Markus 1:29-39

 

Markus 1:29-39

29. En toen zij uit de synagoge gegaan waren, gingen zij meteen naar het huis van Simon en Andreas, met Jakobus en Johannes. 30. En de schoonmoeder van Simon lag met koorts op bed, en zij spraken met Hem over haar. 31. En Hij ging naar haar toe, pakte haar hand op, en meteen verliet de koorts haar; en zij diende hen.

Jezus is Messias in woord en daad (Ernst Fuchs): op de sabbat houdt hij een indrukwekkende verkondiging en toont Zijn macht door genezingen en het uitdrijven van demonen. Omdat Jezus toont wie Hij is, wordt dit gedeelte in bepaalde leesroosters voorgesteld als evangelielezing in de tijd van Epifanie. Het Common Revised Lectionary heeft dit gedeelte bijvoorbeeld in jaar B op de 5e zondag van Epifanie.
Jezus is op de sabbat in de synagoge geweest. De synagoge zal belangrijk geweest zijn voor Jezus. De evangeliën vertellen dat Jezus hij het woord voert in de synagoge. Ook wordt er melding gemaakt van genezingen in de synagogen. Wie gaat nazoeken, vindt het woord synagoge echter niet zo vaak terug. Daarom de vraag: waarom wordt hier wel melding gemaakt van de synagoge. Heeft Markus ons daarmee iets willen doorgeven over het optreden van Jezus (als Messias in woord en daad)?
Na de synagoge gaat Jezus met Petrus mee naar zijn huis. Dat laat zien dat Petrus voor het volgen van Jezus meer heeft achtergelaten dan zijn boot en zijn netten. Hij heeft ook zijn gezin achtergelaten.  De enige andere keer dat Jezus met Petrus, Andreas, Johannes en Jakobus is, is in 13:4. Hierdoor loopt er een lijn van deze genezing naar de toespraak over de laatste dingen. In beide hoofdstukken wordt duidelijk dat het volgen van Jezus ook de gezinnen raakt. In hoofdstuk 13 gaat het namelijk om de vervolging, die ook vanuit het eigen gezin kan worden aangewakkerd. Volgens Klaus Berger, die mij op deze lijn attent maakt, geeft de genezing van de schoonmoeder van Petrus aan dat Jezus niet tegen gezinnen is.
De schoonmoeder van Petrus ligt ziek op bed. Werd in die tijd de koorts gezien als een demon, een onreine geest die je aangreep? Markus plaatst deze genezing in ieder geval na het uitdrijven van een onreine geest. Het wordt Jezus meegedeeld dat Petrus’ schoonmoeder ziek is.
Jezus maakt contact met haar: hij gaat naar haar toe en raakt haar aan. Markus vertelt vaker dat Jezus in zijn genezingen de mensen aanraakt. Dit is niet alleen een gebaar van tederheid, maar ook een gebaar waarmee hij grenzen overschrijdt: een man die de hand pakt van een vrouw, een gezonde man die de hand pakt van een zieke en dus onreine vrouw. Is het ook een gebaar waarmee Jezus zijn kracht naar deze vrouw over doet gaan? In de beschrijving van Markus doet het oprichten denken aan een wederopstanding uit de dood. De vrouw wordt opgewekt.
Als zij is opgericht, dient zij Jezus en de andere aanwezigen: ze wordt een diaken in de gemeenschap van Jezus. Ook dat is een overschrijden van een grens. Rabbijnen geven namelijk aan dat het niet goed is om je door een vrouw te laten dienen. Hij die gekomen is om te dienen wordt nu gediend, zoals de engelen dat deden na de verzoeking en vrouwen rondom het kruis dat later ook zullen doen.

32. Toen het nu avond geworden was en de zon onderging, brachten ze bij Hem allen die er slecht aan toe waren, en hen die door demonen bezeten waren. En heel de stad had zich verzameld bij de deur. 34. En Hij genas er velen, die er door allerlei ziekten slecht aan toe waren, en dreef veel demonen uit, en Hij liet de demonen niet toe te spreken, omdat zij Hem kenden.

Als de zon is ondergegaan, is de sabbat voorbij. Dan kunnen ook de anderen gebracht worden, die beheerst worden door een onreine geest. In het eerste hoofdstuk laat Markus zien dat Jezus gekomen is om het koninkrijk van God te brengen en dat koninkrijk bestaat ook uit het verdrijven van de onreine geesten. Ze waren er slecht aan toe, degenen die bij Jezus worden gebracht. Bij Jezus vinden ze heling en worden weer mens zoals de Schepper hen had bedoeld. Was het vorige wonder, waarbij de schoonmoeder van Petrus genezen werd, een ‘interne aangelegenheid’ (in huis), nu is zijn optreden (voor de deur) publiek.
Uit zijn daden moet blijken wie Jezus is. Maar als de demonen en de onreine geesten willen spreken over Jezus, verbiedt Jezus dat. Wanneer de demonen over Jezus spreken, is dat geen goed teken. (Zie vers 24). Ze kenden Hem, schrijft Markus.
Jezus is sterker dan de demonen en kan hen het zwijgen opleggen. Als Markus vertelt over Jezus die de demonen niet toelaat om over Hem te spreken, heeft dat ook te maken met het (beruchte) Messiasgeheimenis: in Markus laat Jezus ook mensen niet toe om te vertellen wie Hij is. Niet alleen zijn genezingen en zijn daden laten zien wie Hij is. Vooral na kruis en opstanding wordt duidelijk wie Jezus is.

35. En ’s morgens vroeg, nog diep in de nacht, stond Hij op, ging naar buiten en begaf Zich naar een eenzame plaats,  en bad daar. 36. En Simon en die bij hem waren, gingen Hem achterna, 37. en toen zij Hem gevonden hadden, zeiden zij tegen Hem: Iedereen zoekt U! 38. En Hij zei tegen hen:  Laten wij naar de naburige plaatsen gaan, opdat Ik ook daar predik,  want daarvoor ben Ik uitgegaan. 39. En Hij predikte in hun synagogen door heel Galilea en dreef de demonen uit.

Op een vroeg tijdstip kunnen cruciale gebeurtenissen plaatsvinden: zo wordt in alle vroegte besloten om Jezus over te leveren aan Pilatus (15:1) en gaan de vrouwen in alle vroegte op weg naar het graf (16:2). Als de vrouwen bij het graf komen, schijnt dan reeds de zon. Nu is het nog nacht. Vertaald kan ook worden met: ‘in duisternis gehuld’. Vroeg, in de duisternis, gaat Jezus bidden. Wil Markus hiermee laten zien, dat Jezus’  optreden zich afspeelt in de context van het uitdrijven van demonen? De duisternis wordt ook nog eens benadrukt: nog diep in de nacht.
In die duisternis gaat hij naar buiten. Hij begeeft zich buiten de bescherming van de stad en gaat naar de eenzaamheid, waar hij alleen is en kwetsbaar. Jezus gaat vaker de eenzaamheid in. Ook als hem het bericht wordt gegeven van de dood van Johannes de Doper, neemt Hij zijn leerlingen de eenzaamheid in. Wanneer de mensen Hem als bijzonder gaan zien, trekt Hij zich terug. Na een wonder geeft Hij de opdracht om te zwijgen: het beruchte Messiasgeheimenis. In Markus is Jezus pas echt te kennen na kruis en opstanding en tot die tijd trekt Hij zich geregeld terug.
In de eenzaamheid was hij reeds 40 dagen geweest. De Geest had Hem toen naar buiten gedreven, om door de satan verzocht te worden. Nu nadat Hij de demonen uitgedreven had en hen het zwijgen opgelegd heeft, komt opnieuw in de eenzaamheid, de woestijn. Zal Hij hier opnieuw worden verzocht door de satan?
Bij de verzoeking in de woestijn meldt Markus geen gebed. Deze keer in de eenzaamheid is Jezus wel in gebed. Markus vertelt vaker dat Jezus bidt. Soms in afzondering (6:46), dan weer in gezelschap (in Gethsemané). Is het in Markus 1:35 een rust zoeken bij de Vader? In dat geval een rust na het gezag over de demonen. De gebeden in Markus geven aan, dat Jezus zijn gezag en macht niet uit zichzelf heeft. Op basis van het gedeelte over Gethsemané kunnen we zeggen: Jezus zoekt de eenheid met de wil van Vader, een weg in gehoorzaamheid aan Zijn Vader. Midden in de duisternis heeft Hij die eenheid. De eenheid die Hij er in de duisternis aan het kruis voor Hem niet is, als Hij zich verlaten weet door God. Die duisternis uit Markus 14:33 is een ander woord dan uit 1:35. Terwijl Jezus aan het kruis hangt, wordt Hij bespot: anderen heeft Hij verlost, zichzelf verlossen kan Hij niet. Waar Hij bij anderen de onreine geesten, die voor een duisternis en de afwezigheid van God zorgden, ondergaat Jezus nu zelf die duisternis. Waarbij er voor Hem geen uitredding is.
Als Hij in gebed is, wordt Jezus opgezocht door Petrus en de andere leerlingen. Dat opzoeken is geen positief gebeuren. Kwam in de woestijn de verzoeking door de satan, nu komt de verzoeking door Petrus. Jezus had ze opgedragen om Hem te volgen. Maar ze volgen Jezus niet. Ze jagen op Hem. (Het gebruikte woord komt in Markus alleen in negatieve betekenis voor.) Willen ze dat Jezus volop in de belangstelling staat? ‘Iedereen zoekt u!’ Kan het nog mooier?
Vanuit zijn gebed weet Jezus dat dit een verzoeking voor Hem is, die nu in de persoon van Petrus tot Hem komt. Waar ligt Jezus’  taak? In het openbaar? Of in het verborgen? Af en toe in het openbaar, waarbij heel het volk de gelegenheid krijgt om de zieken en bezetenen te brengen. In het openbaar vertelt Hij over het koninkrijk van God. En toch, geregeld trekt Hij zich terug. Aan het kruis en bij het graf wordt zichtbaar dat zijn werk ook in het verborgene zich afspeelt. Het wordt zichtbaar voor wie dat wil zien. Niet voor de menigte die om het kruis heen staat. Slechts een hoofdman bij het kruis (waarbij het nog de vraag is of deze hoofdman zijn opmerking niet ironisch bedoelde) en enkele vrouwen die op een afstand kijken. Ook de opstanding gebeurt in het verborgen. Daar is niemand bij. Slechts enkele vrouwen zien iets, waardoor ze in een opstanding gaan geloven.
Als iedereen naar Jezus op zoek is, is het Zijn taak om weer verder te gaan. Zoals Hij in die nacht opstond en naar buiten ging, de eenzaamheid in. Zo verlaat Hij Kapernaüm weer en trekt verder. Na enkele dagen zal Hij overigens weer in Kapernaüm aankomen. In Markus is Jezus steeds onderweg. Als ik ooit een uitleg over het evangelie van Markus zou schrijven, zou Onderweg een mooie titel zijn voor een uitleg van het evangelie van Markus. Jezus blijft niet in Kapernaüm. Ook niet in de wildernis. Het doel waarvoor Hij gekomen is, is om overal het goede nieuws van Gods koninkrijk te brengen. en Hij zei: De tijd is vervuld en het Koninkrijk van God is nabijgekomen;  bekeer u en geloof het Evangelie. (1:15) Daarvoor is Hij gekomen. Hij gaat verder met zijn missie. Eerst in Galilea en later in Jeruzalem.

 

Preek zondag 24 januari 2016

Preek zondag 24 januari 2016
Lukas 7:18-35

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Je moet maar durven: je twijfel over Jezus openlijk te verwoorden.
Zou u dat doen?
Onlangs hebben we als kerkenraad besloten
om meer aandacht te vragen voor kwetsbaar opstellen.
Johannes stelt zich hier wel heel kwetsbaar op.
Zo kwetsbaar, waarbij je hardop je vragen bij Jezus hardop stelt,
zullen we ons binnen een kerkenraad niet zo snel opstellen.
Hoe zou de andere kerkenraadsleden reageren
als u de vraag die Johannes  aan Jezus stellen ook eens hardop stelde
tijdens een kerkenraadsvergadering:
‘Is Jezus wel de ware? Is Hij wel degene die door God gestuurd is?
Of moeten we op zoek gaan naar iemand anders?’
En hoe zou u als gemeente reageren
als u zou horen dat deze vraag serieus tijdens een kerkenraadsvergadering werd gesteld,
Waarbij duidelijk werd dat een van de kerkenraadsleden openlijk twijfelt?

De een zal zich zorgen maken.
Als een ambtsdrager twijfelt en die twijfel ook nog eens openlijk verwoordt,
hoe kan zo iemand dan nog geloofwaardig ambtsdrager zijn?
Dan hoor je toch voor de waarheid te staan?
Een ander zal zeggen:
‘Gelukkig. Eindelijk iemand in de kerk die ook eens durft te zeggen wat ik ook heb.
Ik ben niet de enige met mijn twijfels.’

Johannes de Doper is nog wel meer dan de gemiddelde ambtsdrager.
Er zullen weinig ambtsdragers zijn
die zichzelf met Johannes de Doper zullen vergelijken.
Deze Johannes is niet de minste:
de belangrijkste van iedereen die uit een vrouw geboren is.
Er is in heel onze geschiedenis niemand die belangrijker is dan hij, zegt de Heere Jezus.
Nou, ga dan jezelf maar eens met deze Johannes vergelijken.
Johannes met zijn indringende boodschap
dat Gods tijd gekomen is om van iedereen rekenschap te vragen
wat iedereen met zijn leven heeft gedaan
en Johannes was van mening dat er maar weinigen waren
die zomaar door dat oordeel heenkonden:
De bijl ligt al aan de wortel.
Het is al bijna de tijd dat de boom van uw, van jouw leven zal worden omgehakt.
Er is maar één manier om jezelf te redden:
dat je je omkeert naar God toe en je leven verandert.
Johannes zou een prediker zijn die in Oldebroek zou worden gewaardeerd:
een prediker die zei waar het op stond,
die er niet omheen draaide en je aan durfde te spreken
en daarbij ook heel concreet zei, wat je moest doen.
Profetische prediking: de boel op scherp stellen.

Als mensen dan bij hem kwamen voor een makkelijke bekering,
een bekering zonder al te veel consequenties voor het dagelijks leven
schudde hij zijn hoofd en riep verontwaardigd:
‘Wie heeft jullie wijsgemaakt dat je zomaar aan het oordeel van God kunt ontsnappen?’
Zeker als ze bij hem kwamen om zich te laten dopen
als die doop alleen maar betekende dat hun zonden afgewassen worden.
Nee, als hij de mensen liet dopen betekende dat een heel nieuw leven,
waarbij je brak met het oude leven.
Als je meer had dan je kon gebruiken, moest je dat delen:
als je twee mantels had, moest je de ene geven aan wie niets had.
Als je met geld werkte, moest je eerlijk zijn.
Hij besefte dat zijn werk slechts voorlopig was: Ik doop maar met water.
Maar er zal Iemand komen die jullie zal dopen met vuur.
Ik mag dan scherp zijn in mijn woorden, maar er is bij mij nog een omkeer mogelijk.
Degene die nu mij komt, zal jullie het vuur van Gods oordeel laten ondergaan.

Opeens is daar twijfel gekomen bij Johannes de Doper.
Geen twijfel over zijn eigen boodschap die hij bracht, maar twijfel over Jezus.
Wat is er terecht gekomen van die man die het vuur zou brengen?
Het vuur van Gods toorn en oordeel: louterend en zuiverend,

Gij zult hen, daar G’ in glans verschijnt,
Als rook en damp, die ras verdwijnt,
Verdrijven en doen dolen.
’t Goddloze volk wordt haast tot as,
’t Zal voor Uw oog vergaan als was,
Dat smelt voor gloende kolen.

Wat komt daarvan terecht in het optreden van Jezus?

Het gaat er wel erg makkelijk aan toe, bij Jezus:
Genezingen en wonderen, dat wel, bijzondere verhalen om je over te verbazen,
maar geen oordeel dat voltrokken wordt, geen vuur
geen enkele goddeloze is verdwenen,
degenen die zich tegen God keren en de gelovigen onderdrukken gaan gewoon door
met hun praktijken, hun macht wordt niet gebroken.
Kan Jezus dan wel degene zijn die verwacht wordt?
Het zit Johannes hoog: hij stuurt een delegatie naar Jezus toe,
om hem rekenschap te vragen. Leg maar verantwoording af van wie je werkelijk bent.

In onze tijd kan twijfelen een mode zijn.
De twijfel waar ik over heb is dan een soort vrijblijvendheid
om niet alles te hoeven te doordenken
om jezelf niet helemaal te geven.
Dat is niet de twijfel die Johannes heeft.
Voor Johannes staat er echt wat op het spel.
God zelf staat op het spel en ook zijn eigen missie hier op aarde.
Promoot Jezus niet een bepaalde vrijblijvendheid,
een soort geloof waar je je goed bij voelt, dat niet teveel kost?
Waar blijft de strijd tegen de zonde en het ongeloof, tegen de vijandschap richting God?
Het gaat wel erg makkelijk bij Jezus.
Je kunt zomaar de hemel binnenlopen, zomaar het Koninkrijk van God in.
Bent U wel degene die we verwachten? Die komen zou?
Of wachten we op iemand anders, die wel komt doen wat U nalaat?

Mooi is het dat de twijfel, de kritiek van Johannes vermeld wordt
in het evangelie over Jezus Christus.
Deze kritiek doet ertoe, de vraag van Johannes is niet zomaar een vraag,
van een kritisch iemand die overal wel wat op aan te merken heeft.
Op de rand van het ongeloof,
en toch anders dan de openlijke twijfel van de Farizeeën en de Schriftgeleerden.
Wat is eigenlijk het verschil?
Is de kritiek van Johannes eigenlijk niet net zo scherp als die van hen?
Mooi is het dat Jezus deze openlijke kritiek, deze twijfel toelaat.
Hij wordt er ook niet zenuwachtig van. Jezus schiet niet in de verdediging.
Mooi is ook dat Johannes zijn twijfel en kritiek bij Jezus brengt,
de dialoog aangaat – net als in de klaagpsalmen wordt geworsteld met God:
niet klagen over Jezus, maar worstelen met Jezus,
een gebed waarin er een appèl gedaan wordt op Jezus, zoals in de psalmen:
Doe er wat aan, aan dat onrecht, aan die goddeloosheid,
aan degenen die Gods werk en Gods kinderen dwarszitten en tegenwerken.
Zo kan het toch niet langer, dat Gods volk verloren gaat,
door de verkeerde wegen die voorgehouden worden door de leiders.
Heer, uw volk gaat verloren!
Johannes brengt zijn twijfel bij Jezus
en geeft Jezus de mogelijkheid om te reageren,
om te laten zien dat Hij wel degelijk de verwachte is.
Dat Johannes niet tevergeefs zijn hoop op Jezus heeft gesteld.

Als de boden bij Jezus komen, is Jezus bezig met zijn werk, zijn missie:
Genezing van zieken, verlamden die kunnen lopen,
boze geesten die verdreven worden, blinden die zien
Hij voegt er nog aan toe:
doden worden opgewekt en armen krijgen het evangelie te horen.

Kijk en luister – laat het op je inwerken wat er gebeurt.
Dat is het antwoord aan Johannes.
Wat is dat nu voor een antwoord?
Waarom zegt Jezus niet gewoon: “Ik ben het!”?
Waarom een antwoord door middel van de daden?
Omdat Jezus uit zijn daden is te kennen.
Zijn daden zijn het teken dat Hij het is.

Die genezingen niet zomaar zijn, niet zomaar wonderen.
Uit het Oude Testament is bekend dat men een ziekte kon ervaren als een oordeel,
waarbij God afwezig is en men een grote afstand tot God ervaart.
Nu zullen we dat niet zo snel meer zeggen, gelukkig,
maar ook vandaag de dag kan iemand die ziek is een grote afstand ervaren,
overvallen worden door vragen: waarom moest dit zo
en God op een grote afstand ervaren worden.
Kan de twijfel je overvallen: is dit nu Gods weg die ik moet gaan. Waar is Hij?

Wat zei diezelfde profeet die Johannes als wegbereider aankondigde?
Onze ziekten heeft hij op zich genomen, ons leed heeft hij gedragen.
Het klassieke avondmaalsformulier geeft daar een betekenis aan,
die de diepte raakt van wat Jezus als antwoord aan Johannes meegeeft:
Hij heeft de oorzaak van onze eeuwige armoede en honger op zicht genomen.
Het is niet de tijd van Gods oordeel, maar de tijd van Zijn heil,
waarbij al het verbrokene wordt geheeld,
waarbij de zonde vergeven wordt
en het oordeel van God gedragen – door Jezus zelf.
ezus’ weg op aarde anders dan verwacht: degene die gekomen is:
God komt in
Christus niet om aan onze verwachtingen te voldoen,
maar om vergeving van zonden te brengen en Gods wil te doen.

Het gaat wel erg makkelijk bij Jezus.
Ja, omdat Hijzelf in dat oordeel gaat, dat oordeel draagt,
gedoopt wordt in het vuur van Gods oordeel.
Later zal Jezus het zeggen, als Hij op weg is naar Jeruzalem:
dat Hij gekomen is om het vuur op aarde te brengen.
Dat oordeel is niet weg,
maar Hij voegt er aan toe: ik moet met een doop gedoopt worden
en die doop beklemt mij, totdat die is volbracht.
Jezus valt Johannes ook niet af.
Ook al waarschuwt hij Johannes, dat hij niet over Jezus moet vallen.
Dat werk van Johannes is een belangrijk werk geweest.
Een nieuwe Mozes was Johannes, die het volk uit de slavernij van de zonde moest leiden:
Een engel, een bode die voor jullie uitgezonden is,
zoals in de woestijn de weg gewezen werd voor het volk om in Kanaän te komen.
Een Elia, die eerst komt.
Johannes erfde de staf van Mozes en de mantel van Elia.
Zo wees Johannes jullie de weg naar God.

Het gaat bij Jezus wel gemakkelijk, zou je kunnen denken.
Maar of nu het oordeel aangekondigd wordt of de genade ruimhartig uitgedeeld
beiden zijn geen garantie voor geloof.
Het is niet zo, een sterke oordeelsprediking de mensen sneller bij God brengt.
Want ook bij een oordeelsprediking kunnen mensen voor de vorm geraakt zijn,
zoals de mensen bij Johannes kwamen om zich te laten dopen
en toen wel dachten dat ze klaar waren.
En ook de boodschap van de liefde van Jezus, van Zijn genade,
Daar kunnen de mensen aan voorbij gaan.
In beide gevallen kun je op een afstand blijven staan,
niet aangeraakt, onveranderd blijven.


Net als bij de kinderen, die een spel spelen.
Daar hoor je bij mee te doen.
Zoals mijn zoon elke dag komt vragen: een potje stratego, een potje rummikub?
Zoals een van mijn dochters naar mij toekomt en met me wil dansen.
Kinderen willen dat je in hun spel meedoet
en als je niet meedoet, ben je spelbreker.
Het is niet leuk als ik als vader niet meedans,
de kans op een potje stratego afsla.
Waarom blijf je bij een spel op een afstand? Waarom doe je niet mee?
Het is niets voor mij. Geen tijd. Nu niet, later.
We hebben op de fluit gespeeld en je hebt niet gedanst.
We hebben een klaaglied gezongen, maar je wilde niet verdrietig zijn.

Dat is het menselijk hart: dat kan onbewogen blijven bij wat God doet.
Of dat nu een scherpe oordeelsaankondiging is,
een krasse oproep je leven te radicaal te veranderen
of een vreugdevolle uitnodiging om mee te doen – je kan onbewogen blijven.
Maar dan doe je niet mee: niet mee met Jezus en deel je niet in Zijn redding,
dan is je oordeel niet weggedragen.

Zalig die aan Jezus geen aanstoot neemt,
Zalig die niet op een afstand blijft staan, maar gaat
Het is gemakkelijk om te blijven staan, op een afstand,
als een volwassene die geen zin heeft in kinderspelletjes,
als een mens onbewogen onder Gods oordeel,
onaangedaan door zijn blijk van liefde in zijn zoon Jezus Christus.
Zalig wie gehoor geeft en meedoet,
in Jezus een nieuw leven begint. Werkelijk nieuw, weggeroepen uit de zonde
en vergeven en de weg van Jezus gaat
ook in je dagelijkse bezigheden –  net zo concreet als Johannes deed.
Amen

Preek dankdag 2015

Preek dankdag 2015
Lukas 12:13-34

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Enige tijd geleden kreeg ik van iemand een boek mee:
Hier, lees dit boek maar eens, dat zul je interessant vinden.
Omdat het een tweedehands exemplaar was, dacht ik dat ik het boek mocht houden.
Maar na enkele maanden kreeg ik de vraag
of ik het boek weer wilde teruggeven.
Wanneer het niet duidelijk is of het gegeven is of uitgeleend wordt,
kan er een heel vervelend misverstand ontstaan.
Je leent kinderkleren uit aan een vriendin
en je verwacht dat ze die kleren weer teruggeeft als haar kind eruit gegroeid is.
Maar na een tijd zie je op marktplaats dat zij al die kinderkleren te koop aanbiedt.
Als je die vriendin op aanspreekt, kan die wel eens net doen
alsof ze van niets weet.
Je gaat dan met andere ogen naar die vriendin kijken.
Je gaat nog wel met elkaar om, maar het contact is minder hartelijk
en je leent niet zo snel meer iets uit.
Het vertrouwen dat er eerst was, waarbij je haar van alles gaf, is weg.
Als het om kleine bedragen gaat kan het al misgaan,
kan het vertrouwen al verdwijnen.
Als het om grote bedragen gaat, bijvoorbeeld rondom een erfenis,
kan het helemaal uit de hand lopen,
Waarbij er geen contact meer is tussen de gezinsleden.
De één vindt dat hij in zijn recht staat,
maar de ander voelt zich benadeeld en vindt dat hij recht heeft op meer.

Wanneer iemand vindt dat hij recht heeft op meer,
kan hij op zoek gaan om het voor elkaar te krijgen dat hij meer gaat krijgen.
Zo komt er ook een man bij de Heere Jezus.
Er is een grote woede in deze man,
om wat zijn oudere broer heeft gedaan.
De oudere broer heeft van de erfenis meer genomen dan hem toekwam.
Voor hemzelf schoot er weinig over.
Dat is een pijn die hij altijd in zich mee draagt.
Er zijn genoeg woorden die deze boosheid zo weer in hem op kunnen roepen.
Familie bijvoorbeeld, dat woord kan al heel wat bij hem bovenroepen.
Van je familie moet je het maar hebben.
Een strijd om een erfenis is een strijd om geld en een strijd om de nagedachtenis,
van wie dat geld was en van wie het geërfd wordt.
Als het met de erfenis mis gaat, kan ook de nagedachtenis worden belast.
Dit is niet wat mijn vader of mijn moeder heeft gewild
en die erfenis had ik juist nodig om zelf een stap verder te doen.

Of recht – nog zo’n woord die de wond binnen in hem weer helemaal open kan halen.
Als hij de Heere Jezus hoort spreken over een conflict dat voor de rechter gebracht wordt
kan hij het niet houden en vanuit de menigte brengt hij zijn wanhoop en frustratie bij Jezus:
Doe wat. Doe wat aan mijn broer,
zodat hij mij geeft waar ik recht op heb.
Maar als hij geweten had, hoede Heere Jezus zou reageren,
had hij waarschijnlijk zijn mond gehouden.
Want de Heere Jezus steekt dieper af, naar een vraag die nog wezenlijker is
dan de vraag naar ons recht op bezit,
namelijk de vraag van wie ons leven is, de vraag hoe wij omgaan met ons leven,
dat ons – net als bezig – alleen maar gegeven is.
Dat is de overeenkomst tussen ons bezit en ons leven.
Op beide – op zowel bezit als ons leven – hebben wij geen recht.
Ons bezit en ons leven, dat is allebei een geschenk, door God gegeven.
Daarom hebben we vandaag dankdag, vieren we dankdag,
omdat alles wat we hebben, hebben we ontvangen van de Heere.
Als geschenk van God ontvangen, als blijk van trouw,
een teken van Gods goedheid voor ons.
En niet alleen wat we hebben, maar ons hele leven, ons hele bestaan,
Dat is een geschenk.
Een waardevol geschenk, waarbij we zuinig moeten zijn op wat we van God hebben gekregen, ons lichaam, ons leven dat de Heere elke dag weer verlengd.
Elke keer als de zon opkomt, is dat weer een geschenk,
waarbij de Heere ons die dag weer een dag geeft om te leven.
De dankbaarheid die we op dankdag hebben, moeten we niet alleen maar één keer per jaar hebben, maar elke dag weer opnieuw:
Dank U voor deze nieuwe morgen, dank U voor deze nieuwe dag.
Op dankdag staan we er bewust bij stil, oefenen wij onszelf,
zodat we elke dag die dankbaarheid hebben
en dat de dankbaarheid naar God doe een basispatroon in ons leven is,
een karaktertrek die niet meer weg te denken is.
Als we elke dag dankbaar zijn, kijken we elke dag naar wat God ons geeft.
Dan merken wij die geschenken van God op.
Ik wilde eerst kleine geschenken zeggen, omdat ze zo alledaags zijn,
maar het zijn elke keer weer grootse geschenken,
omdat de Heere daarin Zijn trouw laat zien, laat zien dat Hij onze Vader is.
Elke dag dat de zon opkomt, elke dag dat je weer leeft,
elke keer dat je weer veilig thuiskomt, al is het maar een klein stukje dat je onderweg was,
elke dag dat je gezond was, elke keer als er eten op tafel staat en je je kunt aankleden.
Dankbaarheid is van belang, omdat we dat steeds weer zien
als een geschenk dat God ons geeft
en niet iets waar we recht op hebben,
omdat we nu eenmaal leven en het goed moeten hebben.

Pas op, zegt de Heere Jezus, dat je van het geschenk van het leven geen recht maakt,
waarbij je net doet alsof je leven van jezelf is.
Dan ben je als iemand die het boek van een ander niet teruggeeft,
maar in eigen kast zet. Vanaf nu is het van mij.
Dan ben je als iemand die na het gebruik van de kinderkleren
er niet aan denkt om het terug te geven aan de eigenlijke eigenaar,
maar verkoop je de spullen om er zelf iets aan te verdienen.
Dankbaarheid is ook een manier van kijken naar je eigen leven,
waarbij je beseft: mijn leven is geen eigendom van mijzelf,
maar een geschenk van God.

De Heere Jezus vertelt een gelijkenis van iemand die uit het oog verloren is
Dat alles wat we hier hebben en wat we zijn van God komt.
Het is een verhaal over een rijke man
– nee het is een verhaal over de grond van de rijke man.
De man zou de akte kunnen laten zien, die aantoont dat hij de eigenaar is,
dat de grond van hem is.
Hij zal de factuur kunnen laten zien met het bedrag dat hij voor deze grond heeft betaald.
Grond die hij kocht, omdat hij wist dat het goede grond zou zijn.
Maar wat die grond nu opbrengt, daar had hij geen rekening mee gehouden.
Hij had van tevoren een berekening gemaakt.
Had berekend hoe groot zijn schuren moesten zijn om de oogst van het land te kunnen opslaan, maar op zo’n overweldigende oogst had hij niet gerekend.
Die overweldigende oogst, dat doet wat met hem.
Hij gaat nadenken en rekenen: die oogst komt mooi uit,
want met zo;n opbrengst krijg ik het zo goed, dat ik nooit meer hoef te werken.
Hij ziet het al voor zich: hoe hij op het terras achter zijn boerderij zit,
met een goed glas wijn voor zich,
terwijl hij in de verte zijn buurman – de stakker – nog hard ziet werken.
Die moet nog wel even. Die had niet zo’n geluk als hij
en die heeft het rendement ook niet zo handig uitgebuit als hij.

Geloven heeft te maken met hoe wij kijken.
Dankbaarheid is zien wat God doet, in alles om je heen,
in de grote gebeurtenissen, als krijgen van verkering, een bruiloft,
de geboorte van een kind, een huwelijksjubileum, het behalen van een diploma
zie je de hand van God: Hij geeft dit bijzondere aan je.
De Vaderhand, waarmee God Zijn belofte bij de doop waarmaakt:
Om als Vader in de hemel het goede te geven.
In de grote dingen, maar ook in de kleine dingen:
Dat het vandaag goed tussen jou en je man ging,
dat je je kinderen begreep in wat  hen bezighield,
de gezondheid die je hebt, de contacten om je heen,
de zon die schijnt, het eten dat op tafel staat. Heere, dat komt van U. Dankuwel!

De man uit de gelijkenis kan dat allemaal niet zien.
Hij ziet alleen maar het resultaat van zijn grond.
Zou hij ooit genietend over zijn grond hebben gelopen, terwijl hij de geur van de grond rook.
De sterke geur die er is als het na een lange tijd van droogte weer heeft geregend.
Zou hij aan het begin van de dag genietend kunnen kijken, vol dankbaarheid,
naar de zon die opkomt en het donker verdrijft,
naar het graan dat groeit, het wonder van de groei.
naar de vogels tussen het graan, of zal hij ze alleen maar lastig hebben gevonden,
omdat ze een bedreiging zijn van de opbrengst.
Zou hij wel eens, staande op zijn akker, aan God hebben gedacht?
Nee, deze man niet. Hij kan alleen maar aan zichzelf denken.
Aan het recht dat hij heeft op deze grond
Als de oogst behoorlijk meevalt, is dat een gelukje dat hem een goed leven gaat bezorgen.
Hij vraagt zich niet af, of er een bedoeling is met die enorme opbrengst.
In de Bijbel is bezit en rijkdom nooit is dat voor je alleen is,
maar altijd bedoeld om ook anderen, die het minder hebben, te laten delen.
De man kan dat allemaal niet zien: hij ziet alleen maar zichzelf,
met een goed leven, een glas wijn, rust, plezier in het leven.
Alles waar hij God voor nodig had, kan hij nu zelf voor elkaar krijgen.
Daar heeft hij de Heere niet meer bij nodig.
De overweldigende opbrengst maakt hem stil, maar dan op de verkeerde manier.
Hij zondert zichzelf af, trekt zich terug uit de gemeenschap: ik, ik, ik.
In plaats van een loflied op de Schepper, de Gever van al het goede
is het een lofzang op zichzelf, op het mooie leven dat hij krijgt: paradijs binnen handbereik.

Dankbaarheid is overal de hand van God in zien.
Ondankbaarheid is de hand van God niet willen zien
en ook niet de opdracht die de Heere geeft, die Hij op onze weg plaatst.
Dankbaarheid is de ogen sluiten voor wat de Heere om je heen doet.
Na de gelijkenis zal de Heere Jezus zeggen: kijk naar de raven, kijk naar de veldbloemen.
Je hoeft er maar een seconde naar te kijken of het is duidelijk.
Het ligt er dik bovenop, dat ze door God worden verzorgd.
Als je niet meer aan God denkt, komt de zorg voor jezelf helemaal bij jezelf te liggen.
Zolang dat goed gaat, heb je voor het oog geen probleem.
Dan lijk je het zonder God prima te redden.
De man kan heel pakken, nemen, waarvan een gelovige zegt:
dat neem je niet, dat pak je niet, dat krijg je, dat ontvang je.
Ik neem mijn rust – Gij biedt, Heer Jezus, rust mij aan.
Ik neem drinken – maar wie drinkt van het water dat Ik hem zal geven,
zal in eeuwigheid geen dorst meer krijgen.
Zelfs het opbreken en het afbreken van de schuren zijn woorden
die vertellen wat God doet in Zijn oordeel.
De Heere stuurt Jeremia naar het volk Israël moet de boodschap
dat de Heere zal afbreken en opbouwen.
Deze man heeft God niet nodig, want hij heeft een goed leven.
Zonder God leven red je alleen maar als je het goed hebt.
Dat is een luxe die je kunt permitteren.
Maar het is wel de vraag of je dan wel een leven hebt, laat staan een goed leven.
Je hebt dan een leven, kaal en zonder diepgang, zonder de echte kern.
Echt leven heb je pas, als je met God verbonden bent.
Vandaag de dag wordt wel eens gesproken over kwaliteit van leven.
De man denkt dat kwaliteit van leven binnen handbereik ligt,
maar hij vergist zich, want hij mist het belangrijkste:
God die hem dit leven geeft.
Pas met God heb je echt kwaliteit van leven.
Dat leven dat ‘heb’ je nooit. Dat is nooit je bezit.
Van dat leven kun je nooit zeggen: Ik heb het eigendomsbewijs
en niemand heeft met mijn leven ooit iets te maken.
al heeft iemand overvloed, zijn leven behoort niet tot zijn bezit.
God kan dat leven weer opeisen – terugvorderen.
En wat heb je dan met je leven gedaan?
Heb je voor jezelf geleefd?
Echt rijk ben je pas als je leeft met God.
Als God je rijkdom is.
Je gelooft niet, omdat je in de hemel wil komen.
Je gelooft niet, om hier op aarde een beter leven te hebben.
Dat is allemaal belangrijk, en daar mag je best naar verlangen.
Maar geloven is dat je gelukkig bent, als je bij God hoort.
Rijk zijn in God.
Niet rijk omdat ik een baan heb en aan het eind van de maand een bedrag op de rekening.
Dat kan wel een goede gave van God zijn, waar je Hem voor mag, moet danken.
Geloven is: gelukkig zijn met God en in God.
Het beste wat je kan overkomen,
Dat je weer bij God mag horen, dat je weer van God bent, gevonden.
en dat je om je heen waarneemt de zorg van God.
Zou het makkelijker zijn om de zorg van God op te merken
als je het goed hebt?
Als je een baan met een vast inkomen hebt, werk waar je wordt gewaardeerd.
Geld genoeg om eten te kopen, leuke kleding.
Je hebt het dan wel materieel goed, maar dat is niet het echte leven, zegt de Heere Jezus.
Werkelijk leven, dat is als je de Heere kent.
Zoek niet naar rijkdom hier op aarde.
Laat dat niet je levensdoel worden,
want als God je leven terugvordert, dan heb je er niets aan.
Voor God telt het niet.
Voor Hem telt alleen of je kon ontvangen, Zijn zegeningen kon ontvangen.
Of je kon zien dat Hij voor je zorgt, Zijn zegeningen kon tellen.
Heer, U bent mijn leven, de grond waarop ik sta.
Heere Jezus, u bent gestorven en opgestaan, wanneer ik met u verbonden ben,
heb ik echt leven gevonden.
Voor alle goede gaven, Heer, zij U de dank en eer.
Wij danken U voor dagelijks brood, kracht en gezondheid, Heer.
Wij dank U voor Uw Zoon, die Zijn leven gaf,
Wij danken U voor Uw Geest, die ons roept en tot leven wekt,
De ogen opent en ons rijk maakt in U. Amen



Preek zondagmiddag 15 februari 2015

Preek zondagmiddag 15 februari 2015
Markus 6:1-13

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Voor mij gaat de uitspraak die de Heere Jezus doet niet op,
de uitspraak dat een profeet niet geëerd wordt in zijn vaderland.
Elk jaar wordt ik gevraagd om voor te gaan in kerkdiensten in Veenendaal.
Ook in Oldebroek worden predikanten die hier geboren zijn gevraagd om een dienst te leiden.
Daar kan naar worden uitgekeken:
iemand die hier is opgegroeid of heeft gewoond,
die de gemeenschap hier kent
en vanuit hier voor predikant heeft gestudeerd.
Dat geeft toch een bepaalde band
en ook een dankbaarheid in de gemeente:
iemand die vanuit hier zich geroepen voelt om het evangelie te brengen.
Dat kan er voor zorgen, dat je als luisteraar in de kerk die predikant ook beter kan volgen
omdat je hem als persoon kent
en welke weg hij is gegaan.
Iemand die van hier komt, is vertrouwd en het is ook ontroerend om diegene te horen preken.

Wat de Heere Jezus doormaakt, is daarom bijzonder en onverwacht.
Je zou verwachten dat de mensen in Nazareth blij zijn
dat de Heere Jezus naar hen toekomt
en dat ze vol verwachting zijn over wat Hij zal zeggen, over wat Hij zal doen,
dat ze hebben uitgezien naar Zijn komst:
Eindelijk nu komt Jezus naar ons toe!
We kunnen ons nog goed herinneren hoe Hij was.
Het zal bijzonder zijn als Hij bij ons Zijn verhaal komt houden en Zijn wonderen zal verrichten.
Het is voor te stellen dat het in de synagoge drukker is dan anders,
misschien wel afgeladen vol, omdat iedereen vol spanning uitkijkt naar het optreden van Jezus.
Tijdens de dienst in de synagoge gaat het mis.
En dan geen gedraai van iemand die het saai begint te vinden
en nu wel weet wat de boodschap van Jezus weet
en bij zichzelf denk: lieve jongen, die Jezus, ik heb zijn ouders gekend
en het is bijzonder dat hij dit doet, ik zou het hem niet nadoen,
maar als je het mij vraagt moet hij nog veel leren.
Nee, het is geschuifel van mensen, die ongerust beginnen te worden
over de woorden de gesproken worden,
met stijgende verbazing luisteren en denken: ‘Dit kun je niet maken, Jezus.’
En als Jezus doorgaat, willen opstaan, tegen Hem willen roepen:
‘Jezus, hou op, dit gaat te ver! Vergeet niet wie je bent! Hoe kun je dat nu zeggen.’
Er komt een spanning in de synagoge van mensen die willen opstaan,
die willen gaan rennen, of naar buiten,
of naar de kansel waarachter Jezus  staat om Hem tot zwijgen te brengen
omdat ze niet kunnen aanhoren wat Hij zegt.
Als ze de dienst al helemaal uitzitten, lopen vol frustratie en irritatie uit de synagoge weg.
En wat Jezus op het laatst zegt,
maakt hun stemming er niet beter op:
‘Een profeet wordt overal geëerd, behalve in zijn eigen vaderland, onder zijn familie en bekenden.’
Dan ligt het ook nog eens aan hen.
Wat zijn ze afgeknapt op die Jezus. Zijn ze hiervoor gekomen?
De sfeer is omgeslagen,
er is weerzin tegen Jezus.
En het heeft ook effect op wat Jezus doet
en dat is nog schokkender dan het ongeloof van de mensen uit Nazareth
dat de sfeer van ongeloof,
de weerzin tegen de boodschap van Jezus en tegen Jezus zelf
Jezus machteloos lijkt te maken.
Markus vertelt het – en het roept de vraag op:
is het ongeloof sterker dan Jezus?
Kan het ongeloof, kan de weerzin tegen Jezus Hem machteloos maken,
zodat Hij niet veel kan doen?

Een sfeer van weerzin tegen Jezus, zeg niet te snel
dat het vandaag niet meer kan en dat het alleen maar in Nazareth gebeurde.
Ook bij ons kan het zo zijn, dat we Jezus al te goed kennen
en dat als het over Jezus gaat
je eigenlijk al niet meer luistert en er een weerzin in je voelt,
Een stem van verzet: nee, he, niet weer Jezus.
Ik merk dat op catechisatie,
dat als er uit de Bijbel gelezen wordt er gezucht wordt: moet dat echt?
En dat zal heus niet van vandaag zijn,
maar ook in de tijd toen u, jij catechisatie volgde.
U kunt dat nu wel hebben, dat als u al aan de Bijbel denkt
u geen behoefte heeft om de Bijbel te pakken om er voor uzelf in te lezen,
maar eerder naar iets anders grijpt,
De computer aanzet, de iPhone pakt, naar de krant grijpt,
of misschien iets stichtelijkers: de EO-visie
Maar dat we met de Bijbel zelf zo weinig doen.
Wel op internet een filmpje, graag een getuigenis horen of lezen,
maar dat als er in de Bijbel gelezen zou moeten worden,
eerst de berg aan weerzin opgeruimd moet worden.
Terwijl dat de stem van Jezus zelf is, die ons wil aanspreken.
We kunnen wel naar anderen kijken, die op het oog minder met geloof bezig zijn dan wij,
maar kan het in ons eigen leven ook zo zijn,
dat Jezus machteloos is,
omdat er in ons leven zo’n sfeer van weerzin is,
om met Hem bezig te zijn en ons leven aan Hem te verliezen?
Soms kan een hele kerk opgetuigd worden
met een voltallige kerkenraad, goedlopende Bijbelkringen, drukbezochte ouderenmiddagen
en toch een leegte in het midden, een wegblijven van de zegen,
omdat er niet echt naar Jezus geluisterd wordt,
maar dat we druk zijn met ons eigen gevoel, onze eigen verlangens en verwachtingen
en Jezus maar roepen en roepen.

Zou voor onze omgeving ook gelden dat het stof van de voeten geveegd moet worden?
De Heere Jezus geeft dat mee als opdracht aan de discipelen als Hij hen uitzendt.
Joden deden dat als ze terugkwamen uit heidens land,
dat ze stof van de voeten moesten afvegen.
Want met dat heidense stof aan de voeten kunnen ze God niet onder ogen komen.
Waar ze waren geweest, in dat heidense land, konden ze God niet naar behoren dienen
omdat er zo weinig mensen waren die zich met Hem bezig hielden.
Zou dat ook voor onze omgeving gelden?
Want zouden wij beter zijn dan de Joodse dorpen waar de discipelen kwamen?
We doen dat liever bij anderen, dat we de stof van de voeten afvegen
door te zeggen: Hier wordt God niet gediend, hier in dit huis, in dit gezin is Hij niet.
Zou het ook over ons gezegd kunnen worden?
En met ons, daarbij bedoel ik dat ik mijzelf insluit,
Want niets is gevaarlijker dan dat ik net doe alsof mijn geestelijk leven meer op orde is
en mijn bereidheid om naar Jezus te luisteren intenser is dan de uwe.
Voor mijzelf is dit een gedeelte dat mij net zo goed de spiegel voor houdt
en aan mij vraagt of ik Jezus echt wel toelaat in mijn leven.
Is Jezus machteloos bij ons?

Je zou het denken
en je zou denken dat als je dit leest,
dit een gedeelte is zonder evangelie, zonder blijde boodschap
en dat je na dit gedeelte alleen maar pessimistisch kunt zijn
over de bereidheid van jezelf en anderen om Jezus naar behoren te ontvangen.
Maar het evangelie is er wel degelijk:
Niet alleen in de naam van Jezus – dat is op zichzelf al evangelie.
En al kan Jezus geen wonderen doen die heenwijzen
naar het koninkrijk van God dat in Hem gekomen is,
Hij is er wel in Nazareth.
Hij gaat Nazareth niet uit de weg. Hij gaat het ongeloof niet uit de weg.
Al lijkt het ongeloof zo sterk dat de macht van Jezus belemmerd wordt
En dat Hij weinig kan doen, het ongeloof kan Hem niet tegenhouden
om te komen in Nazareth.
Jezus houdt het ongeloof van zijn broers en zussen, van zijn dorpsgenoten uit.
Als Jezus voor ons ergens tot een voorbeeld is,
Dan is dat wel hier.
Om niet te snel het stof van onze voeten te vegen
en een oordeel over het leven van anderen te geven
door te zeggen: Hier is Jezus niet, hier kan Hij niet zien en daarom kan ik hier niet blijven.
Nee, Jezus gaat het ongeloof niet uit de weg.
Voor het oog lijkt het uithouden van het ongeloof en de weerzin van anderen tegen Jezus
geen daad van macht, die het koninkrijk van God dichterbij brengt.
Maar dat zijn menselijke maatstaven,
want het Koninkrijk van God breekt niet door in opzienbarende daden,
maar juist in het opzoeken van het ongeloof, in het uithouden van het ongeloof,
in het dragen van het oordeel over het ongeloof,
zoals dat door Jezus gebeurde aan het kruis.
Daar, in het uithouden in Nazareth en in het dragen van het oordeel aan het kruis,
ook van het oordeel over het ongeloof van Nazareth.

Er zit genoeg evangelie in.
Maar dat is nog niet alles.
Het evangelie zit in dit gebeuren in wat Jezus niet doet.
In de stilte van Jezus’ kant,
die volgt na Zijn harde uitspraak en na zijn verbijstering over het ongeloof in Nazareth.
Jezus doet iets niet, terwijl we dat wel zouden verwachten
als we het gedeelte erna zouden lezen.
Jezus schudt het stof niet van de voeten.
Hij verklaart Zijn geboortegrond niet tot heidens gebied, van God los,
ook al hebben ze Hem verlaten.
Er is verbijstering, maar er is ook stilte.
Een adembenemende stilte, omdat Jezus zich inhoudt
En als Jezus tot actie overgaat
is dat geen scherpe preek waarin alle frustratie naar boven komt
en het oordeel aangekondigd wordt.
Wat Jezus doet, misschien wel als antwoord op het ongeloof in Nazareth,
Markus vertelt het in ieder geval in een adem door,
is dat Jezus zijn discipelen bij zich roept met een opdracht
met een volmacht om onreine geesten uit te drijven,
om zo de bron van het ongeloof te bestrijden:
want de onreine geesten zijn machten die kapot maken
en die een ander niet wil toestaan in God te geloven.
Dat is de manier waarop Jezus het ongeloof bestrijdt,
niet een aanval op de symptomen, zoals de weerzin,
maar het bestrijden aan de bron: de onreine geesten.
Ook als de discipelen terugkomen is er trouwens de stilte,
De heilzame stilte die er ook was na de verbijstering van Jezus.
Ja, Markus vertelt wel dat de discipelen gehoor vinden,
maar hij meldt niet in hoeveel steden en dorpen de discipelen
het stof van hun voeten hebben geveegd.
Dat is niet de moeite van het melden waard,
Misschien was het niet eens nodig geweest.

Het evangelie zit in wat niet wordt gezegd en wat niet gebeurt.
Daarom moeten wij ook voorzichtig zijn met die tekst
en moeten wij niet te snel de stof van onze voeten afvegen
en degenen die niet kunnen geloven of niet meer geloven niet te snel afschrijven
maar hun ongeloof uithouden en er misschien wel in delen
omdat ook ons eigen geloof niet altijd even sterk is
en vaak geplaagd wordt door aanvechtingen.

Het gebaar van stof afvegen is een confronterend en onthullend gebaar
om het ongeloof van de anderen, misschien ook wel van onszelf te ontmaskeren,
maar zolang wij leven is het ook een gebaar van Gods lankmoedigheid, geduld
en van Zijn genade.
Zo lang er leven is, is er mogelijkheid tot bekering.
Daarom het uitzenden van de discipelen en het gebaar van afvegen van het stof
om degenen die niet geloven, die niet bereid zijn de discipelen op te nemen
alsnog tot inkeer te brengen.
Zolang het laatste en definitieve oordeel nog niet komen is
bevat elk oordeel van God hier op aarde ook nog genade,
omdat het wil leiden tot bekering.
Al lijkt Jezus machteloos door het ongeloof van Nazareth, van ons
Zijn werk gaat toch door, nu door middel van Zijn getuigen, Zijn leerlingen
die de volmacht hebben gekregen om in Zijn naam uit te gaan
de boze geesten uit te drijven en tot bekering op te roepen.
Gods werk is niet te keren, omdat Hij erover waakt.
Amen

Preek zondagmorgen 15 februari 2015

Preek zondagmorgen 15 februari 2015
Markus 5:21-43

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Er zijn momenten waarop we ons heel bewust zijn van ons lichaam.
Ik heb dat in ieder geval als ik in het ziekenhuis of in het verzorgingstehuis kom
Als ik zie hoe iemand pijn in het lichaam heeft
of als ik hoor hoe iemand net de boodschap heeft gekregen
dat er niets meer aan te doen is en de tijd nog maar kort is,
Dan gaat het altijd door mij heen:
hoe kan ik hem of haar troosten?
Dan kan ik geen woorden vinden en het enige dat ik dan kan doen
is op dat moment de hand van de ander vastpakken
om zo te laten voelen dat je wilt delen in het verdriet
en de pijn wel zou willen meedragen.
Zo’n gebaar kan heel intiem zijn en een gevoel geven heel dicht bij de ander te zijn,
maar door een hand vast te pakken kun je ook te dichtbij komen,
jezelf opdringen aan iemand die heel kwetsbaar is
of zonder dat je het weet
herinneringen oproepen van die keren
dat het aangeraakt worden niet zo fijn was.
Een aanraking kan werelden overbruggen,
maar kan juist ook, onder de oppervlakte en zonder dat iemand het ziet,
een verwijdering geven, juist vanbinnen
om jezelf tegen de ander te beschermen.

Een gebaar, een aanraking – het luistert nauw en vraagt behoedzaamheid, zorgvuldigheid.
Ik kan soms wel schrikken, hoe met hoe weinig respect er soms omgegaan wordt
met het lichaam van een ander,
Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is
dat je aan het lichaam van een ander mag zitten,
bijvoorbeeld tijdens uitgaan,
omdat als je tijdens het uitgaan je meedoen in dat zogenaamde spel
waarbij je toestaat dat je aangeraakt wordt.
Bij het uitgaan houden de regels niet op, dat je respect moet hebben voor de ander
en voor het lichaam van de ander.
Soms gebeurt het ook onbewust,
Zoals bij een vrouw die zwanger is.
Ook dan gebeurt het wel eens, dat de zwangere buik door anderen wordt aangeraakt
alsof zo’n buik een publiek bezit is.
Een aanraking luistert nauw,
het kan een afstand overbruggen en een intieme band geven,
maar ook een verwijdering, misschien onzichtbaar,
omdat degene die aangeraakt wordt de afstand van binnen probeert te bewaren tegen de ander.

Als het in onze cultuur een aanraking al nauw luistert,
dan nog meer in de tijd van de Heere Jezus,
waarbij er vaak strikte regels waren rondom wie er wel en wie niet aangeraakt mochten worden.
We zien dat in de verhalen van Jaïrus en zijn zieke dochter
en van de vrouw die al twaalf jaar lang aan bloedverlies leidt,
2 verhalen die de evangelist Markus aan elkaar verbindt,
omdat deze twee verhalen laten zien dat de aanraking van Jezus heelt en heiligt,
de aanraking van Jezus heelt, geneest en zorgt dat dat deze twee vrouwen
weer worden opgenomen in de gemeenschap.
Hier wordt het evangelie zichtbaar in de gebaren van de Heere Jezus, in zijn aanrakingen.

De Heere Jezus is op weg naar het huis van Jaïrus,
omdat Jaïrus hem erbij geroepen heeft:
Jezus moet bij zijn dochter de handen opleggen.
Zijn dochter is ernstig ziek, ligt voor de poorten van de dood,
de laatste minuten zijn ingegaan
en het enige wat deze wanhopige vader nog kan doen,
is redding zoeken bij iemand die zijn dochter in het leven kan behouden
en hij zoekt die redding bij een aanraking door Jezus:
Red mijn dochter door haar de handen op te leggen.
Red haar door uw aanraking, door uw hand!
Je zou verwachten dat met zo’n verzoek alles aan de kant wordt gezet:
Alle ruimte voor Jezus,
dat de mensen aan de kant gaan en Hij door niets en niemand gehinderd
naar het huis van Jaïrus kan snellen.
Maar er is oponthoud,
niet alleen de menigte die in de weg loopt,
maar een vrouw die Jezus aanraakt, een vrouw van wie wij wellicht zouden denken
dat die wel even had kunnen wachten
om genezen te worden, nadat het dochtertje van Jaïrus genezen zou zijn.
Want dat van dat dochtertje zou in onze ogen vele malen urgenter zijn
dan die oudere vrouw,
want Jaïrus’ dochtertje heeft nog een heel leven voor zich
en hoe ingrijpend de pijn van deze vrouw is,
het overlijden van een dochter is vele malen ingrijpender. Zouden wij denken.
In het Koninkrijk van God gaat het er echter anders aan toe,
Een andere prioriteit.
In de menigte is er een vrouw, die misschien wel onbedoeld
de aandacht op zichzelf vestigt,
een vrouw die als ze dit van tevoren had geweten
dat Jezus daardoor zoveel oponthoud zou hebben
en dat het meisje van 12 overleden zou zijn bij Jezus aankomst
er misschien ook niet aan begonnen was.
Het is een vrouw die zelf niet op de voorgrond wil treden
en in het heimelijke, verborgen, terwijl niemand het ziet Jezus wil aanraken
om zo bij Hem te vinden wat zij bij niemand anders kan vinden.
Het is een naamloze vrouw – later heeft ze de naam Bernice (Grieks) of Veronika (Latijn) gekregen.
Een vrouw die al 12 jaar lang aan bloedverlies leidt
en geen dokter die haar kan helpen.
De behandelingen die zij moet ondergaan en de medicijnen die zij moet gebruiken
helpen haar niet verder, maar ruïneren haar bestaan,
omdat ze al haar geld heeft uitgegeven om gezond te worden, zonder resultaat
en omdat haar lichaam steeds meer verzwakt.
Door haar kwaal, een menstruatie die nooit ophoud,
mag zij niet in contact met andere mensen komen,
is een relatie met een man onmogelijk, omdat zij afstand tot anderen moet bewaren
en mag zij ook de synagoge niet betreden.
Haar kwaal brengt haar in een isolement.

Voor ons vandaag de dag zijn die regels rondom het afstand bewaren niet meer zo vanzelfsprekend,
maar het kan ook vandaag nog voorkomen
dat iemand in het isolement raakt
door een kwaal waar iemand zich voor geneert en niet meer onder de mensen kan komen.
Dat kan een lichamelijke kwaal zijn
het kan soms ook een geestelijke kwetsuur zijn,
Waardoor iemand zichzelf het liefst afzondert,
aan de ene kant hunkert naar contact en aan de andere kant zich toch wil afsluiten.

Soms kan zo’n kwetsuur ook ontstaan zijn
omdat als kind er geen genegenheid was, geen liefde, geen arm om de schouder.
Ooit heb ik iemand wel eens horen vertellen
dat ze een hart had dat zou hard was als steen, ze kon geen liefde geven
en het ook niet kon hebben dat haar kinderen bij haar op schoot zaten.
Een aanraking luistert nauw,
het kan een afstand overbruggen en een intieme band geven, liefde doorgeven.

De vrouw die Jezus tegenkomt leeft al 12 jaar lang in een isolement,
een leven zonder aanraking, zonder tederheid.
Ze doet iets verrassends,
want wat ik hoor tijdens pastorale gespreken
is dat wanneer er een isolement is, bijvoorbeeld een wond die van binnen schrijnt
dat ook het gevoel is dat God op een afstand is
en dat als Hij Zijn liefde en aanwezigheid aanbiedt
iemand dat niet durft aan te nemen.
Daarom doet de vrouw, die al die 12 jaar geen baat heeft gehad bij dokters,
iets verrassends,
Ze klampt zich vast aan Jezus, wel met een heel subtiel gebaar,
alleen door Zijn mantel aan te raken.
Dat is voor haar genoeg.
Wat een geloof van deze vrouw,
Die steeds heeft meegemaakt dat het bij haar zoektocht,
niet alleen naar genezing maar ook naar een zoektocht naar een plek in de gemeenschap
het steeds zwaarder heeft gekregen.
Als ik alleen maar Zijn mantel aanraak,
dan ontvang ik iets dat ik bij anderen nooit heb kunnen krijgen.
Alleen Jezus kan mij, kan mijn kwetsuur genezen.

Zou de vrouw doorgehad hebben dat Jezus op weg was naar het dochtertje van Jaïrus?
Zou de vrouw getwijfeld hebben om Jezus aan te raken?
Zou ze niet gedacht hebben: het is veel belangrijker
dat dat meisje dat nog een heel leven voor zich heeft genezen wordt
dan dat ik mijn gezondheid terugkrijg en dat mijn isolement overwonnen wordt?
Markus geeft op deze vragen geen antwoord.
Hij laat alleen maar zien,
dat de aanraking van Jezus heelheid brengt,
genezing waarbij de vrouw niet alleen gezond wordt,
maar ook haar plek weer kan innemen en haar eenzaamheid voorbij is.
Ga in vrede, zegt Jezus tegen de vrouw.
Ga in de shalom van God, de shalom, de vrede waarbij het tussen God en mens
en tussen mensen onderling weer goed is.
Jezus’ aanraking geeft ook heiligheid.
Ze mag weer onder de mensen zijn, ze kan weer een relatie beginnen,
ze hoort er weer helemaal bij, bij God, bij de gemeente.
Jezus’ aanraking schenkt heelheid en heiligheid.
Ook als deze vrouw zich vastklampt aan Jezus, op een heel voorzichtige manier,
Hem amper durft vast te pakken, alleen bij Zijn mantel, dat is genoeg.
Ze kan haar leven weer oppakken.
Haar geloof in Jezus is niet beschaamd,
dat geloof heeft haar gegeven waar ze naar verlangde
– de genezing van haar kwaal, van de bron van haar kwaal.
De vrouw beseft met wie ze van doen heeft:
als de vrouw naar voren geroepen wordt, reageert ze met vrees en beven,
zoals in het OT gebeurde wanneer men God ontmoette.
Ze beseft, ze begrijpt wat er met haar is gebeurt.
Door Gods kracht aangeraakt.

Dat is wat haar verbindt met de dochter van Jaïrus:
de aanraking van Jezus die heelheid en heiligheid brengt.
Bij Jaïrus’ dochter is het niet alleen een gebaar van tederheid, van nabijkomen,
het is ook een gebaar waarbij de mensen met stomme verbazing,
met verbijstering hebben gekeken:
want een dode mocht je niet aanraken
en dan raakt Jezus haar aan – Zijn aanraken brengt haar terug in het dagelijks leven
en laat zien dat de kracht die Jezus heeft, zelfs sterker is dan de dood.
De beide verhalen, ze doen verlangen naar een aanraking van Jezus.
Zou Zijn kracht alleen van toen zijn geweest?
Of kunnen we ook nu nog door Jezus worden aangeraakt
en van Hem heelheid en heiligheid ontvangen,
zodat er ook voor ons een plek is in de gemeenschap van God,
een plek is onder de mensen die van Jezus zijn?
Geloof, dat is het geheim.
Geloof, dat was het geheim waardoor de vrouw zich ondanks alle vragen die er hadden kunnen zijn
zich vastklampte aan Jezus
en zo de reiniging en genezing van Jezus ontving.
Geloof, dat is wat Jezus van Jaïrus vroeg: blijf geloven, geef je moed en je vertrouwen niet op.
Blijf geloven – terwijl je net de boodschap hebt gehoord dat het te laat is.
Blijf geloven!
Zou Jezus dat ook niet van ons vragen, als wij verlangen naar die aanraking van Jezus?
die ons heelheid en heiligheid biedt?
Geloof is niet een kracht die wij zomaar paraat hebben, wat we zomaar even doen.
Later konden de discipelen bij een jongen de kwade geest niet verdrijven
omdat ze geen geloof hebben
en de vader van die jongen roept het Jezus toe: Ik geloof, maar kom mijn ongeloof te hulp.
Zo kunnen we hier zijn,
vol geloof, zoals Jaïrus het bij Jezus zocht, zoals de vrouw zich aan Jezus vastklampte,
misschien wel zoals die vader die het vroeg: Kom mijn ongeloof te hulp.

Voor ons zal het vaak niet zo zijn, zoals bij de vrouw dat de kwaal direct over is,
of zoals bij Jaïrus’ dochter, die opstond uit de dood.
Als Jezus ons aanraakt, kan het al voldoende zijn, dat Hij daarmee laat weten:
Ik ben erbij, ik deel in je pijn, in je worsteling, in wat je bezig houdt.
Hij kan je ook genezen en soms gebeurt dat gelukkig ook,
soms plotseling, soms na een lange weg.
Wij begrijpen de weg van Jezus niet, ook niet toen Hij op weg naar Jaïrus’ huis
halt hield voor die andere vrouw.
De vragen zijn niet weg, maar het zijn geen vragen zonder hoop,
omdat Jezus in de beide ontmoetingen, de beide contacten,
laat doorschemeren van wie Hij is.
Wat Hij deed, zijn niet zomaar wonderen,
maar daden van macht die onthullen wie Jezus is.
De handen die de dochter aanraakten en zo terugbrachten in het leven,
zullen later aan het kruis worden geslagen
en onder dat kruis zal de mantel waardoor de vrouw haar genezing ontving
worden verdobbeld onder de soldaten.
Zo schemert het kruis er reeds doorheen,
maar ook de opstanding.
Als de Opgestane is Hij in ons midden, nu
vorige week bij het avondmaal, straks thuis en morgen in het ziekenhuis.

Dat is wat mij houvast geeft, als ik aan dat bed in het ziekenhuis zit
en ik zie dat iemand zo veel pijn in het lichaam meedraagt
of die uitslag heeft gehad,
dat is wat mij hoop geeft, als ik in gesprek ben met iemand die een kwetsuur met zich meedraagt
die lijkt te gaan genezen:
dat Jezus die toen daar was, er ook nu is, de Opgestane, de levende.
Niet omdat mijn geloof zo groot is,
ik herken me in die vader van de jongen: Ik geloof, maar kom mijn ongeloof te hulp.
Maar doordat Jezus dat zelf zegt: Ik ben niet veranderd.
Ja, wel in de dood ingegaan, maar ik leef.
Ik ben heden en gisteren dezelfde, tot in eeuwigheid. Amen

* Psalm 105:1, 5 OB
Stil gebed. Gebed
* Op Toonhoogte 147
Verootmoediging
* Gezang 218: 3, 4, 5 Bundel 1938
Gebed.
* Kinderlied: Op Toonhoogte 453
Schriftlezing: Markus 5:21-43 HSV
Collecte
* Psalm 6: 3, 4, 8 OB
Verkondiging
* Psalm 116: 1, 4, 7 OB
Gebeden
* Psalm 30: 2, 8 OB
Zegen

Diepe bewogenheid

Diepe bewogenheid

En Jezus, innerlijk met ontferming bewogen, stak Zijn hand uit, raakte hem aan en zei tegen hem: Ik wil het, word gereinigd!
(Markus 1:41)

Het is een ontroerend gebaar van de Heere Jezus: Hij steekt Zijn hand uit om de melaatse aan te raken. Het is een ontroerend gebaar, want dit gebaar laat zien dat onze Heere diep geraakt is door deze man. Het gebaar, het aanraken van de Heere Jezus laat het evangelie zien. Allereerst de bewogenheid van de Heere Jezus. De Heere Jezus is geraakt door wat deze man heeft. Hij wijst Hem niet af. Hij deinst niet achteruit, maar raakt Hem aan. Een gebaar van liefde en ontferming, van toenadering, van  contact zoeken. Door de melaatse man aan te raken laat Hij zien, dat Hij het écht wil: deze man reinigen van zijn ziekte.
Deze man mocht niet aangeraakt worden. Een melaatse is onrein. Dat houdt in dat wie een melaatse aanraakt, niet meer naar God mocht toegaan. Maar Christus laat zich daardoor niet tegenhouden. ‘Hij heeft onze ziekten gedragen’,  heeft Jesaja reeds aangekondigd. Door de man, die melaats is en door zijn melaatsheid onrein is, laat de Heere Jezus zien dat het Hem ernst is dat Hij onze ziekten gedragen heeft. Hij wil het zelf.
Een melaatse was niet alleen onrein, omdat men in die tijd dacht dat melaatsheid een besmettelijke ziekte was. Een melaatse was onrein, omdat de Heere aangegeven had dat elke melaatse onrein verklaard moest worden. Onreinheid was een vonnis van God, waarbij degene die ziek was niet meer bij het volk van God mocht horen. Een melaatse moet leven buiten de gemeenschap, verstoten.
Dat geeft een diepere achtergrond aan het gebaar van de Heere Jezus. Hij neemt niet alleen de  ziekte van deze man op. Hij heft ook de onreinheid van deze man op. Hij neemt het vonnis van deze man op zich. Ik wil het, zegt Hij tegen de man die naar Hem toekwam.
Dat laat zien dat in het hart van Jezus, als Hij deze man aanraakt, diepe bewogenheid is voor de man met zijn melaatsheid. De man wordt gereinigd door onze Heere. Jezus zegt daarbij: Ik wil het, word gereinigd. Het gebaar laat het evangelie aan ons zien. Jezus raakt deze man aan en neemt de man weer op in Gods gemeenschap. Het vonnis is voorbij. Dat neemt Jezus op Zich en draagt het mee tot Golgotha, waar ook dit vonnis weggedragen wordt.
Waarom deelt Markus ons deze ontmoeting mee? Om aan te geven dat ook wij elke ziekte als een oordeel van God moeten zien? Nee, om te laten zien wie de Heere Jezus is. Om te laten zien dat door de Heere Jezus iemand, die nu van God verwijderd is, weer opgenomen kan worden in Gods gemeenschap.

Preek zondag 19 januari 2014

Preek zondag 19 januari 2014
Mattheüs 4:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als de Heere Jezus in het openbaar verschijnt
en door God zelf aan ons gepresenteerd wordt als Gods geliefde Zoon
is er één die alles in de war wil sturen.
Zijn naam zegt het al: duivel – diabolos,
degene die alles wat God gemaakt heeft overhoop haalt
om zo het werk van God te verstoren.
De eerste die de Heere Jezus tegenkomt op Zijn weg
is de duivel.
Jezus krijgt geen groots onthaal nadat de stem van God geklonken heeft,
op Jezus heeft gewezen en Hem heeft aangewezen als Zijn Zoon.
Na “Dit is Hem!” volgt de stilte: 40 dagen alleen, in afzondering.
En dan komt de omverwerper, overhoophaler op de Heere Jezus af,
de verstoorder van Gods werk.

Het bijzondere is de Heere Jezus daar niet zomaar is in de woestijn,
maar Hij is daar in door de Heilige Geest gebracht.
Om daar in de woestijn door de duivel te worden verzocht.
Dat heeft veel vragen opgeroepen bij dit gedeelte.
Waarom is brengt de Geest de Heere Jezus op deze plek?
Waarom brengt dezelfde Geest die de Heere Jezus naar Johannes de Doper bracht
om door Hem gedoopt te worden Hem
in de confrontatie met de grote tegenstander van Zijn Vader
en van Zijn eigen werk?
Tussen de Geest die neerdaalde op de Heere Jezus
en degene die het werk van God overhoop wil gooien is er toch geen groter verschil?
Waarom wordt Jezus in het hol van de leeuw gebracht?

Is dat om aan ons te laten zien, dat Jezus werkelijk de Zoon van God is,
zoals de stem uit de hemel verkondigde?
Dat kan verschillende redenen hebben.
De Geest kan de Heere Jezus daar in die confrontatie gebracht hebben
om aan ons te laten zien,
dat het geen loze belofte was die de stem van de hemel uitspraak,
maar dat Jezus ook werkelijk de Zoon van God is
en dat Jezus dat ook liet zien,
omdat Hij wel stand hield bij de aanvallen van de duivel,
waar Adam en Eva niet in staat waren die verleidingen te weerstaan.
Jezus toont zich dan aan ons als de werkelijke Zoon van God.

Of ook om aan de duivel te laten zien, dat er iemand gekomen is
die zijn macht op aarde zal verbreken.
Jezus toont zich niet alleen aan ons, maar ook aan zijn tegenstander
als de overwinnaar die door God is gezonden.
Ik denk zelf ook, dat die confrontatie ook bedoeld is
om aan de Heere Jezus te laten zien en te laten ervaren
op welke manier de duivel deze wereld in de greep heeft.
als een extra aansporing om door te gaan op de weg, die de Vader voor Hem heeft uitgestippeld.
De weg die leidt tot overwinning en daardoor tot bevrijding voor ons.

In de confrontatie met Jezus wordt ook duidelijk hoe de duivel te werk gaat.
Misschien heeft u bij het lezen wel gedacht:
Het is maar goed dat er aan het begin aangegeven wordt,
dat de duivel de Heere Jezus verleidt, want zelf had ik dat er niet uitgehaald.
Of wellicht denk je bij jezelf: waarom doet de duivel juist deze voorstellen?
Wat is zijn bedoeling?
Het kan zijn dat u na het lezen denkt, maar wat gebeurt er nu eigenlijk?
Het zijn toch vreemde verzoeken,
die de duivel aan Jezus voorhoudt?
Waarom stenen veranderen in brood?
Waarom springen van de tempel?
Waarom dat aanbod van die koninkrijken, die Jezus mag krijgen als Hij maar knielt voor de duivel?

Van belang is te zien dat de duivel teruggrijpt op wat de stem uit de hemel zei,
de stem van God die klonk toen de Heere Jezus uit het water opkwam:
Dit is mijn geliefde Zoon!
Dit is Hem, Mijn Zoon en jullie redder!
Daar grijpt de duivel op terug – om Jezus een handje te helpen
om succes te hebben als Zoon van God.
Want voor wie de Zoon van God is moet er toch wel een glorieuze toekomst zijn op aarde,
een leven van succes,
veel aanhang, grote massa’s mensen die je dag in dag uit volgen,
je woorden indrinken, voor je door het vuur gaan.
De duivel biedt de Heere Jezus aan om te helpen.
want hier in de woestijn, dat is toch zonde als je bedenkt wat Jezus allemaal in huis heeft?
Dat verdient toch een breder publiek?
Als U, Jezus, Gods Zoon bent, laat dat dan ook zien!
Zoon van God, toon wat je kunt!

De eerste verleiding, die de duivel aan Jezus voor houdt:
laat het allereerst aan jezelf zien dat je de Zoon van God bent.
Dat je de kracht, de power hebt, om dingen te veranderen.
Om een wezenlijke verandering tot stand te brengen,
waar je zelf ook wat aan hebt.
Want wat heb je eraan als je honger lijdt, terwijl dat niet eens hoeft.
Want als de Zoon van God hebt, heb je toch vast ook wel de macht van God zelf,
die schepper is van hemel en aarde?
Nou, laat het dan eens zien?
Het is direct een aanval op de zwakke plek van Jezus,
want als je 40 dagen niet gegeten hebt,
is het niet eenvoudig om nog helder na te denken.
We zouden die kans misschien zelf met beide handen aangrijpen: eindelijk, eten!
Want je bent er slecht aan toe.
En dan is de gedachte: ik moet aan mijzelf denken.
Zeker als er zo’n grootse taak op mij wacht,
voor de Heere Jezus de grootste roeping is, die er maar te bedenken is.
Wat komt er van die missie terecht als Jezus nog voor Zijn eerste succesvolle daad
het begeeft en overlijdt voor iemand ook gezien heeft dat Jezus werkelijk de Zoon van God was?
Je zou haast denken: die duivel is de beroerdste niet, bereid om mee te denken.
Alleen:Ik moet aan mijzelf denken – maar dat is juist wat de Heere Jezus niet kan en niet mag doen: aan zichzelf denken.
Hij is voor ons gekomen en heel Zijn missie staat in dienst om anderen te helpen.
Bij de duivel moeten we tussen de regels door luisteren
en Jezus vangt ook op wat de duivel werkelijk bedoelt.
Het is de spot ook die later bij het kruis zal klinken: anderen heeft Hij gered,
maar zichzelf redden kan Hij niet.
En de spot aan het kruis gaat nog verder: Hij heeft op God vertrouwd,
nou laat God Hem dan redden.
De duivel zegt tegen Jezus: je moet jezelf wel redden,
al je vertrouwen op God – wat heb je eraan?
Die 40 dagen vasten, omdat de Geest je hier in de woestijn gebracht hebt:
moet je zien waar dat toe leidt.
Kom op, Zoon van God, denk maar eerst aan jezelf want
anders dan leg je het loodje.
Denk maar aan jezelf als God niet meer aan je denkt!
Ziet u, wat het plan van de duivel is?
Hij wil Jezus losweken van God.
Hij wil Jezus op een andere weg brengen,
waarop Jezus aan zichzelf denkt en daarmee ook Zijn doel uit het oog verliest.
Los van God,
niet meer gehoorzaam aan de Vader, want die weg, Jezus, brengt je alleen maar ellende,
alleen maar lijden.
Als je het hier overleeft, zal het een weg naar het kruis zijn.
als je het hier overleeft.
De duivel wil God ontmaskeren als degene op wie je tevergeefs bouwt
en dat je beter aan jezelf kunt denken – ook als Zoon van God.
De duivel, de vader van de leugen.

De Heere Jezus doorziet de plannen van de duivel.
Weet je, duivel, wat Mijn Vader gezegd heeft:
een mens leeft niet van brood alleen.
Dat is niet wat jij, duivel er van maakt: je hebt brood nodig om te leven.
Want Mijn Vader zei het zelf tegen Zijn volk: Ik gaf jullie eerst honger daar in de woestijn
en daarna gaf Ik jullie te eten.
Op die manier wilde God Zijn volk leren, dat de Heere Zijn volk Israël
ook in leven kon houden zonder brood en zonder eten.
God heeft geen brood nodig om mij in leven te houden.
Jezus laat zich hier zien als de Zoon van God,
die Zijn Vader ook werkelijk vertrouwt en Zich helemaal overgeeft.
Ondanks de honger die zijn lichaam in de greep heeft, heeft Jezus geen reden om te twijfelen
aan de zorg van God – ook voor Hem hier in de woestijn.
Hij zal leven door het Woord van God.
Dat is Jezus’ prioriteit: Gods Woord en Hij is er gehoorzaam aan.
Zijn tijd komt nog wel – op Gods tijd en tot zo lang kan Hij wachten
op wat God met Hem doet,
tot Hij duidelijkheid krijgt over waar Zijn Vader hem brengt.

De duivel kan daar niet op wachten
en heeft niets op met de prioriteit van Jezus – dat wachten op God.
En dat is de tweede verzoeking.
Je gaat er toch van uit, dat God er is voor jou, Jezus?
Nou, test dat dan eens uit!
Als God ergens moet zijn, dan toch wel in daar in de tempel.
Opnieuw daagt de duivel niet alleen Jezus uit, maar zaait hij twijfel over God.
Tussen de regels door zegt hij tegen de Heere Jezus:
Als Zoon van God ga je er natuurlijk van uit dat je belangrijk bent voor God.
Nou, laat Hij dan maar eens zien dat Hij om je geeft.
Daag Hem eens uit om dát te laten zien.
Dwing Hem er eens toe om in te grijpen.
Want daar in de tempel, daar waar Hij wel moet zijn, in Zijn eigen huis,
daar moet Hij je toch wel redden als je naar beneden springt?
Wat heb je aan een stem uit de hemel?
Daar ga je aan twijfelen. Je gaat denken: ik heb het me ingebeeld.
Nee, je moet het ervaren.
Opnieuw wil de duivel God ontmaskeren als degenen op wie je tevergeefs rekent,
tevergeefs bouwt, tevergeefs wacht.
Tussen de regels door zegt hij tegen Jezus: je weet net zo goed dat je niet op je Vader hoeft te rekenen.
Je zult te pletter vallen en wat blijft er dan nog over van jou en je roeping?
Hoe kun je, Jezus, de weg gaan, die je Vader heeft uitgestippeld
als je zelf weet, dat je uiteindelijk niet op Hem kunt vertrouwen.

Maar ook deze verleiding slaat Jezus van zich af. Gode zij dank!
Jezus merkt welke twijfel de duivel hier zaait.
Want als je God op de proef stelt, als je Hem verzoekt,
twijfel je eraan of Hij er wel is.
(Massa en Meriba: geen water => God is niet in ons midden!)

Dan de laatste verzoeking die de duivel in petto heeft.
Opnieuw de twijfel die hij zaait over God.
Jezus, weet je wel welke weg de Vader je wilt laten gaan: een weg van lijden.
Je komt hier uit, maar je weet dat de dood op je wacht.
Maar Jezus, dat is toch niet nodig.
Je kunt de wereld zo wel krijgen, zonder lijden, zonder dood.
Als je mij maar erkent als je heer, je meerdere.
Dan hoef je die weg echt niet te gaan.
Jezus, je kunt nu al aanbeden worden. Daar heb je geen kruis, geen dood, geen opstanding voor nodig! Kies voor mij!

Dan het laatste antwoord van Jezus aan de duivel:
Ga weg, satan!
Want die wereld die je voorhoudt, is een wereld zonder God.
hoe kun je aan Gods Zoon vragen om God los te laten?
Ja, het is de weg naar het kruis op Golgotha.
voor die weg koos Ik toen Ik het water in ging van de Jordaan.
en ook nu kies ik voor die weg.
Want, zo zegt Jezus tegen Zijn tegenstrever: Ik ben niet gekomen
om de wereld voor Mijzelf te hebben,
maar aan God te geven en zo de wereld te bevrijden.
Ik kom niet voor mijzelf, voor mijn eigen glorie, voor mijn eigen koninkrijk.
Ik kom niet om het koningschap van Jezus te brengen,
maar het Koninkrijk der hemelen, van God.
Jezus is gekomen om de mensen van de duivel te bevrijden
en hen te brengen tot de aanbidding van God.
Daarom kiest Hij bewust – tegen de duivel, voor Zijn Vader, voor ons.
Opnieuw: het “Ja” tegen het kruis.
Daar in de woestijn gloort al het kruis.
In de verleidingen merkt Jezus dat kruis al op zich afkomen.
In de woestijn valt al de schaduw van Golgotha.
Jezus zegt: Ik ga die weg en zal die weg gaan.
niet voor mijzelf.

Gemeente, dan worden wij toch stil
van deze bereidheid van onze Heere.
Hij ging die weg.

Soms kan het als een vraag klinken, een gebed, een noodkreet naar omhoog, naar Christus:

Kom toch om de macht te breken
van de vorst der duisternis;
geef in ons bestaan een teken,
dat de zege zeker is;
hef ons op uit onze zonden,
werp de duiv’len bij ons uit,
want de vrijheid moet gevonden, Heer,
vervul Gods raadsbesluit!

Hier mogen wij zien, dat Hij gekomen is
en mogen wij meedoen met de engelen
die uit de hemel kwamen om Jezus te dienen.
Heere, onze Heere, u bent het waard.
Wij loven U, waar wij verloren hadden, won U.
Waar wij ons over gaven aan de duivel, was u de sterkere
Waar wij toehapten op de schijn die de duivel ons voorhield,
had u door, wat de duivel van u vroeg.

Heer Jezus, die ons hebt bezocht,
Gij Opgang uit den hoge,
die onze ziel hebt vrijgekocht,
dat zij U dienen moge,
Gij herder die ’t verloorne zoekt,
de hemel heeft ons niet vervloekt:
God is om ons bewogen.

6 Zingt dan de Heer, stemt allen in
met ons die God lof geven:
Hij schiep ons voor een nieuw begin,
hoeveel wij ook misdreven.
Hij riep ons uit de nacht in ’t licht
van zijn genadig aangezicht.
in Christus is ons leven!

Amen