door de ouderlingen, maar ook door u als gewoon gemeentelid. Zonder dat u het soms zelf beseft, mag u de stem van God zijn.
Zo is dat ook met de profeet, die de boodschap van troost mag brengen aan Israël. Het zijn niet zijn eigen woorden, hij heeft ze ook niet zelf bedacht, maar hij werd gestuurd met deze woorden, door God, als boodschapper om Gods woorden door te geven.

Misschien heeft de profeet er wel tegen op gezien om naar het volk Israël te gaan. Dat is goed voor te stellen, want het volk Israël maakte een moeilijke tijd door. Ze waren balling, weggevoerd van hun eigen land, ver weg van Jeruzalem. Ze waren niet alleen ver weg van hun eigen land en moesten in het vreemde een nieuw bestaan opbouwen. Ze vielen in een diep gat, want wat hun ervaring was, was dat God hen verlaten had. Daar in het vreemde land, omringd door mensen die hun taal niet spraken, in een cultuur die zij niet begrepen en geen enkele mogelijkheid om nog naar huis terug te keren, wisten ze het: God heeft ons losgelaten. Hij ziet niet meer naar ons om.
Om zulke mensen te bemoedigen en te troosten, die in zo’n diep gat vallen, dat zijn misschien wel de moeilijkste bezoeken die afgelegd kunnen worden. Om mensen moed in te spreken, die alleen nog maar een toekomst voor zich zien zonder God, omdat God ze heeft prijs gegeven. Om woorden van troost te vinden voor hen die onbereikbaar zijn voor troost
en niet meer geloven, dat God nog iets met hen heeft. Wanneer de profeet met eigen woorden zou komen, zouden zijn woorden nietszeggend zijn, zou hij beter kunnen zwijgen
om te delen in de wanhoop van het volk. Want welke woorden bieden nog steun als alle houvast verdwenen is?
Wat is je houvast in leven en sterven als God verdwenen is en je Hem niet meer kunt terug vinden?

Maar dat is het verrassende en bemoedigende van wat de profeet moet zeggen tegen zijn volk en daarom is het maar goed dat het niet zijn eigen woorden zijn maar Gods woorden.
Troost, troost mijn volk, zal uw God zeggen. Mijn volk en uw God.
Wat de boodschapper moet zeggen, is dat er weer sprake is van een herstel van de relatie.
God zegt: jullie zijn Mijn volk weer. Ik ben weer jullie God. Genoeg heb je geleden. De straf is genoeg geweest, Ik kan het niet over Mijn hart verkrijgen om jullie nog langer los te laten. Wij krijgen een inkijkje in het hart van God: Het is de genade, de bewogenheid voor Zijn volk, waar Gods hart vol van is.
De profeet moet spreken naar het hart van Jeruzalem, door Gods hart te laten zien. Gods hart gaat open en daarom is er weer troost, weer houvast voor Israël. Mag het zich gedragen weten.
Het is geen vage toezegging die de profeet meekrijgt, maar een duidelijke belofte van God zelf: Ik ben er weer in jullie midden. Maak je klaar om Mij te ontvangen. Israël in de ballingschap, ver weg van thuis, verloren in het vreemde, zonder God in de buurt, krijgt deze boodschap van God: Ik kom eraan en jullie horen weer bij mij. Die tijd dat er een breuk was, dat wij niet meer bij elkaar hoorden, is voorbij. Er komt een nieuwe tijd, een nieuwe tijd omdat Ik zelf kom.

Dan krijgt het volk de opdracht om een weg aan te leggen. Midden in de woestijn. Deze weg moet aangelegd worden, zodat God de gelegenheid krijgt om weer naar Zijn volk toe te komen.
Wat een dwaze opdracht. Wie legt er nu een weg aan dwars door de wildernis? Wie legt er een weg aan die nergens op uitloopt?
Van de zomer las ik een bericht over Blauwe Stad bij Groningen. Dat had het paradepaardje van het noorden moeten worden: een grote wijk in de buurt van Groningen, bedoeld om het wonen en het recreëren te stimuleren. Wegen werden al aangelegd, zodat de bewoners direct mobiel waren. Een groot meer, zodat er direct recreatie was voor de bewoners, werd gegraven. Alleen: huizen werden er bijna niet gebouwd. De huizenmarkt was ingestort. Nu liggen er veel wegen, klaar om gebruikt te worden, maar ze worden bijna niet gebruikt.

Zo’n opdracht is het die de profeet meekrijgt: bouw een weg door de wildernis en de verbitterde mensen voor wie de boodschap bedoeld was, zullen daarop zeggen: eerst zien en dan geloven.

Of het nu gaat om een echte weg die aangelegd wordt, een letterlijke weg
of een figuurlijke, de kinderen van de hoogste groepen op de basisschool kennen vast dat onderscheid wel: een letterlijke weg is een weg die ook echt aangelegd wordt vanuit de gedachte: God zal er overheen komen. Figuurlijk is de weg: als er in je hart ruimte komt voor God.
Misschien was het ook niet zo’n gek idee om zo’n weg ook daadwerkelijk aan te leggen
(op het geld na): als een bron van hoop. Dan konden ze erop wijzen als ze weer somber waren en het niet zagen zitten: Zie je die weg, verlies je moed niet: God komt eraan!

Zoals het voor ons ook goed is om zoíets te hebben als die weg. Dat hoeft niet een letterlijke weg te zijn. Het kan ook iets anders zijn, dat ons er aan herinnerd dat de weg naar God weer open is en dat God ook weer naar ons toegekomen is en ook tegen u, tegen jou zegt: je bent Mijn volk en Ik, Ik ben je God!
Zelf heb ik bij mijn computer een poster hangen met een deur die open gaat en daarop de tekst: Ik ben de deur. U hebt wellicht een tegel aan de muur hangen met een tekst erop: werpt al uw bekommernissen op Hem, want Hij zorgt voor u. En jij hebt wellicht een kruis in je kamer hangen of in je portemonnee, als een herinnering dat door Christus de weg weer open is en God ons nooit weer loslaat. Dat de schuld is verzoend en de breuk hersteld. We hebben dat nodig dat we eraan herinnerd worden, Die het tegen ons roepen: uw God is in aantocht en zegt: Ik ben er weer en vanaf nu horen we weer bij elkaar en Ik zal je weer terugbrengen, je Houvast zijn.

Gisteren zongen we in de dienst: Ga niet alleen door ’t leven. Je kunt het weten en geloven en toch is het goed dat het ook tegen ons gezegd wordt, dat we opgeroepen worden om dat niet te vergeten: dat God ons niet meer loslaat. Dat Hij met u een nieuwe toekomst begonnen is. Dat Hij er ook weer is, voor u. Dat Zijn komst niet vol veroordeling is, maar vol genade, Zijn hart dat voor u opengaat, waardoor uw hart wordt aangesproken.

Wat zou het mooi zijn als we als kerk een hartelijke kerk zijn, vol troost, niet zozeer onze troost, maar Gods troost. Dat we ook naar het hart van Oldebroek mogen spreken en we mogen laten zien dat Gods hart is opengegaan.
Amen

Preek zondagmorgen 13 oktober 2013

Preek zondagmorgen 13 oktober 2013
Bediening Heilige Doop

Schriftlezing: Genesis 6:9-22

Tekst: Maar met u zal Ik Mijn verbond maken; en u moet in de ark gaan, u, uw zonen, uw vrouw en de vrouwen van uw zonen met u. (Genesis 6:18)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De doop is een teken van het verbond, dat God met mensen sluit. Beste doopouders, de doop die jullie kind ontving, is een zichtbaar bewijs dat God jullie kind opneemt in Zijn verbond.

Wat betekent, dat: dat God een verbond sluit met mensen? Het woord ‘verbond’ wordt door ons niet zo vaak meer gebruikt, waardoor het onduidelijk kan worden wat de doop betekent.
Wanneer we het woord ‘verbond’ iets veranderen, namelijk in verbondEN wordt het een woord dat heel dicht bij komt.
Verbonden – dat zijn jullie, doopouders, met je kind. Al vanaf het moment dat het geboren is en voor de moeders vaak nog eerder, tijdens de zwangerschap is het al echt je kind waarmee je verbonden bent. En als het kind eenmaal geboren is, hoort het er direct bij. Al vanaf het moment dat het er is en aan je gegeven wordt.

Het zijn ontroerende momenten, die je als moeder en ook als vader nooit vergeet: de eerste momenten dat je kind er is, dat het aan je gegeven wordt en je je kind in je armen gelegd krijgt.
Je kind is niet meer weg te denken. Je kind hoort helemaal bij je en is helemaal met je verbonden. De eerste keer op stap gaan zonder je kind, is niet zo’n makkelijke stap. Zeker voor de moeders niet.
Al is de supermarkt misschien 100 meter verder op, je kunt eigenlijk niet zonder je kind weg.
In de eerste maanden laat je je kind met moeite achter en als je het al bij iemand moet achterlaten, doe je dat bij iemand met wie je heel vertrouwd bent. Je kind geef je niet zomaar uit handen.
Zonder je je kind ben je niet compleet, ben je er ook niet altijd met je gedachten bij, want je kunt dan denken aan je kind dat je hebt achtergelaten. Dat is verbondenheid. Hoe diep dat gaat is haast niet uit te leggen. Die band is niet meer weg te denken, zoals je kind ook niet meer uit je leven weg te denken is.

Die verbondenheid werkt niet alleen naar je eigen kind toe, maar wellicht ook naar je eigen ouders toe. Juist rondom geboorte en doop kun je bewust worden van de relatie die je met je ouders hebt.
Ook jullie ouders hebben bij een doopvont gestaan om jullie ten doop te houden. Sommige van jullie zijn wellicht op deze plaats gedoopt. Wanneer je zelf een kind ontvangt van de Heere, geeft dat ook weer een andere band met je ouders. En ouders die er niet meer zijn, worden juist in deze periode,
rondom de geboorte, in de eerste weken, op zo’n hoogtijdag als vandaag gemist. Op zo’n dag ben je met je moeder, je vader die er niet meer is, toch ook intens verbonden en geeft dat een gemis: Wat had je hen er graag bij willen hebben. Wat had je graag je kind aan aan je moeder of je vader willen laten zien. En wat had je moeder of je vader dankbaar geweest voor je kind en ook voor de doop die je aan je kind meegeeft. Zo ben je verbonden met je kind, met je ouders, met je familie.

Om welke verbondenheid gaat het in de doop? Wat laat de doop zien van de verbondenheid van God met jullie kind? Welke verbondenheid er tussen u en de Heere vanaf het moment dat u de doop ontving? Wat betekent het voor jou, dat je gedoopt bent?
Denk nog even terug aan het moment dat de kinderen werden gedoopt. Eerst kwam er water, toen werden de namen van de baby’s uitgesproken. Toen kwam er nog iets achteraan: ik doop u in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Wat betekent dat?
Dat betekent, dat de Heere tegen deze kinderen zegt: Vanaf nu draag je ook mijn Naam. De Heere zei dat ook tegen jou, tegen u – toen u, toen jij werd gedoopt. Vanaf nu draag je ook mijn naam. Deze kinderen hebben allemaal een achternaam. Ze dragen allemaal de naam van hun aardse vader
en vanmorgen kregen zij er een naam bij. De doop zegt: Elise, je bent er ook ééntje van God. Je draagt nu ook de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. En je vader mag misschien trots zijn op zijn achternaam en de familie blij zijn dat er een stamhouder geboren is, je bent ook een Van Christus. En je hoort niet alleen een kind van deze ouders, je bent ook een schaapje van de goede herder. Je vader kan zich voornemen goed voor jou te zorgen en daarom zijn best te doen, maar vandaag geeft hij aan, dat er iemand is, die nog beter je zal zorgen, die je zelfs kan bewaren voor het kwade dat in je leven kan komen en vandaag ont vang je iets, dat je vader en je moeder je niet kunnen geven: je wordt ingelijfd in de gemeenschap van Christus’ dood en opstanding.

Dat zijn grote woorden: mag je van een kind al zeggen, dat het van Christus is? Zijn we niet voorzichtiger, zoals in het kindergebedje, waar het nog een vraag is: laat mij van die grote kudde ook een heel klein schaapje zijn? Heeft een kind niet een hele lange weg te gaan, een weg van verandering en bekering? Moet er niet eerst wat gebeuren?
Het doopformulier is veel stelliger: de doop betuigt dat God met ons een eeuwig verbond opricht
en dat Hij ons tot Zijn kinderen aanneemt. De doop is een krachtig signaal, dat de Heere deze dopelingen niet alleen wil opnemen in Zijn verbond, maar ook heeft opgenomen in Zijn verbond.
Dat moeten we niet gaan afzwakken, want dan halen we de betekenis van de doop onderuit en zeggen dan eigenlijk: ja, God belooft wel om verbonden te zijn, maar je moet maar afwachten wanneer dat gebeurt. Nee, God zegt: dat verbond is er – ook voor jou en om ervoor te zorgen dat je daar niet aan twijfelt, daarom wordt je gedoopt.

Die twijfel is wel heel herkenbaar: wanneer mag je nu zeggen, dat je van Christus bent, dat je bij Hem hoort?
Om die twijfel te voorkomen, wordt er gedoopt. Om te voorkomen dat jullie kinderen zich heel hun leven piekeren over die vraag, ontvangen ze de doop, om aan te geven, dat de Heere die verbondenheid ook voor hen geldt.
Nog voor zij kunnen lopen en praten, nog voor zij kunnen nadenken, nog voor zij iets kunnen doen. Dat is het bijzondere van Gods verbond. Gods verbond wil zeggen: Ik maak mijzelf verbonden, nog voor je iets kunt en beseft, nog voor je iets gedaan hebt, nog voor je iets op je naam hebt geschreven.
Ik ben de eerste in je leven, nog voor je een vader en moeder hebt, heb je mij al als hemelse Vader. Nog voor de innige band met je ouders, heb Ik al een band met jou. Een verbondenheid die niet te verbreken is, door niets, door niemand – ook door jezelf niet.

Dat houdt ook in dat God op de eerste plaats komt in het leven van je kind en jullie als ouders pas op de tweede plaats. Jouw kind dat je al die tijd bij je gedragen hebt, is allereerst Gods kind is en dan pas jouw kind. En dat jouw kind waar je voor wilt zorgen is allereerst aan Gods zorg toevertrouwd en dan pas aan jouw zorg toevertrouwd.
Wellicht heb je al het een en al geregeld voor je kind: een spaarrekening geopend. Voorheen kon het wel eens gebeuren dat je al voor de geboorte een kind moest inschrijven voor de kinderopvang of de basisschool. Door de doop laat de Heere zien, dat Hij jullie kind ook al heeft ingeschreven in Zijn verbond.

Wat dat betekent, dat de Heere jullie kind al heeft ingeschreven in Zijn verbond, kunnen we zien in het verhaal van de ark van Noach.
Het is één van de meest bekende en geliefde verhalen uit de Bijbel. Kinderen komen er op allerlei manieren mee in aanraking: van de kinderboeken waarop een boot vol met dieren staat afgebeeld tot aan de ark van Noach die bij Playmobil te verkrijgen is. We hebben met elkaar het begin gelezen, de opdracht die Noach krijgt om de ark te bouwen, want, zegt de Heere, er komt een grote vloed die alles zal overspoelen. Niemand zal het overleven. Alleen Noach krijgt de kans om te ontsnappen aan de ondergang, een kans om niet te verdrinken als hij een ark bouwt en daarin zijn vrouw en zijn zonen en hun gezinnen meeneemt.
Wat is een ark eigenlijk? Een schip? Zo wordt de ark van Noach vaak wel afgebeeld. Eerder een kist, dat stuurloos op de golven zal dobberen. Het woord ‘ark’ wordt ook gebruikt in het verhaal van Mozes als zijn moeder een arkje klaarmaakt, om te voorkomen dat de kleine Mozes in de Nijl zal verdrinken maakt zij een kistje, een arkje, dat zal wegdrijven op de golven tot het zal komen op de plaats waar God het brengt. Zo stuurloos op de golven, totdat God het ergens brengt, zo zal de ark van Noach drijven. Geen schip, maar een kist – eerder een doodskist, drijvend op de golven, nauwelijks zeewaardig. Gered in een doodskist – niet voor niets wordt de doop vergeleken met de ark van Noach. Redding, terwijl onder je het water alles overdekt en verdrinkt, terwijl de stromen over je heen komen en tegen je aanslaan en terwijl je denkt dat er niets en niemand meer is
die je redden kan, terwijl je het gevoel hebt, dat je verloren bent en alles verloren gaat, niemand die je redden kan – geen vader, hoe sterk of groot, dan gered worden door God. Door de dood heen.
Dat is het verbond dat God geeft.

Terwijl de wereld in elkaar stort, want dat is de zondvloed eigenlijk, geen houvast is er meer, geen grens, de mensen doen maar, ze maken elkaars leven kapot en God zegt die huiveringwekkende woorden, dat Hij de aarde te gronde gaat richten, er is geen reden meer om de chaos tegen te houden. Het water dat bruiste en alles vernietigde, dat door de Geest in bedwang werd gehouden en door de Heere werd tegen gehouden, wordt weer losgelaten en zal de aarde overspoelen.
In die tijd van de dreiging die op komt zetten, is er een weg die uitredding biedt: een kist, waarin Noach mag gaan, niet alleen – samen met zijn gezin en allen die bij hem horen samen met de dieren die ook een uitweg krijgen. Daarmee wordt de ark ook een teken van hoop, een uitweg. Een ontsnapping uit de ondergang, een weg eruit. Want zegt God: Noach, Ik sluit mijn verbond met jou. De golven zullen tegen je ark aanslaan, nauwelijks een schip te noemen, stuurloos zul je je voelen,
maar je bent wel met Mij verbonden. Op die golven zal Ik je dragen, en Ik zal je schip sturen en brengen waar het moet zijn. Ik zal je leven sparen en een nieuwe aarde geven waarop jij en je gezin mag wonen.

8 mensen konden er in de ark: Noach en zijn vrouw, 3 zonen en hun vrouwen. Zij horen bij het verbond dat God met Noach sloot. Het gold niet alleen hem, maar ook zijn gezin. En vanmorgen in deze doopdienst zeggen we: dat verbond dat de Heere sloot, geldt ook voor iedereen die is gedoopt. De ark bracht Noach naar een nieuwe wereld waarin God opnieuw begon. Zo laat de doop zien, dat God ons naar een nieuwe wereld wil brengen. De doop laat zien, dat God nu niet slechts 8 mensen wil redden, maar het liefst iedereen. Iedereen die net zoals Noach op God vertrouwde. Want Noach ging in de ark – hij geloofde dat de Heere hem zou redden. Wanneer je gelooft, stap je als het ware in de ark.
Wij hoeven niet meer echt in de ark, maar we hebben een andere ark: de Heere Jezus. De doop geeft aan: we mogen bij Hem aan boord stappen. De doop geeft aan dat de deur openstaat: voor u, voor jou, voor je kind – zoals Noach zijn gezin mee mocht nemen in de ark. en Hij brengt ons naar dat nieuwe land, van Hem.
Er zal hier veel gebeuren, maar we gaan niet onder en komen aan – bij Hem.

Zalig hij die in dit leven, Jakobs God als ark heeft
die door de nood gedreven, in die ark stapt.
Amen

Instructie bij de Christelijke Dogmatiek – hoofdstuk 6: Het geschonken bestaan

Instructie bij de Christelijke Dogmatiek – hoofdstuk 6: Het geschonken bestaan
Paragraaf 6.1-6.4

Vraag 1
Dit hoofdstuk gaat over alles wat met schepping te maken heeft. Schrijf voor jezelf op welke vragen en thema’s er aan de orde zouden moeten komen. Controleer na afloop van het lezen of alle antwoorden en vragen aan de orde zijn gekomen.

Vraag 2
Welke gedachten roept de titel van het hoofdstuk (Geschonken bestaan) op? Is het een logische titel bij wat je in het hoofdstuk verwacht?

Vraag 3
Op pag. 189 wordt het doel van het hoofdstuk weergegeven. Dit mag je dus in dit hoofdstuk verwachten. Welke thema’s vind je actueel / verrassend / vanzelfsprekend. En welke niet?

Vraag 4
Voordat er over schepping gesproken wordt, spreekt de Christelijke Dogmatiek eerst over God gesproken. Is dat terecht?
Een alternatief is ‘een soort algemeen vloertje’. Dat wil zeggen: een manier van denken over de schepping die voor alle mensen acceptabel is. Ook voor degenen die niet of anders geloven. Hoe zou zo’n scheppingsleer eruit zien? Wat zou er op tegen zijn?

Vraag 5
In paragraaf 6.1 wordt er gezegd: het is van groot belang om het trinitarisch gezichtspunt vast te houden. Met andere woorden: als we spreken over God als schepper, bedoelen we dat Vader, Zoon én Heilige Geest bij de schepping betrokken zijn. Daarbij is de Vader zogezegd wel de hoofdverantwoordelijke.
Wordt uit paragraaf 6.1 duidelijk waarom deze trinitarisch gezichtspunt van belang is?

Vraag 6
Bij de christelijke scheppingsleer gaat het niet alleen om het ontstaan van de wereld, maar ook om het bestaan (in het hier en nu) van de aarde. Waarom zou dat van belang zijn?

Vraag 7
‘De schepping draagt op een of andere wijze de sporen van Christus of van de Geest.’ (p. 191). Dit wordt op p. 192 uitgewerkt. Welke sporen zijn voor jou het meest zichtbaar: de sporen van Christus of de sporen van de Geest?

Vraag 8
Waarom is de schepping een wilsdaad? En waarom houdt de christelijke traditie daaraan vast? Helpen de uitwerkingen op p. 194-197 om in deze tijd God als schepper te belijden en de schepping als wilsdaad te belijden?

Vraag 9
Waarom is de schepping een weldaad? En waarom houdt de christelijke traditie daaraan vast? Helpen de uitwerkingen op p. 194-197 om in deze tijd God als schepper te belijden en de schepping als weldaad te belijden?

Vraag 10
Door heel de geschiedenis zijn er verschillende manieren geweest om na te denken over de schepping en dan vooral over de vraag hoe het zit met schepping en het kwaad of de geschapen werkelijkheid en God. Dat wordt uitgewerkt in paragraaf 6.3.
Geef bij volgende alternatieven aan wat de aantrekkingskracht is en de reden waarom dit alternatief onverenigbaar is met het christelijk geloof:
(1) Dualisme: goed en kwaad staan bij elkaar, waarbij de geschapen wereld niet goed is maar kwaad. Een goede God redt ons van de kwade schepping.
(2) Monisme: God is de bron van alles en dus ook van het kwaad.
(3) Pan-theïsme: God en geschapen werkelijkheid vallen samen => de geschapen werkelijkheid is God en God is de geschapen werkelijkheid.
(4) Pan-en-theïsme: de geschapen werkelijkheid is in God geschapen, waarbij God groter is dan de geschapen werkelijkheid.

Vraag 11
In paragraaf 6.4 is er aandacht voor hoe de Bijbel spreekt over scheppen en schepping. Helpt deze paragraaf om zicht te krijgen op de manier waarop de Bijbel spreekt?

Vraag 12
De titel ‘schepping, verbond en heil’ geeft het kenmerkende aan. Waarom wordt er niet alleen gesproken over ‘schepping’, maar ook over ‘verbond’ en ‘heil’?