Als christen toegerust voor een taak in de wereld

Als christen toegerust voor een taak in de wereld
Proefschrift van Marinus de Jong over de visie van Klaas Schilder op kerk & wereld

Hebben christenen nog iets te zoeken in deze samenleving? Of is bijdragen aan de samenleving juist hun opdracht? Voor Klaas Schilder – bekend dan wel berucht van de vrijmaking in 1944, maar ook in vergetelheid geraakt – was dat geen vraag. Zijn visie op kerk, cultuur en maatschappij was onderwerp van promotieonderzoek.

Nederlandse christenen zijn onderdeel van een multireligieuze samenleving: er zijn nog meer religies. Daarnaast is de invloed van het christelijk geloof op de samenleving veel minder groot dan vroeger. Daarom kunnen we ook spreken van een postchristelijke samenleving. 

Dat roept vragen op naar de plek en de rol van de kerk in deze multireligieuze, postchristelijke samenleving: Moet de kerk zich volop inzetten in deze samenleving om zo het christelijk geluid te laten horen of moet de kerk zich juist afzonderen omdat de ontwikkelingen in de samenleving haaks staan op het evangelie? Moeten christenen maatschappelijke en politieke verantwoordelijkheid nemen of brengen ze zich dan in situaties, waarin ze maatregelen moeten nemen die afbreuk doen aan het christelijk geluid in de samenleving?

Marinus de Jong, sinds kort predikant van de gereformeerd-vrijgemaakte Oosterparkkerk in Amsterdam-West, promoveerde op 6 juni aan de Theologische Universiteit Kampen op deze vraagstelling. Hij deed in de afgelopen jaren onderzoek naar de theologie van Klaas Schilder (1890-1952), waarbij hij de visie van Schilder vruchtbaar wilde maken voor het heden.
D8Y-schXoAEfK1-

Dat hij Klaas Schilder als inspiratiebron nam, is verrassend. Zelfs voor iemand die onderzoek deed in Kampen. Want Schilder is een theoloog, die in de vergetelheid is geraakt. Zelfs in Kampen. 

Polemisch
De erfenis van Schilder in de Vrijmaking riep in de afgelopen decennia – zeker na de opening van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt – vooral verlegenheid op, omdat de theologie van Schilder vaak erg polemisch was.

Dat Schilder niet meer gelezen wordt, kan ook te maken hebben met een bepaald beeld van Schilder, dat werd doorgegeven. Dat was een beeld waarin alle spanning was weggehaald, en een beeld dat bepaalde Vrijgemaakten goed uitkwam.

Toen zijn leerlingen en volgelingen artikelen gingen heruitgeven, lieten ze ook wel artikelen weg die niet goed pasten bij het beeld van Schilder dat ze wilden doorgeven.

De Jong gaat achter dat beeld terug en wil laten zien dat Schilder soms moest zoeken naar zijn weg. Dat zijn theologie veel meer spanningen kende dan leerlingen wilden toegeven. Door die spanningen wordt de theologie van Schilder weer boeiender.

Schilder is zijn hele leven bezig geweest met de vraag, hoe de kerk zich moest opstellen in de wereld. Zelf afkomstig uit een arm arbeidersmilieu, ontwikkelde hij zich en klom zelf op tot professor. Voortdurend was hij bezig om in zijn eigen achterban te benadrukken, dat de kerk zich niet afzijdig moest houden van de wereld, maar daar haar plaats moest innemen.
Kaft-K-Schilder
Schilder stelde dat de mens een medewerker van God is en door God wordt gebruikt om Zijn weg in deze wereld te gaan. Voor Schilder was het ‘ambt van alle gelovigen’ van groot belang. Gelovigen waren vrijgekocht uit de zonde en waren nieuwe mensen geworden, die Gods gebod in praktijk konden brengen. Niet alleen de mensen aan de top zoals ambtsdragers en hoogleraren moesten hun bijdrage leveren, maar ook het gewone gemeentelid.

Vanuit de zondagse eredienst – voor Schilder het startpunt van het ambt van alle gelovigen – werden ook de gewone gemeenteleden in staat gesteld om hun bijdrage te leveren in de wereld: op hun werk, in het vrijwilligerswerk, in kunst en cultuur.

Zo’n bijdrage leveren, was volgens Schilder een goddelijk gebod. Wie zich daaraan onttrok, was ongehoorzaam aan Gods gebod. De Jong noemt deze lijn ‘kerk in de breedte’.
the-church-is-the-means-the-world-is-the-end-215x300
Cultuur
In de ogen van Schilder was de aarde niet een voorspel van de hemel (of van de hel), maar had de tijd hier op aarde een eigen waarde voor God. In deze tijd werkt God. Volgens De Jong is het handelen van God in de tijd hier op aarde de belangrijkste kern van Schilders theologie.

Dat handelen van God gaat al terug op de schepping. Bij de schepping van de mens kreeg de mens de opdracht om in de cultuur te werken. In het paradijs was er een eenheid van geloof en cultuur. Bij de zondeval raakte die eenheid versplinterd en koos de gelovige voor geloof en de ongelovige voor cultuur.

Zonder geloof is de cultuur echter onvolledig, hoe indrukwekkend de cultuuruiting ook kunnen zijn. Met de komst van Christus werd de eenheid van cultuur en geloof weer hersteld.

De nieuwe mensen, die door Christus zijn vrijgekocht, geven de cultuur een waarde, die een ongelovige niet kan geven.

Deze visie had wel nadelen. Hervormde theologen als Noordmans en Miskotte zagen deze opvatting leiden tot arrogante christenen, die wel weten hoe het zit. Daarnaast vonden ze dat deze visie te weinig kritisch was op de cultuur en daarmee een wereldgelijkvormigheid in huis haalde.

Noordmans en Miskotte hadden echter geen oog voor de sociale achtergrond van Schilder en zagen niet dat Schilder zijn eigen achterban wilde laten emanciperen.

Ware kerk
Een ander nadeel van deze visie is dat de nieuwe mensheid samenvalt met de concrete kerk. Het is dan een kleine stap om te zeggen dat je eigen kerk de ware kerk is. Schilder heeft dat nooit willen beweren en na de Vrijmaking in 1944 streed hij tevergeefs tegen die duidelijke koppeling die bepaalde Vrijgemaakten wel maakten.

Helemaal ongelijk hadden ze niet, omdat Schilder met zijn koppeling tussen de nieuwe mensheid en de concrete kerk wel die suggestie wekte.

Schilder streed echter niet voor de ware kerk. Hij was realistisch genoeg om te beseffen dat een kerkgenootschap nooit een ware kerk kon zijn, omdat het leven hier op deze aarde per definitie onaf is. Het gaat alleen om de wettige kerk. Daar zette hij zich voor in.

Om die reden polemiseerde hij met de Nederlands Hervormde Kerk, die door het kwijtraken van de binding aan de belijdenis volgens hem geen wettige kerk meer was. Omdat Schilder zich inzette voor een wettige kerk, hield hij zich veel bezig met de belijdenis en met de formele kant van kerkzijn, zoals de kerkorde en de vraag hoeveel pluriformiteit een kerk aankon.

Juist omdat het nadenken over de wettige kerk hem zo bezig hield, raakte het conflict in 1944 – dat uitliep op de Vrijmaking – hem diep. Vanwege meningsverschillen over de leer, die voor de oorlog hoop opliepen, wilde men in de oorlog duidelijke keuzes maken. Om vaart te maken, verlengde de synode de eigen zittingstermijn.

In Schilders ogen verloor de synode daarmee het gezag. Zeker toen de synode keuzes maakten, die tegen zijn visie inging, verzette hij zich tegen deze in zijn ogen niet-rechtsgeldige synode. 

Toen deze synode hem schorste, raakte dat hem persoonlijk diep. Naar zijn idee was hij aangepakt op de kern van zijn theologie. De schorsing door de synode was een traumatische ervaring voor hem.

De gevolgen waren echter paradoxaal. De groep die meegingen in de Vrijmaking begonnen vol bewijsdrang een nieuwe zuil op te bouwen. Soms tegen de zin van Schilder in.

De ‘synodalen’ (in de termen van Schilder: ‘synodocratischen’) bleven verdoofd achter. De Vrijmaking is een van de grote raadsels van de Nederlandse kerkgeschiedenis.

Eigenheid
Voor De Jong is het nadenken over de wettige kerk en het staan op Schrift en belijdenis de kerk in de diepte. In zijn proefschrift wil hij beide lijnen van Schilder combineren: een robuuste kerk die betrokken is op een wereld die op veel punten van haar afwijkt. Daarbij waakt de kerk steeds voor haar eigenheid en laat ze zich niet teveel beïnvloeden door wat de wereld wil.

Tegelijkertijd betekent de eigenheid van de kerk niet een terugtrekken van de wereld. Juist die eigenheid krijgt gestalte in de samenleving. Het publieke karakter van de kerk, haar staan in de wereld, is wezenlijk voor haar geloofwaardigheid.

Een goed proefschrift roept altijd vragen op, die uitdagen om verder op onderzoek te gaan. Een van de vragen die zijn proefschrift oproept, gaat over Schilder zelf. Er gebeurt iets in de jaren ‘30, waardoor de wind die Schilder eerst in de zeilen blies, zich tegen hem keerde en zelfs leidde tot zijn schorsing. Toen A.G. Honig als hoogleraar Dogmatiek aan de Theologische Universiteit Kampen moest worden opgevolgd, was Schilder de gedoodverfde opvolger. Als vanzelfsprekend werd hij het. Tien jaar later werd hij geschorst. Waren de verwachtingen die men had niet uitgekomen? Had hij zijn hand overspeeld?

Een andere vraag gaat over de praktische uitwerking van de kerkvisie die De Jong hier op basis van Schilders theologie neerlegt. De Jong pleit voor een kerk in de breedte en de diepte, een kerk die haar eigenheid bewaakt en tegelijkertijd volop haar rol heeft in de samenleving.

Mij werd alleen niet goed duidelijk hoe De Jong dat voor zich ziet. Bij Schilder – en ik vermoed dat De Jong hem hier volgt – gaat het via de gemeenteleden die op zondag in de kerk geweest zijn en daar aangevuurd zijn om hun taak op te nemen. Dan word ik nieuwsgierig: Wat voor soort kerkdienst is dat? Wat vraagt dat van de liturgie en de preek?

Naast deze vragen wil ik stellen dat De Jong Schilder terecht weer onder het stof vandaan haalt. Ontdaan van alle polemiek is Schilders theologie een waardevolle bijdrage om het gewone, dagelijkse leven als christen serieus te nemen. Dat dagelijks leven is niet alleen gezin of ethiek, maar ook werk, vrijwilligerswerk, kunst en cultuur.

Schilder daagt de gelovige uit om die terreinen niet te mijden. Persoonlijk zou ik iets voorzichtiger zijn met de identificatie van de gelovigen met de nieuwe mensheid, omdat de gevolgen van de zonde niet hier in het aardse bestaan al hersteld worden. Maar ook met die correctie biedt Schilder genoeg uitdaging om de roeping van God in onze samenleving als christen serieus gestalte te geven.

N.a.v. Marinus de Jong, The Church is the Means, the World is the End. The Development of Klaas Schilder’s Thought on the Relationship between the Church and the World (Uitgave: Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Kampen).

Gepubliceerd in Christelijk Weekblad

Naar een nieuwe onbevangenheid

Naar een nieuwe onbevangenheid

Lange tijd leek de secularisatie aan de Gereformeerde Bond voorbij te gaan. Althans voor andere delen binnen de Protestantse Kerk in Nederland, voor wie de Bond als heel stellig en robuust overkwam. Intern in de Gereformeerde Bond is het thema secularisatie al enige tijd wel degelijk een thema, waarover intensief wordt nagedacht. Alle conferenties voor predikanten voor predikanten binnen de Gereformeerde Bond, die ik in de afgelopen jaren heb meegemaakt, zijn allemaal te verbinden met het thema secularisatie. De ene keer is dat thema ligt de nadruk op wat er van de kerk verwacht wordt in een geseculariseerde omgeving. De andere keer ligt de nadruk op een missionaire houding. Op de onlangs gehouden predikantenconferentie lag de nadruk op de verlegenheid, die de secularisatie oplevert.

Die verlegenheid werd nog wel keurig verpakt in mooie lezingen, die de aandacht vroegen voor welke ontwikkelingen in de cultuur plaatsvinden. Tussen de regels door, in de nabespreking en in de wandelgangen was voor een goede verstaander de verlegenheid te merken. Er is sprake van afnemend kerkbezoek. In de meeste gevallen gaat het om de middagdienst, die minder bezocht wordt. Predikanten spreken gemeenteleden van wie de kinderen afgehaakt zijn. Of spreken gemeenteleden, die zelf aan het afhaken zijn of niet meer komen, omdat het geloof hen niets meer zegt. Vooral deze laatste ervaring zorgt voor veel verwarring en voor onzekerheid. De preken die voorbereid zijn, de diensten die gehouden worden, de bijeenkomsten die georganiseerd zijn, slaan dood op de onverschilligheid die er is als het gaat om God. Hij is niet meer nodig.

Als je met zo’n houding van onverschilligheid geconfronteerd wordt, heb je niets meer aan de gebruikelijke antwoorden. Een van de gebruikelijke reacties was de vraag naar een genadig God een veel dieper gravende vraag was dan de vraag of God bestaat. Maar als je te maken krijgt met mensen voor wie God geen issue is, dan hoef je ook niet aan te komen met de vraag of je wel voor God kunt bestaan.God doet er niet toe.
Op de conferentie zou het niet alleen gaan over de verlegenheid. De aandacht zou ook uitgaan naar wat uit onze traditie je als predikant op de been houdt. Dat is geen eenvoudige overgang: van de verlegenheid naar een element uit je traditie of een houding waarbij je je als predikant om weet te gaan met die verlegenheid bij jezelf en de onverschilligheid die je bij anderen waarneemt. Dat vraagt allereerst het toelaten van die verlegenheid. Dat vraagt ook te accepteren dat de tot dan toe gevolgde strategie om de gevolgen van de secularisatie te negeren, omdat ze vooral in andere delen van de kerk spelen, niet helpt.

Zulke ervaringen stemmen wel tot nadenken. In de huidige omgeving waar ik werk kom ik het niet direct tegen. Ik ben wel begonnen in een omgeving waarin voor de meeste mensen, die niet meer naar de kerk toe gaan, God er niet toe doet. Dat was voor mijzelf niet altijd eenvoudig. Het was allereerst een cultuurschok toen ik vanuit Veenendaal, waar de kerk er nog redelijk vanzelfsprekend bij hoorde, in een omgeving kwam waar de kerk slechts door enkelen werd bezocht. Ook voor de gemeenten die ik diende was dat niet eenvoudig. Al waren ze het wel gewend om als een van de weinigen uit hun eigen omgeving nog met geloof bezig te zijn. Ze waren zelf opgegroeid in een tijd waarin geloof er nog gewoon was en hadden gezien dat vrienden en familie de kerk vaarwel zeiden. Wat mij zelf altijd is bijgebleven is dat ik niet voorbereid was op het werken in zo’n omgeving, waarin geloof er niet meer bij hoort. Ik had er ook niet over nagedacht wat het betekent voor de kerk. Ik kwam er in die tijd ook nog niet aan toe, omdat ik nog volop bezig was om te ontdekken wat mijn taak en rol als predikant was.

Nu terugkijkend op die periode kan ik wel wat thema’s bedenken, die van belang zijn om op te pakken als het geloof nietszeggend aan het worden is. Het vraagt om nadenken over de eredienst en de preek: hoe kan de eredienst en de preek zo vorm gegeven worden dat de kerkganger in het geloof gevoed wordt, ook als je maar met weinigen bij elkaar bent? De inhoud van de preek moet er op gericht zijn om niet de nostalgie te voeden, maar om op de onbevangen manier van geloven weer te herontdekken. Dat vraagt om het serieus nemen en toelaten, dat het geloof lang niet iedereen wat zegt. Tegelijkertijd vraagt het ook om je vertrouwen op God niet te laten ondergraven door je verlegenheid. Zoals ik zei was ik er niet op voorbereid. De cultuurschok deed mij enorm twijfelen en ik slaagde er niet in om die twijfel buiten mijn preken te houden. Ik bedoel daar niet mee, dat twijfel niet in preken verwerkt mag worden. Wel dat de twijfel geen eindresultaat moet zijn. Twijfel bouwt de gemeente alleen op, als daarmee de weg naar God gevonden wordt. Bij mij raakte die weg juist geblokkeerd.

Terugkijkend had ik ook mensen om mij heen nodig, zoals collega’s, met wie je ervaringen deelt, die je begrijpen, maar die er ook in slagen om je uit de twijfel te leiden naar een nieuwe onbevangenheid.
Door de predikantenconferentie besefte ik dat die zoektocht naar een nieuwe onbevangenheid, waarbij de verlegenheid toegelaten wordt, een gezamenlijke zoektocht is geworden. Daarin kunnen we elkaar van dienst zijn. Door te luisteren naar elkaars onmacht en verlegenheid. Door samen te zoeken naar Gods wil en Gods aanwezigheid in deze tijd. Niet alleen binnen eigen kring, maar ook samen met andere delen van de kerk, waarin deze ervaring herkenbaar is en waar wellicht al wegen gevonden zijn naar die nieuwe onbevangenheid.

In gewijzigde vorm gepubliceerd in het Christelijk Weekblaad

 Een gezamenlijke zoektocht naar kerk zijn in een tijd, waarin de secularisatie doorgaat.

Een gezamenlijke zoektocht naar kerk zijn in een tijd, waarin de secularisatie doorgaat.

Onlangs schreef ik over een predikantenconferentie, waarbij de secularisatie centraal stond. Vanmorgen was ik bij een predikantenbijeenkomst, ditmaal georganiseerd door de IZB, waarbij in feite ook het effect van de secularisatie op de kerk en gemeenteleden centraal staat. Kees van Ekris, werkzaam bij de IZB, schreef een inleidend verhaal, waarbij hij een aantal ervaringen uit het afgelopen seizoen samenvatte.

Zijn introductie was bedoeld om de IZB te helpen bij de zoektocht waar predikanten en gemeenten in een geseculariseerde (of seculariserende) tijd behoefte hebben. Omdat niet elke gemeente en elke predikant de thematiek op dezelfde wijze ervaart, schetste hij 5 dimensies, die te maken hebben met de werkelijkheid van God. Deze 5 dimensies houd ik aan, maar ik vul de inhoud wel op mijn eigen manier in.

(1) Uitgaan van de werkelijkheid van God
De kerk is er bij de gratie van God. De kerk is in het leven geroepen en gevormd door God. Als Heer van de kerk beschermt Hij Zijn kerk door alle eeuwen heen. Deze God is ook soeverein: niets in deze werkelijkheid gaat buiten Gods wil om. Dus ook de secularisatie gaat niet buiten Zijn wil om.

Hoezeer het kerkelijk leven ook onder druk staan en gelovigen wellicht te maken krijgen met verveling, God werkt ook in deze tijd. In de kerkdienst komen we voor Gods aangezicht. De aanwezigheid van God en Zijn handelen in deze tijd mogen we niet uit het oog verliezen. Omdat God ook in deze tijd werkt, kan de kerk haar Heer prijzen. Een doxologische benadering, die inzet bij de lof op God of daarop uitloopt, relativeert het menselijk perspectief.

Van de 5 dimensies die vanmorgen geschetst werden, sprak deze dimensie mij het meeste aan. In mijn preken probeer ik vaak in te zetten bij de lof op God of de preek uit te laten lopen op de lof op God. Wanneer je daar niet bij begint, kom je daar nooit bij uit. De laatste tijd vraag ik mij af, waarom de doxologische benadering zo moeilijk ingang vindt of haast verdwenen is. Wellicht heeft dat te maken met de belabberde liturgische visie, in de kerken waarin ik opgegroeid ben. Het orgelspel was tenenkrommend. De liturgie was plichtmatig. De sfeer in het kerkgebouw was zeker in de zomer door de warmte onprettig. Als de kerkdienst warmte had, dan was het door de mensen die de diensten bezochten.

Tussen de bedrijven door lees is het nieuwste boek van de katholieke schrijver Martin Mosebach: Der Häresie der Formlosigkeit. Der römische Liturgie und ihre Feind. Daarin beschrijft hij hoe hij door een oerverlangen weer terugkomt bij de oude Latijnse mis. Mosebach zal in geen enkele protestantse kerk passen, omdat hij daarin het geloof in de kracht van de liturgie mist.

Dat protestanten de kracht van de liturgie wantrouwen, bleek vanmorgen ook weer. Het verlangen naar een goede liturgie werd geduid als een vlucht in het esthetische. Toch denk ik dat in de anti-liturgische tendens (en wellicht zelfs het neerkijken op het esthetische) wel eens een van de redenen kan zijn, waarom de verveling toeslaat onder gelovigen. Net voor Pasen was ik bij een uitvoering van de Matthäuspassion in de Laurenskerk te Rotterdam. Het was een van de vele Matthaüspassionen die in die tijd uitgevoerd werden. Natuurlijk: voor een deel van de uitvoerders en voor een deel van de aanwezigen was het een esthetisch spektakel. Maar deze muziek in een grote en ook volle kerk is meer dan alleen esthetisch spektakel: het blijft muziek die je meeneemt naar grote hoogte (of juist diepte: het plaatst je voor het kruis). Onlangs was ik tijdens het Bachfest in Leipzig, waarbij veel muziek van Bach en andere componisten werd uitgevoerd. Veel geestelijke muziek ook, in kerkgebouwen, waar de muziek zichtbaar en merkbaar echt wat deed.

Een ander kritiekpunt bij de inzet bij de werkelijkheid van God was, dat de nadruk hierop ook een vlucht kan zijn voor de negatieve kanten van de secularisatie. Of heel massief kan zijn. Eigenlijk is dat een vrij merkwaardige kritiek. Want protestanten gaan er altijd vanuit dat de aanwezigheid van God niet maakbaar is. Zelfs het votum dat verklaart dat God aanwezig is in de kerkdienst is afhankelijk van Gods wil om aanwezig te zijn en is gebaseerd op Gods belofte dat Hij aanwezig is. In de Bijbel laten de meeste verhalen zien dat Gods werkzaamheid vaak raadselachtig en verborgen is, tegen de menselijke verwachtingen in. Er moet soms decennia of zelfs eeuwen gewacht worden. Meestal wordt het pas na afloop duidelijk hoe God werkte. In deze tijd wordt het zichtbaar dat God niet meer vanzelfsprekend aanwezig is. Maar Zijn aanwezigheid is nooit vanzelfsprekend geweest. Toch is het onze plicht als voorgangers uit te gaan van de werkelijkheid van God en onze gemeenteleden de ogen te openen voor die werkelijkheid. Niet om daarmee de zorgen weg te duwen, maar wel om in een vorm van een tweede naïviteit weer onbevangen te zijn, de aanvechting serieus nemend.

(2) De ervaring van Gods werkelijkheid staat in veel levens onder druk
Die nadruk op Gods aanwezigheid staat haaks op wat in veel kerken beleefd wordt. Ook in kerken op de Biblebelt wordt ervaren dat geloof in God niet meer vanzelfsprekend is: mensen haken af, maken keuzes waarbij het geloof geen enkele rol meer speelt, zijn meer onder de indruk van de verhalen die in de wereld om ons heen verteld en getoond worden.

Het is een punt dat de Amerikaanse filosoof James K.A. Smith maakte: de jongeren worden meer gevormd door de beelden van de reclame dan door de woorden uit de Bijbel. Daarmee worden ze beïnvloed met een seculier en neoliberaal wereldbeeld, waardoor ze onbereikbaar worden voor het beeld dat de Bijbel meegeeft. Er is daarom een strijd nodig, waarbij seculiere wereldbeelden ontmaskerd worden.

Daarnaast werken de structuren, waarin voorheen de geloofsopvoeding doorgegeven werd, niet meer: de jongeren komen niet meer naar catechisatie, de zondag wordt anders ingevuld, het lezen in de Bijbel wordt ingeruild voor het luisteren naar muziek. Bij echtscheidingen blijkt, dat een van de partners naar een geluk op zoek is, dat eerder uit de films of boeken gehaald wordt dan uit de Bijbel. In zo’n situatie is het niet gemakkelijk om te preken of het vol te houden in geloof.

(3) De werkelijkheid van God in het dagelijks leven
Gemeenteleden lopen het risico in parallelle werelden te leven: ’s zondags de wereld van God en doordeweeks een leven waarin God nauwelijks een rol speelt. Veel gemeenteleden verlangen naar een leven met God, waarin God ook onderdeel is van het gewone leven. Zodat ze Hem niet alleen op zondag dienen met met heel hun bestaan. Gemeenteleden ervaren de preken als te weinig praktisch, te voorspelbaar of te negatief over hun eigen leven. Ze hebben liever dat predikanten in hun leven komen en aanwijzen waar God is of hen helpt om te zien waar God is of hoe ze ruimte kunnen maken in hun leven om bezig te zijn met God. Een mooi voorbeeld is het boek Liturgie van het alledaagse van Tish Harrison Warren, dat gelukkig onlangs in het Nederlands is vertaald.

Tijdens de bijeenkomst werd opgemerkt dat het eigenlijk ironisch is dat de stroming die het gewone leven wilde rehabiliteren en een theologische waarde gaf – namelijk de gereformeerde stroming – nu niet meer in staat is om God in het dagelijks leven te zien. Deze tijd heeft een herwaardering nodig van de scheppingsleer: onze werkelijkheid, hoe ongelovig de mensen daarin ook zijn, zien als werkelijkheid van God.

(4) De werkelijkheid van God in het leven van niet-gelovigen
Veel gemeenteleden komen in hun dagelijks leven, op hun werk, in hun eigen familie of vriendenkring, anderen tegen die niet, niet meer of anders geloven. Wat betekent dat voor Gods aanwezigheid? Moeten we niet meer aandurven om te zien dat God ook in hun leven bezig is? Zodat, als ze gaan geloven net als Augustinus kunnen zeggen: toen ik ver bij God vandaan was, was God dicht bij mij.

Deze benadering is aanwezig in de gereformeerde traditie: in hun boek Goed gereedschap is het halve werk koppelen Kees en Margriet van der Kooi deze gedachte aan de algemene genade. Ook het werk van J.H. Bavinck zou daarbij wel eens kunnen helpen. Dat is een relativering: wij hoeven God niet relevant te maken. Wij hoeven God niet aanwezig te stellen. Voor wij iemand ontmoeten, is God al in iemand bezig. Ook hierbij is een herwaardering van de scheppingsleer onontbeerlijk: Gods betrokkenheid op ieder schepsel, omdat Hij als schepper met ieder mens een band heeft.

(5) Gods werkelijkheid is een gebedszaak
Als de secularisatie vraagt om een nieuwe doordenking van Gods aanwezigheid en van onze aarde als Gods werkelijkheid, vraagt dat ook om gebed. Wij kunnen God niet present stellen. Wij maken niets. Wij kunnen alleen maar wachten op God. Nu is bidden in een seculiere tijd geen eenvoudige opgave. Niet eenvoudig als je geloof in God aangevochten wordt. Niet eenvoudig als je Gods werkelijkheid niet meer vindt. Dat is onderdeel van het bidden, dat ook het bidden niet altijd lukt. Met het bidden komen we wel weer in de werkelijkheid van God, voor de troon van God in de hemel en zijn we weer bij de eerste dimensie: de werkelijkheid van God, die niet alleen maar in de hemel is maar ook op aarde.

Deze 5 dimensies helpen om te bepalen waar je als predikant of als gemeente mee te maken hebt. Of waar je tegen aanloopt. Het zijn 5 dimensies die allemaal hun waarde en hun werkelijkheid hebben. De onmacht van gelovigen mag niet verdoezeld worden door de nadruk op de doxologie.

Omgekeerd mag de aanvechting, die opkomt omdat Gods werkelijkheid onder druk staat, niet leiden tot verstarring of kramp. Als dat gebeurt, kan dat een vorm van ongeloof zijn. Misschien is het dan beter om even time out te nemen of met collega’s of gemeenteleden in gesprek te gaan om vanuit deze ervaring toch iets over Gods werkelijkheid (al is die werkelijkheid dan op dat moment wellicht verborgen) te delen.

De aandacht voor het gewone leven kan snel vervallen in moralisme, in nieuwe structuren die het voor een nieuwe generatie of voor buitenstaanders ingewikkeld maakt om het geloof eigen te maken, omdat tot een vorm van christelijke subcultuur kan verworden dan een authentieke vorm om het leven met God te onderhouden en levend te houden. De aandacht voor niet-gelovigen mag niet tot gevolg hebben dat er neergekeken wordt op medegelovigen, die de vragen van buitenstaanders niet lijken te begrijpen of daarvoor weglopen. Het bidden kan ook al snel iets georganiseerds krijgen als het in gebedskringen wordt georganiseerd.

In de onderlinge gesprekken kan het helpen om de kracht en de zwakte van elke dimensie te bespreken. Zo kan er iets groeien van een gezamenlijke zoektocht naar kerk zijn in een tijd, waarin de secularisatie doorgaat.

P.s. ga vooral kijken op http://www.izb.nl of daar het verhaal van Kees van Ekris op staat. Dan heb je het echte verhaal (ipv mijn invulling)

P.p.s. Het verhaal dat die morgen gehouden is, kan ik goed gebruiken om de relevantie van het systematisch-theologisch onderzoek naar Schilder, Noordmans en Miskotte te laten zien. Dat onderzoek is namelijk te linken aan alle 5 dimensies uit het verhaal. (dus: wordt vervolgd)

 

Ademnood en vitaliteit

Ademnood en vitaliteit.
Terugblik op de predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond

In veel gemeenten binnen de Gereformeerde Bond zijn veranderingen aan de gang. De liturgie verandert: naast de Psalmen uit de Oude Berijming wordt nu gebruik gemaakt van Op Toonhoogte en Weerklank. Een misschien nog wel veel grotere verandering is dat het bezoek aan de kerkdienst terugloopt, zeker in de middag- of avonddienst. Omdat gemeenteleden overstappen naar een andere gemeente of het belang van kerkdienst niet meer inzien en makkelijker wegblijven. In veel gemeenten zijn ook spanningen rondom de koers van de gemeente. Of conflicten tussen gemeente en predikant.

Secularisatie?
Zijn dat tekenen dat de secularisatie nu ook in de kringen van de Gereformeerde Bond is aangekomen? Afgelopen donderdag en vrijdag was er door de Gereformeerde Bond daarom een conferentie belegd om ervaringen uit te wisselen en elkaar toe te rusten. We lazen ter voorbereiding een artikel uit 1996 over Godsverduistering en ademnood. Op de eerste dag werd Godsverduistering nog wel genoemd, maar ik kreeg de indruk dat het vooral de sfeer van de jaren-’80 opriep en dat daarom het woord niet door iedereen werd overgenomen. Het woord ademnood raakte wel meer een snaar. Al werd niet uitgelegd wat er met die ademnood werd bedoeld en kon iedereen zijn eigen ervaring er aan koppelen.

Kwetsbaar voor nostalgie
De opzet, waarbij er nogal eens teruggeblikt werd op de afgelopen decennia, maakte de aanpak kwetsbaar voor een vorm van nostalgie. Al werd ons voorgehouden dat het voor de Gereformeerde Bond nu echt tijd is om de secularisatie te gaan verwerken en de gevolgen niet weg te lakken onder een vroom vernis. Er werd teruggegrepen op de discussie dr. H. Berkhof – ds. G.  Boer, waarbij deze keer gezegd werd, dat ds. Boer het punt van Berkhof over de opkomende secularisatie niet aanvoelde.

Grote woorden
Om de tijd te duiden werd er een grote lijnen getrokken en grote woorden gebruikt. Persoonlijk had ik liever gezien dat navraag gedaan werd in hoeverre de verschijnselen die door godsdienstsociologen en cultuurfilosofen werd opgemerkt ook in de gemeenten spelen. Kun je er vanuit gaan dat die verschijnselen, zoals transcendentieverlies, onttovering van de wereld, natuurwetenschappelijk wereldbeeld echt ook impact hebben op de gemeenten? Er zullen gemeenten zijn, waarbij die effecten gemerkt worden.

Ongelijktijdigheid
Door mijn rol als voorzitter van de classis Hattem en betrokkenheid bij de Generale Raad van Advies heb ik gemerkt dat er een grote ongelijktijdigheid is: wat in de ene regio speelt, speelt in een andere regio helemaal niet. Sinds ik predikant ben iets ten oosten van het midden, valt mij op dat vanuit dit deel van het land (en ik vermoed dat het voor het noorden niet anders is) er een andere kijk op Nederland is. Ik krijg de indruk dat dit ook voor kerkelijk Nederland geldt. Ontwikkelingen in het oosten van Nederland zouden wel eens anders kunnen zijn dan in het westen.

Ik bedoel niet persé rooskleuriger: in de Achterhoek hebben de gemeenten het net zo moeilijk als in Noord-Holland. Toch is in bepaalde streken van het oosten God onderdeel van het dagelijks leven. Hij hoort er gewoon bij. Net als kerkgang. Al ga je zelf dan misschien niet meer, je ouders gaan nog wel. Al zijn je kinderen misschien niet meer gedoopt, ze gaan nog wel naar een christelijke basisschool. Mijn ervaring is dat in het oosten er nog volop een structuur is om naar de kerk terug te keren als je afgehaakt bent. In het westen van Nederland is die structuur voor een groot deel verdwenen, waardoor mensen die kerkgang weer op zouden willen pakken niet weten waar ze moeten beginnen.

Ademnood
In de afgelopen dagen heb ik me ook de vraag gesteld: wat zegt het over ons als predikanten dat we ademnood krijgen in deze tijd? In de lezingen en in de wandelgangen werd er vooral gekeken naar de cultuur die verandert en de gemeenteleden die zich door die veranderingen in de luren laten leggen. Een enkele collega gaf aan: die secularisatie werkt ook in mij. Houden we onszelf niet teveel buiten schot als we bepaalde ontwikkelingen in de cultuur en in de kerk duiden als ademnood of zelfs als Godsverduistering? We lazen een artikel van Herman Oevermans van tevoren, waardoor de toon eigenlijk al somber was ingezet.

Teveel menselijke zekerheid
Wat was er gebeurd als we een artikel gelezen hadden van A.A. van Ruler over God en de chaos? In dat artikel zegt Van Ruler, dat God onze zekerheden omver kan werpen omdat het menselijke zekerheden zijn. Zou er in de kerk in de afgelopen decennia ook niet teveel menselijke zekerheid zijn geweest? Bijvoorbeeld door te denken dat de secularisatie ons niet kan raken, omdat we de Schrift en de Belijdenis hebben, omdat we orthodox genoeg zijn? Is dat niet eerder een vorm van struisvogelpolitiek geweest? Waarom hebben we in onze kringen niet geleerd van de achteruitgang in gemeenten met een heel andere ligging? Waar was de betrokkenheid op de classis of in de werkgemeenschap op gemeenten, die het in de afgelopen decennia reeds zwaar te verduren hadden?

Niet op voorbereid
In de 12,5 jaar dat ik nu predikant ben, heb ik veel gepreekt in kleine gemeenten, waarbij de jongste kerkganger in de 60 was. Daarbij heb ik altijd het besef gehad, dat deze ontwikkeling ook in kringen van de Gereformeerde Bond zou kunnen komen. Wat me vooral als vraag bij bleef, is waarom zijn we daar niet op voorbereid?
Dat geldt ook voor mijzelf. Ik kwam uit het kerkelijke Veenendaal in Noord-Holland terecht, waar de kerk anders was. Dat gaf een grote cultuurschok, waar ik niet op voorbereid was. Daarnaast begon ik net na de fusie van de PKN, waardoor alle structuren eigenlijk zo goed als weg waren. Omdat ik net uit een andere kerk kwam, had ik ook niet zelf een netwerk waar ik op kon terugvallen. Dat gebrek aan netwerk en die cultuurschok waar ik niet op voorbereid was, deden mij enorm twijfelen.

Twijfel
Nu had ik al een enorme twijfel, maar die werd behoorlijk versterkt. Achteraf heb ik die twijfel leren duiden als eenzaamheid. Niet dat ik binnen de gemeente geen contact had. Gelukkig genoeg fijne contacten en ik heb er een mooie tijd gehad en veel beleefd. Het vrije paste me meer dan een strakke structuur in een plaats met vaste kerkelijke kaders, maar had ook duidelijke schaduwkanten voor mij.

Predikant in zo’n context
Wat mij in die tijd had kunnen helpen, was een duidelijke visie op de rol van predikant in zo’n context: bezig met de Schrift, sensitief voor de omgeving, serieus luisterend naar de aanvechtingen, maar toch ook een geloof dat het alles in Gods hand ligt en dat ik daar niet voor niets ben. Eugene Peterson had me kunnen helpen. Al leerde ik die later pas kennen. Monastieke gewoonten, zoals een gestructureerd geestelijk leven had me kunnen helpen: gewoon doorgaan, al stormt het in je hart vanwege alle aanvechtingen. Wat me ook had kunnen helpen is een visie op wat gemeente en liturgie: hoe kun je een kerkdienst houden als je met 10 – 20 mensen bij elkaar bent in een oude, monumentale kerk? Wat betekent dat voor het zingen en voor de preek? Hoe maak je kinderen vertrouwd met kerkliederen en psalmen als ze dat niet op school leren?

Zwaarmoedigheid als ongeloof
Een theoloog die mij in die tijd hielp was Christian Möller. Hij hielp mij om gewoon als predikant mijn taak te doen en de kerk, hoe klein ook, kerk te laten zijn. Hij hielp mij ook om kritisch naar mijzelf te kijken. Hij leerde mij, dat Schwermut scheert langs het ongeloof. Voor mijzelf heb ik geleerd dat zwaarmoedigheid zelfs ongeloof is: je vergeet dat er een God is die alle dingen nieuw kan maken. Ten diepste wantrouwen: je gelooft niet dat God het kan of zal doen. Een van de pijlers van het werk van Möller is de zondeleer en de vraag van Anselmus: besef je wel hoe ernstig de zonde is?

Van nature geneigd
Daarbij kijk je niet naar anderen maar naar jezelf. Je hebt anderen nodig, die je op de zonde in jezelf te wijzen, omdat je voor jezelf de schijn ophoudt dat je gelovig bent. Daardoor heb ik geleerd om de Catechismus op mijzelf toe te passen: Ik ben van nature geneigd om God en mijn gemeente te haten. Dat ik dat niet doe, is genade. Ik mag het ook niet doen, want dan komt de oude mens boven. Het moet een gevecht zijn als ik kritisch zou zijn op de gemeente om eerst naar mijzelf te kijken: kijk ik wel goed? Duid ik wel goed? Want als onze beste werken met zonde bevlekt zijn, geldt dat ook voor mijn duiding van de tijd en voor mijn kijk op de gemeente.

Verwachting dat God er zal zijn
In de loop van de jaren dat ik rondpreek heb ik een hoge waardering voor de kerk gekregen. Op onverwachte plekken komen mensen bij elkaar in verwachting dat God er ook zal zijn. Ik deed in Purmerend diensten in verzorgingstehuizen. Er waren er tien aanwezig, waarbij de jongste aanwezige 86 was. Als 28jarige predikant ging ik voor in die diensten op donderdagmiddag. Ik nam een cd met koormuziek mee, zodat de dienst niet afhankelijk was van de ielige stemmen. Bij een andere verzorgingstehuis kwam ik aan en bleek er op een rooms-katholieke viering gerekend te zijn. Er kwam echter geen pastoor, maar een predikant. De viering gebeurde toch maar op de katholieke manier. De hostie werd in de wijn gedoopt en uitgedeeld, waarbij ik zei tegen de aanwezigen: Dit is het lichaam van Christus voor u. In het rondpreken heb ik gemerkt, dat er zelden meer iemand uit gewoonte naar de kerk komt. Mensen die komen willen iets van God gewaarworden. In de liederen die ze zingen. In de preek die ze horen.

Op zoek naar gereformeerde bevinding
Sinds enige tijd ben ik bezig met K. Schilder, K.H. Miskotte en O. Noordmans. Schilder en Noordmans waren in hun tijd op zoek naar een gereformeerde bevinding, een eigentijdse gereformeerde mystiek. Ook Noordmans gaf aan, dat het niet meer op de traditionele manier kon en dat men weer moest beginnen bij de Schrift. Ik denk dat het eigen is aan gereformeerde bevinding: dat je steeds opnieuw moet beginnen. Geloof, Bijbel, aanwezigheid van God, bevinding – dat is niet iets dat je ‘hebt’, je moet het steeds ontvangen en zoeken. En vormen hebben, die dat zoeken vormgeven. Vormen die de aanvechting een plek geven, maar wel op zo’n manier dat je door die aanvechting groeit naar een tweede naïviteit. Ik ben nooit echt zonder twijfel geweest. Ik heb me geregeld afgevraagd waarom juist ik predikant moet worden. Soms denk ik dat het is juist omdat ik steeds besef dat ik het niet ‘heb’. Alleen heb ik wel moeten leren, dat ik daarin niet moet blijven steken. Dat is niet mijn roeping, niet mijn taak.

Ontzaglijk ruime wereld
Als ik mijn exegese doe, betreed ik in een ontzaglijk ruime wereld, waarin mijn hart niet altijd mee kan komen, maar waarin ik wel merk dat God daar is. Aanvechting heeft de neiging om je hart daarvoor te sluiten, maar wekt ook een sterk verlangen naar God. Vanuit de exegese, waar je soms net als Petrus, Johannes en Jakobus mag zien hoe Christus van gedaante verandert, moet je weer naar beneden, met je preek de gemeente in. Dat blijft wel behelpen. Want welke woorden kunnen weergeven wie Christus is?

Vitaliteit
Terugkijkend op de conferentie denk ik, dat voor mij in ieder geval aanvechting weer op de agenda staat. Samen met volharding. En zelfonderzoek. Al zijn die thema’s nooit echt weg geweest. En dan vooral: wat betekent het om als predikant, die de aanvechtingen kent, toch oog te blijven houden voor wat God in deze tijd doet? Welke vormen heb ik, die mijn aanvechting serieus nemen, maar ook weer verder leiden? Welke mensen zijn mij voorgegaan en gaan mij die weg mee? In de afgelopen jaren ben ik me steeds meer bewust geworden van de gereformeerde traditie, omdat die zowel de aanvechting en de volharding, als het zelfonderzoek en het oog voor de mensen, die God je geeft om je heen, leert.

Offeren, waarom moet dat eigenlijk?

Offeren, waarom moet dat eigenlijk?
De manier waarop Jezus sterft is niet willekeurig of toevallig

Iemand die sterft voor jou, voor je zonden. Het is een ergernis of een dwaasheid maar gewoon geaccepteerd wordt het nooit. Hoe moet je dat offer van Jezus duiden? De valkuilen zijn legio, zeker in een cultuur waarin we geen offercultus kennen.

Vanaf het moment dat Jezus stierf, hebben christenen nagedacht over de betekenis van dit sterven en over de betekenis van de manier waarop hij stierf. Al in de allereerste reflecties op de betekenis wordt Jezus’ sterven aan het kruis verbonden met God. Het kruis is geen toevallige gebeurtenis, maar in de ogen van Paulus het middel dat God koos om de mensen te bevrijden uit de macht van de zonde.

sllcrocifissoguidoreni
altaarbeeld van Guido Reni in de San Lorenzo in Lucina (Rome)

Het sterven van Jezus aan het kruis is allereerst een handelen van God, waarin God iets bewerkstelligt: Hij brengt daarin twee partijen bij elkaar die zonder dat kruis niet te verenigen zijn. In het sterven van het kruis wordt de mensheid, die in de macht van de boze en de zonde geraakt was, verenigd met God.

Verzoend
Aan het kruis wordt de mensheid verzoend met God. God hoeft niet verzoend te worden, aan zijn kant zit de fout niet. De mensen moeten verzoend worden met God. Voor Paulus gaat het sterven van Jezus aan het kruis niet buiten ons om. Als Jezus sterft aan het kruis, sterft elke gelovige op dat moment aan het kruis met Jezus mee, schrijft hij in Romeinen 6.

Op beeldende wijze
In de vier evangeliën wordt de betekenis van Jezus’ dood op beeldende wijze verteld. In Mattheüs, Markus en Lukas worden op cruciale momenten teksten uit Jesaja 53 verwerkt, waarmee zij willen aangeven dat er met het sterven van Jezus er iets gebeurd is in de relatie tussen God en mensen. Jezus sterft in de plaats van de mensen. Hij neemt het oordeel van God op zich en draagt dat weg. Zijn dood is een loskopen. Dat beeld wordt niet ontleend aan de slavenhandel, maar aan het vrijkopen van krijgsgevangenen die in de macht van de vijand zijn geraakt. Zo koopt de dood van Jezus de gelovigen vrij uit de macht van de zonde en de duivel.

Johannes legt andere accenten: zijn evangelie verbindt aspecten uit de tempelcultus met het Joodse Pesachfeest. Jezus is het lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Jezus sterft bij Johannes op het moment dat het Pesachlam wordt geslacht. In alle vier de evangeliën staat Jezus dicht bij God of kan hij worden gezien als God zelf.
16th-St-Baptist-Ch-Wales
“The Black Christ of Alabama” – Gebrandschilderd raam in de 16th Street Baptist Church Birmingham (Alabama)

Onttronen van de kwade machten
Ook in de overige geschriften van het Nieuwe Testament is de dood van Jezus onderdeel van het handelen van God. De dood van Jezus onttroont de kwade machten, verslaat de duivel, verbreekt de macht van de dood. In zijn dood daalt Jezus in het dodenrijk neer om daar zijn overwinning te proclameren en aan te kondigen dat de gelovigen, die nu nog gevangen zijn in het dodenrijk, bevrijd zullen worden. In alle gevallen kan de betekenis van de dood van Jezus niet los gezien worden van zijn opstanding en binnengaan in de hemel.

Niet willekeurig of toevallig
De manier waarop Jezus sterft is ook niet willekeurig of toevallig. De dood aan het kruis is de meest vernederende en de meest gruwelijke vorm van ontmenselijking. Daarnaast is de kruisdood de meest eenzame vorm van sterven, want als Jezus sterft aan het kruis is hij ook door God verlaten, het is de totale vorm van Godverlatenheid.
william-congdon-crucifix-no.-2
William Congdon – Crucifix no. 2

Daarom hebben buitenstaanders en ook christenen geregeld moeite met deze vorm van sterven van Jezus aan het kruis. In de tijd van het Nieuwe Testament was de gedachte dat een God sterft aan het kruis de grootst mogelijke onzin en de hoogste vorm van Godslastering. Voor gelovigen is het moeilijk om te zien dat God ervoor kiest verworpen en vernederd te worden, dat Hij zijn zwakheid toont in plaats van zijn macht.

Moeite
Tegenwoordig hebben mensen niet minder moeite met de dood van Jezus, eerder meer. Een van de moeiten ontstaat als Jezus helemaal losgemaakt wordt van zijn eenheid met de Vader. Jezus wordt dan een mens, weliswaar een van de meest bijzondere, maar wel een mens. Dan valt het aspect weg, dat Jezus niet alleen mens is maar ook God en aan het kruis niet alleen als mens, maar ook als God daar hangt. Wanneer dat aspect van het God-zijn van Jezus wegvalt, ontstaat het beeld dat God de last van de zonde neerlegt op een mens. Dat een mens de volle woede van God over zich heen gestort krijgt.

Een ander probleem ontstaat wanneer Jezus als individueel mens gezien wordt en niet meer als representant van de hele mensheid. Dan wordt ingewikkeld om te zien wat de dood van Jezus met mij te maken heeft en raakt de gedachte uit beeld dat ik aan het kruis in de dood van Jezus meesterf.

Offer
Weer een andere moeite gaat over de beelden die gebruikt worden om de betekenis van het kruis uit te leggen. Neem het beeld van het offer, dat toegepast wordt op de dood van Jezus. Al gauw is de gedachte dat Jezus door God is opgeofferd, God slachtoffert een mens als Jezus voor een doel, dat God wil bereiken.

En dan is er nog de taal van de offercultus uit het Oude Testament die gebruikt wordt om de betekenis uit te leggen. Bij een offer in de tempel vloeide namelijk bloed. De oud-testamentische offercultus is voor ons moderne mensen moeilijk te begrijpen, omdat er met het bloedvloeien het idee ontstaat dat er iets wreeds gebeurt. De gedachte bij het offer is echter dat een dier de plaats van een mens inneemt. De kern van het offer is dat er één dier zijn leven geeft, waardoor een heel volk het leven van God ontvangt en verder kan blijven leven.

Bloed
Wanneer in Hebreeën gesteld wordt dat Jezus als hogepriester met zijn eigen bloed de hemel ingaat en voor God verschijnt, is dat een uitleg van de betekenis van Jezus’ dood: zoals het offer reinigt van zonden – een reiniging die nodig is om in gemeenschap van God te komen – zo is de dood van Jezus aan het kruis het definitieve offer. Jezus wordt niet door God geofferd, maar geeft zijn leven over in de dood. Dat doet hij bewust, met het oog op ons. Om ons vrij te kopen en te reinigen van de zonde.

Het uitleggen van de dood van Jezus aan het kruis is niet eenvoudig. We staan op heilige grond, omdat we hier te maken hebben met het meest diepe van Gods wezen, woorden schieten tekort. Woorden schieten ook tekort omdat we hier met het meest diepe in de geschiedenis van de mensheid in aanraking komen, namelijk de totale Godverlatenheid.

Daarnaast worden beelden, die in het verleden iets van dit heilige en diepe lieten zien, onbegrijpelijk doordat de tijden veranderen. Omdat we geen offercultus kennen, wordt het zoeken naar wat de Bijbel wil uitdrukken met het toepassen van het offer op Jezus’ dood. Bovendien hebben we een eeuw achter de rug waarin mensen rücksichtslos geslachtofferd werden. Er is een gevoeligheid ontstaan met betrekking tot een dood die gewild is door God.

Als we Jezus’ gewelddadige dood op Golgotha in verbinding brengen met Gods handelen, zoals heel het Nieuwe Testament doet, kunnen we er niet aan voorbij gaan dat God met het kruis op Golgotha meer doet dan vergeving en verlossing bieden: God rectificeert. Hij herstelt geschonden recht, dat wij als mensen God en elkaar hebben aangedaan. Wanneer wij als mensen het recht van een ander schenden, kunnen wij het nooit helemaal goed maken. Wij kunnen de persoonlijke schade die is aangericht bij de ander hooguit erkennen, maar rechtzetten niet.

Het bijzondere van het kruis is God zelf met Jezus’ dood, die mens is en ook God, zich verantwoordelijk maakt voor die schade en onze schuld op zich neemt, verzoent en ons en die ander herstelt.

Gepubliceerd in Christelijk Weekblad 18 april 2019

Godsbeelden van kinderen en jongeren

Godsbeelden van kinderen en jongeren
Verslag van de lezing van prof. dr. Gerhard Büttner op de studiedag van JOP en PCGVO.

Vorige week was ik op een studiedag over Godsbeelden van kinderen en jongeren. Deze studiedag was georganiseerd door JOP (JongerenOrganisatie Protestantse Kerk in Nederland) PCGVO (Protestants Centrum voor Godsdienstigig Vormingsonderwijs).

Op deze dag was prof. dr. Gerhard Büttner gevraagd om te spreken. Prof. Büttner, hoogleraar aan de Technische Universiteit van Dortmund, doet al jaren onderzoek naar hoe kinderen en jongeren over God denken.

Het is interessant, zo stelde Büttner, om te onderzoeken hoe kinderen en jongeren over God denken, omdat je hun ideeën kunt vergelijken met het eigen beeld dat je hebt van God. In het begin van zijn lezing ging hij een aantal kenmerkende onderzoeken naar beelden, die kinderen en jongeren hebben, langs:

  • Het onderzoek naar beelden, die kinderen van God hebben, begon met Stephanie Klein. Zij vroeg meisjes een serie tekeningen te maken. Daarna ging ze met de kinderen in gesprek over deze tekeningen. Ze ontdekte dat elke tekening slechts één deel weergaf van hoe een kind over God dacht. Ook kwam ze erachter dat het belangrijk was dat kinderen zelf uitleg gaven bij de tekening die ze hadden gemaakt. De uitleg van jonge kinderen bij hun eigen tekening is vaak heel anders dan wat op de tekening te zien is.
  • In een ander onderzoek werden jongeren en kinderen uit twee plaatsen vergeleken in de ontwikkeling van de beelden die zij hebben. Hij ontdekte dat kinderen zonder een nadrukkelijke godsdienstige opvoeding God vaak weergeven in de vorm van een mens en dat bleven doen als jongere. Kinderen met een godsdienstige opvoeding deden dat minder en gaven een meer symbolische weergave van God en hadden als jongere een veel gevarieerder beeld van God, een beeld dat meer paste bij hun leeftijd.
    Büttner stelde naar aanleiding van dit onderzoek dat kinderen en jongeren zowel een heel concreet als ook een heel abstract beeld van God hebben. (Volwassenen trouwens ook).
    Hoe meer bouwstenen uit ervaringen met anderen, door het horen van Bijbelverhalen, door liederen, enz kinderen aangereikt hebben gekregen, hoe gevarieerder en gepaster kinderen een beeld van God kunnen vormen.
  • Het Godsbeeld van kinderen en het kindergeloof wordt in grote mate bepaald door wat zij meekrijgen via hun omgeving. Hun geloof wordt gevormd door wat ouders, leerkrachten en anderen aan hen meegeven. Ze vertrouwen wat ouders en leerkrachten hen vertellen. Ouders, leerkrachten, leiding van zondagsschool, kindernevendienst, kinderclubs zijn daarom belangrijk voor kinderen om het beeld van God te vormen. Wat deze volwassenen van God laten zien helpt kinderen om zelf een beeld te vormen. Kinderen herhalen wat volwassenen hen meegeven én hebben hun eigen verbeelding.
  • Als kinderen vertellen hoe zij over God denken of uittekenen hoe zij over God denken laten ze iets zien van zichzelf en van hun gedachten over God. In een gesprek kun je daarbij op beide kanten ingaan.
  • Voor kinderen is het onzichtbare van God ingewikkeld. Büttner voerde een pleidooi om heel concreet aan te wijzen waar God is in de dagelijkse leefwereld. Dat kun je als volwassene het beste doen door ‘dubbel te kijken’: aan de ene kant de zichtbare kant van onze concrete leefwereld, de andere kant van wat God daarin doet. Hij gaf het voorbeeld van het uitlopen van de bomen in de lente. Aan de ene kant is dat een natuurlijk proces. Tegelijkertijd kun je aan kinderen heel goed uitleggen dat Gods hand deze bomen weer tot leven wekt na de winter.
  • In het verleden werd nogal eens gedacht dat de vraag waarom God het kwaad toelaat voor jongeren leidde tot twijfel en zelfs tot afscheid van het geloof. Recenter onderzoek laat weten dat het veel genuanceerder ligt. Onder jongeren zijn verschillende manieren om te geloven:
    – overtuigde gelovigen
    –  jongeren die sympathiek staan tegenover het bestaan van God
    – jongeren die geen duidelijke mening hebben
    –  jongeren die het bestaan van God relativeren
    – jongeren die Gods bestaan negeren
    – jongeren die zich fel verzetten tegen de gedachte dat God bestaat.
    Alleen voor de jongeren die uit zichzelf al twijfelen is de vraag waarom God kwaad, pijn, tegenslag, teleurstelling en lijden toelaat een probleem. Jongeren die overtuigd geloven hebben een zo’n groot vertrouwen dat hun geloof niet aangevochten wordt. Voor de jongeren die het bestaan van God ontkennen is tegenslag en lijden de bevestiging dat God niet bestaat.
  • Uit een recent onderzoek kwam naar voren dat jongeren met een verschillende godsdienstige achtergrond eenzelfde beeld van God lijken te hebben. Het is het beeld van God die er is om mensen gelukkig te maken. Alleen als je Hem nodig hebt, dan is Hij op het leven van de jongeren. Anders niet. Dit beeld werd de ‘therapeutische butler’ genoemd. Büttner gaf aan dat ouders, leerkrachten, predikanten, jeugdwerkers voor de uitdaging staan om de jongeren met andere beelden van God in aanraking te brengen, waarin God ook liefhebbend is, kracht geeft, verzoening biedt en de weg wijst in het leven.

In de onderzoeken werd nogal eens gevraagd aan kinderen en jongeren hun beeld(en) van God te tekenen en schilderen. Voor kinderen met een islamitische achtergrond is dat niet mogelijk. En ook voor kinderen en jongeren met christelijke achtergrond kan het een belemmering zijn, omdat zij meegekregen hebben dat je je geen beeld van God mag vormen. In dat geval kun je eerder door gesprekken ontdekken hoe zij over God denken.
father-and-child-together
Kindertheologie

Uit het onderzoek naar hoe kinderen en jongeren denken zijn kindertheologie en jongerentheologie gegroeid. Kindertheologie en jongerentheologie denkt na
– over hoe kinderen en jongeren zelf over God nadenken (theologie van kinderen en jongeren)
– hoe je hen kunt helpen en uitdagen om over God na te denken (theologie voor kinderen en jongeren)
– en hun beeld gevarieerder te maken en hoe je met hen bezig kunt zijn in gesprek of in andere werkvormen (theologie met kinderen en jongeren).

Uitdaging voor theologie van volwassenen

Kindertheologie en jongerentheologie stelt ook vragen aan volwassenen en hun theologie. Bijvoorbeeld over de vraag naar Gods stem: Kan Gods stem nog gehoord worden? Hebben volwassenen zelf die stem wel eens gehoord? Hoe klinkt die stem? Wat zegt God dan? Hoe kun je die stem horen?
Büttner: volwassenen hebben nogal eens de neiging om te direct te antwoorden of om de vragen te omzeilen. Het is van belang en ook mooi om met de kinderen en jongeren zelf na te denken over de vragen die zij stellen en hen te stimuleren om hun eigen gedachten te formuleren. Je kunt samen nadenken over hoe je een antwoord vindt. Geregeld is er slechts een voorlopig antwoord mogelijk. Ook dat kan jongeren en kinderen helpen in hun eigen nadenken over en leven met God.

Kerk, leer van het voetbal!

Kerk, leer van het voetbal!

Afgelopen zaterdag was mijn zoon pupil van de week bij Owios (OverWinnen Is Ons Streven). Hij mocht de wedstrijd van het eerste bijwonen en kreeg daarbij een speciale behandeling. Ik ging met hem mee. Net als mijn oudste dochter, die keepster is bij Owios. De wedstrijd was de finale van de nacompetitie. Bij winst zou Owios in de tweede klasse blijven; bij verlies was degradatie een feit. De wedstrijd had alles wat voetbal zo mooi maakt.  Al werd er gezegd dat ze deze keer niet zo goed voetbalden, de strijdlust was er. Een doelpunt in de eerste helft en Owios was de bovenliggende partij. Maar een rode kaart voor een verdediger liet de wedstrijd kantelen. Twee opgelegde kansen werden door de spits van Owios gemist en in de laatste minuut werd de gelijkmaker gescoord. In de tweede verlenging, vlak voordat de beslissing door penalty’s genomen zou worden, werd het beslissende doelpunt gescoord. De winst werd gevierd alsof er gepromoveerd werd.
Tijdens de wedstrijd genoot ik dacht ook aan wat er voor mij als predikant te leren valt. (Daar denk ik ook vaak over na als ik op zaterdagmorgen langs de lijn sta om te kijken naar het spel van mijn dochter of zoon.) Het eerste wat mij opviel, was dat je bij binnenkomst direct kon merken dat er iets op het spel stond. De volgende morgen mocht in in mijn oude gemeente voorgaan in een avondmaalsdienst. Ik vertelde over de wedstrijd van gisteren en vroeg hen of zij gemerkt hadden bij binnenkomst dat er iets op het spel staat. Zijn ze bereid om net als een elftal dat strijdt voor blijven in de tweede klasse de strijd van het geloof aan te gaan. Toen het voetbal ruim een eeuw geleden opkwam waren de kerken enthousiast over deze sport. Ze zagen er een parallel in met de strijd van het geloof. Zoals een team strijdt voor de overwinning, zo hoort de gelovige vol passie de strijd van het geloof aan te gaan. Op die zaterdagmiddag zag ik verschillende gemeenteleden op de tribune, waarvan ik wist dat zij de volgende morgen in de kerk zouden zitten. Ik zag hun passie voor hun club en een betrokkenheid op het spel. Ze leefden mee alsof zij zelf op het veld stonden. Ik zag een jongere uit onze gemeente op de tribune. Hij had zich eens aangemeld voor belijdeniscatechisatie, omdat hij op een festival iemand gepassioneerd hoorde spreken over Jezus. Dat raakte iets bij hem en dat wilde hij ook. Aan het einde van het seizoen deed hij geen belijdenis, omdat hij die passie was kwijtgeraakt. Van hem leerde ik hoe belangrijk enthousiasme (als beleving) is en dat het mijn taak als predikant is om de gemeente enthousiast te maken en te houden voor Jezus.
Tijdens de wedstrijd hoorde ik de namen van de spelers: ‘Bennie! Bennie!’ Er werd erbij geroepen dat hij beter kon dan hij liet zien. De spelers zijn jongens van het dorp. Ze zijn bekend. Liever een klasse lager spelen dan een team met allemaal vreemden. Ook dat is een les, een les die ik kerkenraden geregeld voorhoudt: benader niet alleen de mensen die nieuw in de gemeente gekomen zijn voor ambtsdrager, maar zoek ook bewust gemeenteleden die hier hun wortels hebben, die de mensen hier kennen en de gewoonten snappen. Zij zijn soms beter in staat om met de mensen hier over het geloof te praten, omdat er een band is, waardoor de kerk niet een vreemd gezicht wordt, maar één van hen is.
Elke maandag en woensdag worden mijn dochter en zoon getraind en elke keer leren ze meer over voetbal: positiespel, overspelen, waar ze moeten staan, hoe ze anderen in het veld aansturen, hoe ze door blijven gaan al is de tegenstander nog zo sterk. Die training krijgen ze niet alleen van volwassenen, maar ook van jeugdspelers. Ik dacht bij mijzelf: misschien moet ik de catechisatie ook gaan benaderen als een training en moet ik mijn catechisanten niet vertellen over wat van hen verwacht wordt, maar moet ik ze ‘opleiden’, zodat zij hun positie in de kerk en in de maatschappij als ‘spelers’ van Christus kunnen innemen.

Verschenen in het Nederlands Dagblad