Omgaan met twijfel bij jongeren

Omgaan met twijfel bij jongeren
Workshop HSJJ 12 oktober 2017.
(Zie voor programma: hier)

Groeien naar een volwassen, zelfstandige persoonlijkheid
Omdat jongeren groeien naar volwassenheid, bevinden ze zich in een levensfase waarin veel voor hen verandert. Ze groeien naar een zelfstandige persoonlijkheid. Ze worden geacht zelfstandig na te denken, beslissingen te nemen, zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen leven en voor de keuzes die ze maken. Dat is zowel een uitdaging als een grote klus. Deze uitdaging en deze klus vraagt veel van hen. De groei naar een volwassen, zelfstandige persoonlijkheid gaat niet vanzelf en kost veel innerlijke, psychische kracht. Jongeren kunnen in deze fase ook innerlijke schade oplopen. Omdat deze groei naar volwassenheid veel met hen doet en omdat het niet altijd goed lukt, worden ze gedwongen om over zichzelf na te denken. Niet altijd hebben ze daar de goede handvatten voor meegekregen.

Groeien naar een eigen,  volwassen, zelfstandig geloof
In deze fase van groeien naar een volwassen, zelfstandige persoonlijkheid groeien jongeren ook naar een volwassen, zelfstandige gelovige. Ze ontwikkelen hun eigen gedachten over God, over de kerk, over medegelovigen, andersgelovigen. Dat gebeurt op basis van de ervaringen die ze meemaken, wat ze tegenkomen en hun eigen denkprocessen.
Die ervaringen die ze hebben kunnen anders zijn, dan wat ze tot dan toe over God, over de kerk, over geloof hebben meegekregen. Hebben ze bijvoorbeeld gehoord dat God er altijd is, dan kan de ervaring van een jongere zijn dat ze helemaal niets van Hem ervaren. Ook al zoeken ze nog zo intens. Ze moeten gaan nadenken, hoe ze dat bij elkaar krijgen: de officiële leer van de kerk, van ouders, van school en hun eigen ervaring en gedachten. De een kiest ervoor om de eigen gedachten en ervaringen wat opzij te zetten en kiest voor de officiële versie. Een ander kan juist kritisch worden op de officiële versie en de eigen gedachten als uitgangspunt nemen. Voor elke jongere geldt dat ze in deze fase groeien naar een eigen, volwassen, zelfstandig geloof. Ze groeien – als het goed is naar een eigen band met Christus.

Hoe ontstaat twijfel?
Twijfel kan op verschillende manieren ontstaan:

 

  • Als de eigen ervaring met God (of juist geen ervaring met God) afwijkt van wat ze altijd hebben gehoord.
  • Als ze veel ingrijpende dingen meemaken in de familie of vriendenkring, of in het wereldgebeuren, die ze niet kunnen rijmen met Gods leiding in deze wereld.
  • Als wat ze horen van het christelijk geloof in de preek, op catechisatie, op school, thuis ver van hun belevingswereld afstaat.
  • Als ze mensen tegenkomen die niet of op een andere manier geloven.
  • Als ze in aanraking komen met theorieën die voor hun gevoel botsen met het christelijk geloof, zoals evolutie, atheïsme.

 

 

Is twijfel verkeerd?
Twijfel is niet verkeerd. Zolang het maar geen houding is of eindpunt. Niet zelden is twijfel een vorm van wel willen geloven, maar op de een of andere manier niet kunnen geloven.
In de Bijbel komen we dat ook geregeld tegen. Bijvoorbeeld in de psalmen, waarin nogal eens geworsteld wordt met wat God doet of juist niet doet. Denk aan Psalm 13, Psalm 22, Psalm 80. Het bijzondere van deze teksten is dat het geen ongeloof is, maar heel diep geloof: als iemand iets kan doen, is God het wel. Maar het lijkt wel of Hij niets doet. Of Hij doet ook niets.
Ook in de verhalen over de Heere Jezus is twijfel iets dat steeds weer opkomt. Petrus die door het water zakt, omdat hij te weinig geloof heeft (Mattheüs 14:30). De leerlingen die een zieke niet kunnen genezen omdat ze te weinig geloof hebben en een man die wel wel geloven, maar vraagt of Jezus zijn ongeloof te hulp komt (Markus 9:14-27). Zelfs als Jezus is opgestaan is de twijfel niet bij iedereen overwonnen (Mattheüs 28:17).
Twijfel hoort bij de tijd dat wij als gelovigen nog op aarde leven. Misschien is het beter om te spreken over aanvechting: een geloof dat steeds aangevochten wordt. Twijfel hoort ook bij de fase van groei naar een volwassen, zelfstandig geloof.

Hoe om te gaan met twijfel bij jongeren?
Het is goed om vast te houden dat twijfel niet vreemd is:

  • er gebeurt zoveel in ons leven en in deze wereld dat we niet kunnen rijmen met Gods leiding in deze wereld.
  • voor jongeren zijn veel dingen onzeker. Dat werkt ook door in hun geloof.
  • Twijfel is authentiek en serieus te nemen als het een onderdeel is van een zoektocht om God beter te leren kennen.

Het is zinvol om uit te leggen:

  • dat twijfel onderdeel van een zoektocht is
  • dat in de Bijbel en onze geloofsleer twijfel en aanvechting ook een plek hebben.
  • dat twijfel een weg kan zijn om te groeien naar een eigen geloof.
  • om te laten zien dat er geen keuze gemaakt te hoeven worden tussen de eigen ervaring en inzichten en de officiële geloofsleer. Jongeren zijn geholpen als ze merken hoe de dialoog op gang gebracht wordt en wat hun twijfel kan leren van de officiële geloofsleer en omgekeerd.

In het contact met jongeren gaat het nooit alleen om de inhoud, maar ook altijd om de houding en de relatie:

  • Bied een open oor en schrik niet te snel als ze hun twijfels uiten.
  • Wees authentiek en open. Vertel als je zelf twijfels gekend hebt, waar ze vandaan kwamen en hoe jezelf daarmee omgegaan bent. Als je zelf heel overtuigt gelooft, vertel dan hoe je in je geloof gegroeid bent. Jongeren kunnen de kerk als een waardevolle plek waarderen als ze daar hun twijfels en vragen kunnen uiten, omdat ze serieus genomen worden.
  • Vraag door waar hun twijfels vandaan komen. Heb oog voor hoe vragen en twijfels opkomen uit wat ze meegemaakt hebben en zien in de wereld om hen heen.
  • Leer ze handvatten om over zichzelf en over God na te denken.

Advertenties

Missionair jongerenwerk: doelen, uitgangspunten, dimensies

Missionair jongerenwerk: doelen, uitgangspunten, dimensies

Al enige tijd staat het missionaire werk op de agenda van de kerk. Daarbij is het het winnen van jongeren voor het evangelie weer een specifieke taak, omdat jongeren vaak zich in eigen leefwerelden bevinden én de afstand tot de kerk vaak groot is. Dat vraagt dan ook weer om een specifieke doordenking en een specifieke aanpak.

Florian Karcher en Germo Zimmermann, die beiden als docent betrokken zijn bij de CJVM-Hochschule (een particulier Duits missionair opleidingsinstituut dat ook door de staat is erkend), hebben een handboek Missionair jongerenwerk geredigeerd. In het eerste hoofdstuk geven zij een aftrap door de doelen, uitgangspunten en dimensies van het missionair jongerenwerk te schetsen.

c5c0f1c6-7c50-464a-9574-82dfeb5e661c
I. DOELEN

In het beleidsstuk van de EKD waarmee beoogd werd de missionaire uitdaging kerkbreed op te pakken wordt gesteld dat het aanspreken van mensen om hen tot geloof te wekken behoort tot alle terreinen van de kerk. Het missionair jongerenwerk wil dat aanspreken met als bedoeling met geloof in aanraking te brengen of tot geloof bewegen oppakken met het oog op jongeren. Missionair jongerenwerk heeft verschillende doelen:

1.1 Verwerkelijking van de zendingsopdracht van de kerk
Missionair jongerenwerk is afgeleid van het zendingsbevel (Mattheüs 28:16-20). Een missie houdt in dat je gezonden wordt door iemand. In het geval van missionair jongerenwerk door Christus (de missio Dei). Bij een missie wordt je ook naar iemand toe gestuurd. In het geval van missionair jongerenwerk: naar jongeren toe. Missionair houdt in dat er aandacht voor geloof is en dat jongeren uitgenodigd worden om te geloven. Het evangelie hoeft niet achterwege te blijven.

1.2 Sociaal-pedagogische verantwoordelijkheid
Missionair jongerenwerk vindt plaats in een maatschappij die het van groot belang vindt dat jongeren zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige volwassenen, die hun eigen keuzes kunnen maken en voor hun eigen leven verantwoordelijk zijn. Missionair jongerenwerk heeft tot taak de jongeren in dit proces van subjectwording te steunen en uit te dagen. In het missionair jongerenwerk gaat het niet alleen om aandacht voor het evangelie, maar ook om een bijdrage te leveren aan de persoonlijke vorming en ontwikkeling van jongeren.

1.3. Christelijke opdracht tot vorming en toerusting
In theologisch opzicht vormt vorming en toerusting van jongeren geen bijzaak. Ook voor het missionair jongerenwerk is vorming en toerusting geen bijzaak, maar is vorming en toerusting onlosmakelijk met missionair jongerenwerk verbonden. Die vorming en toerusting gebeurt op veel manieren: door te ervaren, door relaties, door kennisoverdracht, enz. Veelal gebeurt het op een informele manier.

kinder

II. UITGANGSPUNTEN
Jongerenwerk wordt gekenmerkt door een uitnodigende openheid en toegankelijkheid, door vrijwillige deelname, door participatie van jongeren. Missionair jongerenwerk vormt daar geen uitzondering op. In het missionair jongerenwerk zijn in ieder geval de volgende uitgangspunten van belang:

2.1 Respectvolle houding
Missionair jongerenwerk gebeurt in een pluralistische en multireligieuze samenleving. Dat vraagt om:
– een respectvolle benadering van elke jongere, ook van de jongeren die andersgelovig zijn.
– het tegengaan van manipulatie. Jongeren mogen nooit gemanipuleerd worden om gelovig te worden.
– het helpen van de jongeren om ook kritisch op het christelijk geloof te kunnen reflecteren.
– jongeren te zien als subject (dat wil zeggen dat zij over hun eigen leven hun eigen beslissing kunnen nemen en dat zij bepaalde verantwoordelijkheden kunnen dragen).
– een begeleiding naar een eigen, zelfstandig geloof.
– de keuze bij jongeren te laten over wat zij voor zichzelf plausibel en relevant voor hun eigen leven vinden.

2.2. Aandacht voor de verschillende sociale milieus
Missionair jongerenwerk heeft als doel om jongeren te bereiken in hun eigen leefwerelden. Daarbij dient er rekening mee gehouden worden, dat recent onderzoek naar de sociale milieus ervan uitgaat dat er verschillende sociale milieus zijn waartoe jongeren behoren. Er is niet één jongerencultuur. Deze sociale milieus worden inzichtelijk gemaakt aan de hand van demografische kenmerken.
Deze inzichten in de verschillende sociale milieus waartoe jongeren behoren zijn niet alleen belangrijk om hen te bereiken in hun sociale milieu. Het is ook van belang om voor de jongeren inzichtelijk te maken wat het evangelie concreet voor het dagelijkse leven in dat sociale milieu inhoudt.

zie voor meer informatie: hier

2.3. Mogelijk maken van democratische participatie
In het jongerenwerk – en dus ook in het missionaire jongerenwerk – is van belang dat jongeren zelf mee kunnen werken en mee kunnen denken en bepalen.

2.4 Resource-geörienteerd en YouthEmpowerment
Wanneer we ervan uit kunnen gaan dat elk mens van God gaven en talenten heeft ontvangen, gaat het er in het missionair jongerenwerk erom de bekende gaven en talenten in te zetten (resource-geörienteerd). Daarnaast gaat het erom op het spoor te komen wat een jongere in potentie in zich heeft en dat verder te helpen te ontwikkelen (YouthEmpowerment).

2.5 Relatiegericht
In het missionair jongerenwerk zijn draagkrachtige relaties van belang, waarbij leiders authentiek en betrouwbaar zijn. Vaak zijn degenen die zich inzetten in het missionair jongerenwerk gedreven. Ze hebben een persoonlijke motivatie om het geloof door te geven. Ook al doen zij dat vaak als vrijwilligers, het vraagt wel om een professionele inzet. Zeker met jongeren uit precaire sociale milieus is een professionele houding van belang.
Uit onderzoek is gebleven dat persoonlijke relaties, de ervaring onderdeel te zijn van een gemeenschap, betrokkenheid op sociale milieus en het inzichtelijk maken van wat het evangelie voor iemand persoonlijk kan betekenen een belangrijke bijdrage leveren als iemand tot geloof komt.

III DIMENSIES
Alle dimensies van de kerk kunnen hun bijdrage leveren aan het missionaire werk. Deze dimensies moeten niet behandeld worden als verschillende sectoren binnen de kerk, die niets met elkaar te maken hebben.

3.1 Martyria:
in het missionair jongerenwerk wordt het evangelie van Jezus doorgegeven
Een belangrijke manier om het evangelie door te geven is door erover te spreken. Bijvoorbeeld door een preek in een missionaire dienst, in een overdenking tijdens een jongerenvakantie, in een toespraak tijdens een georganiseerde avond. Er zijn echter veel meer manieren om het evangelie door te geven.
Het doorgeven van het evangelie door middel van een preek, een overdenking of een toespraak gebeurt vaak door leken. Het gevaar is een eenzijdige inhoud of een manipulatieve insteek. Het pluspunt is dat degenen die hier spreken vaak dicht bij de leefwereld van de jongeren staan, die niet bekend zijn met de kerk en het geloof. Het zou jammer zijn als daar geen gebruik van gemaakt wordt. Een (eenvoudige) toerusting door middel van een cursus zou kunnen bijdragen aan de kwaliteit. (zie bijvoorbeeld de Juleica bij 3.5)
In didactisch opzicht is de preek of de toespraak wel eenzijdig. Er zijn veel andere manieren om het evangelie ook door te geven, bijvoorbeeld te leren door te ervaren (in een viering bijvoorbeeld), door gesprekken, door ervaring van gemeenschap.

3.2 Koinonia
missionair jongerenwerk schept ruimte voor relatie en gemeenschap
Door mee te doen ervaren de jongeren een gemeenschap, waarin ze opgenomen zijn en er helemaal bij horen. Volgens de ontwikkelingspsychologie is het voor jongeren van groot belang om tot een gemeenschap te behoren. Ook al moet ieder individu zelf de keuze maken om al dan niet in te gaan op de uitnodiging vanuit het evangelie, geloof gebeurt altijd in een gemeenschap. Het evangelie kan ook doorgegeven worden doordat jongeren weten dat ze geaccepteerd zijn, dat ze er helemaal bijhoren. Het gaat hier om de ervaring van welkom te zijn en helemaal geaccepteerd te worden zoals ze zijn. Het gaat om contact en aandacht zonder dat het benauwend wordt. Het gaat om betrouwbare relaties waarbij jongeren een voorbeeld hebben van hoe geloof werkt en bij wie ze terechtkunnen voor vragen over zichzelf, over het geloof en deze wereld.

Juki

3.3 Leiturgia
Missionair jongerenwerk biedt ruimte voor geestelijke ervaringen
Jongeren leren het evangelie nooit echt kennen en het christelijk geloof nooit echt begrijpen als het bij alleen maar kennis over het evangelie en over God blijft. Het is van belang om jongeren te helpen bij het ervaren van God. De christelijke traditie kent volop vormen waarin dat mogelijk is: een kerkdienst, een viering. Dat vraagt om aandacht voor rituelen, symbolen, hoogtijdagen, enz. Een viering kan groots, maar ook klein en intiem. Dat kan in een kerkzaal, in een sportkantine, aan een tafel waar samen gegeten wordt, enz. In de godsdienstpedagogiek is er de laatste jaren veel aandacht voor het in aanraking brengen met het geloof door jongeren te laten ervaren. Jongerenkerken en praiseavonden steken volop in op de dimensie van de leiturgia.

M3351M-T013

3.4 Diakonia
Missionaire jongerenwerk stelt zich belangeloos in deze wereld op
Diakonia is de naastenliefde die Jezus vraagt in praktijk gebracht. Voorheen werden een diakonale insteek en een missionaire insteek als concurrenten gezien. Tegenwoordig wordt gezien dat ze elkaar kunnen aanvullen in het bereiken van mensen en in het zich opstellen ten dienste van deze wereld om daarmee iets van Christus te laten zien. In het missionair jongerenwerk kan de diakonale insteek genomen worden door jongeren uit precaire sociale milieus huiswerkcursussen of cursussen voor sociale vaardigheden aan te bieden. Er kan de insteek genomen worden om jongeren uit de precaire milieus te helpen om een baan te vinden. Er kunnen projecten ontwikkeld om kinderen en jongeren uit deze milieus meer zelfvertrouwen en eigenwaarde te geven.

3.5 Paideia
Missionair jongerenwerk stimuleert informele vormingsprocessen
De dimensie van vorming ontbreekt niet in de andere dimensies. ‘Spiritualiteit heeft altijd vorming nodig om zich te kunnen ontvouwen.’ (G. Fermor) Vorming kan er zijn voor de jongeren die niets of weinig over het geloof of de kerk weten, bijvoorbeeld door een missionaire cursus als YouthAlpha. Vorming kan er ook zijn voor de degenen die in het missionair jongerenwerk actief zijn. In Duitsland is het mogelijk dat degenen die in het jongerenwerk actief zijn via scholing of cursussen een certificaat behalen: de Jugendleiter-Card (Juleica, zie voor meer informatie: hier). Ook in het missionair jongerenwerk zijn zulke cursussen te volgen om een Juleica te ontvangen. Daarmee zijn ze gekwalificeerd voor hun taak en kunnen ze zich steeds verder ontwikkelen.

home_2015

3.6. Instrumentarium om te analyseren
Deze vijf dimensies zijn bedoeld om te kijken wat een bepaalde vorm van missionair jongerenwerk goed heeft opgepakt. Daarnaast kan gekeken worden welke dimensies over het hoofd worden gezien.

978-3-7615-6286-4

IV AANDACHTSPUNTEN
Het handboek Missionair jongerenwerk is bedoeld als stimulans om het missionaire jongerenwerk verder te ontwikkelen. Karcher en Zimmermann zien de volgende uitdagingen:
– Meer aandacht voor de dimensie van de diakonia in de concrete vormen van missionair jongerenwerk.
– Het vinden van effectief aanbod en effectieve werkvormen. Daarvoor is het nodig dat missionair jongerenwerk leert van de recente ontwikkelingen en onderzoeken binnen de godsdienstpedagogiek en en de sociaal-pedagogische vakken.
– Betrekken van de ervaring die (partner)organisaties elders op de wereld hebben opgedaan.

Missionair jongerenwerk is geen concept dat werkt als er maar de juiste methode gevonden wordt. Missionair jongerenwerk vraagt om passie en enthousiasme voor zowel het evangelie als voor jongeren.

csm_Florian_Portrait_web_01_aea8ce03f7  csm_Germo_Zimmermann_09-2015_09cbb1be4a
Florian Karcher          Germo Zimmermann

N.a.v. Florian Karcher / Germo Zimmermann, ‘Was ist missionarische Jugendarbeit? Ziele, Leitlinien und Dimensionen’, in: Idem (Hg), Handbuch missionarische Jugendarbeit. Beiträge zur missionarischen Jugendarbeit, Bd. 1 (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Aussaat, 2016) 17-49.

Handboek missionair jongerenwerk (recensie)

Handboek missionair jongerenwerk (recensie)

In de laatste tijd zijn alle grote kerkverbanden in Europa zich bewust geworden van de missionaire uitdaging. Van degenen die de kerken zouden willen bereiken met is de bij de jongeren de uitdaging misschien wel het grootst. Alle onderzoeken geven aan dat de meeste jongeren vandaag de dag thuis of op school niets van het geloof meekrijgen. Op welke manier kunnen de kerken hen toch bereiken? Wat hebben de kerken jongeren, die niet of nauwelijks een godsdienstige achtergrond hebben, te bieden?

Om op die vragen een antwoord te kunnen bieden, is er in Duitsland een serie opgestart. Beiträge zur missionarischen Jugendarbeit. De eerste twee delen van deze serie zijn verschenen. Het eerste deel is een Handboek missionair jongerenwerk; in het tweede deel worden concepten en bijbehorende werkvormen uitgewerkt.

978-3-7615-6286-4

Persoonlijke geloofskeuze
Missionair jongerenwerk bestaat al vanaf de 19e eeuw, toen verschillende organisaties jongeren die van de kerk vervreemd waren probeerden te bereiken. Vaak waren het organisaties uit piëtistische hoek, waar de nadruk op een persoonlijke geloofskeuze voor Christus lag. Deze stroming heeft een theologische insteek en neemt het vertrekpunt in de zendingsopdracht die Jezus aan zijn discipelen gaf.

Maatschappelijk geëngageerd
Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde zich een nieuwe stroming. De jongeren die waren opgegroeid in het nazi-Duitsland moesten zich ontwikkelen tot vrije burgers, die van harte de democratische waarden konden onderschrijven. Deze meer maatschappelijk geëngageerde stroming heeft een meer sociaalpedagogische insteek: jongeren helpen bij hun ontwikkeling naar zelfstandige, mondige volwassenen.

Meerdere perspectieven
In het handboek worden beide stromingen samengebracht: missionair jeugdwerk is er op gericht om de jongeren te begeleiden tot worden van een zelfstandige, volwassen persoon, die vertrouwd geraakt  is met het christelijk geloof en mogelijk zelf ook leeft uit het geloof in Jezus Christus. Dit handboek beperkt zich niet tot één christelijke stroming, maar wil van betekenis zijn voor zowel het protestantse als het katholieke en het evangelische missionaire jeugdwerk.

Functies van de kerk
In het handboek wordt van het bijbelse spreken over zending en van de recente ontwikkelingen uitgewerkt wat dit betekent voor het missionair jeugdwerk. De eindredacteuren van het handboek zetten zelf wat lijnen uit. Zij gaan uit van 5 functies van de kerk: martyria (verkondiging), leiturgia (eredienst, vieren), koinonia (gemeenschap), diakonia (dienstverlening) en paideia (onderwijs, vorming en toerusting). Niet in elke vorm hoeft alle functies te hebben. Wel is het goed om aan de hand van deze functies te kijken of er niet iets over het hoofd gezien wordt.

Ontwikkeling
Geloven gebeurt vaak niet van de een op de andere dag. Pedagoge Martina Walter werkt uit met elke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden op persoonlijk vlak en op geloofsgebied bij een jongere. Walter werkt dat uit aan de hand van de fasen die Erikson en James W. Fowler reconstrueren.

Contact
Contact krijgen met deze doelgroep is ook niet altijd makkelijk. Nathanael Volke gaat in op de missionaire uitdaging van social media. Soms hebben kerken nog wel contact. De bekende godsdienstpedagoog Friedrich Schweitzer roept op ook de kerken die nog catechese hebben de catechese te zien als missionaire kans. Daniela Mailänder vraagt om de jongeren niet uit het oog te verliezen als ze volwassen geworden zijn.

Te druk
Een andere belemmering is het toenemende gebrek aan tijd bij jongeren. Kon het missionair jeugdwerk voorheen nog gebruik maken van de vrije tijd van jongeren, nu moet er geconcurreerd worden met een bijbaantje en activiteiten van school en sportclub die ook steeds meer in de vrije tijd wordt georganiseerd. Ook het vinden van leiding is lastiger geworden door de afname van vrije tijd. Dat vraagt om flexibele structuren en goede afstemming met andere verenigingen die ook voor deze doelgroep werken. Uitgewerkt wordt hoe men met scholen kan afstemmen of samenwerken.

Verschil in sociale milieus
Jongeren hebben niet allemaal dezelfde achtergrond. Dé jongerencultuur bestaat niet. In het missionaire werk wordt tegenwoordig rekening gehouden met verschillende sociale milieus. Heinzpeter Hempelmann werkt uit op welke manier het missionair jeugdwerk kan afstemmen op de verschillende milieus. Ernst-Ulrich Huster laat zien op welke manier er rekening gehouden kan worden met armoede. Sarah Koyyuru gaat in op missionair jeugdwerk met jongeren met een migrantenachtergrond. Karsten Jung laat de spanningen en de mogelijkheden zien van missionair jeugdwerk met jongeren die tot een andere godsdienst behoren.

Inhoud
Missionair werk is niet zonder inhoud. Daarom laat Jörg Kresse zien welke cursussen er voor jongeren zijn om hen met het geloof vertrouwd te maken. Steffen Kaupp gaat in op wat er nodig is om jongerendiensten een missionaire uitstraling te geven: voordat je een dienst organiseert moet je eerst de jongeren in beeld hebben. De missionaire kracht van een dienst neemt toe als je in vorm en inhoud kunt afstemmen op wat jongeren bezig houdt. Hoe meer ze wat er gezegd wordt in hun dagelijks leven herkennen en hoe meer de boodschap hen in hun dagelijks leven iets te zeggen heeft, des te zinvoller wordt zo’n dienst. Geloofsthema’s zeggen meer als ze verbonden worden met zingevingsthema’s. Deze zingevingsthema’s moeten niet als opstapje worden gebruikt om het alsnog over geloof te hebben, maar zinvol met elkaar verbonden worden.

978-3-7615-6395-3

Concepten en werkvormen
In het tweede deel worden concepten uiteengezet, die recent binnen de godsdienstpedagogiek zijn ontstaan, zoals jongerentheologie, creatieve bijbeldidactiek, biblioloog, Godly Play, performatieve godsdienstdidactiek, e.a.Daarbij worden werkvormen gegeven, waarbij heel concreet wordt uitgewerkt wat er nodig is om voor te bereiden, hoeveel tijd het kost en op welke manier zo’n vorm ingezet kan worden.

Conclusie
De beide boeken zijn een waardevolle bijdrage aan het missionaire debat. Ze bevatten genoeg uitdagingen, inzichten en praktische uitwerkingen  die ook in Nederland ingezet kunnen worden.

N.a.v. Florian Karcher / Gerco Zimmermann (Hg.), Handbuch missionarische Jugendarbeit (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Aussaat, 2016).
Florian Kracher / Petra Freudenberger-Lötz / Gerco Zimmermann (Hg.), Selbst glauben. 50 religionspädagogische Methoden und Konzepte für Gemeinde, Jugendarbeit und Schule
(Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Aussaat, 2017).

Gebrek aan tijd

Gebrek aan tijd

In het “Handbuch missionarische Jugendarbeit” schrijft Karin Wehmeyer over het gebrek aan tijd voor het jongerenwerk. Jongeren steeds minder vrije tijd hebben, omdat er meer voor hen (door school, sportverenigingen enz) georganiseerd wordt. Daarom doen ze minder snel mee met kerkelijk / missionair jeugdwerk. Daarnaast verplaatsen activiteiten zich meer naar het weekend, waarin de jongeren juist sporten, werken, uitgaan en uitrusten. Jeugdwerk wordt kwetsbaar, doordat leiding jonger wordt.

Belangrijke vraag voor kerkelijk / missionair jongerenwerk: blijft er genoeg tijd voor jongeren om mee te doen in het jeugdwerk? Jeugdwerk gebeurt steeds meer op projectmatige basis waarbij het soms lastig is een goede datum te vinden. Jeugdwerk vraagt nu flexibiliteit. Er is behoefte aan nieuwe, flexibele vormen van jeugdwerk die weinig organisatie vergen en toerusting van onervaren leiding. Verder nodig: reflectie op knelpunten, samenwerking zoeken met andere organisaties voor jeugdwerk, duidelijker eigen profiel jeugdwerk.

Zie: Karin Wehmeyer, ‘Missionarische Kinder- und Jugendarbeit im Takt einer beschleunigten Gesellschaft,’ in: Florian Karcher / Gerco Zimmermann (Hg), Handbuch missionarische Jugendarbeit. Serie: Beiträge zur missionarischen Jugendarbeit (Neukirchen-Vluyn, 2016) 204-225

Lid zijn van de kerk van de toekomst

Lid zijn van de kerk van de toekomst
Lezing Emèt Qenee, C.S.F.R. Dispuut Eindhoven
23 mei 2017

Door de studentenvereniging Emèt Qenee uit Eindhoven (onderdeel van de C.S.F.R.) was ik gevraagd om een lezing te geven over de toekomst van de kerk. Ik heb daarbij stil gestaan bij de rol die deze studenten daarin kunnen hebben.

Voor vanavond ben ik gevraagd om te spreken over hoe jullie als christelijke studenten je kunt voorbereiden op de cultuur die komt. Na wat doorvragen begreep ik dat het er vooral om ging om in jullie eigen omgeving waarin je nu verkeert, het evangelie te kunnen delen. Daar wil ik graag met jullie over nadenken. De uitnodiging om hier voor jullie te komen spreken heeft mij wel verrast. Ik ben sinds 2011 predikant in één van de meest kerkelijke regio’s van Nederland.  Uit een plaatselijk onderzoek van de Christenunie bleek  dat 30% van de inwoners van onze burgerlijke gemeente een kerk bezoekt. Mensen die geen lid van de kerk zijn, zijn een minderheid. Daarnaast ben ik ook predikant in een dorp, waarbij weinig jongeren gaan studeren. Dan mag ik met jullie nadenken hoe je christen kunt zijn  in een academische, veelal seculiere context.

Missionaire wending
Daar ben ik niet voor opgeleid: dat nadenken over het evangelie in een cultuur waar geloven niet meer vanzelfsprekend is. De huidige Protestantse Theologische Universiteit is daar gelukkig meer mee bezig dan de theologische faculteit in mijn studententijd. Binnen de kerk heb ik dat ook niet meegekregen.
In Veenendaal, waar ik opgroeide was het gewoon om naar de kerk te gaan en mensen die niet gingen, hadden vaak hun redenen om niet te gaan en zetten zich nogal eens af tegen de kerk.
Ook binnen heel veel kerken in Europa is er een omslag gekomen, waarbij het besef gekomen is, dat een kerk niet zonder het uitdragen van de boodschap kan. De Anglicaanse Kerk nam een rapport in 2004 aan Mission-Shaped Church en stimuleert Fresh expressions of Church, waarbij andere Engelse kerken meegingen. De toonaangevende theoloog Eberhard Jüngel verklaarde voor een synode van de EKD in 1999 dat missie tot het wezen van de kerk behoorde. Daarop volgde een Imulspaper “Kirche der Freiheit” (2006) en werd een Instituut voor Onderzoek naar Evangelisatie en Gemeenteontwikkling dat bewust werd verbonden aan een universiteit die in het onkerkelijke Oost-Duitsland is. Ook de Protestantse Kerk in Nederland heeft  vanaf haar start in 2004 een missionaire kerk willen zijn. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat andere kerken, zoals de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, hier al veel meer mee bezig waren met gemeentestichtingen.

Zoektocht
Binnen kerk en theologie zijn we bezig met een omslag naar een meer missionaire kerk. Dat is wel een zoektocht voor kerken, ambtsdragers en gelovigen. Wat steeds meer gebeurt, is dat ervaring uit de zending en uit de zoektocht naar een meer missionaire kerk  verwerkt wordt binnen de kerken en de theologie, zoals meer oog voor onze cultuur en dat verwerken in het uitdragen van het evangelie, meer aandacht voor discipelschap, dwz: het evangelie tonen door je houding, door je daden in het leven van alledag.
Naar mijn idee kan een missionaire houding ook weer leren van discussies binnen de meer klassieke terreinen van de praktische theologie, zoals homiletiek, liturgiek, pastoraat,  cultuurduiding, enz.

Keuzedwang
Voor ik dat uitwerk, eerst nog even dit: De omslag naar een meer missionaire kerk heeft onder andere te maken dat de kerken kleiner worden en dat dit proces bij lange na nog niet gestopt is. In onze tijd is het niet meer vanzelfsprekend om te geloven en al helemaal niet meer bij een kerk te horen. Wie nu wel blijft geloven, maakt meestal toch ergens een min of meer bewuste keuze. Tegelijkertijd komen we in een tijd, waarin de manieren van vroeger niet altijd meer werken. Het is noodzakelijk om na te denken over de vormen van kerkzijn en geloven,  en ook over de inhoud van dat geloof. Je kunt dus niet zomaar meer terugvallen op wat je van thuis hebt meegekregen. Je hebt in je leven een scala aan mogelijkheden om uit te kiezen: van actief kerklid, tot randlid, tot afzijdig, onverschillig, atheïst of een ander geloof.
In 1981 publiceerde de socioloog Peter L. Berger al Zwang zur Häresie. Daarin gaat het erom, dat omdat er zoveel is om te kiezen, je moet kiezen en je haast niet ontkomt om verkeerd te kiezen. Die enorme mogelijkheden om te kiezen, kom je op heel veel terreinen tegen.

Het leven als project
Omdat jouw leven anders is dan die van je ouders en helemaal die van je grootouders, kun je je in je maatschappelijke carrière en je beroep niet meer spiegelen aan wat zij deden. Je moet je eigen leven uitstippelen, bewust erover nadenken, wat jij met je leven doet met het risico, dat je ook verkeerd kunt kiezen. Dat is zowel een voorrecht als een last als een mogelijkheid.
Het is een voorrecht om verder te studeren. Ik zie dat in Oldebroek: de oude generatie heeft alleen lagere school. Die generatie heeft veel geld opzij gelegd om hun kinderen te laten doorleren. Die middengeneratie heeft de middelbare school afgerond. Hun kinderen konden weer met het geld van ouders doorleren een vervolgopleiding doen. De financiële positie en de levensomstandigheden zijn enorm verbeterd: emancipatie!
Het geeft wel een generatiekloof: de kinderen en kleinkinderen maken door hun verbeterde maatschappelijke en financiële positie andere keuzes dan (groot)ouders zouden doen: met keuze voor werk, werkdruk, vakanties enz.
De last is dat de middengeneratie en de huidige generatie moet nadenken over wat zij willen. Zij mogen gaan doen wat zij willen, want daar is vaak de mogelijkheid voor, maar ze moeten ook hun eigen leven uitstippelen. Het leven wordt zo een eigen project, waar jij zelf verantwoordelijk voor bent. Als jouw levensproject slaagt, dan heb je het goed gedaan, maar als het project van jouw leven misloopt, ben je zelf verantwoordelijk, of misschien wel schuldig.
Zelf zie ik deze generatie zoveel ballen tegelijk in de lucht houden, omdat je het haast niet kunt permitteren om er een te laten vallen, want stel je voor dat juist die bal die je hooghoudt je gelukkig maakt. Dat project van het leven met de verantwoordelijkheid om dat zelf vorm te geven en de mogelijkheid om te mislukken en vast te lopen, doet een enorm appèl op coaching en (geestelijke) begeleiding.
Mocht je wat willen betekenen als gelovige voor je medestudenten,  dan heb je hier een  belangrijk terrein: zorg en aandacht voor hoe iemand zijn eigen leven vorm moet geven of vormgeeft. Het valt mij steeds meer op, hoe belangrijk de levensbiografie van iemand is. Om een theoloog te begrijpen, zoek ik op internet vaak iets de biografie op en in pastorale gesprekken laat ik mensen eerst vertellen wie ze zijn. Dat is op zichzelf al verkondiging – iemand laten vertellen, maar daar kom ik nog op terug.

Persönlichkeitsspezifik Credo
Als je een ander leven hebt dan je ouders of grootouders, Dan kun je ook niet zomaar meer terugvallen op hoe zij het geloof beleefden en verwoordden. Het gaat er nu om, wat jij gelooft en wat jij aan jouw geloof hebt. Dat is niet alleen van belang, omdat jouw leven anders is dan die van de mensen voor jou, maar ook omdat de tijd anders is:  Geloof, kerk, geloofsbelijdenis, Bijbel – het is allemaal niet meer bekend. Je kunt niet meer volstaan met: ‘Mijn kerk zegt…’, ‘De Bijbel zegt…’
Het kan ook zijn, dat je nu in deze fase van je leven niet alles  voor je rekening neemt,  dat je een slag om de arm houdt met betrekking tot bepaalde punten. In het nadenken over het pastoraat wordt er gesproken over een persönlichkeitsspezifik Credo: het geloof, zoals jij op dit moment voor je rekening kunt nemen, wat je zelf onderschrijft. Je gelooft wordt daardoor authentieker, meer van jezelf. Doordat het geloof meer authentieker is, maak je de drempel voor de ander lager: Ook jouw geloof is niet perfect, ook jij als gelovige worstelt met vragenen hebt niet overal een antwoord op. Dat kan voor de ander de ruimte bieden om ook over geloof na te denken: Je hoeft niet alles gelijk te snappen en je mag ook mis zitten. In de kerkgeschiedenis is er niemand geweest die een perfect geloof heeft. Ook de grootste theologen hebben hun worstelingen gehad en de meeste gelovigen hebben hun twijfels en aanvechtingen. Het gaat er alleen hoe je er mee omgaat.
Dat kan het zwakke van dit persönlichkeitsspezifik Credo zijn, wanneer je niet in gesprek blijft met God, met de Bijbel of met anderen. Wanneer je geloof, zoals je dat beleeft, een soort status quo wordt en twijfel gekoesterd wordt als een fase waar je niet uit hoeft te komen. Voor mijzelf als predikant betekent dat dit authentieke Credo ook steeds in gesprek moet zijn met de Bijbel, met het credo van de kerk en met grote theologen uit verleden en heden. Voor mij was het een eyeopener om te ontdekken dat de Bijbel veel meer worstelde dan ik in mijn Schriftuurlijk-bevindelijke opvoeding meekreeg in preken en op catechisatie. Zelf merk ik dat ik steeds meer gereformeerder wordt, dan wel op een authentieke manier.
Om met anderen over het geloof te spreken,  mag je dus je eigen, niet-perfecte, soms fragmentarische geloof hebben. in onze traditie heet dat theologie van het kruis: God kiest de weg van de ondergang en vernedering, niet alleen met Christus, maar ook met Zijn koninkrijk. Als dat geloof maar een zoeken naar God blijft en naar een omgang met God blijft.

Wortelen
Wie in de zending gaat, krijgt eerst een uitgebreide kennismaking  met de cultuur van het gebied en moet daarin gaan wortelen. Wil je in deze tijd het evangelie kunnen uitdragen, dan betekent op z’n minst dat je je best doet om deze cultuur te begrijpen. Nog mooier is als je de cultuur ook echt aanvoelt, iets van jezelf wordt,  als je erin wortelt, als het je habitat wordt, als je van deze cultuur gaat houden. Dat geldt ook voor mij als predikant: ik kan niet goed preken maken als ik de cultuur niet snap, niet peil. Dat geldt ook voor de plaatselijke cultuur.  Ik kan geen goed predikant zijn als ik niet een bepaalde affiniteit heb met de plek waar mijn gemeenteleden wonen, als ik er niet onderdeel van ben.Inburgeren, aarden in een cultuur, is van belang. Voor jullie dat je inburgert in de studentencultuur, in de academische wereld. Je hoeft echt niet helemaal één te worden, in alles mee te doen, als je hen maar begrijpt, in wat hen bezighoudt, of probeert te begrijpen. Als je maar probeert de taal, de manier van leven,
van denken en reageren probeert te begrijpen. Als je er onderdeel van bent, dan zie je ook de schaduwzijden en kun je dat soms aan de orde stellen, maar dat werkt vaak het beste vanuit
verbondenheid en interesse voor de ander en de cultuur voor de ander.
Gebruik je academische houding om je cultuur te doorgronden, om dieper te peilen. Of om verrassende dwarsverbanden te leggen. Een van de verrassende dwarsverbanden, waar ik veel aan heb,  is het onderzoek van Motivaction: het onderzoek naar levensstijlen, dat in Nederland en vooral uit Duitsland benut wordt om na te denken, wat de verschillende levensstijlen betekenen voor het doorgeven van het evangelie.

Incarnationeel
Zending is vaak ook een beweging naar de ander toe. Soms letterlijk, dat je iemand anders opzoekt in zijn huis of op zijn kamer. In de 10 jaar dat ik predikant ben, heb ik gemerkt hoe bijzonder mensen het vinden als je de moeite neemt om hen op te zoeken. Dat heeft ook theologische betekenis. In het missionaire debat wordt de vergelijking gemaakt met de komst van Christus: Hij kwam naar de aarde, Hij zocht ons op, Hij deelde ons bestaan, onze manier van leven. In Christus liet zien dat God ons als mensen opzoekt. In het bezoeken van een ander kun je iets laten zien dat God mensen opzoekt, ook mensen die vanuit zichzelf niet zo snel een kerk binnenstappen, vanuit zichzelf niet zomaar over geloof zouden beginnen of zich open zouden stellen van God. Geregeld heb ik de indruk, als ik met gemeenteleden spreek, dat zij niet alleen met mij maar via mij ook met God in gesprek zijn. Je moet niet onderschatten op welke manier jullie voor iemand die niet gelooft een beelddrager kunt zijn van God, of zoals Paulus dat zegt: een leesbare brief. Iemand die God niet kent, die de Bijbel niet kent, ziet aan jullie wie God is. Jullie zijn voor diegene een zichtbare Bijbel, een belichaming van het evangelie.

Weerspiegelen van Christus

Dat vraagt veel van je houding: In je houding naar anderen toe weerspiegel je iets van Christus. Vandaar dat in de brieven in het Nieuwe Testament veel aandacht is voor onze levenshouding. Die keren dat ik erover preek, valt het me vaak op dat ik daar zelf zo weinig over hoorde. Vaak lag de nadruk op het eerste deel van de brieven,  op de rechtvaardiging van de goddeloze, op het komen tot Christus, niet op het groeien in Christus – uit angst wellicht voor werkheiligheid, dwz dat je eigen prestaties ertoe leiden dat je in de hemel mag komen. In de Bijbel ligt veel nadruk op integer zijn, op bereid zijn om de ander te dienen,
om de ander hoger te achten dan jezelf, om je niet door haat of jaloezie te laten leiden. Vanuit het besef dat je hier op aarde voor Gods aangezicht leeft en dat je bevrijd bent uit de macht van de zonde. Met een bepaalde levensstijl plaats je jezelf dan weer in die macht. Eugene H. Peterson, één van mijn theologische helden, legt veel nadruk op op de groei in geloof: tot de maat van de statuur van Christus, gezond in God en robuust in liefde (Efeze 4:13, 15). HSV: totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen  man, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus.
De Geest is bezig om ons daarin te vormen naar het beeld van Christus. Dat volledige, volkomen, perfecte beeld zullen we pas in de hemel hebben, maar dat wil niet zeggen dat we hier niets iets kunnen uitstralen. Paulus die scherp elke menselijke prestatie om bij God uit te komen afwijst, heeft ook juist veel aandacht voor het wonder van de Geest in ons leven, de Geest die aan ons leven vrucht laat groeien: liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing – niet misschien, maar zal laten groeien.
Ik zeg er altijd bij: die vrucht, die zie je vaak niet, maar een ander ziet die wel. Die vrucht is zelden, wat jij wil uitdragen – want onze beste werken zijn met zonde bevlekt – maar wat je zelf niet doorhebt, wat voor jezelf haast gewoon is, dat straal je uit.

Basishouding
Ik maak nu een stap naar drie grondbeginselen die uit de psychologie van Carl Rogers komen en die in het pastoraat overgenomen zijn: echtheid, aanvaarding, empathie. Deze voorwaarden zijn niet helemaal een uitwerking van de vrucht van de Geest. Ik had ook kunnen kijken naar ethici voor wie karaktervorming belangrijk is (Alisdair McIntyre, Stanley Hauerwas, Samuel Wells), maar daar ben ik niet zo in thuis.

  • Echtheid (authenticiteit) is een voorwaarde voor communicatie met de ander.
    Echtheid is dat je in het hier en nu weet wat er in je omgaat en dat je vandaar uit communiceert.
  • Aanvaarding: je aanvaardt de hele persoon, met zijn positieve en negatieve kanten. Je veroordeelt niet iemand op wie hij is, wat zij zegt of doet, wat iemand bij je oproept. Zonder persé eens te zijn met de ander.
  • Empathie: proberen manier van denken en leven van de ander te begrijpen, alsof je de ander bent.

Deze 3 basishoudingen zijn niet het evangelie, maar wel behulpzaam om in gesprek te zijn met anderen, want ze leren je:
– authentiek te zijn, eerlijk over wat je zelf denkt en gelooft
– open en nieuwsgierig te zijn naar wat een ander beweegt, zonder direct in een kramp te schieten wat de ander aangeeft te moeten veroordelen en zorgen ervoor dat je in de ander meer ziet dan zijn opvattingen of haar levensstijl, maar de mens.die de ander is.

Levensverhaal
De mens die de ander is – in deze tijd is de biografie van grote betekenis. Ik heb dat al eerder iets over gezegd. Wat mij steeds weer opvalt, hoe bijzonder mensen het vinden als je over zichzelf kunnen vertellen, hun levensverhaal kunnen delen, als er iemand is die luistert naar wie ze werkelijk zijn. (Margriet van der Kooi: Tevoorschijn luisteren. Psalm 116:1 Want die getrouwe Heer, hoort mijn stem. Hij neigt Zijn oor.)
Wanneer je voor iemand iets wilt betekenen, heb dan oog en oor voor iemand levensverhaal. Wie een levensverhaal kan vertellen, bij iemand de openheid en belangstelling en ook de zorgvuldigheid vindt waarmee iemand omgaat met wat verteld wordt, opent een deur voor het evangelie. Dat evangelie zit allereerst in de luisterende, niet-veroordelende houding, maar ook in de vragen die gesteld worden en de overige interventies die gepleegd worden.
Dat vraagt soms een fijngevoelig instrumentarium en dat moet je ook ontwikkelen. In mijn tweede gemeente heb ik pas geleerd wat het betekent als iemand aangaf dat hij in Nederlands-Indië is geweest, welke gruwelijke ervaringen iemand heeft meegemaakt welke trauma’s hij heeft opgelopen, welke verliezen en welke teleurstellingen daarna.
Voor het luisteren naar levensverhalen is een zekere historische kennis van groot belang net als het signaleren van woorden, die de betekenis van iets aangeven. Vaak als je daarop doorgaat, gaat er een deur naar iemands hart open. Als je weet wat het overlijden van een ouder of broer of zus kan betekenen, als je weet hoe diep een teleurstelling er in kan hakken. Als je weet dat depressiviteit niet zomaar even iets is, maar een ongrijpbaar gebeuren, dat je in de greep houdt, zonder dat je er aan ontworstelt.

Niveau’s in het gesprek
1) Feiten: naam, geboortedatum, opleiding, achtergrond, levensloop.
2) Ervaring en gevoel

Wanneer iemand iets vertelt, kan het heel waardevol zijn om stil te staan bij wat het met de ander heeft gedaan. Een mogelijke reactie zou kunnen zijn:

– ‘Dat is nogal wat, wat je mij vertelt!’

– ‘Wat naar voor je!’

– ‘Ik zie dat het je nog steeds bezighoudt!’

– ‘Wat een mooi bericht!’

– ‘Het lijkt me nogal ingrijpend wat je mij vertelt. Hoe ben je er zelf onder.’
– Bijzonder dat je dat volhoudt

3) Betekenis en zin

Wanneer iemand iets vertelt, kan het heel waardevol zijn om stil te staan bij wat het voor de ander betekent. De ander kan een verlangen hebben, dat nu niet meer in vervulling kan gaan. Een droom die vervliegt. Of juist een droom die uitkomt, een blijde gebeurtenis.

– ‘Hoe ga je er mee om?’

– ‘Heeft deze gebeurtenis je veranderd?’

– ‘wat betekent dit voor je?’

– ‘Dat is net wat je nodig had, toch?’
– Waar gaat dat heen?

Soms weten mensen niet hoe ze er betekenis aan kunnen geven. De geloof en bijbel kan helpen om er betekenis aan te geven. Soms kan de betekenis ook zinloosheid en vertwijfeling zijn. In de klaagpsalmen worden ingrijpende gebeurtenissen verwoord. Wanneer mensen ontdekken dat dit in de bijbel staat, kan hen dat erkenning geven voor wat hen overkomt.

Op de opleiding kreeg ik een tip, voor als we in gesprek zouden komen met iemand van wie we niet weten, of hij of zij gelooft. We zouden dan kunnen vragen: “Waar haal je je kracht vandaan?”

4) Geloof

Na aandacht voor wat het met de ander doet en wat het voor de ander betekent, kan er ruimte ontstaan om iets over God te vertellen of naar Hem te vragen. Bij zulke vragen is het wel verstandig om God zelf te kennen en te leven uit de Bijbel.

– ‘Zou het je helpen als je wist dat er een God was?’

– ‘Hoe denk je dat God zou reageren op wat je meemaakt?’

– ‘Wat je nu vertelt, doet me denken aan iets uit de Bijbel. Mag ik je dat vertellen?’

(5) Christus)
Misschien moet er aan niveau worden toegevoegd: in Christus, als een ruimte waarin je komt,
nadat je gaat geloven of het geloof eigen maakt, geroepen uit de duisternis tot Zijn licht.

Verboden en verborgen
Die niveau’s helpen mij om twee redenen:  Allereerst laten ze zien dat het spreken over het geloof niet zomaar gaat. Dat er heel wat nodig is aan vertrouwen, aan onderweg zijn in een  gesprek. De praktisch-theoloog Manfred Josuttis spreekt over het heilige en dat is een verboden en verborgen zone. In onze tijd, die vaak seculier is, mag je daar niet zomaar komen (verboden) en veel mensen weten niet meer de weg naar dat heilige (verborgen). Wat je als gelovige kunt betekenen, is dat je een gids bent, die iemand meeneemt op dat verboden en verborgen terrein, omdat je zelf weet welke fijngevoeligheid er nodig is om geloof, het leven met God, het leven in Christus aan de orde te stellen. Daarnaast helpen deze fasen mij juist als een weg om het geloof wel aan de orde te stellen. Het volgen van die niveau’s brengt diepgang in het gesprek, een openheid voor de ander, Voor wat de ander denkt en beleeft, welke betekenis hij of zij aan zijn of haar leven geeft. Om een voorbeeld te geven: Je komt in contact met een medestudent: je vertelt aan elkaar hoe je heet, welke richting je volgt, misschien waar je woont en waar je vandaan komt. In het tweede niveau geef je daar een waardering aan in positieve of nieuwsgierige zin, als een erkenning, waarmee je laat zien dat je je in een ander wilt verdiepen. Dat kan een uitwisseling zijn van hoe je de studie beleeft.
Vaak blijven de gesprekken op deze manier steken en als het klikt ga je misschien op een andere keer verder.
Niveau 3 gaat over de betekenis voor iemand, de zingeving. Misschien betekent zo’n studie heel wat,  ligt er een soort persoonlijke roeping aan ten grondslag, of is het een soort emancipatie. Misschien juist vanuit het gevoel dat iemand niet weet wat hij of zij met het leven aan moet. De studie kan verrijkend zijn, waardoor je als persoon groeit, je kunt tijdens de studie vastlopen, afstompen, een gevoel: is dit nu. Zorgvuldig luisteren op de eerste 3 niveau’s, naar de woorden met een diepere betekenis – ‘symbolen’ die meer verraden – geven een openheid voor de persoon. wanneer er genoeg openheid en vertrouwdheid is, kan het ook mogelijk worden om het geloof te delen, op een voorzichtige manier,  meer tastenderwijs, vragenderwijs of het voor de ander iets kan betekenen.

Empathieve spiritualiteitskritiek
Misschien hoor je wel allerlei dingen, waar je zelf niet gelukkig van wordt, die je zelf liever anders zou zien, een soort vage spiritualiteit, of een mix aan allerlei vormen, een andere godsdienst. Van de godsdienstsocioloog Paul Zulehner heb ik het woord empathieve spiritualiteitskritiek geleerd: Je hebt kritiek op de spiritualiteit van de ander, maar je doet wel je best om het denkkader en manier van leven te begrijpen en vanuit dat begrip reageer je, niet om de ander onderuit te halen, maar juist om de ander verder te helpen. Het is kritisch op een respectvolle manier, ten dienste van de ander.

Levende relatie
Kun je zomaar wat inbrengen, kun je het met de ander zomaar over God en geloof hebben? Wie psychologie studeert, leert misschien wel dat het inbrengen van iets nieuws wat buiten het denkkader of manier van leven van de ander zorgvuldig moet gebeuren. Je moet zelf weten wat je doet. Tegelijkertijd leert iemand als persoon vooral door nieuwe inzichten, door in contact te komen met een vreemde wereld. Inbrengen in een gesprek werkt vooral vanuit een authentieke houding en vanuit respect én zorgzaamheid voor de ander. Hier weer dat persönlichkeitsspezifik Credo, je reageert authentiek vanuit je eigen omgang met God. Vanuit wat voor jezelf belangrijk is, vanuit waar je zelf nog niet uit bent of begrijpt. Om het geloof uit te kunnen dragen, is het nodig  om zelf een levende relatie met Christus te hebben. Om het geloof niet te zien als een systeem van waarheden dat verdedigd moet worden, Maar als een samenzijn met God dat je de ander ook zou gunnen.
Dat is van belang om te onthouden, dat het geloof niet een systeem is,  een levensbeschouwing alleen, een set van waarheden en regels waaraan je je houdt. Geloven is een manier van leven, met rituelen, zoals bidden en Bijbellezen, kerkgang, zegen ontvangen, het goede over anderen doorgeven, verduren en ondergaan. Die manier van leven raakt steeds meer naar de achtergrond, omdat er weinig aanraking meer is met vormen van christelijk geloof. Tegelijkertijd zijn er nog steeds zulke aanknopingspunten: Iemand die op tv the Passion ziet, een concert bezoekt met muziek van Bach of Händel, de trouwdienst van een studiegenoot of een collega bezoekt. Een uitdaging en een taak om ook hier te laten zien,
dat het christelijk geloof misschien wel een kwetsbaar, niet voor de hand liggend geloof is,
maar nog steeds levend, een manier om God te ontmoeten,  om met Hem in aanraking te komen, om van Hem te horen en met Hem te leven. Als het gaat om het beleven van het christelijk geloof, het levend houden door viering, kunnen we juist veel leren van andere christelijke tradities.
In onze protestantse traditie hebben we heel wat vormen weggedaan, waardoor God op een afstand is komen te staan,  geloven veel meer een intellectueel gebeuren is geworden, minder een manier om de werkelijkheid van God ‘binnen te gaan’. Het is een uitdaging om vormen te vinden, die in deze tijd helpen om God te beleven en te vinden. Tish Harrison Warren – Liturgy of the Ordinary heeft een boek geschreven, waarbij ze alledaagse rituelen verbondt aan rituelen uit de christelijke traditie: bed opmaken, kruisje bij het opstaan, tanden poetsen als gebed. Die vormen helpen ook om voor anderen te bidden, bij God te brengen. Die vormen helpen ook met wachten op Gods tijd. (Markus 4:26)
(Warren werd later studentenpastor en gaf als advies dat je als student goed moet slapen en je nachtrust moet nemen. Ze zegt erbij: het is altijd het beste geestelijke advies dat ik kan geven.

Samaria
Eugene H. Peterson schreef in Tell It Slant over de reis van Jezus naar Jeruzalem (Lukas 9-19). Deze weg gaat door Samaria. Samaria is het gebied, waarin mensen vijandig of onverschillig zijn ten opzichte van God. Op de weg door Samaria doet Jezus iets bijzonders. Hij voert gesprekken. Hij vertelt verhalen over het gewone alledaagse leven, gelijkenissen die – zonder dat ze over God gaan – aan het nadenken zetten over God. Geen verkondiging of onderwijs, maar alledaagse gesprekken, alledaagse verhalen. Dat is wat we in Samaria kunnen doen. Niet prediken of betweterigheid, maar ruimhartige gesprekken met aandacht voor de vragen die mensen hebben. Ons laten bevragen op ons geloof. Verhalen vertellen die tot nadenken stemmen over God. Niet speciaal geestelijke verhalen, maar gewone alledaagse verhalen die toch iets onthullen over Gods liefde, Gods geduld en barmhartigheid, een uitnodiging zijn om ook kennis te maken met de Heere.












De liturgie van het gewone, alledaagse bestaan

De liturgie van het gewone, alledaagse bestaan
download
De voorkant van het boek was al genoeg: twee belegde boterhammen. En dan het onderwerp: vormen en manieren vinden om in het alledaagse bestaan bezig te zijn met God. Een mooi boekje van Tish Harrison Warren (Anglicaans priester en als moeder van een gezin maar te zeer bekend met het alledaagse bestaan): Liturgy of the ordinary. Sacred places in everyday life. Met dit boekje ben ik bezig vanwege een recensie voor het Friesch Dagblad.

Het dagelijkse leven kent ook een liturgie (net als een kerkdienst). Dat ontdekte Tish Harrison Warren toen ze in de Veertigdagentijd de dag begon met bed opmaken. Voorheen begon ze met haar mobiel eerst Facebook en Twitter te checken. Al scrollend ontbeet ze, waarbij ze chagrijnig op de vragen van haar kinderen reageerde. Over dat bed opmaken had ze wel eens iets gevraagd op Facebook en had toen veel reactie gekregen. Beginnen met opmaken is de dag beginnen met orde in de chaos scheppen. Toen ze zich meer ging verdiepen in die alledaagse liturgie ontdekte ze dat Lutheranen de dag beginnen met een kruisje slaan als teken dat ze de dag beginnen als gedoopte.

Nog twee citaten:
‘Tijdens zijn promotieonderzoek leerde mijn man Jonathan een voormalig Jezuïet kennen die nu een getrouwde hoogleraar is, een man die heiligheid uitstraalde, een provocateur en geliefd bij zijn studenten. Op een keer kwam een student naar hem toe met een klacht over Augustinus’ Confessiones die hij had moeten lezen: ‘Het is zo saai.’ ‘Je bent zelf saai,’ antwoordde deze professor.
Wat Jonathans professor bedoelde was dat als wij de rijkdom van het evangelie en van de kerk saai vinden, wijzelf in feite uitgehold zijn. We hebben ons vermogen verloren om ons te verwonderen over wat echt de moeite waard is. We moeten (opnieuw) gevormd worden als mensen die in staat zijn het goede, het ware en het schone te waarderen.’

‘Onze verslaving aan stimulansen, input en entertainment maken ons leeg. Ze zorgen ervoor dat wij niet meer in staat zijn om het bijzondere van het gewone, alledaagse leven in Christus te omarmen.
Zoals Kathleen Norris schrijft: ‘Net als de liturgie ontleent het schoonmaken betekenis aan de herhaling, van het gegeven dat het nooit af is, maar alleen even aan de kant gezet wordt tot de volgende dag. Zowel de liturgie als wat we eufemistisch “huishoudelijk werk” noemen hebben een intense relatie met zijn in het nu, een vorm van geloof in het heden waardoor de hoop gevoed wordt en het leven mogelijk wordt van dag tot dag.’
Dagelijks leven, de vaat, de kinderen die elke dag dezelfde vragen stellen en de zelfde verhalen steeds weer willen horen, en weer opnieuw, de windstilte van de avond – deze onderdelen zijn gevuld met herhaling. En veel van het christelijke leven houdt in dat we steeds hetzelfde werk doen en dezelfde gewoonten in de eredienst. We moeten ons steeds weer opnieuw met dezelfde geestelijke worstelingen bezighouden. Opnieuw en weer opnieuw hebben we berouw en geloven we.
Aan de muur van een nieuwe christelijke monastieke communiteit zag ik een uitspraak: ‘Iedereen wil revolutie. Niemand wil de vaat doen.’ Ik was een christen die verlangde naar revolutie en blijf zo’n christen: alles nieuw en heel maken en dat groots en meeslepend. Wat is langzaam aan het ontdekken ben is dat er geen revolutie plaatsvindt als de vaat niet gedaan wordt. De vorm van het spirituele leven en disciplines waardoor het christelijke leven onderhouden wordt zijn niet luidruchtig, hebben een herhalend karakter en zijn heel gewoon en heel alledaags. Ik zou het saaie graag willen overslaan en dat alledaagse willen inruilen voor een spannend christelijk leven waarbij ik de grenzen opzoek. Maar het dagelijkse van het christelijk geloof – het bed opmaken, de vaat doen, bidden voor mijn vijanden, het lezen in de Bijbel, het stille, het kleine – zo schiet Gods verandering wortel en groeit deze verandering in mij.’

Vaker avondmaal vieren? Of juist minder vaak?

Vaker avondmaal vieren?  Of juist minder vaak?

Gisteren was ik bij de presentatie van “Ontvouwen. Protestantse prediking in de praktijk” (Bert de Leede / Ciska Stark). Tijdens deze bijeenkomst werd er (weer) een pleidooi voor vaker avondmaal vieren. Dat pleidooi kom ik geregeld onder collega’s tegen. Zou dat een verlangen zijn naar meer impact van het geloof op het dagelijks leven? Naar meer de aanwezigheid van Christus ervaren in het dagelijkse bestaan? Duidt dat op een gemis aan vormen om in het dagelijkse bestaan in de werkelijkheid van Christus te komen?


Niet iedereen ging er trouwens in mee, in het pleidooi van theologen van meer avondmaal. Vooral als dat ten koste van de preek gaat. Waar komt de waardering van de preek vandaan? Is dat omdat er woorden worden gegeven worden voor wat er innerlijk gebeurt? Is het de stem van Christus die vernomen wordt door mensenwoorden heen? Maakt het meer vieren tot een mysterieus gebeuren waarbij toch de behoefte is om te weten wat er gebeurt?

Zelf zou ik eerder pleiten voor minder avondmaal dan meer: 2 keer per jaar. Avondmaal vieren vragen vraagt best wel wat van de gemeenteleden: de week van voorbereiding is vaak een heel intensieve week. Onder andere vanwege het ‘oordeel eten en drinken.’ Daarnaast blijft toch een behoorlijk aandeel van de kerkgangers weg. Ook weer vanwege dat ‘oordeel eten en drinken’. Of vanwege de heiligheid. Of vanwege de gedachte: ‘Het is niet voor mij. Ik ben nog niet goed genoeg.’ Vaker vieren zou dat eerder versterken dan wegnemen.

Er is een herwaardering van rituelen binnen de protestantse kerken. Terecht, want geloof bestaat uit meer dan woorden en God is vaak te groot om onder woorden te brengen. Tegelijkertijd is er ook een aarzeling: het ontbreken van woorden kan het vaker maken en onduidelijk. Een van de voordelen van de preek boven het avondmaal is dat er meer duidelijkheid geschapen wordt. Avondmaal is weliswaar zichtbaarder, maar het is niet bij voorbaat duidelijk wat er inhoudelijk allemaal in het ritueel van het avondmaal gebeurt. Rooms-katholieken en Lutheranen die de aanwezigheid van Christus sterker aan de elementen brood en wijn koppelen zijn in die zin in het voordeel.

De gereformeerde traditie is Calvijn kwijtgeraakt, klonk er gisteren ook. Calvijn is juist met de viering van het avondmaal rooms-katholieker dan zijn gereformeerde volgelingen. In ons lans is het meer de invloed van Zwingli die voor een bepaalde viering en beleving van avondmaal heeft gezorgd. Dat zal best zijn, die invloed van Zwingli. Maar er zal toch een reden voor geweest zijn, waarom Zwingli met deze visie op het avondmaal is gekomen. En er zal toch een reden zijn waarom Zwingli in de Nederlanden zo aansloeg. Een pleidooi voor meer vieren of een andere beleving kan niet om de vraag heen, welke snaar Zwingli toen raakte.

Naschrift:
Pleidooi voor minder avondmaal vieren is meer bedoeld voor de context van gesprekken tussen theologen onderling. Zo’n voorstel zou ik nooit in een gemeente inbrengen. Wel vind ik dat avondmaal vieren erg intensief is. Dat vind ik als voorganger al helemaal, maar dat had ik toen ik nog alleen gemeentelid was ook. Alleen daarom ben ik wat huiverig voor meer vieren.

Het heeft wel een achtergrond. Ik ben veel met praktische theologie bezig geweest en dan  kijk je ook naar hoe een gemeente er mee bezig is. Het is niet alleen de voorbereiding maar ook de heiligheid die een rol speelt. Ik denk dat de heiligheid ook wel afschrikt. 

Wanneer er dan weer een pleidooi gevoerd wordt voor meer avondmaal vieren, dan heb ik een dubbele gedachte: mooi, maar ga het dan ook doen en tegelijkertijd vraag ik me af of gemeenten daar wel op zitten te wachten. Ik denk dat daar te gemakkelijk over heen gestapt wordt. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met gemeenteleden die niet komen? Hoe voorkom je dat de eerbied en de heiligheid langzaamaan naar de vergetelheid gaat? Hoe
voorkom je dat het onderlinge aspect meer aandacht krijgt dan de presentie van Christus?

Tegenwoordig benadruk ik sterk de werkelijke aanwezigheid van Christus. Dat doe ik in de dienst en dat toe ik op momenten waarop ik het avondmaal uitleg. Maar er moet wel veel uitgelegd worden. En dat wordt niet minder bij meer vieren.

Bij het schrijven bedacht ik opeens dat het werkelijke punt misschien wel niet het vaker  vieren is, maar het gebrek aan een leven in de werkelijke presentie van Christus, ook in het dagelijks leven.  Ik ben daar ook veel mee bezig, ook in catechetisch opzicht, maar ook voor mijzelf. Het valt me steeds meer op, hoezeer het besef van leven in tegenwoordigheid van God weg is. En het is voor mijzelf ook moeilijk om in het concrete bestaan vorm te geven. Ook daarom zou ik voorzichtig zijn met meer avondmaal vieren. Verbloemt dat niet de huidige secularisering van het alledaagse bestaan? Ik zou eerder beginnen bij meer besef van heiligheid en eerbied en leven voor God willen stimuleren en dan pas het over meer avondmaal willen hebben.

Wat ik bedoelde met Zwingli is niet dat ik daarnaar terug wil, maar wel dat het goed is om helder te hebben waarom Zwingli zo aansloeg en waarom Calvijn op dit punt minder gevolgd werd dan Zwingli. Wanneer dat niet helder is, ligt het ook niet om het besef van sacramentaliteit terug te krijgen.