Preek oudjaar 2010 (Joh 12:46)

Preek oudjaarsavond (voorlopige versie)
Johannes 12:37-50

Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat een ieder, die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijve. (vers 46)

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Als de Here Jezus over zichzelf: “Ik ben als licht in deze wereld gekomen”,
laat Hij nog één keer zien, waarom Hij naar deze aarde is gekomen.
Tot dan toe was Zijn optreden openbaar, voor iedereen zichtbaar.
Iedereen kon Zijn woorden horen,
iedereen had de mogelijkheid om zich in geloof bij de Here Jezus aan te sluiten.
Nu staat Hij op een grens: het openbare optreden is voorbij.
Nu zal Hij zich terugtrekken
om in het verborgen Zich voor te bereiden op Zijn weg naar Golgotha.
De Here Jezus neemt afscheid.
Op dit moment van afscheid roept Hij voor de laatste keer
het volk op om Hem te gehoorzamen en te dienen.
Hij toont zich nog één keer als het licht.

Christus zegt van Zichzelf: Ik ben gekomen als een licht.
Maar niet zomaar als een licht,
als het licht, dat het duister verdrijft.
Het duister van het licht scheiden – dat was ook het eerste dat God deed bij de schepping.
Daarmee gaf de Here aan: Ik wil niet dat de wereld, die ik schep door het duister wordt bedreigd.
Want het duister is namelijk een bedreigende macht.
Het duister is in de Bijbel een wereld van chaos,
een wereld die het leven en die God niet kan verdragen.
Het is een van de meest ernstige woorden van de Bijbel,
omdat het duister ook kan staan voor een wereld die God niet wil,
die de Here het liefste buiten de deur houdt.
daarmee is het duister het tegenbeeld van het leven, van God.
Een wereld die angstvallig het licht buiten houdt

Christus zegt: Ik ben gekomen als een licht om het duister te verdrijven.
Op de grens van dit jaar en het volgende jaar, het moment waarop wij terug kijken
en voor onszelf de balans opmaken,
de geslaagde momenten scheiden van de minder geslaagde momenten,
de goede herinneringen scheiden van de herinneringen die ons dwars zitten
om die achter ons te laten,
is er Iemand die ook de balans over ons leven opmaakt,
meer nog die een scheiding maakt
een scheiding tussen licht en donker.
Alles wat wij hebben gedaan in het afgelopen jaar wordt aan deze scheiding onderworpen.
dat daarmee deze woorden een ernst krijgen, hoef ik u niet te vertellen.
Ik denk aan mijn bezigheden in het afgelopen jaar:
Als man en vader in ons gezin,
de momenten dat ik er was en de momenten dat ik er niet was.
als predikant van uw gemeente,
in de bezoeken die ik heb gedaan,
de preken die ik heb voorbereid en gehouden heb ik uw midden,
heb ik genoeg geluisterd naar de stem van de Here,
heb ik u wel de enige boodschap voorgehouden die u redding brengt?
als bewoner van dit dorp.
Heb ik mij niet mij teveel opgesloten in mijn eigen wereld
en de kansen die de Here mij bood laten verschieten?
Heeft, ondanks alle goede bedoelingen, de duisternis niet geregeld over mij en mijn werk geheerst?
Christus die scheiding brengt tussen licht en duisternis.
Terugdenkend aan het begin van het jaar,
toen wij startten met het gebed om de zegen van e Here over het jaar 2010,
heeft de Here toen iets voor ons achter gehouden?
In een avondlied dat ik onlangs tegenkwam, wordt gezongen en gebeden:

Mijn nederlagen komen.
Als geheel heb ik de dag ontvangen
Hij viel ons uit handen.
Aan die kan ik de scherven overgeven
als mijn hart mij alleen nog maar aanklaagt
?

Maar voor wij ons overgeven aan ons zelfbeklag,
Voor wij de balans voor God opmaken
en daarbij het risico lopen het duister wat te verdoezelen,
zo onschuldig was het niet,
Voor wij aan onszelf overgeleverd zijn
met de last van het verleden en niet in dat licht durven kijken,
roept Christus ons.
Voor wij op de grens van oud en nieuw onze Here tegen komen,
die ons op deze grens dreigend tegemoet treedt en ons met onze schuld en tekorten confronteert,
roept Hij over ons uit, dat Hij gekomen is als een licht.
Wij kunnen het duister niet uit ons leven verdrijven,
Dat doet Hij in ons leven.
Bij ons houdt de dag op om middernacht.
Ook ons jaar houdt vannacht om middernacht op.
Bij de schepping is dat anders.
De dag begint met de nacht en eindigt met het licht, de dag van Godswege gezonden.
Christus is gekomen om aan te kondigen dat het duister over ons leven
niet het laatste woord heeft.
Als de morgenster gaat Hij op in ons duister.
Hij roept een ieder tot Zijn licht.
Het is een oproep om niet in onszelf gekeerd te blijven,
niet alleen te blijven met onze last,
Maar een uitnodiging en bevel tegelijk.
Een uitnodiging omdat de Here ons niet wil dwingen
Een bevel, omdat Hij niet wil dat wij in het duister rond blijven lopen
De machten die tegen ons leven zijn en ons van het leven afhouden.
Een hartstochtelijke roep om ons leven aan Hem toe te vertrouwen.
Niet morgen, niet als goede voornemen.

Jezus roept hier niet degenen die reeds tot geloof gekomen zijn.

Niet die het leven in hem al gevonden hebben.
Dat zijn er trouwens niet zo veel op dat moment, de meesten hadden zich van Hem afgewend.
De Here Jezus zegt niet: als je gelooft, maak ik de drempel nog eens hoger.
Maar het is de laatste poging van de Here Jezus om Zijn volk nog eens te winnen.
Jullie beseffen niet wie ik ben en wat ik kom doen.
Ik kom jullie tot een nieuwe schepping maken.
Beseffen wat jullie mislopen?

Christian Möller vertelt over een doopbezoek.
Hij kwam bij de ouders thuis.
Vol trots liet de vader zien, welke levensloopregelingen de vader allemaal had geregeld.
Zijn dochter zou een onbezorgde jeugd kunnen hebben.
Er was al een heel plan opgesteld, zodat zijn dochter kon studeren.
Möller hoorde dat eens aan
na een tijdje vroeg hij aan de man:
is het wel verstandig om je kind te laten dopen?
De man, verbaasd: hoezo?
Als je je kind laat dopen krijg je de hemelse Vader erbij als concurrent.
De man hield verbluft zijn mond.
Daarop begon de vrouw te spreken: Wilt u asltublieft ons kind dopen.
Dit is een voorbeeld van hoe mensen teruggekomen worden.
Hoe er goed gekeken is naar de werkwijze van de Here Jezus.
Want deze man had niet alleen voor zijn kind een keurslijf klaarliggen,
hij had ook nog eens buiten de zorg van de hemele Vader gerekend.
Alsof alleen hij als vader voorzijn kind zou zorgen.
Alsof er geen Vader in de hemel is.

De roep van de Here Jezus ontregeld onze vanzelfsprekende zekerheden.
Hij komt in ons leven – liefdevol en vragend.
Ik bied je het leven aan.
Ik verdrijf het duister (dat jij alleen degene bent die voor je kind kunt zorgen, want als het eigen wegen kiest, wat dan?)

Heel het werk van de Here Jezus dreigt op een mislukking uit te lopen.
Slechts een handjevol mensen heeft Hij gewonnen.
Die hebben ontdekt dat in Hem het leven.
Zo heeft Hij tijdens Zijn rondwandeling op aarde voortdurend hartstochtelijk
geworven om het hart en het leven van Zijn volk.
Wijs het leven niet af, want dan blijf je in de duisternis.
Wat komt er dan van je terecht?

Maar zover is het nog niet.
Jezus is gekomen als licht om het duister te verdrijven.
Zodat wij niet onder het oordeel vallen.
Hij is gekomen om ons uit het duister mee te nemen naar het licht.

Mijn vader is leraar op een school.
Aardrijkskunde gaf hij.
Ik heb een jaar bij hem in de klas gezeten.
Aardrijkskunde is niet voor iedereen het meest boeiende vak.
Het gebeurde wel eens dat iemand niet zat op te letten,
aan het knikkenbollen was.
Hij pakte dan een krijtje of een schoolborstel
en met een mooie boog wierp hij het precies op het tafeltje van degene die zat te slapen.
Diegene schrok natuurlijk wakker.
Hij deed dat natuurlijk niet omdat hij beledigd was, dat er iemand in zijn les in slaap viel.
Hij deed dat om degene die zat te knikkenbollen
bij de les te roepen.
Want met een overhoring zou hij of zij bepaalde informatie niet meer weten.

Hij roept ons tot Zijn licht,
zoals een herder een schaap roept dat te ver is afgedwaald.
Ga niet alleen door het leven, die last is u te zwaar.
Als we dat tegen elkaar zouden zeggen, zouden we het dan geloven?
Wellicht omdat het een lied is dat ons bekend is.
Daarom klinkt hier de stem van de goede Herder.
Aan Hem kunnen wij toch niet voorbij gaan?
Als Hij tegen ons zegt: Ga niet alleen door het leven.

Jezus geeft als waarschuwing aan Zijn woorden ook een ernst mee.
Nog ben ik niet gekomen met Mijn oordeel.
Nog steeds klinkt de genadige oproep
Om Zijn licht over ons leven te laten schijnen.
Ik treed u nodigend tegemoet.
Laat Mij in je leven zijn.
Want anders sta je er alleen voor.
Maar daarom ben ik niet gekomen
om je er alleen voor te laten staan.
Dan zijn wij alleen maar bezig met: of onze last
Of wij maken de last voor ons een beetje dragelijk maar houden ons voor de gek.

Vandaag werkt God nog.
Vandaag roept Hij ons tot Zijn dienst.
Vandaag houdt Hij ons het leven voor.

Zalig bent u, als u geroepen bent.
Als de Here ook over uw leven schijnt.
Herscheppend om ons Zijn heerlijkheid over ons te laten opgaan.
Dan mogen wij weten:
Ook over het afgelopen jaar heeft de duisternis niet het laatste woord.
Dat wordt ons verkondigd door onze Heiland zelf.
In Christus gaat de zon van Gods genade gaat over ons op.
Vlucht niet in het duister weg!
Amen

Homiletische aantekeningen bij Johannes 12:44-50


Homiletische aantekeningen bij Johannes 12:44-50
Vanwege een preek op Oudjaarsdag

‘Licht en donker zijn in de taal van de Heilige Schrift laatste woorden’, schrijft Hans-Joachim Iwand. Hij bedoelt met de uitdrukking laatste woorden, dat waar Jezus over spreekt te maken heeft met het oordeel van God op de laatste dag. Iwand voegt eraan toe: ‘De scheiding van licht en duisternis was de eerste scheppingshandeling van God. Wee degene die deze grens opheft of verwart.’

Het is deze scheiding die volgens Iwand in Johannes 12:44-50 aan de orde is en bepalend is voor al ons bezig zijn. Of het nu gaat om wereldbeschouwing, ethos, religie. Maar ik denk ook ons gewone bezigzijn. Daarmee denk ik aan mijn alledaagse bezigheden. Waar heb ik mijn tijd aan besteed? Waar mijn tijd aan verkwist? Ik heb preken voorbereid, mensen bezocht, artikelen geschreven, getwitterd. De scheiding tussen licht en duister treft ook mijn bezigheden.
Duisternis is bij Johannes een sfeer, een macht waarin men zich eigen best thuis is, maar leeft zonder God. Wandelen in de duisternis, aldus Iwand, typeert een bestaan dat geleefd wordt zonder besef van het doel. Hij verwijst naar enkele verzen eerder: wie in de duisternis wandelt, weet niet waarheen hij gaat. (Johannes 12:35). Wandelen in de duisternis kan zowel in luiheid als activiteit worden gedaan.
‘Bedenk dat de gehele wereld een ijdele leugen is en dat alles ons anders voorkomt dat het in werkelijkheid is. Moeizaam is ons leven en wij vergeten desondanks elk ogenblik dat al onze handelingen ooit voor een Revisor komen, die niemand kan omkopen.’ (Nikolaj V. Gogol – geciteerd door Rudolf Bohren – Das Gebet I, p. 11). Zelfbedrog leidt uiteindelijk tot Gottesbetrug, aldus Bohren: wie zichzelf voor de gek houdt, camoufleert zich uiteindelijk ook voor God. Daarmee wordt God van Zijn eigenheid beroofd; de oervorm van zonde. Redding van de zonde is dus redding van ons zelfbedrog.
Ik denk aan een avondlied van Svein Ellingson (vertaald door Jürgen Henkys) dat ik onlangs tegenkwam:

Meine Niederlagen kommen.
Ganz hab ich den Tag empfangen,
und er fiel aus den Händen.
Wem soll ich in letzter Stunde
lauter Scherben übergeben
und ein Herz, das nur noch anklagt?

Als geheel heb ik de dag ontvangen, maar heb de dag zelf als een vaas in stukken laten vallen. Aan wie kan ik de scherven geven als mijn hart mij daarover aanklaagt?
Of aan Gezang 167:2 (van Ad den Besten) dat ik zo graag laat zingen:

Wij hebben dag en nacht verward,
de nacht geprezen in ons hart
en onze dag verslapen
.

Misschien dat ik daarom zo graag Duitse theologen lees: vanwege het ernstige besef in de Lutherse traditie van het oordeel van God. En dat ik daarom zo graag de muziek van Joh. Seb. Bach beluister, omdat dat besef in zijn muziek alom doorklinkt.
Tegelijkertijd vraag ik mij af, waarom ik die ernst de gemeente niet altijd voorhoudt? Wat blokkeert er in mij? Wil ik het de gemeente toch naar de zin maken en de ernstige kant niet al te strak aantrekken? En dat terwijl ik weet dat in de gemeente ook wel degelijk het verlangen om de ernst aanwezig is.

Voordat ik het weer om mijzelf kan laten draaien, benadrukt Iwand dat de beslissing allereerst aan Christus toekomt. Het is Christus die duisternis en licht in mijn leven, in de wereld, in de kerk scheidt. Hij is als licht in deze wereld gekomen, opdat een ieder die in Hem gelooft niet in de duisternis blijft. Dit is de reden van Zijn komst. Daarom is Zijn komst vol genade en waarheid (Johannes 1:17).Het draait om de aanwezigheid van Christus. Ook in de preek.
De prediker spreekt in naam van Christus. Volgens Iwand kan dat maar op één manier: ‘Spreek, Heer, want uw knecht hoort.’ Manfred Josuttis beschrijft zijn herinnering aan Iwand als prediker: een forse man, die op de kansel achter zijn biddende handen verborgen was: de gestalte van de radicale onderwerping. De prediker laat op deze manier in zijn ambt zien, wat de kerk tot kerk maak.
Dat leer ik ook van Iwand: de belofte. Dat heel Gods handelen in het teken staat van Gods belofte. Ook de ernst van het oordeel. Die belofte maakt de preek concreet en actueel. Concreter en actueler dan het recente nieuws te gebruiken of te refereren aan trends. Want die referenties willen uiteindelijk heersen over de tekst: ‘We lopen voortdurend het risico om de kracht van het Woord van God en de beslissingskracht die van het Woord uitgaan te neutraliseren.’ Het Woord van God heeft meer effect dan alle positieve ideeën. Ook al zijn die positieve ideeën gekleed in een christelijk jasje. ‘We worden als eerste tot de tekst geroepen, maar moeten ons dan weer laten uitzenden in de missio om te verkondigen.’ Daarom over de tekst:

Over Johannes 12:37-50
Deze perikoop sluit het openbare optreden van Jezus af: (1) in het onbegrijpelijke ongeloof van de Joden, (2) in het benadrukken van Jezus dat Hij niet namens zichzelf kwam, maar gezonden was door de Vader.
Jezus neemt afscheid door Zijn volk nogmaals te roepen, op te roepen tot geloof en ommekeer. Hij is niet gekomen om Gods oordeel te brengen, maar om te redden van dat oordeel. Hij negeert hier zijn ambt als rechter. De laatste roep laat nog steeds genade zien. ‘Onze weg door de tijd wordt begeleid door de voortdurende bemoeienissen van God met ons.’ (Voigt) De teleurstelling leidt niet tot verwijten, maar een laatste oproep. Jezus roept op om zich dmv Hem toe te vertrouwen aan God. Om zo de verbroken gemeenschap met God te laten herstellen. Daarom is Zijn optreden niet vrijblijvend. Alleen door te luisteren naar Zijn roepstem kan de verbroken gemeenschap worden hersteld.
Jezus roept ons uit de duisternis tot het licht. Om Gods eerste scheppingsdaad ook aan ons te laten voltrekken. Voigt: ‘Dat wij in de duisternis zijn gaan wandelen, komt omdat wij Jezus te weinig vertrouwd en gehoorzaamd hebben. De ‘sfeer’ van de duisternis zou ook in het jaar dat bijna achter ons ligt, macht over ons hebben kunnen krijgen – terwijl wij menen te midden van Gods volk te staan.’
Deze –laatste – oproep is niet vrijblijvend. Iwand: ‘De ontmoeting met het Woord van God in Christus zijn altijd van eschatologische betekenis.’De komst van Jezus heeft alles wat tot nog toe open was een definitief karakter gegeven. Genegeerde genade betekent: oordeel. Daarom: het heden als moment om (weer) te gehoor te geven. We kunnen de keuze niet voor ons uit schuiven. Vandaag wordt er besloten over de toekomst. Door Christus en door ons. In die zin kan men dus zeggen dat het oordeel over leven en dood nu voltrokken wordt. (Dat betekent overigens niet dat Johannes het oordeel op de laatste dag niet kent.) Nogmaals: Jezus is niet gekomen om te oordelen, maar om te redden. Jezus spreekt niet als privépersoon, maar namens God.
De kerk moet overigens wel serieus nemen dat het oordeel toekomt aan God. De kerk heeft alleen het oordeel aan te bieden; niet te oordelen over wie het afwijst. In 1937 zei Iwand tegen de studenten van de Bekennende Kirche: ‘Wat daaruit worden zal, mag u aan God over laten. Hij kan de gemeente ook in dwaalleer laten verkeren. Dank God, dat u vandaag de dag de gemeente nog mag verkondigen!’
Iwand zei dit midden in de strijd tussen de Deutsche Christen en de Bekennende Kirche (wat die opmerking over de dwaalleer een spannend gegeven laat zijn). Eerder had hij al tegen zijn studenten gezegd: ‘Tussen u en uw gemeente staat God. Een zegen en een troost als u deze grens respecteert, maar een scherp zwaard voor wie deze grens negeert. Op het moment dat u als verkondiger wilt heersen over de harten, loopt u in Gods zwaard.’

ds. M.J. Schuurman

Gebruikte literatuur:
* Rudolf Bohren, Das Gebet I (Waltrop, 2003).
* Hans-Joachim Iwand, Predigtmeditationen (Göttingen, 19642).
* Christian Möller, Die homiletische Hintertreppe. Zwölf biographisch-theologische Begegnungen (Göttingen, 2007) – het hoofdstuk over Hans-Joachim Iwand.
* Gottfried Voigt, Die große Ernte. Homiletische Auslegung der Predigttexte der Reihe V (Göttingen, 19762).

Meditatie Kerstnachtdienst 2010

Meditatie Kerstnachtdienst
gij zult Hem de naam Jezus geven. Want Hij is het, die zijn volk zal redden van hun zonden

en men zal Hem de naam Immanuël geven, hetgeen betekent: God met ons

‘Een koningin kun je niet alles laten zien.’ Dat was de algemene mening van het ziekenhuispersoneel, toen het bezoek van koningin Helena werd aangekondigd.  Koningin Helena was koningin van Italië en ze zou in 1943 een ziekenhuis bezoeken in Napels.  Napels lag toen op het front van de Duitsers aan de ene kant en de Amerikanen en de Britten aan de andere kant. Tijdens die strijd werd de stad ook gebombardeerd.
Koningin Helena wilde bij de gewonden op bezoek.
Maar: ‘Een koningin kun je niet alles laten zien.’ Want stel je voor, zo’n koningin was het helemaal niet gewend  om zulke verschrikkelijke dingen te zien. Je  kunt het zo’n nette en beschaafde dame niet aandoen om het allergruwelijkste te laten zien: verminkten, de gangen waar de stank je tegemoet kwam, waar het nauwelijks uit te houden was. Dat kon je een koningin niet aan doen. Dat zou te confronterend zijn, te onwaardig voor haar.
De leiding van het ziekenhuis besloot toen om één zaal gereed te maken voor de koningin. Een zaal met gewonden die er niet al te erg aan toe waren, keurig schoongemaakt, zodat de koningin wel een indruk zou krijgen van de gewonden,
maar niet te veel van streek gemaakt zou worden. De andere kamers en gangen werden goed afgesloten, voor het geval dat ze toch per ongeluk in die richting zou gaan. Een kortstondig bezoek om een indruk te krijgen en toch niet te veel van haar waardigheid te hoeven inleven. Zodat ze zich niet hoeft te schamen voor haar positie. Zodat deze koningin Helena toch het idee heeft dat zij iets goeds heeft gedaan.

Mattheüs vertelt ons een verhaal over een andere Koning, waarin het ook anders aan toe gaat. Niet zomaar een koning, maar de Koning van het heelal, die geboren werd. Deze Koning liet het niet bij een kort bezoekje om een indruk te krijgen. Hij daalde af in ons bestaan. Hij werd aan ons gelijk.
Hij, Jezus, werd geboren uit een vrouw die nog niet getrouwd was en zo nam de Koning van het heelal het risico om te boek te staan als een onecht en buitenechtelijk kind. Zo werd Hij gelijk aan allen al vanaf hun geboorte een schande met zich meedroegen. Hij werd geboren in armoede, zodat wij niet bij onszelf kunnen denken: ‘Wij zijn te min om bij God te horen.’ Daarvoor legde Hij Zijn hemelse heerlijkheid af. God was bereid om Zijn reputatie op het spel te zetten  – voor ons! Hij vond het niet te min om onder ons te komen wonen –om te worden als wij. Hij begon kwetsbaar: als een kind, bij het allereerste begin, zelfs het risico om als kind gedood te worden met de andere kinderen van Bethlehem weerhield Hem niet om vanuit de hemel te komen hier op onze aarde.
 
Jezus, dat kindje in de kribbe is niemand minder dan God. God die onder ons kwam wonen en gelijk werd aan ons. Dat is al heel wat. Dat Hij ons kent, dat Hij ons aanvoelt en weet wat wij doorgemaakt hebben. Dat God niet vanuit de hoge hemel te ver verwijderd is van ons leven. Dat is al een troost op zich. Dat Hij, de Koning van het heelal, God, ons opzoekt, in ons midden komt. Wordt als wij.
Immanuël – God met ons. Deze wereld waarin wij wonen en leven, daarin kwam de Zoon van God. Dat vieren wij in deze dagen. Dat deze wereld niet door God is losgelaten, niet is prijsgegeven. Onze wereld Gods wereld is en blijft.

Dat is niet het enige. Er is meer. Dat kind dat geboren wordt, God die afdaalt in ons bestaan, Hij wordt Jezus genoemd. Want Hij zal Zijn volk redden van hun zonden. God komt naar ons toe. Niet alleen om één met ons te worden. Om ons te kunnen aanvoelen, maar om ons te redden. Te redden van een leven dat verloren, dat ten dode is opgeschreven gaat.
De komst van koningin Helena had een aanleiding: er was iets ergs gebeurd en zij wilde de burgers van de stad Napels een hart onder de riem steken. Haar medeleven betonen. Jezus komt – als meer dan Gods medeleven. Hij wordt ons leven en neemt ons leven over. Ook ons leven, waarvoor we ons voor anderen schamen. Wat dat betekent kan alleen worden verteld in verhalen:

Een man wordt opgenomen in het ziekenhuis. Als de dominee bij hem op bezoek is de man en met hem in gesprek raakt, komt er een verhaal dat hij nog nooit heeft verteld.
Aan zijn vrouw niet – hoewel zij iets vermoedde. Aan zijn kinderen niet, zijn kleinkinderen niet. Hoe hij soldaat is geweest in Nederlands-Indië en wat hij daar heeft gezien en wat hij zelf heeft gedaan. Uit schaamte heeft hij het altijd verzwegen. Voor iedereen. Wie kon hem die last afnemen? Als zijn kleinkinderen bij hem op schoot zaten – en ze waren dol op hem – dacht hij bij zichzelf: je moest eens weten. Wie kan deze schuld afnemen? Want het is niet alleen een schuld naar mensen toe, maar ook naar God.
Zijn hele leven lang kon hij geen avondmaal vieren, want zijn schuld was te zwaar. Zou God hem willen vergeven? Met wat daar in Indië heeft gedaan?

Of een baanwachter die te vroeg de slagbomen bij een spoorwegovergang omhoog deed. Een jongen op een scooter trok op en kwam onder een trein terecht. Omdat het een bedrijfsongeval was, werd de man vrijgesproken van schuld. Maar de schuld droeg hij wel met zich mee.
‘Weet u wat het betekent dat er iemand dood is door de schuld van een ander?’
‘Nee,’ zei de dominee die hem bezocht, ‘Maar ik probeer het te begrijpen door naar u te luisteren.’
‘Mijn leven is kapot,’ zei de man, ‘Ik ben pas 45jaar en moet hiermee verder leven.’
‘U kunt haast niet meer verder. Het ontneemt u alle levensvreugde. Maar weet u, nu ik bij u ben, is er werkelijk maar één uitweg.’
De man kijkt de dominee sceptisch aan.
‘God,’ zegt de dominee (verbaasd over zijn eigen uitspraak).
De man: ‘Daar heb ik al aan gedacht, maar zo eenvoudig ligt het niet.’
De dominee, voorzichtig om het zorgvuldig uit te leggen: ‘God heeft het beloofd dat Hij het van u overneemt. Hij wil het voor u dragen.’
‘Tot nog toe dacht ik dat ik het alleen moest dragen. Hoe kan ik het uit handen geven?’
‘Niet uw verantwoordelijkheid, wel de onoplosbare schuld, die loodzwaar op u drukt. Die wil Hij van u overnemen.’
De man zwijgt.
‘Het kind dat geboren werd in de kribbe – om voor onze zonden te sterven.’
Haast vol ongeloof, omdat hij het niet kan begrijpen: ‘Misschien is er toch een uitweg voor mij.’

Immanuël – God in ons midden om onze schuld over te nemen en ons het leven te geven.

Een mevrouw, die na de scheiding niets meer heeft gehoord van haar 3 dochters.
Als zij ernstig ziek is, wordt aan haar gevraagd of haar dochters ingelicht moeten worden. Zij durft het niet aan, want stel je voor dat ze niet willen komen. Vlak voor het einde, als er bijna geen tijd en geen kracht meer is, volgt er een gesprek:
‘Ik heb me niet veel van God aangetrokken’, zei ze stil.
We zwegen.
‘Hoe zal dat gaan als u aan de hemelpoort staat?’ vroeg ik.
Ze zweeg mismoedig. ‘Die zal wel dicht blijven’, zei ze. ‘Ik  heb er niet erg naar geleefd.’
‘Daar ga ik niet over’, zei ik. ‘Ik vertel u maar een oud verhaal over God, een verhaal dat ik niet bedacht heb, een oud verhaal dat God over Zichzelf aan ons gegeven heeft om door te vertellen: het kind in de kribbe’

De komst van Christus brengt genade, maar is ook genade! Door Hem gaat de hemelpoort open.
Immanuël – God in ons midden om ons weer bij God te brengen. Ons te redden van onze zonden.
Amen

Enkele homiletische aanwijzingen voor het lied van de engelen (Lukas 2:14)

Enkele homiletische aanwijzingen voor het lied van de engelen (Lukas 2:14)

Over Kerst
Volgens Alexander Deeg is het zinvol om de gemeente op Eerste Kerstdag nog bij de feeststemming bewaren en die niet te verdringen door het alledaagse. Het kerstfeest speelt zich juist af in een tijd die bijzonder is ten opzichte van het alledaagse. In het feest dat gevierd wordt, komt iets van Gods tegenwoordigheid naar voren. ‘De feesttijd die gevierd wordt, laat het heil binnenkomen.’ (Friedrich Mildenberger)
Niet alleen in de sfeer, maar ook in de verhalen rond Kerst is er sprake van iets anders dan het gewone. In het Kerstevangelie gaat het om een geheimenis. In de Kerstnacht was er sprake van een wonder: God werd mens, onze heiland die in onze plaats trad (H. Vogel, K. Barth). Dat geheimenis moet niet op een rationele manier worden verklaard. Geheimenis betekent juist dat wij niet in staat zijn om uit te leggen hoe  het allemaal precies in zijn werk is gegaan. Geheimenis betekent echter ook dat wij wel de betekenis weten, namelijk dat God handelt in Christus ons ten goede. Geheimenis betekent dat wij hiermee het beste omgaan door het te vieren en door te vertellen. Door het gelovig te ontvangen en God te loven.
Vandaag de dag hebben veel theologen (en ook gemeenteleden) moeite met de pre-existentie en de maagdelijke geboorte van Jezus. Zoals Morgenroth met een zekere ironische ondertoon opmerkt: ‘de kribbe was leeg en het graf vol.’ (Een omkering dus van wat de Schrift zegt.)  Daarbij wordt het Kerstevangelie losgekoppeld van het handelen van God aan Zijn volk. Wanneer dat gebeurt, vervlakt de kerstverkondiging tot het gebruik van algemeen-religieuze begrippen. Er is sprake van ‘theologisering van het humane’. (Manfred Seitz) Dan wordt Jezus slechts tot een goed voorbeeld. Knieling laat zien dat dit niet alleen theologisch problematisch is (omdat de christelijke verkondiging verloren gaat), maar ook pastoraal. Wanneer de geboorte van Christus voor ons tot voorbeeld wordt gesteld, worden wij tot iets opgeroepen wat wij niet kunnen doen. Bijvoorbeeld. Zoals bij elke christelijke feestdag is Jezus geen voorbeeld, maar gaat Hij een weg die wij niet kunnen gaan en Hij gaat die voor ons. Jezus is sacramentum (en geen exemplum!). Hij gaat voor ons, omdat wij die weg niet konden gaan. Is Hij slechts voorbeeld, dan verdwijnt het tegenover en verdwijnt ook het handelen van God in Hem.
Het heeft met heilsgeschiedenis te maken. God handelt. Het wonder is misschien nog wel meer de barmhartigheid van God met mensen (vrede op aarde voor de mensen aan wie Zijn welbehagen ten deel valt). Er gebeurt iets aan en voor ons van Godswege. Hoewel de hoorders daar niet altijd voor komen. Volgens Voigt zit het merendeel om over zichzelf na te denken. Toch moet de verzamelde gemeente gewezen worden op haar Heer, die neerdaalde uit de hemel. Luther benadrukte de bijzonderheid dat God mens werd. De Zoon van God werd geen engel. De engelen viel de bijzonderheid niet ten deel dat God onder hen kwam en hun gestalte aannam.
Het Kerstevangelie is geen aardig, sprookjesachtig verhaaltje voor het slapengaan. In het naar de aarde afdalen van God in Christus schuilt het troostrijke. Heinrich Vogel schrijft in 1939 over Lukas 2:  ‘Tegen de demonische realiteiten, waaraan vandaag de dag de mensen, die in nood en schuld wegzinken, zijn overgeleverd zoals dat lange tijd niet gebeurd is, biedt geen gedicht noch menselijk verlangen weerstand, maar helpt alleen de goddelijke werkelijkheid, waarin wij van de andere realiteiten als satan, zonde en dood verlost zijn.’ Daarom kon de legerpredikant en kunstenaar Kurt Reuber in de loopgraven van Stalingrad een tekening maken van Maria met het kind (Weihnachtsmadonna van Stalingrad).

Over de perikoop
Het kerstevangelie is heel bekend. Het voordeel daarvan is dat het niet alleen in ons hoofd zit, maar ook in ons hart kan wortelen. Juist omdat het een gedeelte is dat tot nadenken en mediteren stemt, daarom is er ook veel over gepreekt. Volgens exegeten (F. Bovon, W. Schmithals) is na vers 14 de climax geweest en wordt alleen de afwikkeling van de gebeurtenis verteld. Toch is ook dat gedeelte van belang, omdat hier de reacties worden weergegeven: de herders die gaan kijken wat er geschied is, Maria die de woorden in haar hart bewaard.
‘Het Kind doet niets anders dan slapen, huilen en drinken, maar het is iets. In Hem zijn hemel en aarde één geworden.’ (Voigt) Ogenschijnlijk is er weinig te zien. Een kind in een kribbe, een kind in doeken gewikkeld, een kind dat wordt gevonden. Dat is nog niet iets bijzonders. Wat er bijzonder wordt aan dit gebeuren is dat er een woord komt, dat dit gebeuren duidt. ‘Wat de engel van God verkondigt, zouden mensen uit zichzelf niet kunnen zeggen. Het is veel meer zo dat de uniek-ene God aan de herders boodschapt wat er is gebeurd en hoe die gebeurtenis geduid moet worden.’ (Peter Stuhlmacher) ‘Wat de herders zien, begrijpen ze door het woord van de engel(en). Die engelen vertellen niet wat zij hebben gezien, maar verkondigen de woorden die tegen hen [door God] zijn gezegd.’
Deze duiding staat niet los van kruis en opstanding. Aan het kruis en in de opstanding werd openbaar dat Hij de Christus is. Dat werd ook openbaar bij Zijn komst naar deze aarde. De geboorte van Jezus is de menswording van de Zoon van God. Hij werd niet de Zoon, maar was van oorsprong Zoon en nam door geboren te worden het menselijke bestaan aan. Homiletisch betekent dat er met Kerst niet iets wezenlijk anders verkondigd kan worden dan met Goede Vrijdag en Pasen. Knieling suggereert als mogelijkheid om in de verkondiging van het neerdalen van de Zoon van God interesse te wekken voor de reden van dit goddelijke geheimenis. God komt in onze nederigheid en neemt ons bestaan aan, een zondig bestaan, vervreemd van God. De diepte van deze vervreemding wordt pas zichtbaar in kruis en opstanding. Daarnaast kan in de verkondiging over de eerste komst het verlangen worden gewekt naar Zijn tweede komst.

Over de tekst
Het Gloria in excelsis wordt door het engelenkoor gezongenHet kerstevangelie schuilt in dat ene woordje en: Ere zij God in de hoge en vrede op aarde voor degenen die Zijn welbehagen ten deel vallen. Vogel: ‘Boven het wonder van de neerdalende barmhartigheid van God in de zelfovergave van de Zoon van God aan de vloek des doods van ons bestaan klinkt het loflied van de hemelse legermachten.’ Knieling: ‘De heerlijkheid van God blijft niet beperkt tot God zelf, maar straalt uit naar de mensen.’ Klaas Schilder: ‘Want de engelenzang is gezaghebbende annuntitatie van de in Christus vastgelegde barmhartigheid Gods.’
In het ere zij God gaat het om de indicatief van de aanbidding. De engelen heffen hun loflied op een zodanige wijze aan dat de herders met dit lied kunnen instemmen. De aanbidding geldt de heerlijkheid van God. Die heerlijkheid toont zich in Zijn barmhartigheid voor mensen. God komt niet in toorn, maar op zo’n wijze dat wij kinderen van Zijn welbehagen kunnen worden. Op deze indicatief rust elke aansporing (imperatief): om met dit lied in te stemmen, om deze God te dienen en niet een andere God. Zoals de herders, die zich vanwege datgene wat zij hoorden, zich haastten naar de stal. Het koor van de engelen zingt ons voor. Door de heerlijkheid en de lof van God over deze aarde te verkondigen (zodat de aarde vol is van de volheid van God) worden wij aangestoken en opgenomen in dat engelenkoor. In de liturgie (en gemeentezang) stemt de gemeente in met het engelenkoor.

Peter Bukowski gaf de tip om een paaspreek op te bouwen aan de hand van een paaslied. Om zo net zo verkondigend te kunnen zijn. Dat kan met een kerstlied van bijvoorbeeld Jochen Klepper, Paul Gerhardt en Martin Luther ook. Een lied vertelt namelijk een verhaal en vertelt wat dit geheimenis voor ons betekent. Wel even het Duitse origineel bekijken, want die zijn vaak veel beeldender en narratiever dan de Nederlandse vertalingen. In het Duits (Liederkunde zum Evangelischen Gesangbuch, verschillende delen) en Nederlands (Compendium bij het Liedboek voor de Kerken) zijn

Het ere zij God heeft ook politieke en religieuze consequenties: de enige Machthebber en God die werkelijk gediend kan en mag worden is God.  ‘Dezelfde God waar de mens, de zondige mens voor vreest, Hij is het die deze vrees geneest en troost en verandert in grote vreugde. (…) Het evangelie begint met deze troost: vrees niet. Dat wordt pas ingezien als wij leren God boven alles te vrezen om alleen door God getroost en verblijd te worden. Door God die zich in Christus over zondaars ontfermt.’ (Vogel)

Excurs: Engelen

Matthias Morgenroth typeert de engelen als grensgangers. Hij wijst erop dat de gebruikelijke theologie over het algemeen moeite heeft met engelen. Niet in elke dogmatiek krijgen engelen een plaats. Maar met Kerst kan men er niet om heen. In tegenstelling tot de dogmatiek is er een opleving van het geloof in engelen. In postmoderne en esoterische spiritualiteit is er veel aandacht voor engelen als boodschappers van het hogere. Volgens Morgenroth kan de populariteit van engelen te maken hebben met het vager worden van het godsbeeld. Omdat God steeds meer ‘vervaagde’ en verdween kreeg men behoefte aan concrete gestalten die zorgden voor contact tussen hemel en aarde. Daardoor kwamen engelen (weer) in beeld. Engelen representeren volgens hem de mogelijkheid om direct aangesproken te worden door het heilige. In poëzie komen engelen ook veelvuldig voor, omdat de dichter de waarheidsvraag niet hoeft te beantwoorden.
Nu is er wel een verschil tussen het bijbelse en esoterische spreken over engelen. In de bijbel zijn engelen boodschappers van God. De engelen herinneren ons eraan dat de boodschap in geen enkel mensenhart is opgeklommen, maar vanuit de hemel van God in ons bestaan neerdaalde.

ds. M.J. Schuurman

* Deeg, Alexander, “Sind die Engel weg, geht’s erst richtig los” (Lk, (1-14) 15-20), GPM 63 (2008) 48-55.
* Knieling, Reiner, Predigtpraxis zwischen Credo und Erfahrung. Homiletische Untersuchungen zu Oster-, Passions- und Weihnachtspredigten (Stuttgart, 1999).
* Morgenroth, Matthias, Weihnachts-Christentum. Moderner Religiosität auf der Spur (Gütersloh, 2002).
* Schmithals, Walter, Weihnachten. Seine Bedeutung für das ganze Jahr (Göttingen, 2006).
* Stulhmacher, Peter, Die Geburt des Immanuels. Die Weihnachtsgeschichten aus dem Lukas- und Matthäusevangelium (Göttingen, 20062).
* Voigt, Gottfried, Die große Ernte. Homiletisch Auslegung der Predigttexte der Reihe V (19762) 36-41. (Een uitgebreidere Predigtmeditation staat in zijn boek Der rechte Weinstock, p. 30-36)
* Vogel, Heinrich, “Lukas 2,1-20. Weihnachten”, in: Georg Eichholz, Herr, tue meine Lippen auf I (19522) 20-34.

Het lied van de engelen – deel 1

Het lied van de engelen – deel 1

Ere zij God –de engelen zingen God eer (Grieks: doxa) toe. Dit woord doxa krijgt in het Nieuwe Testament een andere betekenis dan toendertijd het geval was. Het woord krijgt betekenis vanuit de Septuagint, waardoor het in het NT de betekenis heeft van: roem, glans, afglans. Op God toegepast: de goddelijke, hemelse lichtglans die God omstraalt. Het woord duidt de verhevenheid en de heiligheid van God, Zijn wezen aan. Bij doxa gaat het niet om iets innerlijks, maar om een uitstraling naar buiten toe. In het Oude Testament wordt de doxa (Hebreeuws: kabood) van God haast zelfstandig naast God (personificatie) of als een typering van God gebruikt.
In het Nieuwe Testament wordt deze doxa niet alleen aan God toegeschreven, maar ook aan Jezus. Dat gebeurt niet alleen na Pasen, wanneer Christus is verhoogd, maar ook al voorafgaande aan Pasen. De doxa van (de Heer) Jezus is de doxa van God.
Als God deze doxa uit Zichzelf, waarom wordt Hem door de engelen deze doxa dan toegezongen en wat bedoelde het engelenkoor daarmee? Omdat in de Septuagint ook God de doxa wordt toegezongen. Bijvoorbeeld in 1 Kron. 29:12. Men hoopt over Gods heerlijkheid over heel de aarde (Psalm 56:6Lxx, Psalm 107: 6 Lxx). Men roept er anderen toe op (Jesaja 24:15). De heerlijkheid van God zal worden gezien, omdat deze heerlijkheid wordt geopenbaard (Jesaja 35:2,40:5). Het volk Israël dat eens door God verlaten was, zal weer delen in Zijn heerlijkheid en luister (Jesaja 60:1).
Het is een onderdeel van de dienst aan God: Hem loven, zegenen en eer brengen. De engelen kondigen aan dat God door wat er gebeurt en gebeuren gaat de eer krijgt. De evangelist Lukas vertelt verscheidene keren dat mensen door het optreden van Jezus God verheerlijken. Maar niet alleen door het optreden van Jezus, maar door zijn geboorte, Zijn komst naar deze aarde. Daardoor zal er vrede komen op aarde voor de mensen van Gods welbehagen.

ds. M.J. Schuurman

Het lied van de engelen – deel 2

Het lied van de engelen – deel 2

Vrede op aarde – zingen de engelen. Met die uitdrukking neemt Lukas een belangrijk woord over uit de politieke theologie van het Romeinse Rijk. Nog niet zo lang voor de geboorte van Christus was door Octavianus een einde gekomen aan de ingrijpende burgeroorlog in het Romeinse Rijk. Na deze oorlog liet hij de tempel van Mars sluiten en stichtte hij een vredesaltaar vóór deze tempel.
Door een uitgekiende propaganda (evangelia) kwam Octavianus op een hoger voetstuk te staan. Omdat hij een einde wist te maken aan deze oorlog kreeg hij de eretitel Augustus (de Verhevene). Hij werd genoemd als heiland (Grieks: soter, redder) die de wereldvrede bracht. Verschillende Griekse steden besloten om 23 september, de geboortedag van deze keizer, te beschouwen als het begin van het nieuwe jaar.
Deze pax romana had ook een andere kant. Het inmense rijk moest in stand worden gehouden. Daarvoor was een groot leger nodig, maar ook een uitgekiend belastingstelsel. De inschrijving, waarover Lukas spreekt, zou wel eens bedoeld kunnen zijn om dit belastingsysteem in te voeren. Bovendien ging men in de tijd van Jezus’ geboorte ook soldaten werven buiten Italië. De inschrijving zou ook bedoeld kunnen zijn om nieuwe legers te recruteren. De pax romana was dus behoorlijk duur.
De pax Romana was ook schijn. Aan de grenzen was het niet rustig. Enkele jaren na de geboorte van Christus, nog ten tijde van de regering van Augustus, werd in het Teutoburgerwald een Romeins leger in de pan gehakt.

De schrijver Lukas kende de Romeinse propagandatechnieken. Hij gebruikte deze technieken om te laten zien hoe dwaas en hoe zelfingenomen de Romeinse gedachte van vrede was. Keizer Augustus bracht een ogenschijnlijke vrede. Christus bracht een andere vrede.
De keizerlijke propagandamachine moest voortdurend het imago van deze keizer overeind houden. Daarvoor gebruikte men evangelia. De Romeinen kenden dit woord niet in het enkelvoud. Temidden van de vele evangelia rondom keizer Augustus kwam het evangelie. De werkelijke Redder verscheen. Net als Kores (Cyrus) was het politieke handelen in dienst genomen door God om Zijn plan uit te voeren.
Lukas kende niet alleen de Romeinse propagandatechnieken. Hij kende ook de Septuagint heel goed. Zijn evangelie schrijft hij bewust in de stijl van de Septuagint. In de Septuagint heeft vrede een andere betekenis dan in de Griekse cultuur. In het Grieks was vrede de afwezigheid van oorlog, een toestand van welzijn en welvaart. Ten tijde van het Romeinse rijk was vrede bovendien een onderling afgesproken toestand. De onderlinge verhoudingen werden juridisch geregeld: wij verkeren (op dit moment) niet meer in staat van oorlog.
In de Septuagint is vrede de vertaling van sjaloom. Sjaloom is meer dan een toestand waarin een vol verkeert. Sjaloom is vrede als geschenk van God: welvaart, geluk, welzijn wordt door God geschonken. Sjaloom is onderdeel van Gods bemoeienis met zijn volk Israël. Door zijn volk in vrede te laten verkeren, laat Hij zien dat Hij een welbehagen heeft in dit volk. Dat wil zeggen: dat Hij zich er in verheugt om God te zijn van dit volk. Niet omdat het volk het ernaar maakt, maar omdat God trouw is aan Zijn verbond. Het gebeurde ook dat God over zijn volk oorlogen liet komen. Maar uiteindelijk mochten de profeten het goede nieuws (evangelie) over de terugkomst van God brengen. Die komst ging gepaard met de vrede van God. Sjaloom weerspiegelt dus iets van de herstelde verhouding tussen God en Zijn volk.
Dat komt de engel verkondigen: de verhouding tussen God en zijn volk wordt weer hersteld. Doordat Gods heerlijkheid over hen valt, mogen zij al iets ervaren van die vrede. Deze vrede is geen wens, maar aanzegging, verkondiging: van Godswege komt de vrede, omdat God zelf verschijnt.

Wanneer de engelen zingen over vrede op aarde, gebruiken ze een woord dat de toenmalige wereld goed kende. Dit woord wordt omgeven door twee correcties: de eer van God en het welbehagen van God in zijn mensen. Vrede op aarde is dus niet in de eerste plaats vrede onderling. Vrede kan ook niet gebruikt worden voor politiek gewin. Werkelijke vrede komt van God. Christus kwam de vrede brengen die alle verstand te boven gaat. Omdat deze van Godswege wordt gebracht.

ds. M.J. Schuurman

Het lied van de engelen – deel 3

Het lied van de engelen – deel 3: in mensen welbehagen

Wat de engelen zongen in het veld van Efratha is geen vrome wens. Het lied van de engelen hadden wij als mensen niet kunnen bedenken. Het gaat van God uit. Verkondiging, Woord van God noemen wij dat. Het wordt ons aangezegd.
In mensen welbehagen. ‘Het gaat hier om het genadige raadsbesluit van God, die zich in soevereine, grondeloze genade zich richt aan het volk van Zijn uitverkorenen.’ (ThWNT II, 748).  Het woord dat hier wordt gebruikt door de engel benadrukt van alle woorden, die iets over uitverkiezing zeggen, dat die uitverkiezing met liefde en barmhartigheid (of om dat lelijke woord passie te gebruiken) van God naar mensen uit gaat. Een goddelijk besluit, genomen door God zelf en bekendgemaakt: bewogenheid met ons.

Het woord eudokia (welbehagen) kwam niet voor in het Grieks. De betekenis van dit woord dient dan ook uit de Septuagint en de context van Lukas 2 worden gehaald.
Wanneer dit God het subject is, heeft dit woord in de Lxx de betekenis van: ‘het goddelijke genadige welgevallen aan Gods volk, voor zover het Zijn eigendom is’ en ‘kiezen voor, in de zin van uitverkiezen (ThWNT II, p. 736).

Het welgevallen van de Here gaat uit naar de armen (Ps 43:4Lxx), naar degenen die op Hem hopen (Ps. 146:11Lxx) en niet naar macht en machthebbers (Ps. 146:10Lxx) , naar het volk dat Hij verstoten heeft (Ps. 76:8Lxx). Het welgevallen van de Here betekent een terugkeer tot Zijn volk (Ps. 84:2Lxx). Welgevallen heeft ook te maken met uitverkiezing: van David (2 Sam. 22:20Lxx), van de berg Sion (Ps. 67:17Lxx), de tweede tempel (Hag. 1:8Lxx). Het welgevallen van JHWH wordt ook aangedragen als reden in gebed (Ps. 39:14Lxx). In het Nieuwe Testament komt nog meer nadruk te liggen de goddelijke oorsprong van deze barmhartigheid.

Omdat de uitdrukking ‘mensen van Zijn welbehagen’ een onbekende uitdrukking was, heeft men in de loop van de tijd de tekst gecorrigeerd. In de westerse kant van het Romeinse Rijk werd de tekst overgeleverd als: vrede op aarde onder de mensen van goede wil. Deze variant paste goed in de latere theologie van de Rooms-Katholieke kerk. Gods barmhartigheid gaat uit naar wie vol goede bedoelingen zijn en voor God kiezen.
Luther corrigeerde deze tekst in vrede op aarde en in de mensen een welbehagen. Ook dit laat iets zien van zijn theologie. De mens is het voorwerp van Gods genadige verkiezing (welbehagen).
De oorspronkelijke tekst is waarschijnlijk: vrede op aarde onder de mensen van Zijn welbehagen. De uitdrukking ‘kinderen van Gods welbehagen’ is namelijk teruggevonden in de geschriften van Qumran. Deze geschriften stammen grofweg uit ongeveer dezelfde tijd als het Nieuwe Testament, maar laten een stroming binnen het Jodendom zien die op allerlei terreinen haaks stonden op de toenmalige gevestigde stromingen binnen het Jodendom. In deze geschriften wordt met de uitdrukking ‘kinderen van Zijn welbehagen’ bedoeld: de mensen op wie Gods welbehagen rust en aan wie Hij Zijn vrede meedeelt.

ds. M.J. Schuurman