Programma orgelconcert 13 augustus 2016

Programma orgelconcert 13 augustus 2016

Op 13 augustus mag ik een orgelconcert verzorgen op het Van Vulpen orgel  van de Dorpskerk te Ouddorp.

Jan Bonefaas – Fantasie: “Ik wil U minnen, mijne sterkte”

Margreeth C. de Jong – Partita over het Gebed des Heeren
(alternatief: Joh. Seb. Bach – Fantasie en fuga c-moll, BWV 537)

Willem van Twillert – Partita over Psalm 134

Joseph Rheinberger – Charakterstücke Opus 156
– Pastorale
– Abendfreude

Max Reger – Opus 59
– Benedictus
– Te Deum

Jan J. van den Berg – Fantasie over Psalm 42

Advertenties

Mijn ervaringen met Lectio Continua

Mijn ervaringen met Lectio Continua

Sinds enige tijd lezen wij als gezin aan tafel de Bijbel in Gewone Taal vanaf het begin tot het einde. Alleen de hoofdstukken over de oud-Israëlitische wetten en de lijsten met namen hebben we overgeslagen. We komen bekende verhalen tegen. Maar ook onbekende verhalen, waardoor we tegen elkaar zeggen: ‘Hé, dit verhaal ken ik niet! Heb jij dit verhaal wel eens gehoord?’

Als predikant volg ik met de preken die ik houd ook graag Bijbelgedeelten op de voet. In vaktermen heet dat: lectio continua, doorgaande lezing. In de afgelopen jaren heb ik zo series gehouden over de Efezebrief, 1 Samuël, over Lukas, over de Psalmen. Bij de serie over Lukas volgde ik het evangelie niet strikt, maar sprong af en toe vooruit en achteruit.

De lectio continua heeft voor mij een aantal pluspunten:

  • Door langere tijd met een Bijbelboek bezig te zijn, leer ik dat Bijbelboek beter kennen: de opbouw, de theologische accenten, de eigenheid, de sociale en historische achtergrond.
  • Het geeft mij ook een bepaalde focus, die mij helpt in de preekvoorbereiding.
  • Door een Bijbelboek op de voet komen ook Bijbelgedeelten in de prediking aan de orde, die ik anders zou overslaan. Ik heb mij daardoor moeten verdiepen in de verhalen over de vlucht van David voor Saul, in de relatie tussen man en vrouw, tussen ouders en kinderen en de wederzijdse onderdanigheid in Efeze 5. Ik heb ontdekt dat de betekenis van zulke teksten bij intensieve lezing vaak anders is dan ik op het eerste gezicht dacht.
  • Door in de prediking een Bijbelboek te volgen, leert de gemeente dat een Bijbelboek beter tot zijn recht komt, als het als geheel wordt gelezen. Vaak is de neiging om allerlei perikopen los uit de context te lezen, om de evangeliën te harmoniseren of om de brieven te lezen zonder de achtergrond te verdisconteren.
  • In de eredienst komen niet steeds de bekende Bijbelgedeelten aan de orde. De gemeenteleden, die zelf thuis niet in de Bijbel lezen, leren de variatie van de Bijbel kennen.
  • Ik hoef op maandag niet te bedenken welk Bijbelgedeelte ik komende zondag aan de orde stel, want ik volg het Bijbelboek op de voet. In het kerkblad kan ik al bij de kerkdiensten opgeven welk Bijbelgedeelte aan de orde komt, zodat gemeenteleden zich kunnen voorbereiden op de dienst.
  • Bij een serie is het gemakkelijker om materiaal voor de preekvoorbereiding aan te schaffen of te kopiëren. Ik bestel enkele commentaren (waarbij ik mij goed inlees via recensies welke commentaren ik het beste kan aanschaffen) of rijd naar de Theologische Universiteit Kampen om exegetisch materiaal te kopiëren of te lenen.


Ondertussen heb ik ook ontdekt dat lectio continua ook nadelen heeft:

  • De afbakening is vaak lastig: waar begin je een serie mee een waar eindig je een serie mee? Het aantal zondagen waarop ik in eigen gemeente ingeroosterd ben, brengt mee dat een lectio continua vaak niet vol te houden is. Er moeten keuzes gemaakt worden om bepaalde gedeelten over te slaan. (Roland J. Allen noemt dit in het New Interpreter’s Handbook of Preaching: ‘lectio selecta’.)
    Om deze reden heb ik een serie over Jeremia uiteindelijk laten schieten, omdat het me niet lukte een goede keuze te maken uit de 52 hoofdstukken.
  • Het is voor mij een uitdaging om de bijzondere diensten (feestdagen, doop en avondmaal) op te nemen in het leesrooster van de lectio continua, maar het lukt niet altijd. Daarnaast doorbreken themadiensten ook het ritme van de lectio continua.
  • Lectio continua kan ook het effect hebben dat preken over een bepaalde tijd dezelfde accenten krijgen, omdat die accenten dominant zijn in het desbetreffende Bijbelboek. Ooit las ik het boek Openbaring door, maar haakte met de lectio continua af vanwege de heftigheid van de beelden.


Voor mij houdt dit in dat lectio continua een goede voorbereiding vraagt. Ruim van tevoren lees ik mij in op het Bijbelboek door inleidingen of kernachtige artikelen over de opbouw of de theologie van een Bijbelboek. Dan weet ik wat ik kan verwachten qua exegese en thematiek. Als ik helder heb wat de rode draad van een Bijbelgedeelte is, plan ik de hoofdstukken in.

Lectio continua betekent niet dat de preek elke keer hetzelfde is opgebouwd. Ik breng bewust variatie in: de ene keer begin ik bij de Bijbeltekst, de andere keer begin ik de preek met iets uit onze eigen tijd. De ene keer volg ik in de preek de tekst vers voor vers. De andere keer licht ik er één tekst uit.

Lectio continua heeft voor mij iets principieels: de Bijbel is als Gods woord de basis voor onze preek. Een themapreek als kan af en toe als variatie, maar het primaat ligt – zeker voor de morgendienst – bij een preek over een Bijbelgedeelte.
Daarnaast vind ik het boeiend om als predikant de rijkdom en variatie van de Schrift te laten zien en daag ik de gemeente graag uit om bezig te zijn met de tekst van de Bijbel. In mij opleiding heb ik veel met Bijbelwetenschappen gedaan. Op deze manier kan ik gemakkelijk iets van de vreugde die het bestuderen van de Bijbel meebrengt overbrengen.

Matthijs Schuurman
Predikant van de Hervormde Gemeente Oldebroek

Geschreven voor Preekwijzer

Recensie Handbuch Kirche und Regionalentwicklung

Recensie Handbuch Kirche und Regionalentwicklung

In 2009 werd door de EKD het Centrum voor Missie in de Regio opgericht (ZMiR). Het ZMiR is bedoeld om de samenwerking tussen kerken in een bepaalde regio te versterken, zodat ze hun missionaire taak in de desbetreffende regio kunnen oppakken. Doordat niet elke Duitse ouder hun kind meer laat dopen en doordat er steeds meer uitschrijvingen zijn, is het besef gegroeid dat kerklidmaatschap niet meer vanzelfsprekend is. Daardoor groeide het inzicht dat de EKD zich meer moest omvormen tot een missionaire kerk. Er werd een veranderingsproces ingezet, waarbij het beleidsstuk “kerk van de vrijheid” (2006) het grondvlak de noodzaak van deze verandering duidelijk moest maken. In 2004 werd een Instituut voor Gemeenteopbouw en Evangelisatie (IEEG) opgericht. Bewust werd er voor gekozen om dit instituut te vestigen in Oost-Duitsland waar de kerk heel marginaal was en daarom verbonden aan de universiteit van Greifswald. Thema’s van onderzoek zijn bijvoorbeeld missionaire volkskerk in een postchristelijk tijdperk en missionaire kerk op het platteland. Daarnaast kwam in 2009 het ZMiR, dat samenwerkt met het IEEG.

Vanaf de oprichting zijn er vanuit het ZMiR al verschillende publicaties verschenen om de lokale kerken en de kerkleiding te helpen bij hun taak in de regio: Hulpmiddelen om de regio in kaart te brengen, zoals de regionale vingerafdruk of de zoektocht naar een regionale identiteit. Materiaal dat gemeenten en regionale kerkleiding wil helpen bij het veranderingsproces naar een missionaire kerk of wil helpen de missionaire taak te vinden die bij een gemeente past. Boeken, artikelen en brochures die helpen bij de theologische doordenking.
Het ZMiR heeft zich tot doel gesteld om kerken in een regio te laten samenwerken, zodat ze gezamenlijk mensen bereiken met het evangelie, die nu nog niet door de kerken worden bereikt. Hoe kunnen de krachten van de verschillende kerken in een regio worden gebundeld, zodat ze samen sterker staan? De gemakkelijkste optie is regionalisering: kerken in een regio door middel van een fusie samenbrengen. Dat is niet wat het ZMiR wil beogen: de lokale kerkgemeenschap is van groot belang om mensen op een bepaalde locatie te bereiken met het evangelie. Wel is het zo dat de lokale kerkgemeenschap niet iedereen meer bereikt. Naast de lokale kerkgemeenschappen die er al zijn zouden er gemeenschappen of netwerken dienen te komen om tot nu toe onbereikte doelgroepen met het evangelie te bereiken. Kerken in de regio zouden daarbij samen dienen te werken. Ze zijn geen concurrenten, maar partners in de regio. Het ZMiR kiest daarom voor ontwikkeling in de regio. Kerken zouden die ontwikkeling in de regio gezamenlijk moeten oppakken en de kerkleiding in de regio zou die ontwikkeling dienen te stimuleren.
Samenwerking kan plaats vinden door het aanbod te bundelen: catechese, pastoraat, diakonaat en zelfs erediensten zouden vanuit een netwerk van gemeenten kunnen worden aangeboden. De kerkleiding in de regio kan helpen om gemeenten bij elkaar te brengen en vertrouwen in elkaar te vinden, zodat een samenwerking of een uitwisseling kan plaatsvinden.

Daarbij is het van belang dat de gemeenten hun eigenheid houden. Juist de diversiteit van gemeenten heeft een missionaire betekenis: het gevarieerde aanbod kan iemand, die geïnteresseerd is in het evangelie, helpen om een plek te vinden die bij hem of haar past. De kerkleiding zou de gemeenten uit de regio zou vanwege het missionaire belang de diversiteit tussen de gemeenten moeten stimuleren. Die diversiteit is in het materiaal van het ZMiR niet zozeer vanuit een theologische identiteit bepaald, maar vanuit een verbondenheid met een of meerdere sociale milieu’s. Het SINUS Institut heeft verschillende milieu’s uit de samenleving in kaart gebracht – in het Nederlands vergelijkbaar met de milieu’s van Motivaction. In het materiaal van het ZMiR wordt gewerkt met deze SINUS-milieu’s. Deze milieu’s bieden inzicht in de sociale samenstelling van de gemeenten en kunnen gemeenten helpen om te ontdekken op welke milieu’s zij zich in hun missionaire taak kunnen richten.

In 2014 publiceerde het ZMiR een Handboek voor kerk en ontwikkeling in de regio, waarin de inzichten die in de afgelopen 5 jaar zijn opgedaan zijn verwerkt. Daarin wordt uit de doeken gedaan hoe kerken uit een bepaalde regio tot een gezamenlijke visie kunnen komen op de kerk in de regio en op de taken die er zijn. Geschetst wordt hoe kerkleiding in de regio de samenwerking en de ontwikkeling in de regio kan stimuleren. Omdat deze samenwerking en ontwikkeling een veranderingsproces inleidt, wordt er ook aandacht besteed aan veranderingsprocessen. Inzichten uit de theorie worden toegepast op de samenwerking tussen kerken: Hoe zien veranderingsprocessen eruit? Wat is er nodig om te veranderen? Wat vraagt dat van de regionale kerkleiding? Hoe kan creativiteit worden gestimuleerd? Hoe blijven gemeenten hun identiteit houden in het veranderingsproces? Hoe slagen veranderingsprocessen? Een goede voorbereiding, een duidelijke communicatie, het betrekken van de kerken in de regio en een goede begeleiding is van groot belang. Steeds wordt er op gehamerd, hoe belangrijk de communicatie is. Weerstand is van grote betekenis, omdat het gratis advies is en helpt om het doel en de weg van het veranderingsproces scherper te krijgen. In de kerk is een veranderingsproces niet alleen een technisch proces, maar ook een geestelijke weg. Daarom kan deze weg niet gegaan worden zonder gebed, zonder leiding van de Heilige Geest en ook niet zonder het geloof dat in elke tijd Christus zijn kerk bouwt.

Christhard Ebert / Hans-Hermann Pompe (Hg.), Handbuch Kirche und Regionalentwicklung. Region – Kooperation – Mission. (Serie: Kirche im Aufbruch: Reformprozess der EKD). Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2014.

Preek zondagavond 26 juni 2016

Preek zondagavond 26 juni 2016
Psalm 77

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Soms kun je op de stoep met krijt een pijl getekend zien.
Als je de kant oploopt, die de pijl wijst,
kun je later weer een pijl zien die de richting aanwijst.
Als je dat spoor volgt, loop je een spoor dat is uitgezet
door een groepje kinderen, die aan het buitenspelen waren of een kinderfeestje hadden.
Af en toe wordt er een opdracht gegeven: hier een rondje hinkelen.
Zo kan de groep die het spoor uitzoekt, tijd winnen op de groep die achtervolgt.
Het is de bedoeling dat de groep die het spoor uitzet, steeds weer een pijl tekent.
Als de groep vals speelt en op een gegeven moment geen pijlen meer zet,
maar wel verder door loopt en een andere weg inslaat,
is het helemaal niet zo makkelijk om die groep nog te achterhalen.
Degenen die de achtervolging hebben, kunnen dan denken:
‘Nou ja zeg, als het zo moet, dan heb ik er geen zin meer in.’

In Psalm 77 gaat het over het spoor dat God heeft uitgezet, dat niet meer te volgen is.
Op het spoor dat God heeft uitgezet, ontbreken de pijlen.
Uw weg was door de zee, uw pad door grote wateren en uw voetstappen waren niet bekend.
God ging verder, zonder dat er pijlen zichtbaar waren
en degene voor wie het spoor is uitgezet blijft vertwijfeld achter:
welke kant moet ik op gaan?
Je volgt het spoor maar opeens houdt het op, want je komt bij de zee en houdt het op.
En dan?

Er is een korte film, van een minuut of 7: vader en dochter (Michael Dudok de Wit).
De film begint met een vader en zijn kleine dochter op de fiets.
Ze fietsen een dijk op, tegen de wind in.
Halverwege de dijk, bij een aantal bomen stapt de vader af,
loopt de dijk af, loopt nog eens naar boven en omhelst zijn dochtertje.
Dan loopt hij weer naar beneden en stapt in een roeiboot en vaart weg.
In de rest van de film wordt getoond hoe de dochter steeds weer die dijk op fietst.
Heen tegen de wind in en dan weer terug. Steeds wordt ze wat ouder.
Totdat ze als oude vrouw door het water heenloopt en uiteindelijk de roeiboot vindt: leeg.
De vader die vertrokken is en een lege plaats achterlaat
En zijn dochter die niets anders kan dan naar die plek te gaan
waar haar vader vertrok.
Uw weg was door de zee, uw pad door grote wateren en uw voetstappen waren niet bekend.
Net als bij het dochtertje dat haar vader zag vertrekken,
laat de weg van God een raadsel achter: waar gaat Hij heen? Waarom?
En wat moet ik?
Hoe kan ik die weg door ze zee volgen? Dat pad door die grote wateren?
Dat meisje in de film blijft stil. Er wordt niet in gesproken.
Asaf blijft niet stil:
Mijn stem klinkt tot God.
Kan ik – als ik aan het water sta en Gods weg niet meer zie –
naar Hem roepen, over het water, tot Hij mij hoort?
Luid roep ik tot Hem, totdat Hij mij wel moet horen.
Geen gelatenheid, zoals bij dat dochtertje, maar een rusteloos zoeken.
Tot God gevonden wordt.
Iedereen die een mooie verklaring heeft voor de afwezigheid van God:
Ik wil het niet horen – mijn ziel weigerde om getroost te worden.
Het geloof geeft iets hardnekkigs:
Ik leg mij niet neer bij de afwezigheid van God.
God, ik merk Hem niet op, Zijn spoor kan ik niet vinden,
maar ik geef mij niet gewonnen.
Hij moet ergens zijn, Zijn pad, Zijn spoor – ik moet het ergens kunnen vinden.
Het heeft iets groots, als je je niet laat troosten.
Soms kan troost niet gepast zijn, of goedkoop.
Zoals dat meisje niet kan berusten in het vertrek van haar vader, steeds moet zoeken.
Zo kan een gelovige niet berusten als er van God niets te zien is.
Het is wel een forse strijd, een gevecht om niet gewonnen te geven
aan de stilte van God.
En toch – het lijkt of die stilte die de leegte van God achterlaat het wint.
De psalm begint met luid schreeuwen, een geroep
– Ik mag niet zwijgen, dan moet ik maar naar God gaan door mijn stem te laten horen.
Roepen – tot God mij hoort.
In het begin van de Psalm is er nog het geloof: God zal mij horen.
Maar de strijd is te sterk: Eerst een luid roepen, dan een zuchten,
gedachten de van binnen rondgaan en tot slot een zwijgen
omdat er door de onrust geen woorden meer te vinden zijn.

Daar aan de zee, uitkijkend over het water, om toch nog iets te zien.
Daar is een tweestrijd – waar moet ik aan denken?
Aan vroeger, aan die mooie momenten dat God er was?
De herinneringen, waardoor ik nog op zoek ga naar God, het niet opgeef?
Of nu – het zwijgen, waar ik tegenop loop, de onrust omdat ik God niet vindt?

De leegte die God achterlaat – wat moet ik daar van denken?
Zou er aan de weg van God toch een einde komen?
Maak ik nu het einde van Gods weg op aarde mee
omdat God zich heeft teruggetrokken en niets meer van zich zal laten horen?
Maken we het einde van het verbond mee,
waarvan we altijd zeggen dat het tot in eeuwigheid duurt?
– we zeggen het Gods eigen woord na –
Zullen er geen mensen meer geroepen worden?
En houdt de kerk dan toch op
– al zegt onze belijdenis dat tot aan de wederkomst er een kerk zal zijn.
Het spoor dat ophoudt, de pijlen die niet meer gevonden worden
– het wordt in deze psalm een vraag aan God zelf.
Is er iets gebeurd, waardoor Gods karakter is veranderd?
Deze psalm is opgenomen in een collectie van Psalmen waarin geworsteld wordt
met Gods weg in deze wereld,
Gods weg die niet gezien wordt of niet begrepen wordt.

Psalm 73 – waar de vraag opgeworpen wordt, hoe het kan dat de mensen die leven alsof er geen God is, het hier op aarde goed voor elkaar hebben.

Psalm 74 – een psalm die over de verwoesting van de tempel gaat: de vijanden van Jeruzalem die in de tempel als beesten te keer zijn gegaan en spotten met Israëls God.

Psalm 79 en 80 die vertellen over de vijanden die als een kudde zwijnen het land Israël hebben omgeploegd.
Allemaal Psalmen die een hartstochtelijk appèl op God doen:
Ziet U dan niet, wat er ons overkomen is? Hoe kunt U het zover laten komen?

Net als in de andere Psalmen verwoordt Psalm 77 dat wat er gebeurt
niet zomaar, bij toeval overkomt en ook niet dat God het alleen maar toelaat,
maar dat God heeft afgewend
en meer nog, dat alle rampspoed, alle ellende die er gebeurt, uit Gods hand komt.
We hoorden vanmorgen in het doopsformulier
dat onze hemelse Vader al het kwade van ons weert,
of als dat kwade toch komt, doet meewerken ten goede.
Hier is daar niets van zichtbaar.
Integendeel: van de genadige God is niets meer over.
Eerder een God die het gemunt heeft op Zijn eigen volk.
Zijn hand, die voor het volk zou moeten opkomen, die voor Zijn volk zou moeten strijden,
stort nu over Zijn eigen volk al die ellende.
Dat is een diepe ervaring als God zich tegen je keert.
Als Hij zich niet meer voordoet als een genadige God.
In de aanvechting, als je leven helemaal overhoop gegooid wordt
en je worstelt met God, wat Hij doet en je vertwijfeld afvraagt,
waar God is en of Hij nog iets voor je zal doen,
kan het voorkomen alsof God je tegenstander is, je vijand,
die je niet met rust laat, maar je opjaagt.
Je weet het niet meer.
Je weet niet meer of je in Gods hand bent of dat de duivel de macht over je heeft.

Toch is dat niet het slot.
Er is meer.
In de psalm is op het diepste punt een kanteling:
Op het diepste punt van de wanhoop is er dan toch hoop
en de vertwijfeling, hoe sterk ook, redt het niet van het geloof.
Er gebeurt in de Psalm iets als de naam van de HEERE wordt uitgesproken,
de naam waarmee God zich bekend maakte,
de naam die herinnert aan het verbond met God:
HEERE – Ik zal er zijn, Ik sta klaar, Ik kom voor je op.
De naam die als een sterke toren is, een beschuttende ruimte.
De naam waardoor we eraan herinnerd worden, dat God er altijd is,
in alle omstandigheden
zelfs in het dal waar de schaduw van de dood overheen is gevallen (Psalm 23)
zelfs als ik mijzelf neerleg in het rijk van de dood, of in de hel – U bent daar
die machtige woorden uit Psalm 139.
Dat zijn woorden die gestoeld zijn op ervaring – zo was het: God was daar.
Waar je God niet verwacht, waar je denkt dat God niet komt
en je helemaal van God verlaten zou moeten zijn,
Daar daalt God neer.
Als kerk belijden wij van onze Heere, van Christus
dat Hij is neergedaald tot in de hel (tot in het rijk van de dood).
Waar je Hem niet verwacht, daar is Hij gekomen
om daar Zijn macht te tonen,
om de macht van de hel, van de duivel te verbreken.
Om te laten zien dat geen enkele macht sterker is dan Hij.
Ook niet de macht van het water.
In de Bijbel staat het water vaak voor een macht
met een vernietigende kracht, een macht die niet door mensen te temmen is,
niet tegen te houden en als die kracht loskomt,
alles overhoop kan halen en een chaos kan veroorzaken.
Het water met zijn sterke stroming na een dijkdoorbraak
dat de huizen, de mensen, het vee, de bomen meesleurt,
waar de verdrinkingsdood wacht.
In Israël kunnen beken lang droog staan,
maar na de regentijd veranderen in woeste, gevaarlijke stromingen.

Toen dat water, die sterke macht, waar wij niet de baas over zijn,
toen die macht, die zo verschrikkelijk kan huishouden, zo onbetrouwbaar is
en zoveel leed en chaos kan veroorzaken,
toen die macht U zag – die macht zag U wel.
Terwijl voor ons God verborgen kan zijn, is Zijn macht voor anderen zichtbaar.
Als de duivel ons aanvecht en mee wil sleuren,
weet hij van Gods macht.
Toen het water U zag – zij beefden,
waren onder de indruk, zagen in U een meerdere.
De machten om ons heen, die ons aan kunnen vallen, bedreigen:
Zij weten wel van Gods macht: ontzag.
Toen het water u zag, o God, toen het water u zag, begon het te beven,
een huivering trok door de oceanen.

Dat geeft een andere uitleg aan dat een-na-laatste vers:
Uw weg was door de zee, uw pad door grote wateren en uw voetstappen waren niet bekend.
Door de zee, dwars door die verschrikkelijke macht.
Een herinnering aan de doortocht door de Rode Zee,
toen het water moest wijken en er een pad kwam.
De zee moet een doorgang bieden aan God.
Dit is de oudtestamentische voorbode van het neerdalen tot in de hel.
Elke macht, zelfs de hel, moet doorgang bieden
als God dat wil.
Ook een oudtestamentische voorbode van dood van Christus,
die de dood inging om daar een doorgang te bieden.
Uw weg was door de zee, uw pad door grote wateren.
We kunnen deze psalm zelfs zien als een oudtestamentische voorbode
van Christus die over het water wandelt
en zo laat zien dat Hij alle macht heeft in hemel en op aarde
en de zee bedwingt en aan Zijn macht onderwerpt.

En dan die voetstappen, die onzichtbaar zijn?
Allereerst die voetstappen.
Een mooi beeld, want dat geeft aan dat Gods voeten deze aarde hebben geraakt.
En dan niet op een vredig stukje paradijs,
maar waar de chaos is, waar de dood lijkt te winnen,
Daar zet God zijn voeten neer.
Ook dat laat al iets zien van het Nieuwe Testament,
dat Jezus kwam om hier op aarde rond te lopen,
in onze wanhoop en onze sores, op de plaats waar voor ons de weg doodloopt,
daar loopt Jezus en baant een weg voor ons.
Uw weg was door de zee, uw pad door grote wateren en uw voetstappen waren niet bekend.
Zijn die voetstappen wel onzichtbaar?
Is het niet beter om te zeggen dat Gods weg voor ons niet opgemerkt wordt.
Dat we net als de dochter zijn, die niet zien en niet begrijpen wat er met haar vader gebeurde – de vader die uit haar leven verdween om niet levend terug te keren
en slechts een herinnering was.
We zien Gods voetsporen niet – terwijl er zoveel is dat er op wijst dat Hij er is.
Een weg die gebaand wordt.
Wie anders kan het water uiteen doen gaan?
Wie anders kan door de dood heen een weg banen?
Wie anders kan een weg banen, waar voor ons de weg ophoudt.
Het volk Israël werd opgejaagd door de farao en zijn leger.
Aan beide zijden waren de bergen, waardoor ook daar geen uitweg was.
En voor hen – daar was het water:
als ze die weg zouden kiezen, zou het collectieve zelfmoord zijn.
Een keuze om te ontsnappen aan het slavenbestaan
zonder leven, zonder bevrijding te vinden.
Uw weg was door de zee, uw pad door grote wateren en uw voetstappen waren niet bekend.

Hij kan en wil en zal – zelfs bij het naderen van de dood – volkomen uitkomst geven.
Amen

Preek zondagmorgen 26 juni 2016

Preek zondagmorgen 26 juni 2016
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Psalm 105: 1-15

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Vanmorgen hebben jullie een belofte afgelegd,
namelijk de belofte om je kind met de Heere God bekend te maken.
Je hebt die belofte om over God te vertellen voor God en Zijn gemeente afgelegd.
Een hele verantwoordelijkheid,
want als je deze belofte aflegt, betekent ook dat je die belofte moet waarmaken:
dat je dan ook steeds weer opnieuw vertelt over de Heere,
de enige God die er is – Vader, Zoon en Geest,
Die leeft en regeert tot in eeuwigheid.

In deze belofte sta je er niet alleen voor:
je hebt deze belofte afgelegd in het midden van de gemeente.
Wij zijn allen getuige van de belofte die jullie hebben afgelegd,
maar tegelijkertijd is er ook voor ons de verantwoordelijkheid,
dat ook wij naar jullie kinderen toe
niet verzwijgen dat God ook hun God wil zijn
en dat wij de verantwoordelijkheid hebben om het geloof voor te leven,
zodat jullie kinderen ook van ons kunnen leren
hoe zij kunnen geloven
en hun leven in dienst van de Heere kunnen stellen.
Het is onze taak als overige aanwezigen om voor hen een voorbeeld in het geloof te zijn.
Jullie staan  met deze belofte om te vertellen over God er niet alleen voor.
Je mag ook van ons als overige aanwezigen verwachten,
dat wij jullie helpen om je belofte waar te maken
om als ouders in de opvoeding ook het geloof door te geven.

Dat kan alleen als wij zelf doen waartoe Psalm 105 oproept:
om heel dicht bij de Heere te leven:
vraag naar de HEERE en Zijn kracht, zoek Zijn aangezicht voortdurend.
De belofte die jullie gegeven hebben
– en iedereen die de belofte bij de doop van een kind gegeven heeft
wordt ook weer aan die belofte eens gegeven herinnerd –
vraagt dat je hele leven bepaald wordt door het leven met de Heere.
Daar kan je elke dag weer en ook heel praktisch mee bezig zijn.
Als je bij het wakker worden, beseft: dit is weer een dag die ik van God ontvang.
Hoe mijn dag ook zal zijn: deze dag heeft Hij mij gegeven.
Ik moet Hem er voor danken en moet er op een verantwoordelijke manier mee omgaan.
Tegelijkertijd mag ik vragen of Hij erbij is deze dag
en of Hij mij op deze dag bij alles wat ik doe wil zegenen.
Heel praktisch: dat je de dag begint met zoeken van de Heere – elke morgen weer opnieuw
en te vragen of Hij meegaat en Zijn kracht aan je geeft.
om Zijn nabijheid en Zijn kracht.

Maak hier een gewoonte van,
want met een goede gewoonte is niets mis.
We hebben baat bij goede gewoonten:
een huwelijk en een gezin kunnen niet zonder de goede gewoonten
van het samen aan tafel zitten tijdens het eten, vertellen wat je hebt meegemaakt,
bij het weggaan even elkaar gedag zeggen.
Zo kan ons leven met de Heere niet zonder vaste gewoonten:
vaste momenten om te bidden en te lezen in de Bijbel, naar de kerk gaan,
er met elkaar over praten, zingen niet te vergeten.
Al die goede gewoonten zijn voor ons van belang,
want zij helpen ons om dicht bij de Heere te leven
– voortdurend Zijn aangezicht te zoeken, zoals Psalm 105 dat verwoordt.
Stel dat je dat achterwege zou laten: het bidden, het lezen uit de Bijbel, kerkgang,
hoe zou je leven er met de Heere er dan uit zien?
Je zult veel minder vaak met Hem bezig zijn:
alleen nog maar op de momenten waarop je aan Hem denkt.
Hoe vaak is dat dan per dag, in de week?
Dan kan de Heere zo ongemerkt uit je leven verdwijnen.

De Psalm roept ons om het tegenovergestelde te doen:
om aan de Heere en ook aan Zijn wonderen te denken.
Dat denken aan de wonderen houdt in
dat je je daar elke dag van je leven van bewust bent.
Weet je nog dat God de hemel en de aarde geschapen heeft?
Vergeet je dat niet als je weer een dag hebt,
waar je tegenop ziet, dat God de dag geschapen heeft
en als het nacht is, Hij het ook weer dag kan laten worden.
Vergeet je niet dat diezelfde God ook met jou bezig is, elke dag weer opnieuw?
Weet je nog van Abram, die geroepen werd?
Zo kan de Heere ook jou roepen om een bepaalde weg te gaan.
Weet je nog dat het volk Israël in Egypte was
en dat het toen een hele moeilijke tijd had – een diensthuis, een slavenbestaan
en dat de Heere, jullie God Egypte raakte met plagen
waardoor ze jullie moesten laten gaan, eerst door de Rode Zee, naar de Sinaï
en dan door de woestijn naar het beloofde land Kanaän.
Dat is wat de Heere, jullie God, voor jullie deed
en dat moet je steeds in herinnering houden.

Waarom is dat van belang om dat steeds te blijven bedenken?
Waarom moeten jullie deze verhalen aan je kind doorvertellen?
Omdat die verhalen niet alleen maar over vroeger gaan.
De God over wie deze verhalen vertellen is dezelfde God
en kan wat Hij toen gedaan heeft opnieuw doen.
Als je die verhalen doorverteld over de schepping, over Abram, over Israël
moet je je zo vertellen, dat je kind het idee heeft alsof hij, zij er zelf bij is.
Misschien heb je ook wel zo’n meester of juffrouw gehad,
die zo mooi kon vertellen dat je zelf meeliep door de woestijn
en die verhalen mee beleefde.
Misschien ook wel dat Abraham, Mozes, de profeten, de Heere Jezus
in deze omgeving, hier in Oldebroek rondliepen.

Door de verhalen levendig te vertellen, als verhalen die over nu gaan,
kan het geloof van je kind gevoed worden:
de God van Abram is ook nu nog God en wil ook mijn God zijn.
Binnen het Joodse volk worden die verhalen doorgegeven tijdens gezinsmomenten,
als het gezin met elkaar de grote feesten vieren,
die herinneren aan wat de Heere heeft gedaan voor Israël:
de uittocht wordt steeds weer opnieuw gevierd
en dan op zo’n manier dat de aanwezigen zelf ook de ervaring hadden
dat zij op dat moment bevrijd werden.
Er zijn verhalen bekend van Pesachvieringen uit Auschwitz en de ghetto’s
dat de Joden het Pesach daar zo vierden.
Door een loofhut te bouwen steeds herinnerd te worden aan de herkomst:
We hebben als volk een reis door de woestijn gemaakt.
Dit land is ons gegeven door de Heere.
Dat schept verplichtingen om de Heere niet te vergeten.
We kunnen van de Joden leren om ook binnen ons eigen gezin
met ons gezin stil te staan bij alles wat de Heere heeft gedaan:
door de maaltijden met Kerst, in de week van Goede Vrijdag met Pasen,
met Hemelvaart en met Pinksteren in het teken te zetten van die feestdag.
Of om de doopdag van je kind op de kalender te zetten
en op te zoeken wanneer jijzelf gedoopt bent
om op die datum stil te staan bij je doop.
Door bijvoorbeeld aan je eigen ouders te vragen, als ze nog in leven zijn,
naar de dag van de doop, hoe dat ging
en waarom ze jou gedoopt hebben
en wat ze in de loop van de jaren gezien hebben van de belofte die de Heere gegeven heeft.
Kunnen zij vertellen dat de Heere Zijn belofte als Vader, Zoon en Geest waarmaakt?
Het is goed om van de doopdag een speciale dag te maken,
waarop je tijdens het eten tijd hebt voor elkaar,
tijd hebt om stil te staan bij de doop, jaren terug
en dan te vertellen hoe die dag verliep en welke beloften de Heere gegeven heeft,
te vertellen hoe de Heere God de beloften die Hij gedaan heeft
waar gemaakt heeft.
Je moet dan natuurlijk niet vergeten te vertellen
dat de doop ook betekent dat jouw kind ook bij de Heere God mag horen
door de doop,
maar dat de doop ook betekent dat zij zelf een antwoord moeten geven op God.
In onze kerk is daar de belijdenis onder andere voor bedoeld:
Dat je de Heere dankt voor je ouders, voor hun opvoeding in het geloof
en dat je tegen de Heere zegt – en ook tegen je ouders, tegen de gemeente –
ik wil nu zelf gaan in het spoor van de Heere Jezus.
Ik geloof nu zelf, ik kan niet meer zonder de Heere Jezus
als mijn redder, mijn verlosser
en ik merk dat de Heilige Geest in mij werkt
en ik wil niets liever dan dat ik deze weg ook ga.
Vertel dan hoe zij dat kunnen doen en hoe jij dat zelf hebt gedaan.
Niet iedereen van jullie heeft nog belijdenis gedaan.
Wees naar je kind open over de aarzelingen die er zijn geweest
maar vergeet ook niet te vertellen hoe de Heere jou geholpen heeft
om meer over Hem te weten,
om elke dag met Hem te leven,
om te kunnen bidden,
om de Bijbel te lezen, zodat je dan ook de stem van God hoort
of – zoals in de Psalmen een antwoord dat gegeven kan worden op de Heere
een antwoord dat ook ons antwoord wil zijn:
Loof de Heere, roep Zijn naam aan,
Maak Zijn daden bekend onder de volken.
Zing voor Hem, zingen Psalmen voor Hem.
Spreek met aandacht over Zijn wonderen.

De geschiedenis van Israël kent veel wonderen.
Voor de kerk komt dat nog een wonder bij.
Dat ook wij mogen spreken over een verbond dat de Heere met ons maakt.
Verbond – een afspraak die de Heere maakt, die voor altijd blijft gelden.
Voor eeuwig denkt de Heere aan Zijn verbond.
Voor altijd zal Hij zich er bewust van zijn en er naar handelen.
Hij zal wél zich aan Zijn verbond houden.
Een belofte voor duizend generaties: er zal geen generatie zijn
voor wie die belofte niet zal gelden.
De doop geeft aan dat de deur naar dit verbond is opengegaan
ook voor ons, die niet tot het volk Israël behoren.
Daarmee vervangen we Israël niet – ook dat verbond van God blijft voor altijd van kracht
en wordt zelfs vernieuwd.
Toch krijgen wij een plek in dat verbond, we mogen delen in wat Israël ontving:
in de verhalen, in de liederen, in de liefde en het verbond, dezelfde God.
Dat heeft alles te maken met wat er op Golgotha gebeurde:
Gods eigen Zoon die stierf daar in onze plaats.
De doop laat ook zien, dat Christus daar voor ons moest sterven.
De doop is meer dan een stempeltje dat we op ons kind plaatsen
en daarmee zeggen: jij hoort er ook bij.
Nee, er moet eerst wat gebeuren.
Het doopformulier spreekt over een onreinheid binnen in ons, in ons hart
een onreinheid die afgewassen moet worden
En alleen afgewassen kan worden door het bloed van Christus.
En in het gebed over een doortocht door de Rode Zee,
een beeld dat aangeeft dat de doop aangeeft
dat we een land achter ons hebben te laten: het land van de zonde.
In de doop mag je je kind meenemen uit het land van de zonde,
omdat de doortocht al is betaald: met het bloed van Christus.
Dat is het mooie van de doop, van Gods genade die zo overweldigend, zo uitnodigend, zo gul is, dat is ook Zijn verbond: dat Hij het ons gunt.

Als ik het zo zeg, dan is de reactie: dat is toch wel erg makkelijk.
Ik begrijp die reactie eerlijk gezegd nooit zo goed.
Want ik geloof dat Gods genade zo ruim is.
Daarom kan ik predikant zijn en de verhalen vertellen en kinderen dopen.
Maar makkelijk is het niet,
dat laat de geschiedenis van Israël tijdens de woestijnreis
en bij aankomst in het beloofde land zien:
Steeds de heimwee naar Egypte, de keuze voor andere goden.
Als onze kinderen niet zelf ook gaan geloven in God en in Zijn grote daden,
dan kiezen ze er weer voor om terug te lopen, door de Rode Zee
naar dat oude leven, van Egypte, van de zonde, weg van God.
Van de week kozen de Engelsen voor een brexit.
We zouden kunnen zeggen dat kinderen die niet dat geloof eigen willen maken,
zelf willen geloven ook kiezen voor een leave, een vertrek uit Gods gemeenschap.
Net als het brexit van de Britten kan het een ondoordachte keuze zijn.
Daarom is die opvoeding in het geloof van de Heere zo van belang.
Om te doen wat wij kunnen om onze kinderen bij de Heere Jezus te houden.
Door hen voor te leven dat alleen bij Hem leven te vinden is
en hen te waarschuwen dat leven niet op het spel te zetten.
Wellicht hebben we onze eigen ervaringen van een leave, een weggaan
en zijn we nu weer teruggevonden door de Heere.
Vertel over die ervaringen van een leven zonder God
om duidelijk te maken dat zo’n leven niet te verkiezen is.
De EU stuurde er gelijk aan dat de Britten dan ook maar weg gaan.
Gelukkig is onze God zo niet.
Hij is barmhartig en zet ons niet zomaar uit het verbond.
En als Hij ons eruit zet, is dat om ons door de schok duidelijk te maken
dat we zonder Hem niet kunnen, dat we verloren gaan en verloren zijn.
Niet alleen maar later, als ons einde gekomen is, maar nu al.
God blijft Zijn verbond voor eeuwig gedenken,
Maar niet als wij ervoor kiezen weer terug te gaan.
Dat we gedoopt zijn, betekent nog niet dat we niet verloren kunnen gaan.
Dat is dan onze eigen keuze om uit het verbond te stappen
en bij God weg te gaan.
Maar God is oneindig genadig en geduldig.
Misschien heb je zelf van die genade ook wel gemerkt,
omdat je weer terug mocht komen, welkom was bij de Heere – tot je eigen verrassing.
Dat is de hoop voor degenen die nu niet meer met de Heere leven.
We kunnen voor hen een beroep doen op Gods verbond:
Heere, vergeet hen niet.
Wil voor hen ook uw verbond gedenken.
Ook daarom moeten we Gods grote daden doorvertellen
en vertellen hoe jezelf er weer bij gekomen bent.
Als ik terugkijk op mijn leven is er ook een tijd geweest,
Dat ik had kunnen afhaken.
Ik ging wel naar de kerk, maar van binnen geloofde ik niet altijd meer in God.
Ik geloofde niet meer in Zijn grote daden
en had het idee dat God onbereikbaar was
en dus niet meer naar Hem hoefde te vragen, te zoeken.
Als de Heere mij, u, jou het geloof kan geven, teruggeven,
dan is Hij ook in staat om anderen, die nu niet geloven, het geloof te geven, terug te geven.
Daarom: gedenk Zijn wonderdaden, ook die je zelf heb meegemaakt.
Om voor jezelf, voor je gezin, voor anderen om je heen vertrouwen te hebben
dat de Heere ook nu nog werkt en morgen en over honderd jaar.
Tot in duizend geslachten – heel de geschiedenis, tot aan de wederkomst
zal dit verbond overeind staan
en zal God bezig zijn Zijn beloften te vervullen: voor u, voor jou, voor de kinderen.
Daarom: Loof de Heere, roep Zijn naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken
Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
spreek aandachtig van Zijn wonderen.
Beroem u in Zijn heilige Naam.
Laat het hart van wie de Heere zoeken zich verblijden.
Amen





Preek zondagmorgen 19 juni 2016

Preek zondagmorgen 19 juni 2016
Uitzendingsdienst Miranda van den Berg
Psalm 86: 8-12; 139: 1-6; Jeremia 29:11-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Waarom neemt iemand een jaar onbetaald verlof op
om naar een heel ander deel op de wereld te gaan
met een heel andere cultuur
niet om vakantie te vieren
maar om daar die tijd door te brengen op een kindertehuis?
Dat is roeping.
Roeping is: iets gaan doen, wat je voor je gevoel moet doen,
omdat de Heere dat van je vraagt.
Je kunt er niet om heen, je moet het wel doen
vooral ook omdat het met de ontdekking te maken heeft
dat Christus van je vraagt om deze taak op je te nemen.
Vanmorgen staan we stil bij de roeping die Miranda heeft gekregen,
de roeping om een jaar lang te werken in een kindertehuis.

‘Maar,’ zei ze, ‘maak het niet te bijzonder.
Noem het geen zending, ofzo.
Want wat ik ga doen dat doe ik heel graag
en er zijn anderen die hier blijven die ook iets bijzonders doen.’
De taak waarvoor je geroepen wordt,
kan voor de mensen om je heen als heel bijzonder ervaren worden:
voor iemand die het liefst in Oldebroek blijft
en er niet over denkt om naar een onbekende bestemming te gaan
is het heel wat om naar een heel ander land te gaan
met ander weer en andere gewoonten, ver weg van het vertrouwde.

Er zijn meer taken waarvoor je geroepen kunt worden.
Je kunt de roeping hebben als mantelzorger:
omdat je uit een klein gezin komt, of het dichtst bij je ouders woont,
kun jij de taak hebben om voor je ouders te zorgen.
Ook al vraagt het veel van je tijd,
heb je niet zoveel vrije tijd over door die zorg
en moet je soms je werk anders plannen, omdat je klaar moet staan,
je doet het zonder dat je erover nadenkt.
Dit doe je gewoon, dat hoort. Het zijn je ouders.
Zij hebben voor jou gezorgd en nu is het jouw taak voor hen te zorgen.
Als anderen om je heen aangeven, hoe bijzonder het is, wat je doet,
voel je je er wat ongemakkelijk bij. (Niet iedereen beleeft mantelzorg op deze manier!)
Roeping? Is dat niet een te groot woord
voor wat je hoort te doen?
Is dat niet iets voor iemand die voor langere tijd naar Afrika gaat?

Roeping hoeft voor jezelf niet als iets bijzonders te zijn.
Dat kan zijn als iets waarvan jij wéét dat je dat moet doen.
Je kunt een roeping hebben om als juffrouw of meester te zijn
om kinderen hier in de omgeving te helpen in hun ontwikkeling,
een roeping om in de zorg te werken
om zo mensen bij te staan die zorg nodig hebben.
Het kan een roeping zijn om in de kerk bezig te zijn
als predikant, ouderling, clubleider, zondagsschoolleiding.
Kortom: een taak die bij jou, bij u hoort
een taak die de Heere voor u bestemd heeft.

Bij haar belijdenis kreeg Miranda deze tekst mee:
Leer mij, HEERE, uw weg
Ik zal in uw waarheid wandelen
maak mijn hart één om uw naam te vrezen.
Je vertelde dat je eigenlijk niet zoveel kon met deze tekst.
Ik vermoed de reden daarvan is dat je deze tekst niet begrijpt.
Het is juist een hele mooie tekst, die goed past bij je roeping om naar Uganda te gaan.
Leer mij, HEERE, uw weg.
En die tekst past niet alleen goed bij jou, maar is voor ons allemaal van belang.
Leer mij, HEERE, uw weg:
Het is een gebed, waarin we aan de HEERE vragen
of Hij aan ons wil duidelijk maken wat het doel is van ons leven,
welke bestemming de Heere voor ons heeft.
Bij jou is die bestemming, die roeping al gegroeid voor je belijdenis deed
en voordat je je van een roeping bewust was.
Je hoorde de verhalen over Stijntje Boeve, over haar werk in Kenia
en dat deed wat met je.
Er begon in jou een roeping te groeien.

Dat is de reden waarom we ook gekozen hebben vandaag
om bij jouw vertrek naar Uganda stil te staan
– ook al word je niet officieel door onze gemeente uitgezonden:
zodat er bij anderen hier in de gemeente ook een roeping kan groeien,
dat er bij jou, bij u ook iets gebeurt
– dat je merkt dat de Heere van je vraagt om een bepaalde taak op te nemen.
Of dat nu ver weg is, in Uganda, Afrika, Vietnam, Peru, of noem maar op,
of dichtbij, hier in onze eigen omgeving, eigen familie of vriendenkring.
Het kan een taak zijn om je baan – tijdelijk – op te zeggen,
of juist een taak zijn om je baan te houden
om zo met je baan van betekenis te zijn, met wat je in je baan doet,
of dat je door je baan voor anderen van betekenis kunt zijn – tot zegen.
Dat kan in de thuiszorg zijn, als je over de vloer komt bij mensen,
dat je even een praatje maakt, misschien wel het enige praatje dat ze die dag hebben.
Of in de winkel, even een gesprekje met een klant,
voor jouzelf heel gewoon, maar van grote betekenis voor die klant,
die zich op dat moment gezien voelt.
Leer mij, HEERE, uw weg – leer mij er open voor te staan,
leer mij de signalen op te vangen, die U naar mij uitzendt.
Geef mij een oog, dat kan waarnemen wat U op mijn pad brengt,
geef mij een oor, dat Uw stem, uw boodschap kan opvangen.
Dat vraagt van je, dat je ook rust in jezelf hebt en om je heen,
zodat de stem van God niet overstemt wordt door allerlei andere geluiden.

Je vraagt het aan de HEERE,
aan de enige God die er is, die hemel en aarde geschapen heeft,
Wij kennen Hem bij Zijn naam en Hij kent ons bij onze naam.
Dat geeft aan roeping iets intiems:
God kent ons en Hij weet wat Hij van ons vraagt
en op welke manier onze roeping goed voor ons is en ons vormt.
Hij weet of wij onze roeping aankunnen
en Hij weet ook wat ons in die roeping allemaal te wachten staat.
Uganda is een heel ander land met een heel ander klimaat.
Op de foto’s die ik zag aan een heel groen land, met bergen ook.
De wegen vaak zandpaden, waarop de mensen op blote voeten lopen.
Met de tijd gaan ze heel anders om.
Worden we al zenuwachtig als bij een afspraak of een vergadering
iemand na het Oldebroeks kwartiertje nog niet is komen opdagen,
in Uganda kan het gebeuren dat iemand pas na 3 uur op komt dagen.
Met kinderen wordt heel anders omgegaan.
Kinderen tellen daar nauwelijks mee.
Als ze niet in het plaatje passen, worden ze te vondeling gelegd.
Miranda vertelde over een kind, dat ondervoed bij het kindertehuis werd gebracht,
want de geest van een voorouder had gezegd dat het kind niet in leven mocht blijven.

Wat ga je doen? Allereerst daar zijn.
Om door er te komen, er te zijn van betekenis te zijn.
Tot zegen van het tehuis, voor de kinderen die er zijn, de sponsors in Nederland:
Voor kinderen die liefde tekort komen, getraumatiseerd zijn.
(Dat is ook wat wij hier kunnen doen: er zijn voor de mensen om ons heen.
Dat is de taak van de kerk overal:
Er zijn, zoals Christus kwam op aarde om er te zijn,
het leven te delen (Hij deed meer, droeg en verzoende het ook!),
Betrokken, niet op een afstand!
Jouw komst in Uganda – je deed er moeite voor om er te komen, het kost je wat –
laat iets zien van de bereidheid van onze HEERE om op aarde te komen.
Het kostte Hem heel wat – eerst Zijn goddelijke glans en glorie, Zijn leven in heerlijkheid in de hemel, Hij legde dat af en eindigde zelfs in de dood.
Om ons terug te brengen.
Jouw komst mag die kinderen laten zien van een God die wilde komen – ook voor hen!
Terugbrengen van het verstrooide volk (Jeremia 29 – Gods plan)

Aangrijpend is om het om daar te zijn,
bij die ruim 600 kinderen, die allemaal liefde tekort komen,
velen met een trauma, omdat ze verstoten zijn of te vondeling gelegd.
Mooi om daar iets te betekenen, maar ook aangrijpend als je al die verhalen weet.
Kun je het aan om in die andere cultuur te leven voor een jaar?
Kun je het aan om met die aangrijpende ervaringen te leven
en ook je eigen machteloosheid?
Werken in de zending of in de ontwikkelingshulp is niet zonder risico voor degene die gaat.
Je werk kan bijvoorbeeld minder nodig zijn dan van tevoren bedacht.
Denk aan Rik en Dineke, die na enige tijd terug moesten,
omdat er voor hen geen taak te vervullen was in Egypte.
Daarover hoef jij je geen zorgen te maken: daar in dat kindertehuis is altijd genoeg te doen.
Aan de PR, die jij wil opzetten, in de zorg voor de kinderen.
Kun jij het dragen?
Dat vraagt van ons, gemeente, dat we met ons gebed om haar heen staan.
Voor haar, voor het tehuis, voor de kinderen bidden en betrokken blijven.
Dat vraagt ook van ons, dat we niet alleen gericht zijn op succesverhalen,
want zending en ontwikkeling is lang niet altijd succes,
maar heel vaak ook vol frustratie over de corruptie, over de laksheid van de mensen,
frustratie over jezelf, omdat je tegen jezelf oploopt.
(Jeremia was een profeet die steeds merkte hoe moeilijk het is om een geroepene te zijn!)

Het vraagt allereerst om gebed: wat is uw weg, Heere? Wat wilt U?
En dat we dat gebed ook volhouden als we geen resultaat zien.
Wat het kan bijvoorbeeld Gods wil zijn, dat ons geloof wordt getest
om ons te leren vol te houden,
om ons te laten zien, dat zendingswerk vooral Zijn werk is
en dat Hij dat ook zal doen, op Zijn manier.

Leer mij, HEERE, uw weg – is ook het afleren van onze eigen weg.
Als de HEERE iemand roept voor een taak,
wil dat nog niet zeggen dat we direct klaar staan om die taak op ons te nemen.
Het kan zijn dat er jaren overheen gaat,
voordat we duidelijk hebben, wat de HEERE van ons vraagt.
Soms kan er jaren overheen gaan voordat we ons gewonnen geven en gaan.
Leer mij, HEERE, uw weg.
Weg – daar zit ook iets van gaan in.
Een weg is niet om stil, passief naar te kijken,
met je ogen de weg langs te kijken, totdat je bij de horizon niet meer kunt zien
hoe die weg verder gaat.
Dit gebed is tegelijk ook een gebed om kracht om die weg te gaan.
Een gebed om de Heilige Geest, om leiding.
Laat mij, HEERE, zien hoe U voor mij de weg hebt uitgestippeld.
Help mij bij het maken van de keuzes die ik ga maken.
Geef dat ik altijd de goede keuze maak, die U van mij vraagt.
En als ik het niet meer zie zitten, geef mij dan moed, kracht om door te gaan.
Geef dat er dan mensen zijn, die mij verder helpen,
Dat Uzelf er dan bent.
HEERE – God van het verbond; Heer van mijn leven.

Aan dit gebed zit een voornemen vast: Ik zal in Uw waarheid wandelen.
Wat is dat dan: In de waarheid van de Heere wandelen?
Dat is voor niet gelijk duidelijk.
Betekent dat dat ik een bepaalde visie op God, de kerk onderschrijf en mij daar aan houdt?
Nee, dat woord waarheid is niet een kennis die we alleen met ons hoofd kunnen kennen.
Waarheid – dat is hier een woord dat is over de HEERE zegt, over Zijn karakter:
Dat de HEERE ons kent.
Dat laat de roeping bijvoorbeeld zien: dat Hij weet of wij die roeping aankunnen.
Dat de HEERE de weg wijst en erbij is, zoals Zijn naam dat aangeeft.
Waarheid – geeft aan: God is te vertrouwen. Hij doet wat Hij zegt.
Ik zal in uw waarheid wandelen, houdt in:
Ik ga die weg in vertrouwen op U.
Ik weet dat U die weg voor mij bestemd heeft.
Dat heeft U mij laten weten.
En hoe die weg ook is, ik weet dat ik die weg moet gaan.
Ook al is dat een weg die veel van mij vraagt.
Ik weet ook, dat ik die weg niet alleen ga, maar dat U meegaat.
In dat vertrouwen ga ik
en als het tegen zit, laat ik mij niet ontmoedigen.
Als ik met mijn roeping overhoop lig, dat ik dan niet opgeef, maar toch doorga,
omdat ik weet: dit is mijn weg. Deze weg moet ik gaan.
Als ik twijfel of U er bent, dan ga ik in gebed, zoek ik steun bij U,
bij anderen die mij weer moed kunnen geven en bij U terugbrengen.
Zo wordt jij gezonden, Miranda, naar Uganda
en zo gaan wij hier in Nederland met onze roeping om,
met de weg die de Heere ons wijst.

Maar dat gaat niet vanzelfsprekend.
Wij kunnen niet zonder de steun van God zelf, van Zijn Heilige Geest.
Verenig mijn hart – maak mijn hart tot één geheel:
helemaal gericht op U, gefocust op de weg die U ons wijst,
Zodat wij niet een andere weg inslaan, die op dat moment aantrekkelijker lijkt

waardoor we afdwalen van de weg die U ons wijst.
Hart staat hier voor heel ons leven:
Ons gevoel: alle ervaringen die wij hebben, wat wij meemaken, wat wij beleven, voelen.
Ons verstand: waarover wij nadenken, wat wij opmerken en zien, wat wij horen,
de signalen die God ons geeft.
Onze wil: de keuzes die wij maken, ons levensdoel dat we volgen, de weg die wij gaan.
Heel ons leven heeft één doel: Gods weg – ons leven tot één geheel gemaakt.
Het tegenovergestelde is een verscheurd hart,
waarin we steeds heen en weer geslingerd worden:
Moet ik wel gehoor geven aan die roeping? Moet ik het niet doen?
Er is zoveel reden om het niet te doen, maar dan…
Welke weg moet ik kiezen: als ik nu naar Afrika ga, raak ik mijn baan misschien wel kwijt.
Of als ik hier in Oldebroek een taak heb:
wat zullen de mensen om mij heen wel niet van mij denken?
Kan ik het wel? En waar doe ik het voor?
Een verscheurd hart kan ook zijn door onze onwil,
net als Jona, die niet wilde.
Een verscheurd hart, omdat wij de stem van God niet willen opvolgen,
omdat er een andere macht sterker is in ons – Gods tegenstander.

Mijn God, gewapend tot de tanden
voeren twee mannen in mij strijd:
één wil dat ik te rechter tijd
voor U in liefde zal ontbranden,
de ander wil uw recht aanranden
en drijft mij tot opstandigheid.

De één, vol geest en vol genade,
daalde uit de hemel tot mij neer.
Wanneer ik hem maar volg, o Heer,
acht ik alle andre dingen schade.
De ander, afgezant van ‘t kwade,
wil aardse lust en aardse eer.

Ik zoek de vrede en oorlog maak ik,
roep vrede, en pleeg snood verraad.
Het goede willen geeft geen baat.
Naar werken van de vrede haak ik,
maar ‘t goede dat ik wil verzaak ik
en doe het kwade dat mij haat.

Kom mijn verscheurde hart genezen,
o Heer, door Uw genade groot;
ik ben het zelf die weerstand bood.
Herstel de eenheid van mijn wezen
en laat U dienen en U vrezen
wie eens slaaf was van de dood.

Maak mij één – genees mijn verdeeldheid, Red mij van het heen en weer geslingerd worden,
Bevrijd mij van mijn neiging steeds weer een andere weg te kiezen,
Houd mij tegen op de verkeerde weg, maar laat mij Uw weg kiezen.
Maak mijn hart één: met één Heer – Jezus Christus,
Die kwam om mij te redden en mij een hart te geven dat één kan zijn
in het dienen van Christus, onze Heer.
Ik ga niet alleen, maar in Uw kracht. Op U bouw ik
en daarom ben ik sterk en kan ik gaan.
Ook al merk ik mijn eigen zwakheid en mijn eigen beperking,
mijn eigen falen, mijn eigen zonde, Ik bouw op U,
U zult het werk voltooien, want U bent het zelf begonnen.
Amen

 

 

Preek zondagavond 12 juni 2016

Preek zondagavond 12 juni 2016
Dankzegging en nabetrachting Heilig Avondmaal
Psalm 23:6

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Margriet van der Kooi heeft een boek geschreven
waarin zij haar ervaringen beschrijft met de gesprekken die zij heeft als predikant
– gesprekken over God en ons.
Dat boek heeft de de titel gegeven: Pelgrims en zwervers.
Deze titel wil ik gebruiken om het laatste vers van Psalm 23 uit te leggen:
Ik zal in het huis van de HEERE verblijven in lengte van dagen.
Bij pelgrims en zwervers gaat het om mensen die hetzelfde kunnen meemaken,
dezelfde levensweg kunnen doormaken en toch heel verschillend zijn
vanwege het doel, de richting die zij hebben in het leven.
Met pelgrims bedoelt ze mensen die weten dat hun leven in Gods hand is.
Onderweg in het leven zien ze dat God er is – soms in hele kleine dingen.
Ook al ervaren ze niet altijd Gods aanwezigheid,
ze weten dat Hij er is en hen brengt op de plaats waar ze moeten zijn.
Pelgrims zijn mensen die weten dat ze geleid worden
en dat ze op een bestemming aankomen.
Om met het slot van Psalm 23 te spreken:
zij weten dat ze aankomen in het huis van de Heere,
ze weten dat ze daar voor langere tijd kunnen blijven.
Bij de Heere hebben ze onderdak gevonden.

Maar niet iedereen ziet Gods leiding of wil weten van Gods leiding.
Dat zijn de zwervers.
Een zwerver is iemand die door het leven gaat zonder doel.
Iemand die maar loopt, sjokt, sjouwt, dag in dag uit.
Mensen die geen bestemming hebben, geen doel en zomaar door het leven gaan.
Ze erwachten geen hulp, geen leiding van God.
Ze willen dat niet zien of ze kunnen dat niet zien.
Ze weten niet dat de Heere hun herder wil zijn.
Dat kan heel diep gaan: kan het gevoel geven dat je verdwaald bent.
Het kan aan je vreten en diep in je ziel gaan nestelen.

Pelgrims en zwervers: ze maken dezelfde dingen mee,
Pelgrims – degenen die weten van Gods leiding en dat ze door God aankomen,
hebben geen andere levensweg dan de zwervers,
maar ze hebben wel weet van de Heere, die hun herder is
die ervoor zorgt dat ze niet teveel in hun eentje gaan, maar mensen om zich heeb hebben
die hen helpen op hun levensweg.
Als ze struikelen een hand vinden die hen weer op de been helpt.
Die als ze niet meer weten waar ze heen moeten een stem horen,
soms van een ander mens, soms van de herder zelf,
waardoor ze weten dat er een herder is die hun leven bewaakt en richting geeft.
Die je bij Hem doet thuiskomen en je leven doel en richting geeft.
Ik keer terug in het huis van de Heere
en ik vind daar een vaste plek, en thuis.
Ik mag aankomen, thuiskomen.
Avondmaal is ook even thuiskomen, ervaren dat je zo’n plek hebt bij de Heere,
een vaste plek, de grazige weiden, de stille wateren,
waar je gesterkt wordt, verkwikt, even op adem.
Ik heb het al eens eerder gezegd: avondmaal is niet even langskomen, maar aankomen,
Aankomen bij de Heere – tot in lengte van dagen. Alle dagen van mijn leven.

Dat maakt nogal uit of je in het leven een zwerver bent,
Die wel doorgaat, maar eigenlijk niet weet waar je uit moet komen,
omdat je niet weet van je doel, omdat je niemand hebt die je de weg wijst.
Of dat je een doel hebt: een leven waarin God je de weg wijst
en waarop je door Gods leiding mag aankomen.
Met het avondmaal vieren we dat we weer een doel hebben gekregen van God
– teruggekregen -: een weg naar God.
Staan we erbij stil dat we niet meer hoeven te zwerven, zonder zin in ons leven,
omdat Jezus kwam,
de goede herder die kwam om het verlorene te zoeken en te redden.
Ik weet niet hoe dat u vergaat, maar ik heb avondmaal ook weer nodig
om mij er weer aan te herinneren dat Hij mijn doel is,
omdat ik dat doel zo snel weer uit het oog verlies
en soms het gevoel heb dat ik alleen maar zwerf hier op deze aarde.
Het gedenken van Christus’ sterven bij het avondmaal
is ook erbij stil staan en dat meenemen de komende tijd in

dat Christus ons van zwervers pelgrims maakt, mensen met en bestemming:
leven met Hem.

Ik keer terug in het huis des Heeren.
Ik mag daar blijven, in Zijn huis, tot in lengte van dagen. Alle dagen van mijn leven.
Dat huis van de HEERE, dat is allereerst de tempel.
Maar de tempel dat is meer dan een gebouw alleen.
De tempel stond op een bijzondere plek: waar de hemel de aarde raakt,
waar God die in de hemel woont ook plek heeft op deze wereld,
waar je naar toe kunt gaan.
De tempel was een plek waar je de Heere kon opzoeken, waar je terecht kan.
De tempel als gebouw had ook een boodschap voor het volk:
Israël, jullie God wil onder jullie wonen, in jullie midden.
Dat is ook wat het avondmaal ons laat zien:
uw God, jouw God wil in jullie midden wonen.
Hij is niet een God die alleen maar in de hemel is, maar ook op aarde wil zijn,
onder ons – Hij heeft onder ons gewoond, Christus de levende tempel.
Ik wil jullie zijn, bij jullie zijn, in jullie midden – daarom ben je Mijn gast.
Tempel: welkom in Mijn gemeenschap.

De tempel is ook een plek waar je bescherming kunt zoeken bij God.
Schapen zijn vluchtdieren, zo leerde ik vorige week.
Ook wij als mensen hebben reden genoeg om te vluchten.
Dat de tafel gereed gemaakt wordt voor mij,
dat gebeurt voor de ogen van mijn tegenstanders, degenen die mij benauwen,
die mij opjagen met hun kritiek, verwonden met hun scherpe woorden,
die niet gunnen dat ik de rust bij de Heere vindt,
maar mij steeds bestoken.
Ik ben tegen hen niet opgewassen, kwetsbaar.
Juist als je met iemand anders over hoop ligt, kun je het gevoel hebben een zwerver te zijn,
onrust die je parten speelt, rust die niet te vinden is.
Ik hoor dat van ouders, van wie het huwelijk van een van de kinderen is stukgelopen,
de spanning en de onrust die dat met zich meebrengt.
Ik hoor over die spanning en die rusteloosheid, dat opgejaagd worden,
van iemand die niet opgewassen is tegen de scherpe woorden van anderen.
Dan kunnen de woorden over de grazige weiden, die stille wateren iets onwerkelijks hebben,
dat onbereikbaar is, iets van heel lang terug toen er nog niets was.
De tempel is een plek om asiel te vinden: bescherming bij God.
Achter de muren van de tempel, onder Gods vleugels een toevlucht.
Er is een plek waar ik veilig ben: ik ben veilig in Jezus’ armen.
Avondmaal is dat weer in herinnering roepen
dat we veilig zijn in Jezus’ armen
en dat geen enkele macht ons kan losrukken uit Zijn hand.
Asiel vinden – dat heeft ook de betekenis van de bescherming vinden
bij het kruis van Golgotha,
door dat kruis op Golgotha een open hemel,
waardoor God weer bereikbaar is
en we bij God in deze wereld een plek hebben waar we kunnen zijn.
Dat is ook wat we vanmorgen hebben gevierd:
dat de hemel is open gegaan en we bij God een thuis mogen hebben,
omdat Christus hier op aarde kwam om ons op te zoeken,
ons leven te delen:
een herder die gelijk wordt aan Zijn schapen
het niet alleen maar voor Zijn schapen opneemt, maar ook hun leven aanneemt,
Draagt en geneest van de zonde
en ons laat aankomen bij God.
Onze weg is al uitgestippeld: gebaande wegen, spoor van de gerechtigheid.
Een weg die al voorgevormd is, die er al is,
waarover wij kunnen lopen.
We hoeven niet te dwalen, als in een doolhof.
We hoeven niet zelf onze weg te banen, want die weg die is er.
Door het leven heen, zelfs door moeilijke perioden heen,
zelfs door de dood heen – een aankomen bij God.
Ik keer terug, zal verblijven in het huis van de Heere.
Dat spoor van de gerechtigheid, de gebaande wegen: torah, Bijbel, Gods wil
Leiding in ons leven.
Waarmee God ons terugbrengt bij Hem.
In Zijn gemeenschap.
Ook dat laat het avondmaal zien: dat ons leven bedoeld is
om aan te komen bij de Heere en voor altijd met Hem te leven.
Thuis bij de Heere, aankomen.


Dat aankomen bij de Heere en voor altijd bij Hem zijn is geen privéaangelegenheid.
Dat ik zal blijven in het huis van de Heere,
houd niet in dat ik daar alleen voor mijzelf ben,
afgezonderd van de wereld en dat ik niets meer met de wereld te maken heb.
Vanmorgen vertelde ik dat ik onlangs een conferentie had met collega-predikanten.
Die conferentie ging erover wat de kerk kan doen in een tijd
waarin het christelijk geloof op heel veel plekken in ons land onder druk staat
of zelfs dreigt te verdwijnen.
Waar wij dankbaar voor zijn: Gods leiding, Gods komst naar deze aarde,
een leven dicht bij Hem, in Zijn gemeenschap
wordt door heel veel niet nodig gevonden, ook niet gemist.
Hoe kunnen we dan in een tijd, waarin God eigenlijk niet eens zo wordt gemist,
toch het evangelie doorgeven?
In ieder geval doorgaan met de kerk, met avondmaal vieren,
geloven dat de kerk gebruikt wordt door God.
een open houding voor wat er om ons heen gebeurt.
Een dubbele houding:
midden in deze wereld staan, van je familie, van Oldebroek, van Nederland,
en tegelijkertijd dicht bij de Heere leven
en deze twee met al onze inzet doen.
Niet alleen kerk zijn voor ons alleen, maar ook voor de mensen om ons heen:
onze buren, onze familie, vrienden.
Door als wij bij de HEERE teruggebracht zijn in Zijn huis
en daar alle dagen van ons blijven
dat we dan niet onze ogen sluiten voor de mensen om ons heen,
maar hen meenemen in ons gebed,
Steeds weer opnieuw voor hen bidden.
En als zij niet kunnen geloven, of geen behoefte hebben om te geloven,
toch doorgaan.
In mijn begintijd had ik een mentor, die mij het verhaal vertelde
dat hij eens in een ziekenhuis bij iemand stond
die in ver was, niet meer bereikbaar voor de mensen om haar heen.
De dienstdoende zuster raadde af om te bidden: ‘Dat hoort ze toch niet meer.’
Toen wees hij met zijn vinger naar boven: ‘Maar Hij wel!’
Om zo in deze wereld te staan – vandaag weer in dat geloof gesterkt – Hij hoort wel!
Als anderen niet mee willen doen, dat wij dan in hun plaats voor hen bidden,
in hun plaats God groot maken, de verzoening die Hij bracht gedenken en vieren.
Ik zeg wel eens tegen ouders van wie de kinderen niet meer naar de kerk gaan
en er niets meer aan doen:
Wellicht kunnen ze alleen zo leven, omdat ze weten dat er voor hen gebeden wordt.
Bidden voor anderen is een van de belangrijkste taken die de kerk heeft,
in een tijd waarin het geloof op prijs gesteld wordt,
maar ook in een tijd waarin minder mensen van het geloof willen weten.
Je hoeft het niet tegen anderen te vertellen.
Dat God het weet is genoeg.
Maar dan moeten we ook open staan voor de kansen die God geeft.
We sluiten onze ogen om daarna scherper te zien
wat God doet en wat wij voor anderen kunnen doen.
We vouwen onze handen en geven daarmee aan
dat wij het niet doen, maar God,
maar dat Hij ons wel mag gebruiken
om anderen om ons heen bij Hem te brengen, mee te nemen op onze weg naar HEm toe.
Ik ben altijd weer verrast door de wegen die God gaat
om mensen weer terug te brengen bij HEm.

Wellicht dat we dan de moed vinden om daar toch over te beginnen.
Als we bevraagd worden,
Of als we de tijd nemen om te horen wat een ander dwars zit.
Dan stralen wij uit, dat er een herder is.
Mijn docent pastoraat had de definitie van pastoraat:
Vertellen dat er een herder is.
Dus ook aan mensen die zwerven, die geen idee hebben
Dat ook hun leven een doel en een richting kan hebben,
dat het ook voor hen kan zijn dat ze voor altijd uitkomen in het huis van de Heere
en daar voor altijd mogen blijven.
Alleen al door te luisteren kun je laten merken dat er een herder is,
Christus – je wordt gebruikt: een herder namens God.
Ik heb vaak de indruk in gesprekken
dat mensen niet zozeer tegen mij praten, maar met de Heere in gesprek zijn.
Daarom vinden mensen het belangrijk om van de kerk bezoek te hebben:
om te weten dat er ook voor hen een herder is,
die de moeite neemt om hen op te zoeken.
Iemand die de moeite neemt om voor hen te bidden en hen bij de goede herder te brengen.
Niet altijd heb je de gelegenheid om te vertellen over de goede herder.
Soms is het er zijn al genoeg.
Zo kunnen we voor anderen tot een herder worden.
Niet door woorden, maar door onze houding
en in onze houding iets uitstralen van hoe graag de Goede Herder
wil dat wij Hem vinden.ds. Hans Borst – hij ging tot voor kort wel voor in Oldebroek – heeft een boek geschreven over pastoraat, waarin hij vertelt over de depressiviteit van zijn vader.
Die depressiviteit kon niet meer genezen worden
en toch kwam de dokter elke week even langs.
Die vader vond dat heel bijzonder:
Ook al is er met mij niets meer te beginnen,
ik ben toch de moeite waard om bezocht te worden.
Zo kunnen we voor anderen tot een herder worden.
Niet door woorden, maar door onze houding
en in onze houding iets uitstralen van hoe graag de Goede Herder
wil dat wij Hem vinden.
Om voor altijd – niet alleen wij, maar ook de anderen om ons heen,
voor altijd bij Hem te zijn.
Eerst hier op aarde, maar later in de hemel als we helemaal bij Hem mogen zijn.
Amen