Het nieuwe atheïsme

Het nieuwe atheïsme

Tegelijkertijd met de terugkeer van religie kan er worden gesproken van een opkomst van een nieuw soort atheïsme. Dit nieuwe atheïsme is een strijdbare vorm, die elke vorm van religie of geloof bestrijdt. De theoloog Ulrich H.J. Körtner gaat in discussie met het nieuwe atheïsme en concludeert dat de nieuwe atheïsten te weinig kennis van zaken hebben en de verschillende kanten van godsdienstigheid en de verschillen tussen de godsdiensten niet serieus nemen. Hij gaat allereerst in op de verhouding tussen het Christendom en de kritiek op godsdienst. Die verhouding is complexer dan bestrijders van religie voor waar willen hebben.

Het spreekt niet vanzelf om in God te geloven, aldus Körtner. Vooral het christelijk geloof is existentieel en intellectueel ongehoord! Dit geloof is niet irrationeel of absurd, maar wel paradox: geloven in een God die Zijn macht laat zien in de onmacht van een gekruisigde; geloven dat in de dood van deze gekruisigde het ware leven te vinden is en dat het leven zonder relatie met deze gekruisigde zo goed als dood is. Dit geloof is niet alleen een intellectueel gebeuren, maar ook een levenspraktijk. Zowel het gedachtengoed dat bij het christelijk geloof hoort als de levenspraktijk worden voortdurend onder kritiek gesteld.

Kritiek op religie
Godsdienstkritiek is een begrip met meerdere betekenissen en uitgangspunten:
(1) Religiekritiek kan vanuit het perspectief van de buitenstaander gebeuren. Bijvoorbeeld vanuit een filosofisch, godsdienstwetenschappelijk, antropologisch of cultuurwetenschappelijk perspectief. In deze kritiek gaat het erom hoe anderen over een godsdienst oordelen. Dat is wat anders dan hoe aanhangers van deze godsdienst zelf over hun godsdienst oordelen.
(2) Religiekritiek kan vanuit een binnenperspectief gebeuren. Het kan hier gaan om (a) kritiek op de eigen godsdienst of (b) vanuit de eigen religie kritiek op een andere godsdienst.
(3) Religiekritiek kan ook gebeuren vanuit een duidelijk anti-religieus standpunt. Dan gaat het erom om religie te bestrijden of het schadelijke van een religie aan te tonen voor individuen of voor de maatschappij.

Christelijk geloof en religiekritiek
Nu is het zo dat het christelijk geloof niet per definitie afwijzend staat tegenover kritiek op religie. De verhouding tussen christelijk geloof en religiekritiek is een complexe relatie:

* In de ontstaansperiode in de Grieks-Romeinse tijd werd het christelijk geloof door tegenstanders gezien als een vorm van atheïsme. Het verwijt aan het christelijk geloof om atheïstisch te zijn duikt in de 19e eeuw weer op in de strijd rondom Johann Gottlieb Fichte.

* Het christelijk geloof heeft zelf een kant die heel godsdienstkritisch kan werken. Denk aan het beeldverbod in het Oude Testament. Ook het kruis van Christus correspondeert met dit oudtestamentisch beeldverbod. Volgens Calvijn is het hart van de mens van nature een fabriek waarin (af)godsbeelden worden gefabriceerd.
Het beeldverbod leidde in de geschiedenis van de christelijke theologie tot een negatieve theologie. Deze negatieve theologie geeft aan dat God niet uitputtend te omschrijven is. In de christelijke traditie is de negatieve theologie niet dominant. Het hoofdaccent is dat God wel te beschrijven is – op basis van de openbaringen waar de Schrift over spreekt. De negatieve theologie herinnert er wel aan, dat God uiteindelijk niet door mensen te vatten is en het menselijk kennen overstijgt.

* In de christelijke traditie kan er naast een negatieve theologie ook worden gesproken over de verborgenheid van God. Dat het geloof in God aangevochten is en dat zijn bestaan betwijfeld wordt is dan geen uitdrukking van ongeloof, maar een ervaring van het geloof. Het christelijk geloof waarin een gekruisigde God centraal staat is een vorm van ‘zwak denken’ (Gianni Vattimo).

Het nieuwe atheïsme als reactie-beweging
In 2006 dook de typering ‘nieuw atheïsme’ voor het eerst op in een artikel van Gary Wolf, waarin Richard Dawkins, Sam Harris en Daniel Dennett werden getypeerd als de opperhoofden van een nieuwe ‘kerk van de nietgelovigen’ (church of non-believers). Tegenwoordig wordt ook Christopher Hitchens tot deze ‘opperhoofden’ gerekend.
Het nieuwe atheïsme reageert op verschillende ontwikkelingen in de afgelopen decennia:
1) Op de toenemende invloed van conservatieve religieuze groeperingen op de politiek
2) Op de poging van creationistische groeperingen om het creationisme erkend te krijgen als wetenschappelijk alternatief voor de evolutietheorie
3) Op het wegvallen van het door de staat gepropageerde atheïsme in de voormalige communistische landen.

Toenemende invloed van conservatieve godsdienstige groeperingen
In de afgelopen decennia is – in tegenstelling tot wat men verwacht had – in delen van de wereld de invloed van religie toegenomen. Ook de invloed op de politiek is toegenomen, zodat men zou kunnen spreken van een hertheologisering van de politiek. Denk aan de opkomst van de politieke islam, aan de invloed van ultra-orthodoxe Joden in Israël of aan de invloed van de evangelicalen in de VS. Deze toenemende invloed, vooral van meer conservatieve religieuzen is onverwacht. De Franse socioloog en politicoloog spreekt daarom van de ‘wraak van God’.
De terugkeer van religie is een ambivalent fenomeen. Aan de ene kant staat deze terugkeer voor een nieuwe zoektocht naar zin, waarin een onbehagen doorklinkt over het verlies van transcendentie en over de toenemende invloed van economisch denken en handelen op alle sectoren van de maatschappij. Daarnaast is die terugkeer van religie vooral een opkomst van individuele godsdienstigheid, een op het individu toegesneden mengelmoesje van elementen uit verschillende religieuze tradities die verbonden is met een kritische houding ten opzichte van bestaande instituties.
Het nieuwe atheïsme is een reactie op deze onverwachte invloed van conservatieve religieuze groeperingen op de politiek. De opkomst van het nieuwe atheïsme werd versterkt door de aanslagen van 11 september 2001.

Wetenschappelijke claim
De wereldbeschouwelijke basis van het nieuwe atheïsme is een materialistische visie op de wereld (naturalisme). Een kenmerk van het nieuwe atheïsme is de claim dat deze wereldbeschouwing wetenschappelijk onderbouwd is (onder andere door de evolutietheorie). Met deze wetenschappelijke claim reageert het nieuwe atheïsme op het creationisme en intelligent design. Bij het poneren van de wetenschappelijke claim van deze wereldbeschouwing gaat het niet om het oplossen van (natuur)wetenschappelijke vragen, maar om een wereldbeschouwing die ook tot fundering van ethisch handelen moet kunnen leiden.

Het nieuwe atheïsme als kerkgenootschap
Binnen de voormalige communistische landen was het de overheid die de religiositeit van de individuen ontmoedigde of zelfs bestreed. Het nieuwe atheïsme wil deze rol overnemen. Een van de redenen waarom gesproken kan worden van een nieuw atheïsme is het activistische van deze beweging: het doelbewust bestrijden van elke vorm van religie. Daarbij neemt dit nieuwe atheïsme paradoxaal genoeg allerlei religieuze elementen over. Nieuwe atheïsten kunnen zich bijvoorbeeld uiten in apocalyptische taal. Om hun doel, het actief bestrijden van elke vorm van religiositeit en elke invloed van religieuze groeperingen en instituten op de maatschappij, organiseren nieuwe atheïsten zich als een godsdienstige groepering.
Het nieuwe van het nieuwe atheïsme is dat men elk respect voor religiositeit of geloof in God afwijst. Men gaat zelfs zover dat men basale vrijheden ter discussie stelt, zoals het recht op vrijheid van geweten en godsdienstvrijheid. Daarbij zijn nieuwe atheïsten geregeld van mening dat de overheid deze vrijheden moet beperken, omdat godsdienst in hun ogen schadelijk is. Godsdienstigheid wordt geregeld gezien als een vorm van pathalogie

Open deur
Een kenmerk van het nieuwe atheïsme is dat men geen kennis heeft van atheïstische denkers en discussies over het atheïsme uit het verleden. Men heeft ook geen kennis van ontwikkelingen binnen bijvoorbeeld het christendom. Het nieuwe atheïsme neemt de verschillende godsdiensten en verschillende vormen van godsdienstigheid te weinig serieus.
De darwinistische verklaring van Dawkins voor het ontstaan van religiositeit door middel van mutatie en selectie is meer een ideologie dan een wetenschappelijk serieus te nemen denken over het ontstaan van godsdienst en godsdienstigheid.
Wanneer Richard Dawkins beweert dat men een goed mens kan zijn zonder aanhanger van een religie te zijn heeft hij moderne protestantse theologen aan zijn zijde. Reeds Schleiermacher in de 19e eeuw verwierp het idee dat godsdienst in de kern tot moraal te beperken is. De uiteindelijke onderbouwing van moraal is niet de godsdienst. Ook is het volgens Schleiermacher niet zo dat moraal per definitie om godsdienst vraagt. Voor hedendaagse protestantse theologen trapt Dawkins open deuren in. Vooral bij theologen die in de leer geweest zijn bij Dietrich Bonhoeffer, een theoloog die ook door Dawkins wordt gewaardeerd.

Hypothese
Volgens Dawkins is de bewering dat God bestaat een empirisch bedoelde hypothese, die met de gebruikelijke wetenschappelijke methoden te verifiëren of te falsifiëren is. Het bestaan van God is voor hem geen kwestie van existentiële zekerheid, maar van wetenschappelijke waarschijnlijkheid. Daarvoor beroept hij zich op de argumentatie van de Engelse filosoof John L. Mackie en zijn principe van spaarzaamheid. Dit principe berust op de premisse dat de empirisch toegankelijke wereld de enige wereld die er is. Maar deze premisse claimt meer dan het kan waarmaken, want de premisse is geen empirische uitspraak, maar een metafysische uitspraak.
De argumenten voor een naturalistisch wereldbeeld hebben een zwak punt: men moet opereren met een natuurbegrip dat niet uit de natuur als zodanig herleidbaar is.

Vooruitgang?
Dawkins hanteert een te eenvoudige tegenstelling van een absolute moraal gevoed door godsdienstige principes en een relatieve moraal die uit de evolutietheorie opkomt. Deze tegenstelling doet geen recht aan de complexe verhouding tussen religie en moraal. Bovendien ziet Dawkins over het hoofd dat evolutie geen ethiek kan funderen. Dawkins heeft ook niet door dat zijn ethiek in wezen een vorm is van onbereflecteerd utilitarisme, waarbij hij aanneemt dat de evolutionaire geschiedenis ook een geschiedenis van morele vooruitgang is.

Geweld
Een van de redenen waarom men religie wil bestrijden, is dat men van mening is dat religie leidt tot geweld omdat aanhangers van een godsdienst hun standpunt voor absoluut zouden verklaren. De stelling dat godsdienst in wezen fundamentalistisch, gewelddadig en verwoestend is, is niet houdbaar. Godsdienst kan wel tot geweld leiden, maar er zijn ook andere voorbeelden die deze stelling onderuithalen.
Ook de stelling dat geweld en agressie door godsdienst(igheid) ontstaan is niet houdbaar. Geweld en agressie zijn een antropologisch gegeven. Daarbij zijn er in godsdiensten ook principes aanwezig om geweld en agressie in te dammen of te bestrijden (pacifisme, prolife, verzet tegen de doodstraf).

N.a.v. Ulrich H.J. Körtner, Gottesglaube und Religionskritik (Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2014) 7-37.

Preek zondag 27 april 2014

Preek zondag 27 april 2014
Beloken Pasen / Zondag Quasimogeniti (Als pageboren kinderen, zie 1 Petrus 2:2)

Houd in gedachten dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt (2 Timotheüs 2:8)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Deze zondag heeft verschillende namen.
Een van de namen die deze zondag heeft, is Beloken Pasen.
Met deze benaming wordt aangegeven dat met deze eerste zondag na Pasen
de paasweek wordt afgesloten.
Beloken komt van beluiken en dat woord betekent: de luiken weer dichtdoen.
Met Pasen zijn de luiken opengegaan. De hele week is er gevierd dat het Pasen is geworden.
Maar het kan niet de hele tijd feest blijven.
Het gewone leven begint weer.
Na een bruiloft is dat bijvoorbeeld ook.
Enkele dagen na afloop kun je er nog mee bezig zijn,
maar al vrij snel roept de plicht weer.
De naam ‘beloken Pasen’ geeft dat aan:
het is mooi om met elkaar Pasen te vieren en ook belangrijk
om er weer bij stil te staan dat Christus uit de doden is opgestaan
en er voor gezorgd heeft dat er ook voor ons nieuw leven mogelijk is.
Daar mag best enkele dagen voor uitgetrokken worden om dit bijzondere te vieren
met elkaar, want het is toch iets bijzonders wat Christus gedaan heeft?
Het heeft toch grote betekenis voor ons?
De betekenis dat de dood niet het laatste is in ons leven,
maar dat er ook een leven in Zijn heerlijkheid is,
dat er ook voor ons een opstanding is.
Maar hoe belangrijk dat ook is, op een gegeven moment breekt de dag aan
dat het gewone, alledaagse leven weer opgepakt wordt,
waarbij het bijzondere van Pasen weer naar de achtergrond verdwijnt.
Het leven heeft niet meer de glans en de vreugde van Pasen.
Voor je het weet, raakt het ook op de achtergrond dat Christus is opgestaan
en is er alleen het gewone leven, met z’n alledaagse dingen,
het opstaan, ontbijten, naar je werk gaan, omgaan met je gezin, je collega’s
en verlies je uit het oog dat ons leven met de opstanding van Christus een fundament heeft,
en denk je er niet meer bij na dat het leven gedragen wordt door Zijn werk,
Zijn gang in de dood en Zijn opstanding.

Want, gemeente, dat is toch ook uw houvast? Dat is toch ook voor u het fundament onder uw leven,
namelijk dat Christus uit de dood is opgestaan?
Wellicht hebt u daarom ook zo naar de Paasdagen uitgekeken,
om met elkaar als gemeente van Christus de overwinning van onze Heere op de dood te vieren,
om het weer te weten, dat Christus is opgestaan en dat Zijn opstanding onze hoop is.
Dat is nodig, toch, om dat geloof steeds weer te versterken?
Om tot geloof steeds vast te blijven houden,
is het ook nodig om daar op aangesproken te worden:
Houd in gedachten dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt.
Houd dat in gedachten.
Niet alleen in deze tijd van het jaar, waarin je Pasen hebt gevierd.
Houd alle dagen van het jaar dit in gedachten
en vooral op de dagen waarop het tegenzit
en waarop je niet weet hoe het verder moet gaan.
Houd in gedachten dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt
Want toen Christus werd opgewekt uit de doden,
liet God zien Wie Hij is.
De God van het leven, de God die sterker is dan welke macht ook.
Ook machtiger dan de dood.
Laat dat je geloof zijn, elke dag weer opnieuw: dat God machtiger is dan welke macht ook.
Machtiger dan de dood.
Hoe moeilijk dat soms is te geloven,
zeker als je de macht van de dood van nabij ervaren hebt.
Toch is het waar: God riep Zijn Zoon uit de dood
en dat geeft ook aan ons, aan u en aan jou,
de hoop die wij nodig hebben, namelijk hoop op God.

Die hoop kan onder druk komen te staan.
Er kan zomaar iets gebeuren in je leven.
Eerst had je altijd hier voluit in geloofd en voluit uit geleefd
dat Jezus de Levende is,
maar toen kwam dat teleurstellende in je leven.
Eerst hield je het nog vol, maar je raakte deze zekerheid steeds meer kwijt.
Houd in gedachten dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt.
Paulus schrijft dat niet voor niets aan Timotheüs,
want ook Timotheüs dreigt het vertrouwen in God kwijt te raken.
Dat Jezus uit de doden is opgestaan,
Hij is daar niet zo zeker meer van.
Ja, wel als hij bij Paulus is
en als hij de woorden van Paulus hoort, dan weet hij het:
ja, Jezus is opgestaan! Het graf kon Hem niet houden.
Dankzij de opstanding van Jezus is er ook voor mij een nieuw leven.
Dankzij die opstanding weet ik, dat ook ik bij Hem mag horen.
Maar er zijn ook momenten dat hij het niet zo zeker weet.
Timotheüs wordt heen en weer geslingerd.
Wat er met Timotheüs is, kan voor sommigen heel herkenbaar zijn.
Je hebt iemand als voorbeeld, zoals Timotheüs Paulus als voorbeeld had.
En je voorbeeld in geloof, waar je je steeds weer aan optrekt,
weet het vol overgave en enthousiasme te vertellen.
Je ziet aan hem, dat het echt is, en je weet het bij jezelf ook weet: ja, het is echt!
Ik houd me niet voor de gek. En je leeft er zelf ook uit: Jezus is opgestaan!
Maar er zijn ook anderen die er heel anders over denken:
Jezus opgestaan? Welnee, dat is een sprookje.
Het gaat trouwens om het leven in het hier en nu.
Je weet toch niet wat hierna komt. Je leeft nu en daar moet je het maar van nemen.
Dan zie je een collega, die alles goed voor elkaar heeft en gelukkig is,
maar zich niet zo druk maakt over God en er weinig mee heeft
en de opstanding van Jezus? Ach, dat geloof je toch niet?
Je wilt het zelf niet, maar toch voel je dat het met je gebeurt.
Je gaat twijfelen, je voelt dat je heen en weer geslingerd wordt.
En je was er zo vol van, zo zeker van, maar het lijkt je te ontglippen.

Bij Timotheüs gebeurde dat in ieder geval.
Er waren enkele mensen, die een conflict met Paulus hadden
en die door Paulus uit de kerk waren gezet.
Hymeneüs en Filetus. Deze mensen beweerden,
dat er helemaal geen opstanding meer komt.
Als je gelooft, ben je opgestaan.
Het gaat om het leven in het hier en nu.
Dat wat deze Hymeneüs en Filetus beweerden,
was niet zomaar een theologische discussie
waarvan je zou kunnen zeggen dat dat boven de pet van de gewone gemeenteleden uit gaat.
Nee, het gaat om iets fundamenteels,
dat ook gevolg had voor het geloof en het leven van alledag.
Het gaat om wat de betekenis van Christus’ opstanding is voor ons in het hier en nu.
Hymeneüs en Filetus zeiden: je bent nu al een nieuw mens.
Die opstanding is nu al gebeurd.
Het gaat om het leven nu, niet het leven dat later komt.
Dat wat Hymeneüs en Filetus zeggen heeft een heel groot voordeel.
Je kunt dat direct ervaren, ook in het hier en nu.
Het bewijs is direct geleverd. Je ervaart het dat je een nieuw mens bent.
Je hoeft niet meer te tobben met een zondig bestaan.
Je hoeft je niet meer druk te maken om lijden en tegenslag,
Want dat heb je niet meer: je bent opgestaan in een nieuw bestaan.
De heerlijkheid die Christus in zijn opstanding heeft verkregen, heb je nu ook.
Een fantastisch geloof toch?
Dat is veel beter te verkopen ook dan waar Paulus voor staat.
Want de boodschap die Paulus heeft, wordt door een belangrijk feit tegengesproken:
Paulus zit in de gevangenis. Paulus lijdt.
Is dat nu het leven dat Christus heeft gebracht door op te staan uit de doden?
Timotheüs wordt heen en weer geslingerd.
Daarom deze brief van Paulus, vanuit de gevangenis:
Houd in gedachten dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt.
Dat in gedachten houden van de opstanding van Jezus is bedoeld om moed te houden.
Niet omdat je het zelf doet.
Juist niet: je denkt er steeds aan wat God heeft gedaan.
Die machtige daad: de steen werd weggerold en het graf werd geopend.
Christus kwam naar buiten, in een nieuw leven, opgestaan uit de dood.
Paulus gebruikt de opstanding van Jezus om Timotheüs aan te sporen,
het geloof van Timotheüs weer aan te wakkeren.
Het begint al in vers 1: Timotheüs, mijn zoon, laat je versterken door Gods genade.
Ga nou niet denken, dat je dit in eigen kracht moet doen.
God heeft het al gedaan door Christus op te wekken uit de dood
en Zijn opstanding is voor jou een kracht, die jou er bovenuit helpt,
die je nieuwe moed geeft.
Laat het nou toe, dat God je versterkt!

Wat Paulus ook tegen Timotheüs zegt, is: kijk goed!
Kijk goed naar het verleden, kijk goed naar de toekomst
En laat je niet verleiden tot de gedachte alsof het alleen maar draait om het nu.
Het verleden, Timotheüs, dat is de opstanding van Christus.
Dat ligt achter ons, maar dat is wel echt gebeurd.
Dat was niet voor niets, want dat was Gods geweldige kracht.
En de toekomst, Timotheüs, verlies die niet uit het oog,
want daar gaat het om: een leven in Gods heerlijkheid.
Timotheüs, dat leven komt nog!
Timotheüs, mijn zoon, in het hier en nu hoort lijden erbij.
Het leven nu is geen jubelzang elke keer.
En dat je het niet makkelijk hebt, is geen bewijs dat je mis zit.
Of dat je het goed hebt, is geen bewijs dat je het gelijk aan je kant hebt.
Timotheüs, kijk door de opstanding van Christus ook vooruit.
Want dé opstanding komt nog.
Ik denk dat wij vandaag de dag de aansporing van Paulus ook nodig hebben.
Want ook wij komen in de verleiding om alleen maar aan het hier en nu te denken.
Aan wat je voelt, op dit moment.
Als je goed in je vel zit en iets bijzonders hebt meegemaakt,
zie je de toekomst positief in en dan denk je: nou, die kerk redt het nog wel even.
Ik geef er al mijn krachten aan.
Maar als het tegenzit, denk je: het wordt helemaal niets.
Laat ik er maar mee stoppen, want wat heeft het nog voor zin.
Houd in gedachten dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt.
Want deze boodschap wijst ook vooruit, hoede Heere Jezus terugkomt
en Hij dan een leven in Zijn heerlijkheid geeft.
We zijn nu nog onderweg.
Wat denk je van een soldaat die op missie alleen maar aan het thuisfront denkt?
Paulus gebruikt dat beeld ook, vers 4.
Onlangs zijn soldaten op missie gestuurd naar Mali.
Stel je voor dat die soldaten zich alleen maar druk maken om hun familie thuis.
En er over in zitten of de berichten die zij naar huis sturen wel aankomen.
Dan heeft de soldaat op missie zijn hoofd er niet bij.
Nee, zo’n soldaat moet er daar voor gaan.
Het zal niet makkelijk zijn, want je kunt op tegenstand stuiten
en je hebt kans dat je moet vechten.
Dan heb je er niets aan als je je alleen druk maakt om de mensen thuis.
Of je druk maken om wat er allemaal in het kamp gebeurt,
of de kok het eten wel op tijd klaar heeft.
Je hebt een missie, daar moet je op focussen.
Vaak geen makkelijke missie en de mensen thuis weten vaak niet hoe zwaar het is.
Ik heb in de loop van de tijd verschillende Indiëgangers gesproken,
die niet konden vertellen over hun tijd in Indië
vanwege alles wat zij hadden meegemaakt.
Ze hebben daar hun plicht gedaan, maar kunnen er niet over vertellen.
Zo is het ook met Timotheüs.
Timotheüs, je hebt een taak van God ontvangen.
Het is geen gemakkelijke taak, maar Hij zal je daarvoor de kracht geven,
vertrouw maar op die kracht, want dat is ook de kracht die zichtbaar werd
in de opstanding van Christus, het is Zijn genade die je ontvangt om het vol te houden.
Daar gaat het om, Timotheüs, dat je volhoudt in het geloof,
als een soldaat die zich niet uit het veld laat slaan door een moeilijke missie.
Of dat andere beeld: de sporter, die jaren traint voor de ene medaille.
Zoals in de afgelopen 4 jaar sporters hebben getraind voor een medaille op de Olympische Spelen.
Ze hebben er alles voor aan de kant gezet,
heel hun leven daarop ingericht, met trainingsschema’s.
Terugkijkend was het hun drive, hun focus, waardoor zij wonnen.
Nu is het voor een sporter soms ook geluk hebben.
Je kunt trainen, echt heel hard trainen, en toch met lege handen staan
omdat een ander beter was.
In het geloof heb je de zekerheid, dat je de prijs krijgt.
Timotheüs, als gelovige leven is niet makkelijk,
zeker niet in het hier en nu,
Paulus wist daar alles van. Ook Paulus heeft een crisis doorgemaakt, in het geloof (2 Kor 1).
Hij wist niet of hij het er levend van af zou brengen.
Zo leerde hij, door die crisis, dat het God is die Zijn werk volvoert.
In een crisis wordt dat juist aangevochten, het geloof namelijk dat God regeert, handelt.
En toch, Paulus ontdekte het juist door die crisis heen,
Dat God wel degelijk handelt, en alles naar Zijn plan leidt.
Maar dan niet door een glorieuze weg, maar een weg van het kruis, van lijden,
een weg waarvan iedereen zegt: dat loopt op niets uit.
Ook nu, Timotheüs, nu het erop lijkt door mijn gevangenschap, dat alles dreigt te mislukken,
gaat God zijn weg verder.
Houd vol, het is niet tevergeefs.
Dat is ook vanmorgen voor u de boodschap: Houd vol, het is niet tevergeefs.
Houd in gedachten dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt.
Denk eraan hoe Christus in de dood is geweest, maar dat God Hem eruit heeft gehaald.
Laat deze wetenschap elke dag bij u zijn: in uw hoofd, in je hart. Christus is opgestaan!
Put moed uit de weg die Christus is gegaan.
Laat je die moed door niets afpakken.
Niet door de moeilijkheden die je ondervindt.
Niet door de twijfels die je aanvliegen.
Denk dan aan hoe Christus opstond uit de dood.
Gemeente, Pasen vieren we niet voor niets met elkaar als gemeente,
om elkaar daarop aan te spreken, elkaar moed in te spreken, geloof,
vooral door elkaar te wijzen op Christus, dat Hij in onze gedachten moet zijn,
met Hem moeten leven, met Hem de levende.
En elke zondag als de gemeente samenkomt, is dat een herhaling van het Paasfeest,
want we komen op de dag van de opstanding bij elkaar
om ook in de tijd waarin Pasen ver weg is, het onszelf en elkaar voor te houden:
dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt.
Zo spreken we elkaar moed in, op de weg naar Gods heerlijkheid.
De weg die niet altijd eenvoudig is.
Mijn vader had een tegel in zijn studeerkamer hangen:
God heeft ons geen kalme reis beloofd, maar wel een behouden aankomst.
Dat is geen tegeltjeswijsheid, maar dat is precies de boodschap die Paulus aan Timotheüs voorhoudt.
De aankomst zal zeker zijn. Zo nemen we elkaar mee.
Niet omdat wij zelf zo krachtig zijn,
maar door de genade van God die in ons is en ons doet geloven in Christus’ opstanding.
En we houden het elkaar voor, elkaar aansprekend, moed insprekend, zingend, wijzend op Christus,
Houd in gedachten dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt
Amen

De 2e brief aan Timotheüs – weinig gezien, maar homiletisch waardevol

De 2e brief aan Timotheüs – weinig gezien, maar homiletisch waardevol

De Tweede Brief aan Timotheüs is niet de meest bekende Bijbelboek. Dit Bijbelboek zal ook niet vaak op het preekrooster staan. De brief staat niet erg in hoog aanzien.
Dat heeft ermee te maken dat dit geschrift tegenwoordig door de meerderheid van de exegeten wordt gezien als een brief die niet echt van Paulus is. Geregeld wordt deze brief ook gezien als theologisch minder interessant dan de echte brieven van Paulus. Tot voor kort werd de brief zelfs gezien als een terugval.
In theologieën van het Nieuwe Testament komt deze brief ook nauwelijks voor. In dogmatieken wordt naar deze brief zelden verwezen. Hooguit wordt er aan deze brief gerefereerd als het gaat om de opkomst van hiërarchie en leiding in de kerk.

In de afgelopen 2 decennia is de waardering voor deze brief toegenomen en is het inzicht gekomen dat deze brief theologisch waardevol is. Zo Hannah Stettler promoveerde bij Peter Stuhlmacher op de christologie van de pastorale brieven en verschenen er commentaren op het Bijbelboek die de brief inhoudelijk serieus nemen en ook homiletisch waardevol zijn (Philip H. Towner, Ian Howard Marshall).

Toch is het Bijbelboek nooit helemaal vergeten. Er zijn juist bij dit kleine Bijbelboek dat geregeld over het hoofd is gezien enkele zinvolle en uitdagende werken geschreven, die ook homiletisch zeer de moeite waard zijn.

Zo schreef Rudolf Bohren aan het einde van zijn leven een klein boekje met gebeden naar aanleiding van 2 Timotheüs: Beten mit Paulus und Calvin. In dat gebedenboekje maakte hij gebeden bij een enkele tekst of slechts enkele woorden. Bij deze gebeden neemt hij ook steeds enkele regels op van de reformator Johannes Calvijn.
Hij ontdekte namelijk dat 2 Timotheüs Calvijns meest geliefde Bijbelboek was. Met die wetenschap herlas hij zowel 2 Timotheüs en het commentaar van Calvijn. En liet zich inspireren en uitdagen om een aantal gebeden te schrijven.

Dat betekent dat ook het commentaar van Calvijn op dit Bijbelboek homiletisch de moeite waard is. Het commentaar is geen verplicht nummer, maar een overdenken van het Bijbelboek dat hem het meest na aan het hart ligt. In het commentaar moet dan ook het hart en de spiritualiteit van Calvijn terug te vinden zijn.

In het Religionspädagogischer Kommentar zur Bibel (uitgegeven onder redactie van Bernard Dressler en Harald Schroeter-Wittke) schrijft Ingrid Schoberth een bijdrage over de pastorale brieven. Schoberth is een godsdienstpedagogie die ook de reformatorische traditie inbrengt in haar werk. Zij schreef een artikel over ‘leren om zondaar te zijn’ (in Peccatum magnificare, het Festschrift voor Christian Möller) en enkele boeken voor de godsdienstles waarbij zij haar uitgangspunt neemt in Luthers Catechismus.
In het artikel over de pastorale brieven gaat zij in gesprek met Dietrich Zilleβen (aan wie dit commentaar ook is opgedragen). Zilleβen heeft in zijn werk steeds aandacht gevraagd voor het profane als voor-stadium voor het godsdienstige. In zijn werk gaat het vaak om het provocatieve van het religieuze, omdat het religieuze vaak vreemd is. Om het godsdienstige temidden van een profane wereld. Met het werk van Zilleβen in haar achterhoofd herleest zij de pastorale brieven en probeert zij te laten zien welke betekenis deze brieven voor scholieren in hun leefwereld kunnen hebben.

Het helpt ook als er goede commentaren op een Bijbelboek zijn. Het commentaar van Ian Howard Marshall (in de serie ICC) is een erg mooi commentaar. Hij laat zien dat de pastorale brieven sterk beïnvloed zijn door de oudtestamentische vroomheid. Het kernwoord ‘vroomheid’ (eusebia) is afkomstig uit de vroeg-Joodse en oudtestamentische wijsheidsliteratuur en is geen beïnvloeding van de hellenistische filosofie (zoals in het verleden vaak werd gedacht).

Philip H. Towner, die ook een commentaar schreef over 2 Timotheüs waarmee hij bijdroeg aan de theologische herwaardering van deze brief, schreef een boeiend artikel over de christologie van de pastorale brieven. Dat artikel schreef hij voor het boek Contours of Christology of the New Testament (onder redactie van Richard N. Longenecker).
In dat artikel laat hij zien, dat de pastorale brieven niet zozeer een terugval of radicale koerswijziging zijn, maar een vertaling van het evangelie in een nieuwe context: de hellenistische wereld waarin zijn gemeenten leven. Deze brieven geven de traditie van Paulus en de andere christelijke tradities niet op, maar contextualiseren deze traditie.
In deze tijd waarin contextualisatie een grote rol speelt in de theologische doordenking kan dat leiden tot een nieuwe aandacht voor deze 2e brief aan Timotheüs. En kan deze brief ons helpen en uitdagen om in deze tijd het evangelie in onze eigen tijd te verwoorden.

In de exegese wordt deze brief nogal eens vergeleken met geschriften uit de Griekse filosofie die als thema levenskunst, zielzorg of morele opvoeding hebben. Deze thematiek staat ook in onze eigen tijd volop in de belangstelling. Martin Winter publiceerde in het theologische tijdschrift Kerugma und Dogma (59e jaargang, 2013, p. 232-250) een artikel waarin hij een vergelijking maakt tussen de pastorale brieven en de verschillende antieke en hedendaagse populaire (levens)filosofieën: “Die ‘Pastoralbriefe’ – ihre Name im Licht der popularphilosophischen Seelenleitung’.

Thomas Söding over de verschijningen van de opgestane Heer

Thomas Söding over de verschijningen van de opgestane Heer
(vertaling – vervolg op het vorige blog: Thomas Söding over het lege graf)

De tweede plaats waar het paasgeloof ontstaan is, zijn de verschijningen van de Opgestane. Met de ogen van de mensen gezien zijn het visioenen. Met de ogen van God gezien, zo oordeelt het geloof, zijn het openbaringen: openbaringen van de goddelijkheid van Jezus, zijn deelhebben aan de macht en heerlijkheid van de Vader, zijn blijvende nabijheid tot de mensen, zijn heenzending naar de zijnen, het geven van de volmacht aan zijn leerlingen om zijn werk voort te zetten. Boven alles: zijn definitieve overwinning op de dood.

Alle evangeliën hebben kleurige verhalen over verschijningen. (De geschiedenis die in Markus 16:8-20 staat is overigens, zoals de oudste handschriften laten zien, pas later aan het evangelie toegevoegd.)
Dat de verschijningen de geboorteplaats van het paasgeloof zijn komt al in de oudste belijdenistraditie naar voren (zie: 1 Korinthe 15:3-5). De apostel Paulus bericht in een van zijn brieven dat ook hij, hoewel de tijd daarvoor eigenlijk al voorbij was, toch de Heer heeft gezien (1 Korinthe 9:1). Hij duidt dat als openbaring. Door deze openbaring heeft hij de opdracht van Jezus gekregen om het evangelie onder de volkeren te brengen (Galaten 1:15-16), waarbij een gelijkberechtigde positie inneemt naast de andere apostelen.

De huidige theologie pakt de verhalen over de verschijningen makkelijker op dan de verhalen over het lege graf. Hoewel juist de visioenen de verdenking van projectie op zich kunnen laden. Een historisch openbarend handelen van God op het psychische terrein is volgens de nieuwste inzichten van het hersenonderzoek niet gemakkelijker te begrijpen dan een openbaring in het organische. Maar de getuigenissen zijn te oud, te talrijk en te veelsoortig om ze te verklaren als hallucinaties te kunnen. Integendeel: geen verklaring is plausibeler dan de visioenen die de leerlingen hebben gehad, omdat de opgestane Jezus zich heeft laten zien. Wat had Petrus met Paulus gemeen? Wat had Maria Magdalena gemeen met Jakobus? Ze zijn allemaal door middel van verschijningen tot het geloof in de opstanding gekomen, zonder dat er gezegd kan worden dat iemand anderen door middel van hysterie heeft aangestoken.

Zeker: wie in een mechanisch wereldbeeld is gevangen en toegeeft aan het rationalisme, zal principieel uitsluiten wat het Nieuwe Testament zegt: dat Jezus de heerschappij van God heeft gebracht en uit de doden is opgestaan. De discussie over scepsis en hoop moet op een ander niveau gebeuren dan de tekstuitleg. De theologie hoeft voor deze discussie niet bang te zijn, want zij heeft in de huidige filosofie, maar ook in de huidige natuurwetenschappen veel bondgenoten, die met de oude religieuze denkverboden niets kunnen beginnen.

Diepe indrukken
Zeker, er zijn ook bij de verschijningsberichten vragen te stellen. Hoe zeker het ook is dat de leerlingen van Jezus hem als de Opgestane hebben gezien en zijn verschijnen als openbaringen hebben geduid. (De berichten uit het Nieuwe Testament verschillen van elkaar.) Al die berichten laten het handschrift van de evangelist zien. Ze zijn op hun lange wegen van overlevering steeds weer opnieuw verteld, omgevormd, geherwaardeerd en opnieuw georiënteerd. Het zal niet mogelijk zijn om de verschillende stadia van groei haarscherp te onderscheiden. Het helpt ook niet om de verschillende evangeliën tegen elkaar uit te spelen. Want er is niet een verschijning van de opgestane Heer geweest. Er zijn verschillende verschijningen geweest. Er zijn verscheidene verschijningen geweest. Daar wijst Paulus al op (1 Korinthe 15:5-11). De paasevangeliën bieden slechts een kleine selectie van de overweldigende paaservaringen (zie Johannes 20:30-31).

Mattheüs vertelt van een verschijning op een berg in Galilea. Johannes bericht in hoofdstuk 21 van een verschijning aan de Zee van Tiberias. De overige verschijningsverhalen spelen allemaal af in Jeruzalem en omgeving. Het zal niet lukken om alle verhalen op een lijn te krijgen. Het meest waarschijnlijk is dat er zowel in Galilea als in Jeruzalem visioenen van de opgestane Heer zijn geweest. Een visioen in Galilea past bij het begin van de geschiedenis van Jezus, waar de navolging begon; Galilea is de thuisbasis van de elf apostelen. Een visioen in Jeruzalem past bij de locatie van het graf en bij de context van de eerste gemeente, die niet in Nazareth of Kapernaüm gevormd was, omdat Jeruzalem het centrum van Israël is en omdat Jezus daar stierf en opgewekt werd.

Volgens Markus en Lukas hebben de vrouwen in het graf ‘slechts’ engelen gezien. Volgens Mattheüs hebben zij daarna ook de Opgestane zelf gezien (Mattheüs 28:9-10). Johannes, het jongste evangelie, heeft de sterkste vrouwenrol: Maria Magdalena is zelfs de eerste die Jezus aan gene zijde van het graf ziet.
Andere tradities benadrukken de betekenis van Petrus en de discipelkring.

‘De Heer is werkelijk uit de dood opgewekt en hij is aan Simon verschenen!’

horen de Emmaüsgangers (Lukas 24:34) voordat Jezus aan de elf en de andere leerlingen in Jeruzalem verschijnt. Dat komt overeen met 1 Korinthe 15:5:

en dat hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen.

Over de vraag wie de Opgestane als eerste gezien heeft, zijn reeds veel exegetische strijd geleverd – omdat het antwoord kerkpolitieke consequenties schijnt te hebben: Als Simon Petrus de eerste getuige van de opstanding was, is dan de weg naar een pauselijke kerk uitgestippeld? Als Maria Magdalena de eerste was, is dan de vrouw in het ambt geboden?

De Bijbelwetenschap blijft nuchter. Allereerst is zowel de ene consequentie als de andere is een drogreden. In de tweede plaats is de vraag historisch niet met zekerheid te beantwoorden. De berichten onderscheiden zich, maar sluiten elkaar niet per sé uit. In alle gevallen wordt immers de traditie doorgegeven zonder dat een andere traditie bij voorbaat wordt uitgesloten. Beslissend is veelmeer dat er een serie verschijningen heeft plaatsgevonden voor verschillende getuigen: Maria Magdalena en Petrus, de twaalf en de alle apostelen, Jakobus en Paulus. De gelukkige omstandigheid dat wij in het Nieuwe Testament 4 evangeliën hebben en bovendien nog Handelingen en de brieven die door de apostelen geschreven zijn geeft ons een inkijkje in enkele kiemcellen van het paasgeloof die zich in het geloof van de kerk met elkaar hebben verbonden.

Het samenkomen van de ontdekking van het lege graf met de verschijningen zal een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het geloof in de opgestane Heer. De plausibele verklaring voor het lege graf levert uiteindelijk de verschijning van de Opgestane. Het lege graf wijst naar hem. De verschijningen van Jezus veronderstellen het lege graf, omdat Jezus werkelijk uit de doden is opgestaan en aan de leerlingen lichamelijk is verschenen.

N.a.v. Thomas Söding, Der Tod ist tot, das Leben lebt. Ostern zwischen Skepsis und Hoffnung (Ostfildern: Matthias Grünewald Verlag, 2008) 20-24

Thomas Söding over het lege graf

Thomas Söding over het lege graf
(vertaling)

Het Nieuwe Testament zou er zonder het geloof in de opstanding van Jezus uit de doden niet zijn geweest. Dat het geloof in Christus ook gebouwd is op het fundament van het optreden van Jezus heeft paus Benedictus XVI in zijn boek over Jezus van Nazareth laten zien. Maar als Jezus in het graf was gebleven, zouden er hooguit enkele humanisten zijn geweest die zich de weldoener uit Nazareth hadden herinnerd. Of een paar historici die geïnteresseerd zijn in een boeiende persoonlijkheid uit het verleden. Het geloof in de redder die hoop op eeuwig leven geeft, omdat hij aan het kruis gestorven is, zou er niet zijn geweest.

emptytomb

Het geloof in de opstanding van Jezus is echter niet uit de hemel komen vallen. God heeft het de leerlingen niet opgedrongen. Het was hun eigen vrije keuze om nogmaals voor Jezus te kiezen. Ze zijn echter niet door hun eigen overwegingen tot geloof gekomen. Tegen alle verwachtingen in hebben zij de ervaring gehad dat Jezus, die vernederd en tot schande gemaakt was, aan de rechterhand van God is verhoogd. Hij was door een steen verborgen in het donker van het graf, maar verscheen in Gods glans. Hij was als godslasteraar veroordeeld, maar wakkerde het geloof in God opnieuw aan.
Het paasgeloof in geloof in God: geloof in God die de doden opwekt. Maar ook een menselijk geloof. Veel theologen doen moeite om de psychologische verklaringen buiten de deur te houden. De evangeliën in het Nieuwe Testament geven ruimte aan de hoop en angst, de twijfel en verwachting van de leerlingen.

Daaruit kan men overigens niet de conclusie trekken dat de opstanding een projectie is en het evangelie bakerpraat. Want God, zegt de Bijbel, geeft zijn wil op menselijke wijze door. Mensen kunnen God ervaren. God schrijft zich in hun biografie in. De opstanding van Jezus heeft als gebeurtenis de ervaring van mensen gestempeld: de ervaring waar de eerste getuigen van spreken, namelijk dat Jezus leeft.

Op geen enkele plaats in het Nieuwe Testament wordt de opstanding van Jezus als zodanig verteld. Er wordt wel verteld dat het graf leeg gevonden is en dat de Opgestane aan de zijnen is verschenen. De basisvorm van het geloofsgetuigenis van Pasen is het vertellen, omdat dit geloof op ervaringen berust. Paaspreken kunnen in wezen niets anders dan vertellen wat er gebeurd is. Ook de vroegste geloofsbelijdenissen van de eerste christenen hebben de basisstructuur van vertellen.

Het lege graf
De eerste plaats waar het geloof van Pasen verkondigd werd is het lege graf van Jezus. Daar waar de geschiedenis van Jezus tot een einde gekomen leek te zijn, begint deze geschiedenis helemaal opnieuw. De vertellingen over het lege graf zijn in alle evangeliën te vinden. Volgens het Nieuwe Testament zijn het vrouwen die als eerste het lege graf vinden en een vermoeden van de opstanding krijgen.
Dat het vrouwen zijn geweest die als eerste het lege graf hebben gevonden heeft tot gevolg gehad dat er velen geweest zijn die de werkelijkheidsgehalte van de verhalen in twijfel hebben getrokken. De eerste mannen die deze verhalen met scepsis bejegenden waren de apostelen. Lukas vertelt als reactie op het bericht van de vrouwen: Ze vertelden de apostelen wat er was gebeurd, maar die vonden het maar kletspraat en geloofden hen niet. (Lukas 24:10-11) Dat het geen gezonde scepsis maar geborneerde scepsis was, werd al vrij snel duidelijk.

Degenen die in de Oudheid het christendom bekritiseerden trokken de betrouwbaarheid van deze getuigen in twijfel. Celsus, een intellectueel die door de kerkvader Origenes bediscussieerd werd, vraagt wat men van een hysterische vrouw kon geloven (Origenes, Contra Celsum 2,55-56). De filosoof Porphyrius, in wezen een intelligente man maar ook een felle bestrijder van het christelijk geloof, gniffelt over de onbenullige plattelandsvrouwtjes, waar de kerk haar geloof aan te danken heeft (Porphyrius, Contra Christianos, fragment 64).

In de moderniteit werd het er niet beter op. Alleen breidden de Duitse geleerden hun vooroordelen uit tot alle mensen uit het Nabije Oosten, die niet in staat waren om duidelijke begrippen te vormen en daarom de eeuwige ideeën van Jezus alleen in de naïeve vorm van verhalen konden doorgeven. Samen met de wonderverhalen kwamen de verhalen over het lege graf in het verdachtenbankje.

De huidige kritiek struikelt over het gegeven dat er geen natuurwetenschappelijke theorie is die het lege graf kan verklaren. Als een lijk na 3 dagen uit een graf verdwenen is, kan daar als schijnbaar de enige plausibele verklaring voor zijn dat het lichaam is weggehaald. Al in de Antieke Oudheid werd dit argument gebruikt om de verhalen over het lege graf te bekritiseren. Moderne critici hebben het verhaal over lijkendiefstal opgewarmd en verbonden met de theorie dat de leerlingen van Jezus groot wilden uitpakken ten koste van Jezus.

Volgens het Nieuwe Testament zijn het echter eenvoudige vrouwen die het graf leeg hebben gevonden en desondanks (hoezeer men dat ook zou kunnen betreuren) geen ambitie hebben gehad. De apostelen die uiteindelijk toch geloofden hebben dit geloof met hun leven moeten bekopen. Het is onwaarschijnlijk dat de leerlingen bedrog in de zin hadden en daarom het lichaam uit het graf hebben weggehaald. Nog afgezien van de vraag of zij überhaupt tijd en gelegenheid hadden om het lichaam uit het graf te halen. Maar omdat er geen rationele verklaringen voor het lege graf te geven zijn, is de heersende mening binnen de Bijbelwetenschap dat de verhalen over het lege graf legenden zijn, die het dogma van de lichamelijke opstanding wilden verbeelden. Deze theorie laat echter altijd nog de vraag naar een mogelijke historische kern open.

empty_tomb_wide

Teken van het geloof.
Het lege graf is volgens het Nieuwe Testament een teken van geloof. Een teken dat alleen maar met de ogen van het geloof op de juiste manier gelezen kan worden. Dat er geen natuurlijke verklaring te geven is, is juist de clou van de boodschap van de opstanding: God heeft gehandeld. Hij heeft Jezus opgewekt. De Zoon van God is mens geworden, met huid en haar. Zolang hij als mens leefde, was hij onderworpen aan de voorwaarden van ruimte en tijd. Maar met de dood is alles afgelopen. De opstanding van Jezus is per definitie geen natuurwetenschappelijk fenomeen, dat men kan wegen, meten, reguleren of herhalen. De opstanding van Jezus is een absoluut uniek gebeuren dat niet onderworpen is aan welke natuurwet dan ook.

De historiciteit van Jezus’ begrafenis kan in twijfel getrokken worden. Overigens werd een gekruisigde na zijn dood over het algemeen niet begraven maar ergens gedumpt. Er waren uitzonderingen. In het geval van Jezus ontfermden prominente Joden zich over het lichaam van Jezus. In alle evangeliën wordt Jozef van Arimathea genoemd, waarbij Johannes ook nog Nicodemus aan toevoegt. Jezus is op Golgotha begraven, niet ver van de plaats van terechtstelling buiten de (toenmalige) stadsmuren, in een tuin. Tot heden weet onderzoekers geen betere plaats te noemen dan de plaats die in de Grafkerk wordt vereerd. Dat voor de eerste christenen het graf onbekend zou zijn geweest is pure speculatie, die gevoed wordt door de moeilijkheden het lege graf te verklaren.

Het volle graf was echter na 3 dagen leeg. Het geloof in de lichamelijke opstanding van Jezus en zijn verhoging aan de rechterhand van de Vader had zich geen seconde in Jeruzalem staande kunnen houden als de beenderen van Jezus nog in het graf van Golgotha te vinden zouden zijn. Aan de andere kant: had men een verhaal vol leugen willen opdienen, die anderen tot het geloof in de opstanding van Jezus zou moeten verleiden, had men veel kunnen doen, maar had men geen vrouwen als eerste getuigen kunnen opvoeren.

Vanaf het moment dat er verteld is over het kruis van Jezus is er ook verteld over het graf van Jezus: over het graf dat vol was en leeg is. De traditie, die door de eerste evangelist (Markus) wordt opgenomen om een generatie later op te schrijven, is oeroud. Deze traditie gaat terug op de eerste en oudste christelijke gemeente in Jeruzalem. Dit evangelie is met bewuste literaire middelen opgeschreven, maar is ook als geloofsgetuigenis opgeschreven. Zij stamt uit een tijd waarin Petrus en Maria Magdalena, de apostelen en de vrouwen uit Galilea, maar ook Pilatus en Kajafas nog hebben geleefd.
De geschiedenis van het graf is een geloofsgetuigenis van de eerste gemeente met een harde historische kern: de steen die het graf gesloten had is weggerold voordat de vrouwen bij het graf aankwamen.

Vertaling van: Thomas Söding, Der Tod is tot, das Leben lebt. Ostern zwischen Skepsis und Hoffnung (Ostfildern: Matthias Grünewald Verlag, 2008) 15-20.

Westerbork

Westerbork

DSCN4215

Ze zagen er wel een beetje tegenop. In de auto op de heenweg zeiden ze dat ook wel tegen elkaar: ‘Ik ben benieuwd hoe het er uitziet.’ Ze hadden zich voorbereid op een dag waarop ze heftige dingen zouden zien. Want we gingen met elkaar naar Westerbork. Als afsluiting van de diaconale actie in onze gemeente.
Afgelopen seizoen was het thema Geven om het land van de Bijbel. We steunden een Joods project en een Palestijns project. Het Joodse project was een gaarkeuken in Jeruzalem en het Palestijnse project was het kindertehuis Jemima. Om de jongeren van onze gemeente bewust te maken van de ingrijpende geschiedenis van het Joodse volk in ons eigen land, besloten we als jeugdleiding de jongeren een dag mee te nemen naar Westerbork. Daar zouden we naar het herinneringscentrum gaan en later die middag onder leiding van een gids een rondleiding maken.

Wat er gebeurd was in de oorlog was de tieners niet onbekend en daarom hadden ze zich voorbereid op een dag met confronterende beelden. Eenmaal aangekomen was er juist een groot contrast. Een mooie omgeving, die niet veel afwijkt van de omgeving hier. Een rustig gebied. Maar vooral het kamp zelf, dat voor een vervreemdende ervaring zorgde. Want van het kamp was weinig overgebleven. Het was een kaal terrein, waarbij door middel van verhogingen werd aangegeven waar barakken hadden gestaan.

DSCN4207

Preek Tweede Paasdag 2014

Preek Tweede Paasdag 2014
Johannes 20:11-18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de Paasverhalen wordt er steeds verteld over ontmoetingen:
de Heere Jezus zoekt de vrouwen en de discipelen op.
Hij verschijnt aan hen om hen te laten weten dat Hij echt is opgestaan.
De vrouwen die bij het graf komen
en de leerlingen die komen kijken bij het lege graf
hebben niet genoeg aan het lege graf.
Zij raken alleen maar in verwarring als zij zien dat het graf open is
en de steen is weggerold.
Het verdriet wordt nog intenser als ze erachter komen
dat ook nog het lichaam van Jezus weg is.
Het mooie uit de Paasverhalen is dat de Heere Jezus hen opzoekt
En dat Hij niet zegt: ‘Je hebt toch genoeg aan het lege graf?
Daaraan kun je toch zien dat Ik ben opgestaan?’
Hij zoekt hen allemaal op.
Hij zoekt hen op in hun verdriet.
Dat is ook voor ons een troost,
dat de Heere Jezus juist daar komt waar verdriet is.
Dat Hij niet zegt: ‘Je weet toch van de opstanding
en je weet toch dat er eens een nieuw leven komt?’
Bij Maria Magdalena verschijnt Hij als het verdriet en de wanhoop het grootst is.
Als ze het vertwijfeld uitroept: Waar is mijn Heer gebleven? Wie heeft Hem weggehaald?
Dan staat Hij achter haar, om te horen wat haar klacht is.
Dat is het ontroerende aan dit verhaal, aan deze ontmoeting van de Heere Jezus met Maria:
Hij is er al voordat Maria door heeft dat Hij het is.
Hij is er al als Maria haar klacht uit en het verdriet van haar verwoordt.
Ze weet nog niet dat Hij er is, ze is nog met haar rug naar Hem toegekeerd.
Ze weet nog niet dat het Jezus is, die daar achter haar staat en haar verdriet aanhoort
en haar juist daarom opgezocht heeft.
Door haar verdriet heeft ze dat nog niet door.
Door haar tranen heen kan ze alleen het graf zien
en ziet ze niet de engelen die daar als boodschapper zijn
om namens God het goede nieuws over de opstanding van Christus over te brengen.
Door haar tranen heen ziet ze niet dat het Jezus is die haar opzoekt.

Een mooie gedachte, die ook bij Pasen hoort.
Dat Christus er al kan zijn in ons leven. Nog voor wij Hem zelf zien en waarnemen.
Denk maar aan de twee mensen die op weg waren naar Emmaüs.
Hoe de Heere Jezus met hen meeliep en hen liet vertellen over hun teleurstelling.
Hij was er al, voordat zij er erg in hadden.
Zo ook bij Maria. Ze heeft het niet door en toch is Hij er.
Ze heeft het niet door dat haar verdriet juist Jezus bereikt,
Terwijl ze eigenlijk op zoek is naar het lichaam van Jezus.
Zo kan het in ons leven ook zijn:
Dat we op zoek zijn naar Jezus en willen dat Hij er is,
maar dat we Hem niet opmerken,
Terwijl Hij er wel, op een andere manier dan we verwachten.

Hij staat achter Maria, als Maria zo het graf in tuurt,
zich afvragend of ze ooit nog een glimp van Jezus zal opvangen.
Hij kijkt mee in het graf.
Zelf ziet Hij het geopende graf, waar Hij zelf nog maar kort gelegen heeft
en Hij weet dat het graf leeg is, omdat Hij daar niet is.
Zo deelt de Opgestane in het verdriet van Maria.
Zo deelt Hij ook in ons verdriet. Hij gaat daar niet voor op de loop!
Hij zoekt Maria op en zo kan Hij ook u en jou opzoeken
als u met uw verdriet rondloopt en niet meer weet hoe u verder moet
en zich vertwijfeld afvraagt of u nog wel verder kan.

Zijn aanwezigheid roept misverstanden op:
Bent u de tuinman die er voor gezorgd heeft dat het lichaam van mijn Heer op een andere plek terecht gekomen is?
Zo kunnen er in ons eigen leven ook misverstanden zijn over Jezus,
zodat wij Hem niet herkennen.
Terwijl we met Hem in gesprek zijn en Hem vertellen
wat ons dwars zit, onze klachten aanhoort over God, over ons leven,
hebben we het niet door dat Hij het is.

Hoe komt Maria uit haar verdriet?
Hoe gaan bij Maria de ogen open, zodat ze ziet dat het Jezus is,
die voor haar staat?
Doordat zij haar naam hoort.
Doordat Zijn stem haar bij name roept: ‘Maria’.
Wat klinkt daarin door: tederheid, liefde, bewogenheid.
Hier laat Jezus zien Wie Hij is: de goede Herder
die haar naam kent
Maria bij haar naam roept.
Die haar wegroept uit het ongeloof.
Zichtbaar wordt Hij voor haar, doordat ze de stem hoort
waarover Jezus heeft gezegd:
Mijn schapen kennen mijn stem.
Als ze mijn stem horen, weten ze dat Ik het ben.
Jezus wordt dus zichtbaar als Hij haar roept bij haar naam.
Doordat zij bij haar naam geroepen wordt,
weet zij het opeens: dit is haar meester,
de relatie is weer terug, want Jezus is er weer!
Mijn meester, roept ze uit: Rabboeni.
Ze is haar ongeloof kwijt en heeft Jezus gevonden,
omdat Jezus aan haar verschijnt en haar bij haar noemt.

Wees niet bevreesd, want Ik heb u verlost,
Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.

Maria vindt Jezus, doordat zij Zijn stem hoort.
Ze wordt door Hem gevonden, de goede herder
die haar naam kent en bij haar naam roept.

Jezus, de opgestane is dus te vinden.
Hoe kunnen wij omgekeerd worden naar Jezus toe?
Hoe kunnen wij Zijn stem horen?
Hoe kan jij de stem van Jezus horen?
Hoe kan Jezus aan ons verschijnen?

Omdat u Mij gezien hebt, Thomas, hebt u geloofd; zalig zijn zij die niet gezien zullen hebben en toch zullen geloven.(Johannes 20:29)

Wie over Jezus hoort vertellen, komt Hem tegen.
Niet door Hem te zien, maar Hij is er wel, waar over Hem wordt verteld.
Of het nu in de kerk is, op school tijdens het bijbelverhaal,
op de zondagsschool, thuis als de Bijbel opengaat,
komt Jezus naar je toe
en roept Hij jou bij je naam.

Als Jezus in je leven komt, vindt er een verandering plaats
een omkering, terwijl je dat misschien zelf nog niet eens door heeft
net als Maria: zij heeft niet door, dat zij zich naar Jezus toekeert
en het aan Hém vertelt wat haar dwars zit.
Omdat Hij zelf je opzoekt en er is
en bij jou is en je roept,
zodat ook jij en u zegt: mijn Meester, mijn Heer, mijn God!

Daar eindigt het verhaal van Maria niet.
Jezus zegt nog iets tegen Maria:
Houd Mij niet vast!
Dat zouden wij toch ook willen – Jezus vasthouden en bij je houden
zodat je ook weet dat Hij er altijd is.
Nee, zegt Jezus tegen Maria: Ik moet nog verder gaan.
Ik ben niet teruggekomen in een leven op aarde,
Ik moet verder op weg naar de heerlijkheid van Mijn Vader.
Maria, het is nog niet Mijn tijd om hier op aarde te zijn.
Het is nog niet jouw tijd om bij Mij in Mijn heerlijkheid te zijn.
Maria, jouw taak is hierover vertellen:
dat Ik opgestaan ben en Ik op weg ben naar Mijn Vader.
Mijn Vader is ook jullie Vader,
mijn God is ook jullie God.

Met die boodschap kan Maria gaan,
vol geloof: Ik heb de Heer gezien!
Ik heb Hem gezien en Ik leef.
Maria, zo kort nog vol verdriet
wordt een boodschapper van het goede nieuws.

En u en jij?
Wat vertelt u over Jezus door?
Zegt u ook: Ik heb de Heer gezien?
Vertel jij alles over wat je met Hem hebt meegemaakt?
Over wat er met Hem gebeurde en waar Hij nu is:
bij de Vader in de hemel
en dat Zijn Vader ook onze Vader is
en dat Zijn God ook onze God is.
Vertel je ook van de verandering in je leven,
omdat Christus naar je toegekomen is
en jou bij je naam geroepen heeft?

Aan wie dan?
Aan onbekenden?
Aan Mijn broeders zegt Jezus.
Begin maar dichtbij om het daar te oefenen.
Zodat ook zij gaan geloven,
op jouw woorden
en in jouw woorden Mijn stem horen
die ook weer hen bij name roept.
Amen