(kerkelijk) pionieren met jongeren

(kerkelijk) pionieren met jongeren

Afgelopen zaterdag kreeg ik een (Duits) boek toegestuurd om te lezen en een bespreking te schrijven. Dat boek gaat over hoe binnen het kerkelijk jongerenwerk jongeren bereikt kunnen worden, die nu geen band met de kerk hebben. In dit boek komen twee werelden bij elkaar: het kerkelijk jongerenwerk en de pioniersplekken, waarin men probeert om mensen die nu geen band met de kerk hebben in aanraking te brengen met het evangelie.

Het boek begint met een weergave van de leefwereld van de jongeren:
De maatschappij verandert en die veranderingen raken jongeren en hun leefwereld. Hoe kan kerkelijk jongerenwerk op die veranderingen inspelen door nieuwe vormen te ontwikkelen en bestaande vormen die goed werken te versterken?
61uYeLP2M-L
Alles bij het oude houden kan niet. Evenmin kan een radicale vernieuwing slagen. De toekomst van kerkelijk jongerenwerk bevindt zich – net als de toekomst van de kerk als geheel – ‘tussen traditie en innovatie’ (zoals de titel aangeeft). Wat zijn dan die veranderingen? In grote, algemene woorden:
– Pluralisering
– Globalisering
– Digitalisering
– Secularisatie
Wie zich inzet in het jongerenwerk of daar beroepsmatig mee bezig is, weet dat dit niet alleen theoretische begrippen zijn. 

Wie zijn die jongeren eigenlijk? Welke band hebben zij met kerk en geloof? Kan het kerkelijk jongerenwerk iets voor hen zijn? Om die vragen te beantwoorden is het nodig om te weten over welke groep je het hebt. Jongeren zijn tussen de 14-18 jaar. Ze zijn echter een diverse groep. Naast een verschil in opleiding is er een verschil in sociale leefwerelden.

Verschillende milieus
Het Duitse onderzoeksinstituut SINUS onderscheidt 7 verschillende soorten milieus van jongeren, verdeeld over de assen: opleidingsniveau (laag of hoog) en opvattingen (traditioneel – modern – postmodern). Dan zijn er de volgende milieus:
– hoog opgeleid & traditioneel: burgerlijk-conservatief
– laag opgeleid & traditioneel: precair
– hoog opgeleid & modern: sociaal-ecologisch
– laag opgeleid & modern: adaptief-pragmatisch / materialistische hedonisten
– hoog opgeleid & postmodern: expeditive (de snelle netwerkers die op succes en lifestyle zijn gericht)
– laag opgeleid & postmodern: experimentele hedonisten.
2016-09-07_Lebenswelten_14-17-Jährige_C-SINUS_web60_klein_PNG
(Een wat vergelijkbaar Nederlands model is het Mentality-model van Motivaction)

Eigen sociaal milieu
Kerkelijk jongerenwerk is vooral gericht op jongeren uit het eigen sociale milieu. Jongerenwerk kan zich ook niet op alle milieus richten. Het is niet mogelijk een vorm te vinden waarin alle milieus zich herkennen. Daarvoor is het verschil in opleiding en basiswaarden te groot. De vraag daarbij is: Op welke sociale groepen is het kerkelijk jongerenwerk eigenlijk gericht? Welke krijgen de meeste aandacht? Welke milieus vallen buiten de boot?

Tegenover de heterogeniteit van de jongerenwereld staat vaak een homogeniteit aan kerkelijk jongerenwerk. Om jongeren uit verschillende sociale milieus en met verschillende basiswaarden te bereiken is een divers aanbod van kerkelijk jongerenwerk nodig.

Geen “dubbele bekering”
Heinzpeter Hempelmann (een theoloog die veel bezig is met de thematiek van sociale milieus) waarschuwt voor de neiging “een dubbele bekering” van jongeren te verlangen: een bekering tot het evangelie én tot het burgerlijk-conservatieve of sociaal-ecologische milieu. Volgens hem is er een ander perspectief nodig: kerk, gemeente en de inhoud van het geloof kunnen zich pas in de leefwereld van de verschillende milieus verankeren wanneer ze relevant zijn en passen binnen dat milieu en functioneel zijn voor de in dat milieu heersende logica.

Uitdagingen voor het kerkelijk jongerenwerk
Kerkelijk jongerenwerk staat voor een aantal uitdagingen:
– gebrek aan tijd (veel jongeren hebben weinig echte vrije tijd)
-gebrek aan genoeg medewerkers
– gebrek aan (creatieve) methoden om bepaalde doelgroepen, war geen natuurlijke affiniteit mee is, te bereiken

Bereiken doelgroep
Er zijn twee stappen belangrijk om die doelgroepen wel te bereiken:
– Het afleren van de vertrouwde beelden van geloof, kerk en bereikbaarheid.
– Oog krijgen voor de jongeren en hun leefwereld in beeld krijgen (luisteren en begrijpen).

Onderzoeken
Er is veel onderzoek gedaan naar jongeren en geloof. De uitkomsten verschillen nogal. Drie opvallende dingen:
– Jongeren knutselen hun eigen geloof bij elkaar.
– Geloof wordt vooral aan emoties en ervaringen verbonden.
– Instituties als kerk hebben voor hen weinig betekenis.

Traditioneel
Veel kerkelijk jongerenwerk is nog op traditionele leest geschoeid, waardoor het voor een deel niet aantrekkelijk is voor hen. Ze vormen hun geloof liever zelf. Alleen als er vertrouwen is (en hen niet alles wil voorschrijven) kan men jongeren daarbij helpen. De instituties veranderen zelf ook. Zo wordt het aandeel van degenen die wel lid zijn en zich verbonden weten met de kerk maar geen intensief contact hebben (de zgn ‘randleden’) kleiner. De kerk wordt kleiner, maar de leden participeren meer.

Daling
Het aantal catechisanten daalt aanzienlijk. In het kerkelijk jongerenwerk (en catechese?) worden vooral degenen bereikt die reeds actief in de kerk participatie. Jongeren hebben te maken met de secularisatie onder eerdere generaties. Daardoor staat de kerk op een behoorlijke afstand. Zelfs als ze zelf wel tot een kerk zouden willen toetreden. Een extra complicatie voor kerkelijk jongerenwerk is dat veel jongeren minder vrije tijd hebben dan vroeger. Daardoor hebben ze vaak geen tijd om te participeren (mochten ze wel willen)

Digital “natives”
Jongeren zijn “digital natives”: ze gaan niet online, maar zijn online. Dat wil niet zeggen dat ze allemaal competent zijn in de omgang met een online leven. Ze zijn ambivalent: ze weten van de schaduwzijde en verlangen naar onthaasting, toch zijn ze voortdurend online.

Digitale immigranten
De oudere generaties, die niet met wifi zijn opgegroeid, worden “digitale immigranten” genoemd. Het onderscheid dat digitale immigranten maken tussen virtueel contact en contact irl begrijpen digital natives niet. Voor hen gaan die werelden (haast) naadloos in elkaar over. Als het van belang is, dat jongeren ontmoet worden in hun eigen leefwereld, kunnen “digitale immigranten” de digitale wereld online niet buitensluiten. Dat is niet hetzelfde als alle sociale media en digitale middelen kritiekloos overnemen. Moet je als leiding in het kerkelijk jongerenwerk actief participeren in de digitale leefwereld van de jongeren? Het ingewikkelde is dat er nog geen goed zicht is op effect van digitalisering op jongeren. Door participatie kunnen volwassenen jongeren constructief begeleiden.

Effecten van digitalisering:
– Tempo van het leven is aanzienlijk toegenomen.
– Jongeren groeien op in een tijd van overaanbod. (Hoe kan het kerkelijk jongerenwerk laten zien dat ze iets eigens te bieden hebben?)
– Druk neemt toe en is constant:  druk om online te zijn, om te reageren en reacties te krijgen, om op de juiste manier te posten, om op de juiste manier te reageren.
– Niets blijft meer privé. Het meeste is openbaar en permanent beschikbaar. Omdat de grens tussen offline en online, irl en virtueel niet meer geldt, is er voor jongeren die online leven geen verschil meer of je beroepsmatig actief bezig bent of in privésetting bent. “Nu reageer ik als privépersoon” is in tijden van digitalisering niet vol te houden.
– Elke mening is tegenwoordig online beschikbaar. Ook irrelevante meningen en feitelijke onjuistheden zijn komen zomaar voorbij. Voeg daarbij het wantrouwen met betrekking tot gezag en tot informatievoorziening. Waar is wat als waar aanvoelt of voor mij persoonlijk waar is.
EEQ4BsqW4AAUhuc
(bron: Twitter @prof_flo )

Omdat algemene waarheden niet aanslaan, is het een uitdaging voor kerkelijk jongerenwerk om te zoeken hoe het evangelie voor hen waarheid en geloofwaardig kan zijn en de relevantie van het christelijk geloof voor hun leven kunnen ontdekken.

n.a.v. Katharina Haubold / Florian Karcher / Lena Niekler (Hg.), Jugendarbeit zwischen Tradition und Innovation. Fresh X met Jugendlichen gestalten. Serie: Beiträge zur missionarischen Jugendarbeit  4 (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Verlag, 2019) 7-25.

Andere bijdragen over eerdere delen uit deze serie:
uitgangspunten missionair jongerenwerk
gebrek aan tijd
recensie Handboek missionair jongerenwerk

Mannen en zingeving

Mannen en zingeving

Hoe gaan mannen om met zingeving? En wat komt daarvan terug in pastorale gesprekken? Op welke manier vertellen ze erover? Of op welke manier verpakken ze hun omgang met zingeving juist?

In neem hier weer de serie op over het boek Männerseelsorge van David Kuratle en Christoph Morgenthaler. Zij verwerken een onderzoek van Martin Engelbrecht en Martin Rosowski – Was Männer Sinn gibt (2007).  Dit onderzoek is volgens Kuratle en Morgenthaler verplichte literatuur voor iedereen die mannen begeleidt. In interviews worden katholieke en protestantse mannen, die wat verder van de kerk staan, bevraagd.

Persoonlijk
Deze interviews laten zien, dat het clichébeeld, dat mannen niets persoonlijks prijsgeven, niet klopt. De meeste mannen hebben zelfs plezier om in de gesprekken iets van zichzelf prijs te geven.

Taal
Ze doen dat wel op een specifieke manier. Ze spelen met taal. Ze wisselen snel van taalvorm: dan spreken ze weer ironisch, dan plaatsen ze weer kanttekeningen of spreken ze juist hun lof uit over bepaalde personen die voor hen een voorbeeld zijn of over hun echtgenotes. Met eenzelfde enthousiasme gaan ze tekeer tegen die of gene. De zin die mannen aan hun leven geven is vaak niet uit de inhoud op te merken, maar meer aan de manier waarop ze over iets spreken, of verbanden leggen.

Dimensies van zingeving
Engelbrecht en Rosowski reconstrueren drie dimensies van zin uit de gesprekken:
Zingeving waar mannen zich voor hebben moeten inzetten: Bij deze vorm van zingeving ligt de nadruk op de prestaties die zijn geleverd, de successen die zijn behaald: een succesvolle baan, een goed huwelijk, goed opgevoede kinderen, een goede gezondheid, de prestaties die ze ook met betrekking tot kleine dingen behalen.
Zingeving die ontvangen wordt: Bij deze vorm van zingeving ligt de nadruk op de mooie ervaringen en belevenissen, zoals de liefde van vrouw en kinderen, mooie natuurervaringen. Deze vorm van zingeving wordt zelden op de werk dat door een man verricht wordt betrokken.
Zingeving die opgedaan wordt door iets waar mannen geen grip op hebben. Hierbij kan het om spontaniteit gaan, iets nieuws dat onverwacht komt, geluk dat ten deel valt. Hierbij kan het ook gaan om ingrijpende gebeurtenissen, zoals een ongeluk. Uit de interviews kwam naar voren dat mannen vooral positieve gebeurtenissen als een bron van zingeving ervoeren. Crises, ziekten, ongeval werden niet gezien als een bron van zingeving.

Thema’s in gesprekken
Welke thema’s komen er in de gesprekken voor, die aan zingeving zijn de verbinden?

  • Het leven wordt getypeerd als een alledaagse strijd tegen de omstandigheden (of tegen mensen). In die strijd is discipline van groot belang.
  • Voor de meeste mannen is een zinvol leven een leven waarin de relaties goed zijn. Ze leven niet op zichzelf en voor zichzelf, maar zien zichzelf graag in verbondenheid, op anderen betrokken. Ze steunen de andere gezinsleden graag en worden graag door de andere gezinsleden ondersteund.
  • Mannen leren graag en zien het leven als avontuur. De meesten houden van uitgedaagd worden: ‘een gooi doen naar wat er nog niet is’. Ze zoeken uitdaging ook om niet in routine te vervallen.
  • Het leven wordt zinvol ervaren als zij in staat zijn om hun leven creatief in te richten. Ze hebben er plezier in om iets voor elkaar te krijgen. Ook in hun werk.


Beslissingen nemen
Interessant is te zien hoe mannen omgaan met het nemen van beslissingen en welke ruimte zij voor zichzelf daarin zien:

  • Er is een spanning tussen zelf kunnen kiezen en de beslissing die een ander voor hen neemt. In de interviews gaven de meeste mannen aan, dat zij er waarde aan hechten om zelf keuzes te maken en niet overgeleverd te zijn aan anderen die voor hen beslissen.
  • Er is een spanning tussen het nemen van verantwoordelijkheid en het afschuiven van verantwoordelijkheid. Mannen nemen graag of willen graag verantwoordelijkheid nemen voor wat bij hen hoort, zoals verantwoordelijkheid voor hun gezin, voor familie, voor buren, sportvereniging, de lokale omgeving. 
  • Er is een spanning tussen wereld en buitenwereld. Mannen creëren naast de wereld waarin zij leven, van bijvoorbeeld werk, graag ook een buitenwereld van sport en hobby’s. Zij pendelen tussen die beide werelden heen en weer. Belangrijke motieven om te kiezen voor zo’n ‘buitenwereld’ zijn:
    – er zelf voor kunnen kiezen.
    – op jezelf kunnen zijn.
    – zonder tijdsdruk en planning.


Niet als religieuze taal
Zingeving wordt door deze mannen zelden in godsdienstige taal geformuleerd. In de interviews zijn nauwelijks verwijzingen naar God, de bijbel of de kerk te vinden. Onverwachte of onverklaarbare gebeurtenissen worden niet met God in verband gebracht. Het leven voltrekt zich voor hen met een voor hun onverklaarbare logica. In hun gang door het leven zijn deze mannen vooral op zichzelf aangewezen.
Deze mannen, die wat verder af staan van de kerk, zien zichzelf als competent genoeg om een eigen levensbeschouwing te hebben. Daar hebben ze actieve participatie in de kerk niet voor nodig. Wel waarderen ze contact met individuele vertegenwoordigers van de kerk op kruispunten in hun leven.

Mannen en godsdienstigheid
Uit onderzoeken komt steeds weer naar voren dat vrouwen religieuzer zijn dan mannen. Als mannen zich wel als religieus beschouwen, hebben ze nogal eens een geheel eigen invulling (pluralisering, individualisering) en een afstand tot de kerk (de-institutionalisering). Voor veel mannen is niet zo makkelijk om aansluiting te vinden bij de kerk als instituut. Omgekeerd weet de kerk vaak niet aan te sluiten bij de zoektocht van mannen naar zingeving. Wanneer mannen nadrukkelijk op godsdienstige thema’s bevraagd worden, geven ze een heel divers beeld te zien.

Pastorale gesprekken met mannen
Kuratle en Morgenthaler werken niet uit hoe mannen op de inhoud van het christelijk geloof leren of welke specifieke godsbeelden zij ontwikkelen. Dat is jammer, want dat zou de moeite waard zijn om te zien hoe mannen dat anders beleven en invullen. Knieling doet dat wel volop. (Ik zou die thema’s eigenlijk weer eens moeten oppakken en uitwerken.)

Morgenthaler en Kuratle richten zich vooral op de zoektocht naar de eigen identiteit. Voor hen gaat het in pastorale gesprekken en pastorale begeleiding om het recht een ander te worden en te zijn (dus loskomen van de vaste, traditionele invulling van wat een man hoort te zijn en zoeken naar een eigen, persoonlijke invulling).
In het pastorale gesprek gaat het dan om:
– empathie – om mogelijk te maken om een ander te worden en te zijn.
– provocatie – om mannen uit te dagen een ander te worden en te zijn.

n.a.v. David Kuratle & Christoph Morgenthaler, Männerseelsorge. Impulse für eine gendersensible Beratungspraxis (Stuttgart: Kohlhammer, 2015)

Deze tijd vraagt om confronterende prediking 

Deze tijd vraagt om confronterende prediking 

Een jaar of 16 was ik toen ik voor het eerst de Johannespassion van Bach hoorde. Een docent van de middelbare school had kaartjes met korting bemachtigd en een aantal leerlingen mocht mee. Ik kende het stuk niet. Van begin tot eind was het een overweldigende ervaring. Het openingskoor, de verschillende aria’s, de dramatiek, het maakte allemaal een enorme indruk op mij. Ik werd meegenomen in het lijdensverhaal van Christus. Zelden was ik zo dicht bij Christus gekomen. Bach betrekt de luisteraar er bewust in. 

Dat de kerkdienst ook zo’n overweldigende ervaring zal zijn, hopen veel kerkgangers. Ze hopen dat ze op zondag in de kerk een soort Bachervaring hebben, waardoor ze dicht bij Christus komen en ook dat ze er zelf bij betrokken worden. Dat hebben ze nodig om gevoed te worden in hun geloof. Vaak gaat dat verlangen niet in vervulling. Ze missen wat, maar kunnen niet onder woorden brengen wat.

Visie op de gemeente
Binnen de kring van de Gereformeerde Bond wordt de laatste jaren vaak de noodklok geluid: de prediking verandert en niet in gunstige zin. De luisteraar wordt niet meer aangesproken. Vooral mist men de confronterende aanpak, waarbij je als luisteraar voor de heilige God wordt gedaagd, waardoor je je schuld beseft en ook je vrijspraak in Christus hoort. De prediking zou daardoor vervlakken. Men zoekt naar een reden: waarom is deze aanpak verdwenen? Is de visie op de gemeente veranderd? Gemeenteleden worden niet meer gezien als ‘tweeërlei kinderen van het verbond’. Daarmee wordt bedoeld dat niet elke kerkganger een levend geloof heeft. Gaan predikanten ervan uit dat het wel goed zit met iedereen die in de kerk zit? Dat er geen waarschuwing meer nodig is? Die indruk leeft, maar deze kritiek heb ik altijd net iets te makkelijk gevonden.

Willen en doen
Zelf krijg ik die opmerking ook weleens van gemeenteleden: “Bij jou komt iedereen in de hemel.” Dat verbaast mij. Ik zou wel willen, maar daar ga ik niet over. Het is in ieder geval niet mijn insteek bij het maken van mijn preken. In mijn preken gaat het over wat gemeenteleden missen. Onlangs las ik een interview terug dat ik een aantal jaar geleden had met dr. Bert de Leede voor Maandblad Réveil. Het ging over hoe je over Christus kunt preken. De Leede zei toen: ‘In de verkondiging moet er veel sterker geïdentificeerd worden met het Woord van God, met de stem van Jezus. Zodat de hoorder de ervaring opdoet: Christus staat in ons midden. Hij staat midden in mijn leven. En Hij spreekt ons aan: “Sta op, o mens!” “Zweer de duivel en de zonde af!” “Ik veroordeel u niet!”’ De confronterende manier mag niet worden geschuwd: ‘Er is sprake van een breuk tussen God en mens. Verkondiging maakt scheiding. Als het voor hen geldt, moeten gemeenteleden ook kunnen zeggen: “Ik zit hier zonder bruiloftskleed. Ik sta er buiten!” Dit moet niet afgezwakt worden.’
Ik las deze woorden voor aan mijn vrouw. Ze keek mij meewarig aan en zei: ‘Zo preek jij niet.’ Die opmerking maakte mij duidelijk dat er een verschil is tussen wat ik zou willen in de preek en wat ik daadwerkelijk doe.

Preken voorbereiden is niet makkelijk. Ik vergelijk het wel eens met het componeren en uitvoeren van een Bachcantate. Een preek componeren en uitvoeren moet in één week tijd gebeuren en kost veel creatieve energie. De exegese gaat vaak nog wel. Maar dan de preek zelf. In de voorbereiding maak je zoveel keuzes en neem je zoveel beslissingen, dat het eindresultaat op de kansel op zondag kan afwijken van wat je daadwerkelijk wilt zeggen, zonder dat je dat zelf door hebt. In de beoordeling van preken moet meegenomen worden dat er een verschil kan zijn in intentie en uitwerking.

Kerkgang niet genoeg?
Voor de insteek van de preek maakt het uit of je als predikant mild of kritisch bent ten aanzien van de gemeente. In de loop der jaren ben ik door zowel het pastoraat als het voorgaan in de diensten onder de indruk geraakt van het geloof van gemeenteleden en ook van wat ze vanuit hun geloof doen voor anderen, zonder dat ze dat vaak zelf goed onder woorden kunnen brengen.

Er bestaat een bepaalde kritische visie op de gemeente – namelijk dat het bezoeken van de kerkdienst niet genoeg is. Ik kan niet zo goed overweg met deze gedachte. In meer gereformeerde en evangelische hoek gaat het erom dat kerkgangers ook hun steentje dienen bij te dragen. In bevindelijke hoek is kerkgang alleen niet genoeg, omdat je een waar geloof moet hebben. Maar de eredienst is het hart van de gemeente. Deelnemen aan de kerkdienst is niet zomaar iets. Naar mijn idee wordt daar in beide gevallen aan voorbijgegaan. Iemand die een kerkdienst bezoekt, kan per definitie niet alleen consument zijn. Alleen al vanwege de moeite die hij neemt de kerkdienst bij te wonen. Bovendien doet een kerkdienst altijd wat met de bezoeker. Is het niet door de preek, dan wel door het zingen of door de zegen, of door het gewoon ‘er zijn’ in de kerk, onder andere kerkgangers. Ze brengen wat en ze halen wat. Wat ze meebrengen voor zichzelf, voor de opbouw van hun geloof en de versterking van hun relatie met Christus valt niet altijd expliciet in woorden uit te drukken.

De gemeente aanspreken
Wanneer gesproken wordt over een vervlakkende prediking, worden meestal voorbeelden van vroeger aangehaald. De naam van ds. G. Boer wordt genoemd, of die van een andere vooraanstaande predikant uit het verleden. Ook wordt wel gezegd dat preken uitgaan van een lievige God, waarbij de gemeente niet geconfronteerd wordt met zonde of ongeloof. Laten we ervan uit gaan dat hier geen sprake is van nostalgie, maar dat men probeert onder woorden te brengen wat men mist. Vaak is dat de hierboven geschetste confronterende prediking. Dan is wel de vraag: waarom wordt deze vorm van preken zo gemist? Is er iets misgegaan in de overdracht?

Bij het maken van preken, zijn twee kanten te onderscheiden. De principiële kant: preken is het aanspreken van de gemeente in de naam van Christus. Maar er is ook altijd een praktische kant: Hoe doe je dat? Welke woorden gebruik je? Hoe gaat dat aanspreken van de gemeente? Welke plek neemt dat in de preek in? Dat zijn punten die iemand niet komen aanwaaien als hij een preek moet maken. Er moet op geoefend worden. Er moet nagedacht worden over wat goede praktijken zijn en wat niet.  We staan voor de uitdaging deze stijl opnieuw uit te werken voor deze tijd.

Geen materialen
Wat mij opvalt, is dat er nauwelijks materiaal is, waarin nagedacht wordt over een preekstijl waarin het confronterend aanspreken van de gemeente een plaats heeft. Als er geen materiaal voor is, is er kennelijk ook geen aandacht voor. Dan is het ook niet verwonderlijk dat deze preekstijl niet meer gehanteerd wordt.

Maar het ontbreken van het materiaal kan nooit de enige verklaring zijnvoor het uitblijven van een confronterende manier van preken. Heeft dat misschien met deze tijd te maken, waarin we niet veel meer van elkaar als gelovigen durven vragen en elkaar niet meer durven aan te spreken? Bijvoorbeeld uit angst dat mensen wegblijven of overstappen naar een andere gemeente?

Toch blijft een confronterende prediking nodig. “Zeg waar het op staat”, zeggen gemeenteleden weleens tegen mij. “Pak ons bij de lurven als het nodig is.”

Ik heb moeten leren dat gemeenteleden soms zo’n confrontatie nodig hebben om verder te groeien in geloof. Dat vraagt van mij wel, dat ik die confrontatie aandurf. En dat kan alleen als ik als predikant de gemeente ken in de sterke en zwakke kanten. Zo’n confrontatie werkt alleen als ik als predikant respect heb voor de gemeente. Ook is geloof nodig, dat God zelf de gemeenteleden door middel van de preek aanspreekt.

Verschenen in Maandblad Réveil. Bewerking van een eerder blog. 

Waar blijven de mannen?

Waar blijven de mannen?

Op 17 september wordt het preekfestival in Amersfoort gehouden. Wie naar de aangeboden workshops kijkt, ziet dat er aandacht is voor veel doelgroepen: kinderen, jongeren, ouderen, zelfs meerdere workshops over vrouwen. Als deze doelgroepen zo nadrukkelijk aandacht krijgen is het opvallend dat één doelgroep ontbreekt: de mannen.

Dat past bij de signalen, die aangeven dat mannen het moeilijk hebben in de kerk, omdat er geen specifieke aandacht voor hen is. In Duitsland waarschuwen de mannenbewegingen binnen de katholieke als de grootste protestantse kerk al geruime tijd, dat mannen afhaken. De Männerarbeit der EKD heeft berekend dat het aandeel mannen onder de kerkverlaters beduidend groter is dan het aandeel van vrouwen. In 2017 lieten in de leeftijd van 25-39 jaar 113.000 mannen uitschrijven tegen 81.000 vrouwen.

David Kuratle en Christoph Morgenthaler, die een boek schreven over pastoraat aan mannen, houden er rekening mee, dat mannen zich er op moeten instellen dat zij een minderheid zijn binnen het ambt, onder de kerkbezoekers en bij kerkelijke activiteiten. Kuratle en Morgenthaler schatten, dat slechts 30% van de pastorale gesprekken met mannen wordt gevoerd. Zij signaleren zelfs dat mannen geregeld door hun vrouwen buiten het pastorale gesprek gehouden worden. Vaak met de opmerking dat ze niets met de kerk of het geloof hebben.

Als ik aankaart, dat er binnen de kerk weinig aandacht is voor mannen, krijg ik steevast de reactie dat de kerk lange tijd toch een mannenbolwerk is geweest. Daaruit spreekt impliciet de gedachte, dat er oog is geweest voor alle mannen. Uit onderzoek blijkt echter dat lang niet elke man zich identificeerde met de mannen die aan het roer stonden. Dat mannen dominant zijn in de kerk, wil nog niet zeggen dat participatie in de kerk voor mannen aantrekkelijk is.

De manier waarop de mannen, die de leiding hebben in de kerk, zich presenteren en gedragen kan een drempel zijn. Niet alleen de thema’s, die in de preek aan de orde komen, kunnen voor een afstand zorgen, maar ook de manier waarop er over mannen gesproken wordt.

Clichématige beelden over mannen hebben vaak de overhand in de exegese. In deze weken ben ik bezig met de verhalen over Jakob. Daarin kan Ezau gemakkelijk overkomen als de echte man: een avonturier, een jager die erop uittrekt en zijn grenzen verlegt, terwijl Jakob een moederskindje is die zich in de buurt van de tent ophoudt. Deze clichébeelden ontnemen de boodschap op de betekenis van deze verhalen, die de lezer de twee wegen uit Psalm 1 willen voorhouden.

Waar in de exegese al enkele decennia aandacht is voor de manier waarop de Bijbel vrouwen ten tonele voert, is er sinds enkele jaren pas aandacht voor de manier waarop de Bijbel over mannen bericht. Daarbij is het goed de verhalen niet vanuit onze eigen beelden en verwachtingen te lezen, maar nauwkeurig te lezen hoe de personages worden uitgebeeld.

Dat de relatie van mannen met geloof en kerk zo moeizaam is, komt doordat zij minder dan vrouwen geneigd zijn om in religieuze taal te spreken of hun ervaringen religieus te duiden. Door hun opvoeding of door de beelden die zij hebben meegekregen over man-zijn, zijn mannen van bepaalde generaties vaak niet goed in staat om te spreken over hun gevoelens. In een tijd waarin gevoel en beleving steeds meer aandacht krijgen en steeds meer eisen worden gesteld aan communicatie en empathie hebben zij het moeilijk. Daarbij komt, dat als mannen hun leven of over geloofsbeleving spreken, zij vaak begrippen gebruiken die bij vrouwen tegen de borst stuiten.

Er is nog een hele wereld te winnen volgens Reiner Knieling, die zich vanuit zijn interesse voor contextualisatie van het evangelie zich bezig houdt met het thema mannen & de kerk. Het mooiste zou er volgens hem zijn als er – in navolging van de feministische theologie – een leerstoel zou komen voor een specifiek op mannen afgestemde theologie, waarbij alle theologische disciplines hun bijdrage leveren.

Ps. Ik ben gewoon op het preekfestival te vinden en aan enkele workshops deel te nemen.

Moeten mannen over hun innerlijke gevoelens kunnen praten?

Moeten mannen over hun innerlijke gevoelens kunnen praten?
– Pastoraat aan en door mannen; Blog 2

In mijn vorige blog, waar ik een introductie gaf op pastoraat aan mannen, meldde ik dat mannen vaak anders communiceren dan vrouwen. Mannen communiceren over hun innerlijke gevoelens door te vertellen over wat zich buiten hen afspeelt. De vraag die daarbij opkomt is: moeten mannen wel over hun innerlijke gevoelens kunnen praten?

(Een intermezzo, omdat ik even afstap van de lijn van het boek van Kuratle & Morgenthaler) 

Voordat ik iets meer zeg over deze vraag, eerst even een voorbeeld van hoe mannen praten over hun innerlijke gevoelens door te praten over iets dat buiten hen is:

Een keer klaar
Een predikant-in-opleiding komt in het ziekenhuis op bezoek bij een man van 33, die een bedrijfsongeval heeft gehad. Als de predikant-in-opleiding de zaal betreedt, staat de man bij het raam en kijkt naar buiten. Wanneer de predikant-in-opleiding aan de man vraagt hoe het gaat, vertelt hij dat hij nog een keer onder het mes moet, omdat zijn arm niet wil.

Patiënt: ‘Ik weet dat mijn elleboog stijf blijft. Daar heb ik mij al bij neergelegd. maar nu moet het toch een keertje klaar zijn? Misschien kan ik mijn arm helemaal niet meer gebruiken of moet mijn arm eraf. Weet u, dominee, dan vraag je je toch echt af of onze lieve Heer dat wel wil? Ik kan toch niet voor invalide gaan spelen? Met 33 jaar arbeidsongeschikt zijn? Nee, dat wil ik niet?’
Predikant-in-opleiding: ‘Ben je bang dat je niet meer zult kunnen werken?’
Patiënt: ‘Niet meer is teveel gezegd. Maar aan een bureau hangen en rekeningen betalen, dat is niets voor mij.’
Predikant-in-opleiding: ‘Misschien heeft je baas nog wel ergens een plek voor je, waar je kunt doen wat je wel leuk vindt?’
Patiënt: ‘Ach, dan moet ik steeds mijn arm meeslepen. Dan vraag je je toch af, waar ik het aan verdiend heb om met 33 jaar al invalide te zijn? Of kijk naar die Pool’ (hij wijst naar de man verderop in de zaal. ‘Hij is hier gekomen omdat hij hier een paar cent meer kon verdienen dan thuis. En nu heeft hij bij een bedrijfsongeval zijn beide benen verloren. Heeft thuis vrouw en kinderen? Dan vraag je je toch af: waarom zit deze wereld zo in elkaar?

Wel aangevoeld?
Als de predikant-in-opleiding dit gesprek in zijn intervisiegroep inbrengt, komt de vraag op of hij wel aangevoeld heeft wat de man, die hij bezocht, bezig hield. Er is een gesprek over het verlies van zijn arm en van zijn werkplek. Hij verwijst ook naar een man die ook een ernstig bedrijfsongeval heeft gehad. Wat houdt de man bezig?

Het is niet zijn verlies van werkplek, want daar is nog wel een mouw aan te passen. Het gesprek begint ermee, dat hij zich afvraagt of hij nu niet genoeg operaties heeft ondergaan. Hij meldt dat hij onzeker is of hij zijn arm nog wel kan behouden. Nu heeft hij zijn arm nog wel. Verderop in zijn gesprek verwijst hij naar iemand die al wel lichaamsdelen is kwijtgeraakt.

Bang
Dat geeft het vermoeden dat deze man bang is om zijn arm te verliezen. Hij wil heel graag zijn arm behouden en heeft zich erbij neergelegd dat zijn arm niet helemaal meer zal doen wat hij wil. Blijkbaar is hij bang dat hij, als zijn arm moet worden geamputeerd, hij meer verliest dan zijn arm. Wellicht iets aan zijn status als goede werknemer, als man, als sporter. Of vul maar in.

De angst dat zijn lichaam niet meer compleet zal zijn en dat hij daardoor aan status verliest, verwoordt hij door te vertellen over de operatie, over zijn arm die niet wil en zijn zaalgenoot die uit Polen komt en reeds twee benen is kwijtgeraakt.

Noodzakelijk?
Is het nodig dat hij over zijn innerlijke gevoelens weet te praten? Is het voor elke man noodzakelijk om dat te kunnen? Moet je als gesprekspartner niet accepteren dat het typisch iets voor mannen is om dat niet te kunnen?


De rol van innerlijke gevoelens
Om daar een antwoord op te kunnen geven, is het nodig om te kijken naar de rol die innerlijke gevoelens spelen. Innerlijke gevoelens geven vaak feilloos aan hoe iemand zich op een bepaald moment of in een bepaalde situatie voelt.

Zeker in gesprekken en relaties spelen de innerlijke gevoelens een rol. Zij laten voelen of iemand blij is met de opmerking van een gesprekspartner. Of registreren dat iemand door een opmerking, door een gebaar of een gezichtsuitdrukking wordt herinnerd aan iemand anders, die een belangrijke rol in zijn of haar leven speelde.

‘Doe de deur even dicht!’
Als een vrouw in de woonkamer tegen haar man zegt: ‘Doe de deur even dicht!’ kunnen daar verschillende innerlijke gevoelens bij bovenkomen.
Het kan het gevoel zijn van hulpvaardig willen zijn. De opdracht kan ook een gevoel van irritatie opleveren, omdat er sinds hij is thuisgekomen nog niet het idee heeft gehad dat er echt contact is geweest. Ze heeft hem niet echt gezien sinds hij thuisgekomen is en nu heeft ze hem opeens nodig, omdat ze zelf niet naar de deur wil lopen.

De opdracht of de intonatie kan herinneren aan zijn eigen moeder, met wil de man niet echt een goede band had, omdat hij steeds weer klusjes moest doen zonder dat hij voelde dat zijn moeder hem waardeerde. De opdracht kan verkeerd vallen, omdat de man vindt dat het er op lijkt dat zijn vrouw hem probeert op te voeden. Hij doet de deur niet dicht en denkt bij zichzelf: ‘Ik ben geen kind!’

Stemming
Een eenvoudige opdracht kan dus verschillende innerlijke gevoelens oproepen, die signaleren hoe de relatie op dat moment is tussen de man en de vrouw. Die gevoelens geven ook aan hoe de stemming van de man is. Deze gevoelens sturen de reactie van de man aan.

Als hij het gevoel heeft dat hij zich nuttig kan maken, zal hij wellicht vrolijk aan tafel gaan bij de maaltijd. Wanneer hij het gevoel heeft, dat zijn vrouw hem nog niet echt gezien heeft, zal hij met een innerlijke distantie aan tafel gaan en zich afwezig gedragen of kribbig reageren op alles wat zijn vrouw zegt.

Wanneer hij vindt dat zijn vrouw hem als een kind probeert op te voeden, kan hij zich kinderachtig gedragen. Ook als zijn vrouw hem ergens herinnert aan zijn dominante moeder, zal de man niet gelukkig aan tafel zitten en op zijn hoede zijn.

Waarnemen van innerlijke gevoelens
In contacten en relaties is het daarom belangrijk om de innerlijke gevoelens waar te nemen en te luisteren wat zij te zeggen hebben. Want zij geven aan hoe je je op dat moment in die relatie bevindt en wat er allemaal speelt.

Het ingewikkelde is vaak, dat die gevoelens onbewust waargenomen worden. Iemand voelt wel dat er iets aan de hand is, en merkt ook dat hij vanuit die gevoelens reageert. Vaak gebeurt dat echter zo impliciet en tussen de regels, dat de ander nooit opmerkt wat er aan de hand is.
Behalve dat de relatie stroef verloopt. ‘Er is weer wat op zijn werk gebeurt en hij reageert het op mij af’, denkt de vrouw. Ze voelt zich gepikeerd, want ze heeft haar best gedaan op de maaltijd om te laten zien dat ze echt voor haar man wil zorgen. Ze vindt dat hij ondankbaar is.

Niet geleerd
Mannen hebben vaak niet geleerd hun innerlijke gevoelens waar te nemen en daarnaar te luisteren. In hun opvoeding werd daar niet over gesproken. Ze hadden geen vader die dat deed. Als vrienden onderling, praatten ze over heel wat andere zaken. Onbewust kregen ze misschien mee, dat een man die zijn emoties toont een zwakkeling is en ze grendelden de toegang tot hun innerlijk af. Of ze schaamden zich voor hun innerlijke gevoelens, omdat het geen fijne emoties waren: schaamte, boosheid, wrevel. Of het is onmacht om aan te kunnen haken de gesprekken aan tafel, omdat er al van binnen een distantie was.

Congruentie
In de psychologische hulpverlening is congruentie van belang. Congruentie betekent, dat iemand in staat is om waar te nemen wat er in een situatie of na een opmerking van binnen gebeurt. Congruentie betekent ook dat iemand naar aan de ander in het gesprek of in het contact laat merken wat er van binnen gebeurt.

Zonder verwijt
Als een man in de opdracht van zijn vrouw om de deur dicht te doen, het gevoel heeft dat zij hem nog niet echt heeft gezien, kan hij dat verwoorden. Als iemand net naar zijn gevoelens heeft leren luisteren, zal dat als een verwijt gebeuren: ‘Hé, je merkt dus toch dat ik er ben.’ Hoe klinkt het zonder verwijt? ‘Ik merk dat we samen een belangrijke stap is overgeslagen. We hadden even moeten signaleren dat we er weer zijn. Ik ben binnengestapt zonder te signaleren dat ik thuis ben en jij hebt had ook duidelijker kunnen laten weten, dat je zag dat ik er weer was.’ Dan komt er ook ruimte om te vertellen, waarom iemand zo binnenstapt of de ander niet nadrukkelijk reageert op de binnenkomst.

Verwoorden
Is het noodzakelijk dat een man over zijn innerlijke gevoelens kan spreken? Noodzakelijk niet, maar het maakt een relatie wel eenvoudiger als hij in staat is om te verwoorden wat er van binnen speelt.

Daarbij kan het nodig zijn dat de gesprekspartner ook een stap zet naar de man toe, die niet goed in staat is om zijn innerlijk waar te nemen. De vrouw had de binnenkomst van haar man wat nadrukkelijker kunnen signaleren. Door even te stoppen met haar werkzaamheden. Door oog en oor te hebben voor hoe zijn dag was en door te laten merken dat ze het fijn vindt dat hij er weer is. Door hem te helpen om de omschakeling van zijn werk naar thuis te maken, zodat hij thuis ook echt aanwezig kan zijn als aanwezige echtgenoot en vader.

Bouwstenen voor conflict
Het is daarbij van belang om de manier van communiceren van zichzelf en van de ander te begrijpen. De vrouw kan bij binnenkomst van haar man ook allerlei innerlijke gevoelens waarnemen, die bouwstenen opleveren voor een conflict. Omdat zij zich niet gezien voelt. Omdat hij aan haar vader doet denken. Omdat zij voorziet dat de maaltijd weer een bron van ergernis wordt. Omdat zij denkt: ‘Moet ik hem alweer opvoeden?’

Van belang is ook om goed te luisteren en te registreren wat de man zegt en aan te voelen, waarom hij dat zegt. Niet door in te vullen, maar ook door te checken of een bepaalde gedachte klopt. In het gesprek met de man in het ziekenhuis had de predikant-in-opleiding verscheidene mogelijkheden aan te haken bij wat de man letterlijk zei en daarmee de gevoelslaag aan te boren, die de man eigenlijk wil communiceren:
– ‘Nog een operatie…!’
–  ‘Je arm wil nog steeds niet!’
– ‘Je bent er voorlopig nog niet klaar mee!’
– ‘Dat ongeval heeft echt een impact voor je!’
– ‘Zo, dat is niet niets.’
– ‘Na die operatie moet alles goed zijn?’
Wanneer een pastor in staat is om door middel van de juiste woorden de gevoelslaag te bereiken, geeft de pastor erkenning aan de man. Door die erkenning is de man meer in staat om zijn angst waar te nemen. De pastor helpt dan ook de patiënt om te vertellen wat hem hem werkelijk bezig houdt.

Tempo in het gesprek
Wat ik nog niet verwerkt heb, is het tempo in gesprekken. Omdat mannen vaak niet geleerd hebben om naar hun innerlijke gevoelens te luisteren, kost het hen tijd om in een gesprek antwoord te geven op een vraag naar hoe zij iets zien of beleven. Daarbij komt dat ze vaak ook testen of het gesprek veilig genoeg is om wat zij zelf vinden in te brengen. Is het gesprek niet veilig genoeg, dan trekken ze zich uit een gesprek terug. Of kiezen ze ervoor om over hun innerlijke gevoelens te praten door iets dat zich buiten hen afspeelt. Daarom is ook de Rogeriaanse voorwaarde acceptatie van groot belang voor een goed gesprek.

Verwijzingen naar andere blogs:
– Een psychologisch model van gespreksvoering, waarbij nadrukkelijk naar de innerlijke emoties gekeken wordt, is het model van Friedemann Schulz von Thun.

 

 

Pastorale gesprekken met mannen

Pastorale gesprekken met mannen
– blog 1: introductie

Waar blijven de mannen? Het viel David Kuratle en Christoph Morgenthaler dat mannen in pastorale gesprekken vaak ontbreken. Kuratle en Morgenthaler zijn beiden theoloog met een grondige training in psychologische hulpverlening. Kuratle is predikant en Morgenthaler hoogleraar praktische theologie. Beiden hebben ze zich bekwaamd in de systematische benadering: aandacht voor de gesprekspartner in het pastorale gesprek of de therapeutische sessie in het geheel van de relaties die iemand heeft. Juist vanuit hun ervaring in de systematische benadering viel het hen op dat de mannen in pastorale gesprekken ontbreken.

Daarbij ligt het voor de hand om te denken dat mannen zelf geen behoefte hebben aan een pastoraal gesprek. Volgens cijfers van het telefoonpastoraat is slechts 30% van de bellers een man. Morgenthaler en Kuratle schatten dan ook dat zo’n 30% van de pastorale gesprekken binnen de gemeente door een man wordt aangevraagd.

David_Kuratle
David Kuratle

Niet aanwezig hoeft te zijn
Ze signaleren echter dat het ontbreken van de mannen in het pastoraat ook vanuit een andere zijde komt. Het komt nogal eens voor dat vrouwen die om een pastoraal gesprek vragen of zich voorbereiden op een kerkelijke gebeurtenis, zoals de doop, aangeven dat hun echtgenoot niet bij het gesprek hoeft te zijn. Hun echtgenoot is niet zo geïnteresseerd in de kerk, in het geloof, of spreekt er niet zo makkelijk over. Of kan juist de confrontatie zoeken als iemand van de kerk langs komt.
41LnJDxb3fL

In een systematische benadering is het van belang dat er aandacht is voor alle personen een een (gezins)systeem. Als de echtgenoot, die toch een belangrijk persoon in het gezinssysteem afwezig is tijdens een gesprek, kan hij zijn eigen visie niet geven. Er wordt door zijn echtgenote voor hem besloten dat hij niet geïnteresseerd is.

Ogenschijnlijke desinteresse
Het kan ook zijn dat achter de ogenschijnlijke desinteresse iets heel anders schuil gaat: De echtgenoot heeft niet de vaardigheid om aan de gesprekken over de kerk en het geloof mee te doen. De echtgenoot heeft heel andere verwachtingen van de kerk of andere beelden van God, maar voelt niet de ruimte om zijn perspectief in te brengen. De manier waarop het in de kerk gaat, spreekt hem niet aan. Hij mist de aansluiting met de andere mannen in de kerk. De levensvragen waar hij mee bezig is, komen niet aan de orde. De manier, waarop over mannen gesproken wordt, hun idealen, hun angsten en worstelingen doet geen recht aan wat hij beleeft. De desinteresse is een manier om zijn onmacht en onvermogen om over zijn eigen geloof, gevoelens of inzichten te spreken te camoufleren.
morgenthaler
Christoph Morgenthaler

Een andere benadering
Het zou wel eens kunnen zijn dat een andere benadering mannen wel de mogelijkheid geeft om betrokken te zijn op de kerk of een plek te geven in het pastorale gesprek. Ze schreven daarom samen het boek: Pastoraat aan en door mannen. Impulsen voor een pastorale praktijk die gevoelig is voor gender.

Kuratle & Morgenthaler willen zich niet beperken tot pastorale gesprekken met mannen alleen, maar zich richten op allerlei soorten ontmoetingen waarin mannen betrokken zijn. Ze hopen bij te dragen aan een pastorale praktijk in de kerken die sensibel is voor wat mannen bezighoudt.

Vraagstelling
De vraagstelling in het boek is: Welke mogelijkheden zijn er om het pastoraat zo vorm te geven dat mannen ruimte ervaren waarin hun interesses, vragen en verlangens serieus genomen worden en zij in geestelijk opzicht een stap verder kunnen zetten?

Daarbij komen een aantal vragen om de hoek kijken: Is er een verschil op te merken tussen pastorale gesprekken met mannen en pastorale gesprekken met vrouwen? Is er een verschil op te maken in manier waarop het gesprek gevoerd wordt en welke thema’s daarin aan de orde komen? Welke vragen en thema’s houden mannen eigenlijk bezig. Kuratle en Morgenthaler geven aan, dat deze vragen gek genoeg zelden zijn gesteld.

Theologische doordenking ontbreekt
Bovendien ontbreekt er een theologische doordenking van wat het betekent om man te zijn. Dit ondanks de kerkelijke mannenbeweging, die al enkele decennia binnen de kerk actief is. En ondanks de inzichten van de feministische theologie, die ook in het kader van het pastoraal veel inzichten heeft opgeleverd.

Minderheid in de kerk
In de laatste decennia is een kentering in de kerken waar te nemen. Mannen zijn in het kerkelijke leven vaak minder aanwezig dan vrouwen.  Op steeds meer plekken is het zo, dat vrouwen meer kerkelijke taken voor hun rekening nemen dan mannen. We gaan naar een tijd, waarin het merendeel van de predikanten vrouw is. Morgenthaler en Kuratle verbazen zich erover dat er nog geen onderzoek gedaan is, hoe dat voor mannen is om man tot de minderheid binnen de kerk te behoren of als man pastor te zijn in een kerk waarin het merendeel van de actieve personen vrouw is.

A-typisch persoonlijkheidsprofiel
Maar is de kerk in de afgelopen eeuwen niet altijd gedomineerd door mannen? Dat is wel zo, maar het is goed om te beseffen dat het vaak om een bepaald type mannen gaat. Zoals studies sinds de jaren-’90 laten vermoeden, ontmoeten mannen vaak pastores die in hun mannelijkheid afwijken van het gros van de andere mannen. Mannen die in de kerk werken hebben vaak in vergelijking met andere mannen een a-typisch persoonlijkheidsprofiel. Ook met mannelijke dominantie in de kerk kunnen mannen afhaken, omdat ze in de aanwezige mannen of de mannelijke predikanten hun manier van man-zijn niet terug zien.

Traditioneel beeld loslaten
Is pastoraat wel iets voor mannen? Volgens Kuratle en Morgenthaler is het in de ontmoeting met mannen niet verstandig om een traditioneel beeld van pastoraat te hebben. In onderzoeken verwoorden ze zich vaak minder religieus dan vrouwen, terwijl het maar de vraag is of ze minder religieus zijn. In hun zoektocht naar zin gaan ze vaak liever eigen wegen.
In hun boek laten Kuratle en Morgenthaler zien dat mannen vaak meer vragen over geloof en de kerk (zoals de theodicee) hebben dan vrouwen en dat ze zich daardoor meer op een afstand houden van kerk en geloof, omdat ze geen ruimte voelen hun vragen te uiten of te houden.
19f8a7
In pastorale gesprekken met mannen moeten daarom soms nieuwe wegen ingeslagen worden, of duidelijkheid gegeven worden wat pastoraat is. In een aantal gevallen is pastoraat niet vanzelfsprekend en moet er ‘gestoeid’ worden om helder te krijgen wat pastoraat is of zelfs flink ‘gestoeid’ worden om een pastoraal gesprek voor elkaar te krijgen.


Geen kant-en-klare uitspraken
In pastorale gesprekken werkt het vaak niet om theologische uitspraken kant-en-klaar in het gesprek te droppen. Ook in gesprekken met mannen gaat dat niet werken: theologische uitspraken slaan dood of bewerken het tegendeel als ze niet in het proces van het gesprek betrokken zijn of in respect, empathie en authenticiteit tot uitdrukking komt. Alleen als dat gebeurt wordt iets van het wezen van het evangelie zichtbaar.


Innerlijke gevoelens
Voor predikanten zijn pastorale gesprekken met mannen niet altijd eenvoudig, omdat ‘mannen vaak over hun innerlijke gevoelens spreken door over iets in de wereld buiten hen te spreken. Zij ordenen hun innerlijke wereld door de buitenwereld te ordenen.’ De weg van de Seelsorgebewegung is duidelijk: aan mannen moet dmv accepterende en empathische toewending door (gesprekken over) deze buitenwereld heen een weg naar het innerlijk worden geopend. Of mannen hun innerlijke wereld kunnen en willen openen, wordt verder geëxploreerd.

‘Kunstmatige vereenzaming’
Volgens de psychotherapeuten W. Neumann & B. Stüfke hebben mannen in hun socialisatie geleerd om juist over uiterlijke dingen te spreken wanneer ze eigenlijk over hun innerlijk (willen) spreken. Zij hebben geleerd om zich van hun innerlijk te distantiëren. Voor therapie met mannen betekent dat vaak een confrontatie om hen uit hun “kunstmatige vereenzaming” te lokken. In deze confrontatie sluit de therapeut letterlijk aan bij wat de man zegt. De therapeut wordt dan als bedreigend, brutaal of “een moment lang als vijand” beleefd. Doel van deze confronterende benadering is om in direct menselijk contact met de gesprekspartner te komen en de cliënt in staat te stellen meer contact met zichzelf te vinden.

Inzichten uit de psychotherapie met mannen
Volgens Kuratle en Morgenthaler zijn de volgende inzichten vanuit de therapeutische gesprekken met mannen van belang:

(1) Zelfreflectie als basis: Het is van belang dat een therapeut gereflecteerd heeft (en dat in de therapeutische gesprekken ook blijft reflecteren) op hoe zijn of haar eigen biografie als man of als vrouw is gevormd, welke manier van waarnemen hij of zij heeft, hoe hij of zij handelt. Daarmee kunnen zij mannen, die in hun socialisatie en in de maatschappij waarin ze leven tegenstrijdige visies op hun rollen meegekregen hebben, op een open manier ontmoeten. Door zelf gereflecteerd te hebben kunnen zij de mannen, die bij hen in therapie komen, helpen om kritisch met hun eigen beelden over hun mannelijkheid om te gaan en hen aanmoedigen om hun leven zo te leiden, zoals ze zelf zouden willen.

Houding
(2)
Houdingen: Echtheid, acceptatie en empathie zijn voorwaarden om het vertrouwen van mannen te krijgen, om zich aan het tempo van mannen aan te passen en om met hun nieuwe gedragingen die voor hen ongewoon zijn te oefenen.

Mannen waarderen discussie, uitdaging en confrontatie, die hen ertoe brengen om de vanzelfsprekendheden die ze hebben ter discussie te stellen. Dit kan hen helpen om bolwerken van afweer te verlaten en een nieuwe weg te wagen. Een omzichtige omgang met (gevoelens van) schaamte helpt hen om zich te openen. Humor, gevoel voor het absurde en woordkunst helpen om hen weg te lokken bij wat zich bij hen heeft vastgezet aan gewoonten, beelden, gedragingen.

Meervoudig partijdig zijn helpt mannen om zich in hun relaties op een nieuwe manier te zien en hen in beweging te brengen.

Relaties
(3) Vormen van relaties en reflectie op relaties: Een gescherpte opmerkzaamheid voor vormen van overdracht en tegenoverdracht, waar speciaal mannen mee te maken hebben, voor macht en concurrentie, voor nabijheid en erotiek schept voorwaarden om vastgeroeste patronen en beelden over wat een man is of hoort te zijn opnieuw te overdenken. Het is handig als een therapeut in staat is om te spelen met de gebruikelijke therapeutische regels, om mannen zover te krijgen dat zij bereid zijn om zich te veranderen of anders te gedragen.

Sinds de eeuwwisseling komen therapeuten in toenemende mate mannen tegen, die minder door het traditionele beeld van mannen is gevormd. Zij engageren zich meer in hun gezin, hebben makkelijker toegang tot hun emoties en hebben begrip voor een gelijke behandeling. Zij zijn eerder bereid om zich in (relatie)therapie in te zetten. Ondanks deze verandering hebben ze nog wel te maken met tegenstrijdige beelden over wat een man is of hoort te zijn.

Volgende bijdrage: een intermezzo over de vraag of mannen wel over hun emoties moeten kunnen spreken.

N.a.v. David Kuratle & Christoph Morgenthaler, Männerseelsorge. Impulse für eine gendersensible Beratungspraxis (Stuttgart: Verlag W. Kohlhammer, 2015) 7-32.

Als christen toegerust voor een taak in de wereld

Als christen toegerust voor een taak in de wereld
Proefschrift van Marinus de Jong over de visie van Klaas Schilder op kerk & wereld

Hebben christenen nog iets te zoeken in deze samenleving? Of is bijdragen aan de samenleving juist hun opdracht? Voor Klaas Schilder – bekend dan wel berucht van de vrijmaking in 1944, maar ook in vergetelheid geraakt – was dat geen vraag. Zijn visie op kerk, cultuur en maatschappij was onderwerp van promotieonderzoek.

Nederlandse christenen zijn onderdeel van een multireligieuze samenleving: er zijn nog meer religies. Daarnaast is de invloed van het christelijk geloof op de samenleving veel minder groot dan vroeger. Daarom kunnen we ook spreken van een postchristelijke samenleving. 

Dat roept vragen op naar de plek en de rol van de kerk in deze multireligieuze, postchristelijke samenleving: Moet de kerk zich volop inzetten in deze samenleving om zo het christelijk geluid te laten horen of moet de kerk zich juist afzonderen omdat de ontwikkelingen in de samenleving haaks staan op het evangelie? Moeten christenen maatschappelijke en politieke verantwoordelijkheid nemen of brengen ze zich dan in situaties, waarin ze maatregelen moeten nemen die afbreuk doen aan het christelijk geluid in de samenleving?

Marinus de Jong, sinds kort predikant van de gereformeerd-vrijgemaakte Oosterparkkerk in Amsterdam-West, promoveerde op 6 juni aan de Theologische Universiteit Kampen op deze vraagstelling. Hij deed in de afgelopen jaren onderzoek naar de theologie van Klaas Schilder (1890-1952), waarbij hij de visie van Schilder vruchtbaar wilde maken voor het heden.
D8Y-schXoAEfK1-

Dat hij Klaas Schilder als inspiratiebron nam, is verrassend. Zelfs voor iemand die onderzoek deed in Kampen. Want Schilder is een theoloog, die in de vergetelheid is geraakt. Zelfs in Kampen. 

Polemisch
De erfenis van Schilder in de Vrijmaking riep in de afgelopen decennia – zeker na de opening van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt – vooral verlegenheid op, omdat de theologie van Schilder vaak erg polemisch was.

Dat Schilder niet meer gelezen wordt, kan ook te maken hebben met een bepaald beeld van Schilder, dat werd doorgegeven. Dat was een beeld waarin alle spanning was weggehaald, en een beeld dat bepaalde Vrijgemaakten goed uitkwam.

Toen zijn leerlingen en volgelingen artikelen gingen heruitgeven, lieten ze ook wel artikelen weg die niet goed pasten bij het beeld van Schilder dat ze wilden doorgeven.

De Jong gaat achter dat beeld terug en wil laten zien dat Schilder soms moest zoeken naar zijn weg. Dat zijn theologie veel meer spanningen kende dan leerlingen wilden toegeven. Door die spanningen wordt de theologie van Schilder weer boeiender.

Schilder is zijn hele leven bezig geweest met de vraag, hoe de kerk zich moest opstellen in de wereld. Zelf afkomstig uit een arm arbeidersmilieu, ontwikkelde hij zich en klom zelf op tot professor. Voortdurend was hij bezig om in zijn eigen achterban te benadrukken, dat de kerk zich niet afzijdig moest houden van de wereld, maar daar haar plaats moest innemen.
Kaft-K-Schilder
Schilder stelde dat de mens een medewerker van God is en door God wordt gebruikt om Zijn weg in deze wereld te gaan. Voor Schilder was het ‘ambt van alle gelovigen’ van groot belang. Gelovigen waren vrijgekocht uit de zonde en waren nieuwe mensen geworden, die Gods gebod in praktijk konden brengen. Niet alleen de mensen aan de top zoals ambtsdragers en hoogleraren moesten hun bijdrage leveren, maar ook het gewone gemeentelid.

Vanuit de zondagse eredienst – voor Schilder het startpunt van het ambt van alle gelovigen – werden ook de gewone gemeenteleden in staat gesteld om hun bijdrage te leveren in de wereld: op hun werk, in het vrijwilligerswerk, in kunst en cultuur.

Zo’n bijdrage leveren, was volgens Schilder een goddelijk gebod. Wie zich daaraan onttrok, was ongehoorzaam aan Gods gebod. De Jong noemt deze lijn ‘kerk in de breedte’.
the-church-is-the-means-the-world-is-the-end-215x300
Cultuur
In de ogen van Schilder was de aarde niet een voorspel van de hemel (of van de hel), maar had de tijd hier op aarde een eigen waarde voor God. In deze tijd werkt God. Volgens De Jong is het handelen van God in de tijd hier op aarde de belangrijkste kern van Schilders theologie.

Dat handelen van God gaat al terug op de schepping. Bij de schepping van de mens kreeg de mens de opdracht om in de cultuur te werken. In het paradijs was er een eenheid van geloof en cultuur. Bij de zondeval raakte die eenheid versplinterd en koos de gelovige voor geloof en de ongelovige voor cultuur.

Zonder geloof is de cultuur echter onvolledig, hoe indrukwekkend de cultuuruiting ook kunnen zijn. Met de komst van Christus werd de eenheid van cultuur en geloof weer hersteld.

De nieuwe mensen, die door Christus zijn vrijgekocht, geven de cultuur een waarde, die een ongelovige niet kan geven.

Deze visie had wel nadelen. Hervormde theologen als Noordmans en Miskotte zagen deze opvatting leiden tot arrogante christenen, die wel weten hoe het zit. Daarnaast vonden ze dat deze visie te weinig kritisch was op de cultuur en daarmee een wereldgelijkvormigheid in huis haalde.

Noordmans en Miskotte hadden echter geen oog voor de sociale achtergrond van Schilder en zagen niet dat Schilder zijn eigen achterban wilde laten emanciperen.

Ware kerk
Een ander nadeel van deze visie is dat de nieuwe mensheid samenvalt met de concrete kerk. Het is dan een kleine stap om te zeggen dat je eigen kerk de ware kerk is. Schilder heeft dat nooit willen beweren en na de Vrijmaking in 1944 streed hij tevergeefs tegen die duidelijke koppeling die bepaalde Vrijgemaakten wel maakten.

Helemaal ongelijk hadden ze niet, omdat Schilder met zijn koppeling tussen de nieuwe mensheid en de concrete kerk wel die suggestie wekte.

Schilder streed echter niet voor de ware kerk. Hij was realistisch genoeg om te beseffen dat een kerkgenootschap nooit een ware kerk kon zijn, omdat het leven hier op deze aarde per definitie onaf is. Het gaat alleen om de wettige kerk. Daar zette hij zich voor in.

Om die reden polemiseerde hij met de Nederlands Hervormde Kerk, die door het kwijtraken van de binding aan de belijdenis volgens hem geen wettige kerk meer was. Omdat Schilder zich inzette voor een wettige kerk, hield hij zich veel bezig met de belijdenis en met de formele kant van kerkzijn, zoals de kerkorde en de vraag hoeveel pluriformiteit een kerk aankon.

Juist omdat het nadenken over de wettige kerk hem zo bezig hield, raakte het conflict in 1944 – dat uitliep op de Vrijmaking – hem diep. Vanwege meningsverschillen over de leer, die voor de oorlog hoop opliepen, wilde men in de oorlog duidelijke keuzes maken. Om vaart te maken, verlengde de synode de eigen zittingstermijn.

In Schilders ogen verloor de synode daarmee het gezag. Zeker toen de synode keuzes maakten, die tegen zijn visie inging, verzette hij zich tegen deze in zijn ogen niet-rechtsgeldige synode. 

Toen deze synode hem schorste, raakte dat hem persoonlijk diep. Naar zijn idee was hij aangepakt op de kern van zijn theologie. De schorsing door de synode was een traumatische ervaring voor hem.

De gevolgen waren echter paradoxaal. De groep die meegingen in de Vrijmaking begonnen vol bewijsdrang een nieuwe zuil op te bouwen. Soms tegen de zin van Schilder in.

De ‘synodalen’ (in de termen van Schilder: ‘synodocratischen’) bleven verdoofd achter. De Vrijmaking is een van de grote raadsels van de Nederlandse kerkgeschiedenis.

Eigenheid
Voor De Jong is het nadenken over de wettige kerk en het staan op Schrift en belijdenis de kerk in de diepte. In zijn proefschrift wil hij beide lijnen van Schilder combineren: een robuuste kerk die betrokken is op een wereld die op veel punten van haar afwijkt. Daarbij waakt de kerk steeds voor haar eigenheid en laat ze zich niet teveel beïnvloeden door wat de wereld wil.

Tegelijkertijd betekent de eigenheid van de kerk niet een terugtrekken van de wereld. Juist die eigenheid krijgt gestalte in de samenleving. Het publieke karakter van de kerk, haar staan in de wereld, is wezenlijk voor haar geloofwaardigheid.

Een goed proefschrift roept altijd vragen op, die uitdagen om verder op onderzoek te gaan. Een van de vragen die zijn proefschrift oproept, gaat over Schilder zelf. Er gebeurt iets in de jaren ‘30, waardoor de wind die Schilder eerst in de zeilen blies, zich tegen hem keerde en zelfs leidde tot zijn schorsing. Toen A.G. Honig als hoogleraar Dogmatiek aan de Theologische Universiteit Kampen moest worden opgevolgd, was Schilder de gedoodverfde opvolger. Als vanzelfsprekend werd hij het. Tien jaar later werd hij geschorst. Waren de verwachtingen die men had niet uitgekomen? Had hij zijn hand overspeeld?

Een andere vraag gaat over de praktische uitwerking van de kerkvisie die De Jong hier op basis van Schilders theologie neerlegt. De Jong pleit voor een kerk in de breedte en de diepte, een kerk die haar eigenheid bewaakt en tegelijkertijd volop haar rol heeft in de samenleving.

Mij werd alleen niet goed duidelijk hoe De Jong dat voor zich ziet. Bij Schilder – en ik vermoed dat De Jong hem hier volgt – gaat het via de gemeenteleden die op zondag in de kerk geweest zijn en daar aangevuurd zijn om hun taak op te nemen. Dan word ik nieuwsgierig: Wat voor soort kerkdienst is dat? Wat vraagt dat van de liturgie en de preek?

Naast deze vragen wil ik stellen dat De Jong Schilder terecht weer onder het stof vandaan haalt. Ontdaan van alle polemiek is Schilders theologie een waardevolle bijdrage om het gewone, dagelijkse leven als christen serieus te nemen. Dat dagelijks leven is niet alleen gezin of ethiek, maar ook werk, vrijwilligerswerk, kunst en cultuur.

Schilder daagt de gelovige uit om die terreinen niet te mijden. Persoonlijk zou ik iets voorzichtiger zijn met de identificatie van de gelovigen met de nieuwe mensheid, omdat de gevolgen van de zonde niet hier in het aardse bestaan al hersteld worden. Maar ook met die correctie biedt Schilder genoeg uitdaging om de roeping van God in onze samenleving als christen serieus gestalte te geven.

N.a.v. Marinus de Jong, The Church is the Means, the World is the End. The Development of Klaas Schilder’s Thought on the Relationship between the Church and the World (Uitgave: Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Kampen).

Gepubliceerd in Christelijk Weekblad