Pastoraat via een brief

Pastoraat via een brief

‘De apostelen schreven ook geen brieven (…), maar als het van toepassing is, schrijven ze een brief en denken: waar het om gaat moet persoonlijk tegen de mensen worden gezegd’, verklaarde ooit Christoph Blumhardt. Daarmee gaf hij de reden aan waarom hij brieven schreef. Deze brieven schreef hij met grote toewijding en innerlijke betrokkenheid. Het viel hem daarom niet gemakkelijk om deze brieven te schrijven: ‘Ik weet niet of ik u daarmee goed doe of pijn bezorg. Ik heb intens getwijfeld, wel 2 uur lang, maar in mij groeide steeds meer de overtuiging: dit moet ik je schrijven.’

Al vanaf de tijd van de Bijbel is de brief een middel tot pastorale ondersteuning. Jeremia en Paulus schreven om die reden brieven. Zij werden in de kerkgeschiedenis gevolgd door onder andere Chrysostomus, Basilius de Grote, Luther, Calvijn, vader en zoon Blumhardt, Eduard Thurneysen en zoveel anderen meer.

Eigen geschiedenis
Volgens Gerhard Henning, van 1995 – 2003 hoogleraar Praktische Theologie aan de universiteit van Tübingen en gepromoveerd kerkhistoricius, zou er een hele kerkgeschiedenis geschreven kunnen worden vanuit het perspectief van pastoraat via brieven.

Gesprek niet de enige vorm van pastoraat
Pastoraat door middel van brieven heeft niet alleen een heel eigen geschiedenis, maar ook een heel eigen betekenis ten opzichte van het pastoraat door middel van een persoonlijk gesprek. Pastoraat door middel van een brief is meer dan alleen een noodgreep, waarbij de brief het persoonlijke gesprek vervangt. Briefpastoraat is een geheel eigen vorm binnen het geheel van het pastoraat.

Daarom is het volgens Henning verkeerd om het pastoraat uitsluitend te verbinden aan het persoonlijke gesprek. Er zijn daarnaast nog vele andere vormen van pastoraat: ook de preek, de sacramenten en de eredienst kunnen een vorm van pastoraat zijn.

Mail, social media en kerkblad
Het artikel van Henning stamt uit 1997. E-mail komt dan net op en social media zijn nog helemaal niet in beeld. Met wat eigen creatieve denkkracht kunnen de overwegingen van Henning ook worden toegepast op mailverkeer en (andere vormen van) social media. Nu ik dit schrijf, bedenk ik dat pastoraat via openbare media veel vaker voorkomt dan via brief alleen. Ik bedenk dat ik weinig brieven schrijf: alleen in de dagen voor oudjaar doe ik dat om de familie uit te nodigen voor de herdenking van de overledenen. Toch zijn er veel meer manieren in mijn pastorale praktijk waarin ik wel – onbewust wellicht – bezig ben met pastoraat: in de stukjes die ik in het kerkblad schrijf, via kaarten, in de blogs die ik op mijn website plaats. Ook op die vormen kunnen d overwegingen van Henning wellicht worden toegepast.

Versterken van de zielen
Henning definieert pastoraat vanuit Handelingen 14:22. Paulus en Barnabas keren tijdens hun zendingsreis terug naar de gemeenten die door hen zijn gesticht. Ze gaan er niet alleen heen om het evangelie te verkondigen, maar ook om de zielen (van de gemeenteleden) te versterken. Voor Henning is dat de Bijbelse kern van het pastoraat. Dat werkt hij niet alleen in dit artikel uit, maar ook in andere artikelen komt hij steeds op deze Bijbelse kern terug, waarin hij ook uitlegt wat de Bijbelse betekenis van ‘ziel’ en ‘zielszorg’ inhoudt (‘Wie redet die Bibel von der Seelsorge?’, in: Gerhard Henning, “Sonntags ist Kirche”. Studien zu Kirche, Gottesdienst und Seelsorge, p. 161-186).
Pastoraat door middel van een brief houdt in dat de ene gelovige de andere versterkt en bijstaat in het aanvaarden en ordenen van zijn of haar levensgeschiedenis in vertrouwen op God.

Een gemeentelid schrijft
Er zijn mensen die zich gemakkelijker uitdrukken door iets te schrijven dan door iets te zeggen. Dan zijn we (pastoraat is niet alleen iets voor bevestigde ambtsdragers, maar een taak voor de gehele gemeente!) er voor elkaar.
Er zijn ook mensen die zich helemaal niet zo gemakkelijk uitdrukken door iets op te schrijven en toch kiezen voor een brief. Waarom kiezen ze dan toch voor een brief? Omdat ze een brief terug verwachten. Het is een teken van respect en aanvaarding in de Rogeriaanse betekenis van het woord als we communiceren via een brief. We sluiten aan bij de vorm die het medegemeentelid heeft gekozen, die bewust voor het middel van de brief heeft gekozen.

(Waarom zouden we aan moeten sturen op een gesprek? In een voetnoot is Henning kritisch op de zinsnede: ‘Daar zouden we eens verder over moeten doorpraten (in een persoonlijk gesprek). Waarom zou dat persé moeten? Pastoraat kent immers veel meer vormen dan een persoonlijk gesprek.)

Een pastor schrijft
Het hoeft niet de eerste keuze te zijn van de pastor om zich door middel van een brief van zich te laten horen. Toch kunnen er redenen zijn voor een brief:

  • Eigenlijk was een bezoek gepast, maar er zijn redenen waarom het de pastor niet lukt om langs te komen. De brief komt dan in plaats van het bezoek. Daarmee krijgt de brief een eigen waarde ten opzichte van het beoogde gesprek. Vaak slagen zulke regels erin om meer pastoraat te zijn dan een gehaast bezoek, omdat de woorden met aandacht en toewijding geschreven zijn.
  • Een brief of een geschreven kaart kan als zodanig al worden opgevat als een pastoraal gebaar. Een jaar na het overlijden van een geliefde kan een brief een bezoek vervangen als de pastor niet aan een bezoek toekomt. Daarmee geeft de pastor aan, dat het overlijden niet vergeten is.
  • Een brief kan een gesprek aanvullen, wanneer het een gesprekspartner of de pastor zelf niet lukt om in een gesprek helder onder woorden te brengen wat hij of zij bedoelde.
  • De herderlijke brief, zoals dat vaak in kerkbodes gebeurt: een ‘geestelijke kunst’.


Vertrouwen
De brief is net zo vertrouwelijk als het pastorale gesprek. Iemand schrijft aan een pastor vanuit het vertrouwen dat zijn of haar brief vertrouwelijk wordt gelezen. Een ontvangen brief valt onder het ambtsgeheim. Ook een predikant, die aan een gemeentelid schrijft, mag ervan uitgaan dat de brief vertrouwelijk wordt gelezen en niet wordt doorgegeven aan anderen. Pastoraat door middel van een brief heeft dit vertrouwen nodig.
Pastoraat via een brief gebeurt op basis van vertrouwen dat er reeds is. Wie zich via een brief meldt, ervaart reeds dat vertrouwen. Wie een brief schrijft legt zich vast en geeft zich bloot aan het risico verkeerd begrepen te worden. Een brief geeft ook de mogelijkheid om nog eens te herlezen. Daardoor kan het gemeentelid steeds weer teruggrijpen op de brief.
Een brief is bedoeld om het vertrouwen te versterken. De brief is meestal niet bedoeld ter informatie, maar tot steun: om iemand vanuit het evangelie bij te staan.

Unieke
Pastoraat via een brief kost tijd en schenkt tijd. Dat is het unieke van pastoraat door middel van een brief.
Een brief kost tijd: de woorden worden zorgvuldig gekozen. Dat gebeurt met het oog op degene die de brief zal ontvangen. In zichzelf gaat degene die de brief schrijft de dialoog aan met degene die de brief zal ontvangen. Iemand probeert zich in een ander te verplaatsen. Daarbij komen de vragen boven: Begrijpt degene aan wie ik schrijf mijn woorden? Hoe komen mijn woorden over?
Een brief schenkt ook tijd. Een brief komt vaak in plaats van een bezoek. Bijvoorbeeld: een gemeentelid dat ergens ver weg moet revalideren ontvangt een brief, omdat een bezoek niet altijd mogelijk is. Degene die de brief ontvangt kan de brief op eigen tijd lezen. De brief kan ook steeds opnieuw gelezen worden.
Dat is het unieke van pastoraat via een brief: om meer tijd te nemen en te geven voor pastoraat aan schrijver en ontvanger van de brief.

Een brief komt aan
Voor een gesprek is er niet altijd gelegenheid. Een brief komt altijd aan. Wie geen bezoek wil, kan toch via een brief worden bereikt. De brief betreedt dat als een (pastorale) gast het huis van de ontvanger, verwacht of onverwacht. Van een brief wordt dezelfde hoffelijkheid verwacht als van een daadwerkelijk bezoek, gekenmerkt door een stijl van innige gevoelens van ontferming, vriendelijkheid, nederigheid, zachtmoedigheid, geduld (Kolossenzen 3:12).

Schrift en gebed in een brief
Pastoraat is bedoeld om de zielen te versterken en gebeurt vanuit het vertrouwen van Gods handelen. Het pastoraat is bedoeld om dat vertrouwen te versterken in Gods aanwezigheid en Zijn handelen. Pastoraat – ook via een brief – kan terugvallen op de Schrift. Niet omdat de Schrift voor elke gelegenheid een passende opmerking heeft, maar omdat de Schrift onder woorden brengt dat de mens altijd kan aankloppen bij God en zelfs tot God kan roepen. Wanneer iets vanuit de Schrift verwoord wordt, is dat niet omdat er in het pastoraat toch iets van verkondiging moet plaatsvinden, maar om het vertrouwen op God te versterken. Het Schriftwoord kan een spoor van God verwoorden. Dat spoor kan ook inhouden, dat degene aan wie geschreven wordt geen spoor kan vinden. Dan kunnen we vanuit de Schrift de klacht en het verstommen helpen te verwoorden.

‘Ik geloof helemaal niet dat ik voor u een woord heb dat u troost biedt’, schrijft Basilius aan een moeder van een jong gestorven zoon, ‘ik kan me alleen maar indenken dat u in deze omstandigheden vooral gebed nodig hebt. Daarom bid ik de Heer zelf, dat Hij u met Zijn onuitsprekelijke macht uw hart kan aanraken en en dat Hij uw ziel door goede gedachten licht schenkt, zodat u van binnen uit redenen tot troost ontvangt.’

Zo laat de pastor ruimte om nu verdrietig te zijn, niet aanspreekbaar voor woorden van troost. Hij beschut deze ruimte met zijn gebed en voorbede. Nu hoeft zij niets te doen. Zelfs niet te bidden. Zij mag het gebed aan een ander overlaten. De pastor kan haar hart niet aanraken of licht schenken, zodat haar hart verlicht wordt. De pastor wendt zich in gebed tot Hem, die de macht heeft het hart aan te raken. De pastor gaat tot Hem, die kan spreken: ‘Er zij licht.’

N.a.v.: Gerhard Henning, ‘Briefseelsorge,’ in: Idem, “Sonntags ist Kirche.” Studien zu Kirche, Gottesdienst und Seelsorge (Stuttgart: Calwer Verlag, 2008), p. 205-220. Eerder verschenen in 1997 in het tijdschrift Theologische Beiträge.

Advertenties

Preek zondagavond 17 april 2016

Preek zondagavond 17 april 2016
Jongerendienst – Thema: Jezus – tastbaar genoeg?
Johannes 20:24-31

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Stel je voor…
dat Jezus hier in de kerk is
en dat Hij naar je toe zou komen.

Wat zou jij dan doen?
Zou je opstaan om Hem te omhelzen,
omdat je blij bent dat je Hem eindelijk ziet?
Je hebt al zo veel over Hem gehoord
en nu is Hij er eindelijk!
Je kunt op Hem afstappen

Zou je een vraag stellen
over God, over Jezus, over deze wereld, over jezelf?
Nu Hij er is hoef je niet meer, zoals normaal gesproken bij het bidden,
te wachten op een antwoord.
Je kan nu tegen Hem zeggen:
‘Heer, ik worstel al zo lang met een vraag.
U kunt het antwoord geven!’

Of zou je wat ongemakkelijk opzij schuiven,
omdat je niet goed weet
wat Jezus van jou wil, met jou wil doen.

Neem eens de tijd om daar over na te denken.

Stel je voor …

Zo snel gebeurt dat niet
dat Jezus ook echt naar je toekomt
dat je Hem kunt zien, kunt aanraken, kunt omhelzen.
Ik heb het zelf nog nooit meegemaakt
dat de Heere Jezus zo tastbaar dichtbij was.
Ik heb wel eens gehoord dat mensen over Hem gedroomd hebben.
Van moslims die later christen geworden zijn
heb ik dat wel eens gehoord
dat ze Jezus in een droom naar zich toe zagen komen.
Ik kan daar niet over vertellen.

Jullie wellicht ook niet.
Toen je nog een kind was, had je genoeg aan de verhalen.
Goed, je zou wel willen dat je ook echt met de Heere Jezus mee kon gaan.
Maar doordat je luisterde naar de verhalen,
was het alsof je zelf ook meeging, met de menigte
was het alsof je er zelf bij was, toen er een wonder gebeurde
of toen Jezus aan het kruis hing,
of toen Hij verscheen aan de vrouwen op de dag dat Hij was opgestaan.
Als het dan over Thomas ging, zat je zelf daar bij de discipelen in huis.
En nu?
Nu heb je misschien wel dat je niet meer kunt voorstellen
dat je er zelf bij bent.
Het kan best zijn
dat je geloven daarom moeilijk vindt
omdat je helemaal niets van Jezus ziet, niets ervaart.

Je denkt wel over Hem na
maar Hij is zover weg.
Je wilt Hem best dienen en discipel zijn
maar Hij is er niet meer om voor je uit te gaan
om de weg te wijzen.
En bidden doe je nog wel,
maar je weet niet of Hij je hoort
omdat je geen reactie terughoort.
Jezus – tastbaar genoeg?
Ik denk dat het een belangrijke vraag is.
Ik zie namelijk veel christenen ermee worstelen
dat ze zo weinig van Jezus merken
in hun dagelijks leven
en dat ze niet weten waar Hij is
en of Hij er is.
Dan kan er zo maar een twijfel boven komen: is het allemaal wel waar?

Als je veel mensen om je heen hebt
die wel geloven
kun je nog denken: ik ben de enige niet die gelooft.
We geloven samen
en van de anderen kan ik leren hoe ik dat kan:
In Jezus geloven, in God geloven, zonder dat ik Hem zie
of kan aanraken.

Maar als je juist mensen om je heen hebt – klasgenoten, vrienden – die niet geloven
kan het best moeilijk zijn om zelf wel te blijven geloven.
Want er zijn steeds meer mensen die zeggen:
‘Er is geen God, want ik zie er niets van.’
Als dat tegen jou gezegd wordt,
moet je wel sterk in je geloof zijn om te blijven geloven:
‘Jawel, er is wel een God! En Jezus leeft!’
Omdat Jezus niet zichtbaar is, kan er ook wel met Hem gespot worden.
Deze week las ik twee berichten over de kerk van het vliegende spagettimonster.
Heb je daar wel eens van gehoord?
De kerk van het vliegende spagettimonster is er om geloof belachelijk te maken.
Ze zeggen: God is onzichtbaar, daarom kun je Gods bestaan niet bewijzen.
Misschien is er helemaal geen God,
maar is er een vliegend spagettimonster.
De beide berichten die ik las, gingen erover dat de rechter – in Duitsland en in de VS-
hadden aangegeven dat het niet om een echt geloof gaat,
maar om het bespottelijk maken van geloof.
Op tv en social media kun je ook vaak mensen tegenkomen die spotten met God,
omdat ze het belachelijk vinden dat er mensen zijn die geloven
want van God is toch niets te zien?

Ze hebben geen gelijk, maar ze raken wel een zere plek, vind ik.
Want wij zien Jezus niet.
Jezus – tastbaar genoeg?
In dat thema proef ik ook een verlangen:
Dat jullie zeggen: we zouden Jezus ook graag willen zien, willen aanraken.
Jullie lijken daarmee op Thomas.
We hebben dat verhaal met elkaar gelezen.
Thomas wil Jezus ook eerst zelf zien,
eerder kan hij niet geloven dat Jezus is opgestaan.
Thomas was er niet bij, toen Jezus verscheen aan de discipelen.
Toen ze Jezus hadden gezien, gingen ze naar Thomas toe.
‘Thomas’, zeiden ze, ‘Het is echt waar! Jezus leeft!
Hij is niet meer dood! Hij is opgestaan uit de dood.
Thomas, jammer dat je er niet bij was, je hebt zoiets bijzonders gemist!’
Maar Thomas, hij kan het niet geloven.
Jezus opgestaan? Dat is te mooi om waar te zijn.
Dat kan ik niet geloven!
Ik geloof het pas als ik Jezus zelf zie.
Als ik Zijn wonden zie, Zijn wonden kan aanraken.
Als Jezus tastbaar genoeg is – dan kan ik geloven,
maar niet omdat jullie het mij vertellen.
Ik moet het zelf zien!
Thomas moet zich vast heel eenzaam hebben gevoeld.
Hij alleen verdrietig.
Hij de enige die niet kan geloven, terwijl de anderen enthousiast zijn!
Ik heb wel wat met Thomas, misschien jij ook wel.
Daardoor heb ik geleerd, dat geloven niet zo gemakkelijk is.
Toen ik tiener was, had ik heel vaak het idee dat de hemel gesloten was
En dat God niet luisterde naar mijn gebeden en dat ik God ook niet kon ervaren.
Ik ben blij dat Thomas in de Bijbel staat.
En je moet de verhalen in de Bijbel altijd zo lezen,
Dat je nadenkt: wat zeggen die verhalen over mij?
Ben ik soms Thomas?
Of ben ik juist een van de discipelen
en heb ik een taak voor een vriend van mij of iemand anders in mijn omgeving
om hem of haar mee te nemen,
zodat Jezus ook hem of haar opzoekt?

Thomas laat zich niet zomaar iets wijsmaken, omdat anderen dat zeggen.
Misschien zeg je wel:
Ik ga niet geloven, omdat mijn ouders geloven of omdat mijn vrienden gaan geloven.
Ik ga pas geloven, als ik zelf iets van Jezus, van God ervaar.
Net als Thomas ga je niet zomaar geloven, maar stel je eerst voorwaarden aan God.

Het mooie is dat de Heere Jezus de voorwaarden van Thomas serieus neemt.
Want Hij komt speciaal voor Thomas
om zich ook aan Thomas te laten zien.
En Thomas ging geloven?
Weet je waardoor?
Omdat Jezus kwam?
Of omdat Christus tegen hem zei: Thomas, je moet nu stoppen met je ongeloof.
Ik leef! Ik ben er nu – voor jou!

Er is een schilderij van de Italiaanse schilder Carvaggio
waarin Thomas met zijn vinger peutert in het gat in Jezus’ zij
waar de speer Jezus gestoken heeft
Maar gaat Thomas daardoor geloven?
Ik denk niet dat Thomas gaat geloven, omdat hij Jezus ziet,
maar omdat Thomas te horen krijgt:
Stop nu met je ongeloof, maar ga geloven.
Jezus zegt tegen Thomas: het gaat er niet om dat je Mij ziet of kunt aanraken.
Het gaat erom dat je gaat geloven als je over Mij hoort.
Dat is bij mij ook gebeurd.
Ik kan dat niet helemaal goed uitleggen.
Maar ik heb ontdekt, voor mijzelf en dat wil ik ook aan jullie meegeven
dat je de Bijbel moet lezen
als de stem van de Heere Jezus.
Als je leest in de Bijbel, dan wordt Jezus zo dichtbij, dat je Hem bijna kunt aanraken.
En niet alleen als je in de Bijbel leest,
maar ook als je een preek hoort, als je een lied over Hem hoort of zingt
of als met elkaar praat over de Heere Jezus.
Dan is Hij er opeens bij.

Misschien vind je dit een te gemakkelijke oplossing.
Hoe kun je dat nu tegen iemand zeggen die niet gelooft omdat hij niets ziet?
En toch ben ik ervan overtuigd
omdat ik het ook zo ervaar, dat Christus dan echt tegen mij spreekt.
Ik denk dat anderen dat ook zo hebben.
Vraag dat maar eens na: aan je vader of moeder, opa of oma, aan de clubleiders:
Heb je Jezus ook wel eens gezien? Heb je wel eens ervaren dat Hij er is,
dat Hij naar jou toe kwam?
Hoe kunnen jullie geloven, terwijl je Hem niet ziet?
Help mij alsjeblieft! Want we zijn er in de gemeente om elkaar te helpen.
Misschien is er geen antwoord te vinden,
want dat is geloven ook, dat je niet overal een antwoord op krijgt.
Maar we kunnen elkaar als gemeente wel helpen
om toch te blijven geloven – ook al zien we Hem niet.
Amen

De theorie van de communicatie van Friedemann Schulz von Thun

Inhoud, betrekking, zelfopenbaring en appèl
De theorie van de communicatie van Friedemann Schulz von Thun

Friedemann Schulz von Thun is een psycholoog die zich bezig houdt met de communicatie. Hij heeft onderzoek gedaan naar communicatie en trainingen gegeven op het gebied van communicatie.
Communicatie betekent dat een zender naar een ontvanger communiceert. Schulz von Thun onderscheidt 4 soorten boodschappen die in een bericht worden gecommuniceerd:

Inhoud: Hoe kan ik inhoud duidelijk en begrijpelijk meedelen?

Betrekking: Hoe behandel ik mijn medemens door mijn manier van communiceren?

Zelfopenbaring: Wat laat ik in mijn communicatie vrijwillig of onvrijwillig zien?

Appèl: Wat wil ik als zender bij de ontvanger van mijn bericht bewerkstelligen? Welk effect, invloed heeft mijn bericht?

kom_quadrat1
communicatie-kwadrant
blauw: inhoud / rood: appèl / geel: betrekking/relatie / groen: zelfopenbaring
Bron: website van Schulz von Thun

Complexiteit
Elk bericht heeft deze 4 aspecten. Deze 4 aspecten zijn van even grote waarde in de communicatie van een bericht van zender naar ontvanger.
Deze theorie geeft inzicht (a) in de complexiteit van de communicatie: in een bericht worden immers verschillende berichten gecommuniceerd. Daarnaast is het mogelijk (b) om misverstanden in de communicatie te verhelderen, op te lossen en in de toekomst meer te voorkomen.

Misverstanden uit de weg ruimen en verbetering van communicatie begint bij inzicht in hoe iemand communiceert en ontvangt. Daarbij is van belang te weten dat een individu onderdeel is van een systeem.

Innerlijke gevoelens
De communicatie wordt nog complexer door de innerlijke gevoelens die in ons spelen en die onbewust meewerken in de communicatie. Deze innerlijke gevoelens kunnen zich ‘nestelen’ in de boodschap die op het niveau van de betrekking, de zelfopenbaring of het appèl worden gecommuniceerd.
In de theorie van Schulz von Thunkan metacommunicatie (stilstaan bij de manier waarop gecommuniceerd wordt) helpen om de misverstanden uit de weg te ruimen. Aandacht voor metacommunicatie kan ook op het niveau van de zelfopenbaring: helder hebben wat er innerlijk bij zender en/of ontvanger gebeurt en dat gebruiken om de manier van communiceren te verhelderen. Zelfopenbaring heeft te maken met echtheid / authenticiteit.

Expliciet of impliciet
Een zender communiceert een bericht naar een ontvanger. Zo’n bericht bevat vele boodschappen. Deze boodschappen kunnen expliciet (uitdrukkelijk onder woorden gebracht) of impliciet (wat in de communicatie op een verborgen manier wordt meegegeven in een bericht of uit de boodschap wordt uitgelicht) worden gecommuniceerd. De eigenlijke boodschap van een bericht wordt nogal eens impliciet gecommuniceerd.

Impliciete boodschappen worden vaak non-verbaal gecommuniceerd. Schulz von Thun sluit zich aan bij Watzlawick: Men kan niet niet-communiceren. Elk bericht bevat de 4 aspecten die Schulz von Thun onderscheidt.
Zelfs zwijgen heeft deze 4 aspecten:
Inhoud:
Betrekking: Jij bent geen interessante gesprekspartner voor mij. Of omgekeerd: ik vermoed dat ik voor jou geen interessante gesprekspartner ben.
Zelfopenbaring: Ik wil met rust gelaten worden. Of: ik weet niet hoe ik een gesprek moet beginnen.
Appèl: Laat me alsjeblieft met rust! Wil je mij helpen door het gesprek te beginnen?

Congruente communicatie
Een bericht wordt congruent gecommuniceerd als alle signalen (gebruikte woorden, non-verbale signalen) dezelfde richting op wijzen. Een bericht wordt incongruent gecommuniceerd als de signalen verschillende kanten op wijzen.
Incongruente boodschappen scheppen verwarring in de communicatie. Incongruente boodschappen hebben voor de zender het voordeel dat hij of zij zich bij incongruente communicatie niet helemaal blootgeeft of vastlegt.
Incongruente communicatie kan worden veroorzaakt door onbewuste of niet-toegestane verlangens of gevoelens bij zender en/of ontvanger, die impliciet, verborgen in de communicatie meegegeven of ingelezen worden. Daardoor ontstaat er een dubbele bodem in de communicatie.
Incongruente boodschappen kunnen ook ontstaan als iemand nog niet helder is over wat hij of zij wil communiceren of als iemand nog niet helder heeft wat er in hem of haar leeft (wat de communicatie oproept of teweegbrengt)

Ontvangen
De 4 aspecten die Schulz von Thun onderscheidt in de communicatie gelden niet alleen voor het zenden van een bericht. Ook voor het ontvangen van een bericht gelden deze 4 aspecten. Intermenselijke communicatie is complex omdat de ontvanger de vrije keuze heeft op welk aspect van het gecommuniceerde bericht hij of zij wil reageren. Miscommunicatie ontstaat als de ontvanger de nadruk legt op een ander aspect van het bericht dan de zender met het gecommuniceerde bericht wilde.
De ontvanger heeft verschillende ‘oren’, waarmee hij of zij de aspecten van het gecommuniceerde bericht ‘hoort’.

image_manager__bild_gross_textbereich_bild3
bron: website van Schulz von Thun

Het oor dat luistert naar de inhoud
Vooral mannen en academici hebben de gewoonte om te reageren op de inhoud van een gecommuniceerd bericht en staan minder stil bij de andere gecommuniceerde aspecten. Het probleem is dat het bij veel gecommuniceerde berichten het de zender niet is te doen om de inhoud van het bericht.

Het oor dat luistert naar de betrekking
Dit oor kan overgevoelig zijn. De ontvanger vat de boodschap die op het niveau van de betrekking wordt gecommuniceerd op als een stellingname van de zender ten opzichte van de persoon van de ontvanger.
Het oor dat luistert naar de betrekking kan het oor dat luistert naar de zelfopenbaring van de ander in de weg zitten. Misverstanden in de communicatie ontstaan als niet helder is of een bericht op het niveau van de betrekking of op het niveau van de zelfopenbaring moet worden gehoord. Het gaat dus om het verschil of de zender met het gecommuniceerd bericht iets over zichzelf (zelfopenbaring) of over de ander (betrekking) wil communiceren.

Het oor dat luistert naar de zelfopenbaring van de zender
Het is beter om een oor te hebben dat goed ontwikkeld is in het luisteren naar de zelfopenbaring van de zender dan een oor dat gevoelig is voor het luisteren op betrekkingsniveau. Een ontvanger is dan bezig met wat de zender over zichzelf communiceert en minder bezig met wat de ontvanger denkt dat de zender van de ontvanger wil.
Er zouden veel misverstanden voorkomen worden als gevoelsmatige uitbarstingen, aanklachten en verwijten met het oor worden gehoord dat luistert naar de zelfopenbaring van de ander (en minder met het oor dat luistert naar de betrekking).

Wanneer er uitsluitend met het oor geluisterd wordt dat luistert naar de zelfopenbaring van de ander bestaat wel het gevaar dat de ontvanger zich immuniseert voor de boodschappen die de zender op betrekkingsniveau communiceert. Ook is het gevaar dat de ontvanger de boodschappen van de zender gaat psychologiseren.

Schulz von Thun koppelt het oor dat luistert naar de zelfopenbaring van de ander aan het principe van het actief luisteren van Rogers: het gaat om actief luisteren, dat wil zeggen: een poging om invoelend de wereld van de gevoelens en gedachten van de zender niet-beoordelend te begrijpen.

Het oor dat luistert naar het appèl dat de zender doet
Wie behoefte heeft om iedereen recht te doen en/of te voldoen aan de verwachtingen van de medemensen heeft in de loop van de tijd een oor ontwikkeld dat (over)gevoelig is voor het appèl dat anderen expliciet of impliciet meecommuniceren met een bericht. Iemand met een (over)gevoelig oor voor appèls luistert niet goed naar zichzelf; luistert niet goed naar wat er in hem of haar aan innerlijke gevoelens en gedachten leeft.

Een bericht dat aankomt
De zender heeft geen grip op hoe de ontvanger de boodschap ontvangt. De zender kan de boodschap door de 4 aspecten coderen. Maar de ontvanger is zelf verantwoordelijk voor de manier waarop hij de boodschap ontvangt en decodeert. De ontvanger is daarbij in sterke mate aan zichzelf overgeleverd. Het resultaat van de decodering hangt onder andere af van de verwachtingen, de vrees en eerdere ervaringen die bij de ontvanger leven.
Wel is het mogelijk door aandacht voor metacommunicatie of expliciete communicatie op het niveau van de zelfopenbaring de boodschapper te helpen het bericht op een juiste manier te decoderen.

Oorzaken waardoor een bericht verkeerd ontvangen wordt
– De ontvanger heeft een oor dat overgevoelig luistert op betrekkingsniveau. De ontvanger gebruikt dan zijn of haar eigen (lage) zelfbeeld om de boodschappen van het bericht te decoderen.
– De ontvanger heeft een bepaalde (eerste) indruk van de zender.
– Gecorreleerde boodschappen: het bericht wordt correct ontvangen, maar de ontvanger decodeert in het bericht meerdere boodschappen (die de zender niet persé mee heeft gegeven aan dit bericht).

Maakwerk
Het ontvangen van een bericht en het decoderen van de boodschap(pen) is maakwerk van de ontvanger. Als zender tast ik in zekere zin in het duister of en hoe de ontvanger mijn bericht ontvangt.
Als een bericht verkeerd ontvangen wordt kan dat ook komen omdat de ontvanger een verkeerde boodschap decodeert, door bijvoorbeeld de innerlijke processen bij de ontvanger. Een ontvanger kan op manier reageren die verrassend en onbegrijpelijk is. Dat verrassende en onbegrijpelijke geldt niet alleen voor de zender van het bericht maar ook voor de ontvanger zelf.

Processen
In het ontvangen spelen processen een rol die niet moeten worden verward:
Waarnemen: Wat zie / hoor ik als ontvanger?
Interpretatie: Welke boodschap destilleer ik uit een bericht? Welke betekenis geef ik aan een bericht?
Gevoelens: Welke (innerlijke) gevoelsreactie roept de waarneming en/of de interpretatie op?

Fantasieën
Vaak reageren wij niet op mensen zoals ze zijn, maar op de fantasieën die wij van anderen hebben gemaakt. Schulz von Thun gebruikt hiervoor het woord fantasieën, omdat er geen duidelijke waarneming aan de gevoelens en/of gedachten over de ander ten grondslag ligt.
Het gaat in de communicatie niet om het uitschakelen van die fantasieën, maar om bewust te zijn van de fantasieën die wij van anderen hebben:
– Fantasieën zijn mijn gedachten en gevoelens bij de ander. Ze zeggen iets over mij.
– Fantasieën kunnen doeltreffend zijn of de plank misslaan.
– De fantasieën die ik over een ander heb werken impliciet door in mijn communicatie naar de ander (1) Onuitgesproken fantasieën belasten de communicatie, (2) Onderdrukte gevoelens veranderen in vergif die mijn gevoelens en gedachten aantasten.
– Ik heb de keuze om mij te laten leiden door de fantasieën die ik over de ander heb óf mijn fantasieën te testen op werkelijkheidsgehalte.
– Alleen de ander kan bepalen of mijn fantasieën over de ander op werkelijkheidsgehalte berusten: (3) verwoorde gedachten of gevoelens maken een verandering van de emotionele realiteit mogelijk: de mogelijkheid van correctie van mijn gedachten en gevoelens bij de ander.

Feedback
De ontvanger is verantwoordelijk voor wat een bericht innerlijk bij hem of haar ‘aanricht’.  In feedback (d.w.z. de ontmoeting met het resultaat van het ontvangen dat teruggecommuniceerd wordt) ligt de kans om de communicatie te verbeteren. Daarvoor dient de communicatie terug wel een hoog zelfopenbaringsgehalte te hebben. De feedback kan het beste als een ik-boodschap worden gecommuniceerd.

Ik-boodschap
Een ik-boodschap geeft inzicht in hoe een bericht wordt ontvangen. Het tegenovergestelde is een jij-boodschap. Een jij-boodschap is vaak een te snelle vertaling van een ik-boodschap in een beschrijving van de ander. Daarbij voelt de ander zich aangevallen en verwijdert de zender zich van de ontvanger.

Eigen gevoelsleven
De sleutel tot goede communicatie ligt bij inzicht in het eigen gevoelsleven en de eigen gedachtenwereld. Voor een goede communicatie is moed tot zelfopenbaring nodig.

Na.v. Friedemann Schulz von Thun – Miteinader reden. Teil 1: Störungen und Klärungen. Allgemeine Psychologie der Kommunikation (Rowolt Taschenbuch Verlag, 1981). Ik heb de speciale uitgave uit 2011 gebruikt. Daarvan: p. 11-105 (deel A: principes).
Zie ook: http://www.schulz-von-thun.de/

Paul M. Zulehner over de vluchtelingencrisis

Wees niet bevreesd!
Paul M. Zulehner over de vluchtelingencrisis

In de afgelopen jaren is Europa geconfronteerd met met mensen uit Syrië, Irak, Afghanistan en andere instabiele landen, die hier hun toevlucht zochten. De komst van deze vluchtelingen hebben bij de Europese bevolking sterke emoties opgeroepen. Deze emoties lopen wel erg uiteen. De een is geroerd door de ellende en wil dat de vluchtelingen hier opgenomen worden en geholpen worden. Een ander voelt zich angstig worden door de komst van de vluchtelingen en hoopt dat de grenzen van de Europese Unie gesloten worden. Weer een ander voelt machteloosheid en hoopt dat de regeringsleiders met een goede oplossing komen.

Hoe komt het dat de komst van de vluchtelingen zulke sterke emoties oproepen? Waar is de angst op gebaseerd? Wat biedt geruststelling? Welke gebeurtenissen spreken de emoties tegen? Paul Zulehner, godsdienstsocioloog en hoogleraar Pastoraaltheologie aan de Universiteit van Wenen, heeft deze vragen aan een onderzoek onderworpen. Dat deed hij door middel van een online-enquête op zijn website www.zulehner.org, die door inwoners van Oostenrijk, Duitsland en Zwitserland is ingevuld.

Aan het begin van de enquête wordt gevraagd welk gevoel er door de komst van de vluchtelingen het sterkst wordt opgeroepen: irritatie, bezorgdheid of vertrouwen. Uit dit onderzoek komt naar voren dat degenen zich geïrriteerd voelen eerder geneigd zijn voor de optie afweer: de vluchtelingen zullen met alle middelen buiten de grenzen van Europa gehouden worden. 77% van hen is ook niet geïnteresseerd in het wel en wee van de vluchtelingen. Degenen die vol vertrouwen zijn, zijn juist bereid om zich in te zetten voor het welzijn van de vluchtelingen. Van hen is 42% op de een of andere manier actief betrokken bij de hulp aan vluchtelingen. Bij degenen die bezorgd zijn zet 24% zich in voor de vluchtelingen.

Orban
In de Europese politiek wordt verdeeld gereageerd op de komst van de vluchtelingen. De Hongaarse president Orban koos ervoor om de grenzen te sluiten en af te schermen met prikkeldraad. De Duitse bondskanselier Merkel wilde daarentegen de vluchtelingen opnemen en is overtuigd dat de Europese landen de vluchtelingen ook kan opnemen. Bij degenen die de enquête invullen zijn de meningen sterk verdeeld. Degenen die zich ergeren aan de komst van de vluchtelingen, vinden dat Orban voorbeeldig handelt. Voor degenen die vertrouwen hebben is de keuze die Orban maakte zo ongeveer het ergste dat er kan worden gedaan in deze crisis.

Hoe komt het dat mensen ergernis voelen bij de komst van de vluchtelingen. 71% van hen vindt dat de vluchtelingen vooral economische vluchtelingen zijn, die komen profiteren van de sociale voorzieningen in Europa. Een even groot aantal is bezorgd dat door de komst van de vluchtelingen Europa geïslamiseerd wordt. Zij zien het daarom als een christenplicht om de komst van de vluchtelingen tegen te gaan. In de enquête kan gereageerd worden op de stelling: Ook als men zich niet inzet voor de vluchtelingen kan men een goede christen zijn. Door 67% van degenen die ergernis voelen, 19% van degenen die zich bezorgd voelen en 11% van degenen die vertrouwen hebben wordt ingestemd met deze stelling. Men is bezorgd dat de vluchtelingen zorgen voor een toename van de criminaliteit, geweld en terreur.

Angst
Hoe komt het nu dat de komst van de vluchtelingen meer angst en bezorgdheid oproept dan de komst van de vluchtelingen uit het voormalige Joegoslavië? Volgens Zulehner heeft dat te maken met de economische crisis die vanaf 2008 in Europa opkwam. Deze crisis heeft vooral bij mensen uit de sociale onderklasse en de middenklasse getroffen. Velen raakten hun baan kwijt of werden zich ervan bewust dat ook zij hun baan konden kwijtraken. Veel van hen zien de komst van de vluchtelingen met zorg tegemoet, omdat ze bang zijn dat de vluchtelingen die hier komen de banen en de woningen overnemen. In de afgelopen jaren is duidelijk geworden dat een multiculturele samenleving niet zonder spanningen is, waardoor de angst voor de toekomst van Europa toeneemt. Doordat de politiek niet bij machte was om de economische crisis en de problematiek van de multiculturele samenleving, is het vertrouwen in de politiek gedaald. Dat gebrek aan vertrouwen wordt versterkt dat veel mensen uit de onderste lagen van de samenleving zich niet gezien en gehoord voelen.

Beelddragers
Zulehner wil niet alleen de resultaten van zijn onderzoek laten zien, maar wil ook aangeven hoe Europa op de komst van de vluchtelingen wil reageren. Daarbij presenteert hij zich bewust als christen (en katholiek), die zich laat inspireren door Jezus en door de huidige paus Franciscus.

Van belang is om de vluchtelingen te blijven beschouwen als mensen en deze mensen te blijven zien als beeld van God. Daarom kan er niet gesproken worden over een toestroom, een tsunami van vluchtelingen, omdat deze beelden verdoezelen dat het hier om mensen gaat. Omdat deze mensen net als wij beelddrager van God zijn, zijn christenen verplicht tot solidariteit. Deze solidariteit houdt niet persé in dat alle vluchtelingen opgenomen moeten worden. Wanneer de vluchtelingen die het land ontvluchten een hoge opleiding hebben genoten, is het moeilijker voor het land van herkomst om het bestaan weer op te bouwen. Solidariteit betekent ook inzet voor vrede waar oorlog is, het tegengaan van de wapenhandel en de bestrijding van de armoede. Van de Europese politiek wordt gevraagd om de bevolking het gevoel te geven dat de grenzen zijn gewaarborgd, dat de sociale voorzieningen en de huizenmarkt niet worden bedreigd.

Possibilist
Zulehner wil geen pessimist, maar ook geen optimist zijn. Hij kiest voor de derde weg, die hij de benaming possibilist geeft: kiezen voor een weg die mogelijk is. Als christen kan hij voor deze weg kiezen, omdat hij door zijn geloof ook hoop heeft. Hoop op Jezus, die een gebod én een opdracht gaf: ‘Wees niet bevreesd!’ Hoop op God die deze wereld in zijn hand heeft.

Paul M. Zulehner, Entängstigt euch! Die Flüchtlinge und das christliche Abendland (Ostfildern: Patmos Verlag, 2016)

Preek zondagmorgen 10 april 2016

Preek zondagmorgen 10 april 2016
Bediening Heilige Doop
1 Petrus 1:13-23

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Afgelopen maandag ben ik begonnen aan een cursus.
Dan begin je natuurlijk met de kennismaking.
Een van de vragen tijdens de kennismaking was:
‘Wie ben je?’
Op die vraag is nog niet eens zo makkelijk een antwoord te geven.
Want hoe vertel je nou aan iemand anders wie je werkelijk bent.
Dat bleek ook wel tijdens het rondje voorstellen.
Iedereen moest ook wel nadenken
voor dat hij of zij een antwoord gaf.
Een van de aanwezigen rondde af, nadat hij over zichzelf had verteld, met de opmerking:
‘Ik ben een kind van God. Een kind van God, door God geliefd en gekend.’
Dat is wel mooi dat hij dat van zichzelf zei:
‘Ik ben een kind van God.’
Daarmee zei hij van zichzelf: dat is wat ik ben.
Er is heel veel te vertellen over wie ik ben, maar dit ben ik ook: kind van God.
Dat behoort tot mijn identiteit, dat maakt wie ik ben.
‘Ik ben een kind van God, door God geliefd en gekend!’

Vandaag zijn er 3 kinderen gedoopt
en hebben daarmee het teken van het verbond met God ontvangen.
Een eeuwig verbond van genade met God.
Ook voor hen geldt: Ik ben een kind van God,
nu al op deze jonge leeftijd, hoe klein ik ook ben,
ik ben een kind van God.
Al weet ik eigenlijk helemaal niet wie ik ben – ik ben een kind van God.
Ik heb een Vader in de hemel.
Dat is voor jullie, doopouders, ook een belangrijke reden
Waarom je je kind wilt laten dopen.
Dat het ook een kind van God is.
Dat jijzelf, als ouder, dat weet.
Dat je kind dat weet en ook dat God zelf dat weet.
De doop geeft aan: er is heel wat over dit kind te vertellen, nu al.
Over hoe de bevalling ging, over je kind al doorslaapt of niet,
op wie hij of zij lijkt, welke trekken je nu al herkent.
De doop geeft daarbij aan: bij dat alles geldt het ook – dit is een kind van God.
door God geliefd en gekend.

Jullie hebben als ouders vandaag beloofd
om dat ook in de opvoeding je kind bij te brengen
dat Lynn, dat Thijs, dat Jesse zichzelf leert zien als kind van God, gekend en geliefd door God.
Dat God onze hemelse Vader is, is bijzonder.
Het klinkt wellicht heel gewoon, omdat het ons geleerd is in het Onze Vader bijvoorbeeld,
of omdat we onze gebeden beginnen met “trouwe Vader in de hemel”
en er veel liederen zijn waarin we zingen over God als Vader.
In zijn brief die Petrus schrijft, geeft hij aan:
Daar is wel wat voor gebeurd, dat we in ons gebed God als onze Vader mogen aanroepen.
Dat mag en dat moeten we vooral ook doen: God als onze Vader aanroepen.
Maar daarvoor is wel wat gebeurd!
Allereerst is er iets gebeurd op Golgotha:
Jezus die stierf aan het kruis voor onze zonde.
Petrus geeft dat aan met de woorden: het kostbaar bloed van Christus
als van een smetteloos en onbevlekt lam.
Dat wij God als onze Vader mogen zien en mogen aanroepen
komt omdat Christus stierf aan het kruis op Golgotha.
Dat bloed wast onze zonden af.
En het doopformulier benadrukt dat de doop aangeeft
dat Christus dat ook zal doen bij de kinderen die gedoopt zijn.
Die stelligheid van het doopformulier verbaast mij steeds weer,
omdat we in onze traditie gewend zijn om meer een slag om de arm te houden.
We hopen dan dat het gaat gebeuren
en als je van jezelf hier in deze omgeving zegt dat je kind van God bent
gaan de wenkbrauwen omhoog en wordt er gedacht:
Ja, ja, dat kun je niet zomaar van jezelf zeggen,
daarvoor moet er eerst iets in je leven gebeuren.
Dat is waar – maar Petrus hier in zijn brief (en het formulier van de doop sluit daarbij aan)
geeft aan: het belangrijkste wat er gebeuren moest, is ook gebeurd.
Er is ook heel iets bijzonders gebeurd,
namelijk dat Jezus stierf aan het kruis, voor u, voor mij, voor deze gedoopte kinderen.
Als wij gedoopt worden in de naam van de Zoon verzegelt ons de Zoon
dat Hij ons wast in Zijn bloed van onze zonden
en dat Hij ons inlijft in de gemeenschap van Zijn dood en opstanding.

Dat is het tweede wat er is gebeurd als we God onze Vader noemen.
Dat is er wat er met ons is gebeurd.
Dat je door God geroepen bent, waardoor er in je leven heel veel is veranderd:
een verschil tussen vroeger en nu, een omkeer in je leven.
Geroepen worden is heel persoonlijk, waarin je merkt:
God komt nu naar mij toe en ik kan niet anders, ik moet wel in Hem geloven.
Voor de mensen aan wie Petrus schrijft betekent dat een breuk:
een breuk met wat ze van hun ouders hebben meegekregen aan geloof:
ze dienden verschillende goden, maar kende de echte, levende God niet.
Ze ontdekten: er is maar één God die leeft
en die God kwam in Christus naar deze aarde en stierf aan het kruis.
Geroepen worden houdt in: dat je ervaart dat dit ook voor jouzelf is gebeurd
dat Jezus stierf aan het kruis
en dat je God leert kennen, niet als iemand die ver weg is
en zich nauwelijks met je leven bemoeide,
maar God die zich om jou persoonlijk bekommert, die jouw God wil zijn.
Groot, almachtig, heilig en toch ook Vader – heel intiem met jou, geliefd en gekend.
Daar bij de Vader, dat is mijn bestemming.
Dat is de God die mij geschapen heeft. Een andere god is er niet.
Een verandering, een breuk met het oude leven.
In de tijd van Petrus gaf de doop die verandering ook aan:
ik stap uit het leven zoals ik nu leid en kom tot de Vader.
In de uitleg wordt dit gedeelte uit 1 Petrus ook wel aan de doop gekoppeld.
Wat Petrus hier aangeeft over dat verschil tussen toen en nu
kan aan de doop worden verbonden.
De doop geeft die overgang aan: van onwetendheid naar het kennen van God.
Nu ken ik God, zoals Hij mij al kende.
Nu heb ik God lief, zoals Hij mij al liefhad en daarom mij riep bij mijn naam
om van Hem te worden.

Dat oude leven was een leven van onwetendheid.
Dat kan onschuldig klinken: als je nooit over de ene ware God gehoord hebt,
weet je ook niet Wie Hij is en kun je Hem ook niet kennen.
Petrus bedoelt: er waren genoeg aanwijzingen in de wereld om je heen
waardoor je op het spoor van God gezet kon worden:
Hoe God werkt in de schepping, hoe God door alle tijden heen alles leidt en regeert.
Als je de tijd en de rust neemt om dat tot je te laten doordringen kon je dat weten.
Maar God doorbrak die onwetendheid,
doordat Hij Zijn Zoon naar deze aarde stuurde.
Sinds die tijd kunnen mensen over heel de wereld nu God echt kennen,
zoals Hij is: Vader – die Zijn schepselen kent en liefheeft.

Hoe zit dat nu?
Want jullie hebben allemaal ouders, die je bij God hebben gebracht.
Je hebt zelf allemaal als kind al de doop ontvangen
en nu geef je je kind de doop mee.
Dat is een verschil met de mensen aan wie Petrus schrijft.
De tijd van de onwetendheid is jullie bespaard gebleven.
Dan kan het een vanzelfsprekendheid zijn dat God je Vader is en dat je gelooft.
Gevolg is wel dat er een belangrijk onderdeel van wat Petrus bedoelt wegvalt:
namelijk dat je anders bent in deze wereld
en dat de doop je ook anders maakt:
Kind van God en dus geen kind van deze wereld.
Dat de doop aangeeft, dat je hier in deze wereld ook een vreemde bent.
In een omgeving van Oldebroek, van Elspeet, waarin veel mensen naar de kerk gaan
en als kind gedoopt zijn en de verhalen over de Heere meekrijgen,
als het niet thuis gebeurde kon je ze nog op school meekrijgen.
Daarmee hebben we een voorsprong op de gelovigen uit de tijd van Petrus
die voor een nieuw geloof moesten kiezen, waardoor ze vreemden werden,
met gevolgen voor zichzelf en hun gezin.
Zijzelf en hun kinderen, ze konden er zomaar uit liggen,
buiten gesloten worden, alsof ze vreemden geworden waren
die er niet meer bij hoorden.
Omdat ze geloofden in die ene God die naar de aarde kwam
en stierf aan het kruis om hen weer tot Zijn kinderen te maken.

Een gevaar in onze eigen omgeving is dat de doop niet meer het verschil uitmaakt
En alleen maar het teken is dat iemand een kind van God is.
Kind van God zijn betekent dat je ook anders bent: apart gezet.
Daar zet Petrus in dit gedeelte volop op in.
Het is al heel wat als je van jezelf mag weten dat je een kind van God bent.
geliefd en gekend door God.
Dat geeft ook een verplichting om als kind van God te leven.
Om een heilig leven te leiden.
Word heilig – schrijft Petrus.
Deze drie kinderen, die gedoopt zijn, worden opgeroepen om te groeien naar een heilig leven.
En jullie als hun ouders horen daarin voor te gaan.
En u als gemeente hoort om de ouders heen te staan
en ook dat voorbeeld te geven, dat u bereid bent en uw best doet
om te groeien in heiligheid.
Word heilig.
Dat is niet alleen maar een taak van de Geest in ons.
De Geest werkt in ons, dat is de belofte die de Geest meegeeft in de doop.
We hebben daarbij ook zelf ons best te doen in een groei naar een heilig leven.
Omdat we kinderen van God zijn, die Zelf heilig is.
Omdat we kinderen van God geworden zijn,
die vrijgekocht zijn omdat Jezus stierf aan het kruis
en ons wilde redden en een nieuw bestaan wilde geven een bestaan in heiligheid.
Heilig – dat heeft de betekenis van apart gezet,
maar ook van zuiver en oprecht, vol van Gods Geest en Gods reinheid en heiligheid.
Word heilig – als opdracht: ook dat past bij de doop,
waarin aan ons een nieuwe gehoorzaamheid gevraagd wordt.
Als we God als Vader aanroepen, dan horen we gehoorzame kinderen te zijn
die naar Hem luisteren en Zijn wil opvolgen.
Dat houdt voor Petrus in dat we afstand nemen van een bepaalde manier van leven:
Word niet gelijkvormig aan de begeerten die er in dat oude leven waren.
Laat je niet vormen door die begeerten.
Petrus gebruikt in het Grieks een woord waarin wij het woord “schema” herkennen.
Laat niet de begeerten het schema van je leven vormen,
maar laat Gods heiligheid je schema zijn, dat jouw leven en het leven van je kind vormt.
Welk schema bepaalt jouw leven, uw leven
en welk schema geeft u mee in de opvoeding van uw kinderen
en door welk schema laten wij ons als gemeente bepalen?
Er zijn verschillende begeerten, verleidingen die zo hun eigen schema hebben.
We hoeven echt niet voor alle schema’s gevoelig te zijn,
maar vaak is er wel een zwakke plek in ons,
waardoor we niet God en Zijn heiligheid ons leven laten bepalen,
maar een ander schema.
Bijvoorbeeld het schema van ons werk
– dat alles in ons gezinsleven in het teken staat van het werk.
Alles moet er voor wijken. Ook de gezamenlijke maaltijden samen.
Of het schema van de fun,
waarbij alles gemeten wordt aan de fun die het geeft, de kick.
Ik weet niet of dit schema in onze gemeente zo toonaangevend is.
Ik hoor meer van gemeenteleden die over hun collega’s spreken
die mopperen over hen, omdat ze niet bereid zijn om echt ervoor te gaan,
maar alleen voor het salaris, zodat ze daarmee leuke dingen kunnen doen.
Het kan ook het schema van een oppervlakkig leven zijn,
waarbij alles zijn gangetje gaat,
waardoor je er vergeet bij stil te staan wat God in je leven doet.
Er gaan dagen voorbij, waarbij je niet kijkt naar wat God in je nabijheid doet:
geen oog voor de schepping die weer tot bloei komt,
geen oog voor de zon die opkomt – een teken van Gods trouw aan jou en deze wereld.
En de zondag is dan om bij te slapen, omdat je het doordeweeks druk gehad hebt.
De tijd die je samen hebt, gebruik je niet om met elkaar door te praten
waar je echt voor leeft en wat jouw leven zin geeft
en wat God in jullie leven samen doet.

Schema’s die niet van God zijn, maken ons weer slaaf
en doen het werk van God teniet, terwijl Hij ons juist wilde bevrijden
– echt weer mens te laten worden.
We zouden als antwoord kunnen geven op de vraag waarom Christus moest sterven
dat Hij stierf om ons weer echt mensen te maken,
Vrije mensen, die bevrijd zijn van alle schema’s die ons beknellen,
omdat ze geen ruimte geven voor God
en daarmee ook ons de hoop ontnemen.
Want als we niet zien waar God is, kunnen we ook niet geloven in de hoop die God geeft
Dat deze wereld in Zijn hand is,
Want dat zien we dan niet,
omdat de schema’s van deze wereld ons de ogen ervoor sluiten hoe God aan het werk is.
En hoe kun je jezelf dan kind van God noemen,
als daar niet naar leeft, als je Gods heiligheid je leven daardoor niet laat bepalen.
De doop is een vraag aan ons: ben je bereid om bewust te leven
bewust te leven voor Gods aangezicht.
Want, zegt Petrus, de God die wij als Vader aanroepen,
is ook onze Rechter, die over ons oordeelt
Wat je hebt gedaan met de bevrijding die je door Christus kreeg
en wat je hebt gedaan met de heiligheid die je door Christus terugkreeg.
Heb je daaruit geleefd, gestreefd naar een leven waarin je groeide in heiligheid,
of heb je dat verkwanseld, omdat je alles op een beloop liet
en de strijd met de begeerten in jezelf of in de wereld om je heen niet aanging.

Kind van God zijn en heilig leven, dat heeft te maken met je binnenkant, met je hart
wat daarin leeft
en wat je laat zien, wat er vanuit je hart naar buiten komt,
hoe je omgaat met God en met anderen.
Waar je voor leeft en waar je leven naar toe gaat.
Word heilig – in je denken, in wat je in jezelf ervaart
Word heilig – in je leven met God, doordat je Hem je leven laat bepalen.
Word heilig – in je omgang met andere mensen: Heb elkaar vurig lief uit een rein hart.
We zullen hier – helaas – nooit volledig heilig worden,
maar dat mag ons er niet van weerhouden – om te streven naar die heiligheid.
Omdat God heilig is – en dat van ons vraagt
Omdat Gods Zoon naar deze aarde kwam
en Zijn heiligheid opgaf en ons vrijkocht – om ons weer heilig te maken
en weer kind van God, gekend en geliefd door God.
Ook in onze strijd zijn we gekend en geliefd door God.
Temidden van de opdracht die Petrus geeft,
spreekt hij ook over de hoop en over geloof:
Onze hoop, ons geloof is op Hem gericht,
omdat Hij bezig is met onze heiliging.
Omdat Hij ons geroepen heeft – om kind van God te zijn
en Hij vormt ons, steeds meer als kinderen van God.
Daarom: leef uit de doop, word heilig en hoop op God.

 

U die mij geschapen hebt,
U wil ik aanbidden als mijn God.
In voor- en tegenspoed,
uw liefde doet mij zingen.
U die mij geschapen hebt,
U wil ‘k danken hoe ik mij ook voel
en U gehoorzaam zijn.
Heer, U bent mijn doel.

 

U bent mijn bestemming.
U hebt mij gemaakt om als uw kind
in voor- en tegenspoed
uw liefde uit te stralen.
Dit is mijn bestemming.
Dienen met verstand en met gevoel
vanuit gehoorzaamheid.
Heer, U bent mijn doel.


Amen

Preek zondag 3 april 2016

Preek zondag 3 april 2016
Romeinen 8:28-39

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars.
Wij? Overwinnaars?
Zou u over uzelf zeggen dat u een overwinnaar bent?
Als bijvoorbeeld iemand aan u vraagt wat voor christen u bent
Dat u dan zegt: ‘Ik ben een christen, die alle moeilijkheden overwint!’?
Overwinnaar zijn houdt in:
dat je elke moeilijkheid die op je afkomt, weet te overwinnen.
Wat er op mij afkomt, het krijgt mij er niet onder!
Ik denk dat er maar weinigen zijn die dat van zichzelf zouden zeggen.
De ervaring is toch een heel andere?
Onze ervaring, onze praktijk is toch eerder dat wij steeds weer nederlagen lijden?
De mijne in ieder geval wel
en ik vermoed dat het voor u niet veel anders is.
We hebben dagelijks de strijd te voeren tegen de zwakheid van ons geloof.
Ik neem het me voor om steeds op God te vertrouwen, wat er ook gebeurt,
maar als er dan iets gebeurt, dan schiet de angst gelijk omhoog.
En die angst ben ik niet snel de baas.
Reden om bang te zijn is er in de afgelopen weken genoeg geweest,
na de aanslagen die in Brussel zijn gepleegd
En misschien hebt u al sinds de berichten over de vluchtelingen die naar Europa trekken
al een voorgevoel dat het de verkeerde kant opgaat.

Hoe kan Paulus dan zeggen, dat wij meer dan overwinnaars zijn?
Heeft hij het over zichzelf, dat hij nergens bang voor is
En vindt hij dat we ons ook niet zomaar gek moeten laten maken door alles wat er gebeurt?
Is Paulus dan een koele kikker elke vorm van bedreiging of angst weglacht?
Een soort supergelovige,
die om die reden dat hij geen angst kent geroepen is
om over al op deze wereld het evangelie te verkondigen?
Nee, Paulus is geen supergelovige.
Aan de gemeente van Korinthe schrijft hij
dat hij helemaal geen superapostel of supergelovige is.
Die gemeente van Korinthe en Paulus kenden elkaar goed,
Want Paulus had een tijd in Korinthe gewoond.
Daar in de gemeente van Korinthe hielden de mensen van opscheppen
en waren ze ook gevoelig voor mooie, sterke verhalen
over wat gelovigen allemaal wel niet konden door hun  geloof.
Paulus gaf daarop te kennen dat hij helemaal niet veel op te scheppen had
maar als er op te scheppen zou zijn
kon hij vertellen over wat hij heeft meegemaakt aan lijden
Dat hem is overkomen, omdat hij apostel voor Christus is.
Die verdrukking of benauwdheid, de vervolging
– met meeste heeft Paulus zelf meegemaakt.
En hij weet dat er momenten zijn,
waarop je het niet meer ziet zitten.
Aan diezelfde gemeente van Korinthe laat Paulus iets zien van een geestelijke crisis.
Hij zag het helemaal niet meer zitten,
omdat hij dacht dat hij het er niet levend van af zou brengen.
Nee, Paulus is geen superapostel
die alle moeilijkheden even fluitend aan kan
en neerkijkt op al diegenen die bezwijken onder de druk die op hen afkomt,
Nee, hij kijkt niet meer op degenen die angstig worden
door wat er op hen afkomt.
Maar uit eigen ervaring weet hij dat er meer is.
Want het is niet zijn eigen kracht,
maar de kracht van Boven,
de kracht van de opgestane Heer,
die stierf aan het kruis, maar die de macht van de dood verbrak
door op te staan uit het graf.
In Hem zijn we meer dan overwinnaars.

Dat maakt nogal verschil:
of we het in eigen kracht moeten doen
of dat we in de strijd als overwinnaars uit de bus komen
omdat we delen in de kracht van Christus
en dat de kracht van Christus,
waarmee Hij op stond uit de dood ook in ons komt.
Door die kracht en door onze Heer kunnen we de strijd winnen
tegen alles wat ons van God afhoudt.
Wat moeten we over deze dingen nog zeggen? schrijft Paulus
Daarmee bedoelt Paulus:
Wat moet er nog worden toegevoegd aan wat we vorig weekend hebben gevierd
met Goede Vrijdag en Pasen?
Wat moeten we nog toevoegen aan het verhaal van Christus aan het kruis?
Wat moeten we er nog extra bijvertellen aan de gebeurtenis
Dat Jezus opstond uit het graf?
Nou, zegt Paulus: er valt nog iets bij te vertellen,
namelijk wat dat allemaal voor ons betekent.
Golgotha, de heuvel waar het kruis van Christus op stond,
is niet alleen iets uit het verleden,
van de dag waarop Christus stierf aan het kruis.
Golgotha heeft ook voor ons nu en voor de toekomst betekenis.
Dat dat kruis op Golgotha heeft een boodschap van God voor ons.
De boodschap van het kruis,
het kruis dat op Golgotha gestaan heeft, spreekt nog steeds,
ook tot ons – het roept ons,
het laat ons iets zien.
De boodschap die het laat zien is een boodschap van liefde,
Waarmee God tegen ons zegt:
‘Ik houd van je!’
En dan niet op de manier waarop wij als mensen
heel gemakkelijk tegen elkaar kunnen zeggen: ‘Ik houd van je’
bij elke nieuwe verkering die je hebt,
waarbij iedereen om je heen weet,
dat die liefde als de verkering over enkele maanden voorbij is
plaats maakt voor afgrijzen: Hoe heb ik verliefd kunnen zijn op deze persoon?
Gods liefde is geen stemming geweest, maar een daad.
We zien dat ook op de manier waarop Paulus over God schrijft:
Als God voor ons is…
Dat kruis op Golgotha spreekt ons ervan dat God voor ons in de bres springt.

Als kind was ik altijd heel verlegen.
Op verjaardagen als er visite was, kroop ik op de bank achter de rug van mijn vader.
Dan was ik er wel bij en toch ook een gevoel van veiligheid, bescherming.
Als God vóór ons is.
God gaat voor ons staan, als er gevaar dreigt.
Als de satan op ons afstormt en ons van allerlei dingen beschuldigd
en het roept dat wij Gods liefde niet waard zijn,
dan gaat God voor ons staan
en geeft daarmee aan: satan, als je hem of haar wil hebben,
dan moet je eerst langs mij.
En als je beschuldigingen inbrengt, dan zal ik zelf eerst checken of ze kloppen
en als ze kloppen zullen ze worden weggedaan
omdat Christus aan het kruis stierf.
Wat moeten we nog aanvullen op Golgotha en de graftuin met het lege graf?
Moeten we in de weken na Pasen er nog op terugkomen?
Ja, zegt Paulus, om helder te hebben
wat dat voor jullie betekent,
wat het voor ons gelovigen betekent, dat Christus op stond,
namelijk dat aan het kruis het oordeel weggedragen werd door Christus.
Als je gelooft, dan geldt dat oordeel niet meer voor jou.
Dan kun je niet meer door de satan worden aangeklaagd.
Dat zal hij wel proberen
en dat doet hij ook
en hij doet alles om je zijn beschuldigingen te gaan geloven.
Ze gaan in je rond
en je gelooft ze ook nog, want zo sterk komen ze naar voren
en het is ook nog een stem in jezelf
waardoor je zomaar gaat geloven dat het Gods stem is die in je werkt:
Je moet maar niet denken,
dat Christus voor jou gestorven is – jij met jouw leven.
En je moet maar niet denken dat jij vrijgesproken wordt
– met alle fouten die jij gemaakt hebt.
En dan moet je sterk in je schoenen staan als je dat niet gelooft.
Toch zegt Paulus:
In hem zijn we meer dan overwinaars.
In Christus zijn we zo sterk
Dat de beschuldigingen die in ons naar boven komen ons er niet onder krijgen.
Die beschuldigingen kunnen waar zijn.
Het bijzondere is juist dat onze Rechter ook onze advocaat wordt.
Ze horen veroordeeld te worden – dat is het gelijk van de satan,
maar, zegt God tegen de satan: je krijgt ze niet, want ze zijn van mij.
Als God voor ons is,
Als Hij voor ons staat om ons te beschermen en voor ons in de bres springt,
wie zal dan tegen ons zijn,
Wie zal ons dan uit Zijn hand rukken
In Hem.

In Hem – dat is taal van de lofprijzing:
Dankzij U, Christus mijn Heer, dank zij U, mijn Heer en God.
Het gaat om die bijzondere band die er is tussen Christus en mij, Christus en u.
In Hem – dat betekent dat je heel nauw met de Heere Jezus verbonden bent.
Niet een positie naast, maar op dezelfde plek:
Dat je bent waar Christus is.
Dat je ook aan het kruis was, toen Christus stierf.
Dat je ook uit het graf kwam, toen Christus opstond uit de dood.
De verhalen van Goede Vrijdag en Pasen zijn niet af
als niet gezegd wordt wat dat voor ons persoonlijk betekent:
een band, een relatie, waarmee wij delen met Christus,
maar dan op een manier dat we in Christus zijn.
Niet alleen met onze gedachten, of ons hart, maar heel ons bestaan.
Wij helemaal. In Hem.
Omdat Christus onze plaats innam,
omdat Hij ruilde met ons.
Ook daar spreekt het kruis op Golgotha van:
dat Jezus onze plaats innam
en wat voor ons het verdiende loon is, naar Hem toeging.
Paulus beschrijft dat hier als volgt:
Omdat Hij Zijn Zoon gegeven heeft.
God die Zijn Zoon als geschenk aan ons geeft,
Het is mogelijk dat we hier moeten denken aan het verhaal van Abraham
die zijn zoon Isaak moest offeren.
Hij kreeg de opdracht en ging.
Uiteindelijk hoefde dat niet omdat er een ram met zijn hoorns in de struiken vast zat,
het lam dat God zelf als een offerdier zou geven.
Isaak hoefde niet geofferd te worden, dat dier nam zijn plaats in.
Zo nam Christus aan het kruis onze plaats in.
God gaf Zijn zoon. Een kostbaar geschenk, dat zoveel voor ons betekent.
Moet ik daar nog meer over vertellen?
Ja, ik zal vertellen wat voor genade dat voor jullie inhoudt.
Jezus die jullie plaats inneemt.

Dan werkt het ook andersom.
Doordat we delen, gaat wat van Christus is ook naar ons toe.
Dan gaat de kracht van de opstanding ook naar ons toe.
In Hem – in Zijn kracht zijn we meer dan overwinnaars.
Die overwinning is een superoverwinning.
Het is zo’n grote overwinning.
Paulus kan niet terugvallen op bestaande woorden
en maakt een nieuw woord.
Door Christus behalen we een superoverwinning, een megaoverwinning.
Zo groot als deze kun je het nooit bedenken.
De overwinning die Christus aan het kruis behaalde wordt ook onze kracht.
Door Hem zijn we niet meer van die zwakke gelovigen
die door elke slag van de satan in de war raken,
zijn we geen gelovigen meer die bij elke tegenslag alle moed verliezen,
maar overwinnaars.
In Hem.

 

Dan spreekt Paulus over de moeilijkheden die iemand kunnen overkomen.
Ervaringen waarbij je leven op het spel staat,
waarbij je heen en weer geslingerd kunt worden,
ruwe stormen die over je leven heen gaan,
stormen waarin je je afvraagt waar God is
en hoe je het hier volhoudt.
Het is niet zomaar een opsomming van willekeurige gebeurtenissen.
Al het positieve en het negatieve dat er in de schepping is.
Van sommige van die ervaringen werd in die tijd gedacht
Dat ze vooral bedoeld waren voor degenen die niet geloven
en die in wat hen overkomt kunnen zien
dat God hun handen van hen heeft afgetrokken.
Nee, zegt Paulus,
Als je iets overkomt aan ziekte, aan overlijden,
als je er psychisch aan onder doorgaat,
dan betekent dat nog niet dat God je losgelaten heeft.
En als die vragen toch op je afkomen, mag je je daaraan vasthouden.
Ook op die vragen heeft God het antwoord, dat Christus daarvoor gestorven is.
In al die stormen is er dat houvast: Gods liefde,
die voor je gaat staan, waardoor al die negatieve krachten je er niet onder kunnen krijgen.
Ruwe stormen kunnen woeden en kunnen tekeer gaan
en kunnen heel wat kapot maken,
maar één ding niet: onze band met Christus
die er door Gods liefde is.
Die is door niets in de schepping, door niemand in de schepping kapot te krijgen.
Zelfs de grootste tegenstander van ons of van God
zelfs de grootste macht die er is kan ons niet van God losweken.
Paulus geeft geen verklaring waarom God die krachten op ons loslaat.
Het enige houvast – en dat heeft hij zelf ondervonden –
is dat God vasthoudt, Gods liefde zo’n sterke kracht heeft.
God bewaart de gelovigen.
God heeft ons geen kalme reis beloofd,
maar wel een behouden aankomst.
Deze spreuk hing heel lang in de studeerkamer van mijn vader
en elke keer als ik achter de computer zat
voor een spelletje of een werkstuk
dan zag ik die spreuk.
Ik vond dat altijd wel erg makkelijk,
maar zo is die spreuk niet bedoeld, als iets gemakkelijks,
maar juist om aan te geven
dat die stormen die er over je leven heen kunnen gaan
uiteindelijk geen vat op je kunnen krijgen
omdat er aan boord van uw levensschip er een kapitein is
die het schip van uw leven in de veilige haven thuisbrengt, de veilige haven van God.
Die kapitein is Christus.
Geen storm krijgt Hem van ons levensschip
en in alles wat ons overkomt, mogen we weten:
Hij brengt ons door alles heen – veilig thuis.
En daarom mogen we nu al – terwijl we nog onderweg zijn
en die stormen om ons heen tekeer horen gaan weten en geloven:
Mijn leven is in de handen van Christus.
Nu ik leef en tot in eeuwigheid.
Niemand kan mij, kan u uit Zijn hand rukken.
Amen