Klaas Schilder over de Heidelbergse Catechismus – 1: Christelijke troost

Klaas Schilder over de Heidelbergse Catechismus – 1: Christelijke troost

Op 7 oktober 1938 verschijnt er voor het eerst bij De Reformatie, een weekblad dat door Klaas Schilder wordt gerund, een bijlage van acht pagina’s over de Heidelbergse Catechismus. Schilder bedoelde dat als een groots project, dat twintig jaar in beslag zou nemen en in tien delen zou uitkomen. In augustus kwam het project stil te liggen vanwege het publicatieverbod dat Schilder van de Duitsers opgelegd kreeg. Na de oorlog kon de publicatie niet direct ter hand genomen worden, omdat het papier nog erg schaars was.

Zeven jaar lag het project stil. In die zeven jaar was heel wat gebeurd. Zoals vier oorlogsjaren en de voor Klaas Schilder traumatische ervaring van een kerkscheuring, waarbij hij buiten de Gereformeerde Kerken kwam te staan. Op het moment dat Schilder zijn werk met de Heidelbergse Catechismus weer oppakt, is het commentaar tot en met zondag 6 afgerond. Uiteindelijk zullen er vieren delen komen en is bij het overlijden van Schilder enkele jaren later de uitleg van zondag 10 nog niet afgerond.

Schilder vindt het voor de kerk nodig dat er een goede uitleg van de Heidelbergse Catechismus verschijnt. Hij gaat niet mee in het onderscheid dat Kuyper maakt tussen confessie en catechismus. Volgens Kuyper is de confessie binnenkerkelijk te gebruiken en de catechismus voor buiten de kerk.

Goede kennis van de belijdenis – en dus ook van de Heidelbergse Catechismus – is nodig om in begripsmatig opzicht onderscheid te maken tussen wat goed en kwaad is. Discretie noemt Schilder dat en hij ontleent deze term aan artikel 8 van de Dordtse Kerkorde. Discretie is nodig om de inhoud van het kerkelijk geloof en de kerkelijke belijdenis te kunnen onderscheiden van die van secten en ongelovigen. De publicatie van dit commentaar op deze catechismus staat in het teken van dit onderscheid maken, deze discretie.

Ook als het gaat om troost – de inzet van de Heidelbergse Catechismus – is deze discretie nodig, vindt Schilder. Dat lijkt een vreemde gedachte, want troost lijkt toch eerst iets van het gemoed en discretie lijkt meer iets van het verstand te zijn. Troost is echter meer dan een in het gemoed geraakt zijn. Om troost te kunnen ontdekken is het ook nodig om met het verstand onderscheid te maken tussen wat waar is en wat niet.

De gedachte dat troost vooral iets van het gemoed is, heeft voor Schilder iets positiefs: door dit bezwaar in te brengen, laat men zien dat men niet vatbaar is voor het rationalisme. Het rationalisme is een doorgeschoten gebruik van het verstand. In het rationalisme wordt de menselijke rede als enige kenbron gezien (en heeft de openbaring geen enkele mogelijkheid om een rol te spelen in het opdoen van kennis). Het probleem van dit rationalisme is voor Schilder dat het zich losgemaakt heeft van God en autonoom wil zijn ten opzichte van God.

In verzet tegen het rationalisme moet men echter niet doorschieten in het andere uiterste, waarbij het verstand buiten werking wordt gesteld en de menselijke rede geen enkele rol mag spelen. De rede blijft nodig om onderscheid te kunnen maken tussen wat waar is en wat niet. Volgens Ursinus is er om troost te kunnen ontdekken consideratie en ratiocinatie nodig. Consideratie betekent (aandachtige) overweging. Ratiocinatie betekent sluitrede, syllogisme. Ratiocinatie – een sluitrede, een syllogisme dus – maakt gebruik van wat reeds voorhanden is. Een sluitrede verzint die gegevens niet zelf; die gegevens zijn er al. Net zoals de posten debet en credit niet door een boekhouder (ratiocinatie) verzonnen zijn, maar reeds voorhanden zijn. Ratiocinatie is geen rationalisme, maar gaat de confrontatie aan tussen twee werkelijkheden: de werkelijkheid van het geloof en die van het ongeloof. Deze twee werkelijkheden bestaan. Met discretie worden deze twee werkelijkheden tegen elkaar afgewogen.

Een voorbeeld van zo’n discretie met behulp van een syllogisme kunnen we vinden in Prediker 7:25 en 27. In zijn eerste periode maakte hij zijn afwegingen op basis van zijn eigen ervaringen. In zijn tweede periode maakte hij zijn afwegingen op basis van Gods openbaringswoord. De eerste afweging stond in dienst van de zonde. De tweede afweging stond in dienst van God. Het tweede gebruik is goed gebruik van het syllogisme.

Het christelijk geloof dat gebaseerd is op Gods openbaringswoord heeft meer kennis dan de filosofie die gebaseerd is op menselijke ervaring en afweging. Filosofie kent niet de wet van God, die de menselijke ellende aanwijst. Filosofie heeft ook geen weet van het evangelie en kan daarom geen troost bieden. Omdat de kerk wel én de wet én het evangelie heeft, kan de kerk wel troost aanbieden. Dit verschil tussen filosofie (gestoeld op menselijke ervaring en gedachten) en kerkelijke belijdenis (gestoeld op Gods openbaringswoord) mag niet uit het oog worden verloren. Er is een christelijke logica nodig (zoals D.H.Th. Vollenhoven voorstelde); algemene logica houdt geen rekening met de zondeval.

Ursinus, degene die het meest heeft bijgedragen aan de Heidelbergse Catechismus, gaat van dit onderscheid tussen filofosie en kerkelijke belijdenis uit. Schilder kan niet in alles Ursinus volgen. Hij vindt dat Ursinus een onderscheid zou moeten maken tussen natuurlijke theologie en openbaring. Hij valt daar Ursinus niet te hard op aan, omdat de gereformeerde theologie in die tijd nog in de kinderschoenen staat en niet alle onderscheidingen al helder heeft. Kuyper heeft Ursinus op dit punt terecht gecorrigeerd in zijn E Voto dordraceno. Alleen voerde hij weer een verkeerde visie in: de algemene genade (gemeene gratie). Zie: hier.

Mogelijk heeft Ursinus gedacht aan De troost van de filosofie van Boëthius. Er zijn behoorlijke verschillen tussen de Catechismus en dit werk van Boëthius. Boëthius schreef voor geleerde mensen; de Catechismus is voor gewone mensen, werklui, kinderen bedoeld. Boëthius gaf de heidense filosofen teveel stem; de Catechismus ontzegde die ruimte terecht aan de heidense filosofen. Boëthius maakt een onderscheid tussen theorie en praktijk. Theorie is contemplatie en de praktijk is het actieve, concrete leven. Bij dat onderscheid is de contemplatie belangrijker dan het actieve, concrete leven. De Heidelbergse Catechismus maakt dat onderscheid niet en ziet theorie en praktijk gelijkwaardig. Theorie en praktijk staan in elkaars dienst en helpen elkaar. Discretie tussen filosofie, gestoeld op heidense kennis, en christelijk geloof, gestoeld op geopenbaarde kennis, is niet alleen noodzakelijk, maar heeft ook betekenis voor het actieve, concrete leven.

N.a.v. dr. K. Schilder, De Heidelbergsche Catechismus, deel I (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1949) 1-14 (§ 1)

Schilder, Van Ruler en Berkouwer

Schilder, Van Ruler en Berkouwer

klaas-schilder
Klaas Schilder

Tijdens het lezen van Christus en cultuur van Klaas Schilder (zie: hier) moest ik geregeld aan A.A. van Ruler denken. Het viel me op hoeveel parallellen er te trekken zijn. Ik heb ooit de registers van het Verzameld Werk dat uitgegeven wordt nagekeken op Schilder en het verbaasde mij dat ik zijn naam maar zo weinig tegenkwam. (Haitjema liet op een gegeven moment zijn leerling Van Ruler maar reageren in de polemiek die hij met Schilder had.)

De-hervormde-theoloog-prof-dr-A-A-van-Ruler-1908-1970
A.A. van Ruler

Goed, er zijn verschillen: Van Ruler heeft meer humor en twinkeling in zijn teksten dan de grimmige ernst bij Schilder. En of Van Ruler het catastrofale van het oordeel in de komst van Christus zou onderschrijven weet ik niet.  De komst van Christus als herstel van het werkverbond verschilt weinig van de gedachte van Christus als intermezzo. Dat we in een interim leven van het Duizendjarig Rijk, is voor Schilder een wezenlijk onderdeel van zijn theologie. Ook de waardering van het aardse leven is bij Van Ruler erg sterk. Net als de verwerking van de gereformeerde scholastiek bij beiden.

(Gezien de vele overeenkomsten is het niet zo verrassend dat de Theologische Universiteit van Kampen tegenwoordig betrokken is bij de heruitgave van Van Rulers teksten. Een beetje pijnlijk is het wel dat de heruitgave van Schilders werk op een gegeven moment gestaakt werd. Hopelijk krijgt Dirk van Keulen de kans om bij voltooiing van het Verzameld Werk van Van Ruler de kans om verder te gaan met het Verzameld werk van Klaas Schilder ;-) )

In het artikel ‘De andere zijde van het vraagstuk van de natuurlijke theologie’ (1959, opgenomen in Verzameld werk deel II: Openbaring en Heilige Schrift) zijn heel wat parallellen op te tekenen. In dat artikel komt een plagerijtje richting G.C. Berkouwer: Berkouwer is in zijn boek over algemene openbaring vergeten te omschrijven wat deze thematiek betekent voor de christen en de kerk (Het thema van Christus en cultuur!).

2816860_large_ee6c5bfa59674482bf217c061da5676e
G.C. Berkouwer

Naast Schilder heb ik wat met Van Ruler en Berkouwer. Het loont de moeite eens uit te zoeken wat de overeenkomsten en verschillen zijn. Naar mijn stellige overtuiging zijn de interacties tussen deze 3 theologen veel groter dan tot nu toe wordt aangenomen.

Waarom Klaas Schilder de gedachte van algemene genade afwijst.

Waarom Klaas Schilder de gedachte van algemene genade afwijst.
(N.a.v. zijn boek Christus en cultuur)

De gedachte van algemene genade (gemeene gratie) is afkomstig van Abraham Kuyper. Daarmee gaf hij een antwoord op de vraag hoe de bijdrage van niet-gelovigen aan de maatschappij, kunst en cultuur door gereformeerde christenen moet  worden gewaardeerd. Klaas Schilder heeft steeds fel verzet tegen de gedachte van een algemene genade. De gedachte van algemene genade botste met zijn visie op het werkverbond en op wat Christus op aarde kwam doen.

Gemeene gratie
Volgens Kuyper heeft God na de zondeval ons nog de mogelijkheid gelaten om toch een bijzondere bijdrage te leveren aan de cultuur en aan de kunst. Dat is een genade die aan ieder mens – gelovig of niet-gelovig – gegeven kan worden, want we hadden deze gave door de zondeval niet verdiend. De bijdrage van niet-gelovigen mogen we zien als een overblijfsel van het natuurlijk licht dat aan de schepping is meegegeven.

Werkverbond
De gedachte van algemene genade botst allereerst met Schilders visie op het werkverbond. Het werkverbond neemt een belangrijke plaats in de theologie van Klaas Schilder in. Dit verbond sloot God met de eerste mensen in het paradijs. De mensen kregen de plicht om de hof te bebouwen, de aarde te bewonen en zich te vermenigvuldigen. In het paradijs worden de mensen aangesteld als representanten, ambtsdragers, medewerkers van God. In het werkverbond krijgen de mensen een culturele opdracht. In deze opdracht zijn religie en culturele opdracht, zoals werk en kunst, één: alles staat in dienst van God en zijn eer. Dagelijks werk en geestelijke bezigheden zijn geen gescheiden werelden of concurrenten. Het gewone werk is net zo waardevol in de dienst aan God als geestelijke bezigheden.

Ontwikkeling
Bij de schepping is de aarde nog niet af. Als de wereld af was, zou er geen mogelijkheid om in zonde te vallen. Er is weerhouding. De aarde is geschapen met het oog op een geschiedenis die volgt. De aarde is geschapen met het oog om nog verder te ontwikkelen. Evolutie ná creatie noemt Schilder dit. De mens mag als medewerker van God helpen bij de ontwikkeling van de aarde naar de staat van de volgroeidheid. De bijdrage van de mens bestaat uit het ontwikkelen van wat er reeds in de schepping aanwezig is. Het werk van de mens is niet scheppen maar ontvouwen en ontdekken van wat reeds in de schepping ingeschapen is. Een ‘terugvinden en doen vinden van God in het uit-vinden van de toekomst’, noemt Schilder dit.

Koinoonia
De mens is geschapen met het oog op gemeenschap met God en met het oog op gemeenschap met de andere mensen. Deze gemeenschap met God en mensen onderling noemt Schilder koinoonia.

Storing
Met de zondeval komt alles overhoop te liggen. De zondeval is een storing van de door God bedachte geschiedenis. Door de zonde wordt de eenheid die God door het werkverbond in de schepping meegegeven heeft verbroken. De zonde zorgt voor schisma, scheuring, fragmentarisatie. De bijdrage van de mens aan de cultuur staat niet meer in dienst van God, maar in dienst van eigen ontwikkeling en ontplooiing. De mens wil wat er in de schepping is meegeschapen wel verder ontwikkelen, maar dan zonder onderdanigheid aan God. De mensen zijn daardoor gedwongen om te kiezen tussen óf de religie óf de cultuur. Kaïn koos voor de cultuur en offerde de religie op. Hij laat het einddoel van Gods voltooide wereld schieten en richt zich op de cultuur in het hier en nu. In deze wereld schept Kaïn een Babel. Seth had aan de religie genoeg en liet de cultuur schieten. Beiden zijn een vorm van zonde, omdat beiden een deel van Gods opdracht opgeven: Kaïn de dienst aan God; Seth de opdracht om op de aarde in Gods naam bezig te zijn met de cultuur. Seth trekt niet alleen uit Babel weg, maar uit de hele cultuur. De culturele opdracht is immers na de zondeval niet komen te vervallen. Het materiaal wordt niet vervloekt en blijft aan de schepselmatige structuren onderworpen. De opdracht om te bouwen en mee te werken aan de ontwikkeling blijft staan als goddelijke opdracht. Culturele uitingen zijn geen genadegaven, die na de zondeval worden toegekend, maar scheppingsgaven die in de schepping reeds besloten liggen en door de zondeval niet ongedaan gemaakt worden. Maar zowel Kaïn als Seth gaan er in mee de leefwereld onder te verdelen in verschillende gebieden, die niets meer met elkaar te maken hebben. De gedachte van de gemeene gratie is voor Schilder niets anders dan een excuus om aan de culturele opdracht te ontkomen en daarmee een leer die aanzet tot zonde. Als er gesproken wordt over algemene genade dient men in één adem ook algemene vloek of algemeen oordeel, algemene toorn te noemen.

Sunousia
Door de zonde is niet alleen de eenheid tussen culturele opdracht en religie verbroken, maar ook de eenheid tussen mensen onderling. Echte koinoonia is op de aarde niet meer mogelijk, omdat het gezamenlijk doel van het leven in dienst stellen van God niet meer door iedereen nagestreefd wordt. Eenheid is niet meer mogelijk. Gelovigen en ongelovigen leven wel op dezelfde wereld. Hun werelden zijn niet gescheiden. Voor het samenleven van gelovigen en ongelovigen heeft Schilder de term sunousia.
Een gemakkelijk samenleven is dat niet altijd. Vanuit de kant van de ongelovigen kan er tegenwerking komen: ongelovigen die de kerk en de religie dwarsbomen. Of verleiding doordat gelovigen onder de indruk raken van de culturele prestaties van ongelovigen. Dat is gevaarlijk, omdat elke cultuur in deze wereld sinds de zondeval en het uiteenvallen van doel en opdracht altijd moet eindigen in zonde, opgeven van religie en verzet tegen God. Elke godloze cultuur draagt de decadentie en verval reeds in zich.

Komst van Christus
Na de zondeval is direct een tegenzet van God gekomen: de komst van Christus (Jezus alleen is niet genoeg! De naam Christus mag niet weggelaten worden!) is aangekondigd. Zijn komst op aarde heeft een dubbele betekenis: Hij komt om zowel de wereld te redden als de veroordelen, als Heiland-Redder en als Heiland-Wreker. Dit oordeel wordt al in de geschiedenis ontvouwd.  Christus komt aan de ene kant om het werkverbond te herstellen als tweede Adam, maar Hij komt ook om de tegenstanders van God te ontbinden. Zijn komst in de geschiedenis is nodig om het doel van de schepping weer terug te brengen. Met de aankondiging van Zijn komst in de moederbelofte (Genesis 3:15) is de dubbele geschiedenis van verkiezing en verwerping begonnen. De geschiedenis is daarna niet meer een rustig kabbelend gebeuren, maar door de komst van Christus catastrofaal, omdat Zijn komst ook het oordeel met zich meebrengt. De komst van Christus markeert een definitief verschil. We leven sindsdien in het interim, de tussentijd tussen schepping en herschepping, tussen eerste schepping en herstel. In dit interim is de zonde er nog wel, maar overwonnen. Met de komst van Christus is het Duizendjarig rijk reeds aangebroken en leven wij in dat Rijk. In Christus zelf in de eenheid van het dienen van God en de culturele opdracht wel een éénheid. Die eenheid zal in de hemel worden hersteld. De nieuwe schepping is vooral een herschepping, een gezuiverde schepping. Deze nieuwe schepping was al in de eerste schepping aanwezig.

Actieve toelating
De zonde wordt wel overwonnen, maar niet van de wereld verbannen. Dat komt omdat de verwerping eerst nog vorm moet krijgen in de geschiedenis. Mensen zijn door hun keuze tegen God zelf verantwoordelijk voor hun verwerping. Was er geen geschiedenis geweest, dan hadden ze kunnen aandragen dat ze zelf niet verantwoordelijk zijn voor hun verwerping en dan lag alle verantwoordelijkheid voor de verwerping bij God. De geschiedenis moet wel uitlopen op een hemel en een hel. (Geen wonder dat twee andere belangrijke boeken van Schilder gaan over Wat is de hemel?  en Wat is de hel?)
Doordat ook de verwerping in de geschiedenis wordt ‘uitgerold’, krijgt de zonde een plek in de wereld. De zonde wordt actief toegelaten door God. Ook in de geschiedenis na het paradijs is er weerhouding. Nu heeft weerhouding een dubbele betekenis: aan de ene kant is nog niet alle kennis van de schepping volledig, aan de andere kant wordt Gods werk tegengewerkt. De zondige weerhouding heeft overigens ook weer twee kanten: God die tegengewerkt wordt en God die zich laat tegenwerken.

Temperantie
Naast de weerhouding van God is er ook een andere weerhouding: de weerhouding van de zonde. Schilder noemt dat temperantie. In tegenstelling tot de genade is de temperantie wel algemeen: zowel de redding als het oordeel zijn nog niet volledig. Hemel en hel zijn nog toekomst. In het interim zijn zowel God als Satan actief. Hoe dichterbij het eindpunt van de geschiedenis komt, hoe sterker de strijd wordt. Met de komst van de Antichrist is de laatste fase aangebroken. Dan is er voor de gelovige helemaal geen kans meer om cultureel bezig te zijn, omdat de Antichrist zich het alleenrecht van cultuur heeft toegeëigend. De grens tussen kerk en wereld is vervaagd.In die laatste dagen is de temperantie van de zonde minimaal. Er is een éénheid bereikt in de zonde. De bijdragen van degenen die van Christus zijn, die wedergeboren zijn, worden niet meer opgemerkt. Alleen de gelovige zal nog in staat zijn om in de cultuur de sporen van het paradijs te ontdekken. Degenen die bij de antichrist horen kunnen en willen dat niet meer zien. In het laatste der dagen zal er alleen maar stukwerk zijn, fragmenten, een afgeknotte pyramide. De gelovige ziet daarin het oordeel over de wereld en weet dat Babel eens door God vervangen zal worden door het nieuwe Jeruzalem. De gelovige weet: echte bijdrage kan alleen vanuit de mystieke unie van Christus. De bijdrage van een wedergeborene is cultureel altijd waardevoller dan welke andere culturele bijdrage dan ook.

Consequenties voor de culturele opstelling:
(1) Over cultuur kan niet meer gesproken worden, omdat met de zondeval de eenheid verbroken is. Daarom blijft elke cultuur in het interim fragmentarisch. Alleen in Christus wordt die eenheid hersteld.
(2) Elke culturele opstelling die de eenheid buiten Christus zoekt is een bedreiging. Een van de grootste bedreigingen is het pantheïsme: God als onderdeel van de ontwikkeling in de schepping en niet daarboven. (In feite ziet Schilder bij bijna al zijn opponenten – tot in het Barthianisme toe – dit pantheïsme opduiken.) Gelovigen hebben de taak om in deze sunousia (het samenzijn van gelovigen en ongelovigen) koinoonia (gemeenschap van gelovigen met Christus) te stichten.
(3) Het afzien van een bijdrage aan de cultuur is zonde. Culturele onthouding is Christus-verzaking. Doordat ongelovigen hun culturele plicht niet nakomen, ligt de plicht onevenredig zwaar bij gelovigen. Vanwege die onevenredige verdeling stellen de culturele uitingen van christenen niet altijd wat voor.
(4) De gedachte van gemeene gratie botst volgens Schilder op het gereformeerde geloof. Daarom is de gedachte van gemeene gratie geen antwoord op de vraag naar Christus en cultuur of van de bijdrage van de gelovige in de cultuur.
(5) Christus brengt alles samen (Efeze 1:10). In de verhoogde Heiland voert God het regiment over deze wereld, ten zegen en ten oordeel. Na het interim van het Duizendjarig Rijk en de tijd van de Antichrist komt de voltooiing van de geschiedenis. Omdat Christus het hoofd van de kerk is, is de kerk de meest relevante bijdrage aan de cultuur.
(6) In Christus krijgt ook de persoon die de culturele bijdrage levert waarde. Zowel de geboden als het heil is op het individu gericht. Alleen degene die op Christus is gericht behoudt in een tijd waarin de cultuur van Babel een zuigende werking heeft de persoon zijn eigenheid. Deze persoon wordt niet geroepen om weg te trekken uit de sunousia. Babel en de sunousia vallen niet samen. Daarom is de opdracht om uit Babel weg te trekken niet hetzelfde als de culturele arbeid te staken.
(7) De christen dient uit te gaan van de opdracht die meegegeven werd in het werkverbond. De belangrijkste bijdrage is om medewerker van God te zijn, midden in de sunousia ambtsdrager. De hoogste culturele bijdrage is daarom niet wat de kunstwereld voor norm aanhoudt. Het gewone alledaagse werk, gedaan als roeping vanwege het werkverbond, is van veel groter culturele waarde.

Evaluatie
Als theologische theorie vind ik Schilders visie erg waardevol. Vooral de robuuste theologie en zijn visie op de komst van Christus als redding én oordeel die zich in de tijd voltrekt scherpt mijn gedachten. Vooral de waardering van Schilder voor het gewone leven en de waardering voor het dagelijks werk waarin de mens medewerker van God mag zijn is in mijn ogen een heel waardevol inzicht.
Het zwakke punt van het betoog is de praktijk: het vraagt veel geloof en sterke retoriek om van culturele uitingen van niet-gelovigen te zeggen dat wat gelovigen doen waardevoller is.
Mij overtuigt de visie van Schilder niet. De gedachte van algemene genade helpt mij meer om de bijdrage van niet-gelovigen te kunnen waarderen.
Een nadeel is ook dat Schilder wel heel snel culturele uitingen en filosofische of theologische stemmen die anders zijn wel heel snel schaart onder de noemer pantheïsme en daarmee een bedreiging zijn voor de kerk en de gelovige. Een kwetsbaar punt is ook de positie van de gelovige of de wedergeboren. In de tijd waarin Schilder actief was, was er binnen en buiten de Gereformeerde Kerken niet voor niets een langlopende, intense discussie over wie nu wedergeborenen genoemd mogen worden.

N.a.v. Klaas Schilder, Christus en cultuur. Zesde druk, van verklarende aantekeningen voorzien door Prof. Dr. J. Douma (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen, 1988)

Het raadsel Klaas Schilder

Het raadsel Klaas Schilder

Klaas Schilder is voor mij een van de grote raadsels uit de Nederlandse kerkgeschiedenis van de 20e eeuw. Hoe komt het dat een origineel theoloog, die aan het begin van zijn theologische carrière als talent gezien werd en gedurende zijn loopbaan niet alleen gevreesd maar ook gerespecteerd werd, kort na het einde van zijn leven haast in de vergetelheid eindigt en naast zijn volgelingen slechts door een enkeling werd gelezen en besproken? Voor mij doet Schilder qua originaliteit en aanvoelen van de vragen die de moderniteit opriep niet onder voor Miskotte, Van Ruler of Berkouwer. Zowel Miskotte en Van Ruler hebben aangegeven dat zij Schilder als een origineel theoloog beschouwen. Miskotte geeft in zijn dagboeken aan dat hij het niet kan hebben als Schilder belachelijk gemaakt wordt. Hij heeft Schilder hoog. Schilder moeten we zien als een theoloog die  – net als Miskotte – bewust was van de moderniteit en bewust in die moderniteit zijn theologie ontvouwde.

Als ik zijn Christus en cultuur lees wordt het al iets meer duidelijk, waarom Schilder grotendeels van het toneel van de Nederlandse theologiegeschiedenis verdween. Zijn werk is vooral reactief, waarbij je als lezer uit een later tijd al aan de toon aanvoelt dat hij een gevecht voert dat hij aan het verliezen is. Er stond voor hem veel op het spel in de kerk en in de maatschappij. Zijn theologie is apocalyptisch. De originaliteit zit Schilder zit in dit boek voor mij niet zozeer in de inhoud of in het theologische ontwerp van Christus en cultuur, maar schemert meer tussen de regels door: een christologie waarbij de naam Jezus niet zonder het ambt Christus kan en waarbij Jezus Christus zowel God als mens is. Een historische Jezus schiet tekort, omdat Jezus van Christus wordt losgemaakt. Een psychologische duiding van de verhalen van Jezus ook, omdat daarmee de verkondiging van die verhalen niet gehoord wordt. Boeiend is vooral Schilders visie op de komst van Christus als het katastrofale ingrijpen van God, Christus’ komst niet alleen als redding maar ook als oordeel.

Lezend in Christus en cultuur proef ik ook tragiek en spanning. Tragiek omdat oprechte gemeenschap tussen mensen en eenheid in de kerk voor Schilder een belangrijk thema is. E.P. Meijering heeft daarin in zijn portret van Schilder op gewezen. Deze gemeenschap en eenheid is voor Schilder een eenheid in waarheid, een eenheid in Christus. De tragiek is dat hij verlangt naar die eenheid, maar die eenheid niet ziet en eerder bedreigt ziet en dat zijn optreden eerder leidt tot het uiteengaan van gemeenschap dan tot samenkomen. Het effect van Schilders theologie is daarmee deels het tegenovergestelde van wat Schilder beoogde. Dat die gemeenschap niet gebeurd ligt voor een groot deel aan Schilder zelf. In zijn ogen wordt de kerk door vele gevaren bedreigd. Die gevaren veegt hij op één hoop: Barth, Brunner, Tillich, theosofie, boeddhisme – het verschilt voor Schilder in wezen niets in bedreiging voor de kerk. In zijn uiteenzetting wordt dat allemaal op één hoop gegooid. De gevaren worden breed uitgemeten in lange uiteenzettingen, waarin hij door middel van cynische woordspelingen zijn opponenten bespot. Gevaren ziet Schilder niet alleen in wat zijn opponenten zeggen, maar geregeld ook in wat hij als consequenties ziet van de theologie van degenen die hij bestrijdt. Daarin verliest hij uit het oog dat de ander deze consequenties zelf niet trekt. Geregeld zien opponenten een karikatuur van hun  theologie gemaakt.

Wie nu iets met Schilder wil, moet de laag van het cynisme en de harde oordelen over zijn opponenten afkrabben en Schilder in dialoog brengen met de gereformeerde traditie, de andere theologen die er zijn en de eigen tijd. Ik ben er nog niet uit of dat kan: Schilder in dialoog. Wellicht verliest zijn stem aan kracht als het antithetische en het apocalyptische uit zijn theologie wordt afgezwakt. Dat zou wel jammer zijn. Naar mijn idee kan de Nederlandse theologie een robuuste, apocalyptische theologie als die van Schilder goed gebruiken. Niet als enige stem, maar wel als stem die gehoord moet worden.

Iets over ‘Christus in zijn lijden’ van Klaas Schilder

Iets over ‘Christus in zijn lijden’ van Klaas Schilder

In deze Lijdenstijd heb ik een het laatste deel van Christus in zijn lijden van Klaas Schilder gelezen. Een van de vragen die tijdens het lezen bij mij bovenkwam, was waarom dit werk niet meer zo bekend is. Dat kan aan de schrijfstijl liggen: een expressionistische schrijfstijl met een geladen toon.

Dat gaat niet helemaal op,  want vergelijkbare werken van Miskotte en Noordmans zijn ook niet eenvoudig te lezen. Ook Miskotte heeft een barokke schrijfstijl, waarbij zinnen geregeld herlezen moeten worden om de pointe te begrijpen. Noordmans heeft juist een heel sobere, eerder stugge schrijfstijl. Hij schrijft echter vaak zo cryptisch dat zinnen ontcijferd moeten worden.

Imago
Zou het er aan kunnen liggen dat Miskotte en Noordmans een beter imago hebben? De meditaties van Noordmans hebben het imago van diepzinnigheid. Miskotte heeft de naam dat hij goed aanvoelde wat er in de cultuur speelde en dat verwerkte in zijn theologiseren. Schilder heeft het imago overdadig te schrijven, een moeilijk mens te zijn, die volop polemiseerde en daarin doordraafde en brokken maakte. Nu gaat het mij er niet om het imago van Noordmans of Miskotte aan te tasten. Hun betekenis voor de theologiegeschiedenis en hun betekenis voor vandaag zijn onmiskenbaar. Voor mij doet Schilder niet onder. Als het gaat om aanvoelen wat er in de cultuur gaande was, deed hij niet voor Miskotte onder. Er wordt over Schilder gezegd dat hij de eerste theoloog is die de secularisatie theologisch verwerkte. Ook wat diepzinnigheid doet hij niet voor Noordmans onder.


Stroming
Naar mijn idee wordt de theologiegeschiedenis van de eerste helft van de twintigste eeuw teveel in stromingen geduid. Alsof het neocalvinisme een aparte stroming is naast de ethische (en later: Barthiaanse) theologie. Het hanteren van stromingen heeft slechts relatieve betekenis: de wisselwerking tussen de verschillende theologen is zo intens en de grenzen lopen per theoloog weer anders. De Nederlandse theologiegeschiedenis kan niet bestudeerd worden zonder oog te hebben voor de onderlinge verwevenheid. Wie Van Ruler wil begrijpen, dient niet alleen Th.L. Haitjema en Barth te bestuderen, maar ook Kuyper en Schilder intensief te bestuderen. Wie Miskotte wil begrijpen, doet er ook goed aan om Schilder te lezen om te zien hoe een theoloog met wie veel raakvlakken zijn, op dezelfde ontwikkelingen in de cultuur reageert. Omgekeerd geldt ook dat Schilder tekort gedaan wordt als hij niet gelezen wordt in de context van Haitjema, Miskotte, Noordmans en Van Ruler. En dan noem ik alleen de namen, die nu nog enigszins herinnerd worden en gelezen worden. Hepp, Geelkerken, De Hartog, Eekhof en nog vele anderen horen hier ook bij om een goed beeld te krijgen.


Skandalon
Elke theoloog moet in zijn eigen tijd gelezen worden. Dat geldt zeker voor Schilder en zijn trilogie over
Christus in zijn lijden. Deze trilogie over de gang van Jezus naar Golgotha is een groots werk, waarin Schilder discussieert en polemiseert met verschillende fronten. De trilogie is existentieel. De verhalen gaan niet buiten hem om. Voortdurend ziet hij zichzelf voor Christus geplaatst. Christus: of je gelooft in Hem óf je ergert je aan hem. Schilder neemt het skandalon van het kruis op een existentiële wijze serieus.

Schrijfstijl
Aan zijn schrijfstijl is te zien dat Schilder zichzelf als theoloog van de moderniteit ziet. Geladen, expressionistische beelden en zinnen komen ook in de literatuur van die tijd voor. Schilder verwerkt dichters en polemiseert tussen de regels door met dichters en schrijft soms ook bewust in poëtische stijl en vorm. Schilder is in zijn werk getriggerd door hoe Christus in de kunst en de cultuur wordt afgebeeld: de bleke Christus van de dichter Albert Verweij en de schilder Jan Toorop. De bleke Christus roept vooral medelijden op en laat het lijden van de wereld zien. Voor Schilder is dat medelijden een verkeerde psychologische reactie, omdat dit medelijden teveel op het lijden als zodanig geconcentreerd is en niet wil zien dat het lijden een doel heeft: namelijk het wegdragen van het oordeel van God.

Apocalyptisch
Schilder deelt de apocalyptische stemming, die na de Eerste Wereldoorlog in cultuur, filosofie, literatuur en theologie heerst. Het oordeel zal als een catastrofe komen. Die catastrofe wordt nog getemperd door God zelf: de schok wordt uitgesteld. In zijn weg naar het kruis en aan het kruis ondergaat Christus wel die catastrofe en draagt daarmee het oordeel weg. De reactie hoort niet medelijden te zijn, maar huiver en ontzetting. Geregeld spreekt hij de lezer toe: zwijg, huiver, zie! Tegelijkertijd is huiver niet de enige reactie. De gelovige kan en moet zelfs zingen als hij ziet dat Christus zelf er voor kiest om het oordeel te ondergaan.

Daad
Van groot belang is dat Christus voortdurend zelf kiest om deze weg te gaan. Het is geen lot dat hem overkomt. Voortdurend stelt hij een daad, weliswaar een daad van gehoorzaamheid, maar wel een daad. Christus in zijn lijden is aan de ene kant Christus die aan heel wat lijden onderworpen wordt: door de Joden en de Romeinen, door de satan en Godzelf. Uiteindelijk is het Christus zelf die steeds de keuze maakt om dit lijden te accepteren, te ondergaan en er niet voor weg te lopen.

Bevindelijkheid
Het front van Schilder ligt niet alleen buiten de kerk en buiten de theologie. Fel verzet hij zich ook tegen een bepaalde vorm van bevindelijkheid. Het is een bevindelijkheid die het lijden verpsychologiseert en voortdurend in de exegese in de weer is met wat Christus moet doormaken en met wat wij erbij zouden moeten ervaren. Moeite heeft Schilder hiermee, omdat het tot een sentimentele lezing van de Schrift komt. Het draait dan om onze ervaring en emoties en niet meer om wat er in de Schrift geopenbaard wordt. Het is goedkope en sentimentele psychologie, die door een robuuste Schilder bespot wordt. Het is een sentimentele bevindelijkheid, die op de verkeerde momenten rust kiest en daardoor de verleiding van de satan niet doorziet. De trilogie is een grootse poging om Christus als sacramentum naar voren te schuiven en een grootse kritiek op een leeswijze die in de lijdensverhalen Christus als exemplum ziet.

Loci
In de meditaties klinken allerlei stemmen mee. Zinnen van dichters en filosofen die Schilder ooit las. Dogmatische loci uit de gereformeerde en uit de meer specifiek kuyperiaanse traditie worden op een (soms te) creatieve manier gebruikt: de leer van de drie ambten van Christus, de vernedering en verhoging van Christus, algemene en bijzondere genade (gemene en bijzondere gratie), de christologische leeswijze van het OT. Verrassend vond ik om te merken dat Schilder niet zo veel moet hebben van een archeologische onderbouwing van de Bijbelverhalen. Dat geeft teveel speculatie, teveel legendevorming. Het past voor Schilder ook in de manier waarop God openbaart: Hij wist de sporen uit van Golgotha. Waar het kruis precies gestaan heeft, weten we niet. Het is voldoende dat de Schrift laat zien dat het tussen de Godsstad Jeruzalem en de mestvaalt Gehinnom gestaan heeft.

Christologische mystiek
Indrukwekkend vind ik dat de triologie als één geheel gelezen kan worden, terwijl er volop ruimte is voor het detail van elke tekst. Wanneer er dubbelingen zijn, die Schilder bewust invoert, verwijst hij terug of vooruit. Veel lijnen uit zijn theologie komen hier samen. Christus in zijn lijden is een van de hoofdwerken van Schilder.

In de recente bundel Wie is die man? geeft Ad de Bruijne aan dat Schilder met dit werk een voorbeeld van een gereformeerde mystiek heeft willen geven, die gericht is op Christus. Ondanks de overdaad en scherpheid die soms irriteert en vermoeit, is de trilogie inderdaad een indrukwekkend voorbeeld van een christologische mystiek, die ook nog eens een grote gevoeligheid voor de cultuur laat zien. Schilder voelt scherp aan, soms te scherp. Maar ook in zijn scherpheid dwingt hij tot nadenken en laat hij zien dat een gereformeerde theologie in de moderniteit een kritische theologie is, die in de kritische reactie de cultuur serieus neemt.

Schilder heeft wel een nadeel: je kunt het niet zomaar kopiëren. Toch is dat voor degene die de tijd neemt een voordeel: hij neemt je mee en plaatst je voor Christus, hij daagt je uit om zelf over je eigen verhouding met Christus na te denken.

Christus in Zijn lijden (Gedachten bij Schilder – 5)

Christus in Zijn lijden
(Gedachten bij Schilder – 5)

Voor Schilder was Christus als plaatsbekleder van groot belang. De trilogie Christus in Zijn lijden is een felle en existentiële exegese van de lijdensverhalen, vol contrasten en spanningen. Dit wordt gecombineerd met inzichten uit de gereformeerde traditie die ook weer zeer existentieel worden verwerkt.
Waarom eigenlijk op deze felle, geladen en existentiële manier? De trilogie Christus in Zijn lijden moet gelezen worden tegen de culturele achtergrond van de jaren-’20. Toonaangevende schilders als Jan Toorop  en schrijvers als Albert Verwey (kunstenaars door wie Schilder erg geboeid was) adoreerden een bleeke Christus, een soort boeddhistische Christus die aan het lijden ontstegen was: 

Christus aan het kruis

O Man van Smarte met de doornenkroon,
O bleek bebloed gelaat, dat in den nacht
Gloeit als een groote, bleeke vlam, – wat macht
Van eindloos lijden maakt uw beeld zoo schoon?

Glanzende Liefde in eenen damp van hoon,
Wat zijn uw lippen stil, hoe zonder klacht
Staart ge af van ’t kruis, – hoe lacht gij soms zoo zacht, –
God van Mysterie, Gods bemindste Zoon!

O Vlam van Passie in dit koud heelal!
Schoonheid van Smarten op deez’ donkere aard!
Wonder van Liefde, dat geen sterfling weet!

Ai mij! ik hoor aldoor den droeven val
Der dropplen bloeds en tot den morgen staart
Hij me aan met groote liefde en eindloos leed.

Albert Verwey

  Jan Toorop, Christus (1912)

Schilder had met deze bleke Christus moeite, omdat het wegpoetsen van het lijden het wegpoetsen van de plaatsbekleding is. Christus was meer dan de Man van smarten, de onze deesnis oproept. De trilogie Christus in Zijn lijden is een grootse poging geweest om te laten zien, dat de Christus als plaatsbekleder het lijden op zich genomen heeft. Het lijden ondergaan was een daad van Jezus in gehoorzaamheid.

Wat mij opvalt bij het lezen van deze overdenkingen, is dat de lezer in de rol van toeschouwer wordt geplaatst. De lezer moet zien, op zich in laten werken, soms beven. Jezus is een voorbeeld van gehoorzaamheid (en dat kunnen wij van Hem leren). Maar Jezus is vooral de plaatsbekleder die de toorn van God droeg en staande bleef in alle pogingen om Hem van dat plaatsbekledende optreden te weerhouden. De lezer krijgt van Schilder steeds te zien dat met betrekking tot Jezus geen neutraliteit mogelijk is: Hij is óf de Christus of de anti-Christ. Of wij geloven in Hem of wij struikelen over de steen des aanstoots. Het optreden van Jezus brengt alles in de crisis.
Mij als predikant, die de roeping heeft om te preken over Christus, houdt deze vraag al geruime tijd bezig: op welke manier kan over Jezus (bijvoorbeeld als plaatsbekleder) gepreekt worden? Dat kan alleen met de luisteraar of de lezer in de rol van toeschouwer, die ziet dat in de weg van Jezus God Zijn heil openbaart? Dat vraagt wel van de preek dat er een vonk overspringt en de luisteraar of lezer gegrepen wordt.  Kan er wel op een gemoedelijke manier over Jezus gepreekt worden? Misschien heeft Schilder wel gelijk dat dit niet kan en hebben wij vandaag de dag nodig dat de prediking over Christus ons in de crisis brengt.

Dit is (voorlopig) mijn laatste blog over Klaas Schilder. Voor wie zich afvraagt, waarom ik mij bezig houdt met Klaas Schilder, verwijs ik door naar K.H. Miskotte en G.C. Berkouwer.
Miskotte zei  eens op een college: ‘Ik kan er niet tegen als mensen op Schilder afgeven. Je kunt het niet met hem eens zijn, maar het was een geniale man.’
Berkouwer heeft steeds bij zijn leerlingen geprobeerd om er een over te halen om te promoveren. Tot zijn spijt is het niet gelukt om iemand te laten promoveren op de grondstructuur van Schilder (bijvoorbeeld aan de hand van Zondag 10).

E.P. Meijering schrijft in zijn boek Een eeuw denken over christelijk geloven, dat de theologie van Schilder niet verklaarbaar is zonder Karl Barth. Dat is geen fair oordeel. Schilder had zijn (originele) theologie al grotendeels gevormd voor Barth zijn intrede deed. Vanuit deze theologie reageerde hij voortdurend op Barth, omdat hij Barth als een bedreiging zag.
Het portret van Meijering is eenzijdig: doordat Meijering niet heeft geanalyseerd wat de moeite van Schilder was met de paradox, heeft hij ook niet begrepen waarom Schilder zich voortdurend zo fel verzette tegen de theologie van Barth.

Valse en ware mystiek -4 (Gedachten bij Klaas Schilder -4)

Valse en ware mystiek -4: de fronten van Schilder
(Gedachten bij Klaas Schilder -4)

Wie had Schilder op het oog, toen hij de valse mystiek veroordeelde? Daar komen verschillende groeperingen en stromingen voor in aanmerking:

(1) Niet-christelijke religiositeit
Toen de beweging van de Tachtigers opkwam, werd Nederland voor het eerst weer geconfronteerd met een elite van schrijvers en kunstenaars, die wel religieus was maar zich distantieerde van het christelijk geloof. Deze schrijvers keerden zich af van de christelijke traditie, maar werden geen atheïst. Zij hielden zich bezig met theosofie, spiritisme en parapsychologie. (Enkele van deze schrijvers werden later katholiek.)
Schilder verdiepte zich in deze religiositeit, omdat hij een liefhebber was van de literatuur en schilderkunst. Schilder verhield zich antithetisch tot de wereldbeschouwing en de religiositeit, maar wees hun kunst niet bij voorbaat af.
Schilder verdiepte zich ook in deze buitenkerkelijke religiositeit, omdat hij van mening was dat veel jongeren binnen de Gereformeerde Kerken zich hiermee inlieten en daarmee het gereformeerde spoor en vooral ook Christus verlieten. Schilder stond hierin niet alleen. In 1920 werd door verschillende classes op de synode van Leeuwarden gerapporteerd dat men behoefte had om een hernieuwd gereformeerd belijden met het oog op deze buitenkerkelijke spiritualiteit. Hoewel de synode beloofde hiermee aan de slag te gaan, is er van dit hernieuwd belijden is niets terecht gekomen.
Bepaalde stromingen binnen vrijzinnigheid, die door Schilder werden bestreden, kunnen ook tot deze categorie worden gerekend. Zij lieten zich meer inspireren door de niet-christelijke religiositeit dan door de eigen traditie.

(2) Christelijke stromingen

Gemeenteleden begonnen zich te interesseren voor groeperingen en stromingen buiten de kerk. De beweging van Johannes de Heer had grote invloed op de leden van de Gereformeerde Kerken. Daarnaast begon de Pinksterbeweging en kwamen de Darbisten in beeld.

(3) Bevindelijkheid
In de jaren tussen de beide Wereldoorlogen gingen gemeenteleden uit de Gereformeerde Kerken geregeld over naar de Christelijke Gereformeerde Kerk of naar de Gereformeerde Gemeenten. Hoe groot die uitstroom was, is nog nooit in beeld gebracht. Wie de vroege kerkbodeartikelen leest, krijgt de indruk dat het hier niet om een kleinschalig gebeuren ging.
Schilder heeft hier het hier om verschillende redenen moeilijk mee gehad: Hij vond dat de bevindelijkheid het gereformeerde spoor verliet. De bevindelijkheid was vooral gevoel en vaagheid, maar kon weinig met Christus. De overgang van gemeenteleden naar andere kerken heeft Schilder als verraad ervaren: de fronten lagen bij de kerkverlating naar de wereld en tegelijkertijd lieten trouwe gemeenteleden zich in met een geloofsbeleving die niet-gereformeerd was en naar zijn mening  te weinig met Christus ophad.

(4) Irrationalisme
Vanaf de jaren-’20 komt er een nieuw front bij: de paradoxale theologie. Th. L. Haitjema en A.A. van Ruler lieten zich inspireren door het irrationalisme: een systeem kan niet kloppend zijn, daarvoor is de werkelijkheid te weerbarstig. Een theologie kan alleen paradoxaal zijn. Haitjema en Van Ruler waren direct enthousiast over Barth, toen hij in Nederland werd geïntroduceerd, omdat Barths theologie naar hun idee overeenkwam met hun paradoxale theologie. Schilder heeft al voor de komst van Barth de paradoxale theologie bestreden en richtte na de komst van Barth zijn kritiek op Barth.
Schilder heeft de paradoxale theologie met veel hoon bestreden. Barth vond hij zelfs gevaarlijk. Hij was van mening dat als de theologie van Barth consequent werd doorgedacht deze theologie niet verschilde van Boeddhisme. De paradoxale methode was in zijn ogen een escape om deze consequenties niet te hoeven trekken. Door de paradoxale methode konden Haitjema, Van Ruler en Barth hun (in zijn ogen) halfslachtige theologie handhaven.

(5) Ethische theologie
Er is verrassend genoeg één stroming die door Schilder niet bestreden werd, maar op zekere hoogte juist bewonderd werd: de ethische theologie. Schilder was bevriend met de kerkhistoricus prof. dr. A. Eekhof, schreef positief over prof. dr. A.H. den Hartog (die samen met hem de theologie van Barth bestreed) en had goede connecties met J.H. Gunning (die het blad Pniël uitgaf).[1]

Beoordeling
Bij Schilder is het altijd de vraag of hij fair is in zijn beoordelingen. Veel van zijn opposanten voelden zich niet recht gedaan zijn conclusies. Dat zal met zijn manier van werken te maken hebben: hij redeneerde zelf de uitgangspunten door en trok op basis van deze uitgangspunten conclusies die zijn tegenstanders niet trokken.[2] Dat vraagt wel van de hedendaagse lezer dat hij zich niet alleen maar met Schilder bezig moet houden, maar ook met degenen die door hem bestreden werden (als een vorm van wederhoor).

Bij Schilder is het de vraag of hij door de splinter in de oog van de ander de balk in eigen oog niet zag. De kritiek op valse mystiek slaat ook op hemzelf terug. Hoe indrukwekkend Christus in Zijn lijden bij tijden ook kan zijn, Schilder leest de evangelieverhalen vanuit een gereformeerd-dogmatisch raster (het drievoudig ambt). Bovendien doet hij ook iets wat hij de valse mystiek verwijt: hij knipt eigenhandig de lijn uit de evangeliën, omdat hij zijn eigen lijnen zag.

Wanneer Schilder spreekt over de strijdende kerk (als de kerk die voortdurend struikelt over de steen des aanstoots) is het goed om te beseffen dat hij zichzelf tot deze kerk rekende. Hij kende de belijdenis en wist ook dat de strijd niet alleen tegen de wereld en de duivel is, maar ook tegen ons eigen ik. Gezien Schilders existentiële omgang met de belijdenis, zal hij zich ook hierin herkend hebben.
Schilder rekent zichzelf tot de strijdende kerk, die struikelt en soms zelfs als een satan zich tegen haar Christus keert. Deze houding van Schilder is authentiek en existentieel geweest. Dat maakt zijn theologie geregeld sympathiek en indrukwekkend.


[1] Ik heb ooit een blog geschreven met de stelling, dat de Christelijke Geformeerde Kerken meer door de ethische theologie van deze Pniël-Gunning zijn beïnvloed dan door de traditie van de Nadere Reformatie: https://mjschuurman.wordpress.com/2009/12/12/de-cgk-en-de-ethische-theologie/

[2] Deze methode paste in die tijd. Zie bijvoorbeeld het fascinerende boek van Ewout Kieft, Het plagiaat, waarin Kieft de polemiek tussen Anton van Duinkerken en Menno ter Braak reconstrueert.