‘Ik ben bij Jezus in de boot in slaap gevallen’

‘Ik ben bij Jezus in de boot in slaap gevallen’
Michael Herbst over pastoraat in een kinderziekenhuis

Het komt voor dat kinderen in een ziekenhuis moeten verblijven. Voor kinderen is dat een hele inbreuk op hun leven. Zij leven niet meer in hun vertrouwde omgeving, maar verblijven in een (kinder)ziekenhuis. Dat is een wisseling van systemen. Het ene is voor hen vertrouwd, in het andere is bijna alles in eerste instantie vreemd, en is er veel voor kinderen onduidelijk. Deze overgang naar het systeem van het (kinder)ziekenhuis heeft een duidelijk symbool: het omgekleed worden. Ze dragen niet meer hun dagelijkse kleren, waarmee ze naar school gaan, thuis rond lopen, op avontuur gaan, maar worden als een patiënt gekleed.

Voor kinderen kan het een heel ingrijpende gebeurtenis zijn. Zij begrijpen niet wat zij meemaken. Niet altijd worden zij door ouders of het verplegend personeel geïnformeerd over wat er met hen gaande is. Ondertussen merken zij wel dat er iets ernstigs aan de hand is. Zij voelen aan hun eigen lichaam dat hun krachten afgenomen zijn. Ze lezen het af aan de gezichten van de ouders, de verpleging of de dienstdoende artsen. Wanneer zij niet geïnformeerd worden over wat er met hen gebeurt, kunnen kinderen erg bang worden. Ook de apparatuur waarmee zij omgeven worden kunnen een bron van angst worden als niet aan hen wordt uitgelegd welke functie deze apparatuur voor hen heeft.
Kinderen kunnen heel veerkrachtig zijn. Zij kunnen zich overgeven aan hoe het leven in een ziekenhuis er aan toe gaat. Zij maken vaak een bepaalde geestelijke ontwikkeling door en kunnen voor hun leeftijd al wijs zijn.

Wat kan pastoraat betekenen voor deze kinderen?
Wat kan pastoraat betekenen voor deze kinderen? Deze vraag kan ook ruimer gesteld worden, want in een ziekenhuis zijn niet alleen deze kinderen. De ouders zijn vaak aanwezig. Er kunnen broers of zussen zijn, of andere familie. Ook voor het gezin heeft een ziekenhuisopname een hele impact: een ander dagritme, de zorg om het kind, zelfverwijt niet goed voor het eigen kind te hebben gezorgd, geloofsvragen die opeens of verhevigd opduiken, een huwelijk of een relatie die onder spanning komt te staan.
Michael Herbst was enige jaren als geestelijk werkzaam in een kinderziekenhuis. In zijn boek over pastoraat schreef hij een mooi en uitgebreid hoofdstuk over deze ervaringen. Daarin beschrijft hij wat pastoraat aan kinderen in het ziekenhuis kan betekenen. (Leerzaam ook voor ‘gewoon’ pastoraat aan kinderen). Daarnaast geeft hij weer, hoe met deze kinderen over de Heere Jezus kan worden gesproken.

Met Jezus in de boot
Lisa was 5 jaar toen Herbst haar voor het eerst ontmoette. Lisa zei bij die ontmoeting: ‘God houdt niet van mij. Hij wil niet dat ik gezond wordt.’ Zij was in het ziekenhuis, omdat een hersentumor operatief verwijderd moest worden. Na de operatie bleef zij nog enige tijd om te herstellen van de operatie. In die tijd bezocht Herbst haar elke avond en las haar voor. Lisa’s houding veranderde voortdurend: dan was ze moedeloos, dan opgewekt, soms ook niet aanspreekbaar, vaak lief en aandoenlijk. Bij het vaste afscheidsritueel hoorde de vraag van Lisa: ‘Wanneer komt u weer?’
Op een avond las Herbst het verhaal voor van de storm op het meer, die door Jezus werd gestild. Tijdens het voorlezen viel Lisa in slaap. Hij dekte haar toe en verliet met een onbevredigend gevoel de kamer uit. De volgende morgen kwam hij de moeder van Lisa tegen: ‘Moet u eens horen wat Lisa vanmorgen vertelde. Lisa vertelde hoe de dominee was gekomen en een verhaal had verteld. En Lisa zei: ‘Mama, moet je voorstellen, ik ben bij Jezus in de boot in slaap gevallen.’’

Presentie
Pastoraat begint met aanwezig zijn en het opbouwen van contact. Wij leven in een post-christelijk tijdperk waarbij het voor het personeel, voor de opgenomen kinderen, voor hun familie niet duidelijk is wat pastorale begeleiding kan betekenen.
Herbst adviseert beginnende geestelijk verzorgers om te laten zien dat je er bent. Presentie is het sleutelwoord. Wees aanwezig door koffie te drinken met het verplegend personeel, oor de bedden langs te gaan en de patiënten te bezoeken, door in contact te komen met ouders. Niet altijd weet het personeel wat men met een geestelijk verzorger of predikant aan moet, omdat men niet meer bekend is met de kerk. Een geestelijk verzorger moet daarom zijn legitimiteit op twee manieren onderbouwen: vanuit de kerkelijke theologie en vanuit de missie van een ziekenhuis. Wanneer een predikant of verzorger bekend is, kan hij of zij worden uitgenodigd om mee te doen met het teamoverleg.
De positie is van een geestelijk verzorger of een ziekenhuispredikant is niet eenvoudig. Hij of zij is geen expert in het behandelend team. Deze positie is tegelijkertijd de kracht van een pastor. De geestelijk verzorger of predikant is geen bedreiging voor de patiënt en de familie en ook niet voor het personeel. De predikant is een gesprekspartner voor allemaal en heeft een vertrouwenspositie. De geestelijk verzorger of ziekenhuispredikant kan zijn of haar taak in de ogen van Herbst alleen vervullen wanneer hij of zij bewust ook theoloog is. Hij of zij brengt God mee, komt in naam van God (missio Dei).

Begeleiding
Om pastoraal te kunnen begeleiden, moet er wel contact zijn. Contact wordt opgebouwd door present te zijn. Door jezelf te laten zien in de gangen en in de kamers. Door aan het bed te komen. Pastoraat bestaat allereerst uit het opbouwen van relaties. Daarbij hoeft het niet om diepe gesprekken te gaan. Het gewone contact kan in het ziekenhuisbestaan al bijzonder zijn. Zeker wanneer een predikant of geestelijk verzorger met een duidelijke regelmaat langskomt, kan hij of zij al veel betekenen voor de opgenomen kinderen. Door regelmatig langs te gaan wordt de geestelijk verzorger een betrouwbare partner. Dat regelmatige contact is voor kinderen al heel waardevol.

‘De pastor moet een betrouwbare partner voor het kind zijn: iemand die zijn belofte nakomt en ook daadwerkelijk terugkomt als hij dat heeft beloofd. Hij moe de deur zoeken die het kind voor hem opent. Op den duur gaat dat alleen als hij vreugde beleeft aan de omgang met kinderen en niet voortdurend zich afvraagt of dit wel het eigenlijke van het pastoraat is. Ook niet als hem af en toe de gedachte bekruipt dat een sociaalpedagogische opleiding zinvoller was geweest. Zo zal hij de vergeefse taak hebben om te winnen van de 6jarige Hanna met memory. Met een handpop komt hij voorzichtig dichterbij bij de kleine Freddy, omdat hij niet wil eten en merkt dat de kleine Freddy al snel met de handpop een heel serieus gesprek heeft over de voor- en nadelen van eten. Freddy zei later over de handpop Bruno: ‘Bruno was mijn kleine ziekenhuispastor.’ Hij voert de 4jarige Sebastiaan, omdat de zusters het op dit moment echt te druk hebben. Of hij rijdt de 11jarige Jessica in een rolstoel over de veranda, zodat zij weer even buiten kan zitten. Of hij vertelt de 4jarige Tobias een zelfverzonnen verhaaltje voor het slapen gaan, omdat zijn moeder vroeg naar huis moest gaan. Of hij drinkt een kopje koffie met de wachtende ouders. Dat is niet oneigenlijk. Dat is zorg in elke relatie.’ (p. 501-501)

Taal leren
Het is een fundamentele taak voor de pastor om de taal die deze kinderen gebruiken te leren. Kinderen praten over thema’s die te maken hebben met hun ziekte, het leven in het ziekenhuis, hun gezin, hun omgeving, God. De pastor heeft te leren op welke manier kinderen spreken over hun angsten en hun hoop. Kinderen uiten dat in woorden, maar ook non-verbaal. En vaak door het gebruik van metaforen. Zij spreken over ridders, rovers, ruimteschepen als zij het hebben over hun ziekte. Wil de pastorale relatie slagen, dan moet de pastor zich de taalwereld van de ander leren eigen te maken.
Rosemarie Fuchs vertelt van de 15jairge Michaela: Deze Micheala vroeg aan de pastor of zij graag reisde. Op een keer vroeg Michaela of zij de komende zomer mee mocht op reis. De pastor begreep deze vraag naar de gezamenlijke vraag als een verzoek om Michaela niet alleen te laten als zij ‘de grote reis’ ondernam.

Tempo
Bijzonder is het tempo waarmee kinderen vragen over het bestaan of over God aan de orde stellen. Vaak worden vragen of opmerkingen zomaar tussen het gesprek door gegooid. ‘God houdt niet van mij,’ zei de 5jarige Lisa zomaar tijdens een gesprek. Vaak een signaal naar de pastor: heb je wel gehoord wat ik zei?

Andreas en de roverhoofdman
Andreas (9) werd na een ernstig verkeersongeluk in het kinderziekenhuis gebracht. Bij dat ongeluk, een frontale botsing na een inhaalmanoeuvre, kwamen zijn ouders om het leven. Zijn oma, die ook in de auto zat, bleef ongedeerd. Andreas werd uit de auto geslingerd en raakte zwaargewond. Andreas lag ruim 3 maanden in het ziekenhuis en kon zich de meeste tijd niet bewegen. De behandelende artsen hadden gevraagd of de predikant Andreas steeds ook pastoraal wilde begeleiden.
De familie van Andreas wilde de dood van zijn ouders lang geheim houden voor Andreas. Dat leverde een onwerkbare situatie voor het verplegend personeel op, omdat Andreas steeds vaker vroeg naar zijn ouders. Men slaagde er na enige tijd de familie te overtuigen dat het beter was om Andreas in te lichten. De psycholoog, die Andreas begeleidde, vertelde hem wat er was gebeurd bij dat ongeluk. Toen hij dat hoorde, huilde Andreas even, maar begon al snel over een ander onderwerp te praten. Hij kwam ook niet meer terug op de dood van zijn ouders.
Tijdens het teamoverleg kwam de situatie van Andreas aan de orde. De psycholoog adviseerde om Andreas te begeleiden: om op zijn niveau te blijven en in zijn tempo mee te gaan. Dan zou er vanzelf een moment komen waarop Andreas over de dood van zijn ouders zou spreken, zou huilen en zou rouwen. Voor Herbst bestond de begeleiding uit dagelijkse bezoeken en uit voorlezen. Dat laatste was hij niet gewend, omdat hij steeds door zijn ‘electronische oma’ werd vermaakt. In het ziekenhuis werd de tijd dat hij mocht computeren aanzienlijk beperkt. In plaats daarvan ging hij naar verhalen luisteren: Naar verhalen uit de Bijbel, die voor hem nieuw en spannend waren. Naar verhalen over ridders en rovers, zoals het verhaal van Ronja de Roversdochter van Astrid Lindgren. Vlak voordat Andreas het ziekenhuis mocht verlaten, kwamen zij met het voorlezen aan het einde van dit boek. Lindgren vertelt hoe een oude rover sterft en de roverhoofdman Matthis dat niet kan begrijpen, omdat zijn hart breekt. Er is even een korte pauze en dan zegt Herbst tegen Andreas: ‘Dat begrijp je, he, Andreas?’ Hij kijkt hem aan, slikt en huilt. Daarna begint hij vragen te stellen: ‘Als ik nu een ongeluk zou krijgen en zou sterven, waar zou ik dan heengaan? Zal ik mama weer terugzien? En hoe zit het met de hel en de hemel?’ Dan spreken Herbst en Andreas er met elkaar over hoe erg het allemaal is, maar ook wat het kan betekenen om op de Heere Jezus te vertrouwen, die sterker is dan de dood en wat het betekent om in het sterven naar Huis terug te gaan.
De dag erop mocht Andreas uit het ziekenhuis en woonde hij voortaan bij zijn oma
.

Uithouden
Een belangrijke taak voor een pastor is het uithouden van moeilijke omstandigheden. Omstanders kunnen de neiging hebben om op de vlucht te gaan. Vrienden die het bezoek naar het ziekenhuis niet aandurven. Ouders die hun kinderen niet willen inlichten over de werkelijke situatie. Ouders en artsen die onmachtig zijn. Emoties als angst, agressie of woede die bij kinderen kunnen boven komen. De pastor heeft hier een belangrijke taak door trouw present te zijn.
Bij het uithouden hoort ook de taak om in bepaalde omstandigheden te zwijgen. Nadat de arts heeft bericht dat er geen hoop meer is. Tijdens het wachten op de einde van een operatie. Met de ouders waken nadat een kind is overleden. Meedragen en uithouden.

Dorothea Dobzin vertelde dat zij eens ouders zou begeleiden naar het mortuarium. Aan het bed stond zij samen met de ouders enige tijd stil aan het bed van het overleden kind. ‘Ik speurde de innerlijke onrust van de ouders. Ik legde mijn hand op hun schouders. In stilte bad ik het onze vader, waarbij ik geregeld de woorden ‘uw wil geschiede’ en ‘geef ons heden ons ons dagelijks brood’ herhaalde. Lange tijd later ontving ik van de moeder een brief waarin zij mij bedankte voor de woorden die ik gesproken had.’

Vertellen over Jezus
Pastoraat betekent de ander waarnemen vanuit Christus. In het ziekenhuispastoraat betekent dat: het kind dat is opgenomen waarnemen vanuit Christus. Als schepsel van God met een unieke, niet af te nemen waarde, geroepen tot een vernieuwde, heilzame bij het kind passende relatie met God. Daarnaast betekent pastoraat: vertellen van verhalen uit de bijbel, hedendaagse verhalen over God die aan de kinderen troost en hoop geven. Of die hun angsten, vragen en omstandigheden verwoorden. Daarnaast liederen en gedichten, rituelen zoals een zegen.

N.a.v. Michael Herbst, beziehungsweise. Grundlagen und Praxisfelder evangelischer Seelsorge (Neukirchener-Vluyn, 2012) 469-559

Advertenties

Verkeerde reacties in een pastoraal gesprek

Verkeerde reacties in een pastoraal gesprek

Iemand die namens de kerk een pastoraal gesprek voert, dient dat op een fijngevoelige manier te doen. Fijngevoeligheid vertaalt zich onder andere in een belangstellende en respectvolle houding ten opzichte van de ander. Fijngevoeligheid uit zich ook in het op de juiste manier reageren op wat in het gesprek aan de orde wordt gesteld.

Mijn eigen ervaring is dat een fijngevoelige manier van reageren niet komt aanwaaien. Daarvoor is bijvoorbeeld kennis van gesprekstechnieken nodig. Daarom geef ik uit het handboek van Michael Herbst enkele verkeerde reacties weer. Niet bedoeld om aan een ouderling nou eens fijntjes te laten weten wat hij fout heeft gedaan. Maar bedoeld voor de ouderling die zich wil voorbereiden op een gesprek. Of voor een ouderling die nog eens wil nadenken over een gesprek dat hij heeft gevoerd.

Laten we beginnen bij de casus die Herbst geeft:
Ds. B. brengt een bezoek aan Markus H. die in het ziekenhuis ligt. Deze Markus is actief betrokken in de gemeente van ds. B. als jeugdleider. Hij ligt in het ziekenhuis vanwege een chronische ontsteking in zijn maag (door de helicobacter pylori, de enige bacterie die bestand is tegen maagzuur). Ds. B. neemt de lichamelijke pijn serieus en wil dit niet afdoen als iets psychisch. Zij vermoedt al langere tijd dat er bij Markus iets zwaar op de maag ligt. Zij weet dat Markus studeert, maar dat hij nog steeds thuis woont bij zijn ouders, omdat zijn ouders geen financiële mogelijkheid hebben om een kamer voor hem te huren. In het gesprek hoort zij dat Markus zijn kamer ook nog eens moet delen met zijn broer Philip van 15. Zij kent de ouders van Markus en weet dat Markus’ vader veel voor zijn werk onderweg is en dat zijn moeder tobt met haar gezondheid. Markus is blij met het bezoek van ds. B. Nadat het gesprek enige tijd is gegaan over wat hem mankeert en over het eten in het ziekenhuis, neemt het gesprek plotseling een wending. Markus zegt opeens: ‘Het is bij ons thuis vaak verschrikkelijk. Ik kan mijn broer soms wel wat doen.. Nergens heb ik een plek waar ik mij kan terugtrekken. Maar wat moet ik doen? Mijn ouders kunnen geen kamer voor mij betalen. Ik weet dat zij niet veel over houden. Nu is mijn moeder ook nog ziek. Als mijn broer …’

Bij de analyse van een gesprek is het gemakkelijker te zien wat er fout gegaan is dan te zien wat er goed gegaan is. Zeker als er een gesprek van iemand anders geanalyseerd wordt.
In de regel gaan gesprekken is, volgens Herbst, als de pastor of de ouderling zijn plaats in nabijheid van degene die om raad verlegen is verlaat en zich een koele distantie of een betwetende hoogte aanmeet:

Bagatelliseren:
‘Maar Markus, dat is toch niet zo’n probleem? De maanden die je nog moet studeren, zing je wel uit!’
Het is in te denken dat wanneer ds. B. zo zou reageren, dat Markus zich niet serieus genomen voelt. Deze reactie gaat in feite het conflict uit de weg. Het probleem is al uit de wereld geholpen, voor het echt besproken is.

Diagnosticeren:
‘Weet je, dat is een typisch probleem tussen broers. Je broer bevindt zich in een moeilijke levensfase.’
De predikant zou dan weten hoe het zit. Voor de ego van een predikant kan dat goed aanvoelen, maar Markus is hier niet mee gediend.

Dirigeren:
‘Markus, dat is toch direct duidelijk! Weet je wat je moet doen? Als je uit het ziekenhuis komt, moet je een baan zoeken en zelf op zoek gaan naar aan kamer. Dan zul je zien dat alles tot een goed einde komt.’
Ook dit is een te snelle oplossing, die voorbij gaat aan het innerlijke conflict van Markus. Wanneer de predikant op deze manier de mondigheid van Markus zou willen stimuleren, zou zij hem alleen maar ontmoedigen.

Het kan zijn dat de problematiek van Markus herinnert aan de problematiek die ds. B. zelf heeft. Zij voert een strijd met haar eigen zoon, die nog steeds in Hotel Mama woont. Nu kan zij iets voor elkaar krijgen wat in haar eigen woonsituatie niet is gelukt. Dit voorbeeld laat zien, dat het goed is om helder te hebben wat een gesprek met iemand anders bij een predikant of een ouderling allemaal kan oproepen. Het is goed om de eigen situatie te scheiden van dit pastorale gesprek.

Examineren:
‘Vertel mij eens precies hoe dat er allemaal aan toegaat? Hoe gaat dat als jullie beiden op je kamer bent? Hoe gaat dat als je vriendin je bezoekt?’
Dit verhoor dringt diep in het leven van Markus in. Hij heeft nauwelijks de mogelijkheid meer om te besluiten dat hij daarover niet eens wil vertellen.

Zich identificeren:
‘Ach Markus, ik weet hoe dat gaat. Ik zal je vertellen hoe dat voor mij was toen ik mijn kamer met mijn kleinere zusje moest delen.’
Het kan zijn dat ds. B. hetzelfde heeft meegemaakt. Maar wanneer zij zo reageert, denkt zij aan zichzelf en is zij Markus en zijn problematiek vergeten.

Moraliseren:
‘Weet je Markus, ik zal heel duidelijk zijn: je bent wel erg op jezelf gericht. Je ouders doen alles voor je, zodat jij deze studie kan volgen. En nu het niet zo goed met je moeder gaat … Je zou eens wat dankbaarder moeten zijn.’
De confrontatie die ds. B. hier aangaat is uiteindelijk een distantiëring van Markus. Ds. B. identificeert zich met de ouders van Markus en bezorgt Markus nog eens een schuldgevoel. Zijn eigen conflict, zijn poging om iets voor zichzelf te hebben als volwassen zoon verdwijnt van het toneel.

Mogelijk is het zo, dat de spanning tussen Markus en zijn broer Philip een uiting is van een gezinssysteem dat door de afwezigheid van de vader, de ziekte van de moeder, de armoede e.d. te zwaar is belast. Onder het conflict met zijn broer schuilt dan een moeite met de gezinssituatie. Alleen raakt dat de loyaliteit van Markus ten opzichte van zijn ouders, die het al niet gemakkelijk hebben, en zijn gezin van herkomst. In het conflict met zijn broer kunnen de spanningen die zijn opgebouwd (onbewust) een uitweg vinden.

Vergeestelijken:
‘Weet je, Markus, voor je geestelijke groei is dit een goede ervaring. Op deze manier kun je leren wat het is om nederig te zijn. Het navolgen van Jezus houdt ook zelfverloochening in. Nu kun je ook leren wat het betekent om je broer te aanvaarden, zoals Jezus jou aanvaard heeft. Denk je dat het voor onze Heer eenvoudig is om het met ons uit te houden?’
Wat zou Markus daarop kunnen zeggen. Het vergeestelijken is gevaarlijk, omdat het Markus weerloos maakt. Als hij zich tegen zijn situatie verzet, verzet hij zich tegen het plan van God met zijn leven. En Markus wil het geloof juist heel serieus nemen!
Het is niet verkeerd om te wijzen op een geestelijk aspect. In dit geval zou ds. B. echter helemaal voorbij gaan aan het innerlijk conflict van Markus en heeft zij zijn werkelijke moeite niet gehoord.

Wanneer ds. B. op een geestelijk aspect zou willen wijzen, kan zij (volgens Herbst) beter wijzen op het ritme dat de Schepper aan een mensenleven heeft meegegeven: het is goed dat een man zijn vader en moeder verlaat (Gen. 2:24). Markus kan op deze manier van een volwassene leren dat de wens om zelfstandig zijn eigen leven in te richten heel legitiem is.
Hij zou kunnen leren dat hij als christen helemaal niet onverantwoord handelt door een eigen leven op te bouwen. Hij laat zijn ouders op die manier niet in de steek en verraadt zijn loyaliteit aan zijn familie niet.
Ds. B. zou kunnen zeggen: ‘Ik denk nu aan Jozua, die met het volk Israël voor de Jordaan stond en vol vrees opzag tegen de toekomst. Hij vroeg zich bezorgd af of hij niet door zijn nieuwe taak overvraagd zou worden. Toen kwam God naar hem toe en zei: “Ik gebied je dus: wees vastberaden en standvastig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, de HEER, je God, staat je bij”.’

Mede n.a.v. Michael Herbst, beziehungsweise. Grundlagen und Praxisfelder evangelischer Seelsorge (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Verlag, 2012) 262-267.

Zie voor een interview met Michael Herbst:https://mjschuurman.wordpress.com/2012/11/16/interview-met-michael-herbst-over-zijn-nieuwe-boek-over-pastoraat/

Hoe een pastoraal gesprek verloopt

Hoe een pastoraal gesprek verloopt
Een kleine handreiking voor ouderlingen

Hoe verloopt een pastoraal gesprek? Elk pastoraal gesprek verloopt weer anders. Toch valt er globaal iets te zeggen over de fasen die in een pastoraal gesprek doorlopen worden:

(1) Voorbereiding
Het is zinvol (en misschien wel noodzakelijk) om een gesprek voor te bereiden. Bijvoorbeeld door u innerlijk in te stellen op het komende gesprek. Het is niet verstandig om vanuit werkzaamheden, die u beziggehouden hebben, direct door te gaan naar een pastoraal gesprek. Want dan bent u nog tijdens het pastorale met uw hoofd en hart bij die werkzaamheden.
Zijn er reeds eerdere gesprekken geweest dan is het raadzaam om de aantekeningen, die naar aanleiding van de eerdere gesprekken gemaakt zijn te raadplegen. Het is goed om van tevoren al helder te hebben hoeveel tijd u tot uw beschikking heeft. Soms hebben ouderlingen meerdere bezoeken na elkaar gepland. Dan is het verstandig om bij het maken van de afspraak en ook aan het begin van het pastorale bezoek (kort) aan te geven hoeveel tijd u voor deze persoon heeft. (Wanneer u vaak meer tijd nodig heeft bij een pastoraal bezoek, kan het de overweging waard zijn om u op een aantal bezoekavonden te beperken tot één bezoek.)
Bij de voorbereiding is een gebed om de alertheid en wijsheid onmisbaar.

(2) De ontmoeting openen
Als twee mensen elkaar ontmoeten, hebben zij direct een eerste indruk van elkaar. Hoe reageert bijvoorbeeld degene die bezoek krijgt op de binnenkomst van de bezoekende ouderling(en)? Is een ouderling bij binnenkomst gejaagd of straalt hij rust uit? Als iemand bij u op bezoek komt, biedt u hem of haar een zitplaats aan en vraagt u of hij of zij koffie wil.
Als iemand naar u toe komt, heeft deze persoon vaak iets wat hem of haar dwarszit. Deze persoon heeft dat lang niet altijd zelf helder. U kunt de ander helpen om te verwoorden wat hem of haar bezighoudt. Bijvoorbeeld door te vragen naar wat de ander graag zou willen bespreken.

Wie kan u verwachten als bezoeker?
De therapeut Steve de Shazer heeft eens een onderscheid gemaakt tussen de verschillende bezoekers met een hulpvraag:
* Een bezoeker is vaak niet vrijwillig gekomen. Iemand anders heeft opgedragen dat hij of zij hulp moest zoeken. Een bezoeker zal niet snel meewerken met een therapie.
* Klagers dragen een zorg met zich mee dat voor hen het leven moeizaam maakt. Zij verwachten door een gesprek tot een oplossing te komen. Een klager wil graag aan de therapie meewerken.
* Een boodschapper is nog verder: hij of zij wil niet alleen iets kwijt, maar wil ook aan het probleem werken.

Als u op bezoek bent, probeert u eerst een sfeer van vertrouwen te scheppen, zodat de ander zich op zijn of haar gemak voelt. Voor mijzelf is deze eerste fase vaak de spannendste. Deze fase van het gesprek is vaak het onduidelijkst. Zelf weet ik meestal niet wie de ander is en of hij of zij wel op een gesprek met mij zit te wachten. En welke gespreksonderwerpen zullen er langskomen? Ook voor de ander is het onduidelijk: wat komt de predikant of de ouderling doen? Welke onderwerpen zou hij willen bespreken? Kan ik de ander vertrouwen? Gaat hij zorgvuldig om met de gastvrijheid en openheid die ik biedt?
In deze fase wordt vaak bepaald wie bijvoorbeeld de regie heeft over het gesprek. Meestal ben ik degene die een bezoek heb afgesproken en ligt het voor de hand dat het gesprek door mij geopend wordt. Tegelijkertijd ben ik bij de ander te gast en is de ander gastheer. De ander biedt koffie aan, kan een opmerking maken over het weer, over iets wat kort is voorgevallen of over wat u samen hebt beleefd. Zulke opmerkingen zijn handreikingen van uw gastvrouw of gastheer om u op uw gemak te stellen. Voor beide gesprekspartners is dit immers ook de fase waar beiden zich op hun gemak moeten gaan voelen.

(3) Elkaar in het gesprek vinden
Wil een pastoraal gesprek werkelijk een gesprek zijn, dan moeten beide gesprekspartners in het gesprek ‘aanwezig’ zijn. Wanneer u als ouderling op bezoek komt, moet u zich voor de ander open stellen en op een aandachtige manier in het gesprek aanwezig zijn. Wanneer de ander u opgezocht heeft om met u over een bepaald onderwerp te spreken, laat u de ander eerst zijn of haar verhaal doen.
Het kan geen kwaad om kort het doel van uw bezoek en ‘de gang van zaken’ uit te leggen. U kunt bijvoorbeeld aangeven:
– ‘Ik heb deze afspraak gemaakt, omdat ik als wijkouderling een huisbezoek bij u breng. Wij kennen elkaar niet. Zullen we eerst nader kennismaken?’
– ‘Ik ben voor huisbezoek gekomen, maar ik vind het ook van belang om te horen hoe het met u gaat.’
Dit hoeft u niet altijd hardop uit te spreken. Het kan voldoende zijn dat u dit in uw achterhoofd houdt en het gesprek eerst een kennismaking laat zijn.

Voor uzelf kan het helder zijn wat het doel van een huisbezoek is, maar dat hoeft het voor de ander niet te zijn. U kunt daar in het gesprek ook kort iets over aangeven, wat u komt doen. Of u kunt vragen of de ander weet wat een huisbezoek inhoudt. Soms kunnen ook negatieve ervaringen met betrekking tot een huisbezoek een rol spelen. In dat geval zal de ander heel afwachtend zijn. Wanneer u vertrouwen weet te winnen, kunnen zulke gesprekken (onverwacht) mooie gesprekken worden. Wanneer er iets voor de ander misgegaan is, ga niet altijd de kerk, de vorige wijkouderling of de predikant verdedigen. Geef dan aan dat u betreurt hoe het vorige gesprek voor de ander verlopen is: ‘Ik zie dat u nog steeds ontdaan ben door het vorige gesprek. Ik hoop dat ik door dit gesprek iets daarvan kan wegnemen.’

(4) Doel van het pastorale gesprek
Een pastoraal gesprek kan verschillende doelen hebben: meeleven laten zien vanuit de kerk, meedenken met vragen over God of het leven die er zijn, de ander stimuleren in het leven met de Heere. Het reguliere huisbezoek, dat meestal 1 x in het jaar of 1x in de 2 jaar gebracht wordt, heeft vaak het laatste doel: het stimuleren van geloof(sgroei), kerkgang e.d.
Het afleggen van huisbezoeken is daarom geen eenvoudige taak. Ik heb respect voor de ouderlingen die trouw deze bezoeken afleggen naast alle andere taken en werkzaamheden die zij hebben.
Als het de taak is om geloofsgroei, betrokkenheid bij de kerk of leven met de Heere te stimuleren, is het de vraag: wat kan of moet er allemaal in het gesprek aan de orde komen?
Soms kunnen ouderlingen de gedachte hebben dat het eigenlijke van het gesprek het gesprek over de geestelijke zaken is. De fase hieraan vooraf is dan een opstapje, bedoeld om bij het geestelijk gesprek uit te komen. Soms kan de overgang van het wat de ander bezighoudt naar het geestelijke gesprek abrupt gebeuren. Dat hoeft lang niet altijd verkeerd te zijn. Wel is het zaak om te letten op signalen die in die eerdere fase afgegeven worden. Daarin kunnen hele goede aanknopingspunten gegeven worden, die een overgang naar het geestelijk gesprek heel vloeiend kunnen maken. Wanneer u die signalen opvangt en daarop door gaat, geeft u de ander het gevoel dat u werkelijk naar hem of haar luistert. Dan is de ander ook bereid om over het eigen geloof of over het leven met de Heere te spreken.
Wellicht ziet u als ouderling op tegen dit onderdeel van het gesprek. Zit de ander wel te wachten over een gesprek over geestelijke zaken? Mijn ervaring is dat veel mensen daar inderdaad op zitten te wachten. Ook degenen die niet of nauwelijks in de kerk komen. Voorwaarde is dan wel dat u aansluit bij wat de ander bezighoudt. Ook is het raadzaam om hier de ander helpen zijn of haar geloof te verwoorden. Let erop dat als u vragen stelt, deze vragen niet overkomen als controlevragen, maar dat daarin de hartelijkheid van Christus’ liefde te merken is. Houd daarbij rekening dat de ander lang niet altijd in staat is om over het geloof te spreken. Denk dan met de ander mee, hoe u dit voor hem of haar zou kunnen verwoorden.

(5) Met God in gesprek
Als u op pastoraal gesprek komt, mag u ervanuit gaan dat de Heere ook aanwezig is in het gesprek. Ik merk dat degene met wie ik dat gesprek voer de ervaring van Gods aanwezigheid ook ervaren. Ik heb vaak de indruk dat wat mensen tegen mij vertellen dat eigenlijk tegen God vertellen. Hoe dat bij een bezoek van een ouderling gaat, weet ik niet. Ook daar zou het kunnen dat de ander niet alleen met u in gesprek is, maar (onbewust) ook de ervaring heeft om met God in gesprek te zijn.
Heb soms de moed om de sprong te maken naar het geloof. Als dit uit meelevendheid gebeurt, kan de ander u dankbaar zijn voor de diepgang die u aanbrengt in het gesprek. Wanneer iemand vertelt over een moeilijk leven en u daar meelevend naar het geluisterd en meelevend hebt doorgevraagd, kunt u op een gegeven moment ook de vraag stellen: ‘Wat heeft u veel moeite meegemaakt. Heeft u daarin ook iets ervaren van Gods nabijheid? Of heeft u Zijn aanwezigheid gemist?’ Of: ‘Heeft u een adres waar u met uw zorgen naar toe kunt?’
Wat is er mooier dan tijdens een gesprek uit de Bijbel te lezen en te bidden. In al de bezoeken die ik heb afgelegd, heb ik slechts 1x meegemaakt dat het lezen en bidden niet op prijs gesteld werd. Lees een eenvoudig gedeelte dat betrekking heeft op het gevoerde gesprek. Hebt u het gedeelte van tevoren uitgezocht, vertel dan met welke reden u dit gedeelte hebt uitgezocht. Breng in een gebed bij de Heere wat u in het gesprek hebt gehoord. Onderschat niet hoe groot de waarde voor de ander is van het gebed. Wellicht heeft de ander al lange tijd niet meer zelf gebeden (omdat hij of zij dat niet meer kon). Wellicht is het ook een lange tijd geleden dat er iemand voor hem of haar gebeden heeft.

(6) Afronding
Houd er rekening mee dat het lezen uit de Bijbel of het gebed ook een doorstart van het gesprek kan zijn. Het lezen en bidden is vaak geen afronding, maar een verdieping van het gesprek.
Wees alert bij het afronden. Ook in de beloften die u maakt. Als u iets belooft, schrijf dat direct ook thuis op. Zeg ook niet: ‘Ik kom nog eens een keer terug’. Maak in dat geval een nieuwe afspraak. Als de ander vraagt of u nog eens langskomt en u kunt dat niet beloven, wees daar eerlijk in. Anders gaan mensen er op rekenen dat u nog eens langskomt. Schroom niet om weg te gaan. Als u gebeden hebt, heeft u de ander aan de Heere toevertrouwd.
Maak thuis aantekeningen bij het gesprek. De PKN heeft een ledenregistratiesysteem waarin dat mogelijk is. Houd voor uzelf bij wat besproken is en wat u hebt gelezen. Zet er ook eventueel bij wanneer u weer langs zou moeten gaan. Stem dit wel af met de andere bezoeken die u moet afleggen. Het bezoek van een wijkouderling is vaak niet zo urgent als het huisbezoek van de dokter. Bij twijfel kunt u een afspraak maken, zodat van beide kanten helder is wanneer u weer langskomt.

Nogmaals: u heeft de ander aan de Heere toevertrouwd. De Heere zorgt voor Zijn volk!

Mede n.a.v. Michael Herbst, beziehungsweise. Grundlagen und Praxisfelder evangelischer Seelsorge (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Verlag, 2012) 251-254

Preek zondagmorgen 26 mei 2013

Preek zondagmorgen 26 mei 2013
Voorbereiding Heilig Avondmaal
2 Korinthe 1:1-11

Tekst: vers 1b: aan de gemeente van God die in Korinthe is, met al de heiligen die in heel Achaje zijn

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hoort u hoe u aangesproken wordt?
Als gemeente van onze Heere Jezus Christus.
Dat houdt in dat u en jij met elkaar een gemeenschap vormen, die van Christus is.
Met z’n allen bent u van Christus.
Een gemeenschap waarvan onze Heere de leider van is, de eigenaar ook.
Vanmorgen, toen u de drempel van de kerk overstapte en binnenkwam,
werd u eraan herinnerd:
Wie u ook bent, u bent van Mij.
Hoe jij ook over jezelf denkt, één ding is zeker waar: je bent van Christus!
Toen het eerste gebed klonk, zei de Heere daarin tegen u, tegen jou:
Jij bent van Mij en Ik, Ik ben je God.
Dat is toch wat! – vind u niet?
U bent er wellicht helemaal aan gewend, omdat elke preek door mij op deze manier begonnen wordt, door u op deze manier aan te spreken.
Wellicht bent u er ook niet altijd bij, nog bezig met de snoep doorgeven
of even ontspannen gaan zitten, omdat de preek eraan komt
en na de aanspraak gemeente van onze Heere Jezus Christus dan begint de preek pas goed.
Het zou anders zijn wanneer u aangesproken werd met zondaars voor Gods aangezicht!
Als ik u zo zou aanspreken, zou óf schrikken óf zou u vast rechtop gaan zitten
en denken: wat is er in vredesnaam in de afgelopen week gebeurd dat de preek zo begonnen wordt?
Toch is het waar: als gemeente zijn we ook een gemeenschap van zondaren.
Het maakt nogal uit of u aangesproken wordt als gemeente van Christus of als gemeente van zondaars voor Gods aangezicht, voor Zijn troon gedaagd.
Dat eerste (als u aangesproken wordt als gemeente van Christus) is dat een bemoediging.
Als u aangesproken wordt als zondaar wordt u aangesproken
met het oordeel dat over uw leven ligt.
Het is het verschil dat door Christus gemaakt is.
In de Bijbel wordt de gemeente vaak aangesproken als gemeente van Christus.
Zo kijkt God naar de gemeente, zo – vanuit Christus – spreekt God haar aan.
Kijk maar hoe Paulus deze brief begint: aan de gemeente van God.
Nu we het toch over de aanspraak hebben, waarmee de gemeente aangesproken wordt.
Een enkele keer wordt de gemeente wel aangesproken op de verkeerde weg die is ingeslagen.
Zo spreekt de profeet Amos het volk een keer aan als: koeien van Basan!
Moet u zich eens voorstellen dat een predikant u als gemeente aanspreekt:
Geen gemeente van Christus, maar: koeien van Basan!
Dat klonk in die tijd zoiets als: koeien van de moffen!
Nee, vanmorgen bent u de gemeente van onze Heere Jezus Christus.
Ook niet: dat behoort u te zijn, nee: u bent het.
Dat is nogal wat, hè?
Misschien dat u ondertussen al bij uzelf denkt:
Wij – alle mensen hier om mij heen – gemeente van Christus?
Daar is zoiets groots, dat nauwelijks te bevatten is.
Ik zal u zeggen: juist omdat u gemeente van Christus bent, kan ik preken maken.
Tot voor kort schreef ik de preek nog uit met een pen.
Dan schreef ik als eerste op mijn blaadje: Gemeente van onze Heere Jezus Christus
Als ik dan geen begin nog kon bedenken, dan keek ik naar dat opschrift
en dacht ik bij mijzelf: dat is al een hele verkondiging op zichzelf,
dat de gemeente die komende zondag naar mijn preek luistert, van Christus is.
Niet van mij, niet van de kerkenraad, niet van de gemeenteleden – van Christus!
Dat gaf mij rust en ook moed om aan de preek te beginnen,
want het belangrijkste werk is al gebeurd.
Ik hoef de gemeente, ik hoef ú er alleen maar op aan te spreken dat u van Christus bent!
En als ik de preek verscheurde, omdat het begin toch niet goed was,
was het niet omdat de aanhef niet goed was, omdat ik er niet mee eens was
dat u aangesproken zou worden als gemeente van onze Heere Jezus Christus.
Nee, gelukkig niet. God zij dank niet!
Elke nieuwe poging begon weer met die aanhef.
Soms schreef ik dat wel verscheidene keren achter elkaar op bij het maken van een preek.
De gemeente is gemeente van Christus!
Vanmorgen wordt het u voorgehouden, word jij eraan herinnerd
en volgende week vieren wij met het Heilig Avondmaal dat wij een gemeente van Christus zijn.
Dan wordt zichtbaar dat de aanhef waar en terecht is: gemeente van Christus.
Dat wil zeggen: u bent een gemeente die door Christus is begonnen,
door Zijn werk is ontstaan, door Zijn offer aan het kruis.
Daar ligt uw oorsprong, uw begin, gemeente van Christus hier in Oldebroek in de dorpskerk bijeen!
Dat is uw basis: dat Christus voor uw zonden aan het kruis is gegaan
om aan u, aan jou het nieuwe leven te geven.
U, gemeente in Oldebroek, bent een gemeente van Christus, omdat Christus voor u gestorven is.
Volgende week wordt dat ook zichtbaar en tastbaar als de tafel voor in de kerk staat klaargezet.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, dat is nogal wat!
Misschien dat u ondertussen wat onrustig geworden bent en het allerlei vragen oproept.
Kan dat zomaar over ons als gemeente gezegd worden?
Geldt dat voor ons allemaal, voor de mensen voor mij en achter mij?
En voor mijzelf – geldt dat ook voor mijzelf?
Hoe kunt u dat zomaar zeggen? pfoe, het mag wel iets minder.
En denkt u bij uzelf: ik zou dat niet zo van onze gemeente zeggen
en zeker niet van mijzelf.
Daarvoor moet toch eerst iets gebeuren?
Als ik naar mijzelf kijk, zoals ik in de afgelopen week heb geleefd.
Of gisteravond nog, of vannacht.
U moet eens weten wat ik toen gedaan heb.
Als u dat wist, had u voor mij wel een uitzondering gemaakt.
Of denkt bijzelf: ik onderdeel van de gemeente van Christus?
Ik zit hier wel, maar ik ben er alleen omdat ik van mijn ouders moet.
En ik ben hier wel, maar u moest eens weten wat ik gisteravond – vannacht – heb gedaan.
Gemeente van Christus, wat een hoge aanspraak!
Dan moet u maar niet verder lezen hoe Paulus verder gaat: met al de heiligen.
Stel dat deze brief aan u als gemeente gericht was:
aan gemeente van God samen met al de heiligen op de Noordoostveluwe…
Heiligen… Voor Paulus geen verschil met die eerste aanspraak.
Maar dan moet u ook weten wat gemeente betekent:
Dat woord dat door Paulus gebruikt wordt betekent: ergens uit geroepen zijn.
U bent een gemeente, omdat u uit de wereld geroepen bent,
u, jij hebt de stem van God vernomen en hebt daarnaar geluisterd en u bent naar God toegegaan.
Uw oude leven hebt u achtergelaten, omdat u dat in die stem hoorde.
U, jij leeft wel hier op deze wereld, misschien ook wel tussen allemaal mensen die God niet kennen,
die anders leven, maar je bent niet van de wereld.
Je doet volop mee, je hebt gisteren de finale van de Champions Leage gevolgd,
of op gevoetbald, je paard verzorgd.
Je hebt in de afgelopen week je werk gedaan,
omdat het moest (voor sommigen kan het werk een last zijn), de ander met veel plezier.
Daarin ben je niet anders dan je collega die niet gelooft,
je bent anders, omdat je allereerst van Christus bent en door Christus weer van God.
Omdat God in je leven gewerkt heeft.
Misschien via een bijzondere ervaring, of misschien wel op een heel onopvallende manier,
omdat je ouders hebt ontvangen die je bij de Heere brachten en je erin opvoedden.
Het kan bij u en bij jou allemaal op een andere manier gegaan zijn.
Er zijn er ook die een tijd lang niet meer naar de kerk gegaan zijn,
maar de kerkgang nu weer hebben opgepakt.
De gemeenteleden in Korinthe waren over het algemeen heidenen,
Grieken die de God van Israël niet kenden,
die de goden van de Grieken hadden gediend: Zeus, Hermes, Apollos,
zoals zij van hun ouders hadden geleerd.
Zij hadden de boodschap van Paulus gehoord en er was in hun leven een verandering gekomen.
Zij maakten de keuze voor Christus als hun Heer, zij werden gedoopt
en wilden in dienst aan Christus hun leven verder inrichten.
gemakkelijk hebben zij het niet gehad.
We hebben gelezen, dat Paulus spreekt over het mee-lijden met Christus,
zo was het voor de gemeente van Korinthe:
een moeizaam leven, omdat zij de keuze hadden gemaakt.

En dan zegt u: ja, dan kan ik mij wel voorstellen dat Paulus hen aanspreekt
als gemeente van Christus, want zij hebben het laten zien.
Nou nee, we zullen het in de komende weken ook zien
in de serie over deze brief: in de gemeente is er van alles aan de hand.
In de gemeente is er iemand die in openlijke zonde leeft, waarbij de kerkenraad wel van de omstandigheden op de hoogte is, maar niet beseft dat het om een zonde gaat.
De gemeente ligt met Paulus overhoop: zijn preken, zijn verschijning stellen weinig voor.
ze hebben liever iemand anders, Apollos bijvoorbeeld.
Gemeente van Christus?
Wanneer de gemeente van Korinthe het zelfonderzoek in aanloop naar de viering van het Heilig Avondmaal serieus zou nemen, zou het moeten zeggen:
Wij kunnen geen avondmaal vieren.
Wij leven onder de maat – onder de maat van Christus.
wij zijn van Christus, maar wij leven hier niet naar.
En u?
Hebt u er in de afgelopen week uit geleefd?
Was je in de afgelopen week ook echt van Christus?

De gemeente is in Korinthe wordt door Paulus gemeente van God genoemd,
niet omdat deze gemeente zo geweldig is, of omdat deze gemeente het zo goed doet,
maar om Christus, om de keuze van God voor deze gemeente.
Het is ook voor de gemeente van Korinthe louter genade dat zij zo genoemd mag worden.
Dat ook voor hen de genade en vrede van God is.
En ook voor u geldt: gemeente van Christus bent u – omwille van Christus,
Omdat de Heere u geroepen heeft en nu ook weer roept,
omdat de Heere trouw en genadig is, daarom mag u deze naam dragen: gemeente van Christus
Zijn eigendom !
Daarom kan in deze week het Heilig Avondmaal worden voorbereid.
Niet als bewijs van goed gedrag, niet als bevestiging dat wij het zo goed doen.
Maar als geschenk – als teken van Gods barmhartigheid.
Tot onze troost, om u houvast te geven, omdat het voor u ook niet altijd gemakkelijk is om volgeling van Christus te zijn.
Hier in deze wereld, met zoveel verleidingen die u steeds van Christus willen wegtrekken
en je vol wilt laten zijn van wat deze wereld te bieden heeft.
Omdat het niet gemakkelijk is om werkelijk van Christus te zijn, omdat wij geregeld verkeerde keuzes maken en ons toch weer laten meenemen – van God vandaan.
Omdat wij toch weer aan Christus voorbij hebben geleefd.
En toch – gemeente van Christus:
dat zegt niet alleen iets over ons verleden, maar ook over ons heden.
Over wat wij zijn in het hier en nu, op dit moment, en vanavond en morgen als wij weer aan het werk zijn of als wij koffievisite hebben, onze boodschappen doen,
met anderen spreken, over anderen spreken.
Gemeente van Christus,
en daarom vieren wij volgende week: om het weer in te prenten van wie zijn – van Christus
Om op nieuw te ontvangen wat wij zijn: gemeente van Christus
Telkens weer een geschenk – onverdiende genade.
Als bemoediging: de weg die u insloeg is door God geleid.
U komt bij Hem uit, want Hij riep u.
Als bemoediging als u er in uw gezin alleen voorstaat: God houdt u vast en zal u kracht en troost geven om in uw gezin uit Hem te leven.

Maar ook als aansporing: want het woord troost dat Paulus gebruikt
betekent ook aansporing en vermaning.
Betekent: bewaard blijven in de gemeenschap van Christus.
Gemeente van Christus, dat is uw roeping – om uit Hem te leven.
Maar die oproep, vermaning is ook troost. Hetzelfde woord.
God bewaart ons in die gemeenschap, zegt Paulus
Hij mag het uit eigen ervaring zeggen. En ik hoop dat u dat ook mag zeggen: Hij bewaart mij in die gemeenschap.
Zo niet, dan wordt u in deze week aangespoord en geroepen om weer met Hem te leven.
Dan klinkt Zijn stem om u te roepen, stil te zetten:
Het leven ligt alleen maar in Mij, in Christus.
Alleen dat geeft houvast.
Dat andere leven, dat lijkt mooi en dat lijkt nu ook veel te bieden,
maar vergis je niet.
Dit leven duurt maar kort, er komt een einde aan.
Soms al hier in dit leven. Het leven is hier niet altijd gemakkelijk!
Maar ook als we voor God komen, waar gaat het dan heen?
God wil ons troosten, houvast geven, eeuwig leven, gemeenschap met Hem.

Geprezen zij God om wat Hij mij, wat Hij u als gemeente geeft!
Amen

‘De Heilige Geest is zo vaag…’

‘De Heilige Geest is zo vaag…’

‘Ik zou niet goed weten wat ik mij bij de Heilige Geest moet voorstellen. Bij God de Vader heb ik nog wel een beeld en bij Jezus kan ik mij van alles voorstellen, maar bij de Heilige Geest niet. De Heilige Geest is zo vaag.’
Dat was een reactie van een van de belijdeniscatechisanten toen de Heilige Geest aan de orde kwam. De andere deelnemers herkenden zich in deze opmerking.

Deze opmerking houdt mij sindsdien bezig. Mensen die heel concreet en beeldend denken kunnen dus moeite hebben met (onderdelen van) onze geloofsleer. In de gemeente zijn er heel wat die behoefte hebben aan concrete beelden: kinderen en jongeren, gemeenteleden met een verstandelijke beperking en ook een deel van de volwassenen. Dit zijn gemeenteleden die tijdens de preek of tijdens de catechisatie zich graag van iets van wat er wordt gezegd een voorstelling willen kunnen maken .

Abstract
Een concrete voorstelling van de Heilige Geest is nog niet zo eenvoudig. Door de bovengenoemde opmerking over de vaagheid van de Heilige Geest valt mij op, dat het theologisch nadenken over de Heilige Geest vaak op een abstracte manier gebeurt. Dan gaat het over de relatie tussen de Geest aan de ene kant en de Vader met de Zoon aan de andere kant. Of over hoe de Geest in ons werkt. Dan gaat het over de vraag wat de overeenkomsten en de verschillen zijn tussen de Heilige Geest en de menselijke geest. Of tussen het werk van de Geest en de tijdgeest. De moeite om concreet iets bij de Heilige Geest iets voor te stellen komt vaak zelfs niet eens aan de orde. In de boeken over geloofsopvoeding of godsdienstonderwijs komt deze problematiek ook niet aan de orde.

Beelden
Nu zijn er veel beelden van de Geest. Het Hebreeuwse woord voor Geest (‘ruach’) kan ook wind of (levens)adem betekenen. In het Nieuwe Testament kan de Geest ook worden vergeleken met de wind of als een kracht. De Geest verschijnt in een vorm van een duif of met vuurvlammen. Dit zijn echter metaforen of vergelijkingen. Zo kan de wind, een vuurvlam of de duif een metafoor voor de Geest zijn. Dat houdt in dat de Geest niet de wind, of een vuurvlam of een duif is, maar dat kenmerken van de Geest kunnen worden uitgelegd met kenmerken van de wind, een vuurvlam of een duif. Deze beelden vragen een denkstap: de Geest is niet de wind, maar is als de wind. Wanneer zijn kinderen en jongeren in staat om deze vergelijkingen die een extra denkstap vragen adequaat te begrijpen?

Verhaal
Een extra moeilijkheid bij het Pinksterfeest is dat het verhaal bij dit feest voor kinderen niet direct begrijpelijk is. Er moet nogal wat uitgelegd worden: de reden waarom al die mensen aanwezig zijn en dus ook de Joodse betekenis van het Wekenfeest, de tekenen van wind, vuur en het spreken in andere talen. Ook bij het navertellen van Handelingen 2 geldt dat het niet eenvoudig is het gebeuren van de uitstorting van de Heilige Geest voor te stellen. Hoe moeten wij ons bijvoorbeeld de vuurvlammen boven de hoofden van de mensen voorstellen?
Overigens, kan het spreken in een andere taal wellicht een mooie invalshoek zijn om het Pinksterfeest voor de kinderen in de basisschoolleeftijd aan de orde te stellen. Kinderen vinden het vaak interessant om in aanraking te komen met een vreemde taal.

Geloofsopvoeding
Voor de geloofsopvoeding heeft de moeite om de Geest concreet voor te stellen wel gevolgen. De Heilige Geest is niet een leuk extraatje (dat eventueel kan worden gemist). De Heilige Geest is voor het christelijk geloof fundamenteel: Hij stelt Christus present in deze wereld; de Geest verbindt ons aan Christus en brengt Christus in ons hart.
In de geloofsopvoeding en (in de prediking!) staan we dus voor de uitdaging om na te denken op welke manier de Geest concreet te maken is. Hoe moeten wij ons de Heilige Geest voorstellen?
Daarnaast staan we dus voor de uitdaging om kinderen, jongeren en volwassenen te oefenen in het maken van de denkstappen van een vergelijking. De Heilige Geest is als …

Feest
Ook het Pinksterfeest kan een manier zijn om de Geest ‘dichterbij’ te brengen. Al is de Geest moeilijk voor te stellen en zijn de verhalen over de Heilige Geest niet eenvoudig te begrijpen, het Pinksterfeest is elk jaar een reden om niet alleen stil te staan bij de Heilige Geest, maar ook om zijn aanwezigheid en Zijn werk te vieren. Als er dan belijdenis wordt gedaan met Pinksteren kunnen kinderen en jongeren in ieder geval concreet het resultaat van de Geest zien: Hij verbindt mensen met Christus.

Preek Tweede Pinksterdag 2013

Preek Tweede Pinksterdag 2013
Joël 2:21-32

Tekst: Joël 2:28:
Daarna zal het geschieden
dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees:
uw zonen en uw dochters zullen profeteren,
uw ouderen zullen dromen dromen,
uw jongemannen zullen visioenen zien.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We hebben een heel droog voorjaar achter de rug. Dat is voor de kinderen en de jongeren heel prettig geweest. Zij hoefden in de afgelopen maanden heel weinig de regenpak aan te trekken op weg naar school. En er waren ook geen dagen waarop je onderweg van school naar huis werd overvallen door de regen.
Boeren en tuinliefhebbers kijken daar anders tegenaan. Enkele weken geleden was ik met iemand aan het praten die in de tuin werkte en diegene keek naar de donkere lucht en zei met spijt in zijn stem: ‘Het zal wel weer overwaaien. Geen regen dus.’
Van boeren hoorde ik dat zij weken achterliepen. Doordat het niet regende, groeide het gras niet en konden zij later dan gepland gras maaien. Ook de bomen bleven lang zonder blad. Toen het in de afgelopen weken regende, ging het opeens hard: de bomen zaten zo weer volop in het blad, het gras schoot omhoog. Regen zorgt ervoor dat de planten groeien. Regen heeft groeikracht. Als het geregend heeft, brengt de natuur weer nieuw leven voort.

De profeet Joël gebruikt het beeld van de regenbui om aan te geven dat er een nieuwe toekomst in aantocht is. De tijd dat het land er dor en droog bijligt, zal binnenkort voorbij zijn. De akkers zullen weer vol koren staan en degenen die langs de akkers lopen, zullen tegen elkaar zeggen: ‘dat is lang geleden dat het koren er zo uitbundig bij heeft gestaan. Het lijkt wel of het koren zich juichend naar de hemel strekt om de Schepper te loven die weer Zijn regen gezonden heeft.’
En ze zullen verder denken aan de oogst die er zal zijn en wat het voor hen betekent: eindelijk weer brood op de plank, eindelijk kunnen ze hun kinderen weer voeden en hoeven ze niet meer tegen de hongerige kinderen te zeggen: Sorry, maar we hebben geen brood meer. Die moeilijke tijd zal voorbij zijn – omdat er weer regen gekomen is, de periode van droogte is voorbij. De weiden die er bruin en uitgedroogd bijlagen, zullen weer een frisse groene kleur hebben. Er zullen weer dieren worden gezien die op deze uitgestrekte vlakten zullen grazen. De herten, de schapen, de koeien en de geiten – ze hebben weer te eten. Regen betekent: een nieuwe toekomst. Regen betekent: leven is weer mogelijk. Het is een nieuwe toekomst die door de Heere gegeven wordt.
Regen, zegt Joël, is ook een teken. Je moet verder kijken dan alleen maar het frisse groen op de velden, verder kijken dan alleen het koren dat nu omhoog staat. Deze regen en deze nieuwe toekomst laten iets zien, namelijk dat God er weer is. Daarom mag het volk verheugd zijn, daarom mogen de akkers juichen daarom hoeven de dieren op het veld niet meer bang te zijn, omdat God er weer is.

Pinksteren is daarom het feest van de omkeer. Niet alleen van de omkeer van mensen naar God, mensen die door de Geest geroepen worden en wereldwijd weer naar God worden teruggebracht. Pinksteren is ook het feest van de omkeer van God. De terugkeer van God bij Zijn volk. Een terugkeer die vreugde bij het land en het volk teweegbrengt, ook omdat de aanwezigheid van de Heere weer zegen betekent. God komt terug!

Je zou verwachten dat het volk daar naar uitkijkt, naar de komst van de Heere. Maar nee, het volk en het land moeten opgeroepen worden om vol vreugde uit te kijken naar de komst van de Heere. Waarom ontbreekt de vreugde? Waarom is er nu nog geen juichstemming onder het volk?

Omdat er vrees is voor de Heere. Ze weten dat Zijn komst niet altijd positief is. Er is namelijk een groot leger van verschillende sprinkhanen over het land getrokken, sprinkhanen zijn kleine beestjes, maar als een zwerm over je akker komt, kunnen ze alles kaalvreten. Het zou best eens kunnen zijn, dat er bedoeld wordt dat vijandelijke legers in het land hebben huisgehouden, de huizen en de akkers hebben geplunderd, de tactiek van de verschroeide aarde: niets meer overlaten voor de inwoners van het land. En dan zegt de Heere: dat was Mijn leger (2:25). Geen wonder, dat het volk terughoudend is. Op welke manier komt de Heer nu terug? Om te veroordelen en te verwoesten?
Om een spoor van vernieling achter te laten?

Nee, zegt Joël en hij mag het namens de Heere zeggen: geen verwoesting, geen oordeel, maar een terugkeer die een nieuwe komst inluidt: een tijd waarin er weer eten is, waarin het beschadigde en vernietigde land wordt hersteld door de kracht van God. Waarop God er weer is met Zijn zegenende aanwezigheid. Te merken aan de overvloed aan eten en drinken, aan vreugde en zorgeloosheid die er weer zal zijn. Nu keert de Heere zich niet meer tegen Zijn volk, nu geen woede en toorn meer omdat zij Hem hadden verlaten, maar een ijver, een strijd voor Zijn volk. En degenen die het niet kunnen geloven, worden door Joël opgeroepen in naam van God – om er met vreugde naar uit te kijken – naar de komst van God en wat dat met zich meebrengt. God die weer onder Zijn volk woont. Jullie zullen het zien – de belofte! – dat Ik er ben – onder jullie woon. In jullie midden ben. Ik zal jullie God weer zijn. Hiermee geeft de Heere aan, dat het verbond dat Hij gesloten heeft, weer vernieuwd wordt. Ik zal weer als jullie God voor jullie zorgen, jullie beschermen en zegenen.

En dan zegt Joël: daarna zal het gebeuren. De Heere geeft een daarna, een nieuwe tijd. Opnieuw het beeld van een regenbui, maar dan als beeld voor de Heilige Geest. Daarna zal het geschieden dat de Geest komt als een stortbui. Over iedereen. Joël zegt niet zomaar over iedereen. Hij gebruikt een woord dat de kwetsbaarheid aangeeft. De Geest komt over de broze mensen, zoals de mensen die in Juda woonden en het meegemaakt hebben dat de soldaten hun stallen leegroofden en huishielden op hun erven, die weliswaar overleefden, maar dan ternauwernood en dan vaak beschadigd en gekwetst, getraumatiseerd, van de toekomst beroofd. Over hen zal de Geest komen. Zij zullen de Heilige Geest over zich ontvangen.

De profetie van Joël lijkt op het eerste gezicht de aankondiging van een aanstekelijk en enthousiasmerend gebeuren te zijn, waar iedereen vol is van de Geest en allerlei bijzondere geesteservaringen ondergaat, van visioenen, dromen en profetieën. De mensen die hier de Heilige Geest over zich uitgestort zijn, zijn uitgebluste mensen, beschadigd en vernederd, alle hoop op een toekomst verloren. Over hen en in hen voltrekt zich een wonder.
De jongens en meisjes die deze ellende voor hun ogen hebben gezien, die dit een leven lang moeten meedragen, die later als ze volwassen zijn of ouder gewordenzijn, zullen zeggen: we hebben een verloren jeugd gehad, zij mogen het in naam van de Heilige Geest zeggen: voor ons land, voor ons volk, voor IsraËl is er een nieuwe toekomst, omdat God Zijn verbond gehouden heeft.
De ouderen die nog weten hoe het vroeger was, toen de Heere er nog wel was, maar nu alleen maar om zich heen die ellende kunnen zien, zij mogen weer dromen over een nieuwe toekomst voor hun kinderen en kleinkinderen. Zij ontvangen een droom waarin de Heere laat zien welke nieuwe weg Hij inslaat met Zijn volk, de weg van bevrijding en herstel, het verdriet mag achter gelaten worden en de tranen gedroogd, de wonden genezen, want God is er.
De jongemannen die gediend hebben in het leger, degenen die gestreden hebben maar verloren hebben, omdat er tegen die overmacht aan legers niet te vechten was, zij mogen een visioen ontvangen. Een toekomstbeeld van een vrij en rustig land, omdat God vrede en rust brengt. Wellicht hangen ze mismoedig rond op de erven van de verwoeste boerderijen. Wellicht komen ze bij elkaar, teleurgestelde en cynische jongeren, veteraan in de oorlog, misschien ook wel invalide door oorlogsverwondingen en onbruikbaar voor de opbouw van het land na deze ravage. Juist zij krijgen een toekomstperspectief te zien: God is er weer. Zoals Hij Zijn volk uit Egypte bevrijdde – diezelfde tekenen zullen weer te zien zijn. God is weer terug en daarom deelt Hij Zijn Geest uit. Als belofte voor de nieuwe toekomst voor Zijn volk.

Eeuwen later staat er een man op het tempelplein. Het is er druk, omdat van heinde en verre mensen gekomen zijn om het feest in Jeruzalem te vieren. En hij spreekt over deze profetie.
Petrus zegt: die mismoedige mensen, die gekwetste mensen, dat zijn u en ik. U omdat u Jezus hebt gedood en ik omdat ik Jezus heb verloochend. En wat u nu ziet, is dat die Jezus die u hebt gedood Zijn Geest uitstort. Zoals Joël het mocht zeggen dat God er weer was, zo mag ik het u verkondigen: door die Geest laat Christus van zich horen, die Jezus die jullie hebben gedood. Wat jullie nu zien is dat die Jezus Zijn Geest vanuit de hemel heeft uitgestort. De vervulling van Joëls profetie.

Dat lijkt toch niet op de profetie van Joël. Want dat was toch de aankondiging van een nieuwe tijd, van genade en ontferming, van terugkeer van God? En Petrus beschuldigt, confronteert, klaagt aan.
Maar Petrus dwingt hen deze Heere aan te roepen. En dan is het effect hetzelfde. Joël mocht aankondigen: wie aanroept, zal behoud vinden. Petrus zegt: dat is nu in deze Jezus vervuld. Pinksteren: Gods omkeer en onze omkeer tot God.
Amen

NB: Prof. dr. H.G.L. Peels heeft eens een mooi boekje uitgegeven over het thema de terugkeer van God: “De omkeer van God in het Oude Testament”. In de reeks: Apeldoornse Studies. Verkrijgbaar bij de Theologische Universiteit Apeldoorn.

Preek 19 mei 2013 Eerste Pinksterdag en belijdenisdienst

Preek 19 mei 2013 Eerste Pinksterdag en belijdenisdienst
Efeze 1:3-14
tekst: vers 4: omdat Hij ons vóór de grondlegging van de wereld in Hem uitverkoren heeft, opdat wij heilig en smetteloos voor Hem zouden zijn in de liefde.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie
Vandaag is het zover. Voor het oog van alle mensen hier in de kerk zul je straks opstaan, je ja-woord geven en knielen. Een belangrijk moment in je leven. Zulke belangrijke momenten in het leven zijn vaak ook spannend om mee te maken. Je leeft er naar toe en je kijkt er naar uit en toch die spanning.
Ik zie dat ook vaak bij trouwdiensten. Van tevoren zeggen aanstaande bruidsparen dat de kerkdienst voor hen het belangrijkste moment van de dag is. Als ik hen dan tijdens de dienst aankijk, zijn ze vaak zo gespannen, dat ik mij wel eens afvraag of bruidegom en bruid er nog wel iets van opvangen. Die gespannenheid komt natuurlijk ook, omdat het een belangrijk moment gaat: het ontvangen van de zegen, de belofte van trouw aan elkaar.
Vandaag is er weer een belangrijke dag in jullie leven. Het is niet niets om je ja-woord tegen God uit te spreken en dat ook nog eens voor in de kerk. Jullie wijden je vanmorgen toe aan de Heere. Je zegt – met ons allemaal als getuige: ik wil niet meer zonder de Heere leven. Deze dag is niet alleen voor jullie bijzonder, maar ook voor ons als gemeente. Ik merk het bij verschillende gemeenteleden gemerkt, dat zij uitkeken naar deze zondag, omdat jullie belijdenis doen. Wij zijn nu getuige en het bemoedigt ons weer. Degenen die nog geen belijdenis gedaan hebben, worden vanmorgen weer aan het denken gezet: waarom doe ik geen belijdenis? Het zal ook voor jullie ouders een bijzonder moment zijn: jullie hebben allemaal de doop ontvangen. Dat hebben jullie ouders niet zomaar gedaan. Daar spreekt toch de hoop uit dat jullie eens vanuit het geloof zouden leven. Ik kan me voorstellen dat het voor u als ouders ook een ontroerend moment is, nu je kind zich toewijdt aan de Heere. Vanaf deze plaats wil ik u dan ook van harte feliciteren met deze zegen in uw leven. Op zo’n morgen kan een lege plaats ook worden gevoeld.

(2) Wanneer is die relatie begonnen?
Jullie doen vanmorgen in het openbaar belijdenis van je geloof. Dat wil zeggen: je geeft aan dat er een relatie is met de Heere, die je niet meer kwijt wilt. Je geeft aan, dat je voor altijd uit de relatie met de Heere wilt leven.
Wanneer is die relatie begonnen? En dat geldt ook voor de andere aanwezigen hier in de kerk: Wanneer is het voor u begonnen, de relatie met de Heere? Wanneer wist jij voor het eerst: ik hoor bij de Heere Jezus en ik wil heb liefhebben en volgen? In het afgelopen seizoen hebben wij daar ook bij stil gestaan. Bij sommigen van jullie is er een tijd geweest dat het leven met God op een laag pitje stond. Het zei je niet zo veel. Geen belangstelling voor catechisatie en daarom er met 16 al van af. Je ging wel naar de kerk, maar het ging helemaal langs je heen omdat je er niet in geïnteresseerd was. Of zelfs een hele tijd niet meer naar de kerk, omdat je God niet begreep.
Als we vandaag terugkijken op die periode, dan kunnen we zeggen dat er veel is veranderd. Soms een langzaam proces, waarbij je steeds meer toegroeide naar deze keuze. Wanneer is de relatie begonnen? Toen je je openstelde voor God? Of toen anderen zeiden: je haalt het geloof er ook altijd bij? Of begint het vandaag – met deze openlijke keuze?
Als we in de Bijbel lezen, bij Paulus, het gedeelte dat we vanmorgen hebben gelezen, staat er iets heel anders: omdat God ons vóór de grondlegging van de wereld heeft uitgekozen. Sta daar eens bij stil: vóór de grondlegging van de wereld. Dat is dus vóórdat jullie je openstelden voor het geloof, voor God. Al hebben mensen nogal eens de neiging als ze een duidelijk moment in hun leven hebben, waarop zij tot geloof kwamen, een bekeringsmoment, dat ze zeggen: toen is het begonnen. Nee, voor de grondlegging van de wereld.
Zelfs voordat je werd gedoopt. De doop wordt door veel ouders gezien als een lijntje dat gelegd wordt met God en hun kind. Wat er ook gebeurt, dat lijntje is in ieder geval gelegd, tussen het leven van een pasgeboren kind en God. Nee, de relatie met God is er reeds voor onze geboorte. Ouders kunnen bij de geboorte van een kind wel heel sterk ervaren dat God met hen bezig is, zo’n bijzondere ervaring is een geboorte. Zelfs voordat wij geboren werden, voordat u en voordat jij geboren werd.
Paulus zegt: voordat de wereld gegrondvest werd. Voordat de wereld werd geschapen, voordat de wereld begon, toen heeft God al gezegd: Ik heb jou, ik heb u op het oog.
En dat is ook voor jullie, kinderen! Dat geldt niet alleen voor de 5 volwassenen hier voor in de kerk, maar dat mag ook voor jou gelden. Als je weet bij jezelf: ik wil bij de Heere Jezus horen, ik luister graag naar de verhalen over God, ik denk er graag over na. Dat kunnen ook hele ingewikkelde vragen zijn, die je vader en je moeder niet kunnen beantwoorden. Voordat God de wereld geschapen had, wilde Hij al dat deze 5 volwassenen tot geloof zouden komen en wilde Hij ook dat jullie erover zouden horen, zodat ook jullie zouden geloven en bij Hem zouden willen horen. Voordat de wereld geschapen werd.

(3) Betrouwbare keuze
Paulus zegt dat overigens niet – voordat de wereld geschapen werd. Hij zegt: vóór de grondlegging van de wereld. Paulus bedoelde daarmee: voordat de wereld zijn fundament kreeg. Dat lijkt een rare gedachte – heeft onze wereld een fundament? Onze wereld is toch rond? Onze aarde staat toch nergens op? Het is een vergelijking van Paulus. Paulus had ook gewoon kunnen zeggen: voordat God de wereld schiep, wilde Hij ons uitkiezen. Dat doet hij niet voor niets. Een fundament is namelijk heel belangrijk. Als een huis geen fundament heeft, zou het instorten. Hier in Oldebroek heb ik niet gehoord dat bij de nieuwbouw van huizen geheid werd. In Veenendaal, waar ik geboren ben, gebeurde dat wel altijd. ’s Morgens vroeg begon dat al: boing – boing. Als dat niet gebeurde, zou het huis later scheef komen te staan, net zoals de toren van Pisa. Grondlegging van de wereld, dat geeft aan dat onze wereld een fundament heeft. We vallen wij niet van de wereld af. Onze wereld valt niet uit elkaar. Zoals de Bijbel zegt: onze wereld heeft het fundament van Gods trouw en gerechtigheid. Als Paulus wijst op het fundament van de wereld, wijst hij daarmee ook op de betrouwbaarheid van God. Zo betrouwbaar zijn keuze voor ons.
Voor de grondlegging van de wereld, Paulus neemt ons mee naar het begin van onze wereld
en herinnert ons eraan dat de wereld gebouwd is op een fundament: van Gods trouw. Als we over deze wereld lopen, weten we dat we er niet afvallen, dat bergen niet zomaar instorten, er is een orde in deze wereld, een basis, die betrouwbaar is, omdat deze orde door God is geschapen. Daarom spreekt Paulus over dat fundament, de grondlegging van de wereld. Zo zeker als we kunnen zijn van deze wereld, de natuurwetten, de orde, zo zeker kunnen we ook zijn van de keuze die God heeft gemaakt voor ons. Zo zeker als we weten dat de aarde niet uit elkaar valt maar houvast heeft, zo zeker mogen we zijn van de keuze van God voor ons.
Een keuze die Hij maakte voor Hij de wereld schiep, voordat Hij ons het leven gaf, voordat wij aanvingen met leven. Bijzonder he, dat dát aan ons leven vooraf gaat: Gods keuze, zelfs aan de wereld vooraf gaat! Een keuze waar God niet op terugkomt. Dat kan God niet, terugkomen op een keuze die Hij heeft gemaakt. Het ligt vast, van eeuwigheid tot eeuwigheid. ER is niets of niemand betrouwbaarder dan God. En dat geldt ook voor de keuze die Hij heeft gemaakt.
Wij kunnen ons dat niet voorstellen. Als wij uitkiezen, kunnen wij nog wel eens van keuze veranderen. Dat geldt voor kinderen: als er iemand bijna jarig, kan hij tegen een van zijn vrienden zeggen: “Ik neem jou mee de klassen rond.” En als hij dan jarig is, kan hij opeens kiezen voor heel iemand anders, iemand met wie hij nooit speelt. Zo maar een willekeurige keuze, hij heeft iets beloofd en komt het niet na. Veranderd van gedachte. Ook bij volwassenen kan dat gelden. Een bruidegom kan vol overtuiging op een bruiloft “ja!” zeggen tegen zijn bruid – of omgekeerd. Soms kan al na een jaar het huwelijk over zijn. Soms na jaren. Een keuze gemaakt, een belofte gedaan – tot de dood scheidt. Dan … veranderde omstandigheden. De liefde is over, uit elkaar gegroeid, vreemdgegaan …
Gods keuze ligt vast. Voor de grondlegging van de wereld – dat houdt in, dat niets deze keuze kan beïnvloeden. Dat houdt ook in, dat ook wij geen invloed hebben op deze keuze. Als God uitkiest, zegt Hij niet: jij bent niet interessant genoeg, jou kies ik niet. Of jij bent zo bijzonder! Jou kies ik. Hij kiest niet iemand op basis van wat wij kunnen. Ook niet op basis van ons geloof. De keuze die op u viel, de keuze die de Heere voor u maakte, maakte Hij niet omdat Hij van tevoren zag dat u belijdenis zou doen, of dat jij zo’n gelovige jongere zou worden. Gods keuze werkt niet zoals een scout bij een topclub, die verschillende clubs langsgaat om de talenten in de dop te scouten en te werven voor Zijn club. Als de Heere kiest, werkt Hij niet zoals een recruiter voor een groot bedrijf, die op zoek gaat naar iemand die veelbelovend is en een talentvolle werknemer kan worden.
Vaak denken we wel zo over God. Als iemand die het beste kiest, de beste selecteert. Dan denkt u vast: nou, daar hoor ik niet bij. Dat is voor mij niet weggelegd. Ik zal u zeggen: dan hadden de belijdeniscatechisanten hier ook niet voor in de kerk gezeten, als God kiest op basis van wat wij hebben in te brengen.
Ik vind dat de tragiek van onze gemeente: wat ons het meeste houvast zou moeten geven, Gods keuze, niets heeft meer stabiliteit dan God en Zijn keuze, is tot het meest onzekere geworden dat er is: Is het wel voor mij? Het zal wel niet voor mij weggelegd. Het zou wel eens de meest succesvolle strategie van de duivel kunnen zijn om ons bij Christus vandaan te houden, om ons in de waan te brengen, dat zoiets niet voor ons is weggelegd. Dan is er maar één remedie: dat de satan de wacht wordt aangezegd – in Gods naam: zwijg. Laat hem, laat haar gaan. De satan maakt vaak gebruik van onze kwetsbare punten en dat geldt ook hier. Voor de ouderen is dat je je niet teveel moet inbeelden
en voor de jongeren dat de norm van God zo hoog is dat wij er niet aan kunnen voldoen. Ergens klopt het ook – in wat de satan zegt, zit altijd een kern van waarheid. Wij kunnen niet aan de norm voldoen!

(4) In Christus uitverkoren
Daarom schrijft Paulus ook dat deze keuze voor ons geldt – in Christus. Daar kunnen we niet aan voorbij. Als God voor ons kiest, doet Hij dat in Christus en heeft Hij het in Christus laten zien. Christus, dat is het bewijs dat Hij voor ons gekozen heeft en ons heeft willen uitkiezen. Zijn keuze voor ons is omwille van Christus. Hoor ik bij God? Als ik van Christus geworden ben wel. Als mijn naam, mijn leven maar met Christus verbonden wordt, dan is het goed. Dat is mijn redding – in Christus. Die twee woorden – in Christus – zijn voor Paulus hele belangrijke woorden. Die kunnen we niet overslaan. Wanneer gebeurt dat dan? Al voor de grondlegging van de wereld …. Wil God ons leven met Hem, met Christus verbinden.
Daarom geeft Hij de meesten van ons een christelijke opvoeding. Daarin geeft Hij de mogelijkheid om het geloof te leren kennen, om Christus te aanvaarden. Heere, dank u wel dat U dat aan mij wilt geven. Elke keer als u een preek hoort, als mensen er met u over spreken, wordt u geroepen: Kom dan – naar Mij, in Mij is het. Kom dan, kom dan! Dat is ook het werk van de Heilige Geest. Hij trekt ons steeds meer naar Christus toe. Onzichtbaar verbindt Hij een touw aan ons en trekt ons – zonder dat we het weten – steeds meer naar Christus toe. Totdat wij bij Hem komen. En dat doet de Geest niet zomaar. Dat doet de Geest niet voor niets. Als Paulus schrijft, dat wij in Christus gekozen zijn heeft dat namelijk een dubbele betekenis. Allereerst, zoals ik al zei: God kiest voor ons omwille van Christus, Zijn keuze geldt omdat Christus voor ons gekomen is en gestorven is en de schuld gedragen heeft.
Voor Paulus heeft in Christus nog een betekenis: Hij bedoelt daarmee een ruimte, een gebied.
Geloven betekent, dat wij zijn verhuisd, van gebied zijn veranderd. Wie gelooft, is verhuisd naar een gebied dat Christus heet. Een gebied waarin Hij koning is en waar Hij wordt gediend.
Als de Geest in ons werkt en ons naar Christus trekt, wil Hij ons over de streep trekken:
over de grens – de grens van de wereld naar Christus, naar het nieuwe leven. Geloven betekent: u bent niet meer van deze wereld. Ja, u leeft er nog wel, maar op deze wereld behoort u al toe aan Christus en leeft u in Hem. Waar woon je als je gelooft: in Oldebroek – maar ook in Christus. De werkelijkheid waarin je leeft – midden in deze wereld. eigendom te zijn van Hem. Van eigenaar verwisseld.

(5) Uitverkiezing tot een heilig leven
Daarmee zijn we bij het laatste punt dat ik aan de orde wil stellen: het doel van de uitverkiezing.
Dat doel heeft ook te maken met dat in Christus zijn, in Christus leven. Paulus beschrijft het doel van de uitverkiezing als volgt: om heilig en zuiver te leven. Heilig en zuiver – grote woorden … en toch het doel van God om dat van ons te maken. Hij wil de gevolgen van de zonde uit ons leven weghebben.
zodat wij voor Hem kunnen leven. Paulus stipt dat in dit gedeelte alleen maar aan. Aan het einde van de brief werkt hij het uit.
Dan heeft hij het over hebzucht. Dat past niet bij heiligen, schrijft hij. Geloven gaat dus niet samen met een jacht naar meer geld en nog meer geld en nog rijker worden. Want dan leeft Christus niet in je, maar de mammon.
Geloven gaat ook niet samen met een gewoonte die hier voorkomt: het veel drinken van alcohol.
Paulus schrijft in hoofdstuk 5 een tegenstelling tussen vervuld raken met alcohol en vervuld raken met de Geest. Wie wil groeien in het geloof, wie van Christus wil zijn en in hem leven, kan niet in het weekend kratten vol bier te halen om die vervolgens na het weekend leeg weer in te leveren. Dat is een belemmering om verder in Christus te groeien. Een keuze van God voor u – zodat u heilig en zuiver gaat leven.
Een laatste voorbeeld: relaties en seksualiteit. Een keuze van God voor u – zodat u heilig en zuiver gaat leven. Daarbij geldt ook een nieuwe norm: zoals Christus met ons omgaat, gaan we met elkaar om. Niet onze norm telt, maar Gods norm – heilig en zuiver leven. Voor Gods aangezicht.

Dat nieuwe leven is allereerst een gave: dat wordt ons gegeven. Wie op de weg van Christus gaat, wie getrokken wordt door de Heilige Geest naar Christus toe merkt dat er onbehagen gaat ontstaan: je wilt bepaalde dingen niet meer. Je wilt niet meer dat je je bezoedelt en bezat. ER komt strijd in je leven – welkom in de strijd. Soms kom je verder en mag je veranderen: oude en verkeerde gewoonten – je hebt ze niet meer nodig, je wilt niet meer, een nieuw leven. Er komt iets anders voor in de plaats: verlangen om de Heere te dienen, te gehoorzamen, te loven. Je groeit in vertrouwen op Hem, in liefde voor Hem, je hebt de vrijmoedigheid om er meer dan vroeger over te spreken, je maakt een keuze voor Hem. Grote en kleine stappen in het leven – die zichtbaar maken, dat Gods Geest in ons werkt en steeds meer meeneemt naar Christus. Dat geeft de Geest ons allemaal – in Christus. En Hij vraagt allereerst maar één ding: wil je bij Christus horen? Wil je dat nieuwe leven?
Dan komt de rest er ook – dat zal de Geest echt geven. Allereerst dat ene: wil je bij Christus horen?
Wat is daarop uw antwoord?
Amen