Kerk, leer van het voetbal!

Kerk, leer van het voetbal!

Afgelopen zaterdag was mijn zoon pupil van de week bij Owios (OverWinnen Is Ons Streven). Hij mocht de wedstrijd van het eerste bijwonen en kreeg daarbij een speciale behandeling. Ik ging met hem mee. Net als mijn oudste dochter, die keepster is bij Owios. De wedstrijd was de finale van de nacompetitie. Bij winst zou Owios in de tweede klasse blijven; bij verlies was degradatie een feit. De wedstrijd had alles wat voetbal zo mooi maakt.  Al werd er gezegd dat ze deze keer niet zo goed voetbalden, de strijdlust was er. Een doelpunt in de eerste helft en Owios was de bovenliggende partij. Maar een rode kaart voor een verdediger liet de wedstrijd kantelen. Twee opgelegde kansen werden door de spits van Owios gemist en in de laatste minuut werd de gelijkmaker gescoord. In de tweede verlenging, vlak voordat de beslissing door penalty’s genomen zou worden, werd het beslissende doelpunt gescoord. De winst werd gevierd alsof er gepromoveerd werd.
Tijdens de wedstrijd genoot ik dacht ook aan wat er voor mij als predikant te leren valt. (Daar denk ik ook vaak over na als ik op zaterdagmorgen langs de lijn sta om te kijken naar het spel van mijn dochter of zoon.) Het eerste wat mij opviel, was dat je bij binnenkomst direct kon merken dat er iets op het spel stond. De volgende morgen mocht in in mijn oude gemeente voorgaan in een avondmaalsdienst. Ik vertelde over de wedstrijd van gisteren en vroeg hen of zij gemerkt hadden bij binnenkomst dat er iets op het spel staat. Zijn ze bereid om net als een elftal dat strijdt voor blijven in de tweede klasse de strijd van het geloof aan te gaan. Toen het voetbal ruim een eeuw geleden opkwam waren de kerken enthousiast over deze sport. Ze zagen er een parallel in met de strijd van het geloof. Zoals een team strijdt voor de overwinning, zo hoort de gelovige vol passie de strijd van het geloof aan te gaan. Op die zaterdagmiddag zag ik verschillende gemeenteleden op de tribune, waarvan ik wist dat zij de volgende morgen in de kerk zouden zitten. Ik zag hun passie voor hun club en een betrokkenheid op het spel. Ze leefden mee alsof zij zelf op het veld stonden. Ik zag een jongere uit onze gemeente op de tribune. Hij had zich eens aangemeld voor belijdeniscatechisatie, omdat hij op een festival iemand gepassioneerd hoorde spreken over Jezus. Dat raakte iets bij hem en dat wilde hij ook. Aan het einde van het seizoen deed hij geen belijdenis, omdat hij die passie was kwijtgeraakt. Van hem leerde ik hoe belangrijk enthousiasme (als beleving) is en dat het mijn taak als predikant is om de gemeente enthousiast te maken en te houden voor Jezus.
Tijdens de wedstrijd hoorde ik de namen van de spelers: ‘Bennie! Bennie!’ Er werd erbij geroepen dat hij beter kon dan hij liet zien. De spelers zijn jongens van het dorp. Ze zijn bekend. Liever een klasse lager spelen dan een team met allemaal vreemden. Ook dat is een les, een les die ik kerkenraden geregeld voorhoudt: benader niet alleen de mensen die nieuw in de gemeente gekomen zijn voor ambtsdrager, maar zoek ook bewust gemeenteleden die hier hun wortels hebben, die de mensen hier kennen en de gewoonten snappen. Zij zijn soms beter in staat om met de mensen hier over het geloof te praten, omdat er een band is, waardoor de kerk niet een vreemd gezicht wordt, maar één van hen is.
Elke maandag en woensdag worden mijn dochter en zoon getraind en elke keer leren ze meer over voetbal: positiespel, overspelen, waar ze moeten staan, hoe ze anderen in het veld aansturen, hoe ze door blijven gaan al is de tegenstander nog zo sterk. Die training krijgen ze niet alleen van volwassenen, maar ook van jeugdspelers. Ik dacht bij mijzelf: misschien moet ik de catechisatie ook gaan benaderen als een training en moet ik mijn catechisanten niet vertellen over wat van hen verwacht wordt, maar moet ik ze ‘opleiden’, zodat zij hun positie in de kerk en in de maatschappij als ‘spelers’ van Christus kunnen innemen.

Verschenen in het Nederlands Dagblad

Advertenties

Voetbal houdt de kerk en de maatschappij een spiegel voor

Voetbal houdt de kerk en de maatschappij een spiegel voor

Vele mensen zitten deze weken voor de buis om het WK voetbal in Rusland te volgen. Voetbal kan de kerk helpen om te ontdekken waar hedendaagse mensen door gegrepen worden en waar ze helemaal voor kunnen gaan, zo is te lezen in Leidenschaft und Fussball.

Recensie

DSCN4298

In de jaren dat Nederland meedeed met een WK of EK Voetbal zocht ik ruim van tevoren het speelschema op om de wedstrijden die Nederland moest spelen in mijn agenda te vullen. Daarmee kon ik voorkomen dat er een kerkelijke activiteit of een vergadering gepland zou zijn op een dag waarop Oranje zou moeten spelen. Niet eens omdat ik zelf alle wedstrijden wil kijken, maar om gemeenteleden niet voor een dilemma te plaatsen waar ze prioriteit aan zouden (moeten) geven.

Voetbal heeft zo’n impact dat mensen er kerkdiensten of andere belangrijke bijeenkomsten voor laten schieten om de wedstrijd te kunnen volgen. Waarom heeft voetbal eigenlijk zo’n impact? En wat kan de kerk daarvan leren? Op deze vragen promoveerde de Duitse rooms-katholieke theoloog dr. Thorsten Kapperer. Kapperer is kerkelijk werker (Pastoralreferent) voor het bisdom Würzburg en jeugdtrainer.

Onlangs vertelde ik iemand uit mijn gemeente in Oldebroek dat ik een boek aan het lezen was over wat de kerk van voetbal zou kunnen leren. ‘Niets!’, zei hij direct, met een grijns op zijn gezicht. Hij had mij immers aangesproken over de club die ik volgde. Ik was bij iemand op bezoek geweest die enthousiast fan van Vitesse was. Daarom had ik aangegeven welke club ik volgde. Dat was in de ogen van degene die ik sprak niet de juiste club geweest… Ik had de club van de regio moeten volgen: PEC Zwolle.

DSCN4431

Orgelles
Ik ben zelf opgevoed met een duidelijke tegenstelling tussen kerk en betaald voetbal. Wedstrijden kon ik niet kijken, omdat we geen televisie hadden en de dominees waarschuwden ’s zondags op de kansel tegen ‘voetbal als afgod’. Amateurvoetbal mocht wel: mijn vader had gevoetbald en een paar broers van mij voetbalden. Ik ben mijn oudste broer altijd dankbaar geweest: omdat hij voor voetbal koos en daarom van orgelles af moest, kreeg ik de kans om op orgelles te gaan.

Thorsten Kapperer laat zien dat de kerken vanaf de negentiende eeuw enthousiaste supporters van voetbal waren. Zowel de Rooms-Katholieke Kerk als de protestantse kerken in Europa zagen in voetbal een manier om arbeiders en kinderen uit achterstandswijken  verantwoorde ontspanning te bieden. Het was volgens de kerk ook ‘een manier om hun emoties te kanaliseren’. De sport bood bovendien een mogelijkheid om de arbeiders, die in te kleine en verloederde huizen woonden, en vaak ongezond werk, een gezonde levensstijl aan te leren. Vandaar ook dat in het Ruhrgebied, waar vroeger veel mijnbouw was, er clubs ontstonden als bijvoorbeeld FC Schalke 04 en VFL Bochum.

Nog steeds organiseert het Vaticaan verschillende voetbaltoernooien, zoals toernooien voor priesters of voor daklozen. Voetbal werd in Engeland halverwege de negentiende eeuw opnieuw uitgevonden. Dat was in de tijd waarin er een massale migratie van het platteland naar de stad was. De voetbalclubs, die overal uit de grond schoten, boden een gelegenheid om zich te identificeren met de plaats waar ze nieuw waren komen te wonen. Het gaf een onderlinge verbondenheid aan degenen die door de verhuizing naar de stad ontworteld waren geraakt.
Kapperer is vooral geïnteresseerd in de impact van voetbal op mensen. Er zijn veel verhalen te vertellen van fans, die nog heel goed weten hoe zij de eerste keer een voetbalstadion bezochten en gegrepen waren door de sfeer. Voetbal werd hun leven.

Als voetbal zo’n impact heeft op mensen, is het dan geen godsdienst? Nee, zegt Kapperer duidelijk. Voetbal verleent fans een identiteit en een levensinvulling, maar er ontbreekt duidelijk een link naar het hogere, naar God. Er wordt wel vaak religieuze taal gebezigd wanneer op de wedstrijd teruggekeken wordt, maar dat gebeurt vaak op een ironische wijze. Hooguit kun je spreken van sporen van het heilige: in een cultuur, waarin velen geen binding hebben met een religie, kun je in voetbal iets opmerken van de functies die godsdienst voor mensen kan hebben: in de levensinvulling, in de beleving, in de rituelen rondom de wedstrijd. De beleving van voetbal komt in de buurt van een spirituele ervaring.
In een cultuur waarin velen de band met godsdienst zijn kwijtgeraakt, is het van belang dat kerken op zoek gaan waar zij zich bevinden. Voetbal kan de kerk helpen om te ontdekken waar hedendaagse mensen door gegrepen worden en waar ze helemaal voor kunnen gaan. Voetbal houdt de kerk en de maatschappij een spiegel voor en heeft zelfs een theologische betekenis, stelde emerituspaus Benedictus eens. Het ensceneert dé ambivalentie die er in onze cultuur ingebakken zit: dat alles maakbaar is en tegelijkertijd de ervaring dat zoveel onberekenbaar is.

Door betrokken te raken bij voetbal, kan de kerk actief worden in de wereld buiten de kerk. Het is een stap om theologisch narcisme tegen te gaan, waarbij de kerk alleen maar in zichzelf gekeerd is. Kapperer geeft verschillende voorbeelden: Predikanten en priesters die betrokken zijn bij een fanclub. Het bisdom Würzburg dat een eigen elftal heeft. De kapel in  het stadion van FC Schalke in Gelsenkirchen. Een mooi voorbeeld is ook een kerkendag die wordt gehouden in het stadion van Borussia Mönchengladbach. Deze club ging bijna ten onder, maar werd gered door een plaatselijke mecenas. De wederopstanding leidde tot de bouw van een nieuw stadion.

De overstap naar dat nieuwe, moderne stadion, dat nog niet de sfeer had van het oude op de Bökelberg, leverde vragen op over de toekomst van de kerk. Wat laat je achter, omdat het niet meer voldoet, terwijl je met het loslaten mogelijk wel aan sfeer verliest? Wat is er nodig om  in de nieuwe situatie net zo’n thuisgevoel te creëren als in de oude situatie? Zulke vragen zouden niet gesteld worden als de kerkendag niet in een voetbalstadion gehouden was.
De kerk kan van voetbal leren om een kerk voor werkelijk iedereen te zijn, stelt Kapperer. Meer dan de kerk weet het voetbal verschillende lagen van de bevolking aan te spreken. Voetbal kan ook een voorbeeld zijn in hoe jongeren binnen de eigen club worden getraind en gecoacht. Voor hun taak op het veld. Voor hun rol binnen de vereniging, als trainer van pupillen of als scheidsrechter.

Als ik als vader langs de lijn sta om de wedstrijd te volgen, waarin mijn oudste dochter keept of mijn zoon voetbalt, staat mijn eigen theologische reflectie niet stil. Geregeld denk ik dan na over wat er nodig is om een team te coachen, om bij een achterstand ze aan te sturen, om bij tegenslag ze te troosten of moed in te spreken. Om ze de normen en waarden van het voetbal aan te leren. De beste les van voetbal kreeg ik ooit van een gemeentelid. Haar kinderen waren afgehaakt van catechisatie. Ze sprak mij daarop aan en hield de plaatselijke voetbalvereniging mij als voorbeeld voor: ‘Nadat mijn jongens stopten met voetbal was er de volgende morgen direct iemand van de club die vroeg waarom ze stopten. Van de kerk heb ik nooit iemand gezien en ze zijn er nooit op aangesproken dat ze gestopt zijn.’

N.a.v. Thorsten Kapperer, Leidenschaft und Fussball. Ein pastoral-theologisches Lernfeld. Würzburg: Echter Verlag. 42 euro

Gepubliceerd in het Friesch Dagblad

Tijdens huisbezoek de geloofsopvoeding aan de orde stellen

Tijdens huisbezoek de geloofsopvoeding aan de orde stellen

Wim Hogenbrink is net bevestigd als ouderling als de kerkenraad het besluit neemt om dit seizoen aandacht te besteden aan geloofsopvoeding binnen de gezinnen. Bij het besluit hoort ook dat de ouderlingen op huisbezoek dit thema aan de orde stellen. Tijdens het gesprek op de kerkenraad ging het door Wim heen: ‘Maar hoe dan?’ Omdat hij nog maar net bevestigd is, durfde hij dat niet goed aan de orde te stellen. Eerst er maar eens voor zichzelf over nadenken. Onderweg naar huis piekert hij verder: Hoe gaat de geloofsopvoeding in zijn eigen gezin eigenlijk? Hoe vertelt hij aan zijn eigen kinderen over Christus? En wat pikken ze van hem op? Hij begint zich ineens zorgen te maken over hoe hij het zelf als vader de geloofsopvoeding van zijn kinderen doet. En dan moet hij aan andere ouders gaan vertellen hoe het moet?

Geloofsopvoeding is een breed begrip. Het helpt Wim als geloofsopvoeding concreet gemaakt wordt om op huisbezoek erover te beginnen. Bij geloofsopvoeding kunnen we denken aan:

  • Lezen in de Bijbel of de kinderbijbel, bijvoorbeeld bij de afsluiting van de maaltijd.
  • Ouders die bidden voor hun kinderen, met hun kinderen of hun kinderen leren bidden.
  • Met elkaar doorpraten over wat er zojuist in de Bijbel gelezen is of op zondag over de kerkdienst en de preek.
  • Ouders die iets vertellen over hun eigen leven met Christus om zo hun kinderen te laten zien hoe zij zelf Christus kunnen leren kennen en om te laten zien hoe hun geloof kan groeien.
  • Vaste gebruiken: het bidden voor en na het eten, voor het slapen gaan, bij het opstaan, Bijbel lezen, gebed voor het slapen gaan, het lezen in een dagboekje.
  • Het in het gezin vieren van bijzondere dagen, zoals Kerst, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren, verjaardagen en de doopdagen van de gezinsleden.


Wanneer Wim op huisbezoek gaat, is het van belang dat hij beseft dat alle gezinnen waar hij komt in ieder geval een of meerdere vaste gebruiken heeft. Ook als hij komt bij gezinnen die minder actief bij de kerk betrokken zijn. Uit een Zwitsers onderzoek bleek dat 75% van de ouders, ook van niet-kerkelijk betrokken ouders, een avondritueel hadden waarbij een gebedje een vast onderdeel was.


Het kan zijn dat Wim hen wel moet helpen ontdekken dat ook dat een vorm van geloofsopvoeding is die ze aan hun kinderen meegeven. Ik kwam een keer bij een gezin. De vader zei bij toen ik was gaan zitten: ‘Wij zijn niet zo gelovig.’ Ik ging er niet gelijk op in, maar onthield die uitspraak wel om er later op terug te komen. Nadat ik wat verder in het gesprek was gekomen, zei ik: ‘U zegt dat u niet zo gelovig bent. Maar hoe onderhoud u dan uw geloof?’ ‘O, maar wij lezen wel uit de Bijbel en bidden ook.’ ‘Maar u zei: “Wij zijn niet zo gelovig.” Hoe zit het dan?’ ‘Wij gaan niet naar de kerk.’ ‘En op zondag?’ ‘Dan luisteren we naar een kerkdienst op de radio.’ ‘Dan komt het helemaal niet, dat u zegt: “Wij zijn niet zo gelovig.” U doet alles wat een gelovige doet. U gaat alleen niet naar de kerk. Niet dat kerkgang onbelangrijk is, maar als u de rest wel doet dan bent u best veel bezig met het geloof.’


De vragen die ik in dit gesprek stelde, waren nieuwsgierig, vanuit betrokkenheid bedoeld. Wanneer Wim op bezoek gaat, is het belangrijk dat hij ook een betrokken nieuwsgierigheid laat zien. Hij moet het gezin dat hij bezoekt niet gaan beoordelen of ze het wel goed doen en of ze wel genoeg tijd besteden. Het is zinvoller om hen te stimuleren in wat ze reeds doen en (voorzichtig) uit te dagen om ook iets anders op te pakken.


Om geloofsopvoeding in het huisbezoek aan de orde te stellen is de sfeer van het gesprek belangrijk. Dat is des te belangrijker omdat Wim namens de kerk komt en zijn insteek in het gesprek ook bepalend kan zijn voor het oordeel van het gezin over de kerk. Als Wim respectvol en betrokken is, op een positieve manier doorvraagt, kan er de benodigde openheid voor het geloofsgesprek komen. Het kan best zijn dat de ervaring van de vorige huisbezoeken in het gezin een rol spelen. Was het vorige huisbezoek goed, dan kan Wim daarvan profiteren in zijn bezoek. Was het een voor het gezin beroerd bezoek, dan moet Wim alle zeilen bijzetten om openheid te krijgen. Dan helpt oprechte belangstelling en respect om het vertrouwen te winnen.

Als Wim welkom is, mag hij erop vertrouwen dat het gezin waar hij op bezoek is er rekening mee houdt dat hij naar hun omgang met God vraagt. Zelfs bij leden die minder betrokken zijn. Als dat op een open, respectvolle manier gebeurt, vinden kerkleden het nogal eens fijn dat de ouderling erover begint. Vaak vinden ze het moeilijk om er zelf over te beginnen en wachten af tot de ouderling er tijdens huisbezoek over begint. Daar kan Wim gebruik van maken. Hij kan bijvoorbeeld het gesprek over de geloofsopvoeding inleiden met:

  • ‘U weet wellicht waar ik voor gekomen ben. Ik zou het ook willen hebben over uw band met God, maar ik vond het belangrijk om eerst met elkaar kennis te maken. Lukt het wel eens om tijd te nemen voor God?’
  • ‘We hebben als kerkenraad afgesproken om dit jaar op huisbezoek geloofsopvoeding aan de orde te stellen. Dan moet u denken aan Bijbel lezen, bidden, samen praten over de Heere Jezus. Ik ben eigenlijk wel benieuwd: hoe gaat dat hier?’

Belangrijk is dat er een open vraag komt, die uitnodigt om te vertellen, zonder dat de leden van dit gezin zich hoeven af te vragen welk antwoord gewenst is. Het kan voor Wim heel behulpzaam zijn om van tevoren na te denken over de manier waarop hij dit thema in het gesprek introduceert.

Er ontstaat een mooi gesprek als Wim daarop weet voort te borduren. Hij kan bijvoorbeeld vragen naar een mooi voorbeeld dat een van de gezinsleden altijd is bijgebleven. Hij kan vragen waar ze tegenaan lopen en dan met hen nadenken wat zij zelf al doen aan deze belemmeringen. Wanneer hij hoort dat ze best wat pogingen ondernemen om verder te komen, kan hij hen daar erkenning voor geven en eventueel laten zien hoe hij die belemmeringen zelf herkent en hoe hij er zelf in zijn gezin mee omgaat.

Wim geeft een extra waarde aan het huisbezoek als hij verdieping aanbrengt door te vragen naar de band die er met Christus is. Merken de ouders dat hun eigen band met Christus meer gaat leven of wordt versterkt door er zo mee bezig te zijn? Zien de ouders dat de manier waarop zij in hun gezin bezig zijn met Christus ook bij hun kinderen iets doet? Groeit er een eigen band van de kinderen met Christus? Groeit er verlangen om Hem te dienen en Hem beter te leren kennen?

Na een mooi gesprek kan er gedankt worden voor wat de ouders doen voor hun kinderen. In dat gebed bidt Wim om een zegen over het gezin en om de hulp van de Heilige Geest voor alle gezinsleden.

Geschreven voor HGJB Generator

Les 18: Belijdenisgeschriften

Les 18: Belijdenisgeschriften

Mirthe heeft geregeld met een collega gesprekken over het geloof. Deze collega is niet met het geloof opgegroeid en heeft veel vragen. Op veel vragen weet Mirthe zelf het antwoord niet. Wat gelooft ze eigenlijk zelf? En bestaat er niet een soort samenvatting van wat het geloof inhoudt?

Johan gaat wel eens met een vriend mee naar een andere kerk. Niet alleen de opzet van de dienst is anders, ook de boodschap van de voorganger is anders. Dat brengt Johan in verwarring. Wat gelooft hij zelf? Wat hoort hij te geloven?

Vraag 1: Waar haal jij je kennis over God en over het geloof vandaan?



Vraag 2: Als een collega of een vriend(in) meer wil weten over het geloof, wat bied je dan aan?


Uitleg
In de kerk bestaan er officiële samenvattingen, waarin we kunnen weten waar de kerk inhoudelijk voor staat. Dat zijn belijdenisgeschriften. Onze kerk, de Protestantse Kerk in Nederland, kent een aantal belijdenisgeschriften. In de belijdenisgeschriften staat wat de officiële leer van de kerk is. Deze belijdenisgeschriften zijn vaak ontstaan in een tijd, waarin er veel discussie was over wat de kerk hoort te leren.

De Protestantse Kerk is in 2004 ontstaan uit een fusie van 3 kerken. De Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk.
De Gereformeerde Kerken in Nederland en de Nederlands Hervormde Kerk hadden 6 belijdenisgeschriften:

  • de Apostolische Geloofsbelijdenis
  • De geloofsbelijdenis van Nicea – Constantinopel
  • De geloofsbelijdenis van Athanasius
  • De Heidelberger Catechismus
  • De Nederlandse Geloofsbelijdenis
  • De Dordtse Leerregels

Deze geloofsbelijdenissen zijn ook in verschillende psalmboeken opgenomen. De laatste drie belijdenisgeschriften worden samen de drie formulieren van enigheid genoemd.


De apostolische geloofsbelijdenis
De apostolische geloofsbelijdenis gaat niet terug op de 12 apostelen. De naam geeft aan: de inhoud komt overeen met wat de apostelen geleerd hebben. Deze belijdenis is ontstaan als een belijdenis die nieuwe christenen opzegden bij hun doop. Deze nieuwe christenen lieten de Romeinse of de Griekse godsdienst, waarin ze opgegroeid waren, achter zich en gingen Jezus als hun Heer belijden.
Kenmerkend voor deze belijdenis is de indeling in drieën: eerst wordt iets beleden over God de Vader, daarna over God de Zoon en tenslotte over de Heilige Geest.

De geloofsbelijdenis van Nicea – Constantinopel
In de 4e eeuw werd er gediscussieerd over de vraag of Jezus ook God als of dat Jezus minder dan God was. Op verschillende concilies (officiële vergaderingen) werd uitgesproken dat Jezus net zo goed God was als God de Vader en dat er toch maar één God is. Omdat er ook een Heilige Geest is, spreken we over God als drie-een.
De belijdenis is genoemd naar de verschillende plaatsen waar die concilies gehouden zijn: Nicea (325 na Christus) en Constantinopel (381 na Christus). Deze belijdenis is een uitbreiding van de apostolische geloofsbelijdenis. Deze belijdenis is de meest geaccepteerde belijdenis. Bijna alle kerken over heel de wereld accepteren deze belijdenis.

De geloofsbelijdenis van Athanasius
De geloofsbelijdenis van Athanasius is de meest onbekende geloofsbelijdenis. Ook deze belijdenis is ontstaan in een tijd waarin er werd gediscussieerd over de vraag over Jezus ook God was. Deze belijdenis is een felle verdediging van de gedachte dat God zowel uit Vader, Zoon en Geest bestaat en toch één is. Wie dat niet gelooft, kan niet behouden worden, zegt deze belijdenis. De geloofsbelijdenis is niet geschreven door Athanasius, maar vernoemd naar Athanasius, die de belijdenis van God als drie-één verdedigde.

 

De Nederlandse Geloofsbelijdenis
De Nederlandse Geloofsbelijdenis is in 1561 geschreven door Guido de Brès. In die tijd worden de protestantse gelovigen vervolgd vanwege hun geloof. In deze belijdenis legt De Brès uit wat protestanten geloven. Hij legt uit dat hun geloof niet afwijkt van wat de kerk altijd geleerd heeft. Hij legt uit waarom protestanten niet katholiek kunnen zijn. Ook legt hij uit dat protestanten geen Wederdopers kunnen zijn. Wederdopers hadden voor veel opschudding gezorgd. Niet alleen omdat ze voor de volwassendoop waren (volwassenen werden weder=opnieuw gedoopt), maar ook omdat er nogal wat vreemde praktijken waren bij de Wederdopers.

De Heidelberger Catechismus
De Heidelberger Catechismus is bedoeld om de gewone mensen in de kerk uitleg te geven over wat het geloof inhoudt. Thema’s die aan de orde komen:

  • de geloofsbelijdenis: Wat doet God in jouw leven en in de wereld waarin wij leven?
  • doop en avondmaal: hoe horen we bij Christus en hoe krijgen we deel aan de redding?
  • de Tien geboden: Hoe leven we als christenen tot eer van God? Hoe doen we Zijn wil?
  • en het Onze Vader: Hoe leren we bidden?

Je zou kunnen zeggen: een gelovige hoort zijn geloof op deze thema’s onder woorden te kunnen brengen. De belijdenis bestaat uit vragen en antwoorden. De leermeester stelde de vragen en de leerling gaf antwoord. Zo leerde de leerling zijn eigen geloof persoonlijk onder woorden te brengen.
Deze geloofsbelijdenis is in 1563 ontstaan in Heidelberg. Omdat op dat moment er een gemeente was van uit Nederland gevluchte protestanten, raakte deze belijdenis ook in Nederland bekend.
Deze belijdenis is opgedeeld in 52 zondagen. ‘s Middags konden de jongeren op catechisatie die zondag leren en in de middagdienst werd over die zondag in de kerkdienst gepreekt.

De Dordtse Leerregels
De Dordtse Leerregels gaan onder andere over hoe je gered kunt worden. In 1610 zei Arminius: God redt mensen op basis van hun geloof. Omdat God weet dat mensen gaan geloven, gaat Hij hen redden. De tegenstanders vonden dat Arminius de redding teveel afhankelijk maakte van hoe mensen zullen reageren. God is niet afhankelijk van onze reactie, van ons antwoord. In 1618 komt er een officiële vergadering in Dordrecht, waarin wordt aangegeven dat de kerk kiest voor de lijn van Arminius’ tegenstanders.

Norm of richtlijn?
Veel kerken in Nederland hebben deze 6 belijdenisgeschriften. Er is wel in de afgelopen eeuwen discussie geweest over hoe je ze moet gebruiken. De één ziet ze als norm waarvan je niet mag afwijken. Ook niet als individuele gelovige. De ander ziet de belijdenisgeschriften meer als richtlijn: zo zou je kunnen geloven. De één ziet ze als een samenvatting van wat er in de Bijbel staat. De ander zegt dat je je beter met de Bijbel zelf kunt bezig houden. Het is de moeite waard om de geloofsbelijdenis er steeds bij te pakken. Al kan de plechtige taal waarin ze geschreven zijn een belemmering zijn. Een belemmering om ze goed te kunnen gebruiken is, dat ze ook wel eens over thema’s gaan, die vandaag niet zo actueel meer zijn.
De officiële lijn is dat belijdenisgeschriften aangepast mogen worden, maar dat moet dan wel gebeuren op basis van wat er in de Bijbel staat.  

 

Vraag 4: De eerste vraag van de Heidelberger Catechismus is: Wat is uw enige troost in leven en sterven? Probeer hiervoor je eigen antwoord te formuleren. Wat zou jij zelf op die vraag antwoorden?




Vraag 5: Vergelijk je antwoord met het antwoord uit de Heidelberger Catechismus.
– Welke thema’s heeft de Catechismus, die jij niet hebt?


– Welke thema’s heb jij die niet in de Catechismus staan?


Vraag 6: In de Heidelberger Catechismus worden de geloofsbelijdenis, doop en avondmaal, de Tien geboden en het Onze Vader uitgelegd. Waarover zou jij zelf meer uitleg willen hebben?


 

Crisis der Middenorthodoxie en prediking binnen de Gereformeerde Bond

Crisis der Middenorthodoxie en prediking binnen de Gereformeerde Bond

‘Onlangs las ik weer in een bekend geworden boekje van prof. dr. H. Berkhof,
Crisis der Middenorthodoxie (Nijkerk 1952)’, schrijft een collega in de Waarheidsvriend. Weer dat boekje van Berkhof! In kringen van de Gereformeerde Bond wordt dit boekje tegenwoordig haast als een belijdenisgeschrift gezien. Of minstens als een profetisch vergezicht: ‘Wat hij hierin schrijft over de gevaren die de midden-orthodoxie bedreigen, zien we vandaag terug in gemeenten die zich rekenen tot de Gereformeerde Bond.’
PTRanELmfoKPrK6FqYEIEr zijn twee redenen waarom Crisis der Middenorthoxie geciteerd wordt: Het is de enige  polemiek, waarin iemand uit de kring van de Gereformeerde Bond op niveau discussieerde met iemand van buiten de Gereformeerde Bond. Het is dus de enige polemiek waarin duidelijk wordt wat de Gereformeerde Bond heeft in te brengen in het bredere geheel van de kerk. Het citeren van dit geschriftje gebeurt dan ook niet zonder de nodige nostalgie.
Hendrikus_Berkhof


De andere reden is dat het boekje wordt gebruikt om de prediking van collega’s binnen andere gemeenten die zich tot de Gereformeerde Bond rekenen de maat te nemen. De prediking binnen de kring van de Gereformeerde Bond vervlakt. En Berkhof had nota bene daar al meer dan 65 jaar geleden voor gewaarschuwd! In het artikel wordt Berkhof geciteerd: ‘De midden-orthodoxe prediking verkondigt genade zonder gericht, verlossing zonder dankbaarheid, vreugde zonder vrees, voorzienigheid zonder gebod.’ Het voordeel van een citaat is dat dit niet bewezen hoeft te worden, maar als een profetische waarschuwing uit het verleden, die inmiddels in eigen kring bewaarheid zou zijn, naar voren gebracht kan worden.

Eerlijk gezegd vind ik deze manier van elkaar de maat nemen erg kwalijk. Ik ben zelf niet iemand die de prediking van collega’s bewust volgt. De preken die ik hoor zijn vaak van gastpredikanten. Een enkele keer beluister ik preken van een collega, van wie ik vind dat hij een bijzondere manier van preken heeft waar ik van kan leren. De eerste vraag die bij mij boven komt, is: Hoe weet men binnen de Gereformeerde Bond dat de prediking in eigen kring vervlakt? Beluistert men veel preken van predikanten? Gaat men af op signalen van gemeenteleden, die melden dat ze de prediking vinden vervlakken? Wat zijn de criteria voor vervlakking? Als ik de kenmerken van Berkhof aanhoudt, dan heb ik nog nooit een midden-orthodoxe preek gehoord binnen de Gereformeerde Bond.
91650abe72b74891ce17dffa3726f716_XL


De tweede vraag die bij mij opkomt, is of de analyse wel klopt. Is er niet iets anders aan de hand? Mijn indruk is dat er wel verschuiving in de prediking kan zijn: de verschuiving van een Kohlbrüggiaanse prediking of een meer Lutherse prediking van wet en evangelie naar een meer gereformeerde prediking, die het geheel van de Bijbel wil laten spreken in plaats van de persen door de mal van de verzoening (door voldoening). Als ik het artikel van deze collega lees, heeft het evangelie één kern: de hoogspanning van de verzoening. 2 Korinthe 5:12-21 wordt de norm voor elke preek.
Tijdens mijn studie was het niet meer vanzelfsprekend dat studenten uit de Gereformeerde Bond kozen voor kerkgeschiedenis en dogmatiek. Het merendeel koos juist voor de Bijbelse vakken: exegese van het Oude of van het Nieuwe Testament, Bijbelse theologie. Er was een enthousiasme voor de Bijbel en voor de grote mate van variatie in de Bijbel. Aandacht voor het Oude Testament, zonder dat dit deel van de Bijbel direct in een christologische exegese werd geduwd. Aandacht voor de wijsheid van het Oude Testament, de verhalen, de profeten, voor de godsdienstgeschiedenis in het Oude Israël. In het Nieuwe Testament aandacht voor de gelijkenissen, de paranese, de apocalyptische teksten, de zoektocht naar de historische Jezus. Zou deze aandacht voor de exegese en de Bijbelse theologie niet in de prediking doorwerken? Naar mijn idee maken we meer de omslag mee van een eenzijdige prediking, waarin het Paulinische evangelie norm en kern van de Bijbel is naar het oog voor de eigenheid en de variëteit van de Schrift.

Een derde vraag die bij me opkomt is: hoe doe je dat dan? Dan zijn we op het terrein van de materiële homiletiek: de inhoud van de verkondiging. Want je kunt stellen dat er gepreekt moet worden vanuit de gedachte van ‘tweeërlei kinderen van het verbond’, ‘twee wegen en drie stukken’, maar hoe doe je dat in de concrete praktijk? Daar worstel ik bijna bij elke preek mee. Vooral ook omdat er nauwelijks materiaal is dat mij daarbij helpt. Zonde en het laatste oordeel zijn thema’s die mij theologisch bezighouden en boeien en waarin ik mij geregeld verdiep, maar er het materiaal dat mij helpt om erover te preken is erg schaars. Als ik zou willen uitzoeken hoe ik in deze tijd ‘onderscheidend’ zou willen preken (d.w.z. in de preek er niet vanuit gaan dat elke aanwezige kerkganger een ware gelovige is), hoe doe ik dat dan? Een van de weinigen die dat uitgewerkt heeft is ds. A. Moerkerken, maar dat stamt uit een heel andere theologische traditie, waardoor het niet eenvoudig wordt om er iets uit mee te nemen. Als je wilt dat de prediking onder de ‘hoogspanning van de verzoening’ staat, volstaat het niet om te zeggen waar het aan schort of wat de norm is, maar ook hoe dat praktisch uitgewerkt kan worden: welke stijl, welke inhoud, welke aanspraak hoort erbij? En wat houdt dit in voor de predikant als eerste hoorder? Zonder die uitwerking blijft zo’n oproep alleen maar in de lucht hangen.

download (2)

Een complicerende factor is dat de kennis van de eigen traditie, ook binnen de Gereformeerde Bond, aan het wegebben is. Dat gebeurt onder kerkgangers, zodat er vanuit de prediking niet zomaar aansluiting is, maar van onderop opgebouwd moet worden. Het volstaat niet om leuzen in de prediking rond te strooien, maar zo’n leus dient uitgelegd en praktisch toegepast te worden, wil de traditie levend gehouden worden. De eigen traditie van de Gereformeerde Bond verdwijnt volgens mij ook onder predikanten. Want wie van de predikanten leest nog ds. I. Kievit, ds. G. Boer, ds. J.G. Woelderink of ds C. van der Wal? Zelf heb ik alleen enkele boeken van ds. Woelderink – ongelezen – in de kast staan. Als de eigen traditie hooggehouden moet worden in het geheel van de kerk, vraagt dat ook om een levend houden van de eigen traditie en een doorwerking naar onze huidige tijd.

Is dat nodig dat de oudere generatie predikanten uit de Gereformeerde Bond nog gelezen worden? Ik weet het niet. Ik red me redelijk met theologen en homileten uit Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten of Canada. (Nee, geen N.T. Wright!) Alleen is er misschien niet steeds een aansluiting op de specifieke spiritualiteit binnen de Gereformeerde Bond.

Naschrift
De reactie kan zijn: er wordt toch minder over of vanuit de rechtvaardiging van de goddeloze gepreekt? Deze constatering heeft een aantal complexe elementen in zich:

(1) is die rechtvaardiging de kern van de Schrift? Volgens prof. dr. W. van ’t Spijker is volgens de gereformeerde traditie niet de rechtvaardiging van de goddeloze de kern van het christelijk geloof, maar de gemeenschap met Christus. Een andere manier om de kern van het christelijk geloof aan te geven is: hoe God aan Zijn eer komt. Daarbij is de rechtvaardiging van de goddeloze weliswaar onmisbaar, maar niet dé kern.

(2) Is de rechtvaardiging van de goddeloze de enige manier om over het heilswerk van Christus te spreken? Volgens Fleming Rutledge zijn er twee hoofdbetekenissen van het kruis op Golgotha (met allerlei nuanceringen): verzoening door God van de zondige mens (waarvan de rechtvaardiging een onderdeel is) en de overwinning van God op de zonde, het kwade en de duivel.

(3) als je vanuit de rechtvaardiging wil preken: wat vraagt dat van Schrift, gemeente en predikant? Aan welke voorwaarden moet de verkondiging voldoen wil de boodschap gehoord en geloofd worden? Daarbij is het niet alleen nodig om te kijken naar de predikant, maar ook naar de gemeente en naar de Schrift. In welke gedeelten komt de rechtvaardiging aan de orde en welke niet? Welke plaats krijgen de brieven van Paulus in de verkondiging? Welk effect heeft de verschuiving van de Lijdenstijd naar de Veertigdagentijd voor de inhoud van de verkondiging?

(4) is het ook mogelijk dat de zaak in hedendaagse woorden en begrippen waardoor de sfeer anders is maar de inhoud niet? M.a.w. Is het slechts schijn dat de verkondiging oppervlakkiger wordt? Is er sprake van verandering van preekvorm of voordracht, waardoor het lijkt dat de inhoud oppervlakkiger wordt? Of het die veranderde vorm of performance effect op de inhoud?

(5) In hoeverre is de rechtvaardiging nog een levende geloofsbeleving of wordt het bewust of onbewust in de prediking gemeden omdat het slechts een systeem geworden is waarbij de levende geloofswerkelijkheid is verdwenen?

(6) De prediking over de rechtvaardiging van de goddeloze is extra complex geworden door het Nieuwe Perspectief op Paulus, waarin de Paulus-exegese van Luther, die ten grondslag ligt aan de gedachte van de rechtvaardiging van de goddeloze, ernstig wordt bekritiseerd. Inmiddels zijn daarop weer nuanceringen gekomen en wordt dit nieuwe perspectief ter discussie gesteld. Dat maakt het er allemaal niet eenvoudiger op.

Naschrift – 2
1) In de inleiding haal ik het boek Crisis der Middenorthodoxie (1952) van dr. H. Berkhof en de briefwisseling tussen dr. H. Berkhof en ds. G. Boer uit 1956 door elkaar.

2) In 2016 kwam het verzameld werk van ds. G. Boer uit: Tijdbetrokken vreemdelingschap.
Tweedehands zullen de boeken van ds. I. Kievit, ds. L. Kievit, ds. J.G. Woeldering, ds C. van der Wal verkrijgbaar zijn.
Meer recentere publicaties m.b.t. hervormd-gereformeerde prediking zijn de boeken van C. Graafland, W. Balke, W. Verboom en J. Hoek. Of de serie postilles: Woord der prediking.

Mijn punt was niet zozeer dat geschriften niet verkrijgbaar zijn, maar dat ik merk dat er eerder naar theologen van buiten de GB gegrepen wordt: Koopmans, Miskotte, Noordmans, Van Ruler. Of Engelstalig: Tom Wright, Tim Keller, Eugene H. Peterson.

Film in de gemeente

Film in de gemeente

Vandaag verscheen mijn eerste publicatie in een serieus theologisch tijdschrift. Ik schreef ooit een artikel voor Kontekstueel en publiceerde in kerkbladen als HWConfessioneel, de Waarheidsvriend, Christelijk Weekblad. Theologia Reformata is toch wel het serieuzere werk.
Voor het themanummer In ‘t Beeldenrijk (over film en theologie) werd ik gevraagd om iets te schrijven over de toepassing van film in het gemeentewerk. Het artikel heeft de titel: Film in de gemeente. Daarin beschrijf ik:
– hoe film kan helpen om een Bijbelgedeelte of een Bijbels thema aan de orde te stellen
– hoe film gebruikt kan worden tijdens de catechese en kringwerk
– hoe film gebruikt kan worden tijdens de preekvoorbereiding of tijdens de eredienst
– hoe film het pastoraat kan verrijken
– hoe film kan helpen om na te denken over leidinggeven aan de gemeente
– hoe film kijken spiritualiteit kan verdiepen en kan helpen bij de diaconale bezinning.
Ook geef ik een aantal werkvormen die helpen bij het bespreken en verwerken van de film.

Slotzinnen:
Door de ervaring en de beleving die een film oproept een wezenlijk onderdeel te laten zijn van de catechisatie of de kring, wordt duidelijk dat de kerk niet antithetisch stelling neemt tegen een beleveniscultuur. Een esthetische ervaring van schoonheid, ontroering, maar ook van afschuw of ontregeling kan een bijdrage zijn tot een religieuze ervaring of zelfs een religieuze ervaring zijn.

n.a.v. M.J. Schuurman, ‘Film in de gemeente’, Theologia Reformata, jaargang 60, nummer 4 (december 2017) 407-416.

Omgaan met twijfel bij jongeren

Omgaan met twijfel bij jongeren
Workshop HSJJ 12 oktober 2017.
(Zie voor programma: hier)

Groeien naar een volwassen, zelfstandige persoonlijkheid
Omdat jongeren groeien naar volwassenheid, bevinden ze zich in een levensfase waarin veel voor hen verandert. Ze groeien naar een zelfstandige persoonlijkheid. Ze worden geacht zelfstandig na te denken, beslissingen te nemen, zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen leven en voor de keuzes die ze maken. Dat is zowel een uitdaging als een grote klus. Deze uitdaging en deze klus vraagt veel van hen. De groei naar een volwassen, zelfstandige persoonlijkheid gaat niet vanzelf en kost veel innerlijke, psychische kracht. Jongeren kunnen in deze fase ook innerlijke schade oplopen. Omdat deze groei naar volwassenheid veel met hen doet en omdat het niet altijd goed lukt, worden ze gedwongen om over zichzelf na te denken. Niet altijd hebben ze daar de goede handvatten voor meegekregen.

Groeien naar een eigen,  volwassen, zelfstandig geloof
In deze fase van groeien naar een volwassen, zelfstandige persoonlijkheid groeien jongeren ook naar een volwassen, zelfstandige gelovige. Ze ontwikkelen hun eigen gedachten over God, over de kerk, over medegelovigen, andersgelovigen. Dat gebeurt op basis van de ervaringen die ze meemaken, wat ze tegenkomen en hun eigen denkprocessen.
Die ervaringen die ze hebben kunnen anders zijn, dan wat ze tot dan toe over God, over de kerk, over geloof hebben meegekregen. Hebben ze bijvoorbeeld gehoord dat God er altijd is, dan kan de ervaring van een jongere zijn dat ze helemaal niets van Hem ervaren. Ook al zoeken ze nog zo intens. Ze moeten gaan nadenken, hoe ze dat bij elkaar krijgen: de officiële leer van de kerk, van ouders, van school en hun eigen ervaring en gedachten. De een kiest ervoor om de eigen gedachten en ervaringen wat opzij te zetten en kiest voor de officiële versie. Een ander kan juist kritisch worden op de officiële versie en de eigen gedachten als uitgangspunt nemen. Voor elke jongere geldt dat ze in deze fase groeien naar een eigen, volwassen, zelfstandig geloof. Ze groeien – als het goed is naar een eigen band met Christus.

Hoe ontstaat twijfel?
Twijfel kan op verschillende manieren ontstaan:

 

  • Als de eigen ervaring met God (of juist geen ervaring met God) afwijkt van wat ze altijd hebben gehoord.
  • Als ze veel ingrijpende dingen meemaken in de familie of vriendenkring, of in het wereldgebeuren, die ze niet kunnen rijmen met Gods leiding in deze wereld.
  • Als wat ze horen van het christelijk geloof in de preek, op catechisatie, op school, thuis ver van hun belevingswereld afstaat.
  • Als ze mensen tegenkomen die niet of op een andere manier geloven.
  • Als ze in aanraking komen met theorieën die voor hun gevoel botsen met het christelijk geloof, zoals evolutie, atheïsme.

 

 

Is twijfel verkeerd?
Twijfel is niet verkeerd. Zolang het maar geen houding is of eindpunt. Niet zelden is twijfel een vorm van wel willen geloven, maar op de een of andere manier niet kunnen geloven.
In de Bijbel komen we dat ook geregeld tegen. Bijvoorbeeld in de psalmen, waarin nogal eens geworsteld wordt met wat God doet of juist niet doet. Denk aan Psalm 13, Psalm 22, Psalm 80. Het bijzondere van deze teksten is dat het geen ongeloof is, maar heel diep geloof: als iemand iets kan doen, is God het wel. Maar het lijkt wel of Hij niets doet. Of Hij doet ook niets.
Ook in de verhalen over de Heere Jezus is twijfel iets dat steeds weer opkomt. Petrus die door het water zakt, omdat hij te weinig geloof heeft (Mattheüs 14:30). De leerlingen die een zieke niet kunnen genezen omdat ze te weinig geloof hebben en een man die wel wel geloven, maar vraagt of Jezus zijn ongeloof te hulp komt (Markus 9:14-27). Zelfs als Jezus is opgestaan is de twijfel niet bij iedereen overwonnen (Mattheüs 28:17).
Twijfel hoort bij de tijd dat wij als gelovigen nog op aarde leven. Misschien is het beter om te spreken over aanvechting: een geloof dat steeds aangevochten wordt. Twijfel hoort ook bij de fase van groei naar een volwassen, zelfstandig geloof.

Hoe om te gaan met twijfel bij jongeren?
Het is goed om vast te houden dat twijfel niet vreemd is:

  • er gebeurt zoveel in ons leven en in deze wereld dat we niet kunnen rijmen met Gods leiding in deze wereld.
  • voor jongeren zijn veel dingen onzeker. Dat werkt ook door in hun geloof.
  • Twijfel is authentiek en serieus te nemen als het een onderdeel is van een zoektocht om God beter te leren kennen.

Het is zinvol om uit te leggen:

  • dat twijfel onderdeel van een zoektocht is
  • dat in de Bijbel en onze geloofsleer twijfel en aanvechting ook een plek hebben.
  • dat twijfel een weg kan zijn om te groeien naar een eigen geloof.
  • om te laten zien dat er geen keuze gemaakt te hoeven worden tussen de eigen ervaring en inzichten en de officiële geloofsleer. Jongeren zijn geholpen als ze merken hoe de dialoog op gang gebracht wordt en wat hun twijfel kan leren van de officiële geloofsleer en omgekeerd.

In het contact met jongeren gaat het nooit alleen om de inhoud, maar ook altijd om de houding en de relatie:

  • Bied een open oor en schrik niet te snel als ze hun twijfels uiten.
  • Wees authentiek en open. Vertel als je zelf twijfels gekend hebt, waar ze vandaan kwamen en hoe jezelf daarmee omgegaan bent. Als je zelf heel overtuigt gelooft, vertel dan hoe je in je geloof gegroeid bent. Jongeren kunnen de kerk als een waardevolle plek waarderen als ze daar hun twijfels en vragen kunnen uiten, omdat ze serieus genomen worden.
  • Vraag door waar hun twijfels vandaan komen. Heb oog voor hoe vragen en twijfels opkomen uit wat ze meegemaakt hebben en zien in de wereld om hen heen.
  • Leer ze handvatten om over zichzelf en over God na te denken.