Pastoraat via een brief

Pastoraat via een brief

‘De apostelen schreven ook geen brieven (…), maar als het van toepassing is, schrijven ze een brief en denken: waar het om gaat moet persoonlijk tegen de mensen worden gezegd’, verklaarde ooit Christoph Blumhardt. Daarmee gaf hij de reden aan waarom hij brieven schreef. Deze brieven schreef hij met grote toewijding en innerlijke betrokkenheid. Het viel hem daarom niet gemakkelijk om deze brieven te schrijven: ‘Ik weet niet of ik u daarmee goed doe of pijn bezorg. Ik heb intens getwijfeld, wel 2 uur lang, maar in mij groeide steeds meer de overtuiging: dit moet ik je schrijven.’

Al vanaf de tijd van de Bijbel is de brief een middel tot pastorale ondersteuning. Jeremia en Paulus schreven om die reden brieven. Zij werden in de kerkgeschiedenis gevolgd door onder andere Chrysostomus, Basilius de Grote, Luther, Calvijn, vader en zoon Blumhardt, Eduard Thurneysen en zoveel anderen meer.

Eigen geschiedenis
Volgens Gerhard Henning, van 1995 – 2003 hoogleraar Praktische Theologie aan de universiteit van Tübingen en gepromoveerd kerkhistoricius, zou er een hele kerkgeschiedenis geschreven kunnen worden vanuit het perspectief van pastoraat via brieven.

Gesprek niet de enige vorm van pastoraat
Pastoraat door middel van brieven heeft niet alleen een heel eigen geschiedenis, maar ook een heel eigen betekenis ten opzichte van het pastoraat door middel van een persoonlijk gesprek. Pastoraat door middel van een brief is meer dan alleen een noodgreep, waarbij de brief het persoonlijke gesprek vervangt. Briefpastoraat is een geheel eigen vorm binnen het geheel van het pastoraat.

Daarom is het volgens Henning verkeerd om het pastoraat uitsluitend te verbinden aan het persoonlijke gesprek. Er zijn daarnaast nog vele andere vormen van pastoraat: ook de preek, de sacramenten en de eredienst kunnen een vorm van pastoraat zijn.

Mail, social media en kerkblad
Het artikel van Henning stamt uit 1997. E-mail komt dan net op en social media zijn nog helemaal niet in beeld. Met wat eigen creatieve denkkracht kunnen de overwegingen van Henning ook worden toegepast op mailverkeer en (andere vormen van) social media. Nu ik dit schrijf, bedenk ik dat pastoraat via openbare media veel vaker voorkomt dan via brief alleen. Ik bedenk dat ik weinig brieven schrijf: alleen in de dagen voor oudjaar doe ik dat om de familie uit te nodigen voor de herdenking van de overledenen. Toch zijn er veel meer manieren in mijn pastorale praktijk waarin ik wel – onbewust wellicht – bezig ben met pastoraat: in de stukjes die ik in het kerkblad schrijf, via kaarten, in de blogs die ik op mijn website plaats. Ook op die vormen kunnen d overwegingen van Henning wellicht worden toegepast.

Versterken van de zielen
Henning definieert pastoraat vanuit Handelingen 14:22. Paulus en Barnabas keren tijdens hun zendingsreis terug naar de gemeenten die door hen zijn gesticht. Ze gaan er niet alleen heen om het evangelie te verkondigen, maar ook om de zielen (van de gemeenteleden) te versterken. Voor Henning is dat de Bijbelse kern van het pastoraat. Dat werkt hij niet alleen in dit artikel uit, maar ook in andere artikelen komt hij steeds op deze Bijbelse kern terug, waarin hij ook uitlegt wat de Bijbelse betekenis van ‘ziel’ en ‘zielszorg’ inhoudt (‘Wie redet die Bibel von der Seelsorge?’, in: Gerhard Henning, “Sonntags ist Kirche”. Studien zu Kirche, Gottesdienst und Seelsorge, p. 161-186).
Pastoraat door middel van een brief houdt in dat de ene gelovige de andere versterkt en bijstaat in het aanvaarden en ordenen van zijn of haar levensgeschiedenis in vertrouwen op God.

Een gemeentelid schrijft
Er zijn mensen die zich gemakkelijker uitdrukken door iets te schrijven dan door iets te zeggen. Dan zijn we (pastoraat is niet alleen iets voor bevestigde ambtsdragers, maar een taak voor de gehele gemeente!) er voor elkaar.
Er zijn ook mensen die zich helemaal niet zo gemakkelijk uitdrukken door iets op te schrijven en toch kiezen voor een brief. Waarom kiezen ze dan toch voor een brief? Omdat ze een brief terug verwachten. Het is een teken van respect en aanvaarding in de Rogeriaanse betekenis van het woord als we communiceren via een brief. We sluiten aan bij de vorm die het medegemeentelid heeft gekozen, die bewust voor het middel van de brief heeft gekozen.

(Waarom zouden we aan moeten sturen op een gesprek? In een voetnoot is Henning kritisch op de zinsnede: ‘Daar zouden we eens verder over moeten doorpraten (in een persoonlijk gesprek). Waarom zou dat persé moeten? Pastoraat kent immers veel meer vormen dan een persoonlijk gesprek.)

Een pastor schrijft
Het hoeft niet de eerste keuze te zijn van de pastor om zich door middel van een brief van zich te laten horen. Toch kunnen er redenen zijn voor een brief:

  • Eigenlijk was een bezoek gepast, maar er zijn redenen waarom het de pastor niet lukt om langs te komen. De brief komt dan in plaats van het bezoek. Daarmee krijgt de brief een eigen waarde ten opzichte van het beoogde gesprek. Vaak slagen zulke regels erin om meer pastoraat te zijn dan een gehaast bezoek, omdat de woorden met aandacht en toewijding geschreven zijn.
  • Een brief of een geschreven kaart kan als zodanig al worden opgevat als een pastoraal gebaar. Een jaar na het overlijden van een geliefde kan een brief een bezoek vervangen als de pastor niet aan een bezoek toekomt. Daarmee geeft de pastor aan, dat het overlijden niet vergeten is.
  • Een brief kan een gesprek aanvullen, wanneer het een gesprekspartner of de pastor zelf niet lukt om in een gesprek helder onder woorden te brengen wat hij of zij bedoelde.
  • De herderlijke brief, zoals dat vaak in kerkbodes gebeurt: een ‘geestelijke kunst’.


Vertrouwen
De brief is net zo vertrouwelijk als het pastorale gesprek. Iemand schrijft aan een pastor vanuit het vertrouwen dat zijn of haar brief vertrouwelijk wordt gelezen. Een ontvangen brief valt onder het ambtsgeheim. Ook een predikant, die aan een gemeentelid schrijft, mag ervan uitgaan dat de brief vertrouwelijk wordt gelezen en niet wordt doorgegeven aan anderen. Pastoraat door middel van een brief heeft dit vertrouwen nodig.
Pastoraat via een brief gebeurt op basis van vertrouwen dat er reeds is. Wie zich via een brief meldt, ervaart reeds dat vertrouwen. Wie een brief schrijft legt zich vast en geeft zich bloot aan het risico verkeerd begrepen te worden. Een brief geeft ook de mogelijkheid om nog eens te herlezen. Daardoor kan het gemeentelid steeds weer teruggrijpen op de brief.
Een brief is bedoeld om het vertrouwen te versterken. De brief is meestal niet bedoeld ter informatie, maar tot steun: om iemand vanuit het evangelie bij te staan.

Unieke
Pastoraat via een brief kost tijd en schenkt tijd. Dat is het unieke van pastoraat door middel van een brief.
Een brief kost tijd: de woorden worden zorgvuldig gekozen. Dat gebeurt met het oog op degene die de brief zal ontvangen. In zichzelf gaat degene die de brief schrijft de dialoog aan met degene die de brief zal ontvangen. Iemand probeert zich in een ander te verplaatsen. Daarbij komen de vragen boven: Begrijpt degene aan wie ik schrijf mijn woorden? Hoe komen mijn woorden over?
Een brief schenkt ook tijd. Een brief komt vaak in plaats van een bezoek. Bijvoorbeeld: een gemeentelid dat ergens ver weg moet revalideren ontvangt een brief, omdat een bezoek niet altijd mogelijk is. Degene die de brief ontvangt kan de brief op eigen tijd lezen. De brief kan ook steeds opnieuw gelezen worden.
Dat is het unieke van pastoraat via een brief: om meer tijd te nemen en te geven voor pastoraat aan schrijver en ontvanger van de brief.

Een brief komt aan
Voor een gesprek is er niet altijd gelegenheid. Een brief komt altijd aan. Wie geen bezoek wil, kan toch via een brief worden bereikt. De brief betreedt dat als een (pastorale) gast het huis van de ontvanger, verwacht of onverwacht. Van een brief wordt dezelfde hoffelijkheid verwacht als van een daadwerkelijk bezoek, gekenmerkt door een stijl van innige gevoelens van ontferming, vriendelijkheid, nederigheid, zachtmoedigheid, geduld (Kolossenzen 3:12).

Schrift en gebed in een brief
Pastoraat is bedoeld om de zielen te versterken en gebeurt vanuit het vertrouwen van Gods handelen. Het pastoraat is bedoeld om dat vertrouwen te versterken in Gods aanwezigheid en Zijn handelen. Pastoraat – ook via een brief – kan terugvallen op de Schrift. Niet omdat de Schrift voor elke gelegenheid een passende opmerking heeft, maar omdat de Schrift onder woorden brengt dat de mens altijd kan aankloppen bij God en zelfs tot God kan roepen. Wanneer iets vanuit de Schrift verwoord wordt, is dat niet omdat er in het pastoraat toch iets van verkondiging moet plaatsvinden, maar om het vertrouwen op God te versterken. Het Schriftwoord kan een spoor van God verwoorden. Dat spoor kan ook inhouden, dat degene aan wie geschreven wordt geen spoor kan vinden. Dan kunnen we vanuit de Schrift de klacht en het verstommen helpen te verwoorden.

‘Ik geloof helemaal niet dat ik voor u een woord heb dat u troost biedt’, schrijft Basilius aan een moeder van een jong gestorven zoon, ‘ik kan me alleen maar indenken dat u in deze omstandigheden vooral gebed nodig hebt. Daarom bid ik de Heer zelf, dat Hij u met Zijn onuitsprekelijke macht uw hart kan aanraken en en dat Hij uw ziel door goede gedachten licht schenkt, zodat u van binnen uit redenen tot troost ontvangt.’

Zo laat de pastor ruimte om nu verdrietig te zijn, niet aanspreekbaar voor woorden van troost. Hij beschut deze ruimte met zijn gebed en voorbede. Nu hoeft zij niets te doen. Zelfs niet te bidden. Zij mag het gebed aan een ander overlaten. De pastor kan haar hart niet aanraken of licht schenken, zodat haar hart verlicht wordt. De pastor wendt zich in gebed tot Hem, die de macht heeft het hart aan te raken. De pastor gaat tot Hem, die kan spreken: ‘Er zij licht.’

N.a.v.: Gerhard Henning, ‘Briefseelsorge,’ in: Idem, “Sonntags ist Kirche.” Studien zu Kirche, Gottesdienst und Seelsorge (Stuttgart: Calwer Verlag, 2008), p. 205-220. Eerder verschenen in 1997 in het tijdschrift Theologische Beiträge.

De theorie van de communicatie van Friedemann Schulz von Thun

Inhoud, betrekking, zelfopenbaring en appèl
De theorie van de communicatie van Friedemann Schulz von Thun

Friedemann Schulz von Thun is een psycholoog die zich bezig houdt met de communicatie. Hij heeft onderzoek gedaan naar communicatie en trainingen gegeven op het gebied van communicatie.
Communicatie betekent dat een zender naar een ontvanger communiceert. Schulz von Thun onderscheidt 4 soorten boodschappen die in een bericht worden gecommuniceerd:

Inhoud: Hoe kan ik inhoud duidelijk en begrijpelijk meedelen?

Betrekking: Hoe behandel ik mijn medemens door mijn manier van communiceren?

Zelfopenbaring: Wat laat ik in mijn communicatie vrijwillig of onvrijwillig zien?

Appèl: Wat wil ik als zender bij de ontvanger van mijn bericht bewerkstelligen? Welk effect, invloed heeft mijn bericht?

kom_quadrat1
communicatie-kwadrant
blauw: inhoud / rood: appèl / geel: betrekking/relatie / groen: zelfopenbaring
Bron: website van Schulz von Thun

Complexiteit
Elk bericht heeft deze 4 aspecten. Deze 4 aspecten zijn van even grote waarde in de communicatie van een bericht van zender naar ontvanger.
Deze theorie geeft inzicht (a) in de complexiteit van de communicatie: in een bericht worden immers verschillende berichten gecommuniceerd. Daarnaast is het mogelijk (b) om misverstanden in de communicatie te verhelderen, op te lossen en in de toekomst meer te voorkomen.

Misverstanden uit de weg ruimen en verbetering van communicatie begint bij inzicht in hoe iemand communiceert en ontvangt. Daarbij is van belang te weten dat een individu onderdeel is van een systeem.

Innerlijke gevoelens
De communicatie wordt nog complexer door de innerlijke gevoelens die in ons spelen en die onbewust meewerken in de communicatie. Deze innerlijke gevoelens kunnen zich ‘nestelen’ in de boodschap die op het niveau van de betrekking, de zelfopenbaring of het appèl worden gecommuniceerd.
In de theorie van Schulz von Thunkan metacommunicatie (stilstaan bij de manier waarop gecommuniceerd wordt) helpen om de misverstanden uit de weg te ruimen. Aandacht voor metacommunicatie kan ook op het niveau van de zelfopenbaring: helder hebben wat er innerlijk bij zender en/of ontvanger gebeurt en dat gebruiken om de manier van communiceren te verhelderen. Zelfopenbaring heeft te maken met echtheid / authenticiteit.

Expliciet of impliciet
Een zender communiceert een bericht naar een ontvanger. Zo’n bericht bevat vele boodschappen. Deze boodschappen kunnen expliciet (uitdrukkelijk onder woorden gebracht) of impliciet (wat in de communicatie op een verborgen manier wordt meegegeven in een bericht of uit de boodschap wordt uitgelicht) worden gecommuniceerd. De eigenlijke boodschap van een bericht wordt nogal eens impliciet gecommuniceerd.

Impliciete boodschappen worden vaak non-verbaal gecommuniceerd. Schulz von Thun sluit zich aan bij Watzlawick: Men kan niet niet-communiceren. Elk bericht bevat de 4 aspecten die Schulz von Thun onderscheidt.
Zelfs zwijgen heeft deze 4 aspecten:
Inhoud:
Betrekking: Jij bent geen interessante gesprekspartner voor mij. Of omgekeerd: ik vermoed dat ik voor jou geen interessante gesprekspartner ben.
Zelfopenbaring: Ik wil met rust gelaten worden. Of: ik weet niet hoe ik een gesprek moet beginnen.
Appèl: Laat me alsjeblieft met rust! Wil je mij helpen door het gesprek te beginnen?

Congruente communicatie
Een bericht wordt congruent gecommuniceerd als alle signalen (gebruikte woorden, non-verbale signalen) dezelfde richting op wijzen. Een bericht wordt incongruent gecommuniceerd als de signalen verschillende kanten op wijzen.
Incongruente boodschappen scheppen verwarring in de communicatie. Incongruente boodschappen hebben voor de zender het voordeel dat hij of zij zich bij incongruente communicatie niet helemaal blootgeeft of vastlegt.
Incongruente communicatie kan worden veroorzaakt door onbewuste of niet-toegestane verlangens of gevoelens bij zender en/of ontvanger, die impliciet, verborgen in de communicatie meegegeven of ingelezen worden. Daardoor ontstaat er een dubbele bodem in de communicatie.
Incongruente boodschappen kunnen ook ontstaan als iemand nog niet helder is over wat hij of zij wil communiceren of als iemand nog niet helder heeft wat er in hem of haar leeft (wat de communicatie oproept of teweegbrengt)

Ontvangen
De 4 aspecten die Schulz von Thun onderscheidt in de communicatie gelden niet alleen voor het zenden van een bericht. Ook voor het ontvangen van een bericht gelden deze 4 aspecten. Intermenselijke communicatie is complex omdat de ontvanger de vrije keuze heeft op welk aspect van het gecommuniceerde bericht hij of zij wil reageren. Miscommunicatie ontstaat als de ontvanger de nadruk legt op een ander aspect van het bericht dan de zender met het gecommuniceerde bericht wilde.
De ontvanger heeft verschillende ‘oren’, waarmee hij of zij de aspecten van het gecommuniceerde bericht ‘hoort’.

image_manager__bild_gross_textbereich_bild3
bron: website van Schulz von Thun

Het oor dat luistert naar de inhoud
Vooral mannen en academici hebben de gewoonte om te reageren op de inhoud van een gecommuniceerd bericht en staan minder stil bij de andere gecommuniceerde aspecten. Het probleem is dat het bij veel gecommuniceerde berichten het de zender niet is te doen om de inhoud van het bericht.

Het oor dat luistert naar de betrekking
Dit oor kan overgevoelig zijn. De ontvanger vat de boodschap die op het niveau van de betrekking wordt gecommuniceerd op als een stellingname van de zender ten opzichte van de persoon van de ontvanger.
Het oor dat luistert naar de betrekking kan het oor dat luistert naar de zelfopenbaring van de ander in de weg zitten. Misverstanden in de communicatie ontstaan als niet helder is of een bericht op het niveau van de betrekking of op het niveau van de zelfopenbaring moet worden gehoord. Het gaat dus om het verschil of de zender met het gecommuniceerd bericht iets over zichzelf (zelfopenbaring) of over de ander (betrekking) wil communiceren.

Het oor dat luistert naar de zelfopenbaring van de zender
Het is beter om een oor te hebben dat goed ontwikkeld is in het luisteren naar de zelfopenbaring van de zender dan een oor dat gevoelig is voor het luisteren op betrekkingsniveau. Een ontvanger is dan bezig met wat de zender over zichzelf communiceert en minder bezig met wat de ontvanger denkt dat de zender van de ontvanger wil.
Er zouden veel misverstanden voorkomen worden als gevoelsmatige uitbarstingen, aanklachten en verwijten met het oor worden gehoord dat luistert naar de zelfopenbaring van de ander (en minder met het oor dat luistert naar de betrekking).

Wanneer er uitsluitend met het oor geluisterd wordt dat luistert naar de zelfopenbaring van de ander bestaat wel het gevaar dat de ontvanger zich immuniseert voor de boodschappen die de zender op betrekkingsniveau communiceert. Ook is het gevaar dat de ontvanger de boodschappen van de zender gaat psychologiseren.

Schulz von Thun koppelt het oor dat luistert naar de zelfopenbaring van de ander aan het principe van het actief luisteren van Rogers: het gaat om actief luisteren, dat wil zeggen: een poging om invoelend de wereld van de gevoelens en gedachten van de zender niet-beoordelend te begrijpen.

Het oor dat luistert naar het appèl dat de zender doet
Wie behoefte heeft om iedereen recht te doen en/of te voldoen aan de verwachtingen van de medemensen heeft in de loop van de tijd een oor ontwikkeld dat (over)gevoelig is voor het appèl dat anderen expliciet of impliciet meecommuniceren met een bericht. Iemand met een (over)gevoelig oor voor appèls luistert niet goed naar zichzelf; luistert niet goed naar wat er in hem of haar aan innerlijke gevoelens en gedachten leeft.

Een bericht dat aankomt
De zender heeft geen grip op hoe de ontvanger de boodschap ontvangt. De zender kan de boodschap door de 4 aspecten coderen. Maar de ontvanger is zelf verantwoordelijk voor de manier waarop hij de boodschap ontvangt en decodeert. De ontvanger is daarbij in sterke mate aan zichzelf overgeleverd. Het resultaat van de decodering hangt onder andere af van de verwachtingen, de vrees en eerdere ervaringen die bij de ontvanger leven.
Wel is het mogelijk door aandacht voor metacommunicatie of expliciete communicatie op het niveau van de zelfopenbaring de boodschapper te helpen het bericht op een juiste manier te decoderen.

Oorzaken waardoor een bericht verkeerd ontvangen wordt
– De ontvanger heeft een oor dat overgevoelig luistert op betrekkingsniveau. De ontvanger gebruikt dan zijn of haar eigen (lage) zelfbeeld om de boodschappen van het bericht te decoderen.
– De ontvanger heeft een bepaalde (eerste) indruk van de zender.
– Gecorreleerde boodschappen: het bericht wordt correct ontvangen, maar de ontvanger decodeert in het bericht meerdere boodschappen (die de zender niet persé mee heeft gegeven aan dit bericht).

Maakwerk
Het ontvangen van een bericht en het decoderen van de boodschap(pen) is maakwerk van de ontvanger. Als zender tast ik in zekere zin in het duister of en hoe de ontvanger mijn bericht ontvangt.
Als een bericht verkeerd ontvangen wordt kan dat ook komen omdat de ontvanger een verkeerde boodschap decodeert, door bijvoorbeeld de innerlijke processen bij de ontvanger. Een ontvanger kan op manier reageren die verrassend en onbegrijpelijk is. Dat verrassende en onbegrijpelijke geldt niet alleen voor de zender van het bericht maar ook voor de ontvanger zelf.

Processen
In het ontvangen spelen processen een rol die niet moeten worden verward:
Waarnemen: Wat zie / hoor ik als ontvanger?
Interpretatie: Welke boodschap destilleer ik uit een bericht? Welke betekenis geef ik aan een bericht?
Gevoelens: Welke (innerlijke) gevoelsreactie roept de waarneming en/of de interpretatie op?

Fantasieën
Vaak reageren wij niet op mensen zoals ze zijn, maar op de fantasieën die wij van anderen hebben gemaakt. Schulz von Thun gebruikt hiervoor het woord fantasieën, omdat er geen duidelijke waarneming aan de gevoelens en/of gedachten over de ander ten grondslag ligt.
Het gaat in de communicatie niet om het uitschakelen van die fantasieën, maar om bewust te zijn van de fantasieën die wij van anderen hebben:
– Fantasieën zijn mijn gedachten en gevoelens bij de ander. Ze zeggen iets over mij.
– Fantasieën kunnen doeltreffend zijn of de plank misslaan.
– De fantasieën die ik over een ander heb werken impliciet door in mijn communicatie naar de ander (1) Onuitgesproken fantasieën belasten de communicatie, (2) Onderdrukte gevoelens veranderen in vergif die mijn gevoelens en gedachten aantasten.
– Ik heb de keuze om mij te laten leiden door de fantasieën die ik over de ander heb óf mijn fantasieën te testen op werkelijkheidsgehalte.
– Alleen de ander kan bepalen of mijn fantasieën over de ander op werkelijkheidsgehalte berusten: (3) verwoorde gedachten of gevoelens maken een verandering van de emotionele realiteit mogelijk: de mogelijkheid van correctie van mijn gedachten en gevoelens bij de ander.

Feedback
De ontvanger is verantwoordelijk voor wat een bericht innerlijk bij hem of haar ‘aanricht’.  In feedback (d.w.z. de ontmoeting met het resultaat van het ontvangen dat teruggecommuniceerd wordt) ligt de kans om de communicatie te verbeteren. Daarvoor dient de communicatie terug wel een hoog zelfopenbaringsgehalte te hebben. De feedback kan het beste als een ik-boodschap worden gecommuniceerd.

Ik-boodschap
Een ik-boodschap geeft inzicht in hoe een bericht wordt ontvangen. Het tegenovergestelde is een jij-boodschap. Een jij-boodschap is vaak een te snelle vertaling van een ik-boodschap in een beschrijving van de ander. Daarbij voelt de ander zich aangevallen en verwijdert de zender zich van de ontvanger.

Eigen gevoelsleven
De sleutel tot goede communicatie ligt bij inzicht in het eigen gevoelsleven en de eigen gedachtenwereld. Voor een goede communicatie is moed tot zelfopenbaring nodig.

Na.v. Friedemann Schulz von Thun – Miteinader reden. Teil 1: Störungen und Klärungen. Allgemeine Psychologie der Kommunikation (Rowolt Taschenbuch Verlag, 1981). Ik heb de speciale uitgave uit 2011 gebruikt. Daarvan: p. 11-105 (deel A: principes).
Zie ook: http://www.schulz-von-thun.de/

Jongeren hebben begeleiding nodig in het doolhof van de rouw

Jongeren hebben begeleiding nodig in het doolhof van de rouw

Jongeren gaan anders om met rouw dan volwassenen. Het is voor hen vaak extra ingrijpend, omdat ze in een levensfase zitten waarin veel verandert. Ze hebben iemand nodig bij wie ze hun verhaal en emoties kwijt kunnen, schrijft Stephanie Witt-Loers.

978-3-525-40229-0
Vier dagen na het overlijden haar broer Louis spreekt Sophie met vriendinnen af. Ze wil er even uit, naar haar vriendinnen die weten van het overlijden van haar broer. Voordat ze gaat, maakt ze zich op en trekt ze haar uitgaanskleren uit. Als haar moeder haar zo beneden ziet komen, loopt het uit op een conflict. Sophie krijgt haar moeder te horen dat zij zich gedraagt alsof er niets is gebeurd en dat het respectloos is tegenover Louis. Daardoor voelt Sophie zich schuldig en onzeker. Ze kan die geplande avond met vriendinnen niet meer gebruiken om zich weer op te laden, om zo doende beter om te kunnen gaan met het verlies van haar boer. Zij voelt zich niet begrepen door haar moeder  en sluit zich voor haar af.
Dit voorbeeld beschrijft Stephanie Witt-Loers, therapeut met veel ervaring in het begeleiden van jongeren die rouwen, in haar boek Trauernde Jugendliche in der Familie. Er is (nog) geen Nederlandse vertaling van dit boek, maar het biedt waardevolle inzichten in de wereld van jongeren die te maken hebben met rouw.

rouwen-eik

Rouw is een lang en heel ingewikkeld proces. Van binnen zijn er verschillende gevoelens. Die gevoelens kunnen heel intens zijn en ook heel tegenstrijdig, zoals pijn, verdriet, dankbaarheid, zorg, vertwijfeling, liefde, onmacht, woede, schaamte, paniek, verlangen. Rouw kost ontzettend veel kracht en energie en kan zo zwaar zijn dat de grens van wat iemand lichamelijk of geestelijk aankan wordt bereikt. Rouw kost tijd en blijft voor altijd een onderdeel van het leven. Rouw wordt eigenlijk nooit afgesloten.
Door het overlijden van een gezinslid wordt het hele gezin getroffen. Ieder lid van het gezin heeft het moeilijk met dat overlijden, maar omdat ieder lid van het gezin het verlies op een andere manier beleefd en er op een andere manier mee omgaat, wordt ook het gezin als geheel getroffen. De sfeer is opeens anders. De vaste patronen en gewoonten zijn ruw doorbroken. Extra belastend is dat gezinsleden elkaar niet begrijpen in de omgang met de rouw.
Voor jongeren is rouwen om een gezinslid vaak extra ingrijpend, stelt Witt-Loers. Zij bevinden zich in een fase van hun leven waarin veel verandert. Het is de tijd waarin lichaam verandert en waarin van binnen kunnen verschillende stemmingen zich afwisselen. In die wisseling van stemmingen begrijpen ze zichzelf vaak niet en zijn ze bang dat zij die gevoelens niet de baas kunnen zijn. Het is de tijd waarin de omgang met de ouders verandert. Naar hun ouders toe gedragen jongeren zich vaak ambivalent: aan de ene kant verzetten ze zich en willen ze zich losmaken, aan de andere kant hebben ze de bescherming van hun ouders nodig. Jongeren ervaren hun eigen puberteit vaak ook als ambivalent: de puberteit kent de uitdaging van nieuwe mogelijkheden maar ook de onzekerheid over de onbekende toekomst en het verlies van het vertrouwde.
Als er iemand uit het gezin overlijdt komt er door het verlies en gemis voor hen in deze toch al intensieve tijd een extra belasting bij. Voor een jongeren is dit overlijden vaak ook de eerste heftige gebeurtenis in het leven die verwerkt moet worden. De emoties die het overlijden en het gemis oproepen zijn nieuw. Het lichaam en de geest reageert anders. Er kan vermoeidheid en lusteloosheid optreden. Iemand die voor de ingrijpende gebeurtenis nuchter was, kan veel last krijgen van angstaanvallen of zich veel bezorgder opstellen naar de andere gezinsleden. Iemand kan de overledene missen en tegelijkertijd boos zijn op degene die is overleden. Emoties en stemmingen kunnen elkaar snel afwisselen. Vaak herkent een jongere zichzelf niet meer.
Jongeren geven op een andere manier uiting aan hun rouw dan volwassenen verwachten. Uit angst de controle over hun emoties kwijt te raken, kunnen ze zich ‘cool’ opstellen, waardoor het aan de buitenkant lijkt dat het gemis en verdriet hen niet raakt. Ze kunnen de neiging hebben om de emoties te onderdrukken, omdat ze zichzelf niet meer herkennen. Ze willen de andere gezinsleden niet belasten met hun moeilijkheden, want de anderen hebben het al moeilijk genoeg. Daarom kunnen ze afsluiten voor hun ouders – wat weer voor irritatie kan zorgen bij de ouders. In het geval van het overlijden van een vader of een moeder zijn er bovendien ook heel wat taken binnen of buiten het gezin die opgepakt moeten worden: er moet eten komen, de was en het huishouden moet gedaan worden, de financiën moeten op orde blijven. De eerste periode van de rouw kan soms een kwestie van puur overleven zijn. Omdat thuis al genoeg zorgen zijn, willen ze de andere gezinsleden sparen en hebben liever contact met iemand buiten het gezin. Dat kan een vriend zijn, een oom of tante, een goede kennis van het gezin. Bij iemand die op meer afstand staat, kunnen ze hun tegenstrijdige gevoelens en vragen kwijt, zonder dat zij de ander, die ook rouwt, nog eens extra te belasten. De andere gezinsleden kunnen zich hierdoor echter gepasseerd voelen en daardoor diep geraakt.

Tegenstrijdige emoties
Volgens Witt – Loers is het van belang om jongeren die te maken hebben met rouw te informeren wat hen allemaal kan overkomen. Informatie over lichamelijke klachten, over onverwachte, vaak heftige en tegenstrijdige emoties, waarbij iemand zichzelf niet herkent hoort bij rouw. Rouw is een langdurig en intens proces, dat in de loop van de tijd ook steeds verandert. Door te rouwen ‘leert’ iemand die achterblijft te leven met het gemis van de overledene.
Voor jongeren is het van belang om iemand te hebben, bij wie ze terechtkunnen met hun verdriet en emoties, met hun verhaal en zorgen. Ze hebben iemand nodig die naar hen luistert. Omdat ze iemand nodig hebben die hun doen en laten in de rouw niet veroordeelt en iemand die niet teveel zelf emotioneel betrokken is geweest bij het overlijden, zoeken ze vaak iemand die iets meer afstand heeft tot de familie. Volgens Witt – Loers is het van belang hen daarin niet te veroordelen, maar hen juist te stimuleren dat contact te onderhouden.

 

N.a.v. Stephanie Witt – Loers, Trauernde Jugendliche in der Familie (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2014) 157 pag.

Geschreven voor het Friesch Dagblad

Wees benaderbaar in het pastoraat, zoek niet alleen naar diepgang

Wees benaderbaar in het pastoraat, zoek niet alleen naar diepgang
Bespreking van Wolfgang Drechsel, Gemeindeseelsorge (2015)

‘Mijn werk als predikant is op dit ogenblik een sleur. Elke dag werk ik mijn takenlijstje af. Ik doe echt wel veel, maar met welk doel eigenlijk? Alles gaat nog routinematig en kost veel kracht. Voor het eigenlijke, de reden waarom ik predikant geworden ben, heb ik geen tijd over. Voor pastoraat bijvoorbeeld heb ik helemaal geen tijd.’  Met deze verzuchting van een predikant begint Wolfgang Drechsel, hoogleraar Pastoraat en tevens supervisor, zijn boek over pastoraat in de kerkelijke gemeente.

Dit voorbeeld is kenmerkend, omdat veel predikanten zich voor hun werkzaamheden een bepaalde norm stellen maar voor hun gevoel die norm niet halen. Voor het pastoraat is dan de norm dat een pastoraal gesprek bestaat uit een diepgaand gesprek waarin er ruimte is om een ernstig probleem, waarmee de pastorant worstelt, te vertellen. Het mooiste is als door het pastorale gesprek ook een oplossing wordt gevonden. In de praktijk komen zulke gesprekken veel minder vaak voor dan een predikant zou willen. Het pastoraat bestaat soms voor een deel uit verjaardagsbezoekjes of bezoeken aan echtparen die een huwelijksjubileum vieren. Tijdens de festiviteiten is er geen ruimte voor een gesprek met diepgang. Geen wonder dat predikanten, die de norm hebben dat een pastoraal gesprek diepgang moet hebben, zulke bezoeken met oppervlakkige gesprekken met tegenzin afleggen.

Toevallige ontmoetingen
Volgens Drechsel, die jarenlang ziekenhuispredikant was,  is het echter verkeerd om het diepgaande gesprek als norm voor het pastorale gesprek te nemen. Deze norm wordt in de praktijk van alle dag immers niet gehaald. Bovendien heeft een predikant dan niet door hoeveel pastorale ontmoetingen er gedurende een werk week zijn. Ontmoetingen van korte duur, ‘toevallige’ ontmoetingen, waarbij gemeenteleden even wat willen zeggen of vragen. Die korte gesprekken betekenen veel voor de gemeenteleden. Zulke gesprekken zijn er voor de ingang van de supermarkt, bij de uitgang van de kerk, na afloop van een Bijbelkring of een vergadering, tijdens een receptie of bij de nabegrafenis. Zulke ontmoetingen zijn er vaak onverwacht, waarbij een predikant niet altijd in functie is, maar wel door gemeenteleden vanwege het predikant-zijn aangesproken wordt: ‘Nu ik u toch tref …’ ‘Wat fijn dat ik u tegenkom! Heeft u een paar minuutjes?’

04059_Drechsel_-Gemeindeseelsorge

Schakelen
In het pastoraat wordt een enorme en ook veel krachten vergende competentie verlangd. Het maakt niet uit of dit pastoraat door een predikant, een wijkouderling of een bezoekzuster wordt gedaan. Ook pastorale vrijwilligers worden vaak aangeklampt met een verhaal of een vraag als zij er niet op bedacht zijn. De pastorale competentie die nodig is, is niet de vaardigheid om zowel een alledaags, voor het gevoel oppervlakkig gesprek als een serieus, diepgaand gesprek te voeren. Maar ook de vaardigheid om tijdens een gesprek over te kunnen schakelen van een oppervlakkig gesprek naar een diepgaand gesprek, of tijdens een alledaags gesprek aan te voelen welke diepe lagen er eigenlijk in een gesprek worden aangeroerd zonder dat die diepe lagen echt aan de orde komen, de vaardigheid om genoegen te nemen met een alledaags gesprek als de ander liever geen gesprek wil dat al te diep gaat. Deze competentie is niet alleen nodig wanneer iemand in functie is, maar ook wanneer iemand voor zijn of haar gevoel niet in functie is: tijdens een buurtfeest, tijdens een verjaardagsfeest, in het zwembad, langs de lijn, bij het schoolhek. Zulke momenten worden vaak aangegrepen om even iets te delen of te vragen. Omdat iemand op dat moment even benaderbaar is.
Juist die benaderbaarheid is een kenmerk voor het pastoraat in de kerkelijke gemeente. Door benaderbaar te zijn ontstaat er veel ruimte voor gesprekken. Deze benaderheid kan een predikant opzoeken, door bijvoorbeeld op huisbezoek te gaan, naar een buurtfeest of toch naar die verjaardag van dat gemeentelid dat 84 is geworden. Voor pastoraat in de gemeente is het van belang dat een predikant of iemand anders die pastoraat doet zich op dat moment beschikbaar stelt. In het pastoraat is er veel meer dan in de hulpverlening een spanning tussen persoonlijke betrokkenheid en professionele distantie. Kenmerk voor pastorale professionaliteit is volgens Drechsel bewust om te gaan die spanning.

Opzoeken
Verschil met de hulpverlening is ook dat pastoraat voor een groot deel bestaat uit het opzoeken van mensen. Daar is een Bijbelse basis voor, in de opdracht van Jezus om mensen op te zoeken. Van belang is dan het besef dat een predikant of een wijkouderling te gast is bij degene die wordt bezocht. Van belang is dan ook dat degene die bezocht wordt de kans krijgt om gastheer te zijn. Om bijvoorbeeld iets aan te bieden, zoals koffie. Vaak wordt er niet alleen koffie en koek aangeboden, maar ook een levensverhaal. De pastor is dan te gast in het levensverhaal van de ander.
In het pastoraat spelen 3 levensverhalen een rol: het levensverhaal van degene die bezocht wordt, het levensverhaal van de pastor en het verhaal van God. Niet dat de pastor God meebrengt. Want Hij is al aanwezig voordat iemand wordt ontmoet. Van de pastor wordt de competentie gevraagd om open en alert te zijn op deze 3 levensverhalen. Ook in een alledaags, oppervlakkig gesprek zijn deze 3 levensverhalen aanwezig. Een predikant moet in staat zijn om zich in het gesprek, ook al is dat aan de ingang van de supermarkt of bij de barbecue tijdens het straatfeest, beschikbaar te stellen voor de ander en dat ook waar te nemen en te waarderen als pastoraat. De ander kan de behoefte hebben om gewoon even iets te zeggen of eigenlijk iets diepgaanders te willen delen. Van de predikant wordt de competentie gevraagd om in te kunnen schatten wat er nodig is: een luisterend oor bieden en het daarbij te laten of verder af te steken naar de diepte.

N.a.v. Wolfgang Drechsel, Gemeindeseelsorge (Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2015).

Verschenen op 14 september in het Friesch Dagblad

Mannen en de kerk

Mannen en de kerk

978-3-525-69001-7

Met de relatie tussen mannen en de kerk is er iets merkwaardigs aan de hand. Aan de ene kant is de kerk lange tijd gedomineerd door mannen. Aan de andere kant bestaat de indruk dat mannen zich over het algemeen minder dan vrouwen met de kerk inlaten. In de laatste jaren wordt er zelfs gesproken over de vervrouwelijking van de kerk. Maar hoe denken mannen eigenlijk over de kerk? En: wat kan de kerk voor mannen betekenen?

Over deze vragen publiceerde de Duitse praktisch-theoloog Reiner Knieling in 2010 het boek Mannen en de kerk. Conflicten, misverstanden, toenaderingen. In zijn boek stelt Knieling, dat ondanks de kerk weliswaar lange tijd door mannen is gedomineerd, maar dat tegelijkertijd de kerk en de theologie zich zelden fundamenteel hebben verdiept in de thema’s en de vragen die mannen bezighouden.

Wat zijn dan de vragen en thema’s die mannen bezighouden? Knieling haalt resultaten uit enkele grote onderzoeken naar zingeving en geloof onder Duitse mannen naar voren: Opvallend is wel dat de houding ten opzichte van de kerk in de afgelopen jaren op een positieve manier is veranderd: ze staan meer open voor de kerk en zijn de kerk meer gaan waarderen. Mannen die niet actief bij de kerk betrokken zijn, zijn wel met zingeving bezig.  Zij zien het leven als een strijd tegen negatieve ervaringen, die overwonnen moeten worden. Zin ervaren ze als er positieve ontwikkelingen zijn, zoals het leveren van een prestatie en het behalen van succes. Het gevolg van een prestatie, of het succes is of juist een mislukking raakt mannen dieper dan vrouwen en heeft voor hen ook grotere consequenties voor hun kijk op de wereld dan bij vrouwen.

Van belang is ook dat mannen de behoefte hebben om zelf de regie te kunnen bepalen. Hebben ze op een terrein geen regie, zoals op hun werk of in de kerk, kunnen ze zich afzijdig houden en gaan ze op zoek naar een eigen wereld waarin ze wel de regie hebben.

Relaties met familie, vrienden en collega’s vinden mannen van groot belang, omdat ze daarin steun en erkenning ervaren. Van de relaties vinden ze de band met hun kinderen het belangrijkste. Vaderschap is een van de belangrijkste thema’s voor mannen. Door de emancipatie is de rol van de man veranderd. Mannen reageren verschillend op: er zijn mannen die het traditionele rollenpatroon hebben vastgehouden, maar ook mannen die helemaal over zijn gestapt op moderne rolpatronen. Daarnaast zijn er mannen die de balans hebben gevonden tussen een traditionele en moderne waarden. Ook is een deel mannen onzeker zijn en zoekend zijn naar hun rol in deze tijd. Van de kerk wordt een bijdrage verwacht: in de verdediging van traditionele waarden of juist in het helpen vinden van een nieuwe balans of een vernieuwing van de rolpatronen.

De wereld van mannen is gekenmerkt door ambivalenties. Mannen hechten grote waarde aan hun relaties en vooral aan hun vaderschap. Ze kunnen echter ook keuzes maken die daar tegenin gaan door bijvoorbeeld veel tijd aan hun werk of een hun vrije tijd te besteden. Dat gaat dan ten koste van het gezin, waardoor mannen zich daardoor schuldig voelen. Daarnaast levert niet elke prestatie een bevredigend resultaat op.

Volgens Knieling doet de kerk er goed aan om de thema’s en de vragen die mannen bezig houden op een positieve manier op te pakken. Vanuit de positieve insteek dient er dan wel aandacht te zijn voor de ambivalenties. Zelf werkt hij dit uit aan de hand van de thema’s prestatie en succes, gezin en relaties, macht en invloed. Hij geeft aan dat de kerk en de theologie meestal moeite heeft met een positieve benadering van deze thema’s. De kerk heeft toch de neiging om allereerst de problematische kant van deze thema’s te benadrukken, waardoor de mannen die zich met deze thema’s bezighouden zich niet serieus benaderd voelen. Wanneer de kerk deze thema’s op een positieve manier aanpakt en en van daaruit ook de ambivalenties kan laten zien, worden niet alleen mannen in hun denkwijze en levensstijl geholpen maar ook vrouwen. De kerk kan bij deze thema’s wel een contrastmaatschappij willen zijn, maar dat kan volgens Knieling alleen vanuit een positieve en onbevangen benadering. Waarom, zo vraagt hij zich af, zouden mannen in een kerkdienst niet positief verrast kunnen worden doordat hun verantwoordelijkheid en inzet volop gewaardeerd wordt, waarbij de predikant de mannen voorgaat in de dank hiervoor aan God.

De Bijbel is een boek met verschillende verhalen waarin mannen een (hoofd)rol spelen.  Zorgvuldig lezen van deze verhalen laat zien dat de Bijbel zowel de positieve benadering kent als het onthullen van de ambivalenties. Abraham is een vader van verschillende zonen. Met zijn zoon Ismaël wordt het contact verbroken, omdat hij wordt weggestuurd. Alle aandacht gaat naar Izaäk uit. Toch is Abraham bereid om deze zoon te doden. Waartoe zijn wij mannen allemaal in staat in ons plichtsgevoel en gehoorzaamheid aan onze leidinggevenden? Mozes is een man met een bestemming, maar heeft moeite om die rol te aanvaarden. Zijn emoties heeft hij niet altijd onder controle, met dodelijk gevolg. Pas na een heel leven van leren en afleren is hij in staat om het volk Israël te leiden. Elia is een man die de strijd aangaat en alleen het durft op te nemen tegen een grote groep. Hij wint de strijd, maar krijgt kort daarna zo’n tegenslag te verwerken dat hij niet meer verder kan leven. Zijn verhaal laat zien wat succes en tegenslag doet met de kijk op de wereld en met de relatie tot God. Volgens Knieling kan het verhaal van Jozef helpen in de zoektocht naar een nieuwe mannenrol, bijvoorbeeld in de kerk. Jozef accepteert het dat alle aandacht naar Maria uitgaat. Hij is een figuur van de achtergrond en is als stille kracht op de achtergrond van onschatbare waarde.

Er is nog een hele wereld te winnen volgens Knieling. Het mooiste zou er zijn als er – in navolging van de feministische theologie – een leerstoel zou komen voor een specifiek op mannen afgestemde theologie, waarbij alle theologische disciplines hun bijdrage leveren. Deze vorm van theologie zou bijvoorbeeld kunnen insteken op (her)waardering van thema’s als prestatie, succes, kracht, macht, trots, vrijheid, agressie ed. Knieling is zelf de uitdaging aangegaan. Binnenkort publiceert bij, samen met anderen, een tweede deel van uitleg van Bijbelgedeelten vanuit het perspectief van mannen.

Nav Reiner Knieling, Männer und Kirche. Konflikte, Missverständnisse, Annäherungen (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2010).

Eerder verschenen in het Friesch Dagblad