Vragen bij Romeinen 7

Vragen bij Romeinen 7

1) In de preek zijn twee mogelijkheden om het ‘ik’ te duiden: hier spreekt (a) of de oude mens buiten Christus (Adam en zijn nakomelingen) of (b) hier spreekt de mens die reeds met Christus verbonden is. Welk ‘ik’ is volgens jou aan het woord? Waarom?

2) In de preek wordt een gedeelte van zondag 1 van de Heidelberger Catechismus geciteerd: mijn troost is dat ik eigendom ben van Christus, verlost uit de heerschappij van de duivel. Zou je dat van jezelf kunnen zeggen? Waarom wel / niet?

3) In de preek wordt gekozen voor de visie dat het ‘ik’ de oude mens is. Tegelijkertijd wordt er gezegd: dat oude leven ligt nog op de loer. Door veronachtzaming van de bevrijding kan de zonde weer macht over je krijgen. Wanneer gebeurt dat? Maak dat eens praktisch!

4) In de preek wordt de herinnering van het door Christus bevrijd zijn gekoppeld aan de herinnering aan de doop en aan de voorbereiding van het avondmaal. Op welke manier ben je bezig met je doop? Houd je je doopdag in herinnering? Welke andere vormen heb je om het besef levend te houden dat je gedoopt bent?

5) En hoe ga je om met het avondmaal? Hoe bereid je je voor? Waar ligt het accent op: op de zonde, op de verlossing of op de dankbaarheid? Waar blijkt dat uit?

6) In de preek wordt wel heel stellig gezegd dat het nieuwe leven voor mij is. Is dat terecht? Moet daar het accent op liggen? Of meer op de waarschuwing? Op welke manier zou een waarschuwing kunnen klinken, die mensen echt aan het nadenken zet en bij Christus brengt?

7) In de preek wordt gezegd dat je je ellende alleen door God (of door Zijn wet) kunt kennen. Ben je het daarmee eens? Hoe is dat bij jouzelf gegaan?

 

Advertenties

Preek zondag 12 november 2017

Preek zondag 12 november 2017
Schriftlezing: Genesis 3:1-6; Romeinen 7:14-26
Tekst: vers 20-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wie is die ‘ik’ waar Paulus over spreekt?
De ik die zegt: Want het goede dat ik wil, doe ik niet,
maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.

Er zijn twee mogelijkheden:
De ‘Ik’ die hier spreekt is de oude mens, degene die niet van Christus is.
Of: de ‘ik’ is de gelovige, die reeds van Christus is, bij Hem hoort
en nog steeds – ondanks de band met Christus – een innerlijke worsteling in zich herkent:
de worsteling dat je in jezelf nog steeds een neiging hebt
om precies het tegenovergestelde te doen: het goede niet te doen en het kwade wel.
Wie is die ‘ik’ die hier aan het woord is?

Ik heb altijd meegekregen dat de ‘ik’ die hier aan het woord is
de gelovige is, die na verbonden te zijn met Christus
nog steeds in zich heeft om voor het verkeerde te kiezen.
Ook als je in Christus bent gaan geloven, ben je nog niet los
van die neiging die voor het verkeerde kiest.
Binnen in jezelf weet je dat je het niet moet doen,
maar je doet het toch, omdat er iets in jezelf sterker is waardoor je het toch doet.
Je weet dat je niet mag roddelen, maar toch is er die neiging
om dat verhaal toch door te vertellen – ook al ben je met Christus verbonden.
Je weet dat je iemand niet mag haten, en toch je hebt zo’n sterk gevoel
dat je iemand echt niet mag – ook al behoor je Christus toe.
Ook nadat we bij Christus zijn gekomen, aan Hem toebehoren,
heeft ons eigen ‘ik’ een neiging in zich die destructief is, die kapot kan maken,
dat ondanks alle waarschuwingen die je in de wet van God hoort, je er toch voor te kiest
omdat er in jezelf een neiging is die sterker is, die niet van God komt.
En al wil je het zelf niet, je doet het toch.
Een wil, een verkeerde wil, zondig en vijandig tegenover God, die de macht in je overneemt.

De vraag is alleen of deze uitleg wel helemaal recht doet
aan wat Paulus hier schrijft in zijn brief aan de gemeente in Rome.
Paulus is hier namelijk een verschil aan het uitleggen tussen vroeger en nu:
Vroeger in de tijd zonder Christus,
toen je Hem nog niet kende, toen je nog niet aan Hem verbonden was,
Toen je nog leefde in de macht van de zonde,
was je niet jezelf en kon je niet je eigen gang gaan,
maar was er een ander die over je heerste: de zonde was je te sterk.
Er is echter iets veranderd: een nieuw leven, een leven waarin die macht verbroken is.
Dat andere leven is ook zichtbaar gemaakt, gemarkeerd: door de doop.
De doop – ondergegaan in het water – betekent dat je een nieuw leven bent ingestapt.
De doop en ingaan in dat nieuwe leven betekent ook,
dat er ook een Ander gekomen is, die over uw leven heerst.
Niet meer de zonde die alle macht heeft in je leven,
die macht is verbroken en je hebt een andere Heer gekregen: Jezus Christus.
Je bent bevrijd!
Het is de troost waar zondag 1 van de Heidelberger Catechismus over spreekt:
Mijn enige troost in leven en sterven is, dat ik eigendom ben
van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus.
Hij heeft mij uit de heerschappij van de duivel verlost.
Geworden van een ander, de eigendom van een ander.
Ik behoor niet meer de zonde toe, maar Christus die voor mij stierf aan het kruis.

Ooit sprak iemand mij aan na een kerkdienst.
In de dienst had ik die eerste zondag van de Catechismus gebruikt als geloofsbelijdenis
en het had geklonken dat het een troost is, dat ik nu eigendom ben van mijn Heer.
Ze sprak mij aan, omdat ze zich stoorde aan het woord eigendom.
Het gaf haar helemaal geen troost dat ze eigendom geworden was van Christus.
Dat benauwde haar.
En toen vertelde ze haar levensverhaal.
Hoe ze vastgelopen was in haar relatie,
en dat ze in die relatie steeds meer zichzelf was kwijtgeraakt.
Ze had het gevoel dat ze steeds meer eigendom werd van haar man.
Die relatie was gesprongen, de breuk was heftig geweest
en nu ze op zichzelf woonde, kon ze weer zichzelf worden, vrij zijn, ademen, opleven.
Dat woord eigendom deed haar denken aan die relatie, waar ze juist net uit was.
Eigendom van Christus – dat gaf haar een benauwd gevoel.

Juist die bevrijding uit een band die knelt, waarin je niet meer jezelf kunt zijn,
maar gedwongen om anders te zijn dan je bent
En anders te doen dat je vanuit jezelf zou willen,
de ervaring van die bevrijding dat is juist wat Paulus hier wil aangeven}
en ook wat de Catechismus in het antwoord op zondag 1 aangeeft.
Nog intenser bij Paulus, bij de Catechismus,
Een echte bevrijding, omdat het oude leven, waarin er een macht over je heerst
verbroken is, de gevangenis van de zonde is opengegaan
En het mogelijk is dat die neiging die in ons is, gestopt wordt,
het niet meer voor het zeggen heeft
en dat het patroon om steeds het verkeerde te doen, het verkeerde dat God verboden heeft,
om dat toch te doen – dat het patroon verbroken is.
Romeinen 7 gaat over het oude leven, het schrikbeeld van een leven zonder Christus,
overgeleverd aan die destructieve macht die over ons wil heersen
en ons tegen God wil laten ingaan.
Zo was het vroeger – nu is het anders; God zij dank.
Dat was het oude leven – nu hebben we een nieuw leven ontvangen.
Door Christus onze redder, die ons bevrijdde uit die macht.
Waarom dan nog aandacht voor dat oude leven?
Waarom nog zo vertellen over dat oude leven, op zo’n levendige manier
waardoor je als gelovige, bevrijd en verbonden aan Christus,
jezelf nog kunt herkennen in wat Paulus hier in Romeinen 7 beschrijft?
Omdat dit oude leven nog op de loer ligt om je terug te trekken,
omdat de zonde je niet zomaar wilt laten gaan.

Onlangs was ik samen met Rianne in het Bevrijdingsmuseum in Groesbeek.
Toen we binnenkwamen, zei de mevrouw die bij de kassa zat:
Dit is een Bevrijdingsmuseum, geen oorlogsmuseum.
Er wordt wel over de oorlog verteld en dat maakte ook wel indruk.
De strijd die geleverd is in vanaf september 1944 tot in het voorjaar van 1945 in die regio
door de parachutisten en de grondtroepen, de vele soldaten die gesneuveld zijn.
(We zijn later ook bij een grote Canadese begraafplaats geweest,
indrukwekkend om daar te lopen, de leeftijden te zien
en ook te zien dat een aantal na de oorlog is overleden, waarschijnlijk aan verwondingen).
Het museum was een Bevrijdingsmuseum:
Het verhaal van de oorlog wordt verteld om aan de bezoeker te laten weten:
Je vrijheid is bijzonder. Daar is heel wat aan vooraf gegaan.
Er is een groot offer voor gebracht, door soldaten van ver weg,
die hier meestal vrijwillig kwamen om te strijden, om ons te bevrijden van een vijand.
Te bevrijden van een dictatuur.
Hoe ga je met die vrijheid om? Hoe waardeer je die vrijheid? Hoe vul je die in?
Dat de oorlog veel gekost heeft, dat was mij wel bekend.
Ook in Veenendaal, waar ik opgroeide, was dat besef er.
Omdat dit strijdtoneel geweest is, in de meidagen van 1940
en laat bevrijd als een van de laatste plaatsen.
Daar in dat museum en daar lopend in die regio van Groesbeek
maakte het weer indruk, welk offer er gegeven is.
En kun je het voorstellen hoe het leven er ongeveer uit zal zien
als we die vrijheid verkwanselen.
In een dictatuur terechtkomen zal niet snel gebeuren, daarvoor zit de vrijheid te diep.
Maar ook door onverschilligheid voor anderen, of door gemakzuchtig leven
zonder er bij stil te staan hoe bijzonder het is om in vrijheid te leven
dat we onze bevrijding te danken hebben aan dat offer dat gebracht is.

Zo schrijft ook Paulus over dat offer, dat Christus bracht voor onze bevrijding.
Een groot offer, we zijn bevrijd, we mogen in vrijheid leven.
Waar Paulus over schrijft, die macht die ons beheerste is verleden tijd, voorbij.
Maar pas op. Je moet er niet achteloos van worden.
Je moet scherp blijven, want die onvrijheid kan weer terug komen.
We kunnen onze vrijheid weer kwijtraken, weer in die gevangenschap van de zonde komen.
Daarom spreekt Paulus over deze ‘ik’.
Het is de ik van Adam, en niet alleen van de Adam die uit het paradijs is gestuurd,
maar van elke Adam die sindsdien leefde,
die erachter kwamen welke verwoestende gevolgen de zonde heeft gehad,
niet alleen op onze band met God, maar ook op ons innerlijk, op wat ons aanstuurt, aandrijft.

Hoe kom je er eigenlijk achter, dat de zonde verwoestend is.
Dat die verkeerde neiging er is, dat een ander in jou het stuur heeft overgenomen?
Ontdek je dat zelf? Kom je daar zelf achter, omdat je de negatieve gevolgen ervaart?
Nee, dat de zonde verwoestend werkt, daar kom je niet zelf achter.
Dat ontdek je door de wet.
De wet van God heeft verschillende betekenissen voor een christen.
Een van die betekenissen, een van de functies is dat de wet aanwijst  wat zonde is.
Het is de wet van God die de zonde ontmaskert, die de zonde onthult.
De wet, dat is Gods wil. De wet is heilig en komt bij God vandaan.
In dit gedeelte moet Paulus uitleggen waarom de wet goed is,
want hij heeft gezegd dat de zonde van de wet gebruik maakt om juist de zonde te doen.
Dat werkte aanlokkelijk: Wat je niet mag, dat ga je juist doen.
Wat God in Zijn wet verbood, dat ga je juist opzoeken, dat wil je doen.
Is de wet dan verkeerd, nee: de wet komt bij God vandaan.
Het zijn Gods woorden.
Maar de zonde is er mee aan de haal gegaan.
Toen God Adam verbood in het paradijs om niet van die ene boom te eten
liet God weten dat het niet goed is om te begeren,
dat het niet goed is om iets te pakken wat niet van jezelf is, wat God verboden heeft.
Maar juist daardoor werd die ene vrucht zo aantrekkelijk,
terwijl er duizenden andere vruchten waren, werd juist deze ene vrucht gegeten.
Als je niet mag roken of drinken, dan is het stoer om het wel te doen.
Als je niet veel te hard hard mag rijden of niet zonder licht mag rijden,
dan ga je dat juist wel doen. Om uit te dagen, te provoceren,
om zelf erachter te komen wat er zo slecht is
en dan valt het eerst vaak nog wel mee.
Zo maakt de zonde gebruik van de wet. Provocerend: Kijk mij eens doen wat verboden is
en het valt toch wel mee.

Nee, zegt Paulus het valt niet mee.
Het zorgt ervoor dat je niet meer jezelf bent, je vrijheid kwijt bent,
net als met een verslaving, dat je er niet tegenop gewassen bent, dat je het wel moet doen.
Het kwade dat ik niet wil, dat doe ik toch. Ik kan niet anders, die macht in mij.
Die macht in mij, die tegen God was, die ik in mijn leven heb toegelaten.
Die zorgt ervoor dat ik Gods wet niet meer kan houden.
Die zorgt voor een verscheurd ik, in mijzelf:

Mijn God, gewapend tot de tanden, voeren twee mannen in mij strijd:
één wil dat ik te rechter tijd voor U in liefde zal ontbranden,
de ander wil uw recht aanranden en drijft mij tot opstandigheid.

Ik zoek vrede, maar oorlog maak ik, roep vrede, en pleeg snood verraad.
Het goede willen geeft geen baat. Naar werken van vrede haak ik,
maar ‘t goede dat ik wil verzaak ik, en doe het kwade dat ik haak.

Kom mijn verscheurde hart genezen, o Heer, door uw genade groot;
Ik ben het zelf die weerstand bood. Herstel de eenheid van mijn wezen
en laat U dienen en U vrezen wie eens slaaf was van de dood.

Christus is gekomen, zegt Paulus – God zij dank.
Die verscheurdheid is niet het enige verhaal meer voor wie gelooft,
Die macht over je, die heeft niet meer het laatste woord over jou.

En toch is het goed om dat verleden, dat wat eens was, niet te vergeten,
omdat je er nog mee kunt worstelen,
Zoals er na de oorlog niet gelijk een nieuw bestaan was,
maar de schade hersteld moest worden van de steden die vernield waren,
huizen die bijgebouwd moesten worden, een woningnood die lang aanhield
En in Duitsland degenen die in Hitler en het nationaal-socialisme hadden geloofd
dat gedachtengoed uit hun hoofd moesten krijgen en anders moesten gaan denken,
anders leven, anders handelen, nu gericht op vrede en democratie.
Een nieuw leven, maar niet door dat oude leven te vergeten,
maar te herinneren als het verleden waar we vandaan kwamen, wat achter ons ligt
en wat ons steeds weer kan bedreigen als we losraken van Christus.

Ik kwam tegen dat dit gedeelte gelezen zou kunnen worden
bij een voorbereiding van het avondmaal.
Om weer helder te hebben waarom Christus moest komen, moest lijden, moest sterven
voor onze zonde die over ons leven gekomen was, omdat wij God inruilden
voor die andere macht, meer luisterden naar de slang dan naar God.
En dan dit gedeelte als verootmoediging.

Dit gedeelte zou ook gelezen kunnen worden als herinnering aan onze doop.
Meestal doen we niet zoveel met onze doop. Wellicht als er een doopdienst is.
Maar je zou op de dag waarop je gedoopt bent, dit gedeelte kunnen lezen.
Dat wat ik lees was mijn oude leven. Ik mag nu een nieuw leven hebben.
Maar ik moet wel waakzaam blijven.
Niet denken dat ik dat oude leven heb overwonnen,
maar dat ik dat nieuwe leven heb gekregen – genade van God, door Christus.
Dan lezen we dit gedeelte ook vanuit dankbaarheid.
zoals Paulus eindigt met dankbaarheid:
Ik ellendig mens, wie zou mij kunnen verlossen? Ik dank God, door Jezus Christus.
Ook bij de kinderdoop gaat het om dat verleden, dat wat eens was, dat oude leven
en het nieuwe leven dat gegeven wordt.
Belijd u dat deze kinderen, hoewel ze in zonde ontvangen en geboren zijn,
toch in Christus geheiligd zijn en daarom gedoopt horen te worden.
Ook voor onze kinderen mag het gelden: de macht van de zonde is al verbroken.
Dat nieuwe leven is er ook voor hen.
Ze zullen die strijd wellicht herkennen, maar ze hoeven niet hopeloos te zijn
als ze weer een nederlaag lijden, en toch weer een verkeerde keuze maken
en gehoor geven aan die neiging.
De zonde heeft de macht verloren – die neiging kan soms weer opvlammen,
die innerlijke strijd kan er zijn, je kunt er moedeloos van worden.
En toch, je mag danken, ook al lijkt het voor jezelf moedeloos,
Ik dank God, in Christus. Ons staat een sterke held terzij, die God ons heeft verkoren.
De strijd is reeds gestreden, de overwinning reeds behaald
en het is mogelijk om daar reeds in te delen,
maar dan moet je er wel naar leven.
Het verbond, dat ook met de doop twee kanten heeft: een leven in gehoorzaamheid.
Dat kan – ook al voel je vaak die neiging van de zonde.
Het kan, omdat Christus gekomen is, overwonnen heeft
en jou, u bevrijd heeft en Zijn Geest geeft om het goede te leren,
het goede te doen, te leven naar de richtlijnen en de geboden van God.
Dan wordt de wet niet alleen maar iets wat aanwijst waar het fout gaat
en de zonde onthult, ontmaskert, maar ook een aanwijzing voor hoe wij
moeten en ook kunnen leven – tot eer van God.
Ik kan dat niet uit mijzelf – ik was ten dode opgeschreven,
maar God kwam, in Christus, om mij te bevrijden en dat nieuwe leven te geven.

We vieren onze bevrijding door Christus:

W’ ontkwamen haast des vogelvangers net,

Den lozen strik, tot ons bederf gezet:

De strik brak los, en wij zijn vrij geraakt.

De Heer’ is ons tot hulp op ons gebed;

Die God, die aard’ en hemel heeft gemaakt.


Amen


Preek zondagmiddag 8 oktober 2017

Preek zondagmiddag 8 oktober 2017
Romeinen 3:21-31

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Volgens Paulus is het goed mis tussen mensen en God.
Als ik dat uitleg met een voorbeeld uit ons bestaan,
dan kom ik steeds weer uit bij hele heftige voorbeelden,
want het is ook geen kleinigheid, wat er is misgegaan vanuit ons mensen naar God toe.
Zozeer misgegaan, dat we God niet meer onder ogen kunnen en mogen komen.
Dat we daar geen recht meer hebben om voor Hem te komen.
We zouden kunnen denken aan iemand die een ingrijpend misdrijf heeft gepleegd,
die iemand verkracht heeft of iemand vermoord.
Wanneer dat is gebeurd, begrijpen we het als een slachtoffer of de familie aangeeft:
Ik wil jou niet meer in de buurt hebben, want je hebt mij zoveel pijn gedaan,
je hebt mij zo beschadigd.

Zo geeft Paulus hier aan: wat er gebeurd is met de zonde is zo ingrijpend
dat wij als mensen geen recht meer hebben om God onder ogen te komen.
Niemand is zonder schuld naar God toe
En die schuld kunnen wij niet wegpoetsen als wij voor God komen.
Wij kunnen die schuld ook niet wegwerken door ons goed te gaan gedragen.
Net zoals iemand die een ernstig misdrijf op zijn geweten heeft
het goed kan maken door zich goed te gedragen.
Het goede gedrag van iemand na die misdrijf maakt de schade niet ongedaan.
Dat is ook de moeite die Paulus heeft als mensen aangeven:
Wij leven toch goed? Wij leven toch zoals God dat van ons vraagt?
Wij houden immers de wet?
Wanneer iemand met ernstig delict op zijn geweten de regels blijkt te kennen
En daar naar gaat leven,
dan kan de enige oprechte reactie zijn dat iemand inziet
wat hij gedaan heeft, welke schade en welke pijn hij heeft aangericht
dat hij geen enkel recht meer heeft om slachtoffer of nabestaanden onder ogen te komen.
Er moet eerst iets worden rechtgezet en kan dat wel?
Kan er genoegdoening plaatsvinden?
Kan een misdrijf die tegen mensen gepleegd is ooit ongedaan gemaakt worden?

Voor Paulus is het in ieder geval duidelijk dat wij als mensen niet in staat zijn
om het weer goed te maken met God.
De fout zit aan onze kant en die is in de ogen van Paulus zo ingrijpend
dat geen enkel mens nog, niemand, God onder ogen kan komen.
Niemand kan God onder ogen komen zonder de ogen neer te slaan
En te voelen wat de zwaarte is van onze fout.
En als wij die zwaarte niet voelen, klinkt het oordeel van God over ons leven:
Het zit mis.
Er is niemand rechtvaardig, ook niet één.
Dat is niet alleen de last die Paulus zelf ervaart en die hij zo sterk ervaart
dat deze last voor ieder mens er moet zijn.
Maar het is een oordeel van God dat al in het Oude Testament klinkt:
God die afdaalt naar de aarde om te zien of er iemand is
die uit zichzelf God zoekt en uit zichzelf naar Gods wil verlangt te leven.
Het antwoord is negatief: nee, er is niemand die zo wil leven.
Voor God zijn we allemaal gelijk
– niet alleen gelijk omdat we allemaal door Hem geschapen zijn,
maar ook omdat we allemaal delen in die last
en dat voor ons allemaal het oordeel over ons leven is dat het mis zit
en dat er eerst iets moet gebeuren voor wij weer God onder ogen kunnen komen.

Paulus is hier hard op weg om een strenge prediker te worden,
Die aangeeft: vergeet niet dat God jouw rechter is
en over jouw leven een oordeel zal vellen en dat oordeel zal niet positief zijn.
Het zit mis en jij kan daar weinig aan veranderen.
Want daar is Paulus heel duidelijk over:
Wij kunnen het niet voor elkaar krijgen, dat het weer goed komt.
Wij kunnen die plek niet terug verdienen door ons goed te gedragen,
door zo te leven als Hij dat wil,
Want dan gaan we er aan voorbij dat er iets is gebeurd aan onze kant
dat zo ingrijpend is, dat wij niet meer voor God kunnen en mogen verschijnen.
Er moet eerst verzoend worden.
Niet God moet verzoend worden – nee, wij.
het moet weer voor ons worden goedgemaakt, alleen wijzelf kunnen dat niet.
het is hopeloos: er ligt een oordeel over deze wereld, over ons
wij kunnen daar niet aan ontkomen en dat oordeel kunnen wij niet meer veranderen.
De enige conclusie die je dan nog kan trekken:
Wij zijn verloren – voor eeuwig verloren
en God heeft het volste recht om ons verloren te laten gaan.

En dan schrijft Paulus: maar nu.
Zijn boodschap krijgt een radicale verandering,
waardoor het hopeloze verandert in een deur die voor ons opengaat:
Maar nu – er is iets gebeurd aan Gods kant.
Op Golgotha stond een kruis, waaraan Gods Zoon stierf
en dat gebeuren op Golgotha, de dood van Jezus, is zo ingrijpend,
een totaal nieuw begin.
God schenkt vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven, zo vertaalt de NBV.
Gerechtigheid van God tot allen en over allen die geloven, vertaalt de SV.
Gerechtigheid: dat houdt in dat we God onder ogen kunnen komen,
dat we de ogen niet hoeven neer te slaan in de ontmoeting met God vanwege de schuld
maar dat we God dankbaar en opgelucht kunnen aankijken.
Vrijspraak is wat er gebeurt – vrijspraak door God.
Waar het harde, maar terechte oordeel wordt verwacht:
Jij hoort niet bij Mij, Ik ken jou niet
heeft Paulus namens de hemelse rechter een andere boodschap:
de schuld is betaald, jij bent vrij van de schuld.

Op zondagsschool hoorde ik ooit het verhaal van een Russische tsaar
die ervan hield om incognito door zijn land te reizen,
om zo te weten wat er in het land en onder de bevolking leefde.
Op een dag neemt de tsaar de intrek bij een man, die rusteloos is, gespannen.
Wanneer deze man naar bed gaat, gaat de tsaar naar de kamer van deze man
om uit te zoeken waarom deze man zo gespannen en zo rusteloos is.
Hij ontdekt dat deze man een grote schuld heeft,
die hij veroorzaakt heeft door te stelen van de pachtopbrengst van zijn baas.
De volgende dag zou hij de pachtopbrengst moeten afdragen
En als hij het totaalbedrag niet kan overhandigen,
zou duidelijk worden, dat hij een deel van de opbrengst heeft ontvreemd.
Hij moet het totaalbedrag bij elkaar leggen,
maar heeft daarvoor het geld niet meer.
Ongerust en vol gespannen moet deze man de volgende dag afwachten
en vooral de reactie van zijn baas afwachten
en dat kan alleen maar een negatieve reactie zijn.
De volgende morgen is de tsaar al vroeg vertrokken,
voordat de man wakker is geworden.
Op de tafel van de man ligt een zak met geld, met een brief: je schuld is voldaan.
Ik weet niet of ik het verhaal goed herinner,
maar ik weet wel dat het verteld werd om ons duidelijk te maken
hoe de Heere Jezus onze schuld betaald
en het in onze plaats weer goed maakt tussen God en ons.

Maar nu – twee kleine woorden die het verschil aangeven dat God maakt:
een nieuwe tijd, een totaal nieuwe tijd,
waarin het mogelijk is om los te komen van de zonde,
om onder dat oordeel uit te komen, te ontsnappen,
niet doordat wij een handige sluiproute weten,
of dat wij ons zo verdienstelijk maken dat God ons wel moet aannemen,
maar omdat God zelf de schuld op zich neemt en betaalt.
Christus wordt middel tot verzoening, schrijft Paulus.
Wij hadden dat moeten betalen, moeten voldoen, maar konden niet,
en nu is daar God zelf, die Zijn eigen Zoon aandraagt: hij heeft het volbracht.

Die boodschap is niet nieuw.
Die is veel vaker verkondigd,
Als het goed is al die tijd dat deze kerk er staat.
Een boodschap van oordeel – namelijk dat het aan onze kant mis zit
en dat wij er niet aan kunnen bijdragen om het weer goed te maken,
een aan de andere kant, dat ontzaglijke aanbod van God:
het kan weer goed worden, de schuld kan worden weggedaan.
Die boodschap is bekend,
maar het spannende punt is vooral:
Hoe kan mijn schuld worden weggedaan?
hoe kan die vrijspraak over mijn leven klinken?
hoe kan ik die genade aannemen, die God in Christus aanbiedt?
hoe krijg ik een genadig God, hoe kan God mij genadig zijn?

het kan alleen maar van Gods kant.
Al onze pogingen van onze kant zijn tot mislukken gedoemd.
Zelfs al zouden we ons houden aan de wet, alle richtlijnen die God ons voorgehouden heeft.
Dat kunnen we niet, geeft Paulus herhaaldelijk aan,
Want er is altijd wel een gebod dat wij overtreden.
Wij zijn geen volmaakte mensen. Er is heel wat op ons aan te merken, zeker door God.
Die wet, die God ons heeft gegeven, herinnert ons er juist aan,
dat wij het van onze kant niet goed kunnen maken.
Wij kunnen die wet niet gebruiken, om God op andere gedachten over ons te brengen.

Dat was de gedachte van Luther toen hij in het klooster zijn intrek nam.
Door indruk te maken op God en daardoor God bewegen tot een gunstiger oordeel.
Luther werd er steeds extremer in, door steeds harder voor zichzelf te zijn,
tot aan zelfkastijding toe, en zich steeds meer te vernederen voor God.
Het hielp hem alleen niet.

Omdat zijn schuld niet wegging, niet weggenomen werd, maar bleef staan
en hij zelf het niet ongedaan kon maken, werd hij steeds wanhopiger.
Tot hij ontdekte: Ik kan het ook niet goed maken.
Het moet mij gegeven worden en het wordt mij ook gegeven.
Door God zelf
in de vorm van een vrijspraak, een gunstig oordeel van de hemelse rechter.
dat is de rechtvaardiging van de goddeloze.
De zondaar, de goddeloze krijgt van God te horen: je schuld is weg,
er is betaald door Christus.
het is niet een oordeel over iemand die van zichzelf vindt dat hij goed leeft,
of over iemand die van zichzelf vindt dat hij heel gelovig is.
het is de vrijspraak over iemand die weet ik zit mis, ik kan het niet goed maken.
Ik kan alleen maar bij God aankloppen: God, wees mij, zondaar genadig.
MEt lege handen

En zo wil God het juist geven: waar wij weten dat wij niets hebben
En niets hebben in te brengen
En alles in ons zegt daar horen we niet, maar we het kruis zien van Christus
Er is betaald, door Mij.
Wij kunnen er niets tegenover zetten dan alleen het aan te nemen.
Dan het te geloven dat Jezus gestorven is en niet zomaar gestorven,
maar ook voor Mij.
En geloven dat er ook voor ons die vrijspraak is.
Onvoorstelbaar, maar wel waar.
Als God mij vrijspreekt, kan niemand mij meer veroordelen:
de duivel niet, de zonde niet, ikzelf niet.

Mij heeft Hij zijn Zoon gegeven,

door ’t geloof nam ik Hem aan;

ja, ik weet, dat ik zal leven

en door Hem ten hemel gaan.

Mij heeft God in Hem verkoren,

zelfs eer ik nog was geboren,

eer de stem van zijne macht

immer iets had voortgebracht.

 

Wie zou hem nu nog verklagen,

die God zelf verkoren heeft,

wie zou te verdoemen wagen

hem, wie God de vrijspraak geeft?

Neen, geen hel kan mij vervaren,

nu God zelf mij wil bewaren

en geen schuld mij meer verdoemt,

daar mij God rechtvaardig noemt.

Amen

Preek zondag 24 september 2017

Preek zondag 24 september 2017
Romeinen 2:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Paulien en Chris zijn toch bij elkaar gekomen;
(Zie in de introductie van de preek van vorige week over Johannes 9)
hij heeft Paulien zien staan en het is wat geworden.
Ze zijn allebei wel heel verschillend.
Vaak is dat heel boeiend en kunnen ze daar van genieten.
Er zijn echter ook momenten waarop ze elkaar niet begrijpen.
Ook als ze een tijdje bij elkaar zijn en elkaar steeds beter gaan begrijpen,
zijn er momenten waarop het mis gaat tussen hen.
‘Als het weer een keer mis gaat, roept Paulien het wanhopig uit:
Je kan echt niet naar jezelf kijken; je legt de schuld altijd bij een ander neer.
Je kunt niet zien wat je eigen aandeel is.’

Dat is ook het verwijt dat Paulus maakt tegen zijn gesprekspartner:
‘Je kunt niet zien wat je eigen aandeel is. Je kijkt alleen maar naar de fouten van een ander.’
Paulus heeft net hiervoor geschreven
dat je aan de manier waarop heidenen leven kunt zien dat ze van God los zijn.
Ze hebben de levende God ingeruild voor afgoden,
hun natuurlijke driften, op het vlak van de seksualiteit kunnen ze niet beheersen.
Paulus is daarmee nog niet klaar met het aanwijzen van de fouten onder de heidenen:
Ze zijn vervuld van allerlei ongerechtigheid, hoererij, boosaardigheid, hebzucht, slechtheid. Ze zijn vol afgunst, moord, ruzie, bedrog, kwaadaardigheid
Kwaadsprekers zijn het, lasteraars, haters van God, smaders, hoogmoedigen, grootsprekers, bedenkers van slechte dingen, ongehoorzaam aan hun ouders,
onverstandigen, trouwelozen, mensen zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, onbarmhartig.
Dat is nogal een hele lijst.
Tijdens deze opsomming zijn er mensen die tijdens het luisteren zijn gaan knikken:
‘Paulus heeft het maar eens goed gezegd. Zo is het.
Hij draait er tenminste niet om heen, maar heeft alles eerlijk benoemd.
In zo’n tijd leven we. Goed dat Paulus daar iets van zegt en daartegen waarschuwt.’
Er zijn ook kerkmensen die,
wanneer er verteld wordt wat er in onze samenleving of kerk niet deugt
vooral aan anderen denken en niet bij zichzelf nagaan op welke manier zijzelf betrokken zijn.
Terwijl Paulus al deze zonden opnoemt, zeggen ze in zichzelf  ‘Goed zo, Paulus!’
en in andere kerken zouden ze opgestaan zijn en zouden ze ‘Amen!’ roepen met applaus.

Ze hebben niet op het gevolg van de preek van Paulus gerekend,
want terwijl zij instemmen met de preek, spreekt Paulus juist die mensen aan
die Paulus hardgrondig beamen bij het opnoemen van al die zonden:
‘Maar jij moet niet denken dat je goed zit.
Jij kijkt alleen naar de fouten van een ander, maar je ziet je eigen aandeel over het hoofd.
Denk maar niet dat jij op deze manier voor God kunt verschijnen!’
Nou, dat hadden ze vast gedacht dat ze dat wèl konden.
Zij behoorden immers tot het volk van God en waarom zou God Zijn eigen volk veroordelen?
De mens die Paulus hier aanspreekt is naar alle waarschijnlijkheid een Jood,
die kan wijzen op zijn geboorte als Jood en dat nog eens bevestigd door de besnijdenis.
Ik behoor tot het volk van God – dan zit ik toch goed?
Ik heb de wet van God, die houd ik, alle geboden.
Met mijn manier van leven die zuiver en oprecht is, verantwoord, kom ik toch in de hemel?
Denk maar niet dat jij, mens, te verontschuldigen bent
en dat jij aan Gods oordeel over je leven kunt ontsnappen omdat je Jood bent
en dat je na jouw sterven in de hemel komt omdat je je aan Gods wet houdt.

Je moet altijd heel voorzichtig zijn
om een vergelijking te maken tussen het Joodse volk en de kerk
maar houdt Paulus hier ook niet een spiegel voor als je van jezelf vindt
dat je in de hemel kan komen, omdat je zo goed leeft, of omdat je bent gedoopt
en tegelijkertijd van anderen vindt dat zij daar echt niet kunnen komen?
In ieder geval houdt Paulus ons voor om voorzichtig te zijn met een oordeel over anderen
en dan vooral het oordeel wie er wel en wie er niet een oprechte gelovige is
en een oordeel wie er wel en wie er niet in de hemel zal komen.
Dat oordeel komt ons niet toe.
Dat oordeel komt Christus toe.
En als je over anderen oordeelt, dan ga je op de plek van Christus zitten
en doe je dan niet net als die anderen, die ongelovigen, die een afgod dienen
of die de levende God hebben ingeruild voor iets anders?
Er is een uitspraak van de Heere Jezus, waarin Christus hetzelfde verwoordt:
Oordeelt niet opdat u niet geoordeeld wordt.
want met het oordeel waarmee u oordeelt, zult u zelf geoordeeld worden; en met welke maat u meet, zal er bij u ook gemeten worden.
Wat Paulus verwoordt, is de boodschap die Zijn meester ook had:
Wie zelf het oordeel velt over mensen,
die zal zelf aan het oordeel van God onderworpen worden.

Dit is toch een heel andere Paulus dan die wij rondom het avondmaal hadden,
Paulus die sprak over het evangelie als kracht van God tot behoud,
over vergeving van zonden en een nieuw leven dat door Christus mogelijk is.
Waarom eigenlijk?
Waarom houdt Paulus het niet bij die mooie boodschap, die je opbeurt?
Wat mij zelf altijd weer voorzichtig maakt met preken over God die oordeelt,
is dat er gemeenteleden zijn die te vaak hebben gehoord van een God die oordeelt,
zo vaak dat ze God alleen nog maar kunnen zien als een oordelende God
En vooral een God die hen veroordeelt en voor altijd afwijst.
Maar toch kunnen we er niet om heen,
want God oordeelt ook over wat wij doen, hoe wij in het leven staan.
Het was voor mij een verrassing om die tekst bij Paulus tegen te komen,
waarin Paulus aangeeft dat onze daden meetellen in het oordeel
dat God over ons leven uitspreekt als wij gestorven zijn,
wanneer wij voor God komen en God ons leven nagaat hoe we hebben geleefd.
God zal ieder vergelden naar zijn werken.
Ik dacht dat in het oordeel over ons leven het er alleen om gaat,
of je gelooft in de Heere Jezus en wanneer je gelooft dan ben je behouden,
dan mag je wanneer God als rechter over jouw leven oordeelt achter Hem schuilen
omdat Hij voor je zonden gestorven is en mag je de hemelse heerlijkheid binnengaan.
Nee, zegt Paulus, het doet ertoe hoe je hebt geleefd
En dan niet alleen maar in wat bij andere mensen zichtbaar is,
maar vooral ook hoe je van binnen bent geweest,
hoe je naar andere mensen gekeken hebt, welke mening je over hen had,
door welke emoties en driften jijzelf je liet beheersen.
Want je kunt wel zeggen dat je Gods wet houdt,
maar als dat alleen maar aan de buitenkant is,
als dat alleen maar is wat de mensen ervan zien
dan houd je die wet helemaal niet.
En je kunt wel zeggen dat je Jood bent, omdat je besneden bent
en daarmee het teken van het verbond hebt ontvangen,
maar daarmee red je het niet als er niet van binnen, in je hart niet iets is weggesneden,
Waardoor de zonde binnen in je leeft.
Daar eindigt het hoofdstuk ook mee: Jood-zijn zit niet aan de buitenkant,
maar van binnen, omdat daar – net als bij de besnijdenis – iets is weggesneden:
Alles wat je op het verkeerde pad brengt
en dat is veel vaker onzichtbaar voor de mensen om je heen.
Alleen God kent je hart en weet wat daar vanbinnen in je omgaat.
Ook als je van jezelf vindt dat het goed zit
en tegelijkertijd van mening bent dat het bij een ander goed mis zit,
heb je eraan te denken hoe God erover denkt en welk oordeel Hij velt,
over die ander, maar ook over jezelf.

Waarom begint Paulus daarover? Want ik heb daar nog geen antwoord op gegeven.
Omdat er als gelovige ook een trots kan komen,
Waarbij je vindt dat je het als mens, als gelovige beter doet dan die ander
Of waarbij je vindt dat jij als gelovige het evangelie beter hebt begrepen
en je jezelf omhoog werkt, hoger plaatst dan die ander, veel dichter bij God,
waarbij je bij jezelf denkt: zoals ik ben, zoals ik leef, zoals ik denk,
dan moet ik wel een plaatsje in de hemel krijgen.
Het gevaar om tevreden te zijn met jezelf, dat is wat Paulus wil bestrijden,
dat je denkt dat je op deze manier zo wel God onder ogen kunt komen na je sterven.
Dat is niet alleen gevaarlijk omdat je jezelf beter vindt dan een ander,
maar ook ervan uit gaat je wel in de hemel zult komen
zonder dat er over je geoordeeld wordt.
Ja, wel over die ander, maar niet over jezelf.
Je gaat eraan voor bij dat je alleen in de hemel kunt komen,
als je gelooft in de Heere Jezus, dat Hij voor je zonden gestorven is,
als je vrijgesproken bent van door God zelf.
Én je gaat eraan voorbij, dat het geloof in de Heere Jezus ook iets van je vraagt,
iets met je doet en dan niet alleen als gevoel iets doet,
dat je een warm gevoel van binnen krijgt, een enthousiasme voor God (dat kan zeker),
maar dat er iets gebeurt met hoe je naar jezelf kijkt, naar anderen kijkt, naar de wereld kijkt.
Dat je niet alleen maar de fouten van een ander kijkt,
maar ook inziet op welke manier jijzelf mis zit, naar God toe, naar anderen toe.
Dat je niet beter bent en het niet beter doet, alleen maar omdat je naar de kerk gaat,
alleen maar omdat je uit de Bijbel leest, alleen maar omdat je bent gedoopt.
Dat is allemaal goed, maar als het je niet verandert, niet een ander mens maakt,
blijf je zelf buiten schot en dat kan niet.
Want wat er moet iets met je gebeuren. Paulus gebruikt ergens anders een radicaal beeld.
De oude mens sterft en een nieuw mens staat op.
Zoals je nu bent, zo kun je niet blijven, want zo kun je niet voor God komen.
Er moet een ander hart komen, gereinigd van de zonde.
Je hart, dat gaat over de intentie waarmee je iets doet, je echte doel.

Nog even terug naar Paulien en Chris.
Chris kan een relatie met Paulien beginnen, waarbij hij aan zichzelf denkt,
om aan vrienden te laten zien bijvoorbeeld om zijn reputatie waar te maken
dat hij goed bij de meisjes ligt en makkelijk verkering krijgt.
Dan is het hem helemaal niet om Paulien te doen,
maar alleen hoe anderen naar hem kijken.
Wanneer het serieus wil worden, moet er iets bij Chris van binnen veranderen,
waardoor het echt iets wordt, dat de liefde leeft in het hart van Chris.
zo kan iemand zich aan de buitenkant gelovig voordoen,
maar van binnen in het hart niet met God bezig zijn, maar met zichzelf.
dan moet er van binnen iets veranderen, in het hart, waardoor echte liefde komt voor God
Daar hoort wel bij dat je inziet, dat je de liefde van God eerder hebt genegeerd,
Dat je niet open stond voor de boodschap die God had,
dat Hij in je leven wilde komen, dat Hij wat je verkeerd gedaan had wilde vergeven,
dat Hij je een nieuw mens wil maken.
Dat inzicht dat je verkeerd zat, dat hoeft geen voorwaarde vooraf te zijn,
Dat kan ook groeien in de loop van je leven met de Heere.
De relatie die wij hebben met de Heere, die wij krijgen,
is anders dan die tussen vriend en vriendin, een andere relatie dan die van Paulien en Chris.
Want God is degene die ons gemaakt heeft, Hij staat boven ons,
Hij is onze Heer – onze Meester, onze Chef, onze Baas. Wij zijn geen gelijke.

De preek begon ik met Paulien en Chris die af en toe niet op één lijn zitten.
Dat kan gebeuren, juist omdat ze zo verschillend zijn.
Maar als het goed is leren ze wel van die conflicten die ze hebben
en groeien ze in hun relatie.
Wanneer Chris van Paulien te horen krijgt
dat hij alle schuld buiten zichzelf legt en alleen maar naar anderen wijst,
Dan zal hij daar wellicht eerst boos over zijn,
maar al als het goed is er wel over nadenken, of Paulien toch niet ergens gelijk heeft.
Dat is wat Paulus ook beoogt met dit scherpe stuk in de brief aan Rome.
Zijn doel is dat de mensen die hij aanspreekt over zichzelf gaan nadenken
en hem gelijk geven dat ze zelf mis zitten.
Het is Paulus er niet om te doen om dat er fijntjes in te wrijven dat ze fout zitten.
Zijn doel is anders: Hij wil hen bij Christus brengen, dat is wat Hij beoogt.
Want alleen door de Heere Jezus kun je gered worden van het oordeel.
Hij hoopt door aan te geven dat ze mis zitten,
dat ze tot het inzicht komen dat er iets met hen moet gebeuren
en dat ze aan het juiste adres zullen zoeken: bij Christus die voor de zonde stierf.
Dat is ook de reden waarom we in de kerk over zonde praten.
Niet om ons daardoor beter dan anderen te voelen,
maar uit bewogenheid, zodat degenen die nog zonder de Heere Jezus leven
tot het besef komen, dat ze zonder hem niet kunnen leven, niet kunnen sterven.

We houden ons daarmee niet buiten schot,
Want we weten dat we niet beter zijn,
We weten dat uit de Bijbel, uit onze eigen ervaring,
Wat we wel weten is waar we het moeten zoeken
om bevrijd te worden, los te komen, om een ander mens te worden.
Bij Christus.
Vgl dankgebed doopformulier:  en onbevreesd voor de rechterstoel van Uw Zoon, Jezus Christus, mogen verschijnen

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven,

Die van de straf voor eeuwig is ontheven,

Wiens wanbedrijf , waardoor hij was bevlekt,

Voor ’t heilig oog des Heeren is bedekt.

Welzalig is de mens, wien ’t mag gebeuren,

Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,

En die in ’t vroom en ongeveinsd gemoed;

Geen snood bedrog maar blank’ oprechtheid voedt.

Rechtvaardig volk, verhef uw blijde klanken,

Verheugd in God, naar waarde nooit te danken.

Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t’ allen tijd,

Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.
Amen



Preek zondagavond 3 september 2017

Preek zondagavond 3 september 2017
Romeinen 1:1-20
Tekst: vers 11-12
Nabetrachting Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In het avondmaal worden we versterkt in onze band met Christus
en in onze band met elkaar.
We kunnen onze band met Christus niet versterken
als daar ook niet de onderlinge band in wordt meegenomen.
Ik word niet in mijn eentje opgebouwd en niet alleen mijn geloof wordt versterkt.
Daar aan de tafel zijn we een gemeenschap
en niet alleen als we aan de tafel zitten.
Zij die niet konden aangaan, zijn niet buitengesloten van deze gemeenschap.
Steeds weer kom ik onder de indruk van het bijzondere van de kerk als gemeenschap.
Het is makkelijk om te zeggen dat we als kerk geen een geheel zijn, geen gemeenschap,
maar ik kom daar steeds weer iets van tegen:
dat we als kerk bij elkaar horen, een gemeenschap met elkaar, om Christus heen.
Je hoeft maar in het ziekenhuis te komen bij een gemeentelid en de kaarten te zien.
Je hoeft maar een seizoen mee te draaien op de belijdeniscatechisatie
of een aantal jaar op de Bijbelkring om te zien hoe waardevol het is
om met elkaar het geloof te beleven, te belijden.
Steeds weer ontdek ik dat juist in dat samen optrekken zoveel genade gegeven wordt.
Je kunt bijvoorbeeld van elkaar leren,
van hoe iemand in zijn geloof staat,
bemoedigd worden door wat iemand vertelt over wat er is gebeurd in zijn of haar leven.
je kunt van elkaar leren hoe je omgaat met de dingen die je niet goed afgaan,
je worstelingen die je steeds het idee geven dat je niet verder komt
en dan hoor je een ambtsdrager of een ouder gemeentelid vertellen
dat zij die worstelingen maar al te goed kennen en daar soms nog wel te maken hebben.
Dat zijn de dingen die je ziet en die je hoort.
Er is ook een kant van de gemeenschap die je niet ziet, soms wel ervaart,
maar er wel degelijk is.
Bijvoorbeeld in het gebed voor elkaar.
Ik hoor dat wel eens terug dat er gemeenteleden zijn,
die in de week voor mij bidden of op zaterdagavond.
Dat is trouwens niet altijd makkelijk te aanvaarden,
want als ik in een slechte bui ben, denk ik:
je vertelt aan God dan ook hoe ik zou moeten preken.
Maar daarbij ga ik er aan voorbij dat zij voor mij bidden
en dat zij op hun eigen manier meewerken aan de preek
door mij bij God te brengen.
Het zou best eens een vorm van trots kunnen zijn
om de gebeden van een ander niet te kunnen verdragen.
Wat dat betreft kunnen we heel wat leren van Paulus.
Ik ben steeds weer onder de indruk van Paulus,
zo’n intelligente theoloog, zo’n grootse denken, zo’n harde werker.
Zijn grootheid, zo ontdek ik steeds meer, is dat hij voor zich laat bidden,
dat gebed nodig heeft
en omdat hij weet dat hijzelf dat gebed nodig heeft,
Steeds weer voor de gemeente bidt
vol dankbaarheid voor wat de Heere in de gemeente werkt.
Hij heeft daar oog voor; hij staat daar bewust bij stil.
En dat vind ik ook het bijzondere aan Paulus:
Dat hij zich niet verheven voelt boven anderen, meer dicht bij Christus,
maar dat hij andere mensen om zich heen nodig heeft,
een gemeenschap die voor hem bidt,
een groep mensen in wie hij kan zien hoe God bezig is.

Dat met elkaar bezig zijn met de dingen van de Heere – dat is het mooie aan de kerk.
Ik weet niet of in de afgelopen week in de voorbereiding van het avondmaal
alleen maar bezig geweest bent met uzelf.
Het kan zijn dat u de handen vol hebt aan uzelf, of u wel aan zou kunnen gaan.
In de week voor het avondmaal bid ik extra voor de gemeente,
voor degenen die naar het avondmaal uitkijken
en mijn gebed is dat die gemeenteleden, dat u, dat jij, sterker in het geloof wordt.
Ik bid voor degenen die aarzelen, die de worsteling kennen
en mijn gebed is dan dat u de ruimte ervaart om de uitnodiging aan te nemen
en dat u weet dat er ook voor u, voor jou bij de Heere aan de tafel een plek is.
En ook voor degenen die niet aan kunnen gaan,
of die op die zondagmorgen niet naar de kerk komen bid ik.
Het is bijzonder om zo voor bij de tafel te staan om te zien, hoe gemeenteleden opstaan
en de gang naar de tafel maken, naar voren komen.
Dan merk je de verbondenheid, ook omdat je van een aantal de achtergrond weet
of hebt mogen zien hoe ze in de afgelopen tijd zijn gegroeid,
bijvoorbeeld door belijdeniscatechisatie te volgen,
door mooie dingen die gebeurden: een huwelijk, een geboorte, of juist door tegenslag.
Het is bijzonder om te zien welke manieren de Heere gebruikt
om iemand verder te laten groeien in het geloof.
Ik kan me goed voorstellen dat het Paulus’ verlangen is om naar Rome te mogen gaan.
Want het is een voorrecht om te zien hoe de Heere werkt.
Dat zou ik ook willen meegeven aan de broeders
die door de kerkenraad op de lijst zijn geplaatst voor de verkiezing ambtsdragers
en ook tot degenen die opgelucht zijn, omdat zij juist niet op de lijst geplaatst zijn.
Ambtsdrager zijn is niet alleen een last, een opgave, natuurlijk dat kan het ook zijn,
maar ambtsdrager zijn is ook een genade en een voorrecht:
Het voorrecht om getuige te mogen zijn van wat God in een mensenleven doet.
Het is een extra voorrecht, omdat je zelf ook weer bemoedigd wordt
als je ziet hoe iemand verder komt in het geloof.
Hoeveel de gemeente voor Paulus betekent, blijkt wel in zijn gebed
en in de vele praktische aanwijzingen aan het einde van elke brief voor de gemeente.
Geloven heeft voor Paulus alles te maken met hoe je in de gemeente met elkaar omgaat,
hoe je je naar elkaar opstelt, of je bereid bent om een stapje terug te doen,
juist om de ander dichter bij Christus te brengen,
om de ander in staat te stellen God te leren kennen of beter te leren kennen.

Je bent nooit uitgeleerd, niet als beginnend gelovige, niet als ambtsdrager,
als ouderling of als predikant en ook niet als apostel.
Steeds weer heb je die gemeenschap om je heen nodig,
om meer te leren van de weg die Christus met mensen gaat.
Paulus schrijft dat graag naar Rome wil komen om zelf ook bemoedigd te worden.
Er zit iets wederzijds in – samen, we bemoedigen elkaar.
Geloven doe je niet alleen, maar met elkaar in een gemeente
en wanneer je wegblijft houd je iets wezenlijks achter voor je gemeenteleden,
namelijk hoe de Geest in jou bezig is
en laat je de mogelijkheid onbenut dat je voor een ander tot voorbeeld bent,
dat jij er aan mag bijdragen dat je het geloof van een ander versterkt.
Bemoedigd worden gaat voor Paulus niet één kant op, maar gaat twee kanten op:
Ik bemoedig de ander en de ander bemoedigt mij
en uiteindelijk komt die bemoediging van de Heere vandaan
– we worden bemoedigd samen, namelijk door God
en daar gebruikt Hij mensen voor, zoals Paulus, zoals een ouderling of een predikant,
iemand op de Bijbelkring of iemand die catechese geeft
of meedoet met de kindernevendienst of een morgen op zondagsschool leiding geeft,
maar ook degenen die maar een hele kleine taak heeft
of zelfs helemaal geen taak binnen de gemeente, maar alleen op zondag aanwezig is.
God gebruikt ons allemaal om elkaar te bemoedigen.
Daarom hoop ik trouwens dat er aanmeldingen zullen zijn
voor de belijdeniscatechisatie – om de Heere beter te leren kennen.
Juist als u voor uw gevoel niet zoveel te brengen hebt, dan bent u welkom.
Want juist het er open voor staan, het op zoek gaan om meer te weten
de bereidheid om te leren – maakt steeds weer indruk op mij
en het is mooi om te zien hoe iemand groeit in geloof,
van een aarzelend geloof, een geloof met misschien wel weinig kennis
naar een geloof dat bereid is om van Christus te zeggen: U bent mijn Heer, mijn Redder.
Bovendien: geloof is nooit een prestatie van onszelf, niet iets dat wij zelf moeten doen
en geloof is dus ook nooit een niveau dat we kunnen bereiken uit onszelf.
Geloof is voor Paulus een geschenk – en hij heeft dat zelf ervaren
toen hij op de weg naar Damaskus stil gezet werd.
Misschien is het wel een voordeel als u er weinig van weet,
en als u er niet zo goed in bent om het geloof in praktijk te brengen,
want dan staat u er misschien meer voor open om het geloof te ontvangen.
Veel kennis kan ook een belemmering worden, als het gepaard gaat met een trots,
een belemmering als je te trots bent om te buigen, omdat je het zo goed weet.
En ook dat kan een bemoediging zijn, als je ziet dat iemand die te trots is om te geloven
nederig wordt en bereid is om neer te knielen en zich over te geven aan God.
Laat het in ieder geval geen trots zijn, waardoor u niet verder komt in het geloof.
Want trots is nooit zo goed voor het geloof, eerder een belemmering.
Ik las in deze week bij een schrijfster die geregeld kloosters bezoekt,
dat deel uit maken van een klooster een oefening is in nederigheid.
Deze schrijfster was protestants opgevoed, maar van de kerk afgehaakt
omdat ze haar eigen weg wilde volgen, zichzelf ontwikkelen.
Als ze vastloopt in haar leven begint ze kloosters te bezoeken.
Juist om die wereld vreemd voor haar is, vallen de dingen op.
Als ze een keer het ontbijt klaar maakt voor een monnik, met wie ze bevriend raakt,
vraagt ze hem hoe hij zijn ei bij het ontbijt wil.
Hij kijkt haar verbaasd aan en weet eigenlijk niet goed wat hij moet zeggen.
Hij is dat niet gewend dat die keuze aan hem gevraagd wordt.
Hij krijgt zijn eten steeds voorgeschoteld zonder een keuze te kunnen maken.
De behoefte van de gemeenschap gaat voor het individu.
Ze voegt daar de waarneming aan toe dat het juist in deze tijd zo moeilijk is
om gelovig te leven, omdat alles in onze maatschappij erop gericht is
om je eigen keuze te maken, zelfs als dat ten koste gaat van de gemeenschap.
Eerst mijn eigen behoefte bevredigen en wat dat met de ander te maken heeft
dat zoekt die ander maar uit, dat is niet mijn pakkie-an.
Ik las dat gisteren in twee columns in Trouw terug:
de ene column ging over de politiek,
over de presidentsverkiezingen in de VS en de verkiezingen voor de Tweede Kamer.
Hoe je in die verkiezingen kunt zien, dat de ontwikkelingen in de afgelopen 50 jaar
ertoe hebben bijgedragen aan de vrijheid van het individu,
maar dat dat wel ten koste gaat van de gemeenschap en
dat zowel Trump als Clinton geen visie hadden hoe de gemeenschap gediend kan worden.
En dat we dat ook bij de kabinetsformatie kunnen zien
dat er steeds minder partijen bereid zijn om te denken aan het geheel van ons land
en alleen nog maar in achterbannen.
De ander ging over voetbal, dat je in de huidige generatie niet meer de bereidheid ziet
om jezelf dienstbaar te stellen in het bredere geheel.
Ik noem dit alleen om aan te geven, hoe kostbaar het evangelie is
en hoe zuinig we moeten zijn op de kerk als gemeenschap
en dat het niet iets vanzelfsprekends is dat we binnen de kerk elkaar dienen
en dat we daar steeds weer aan moeten werken
dat we steeds moeten beseffen dat we kwetsbaar zijn
als eigenbelang en trots vrij spel krijgen en niet bestreden worden.

Als ik de brieven van Paulus lees, voelt hij het haarscherp aan,
dat trots en eigenbelang haaks staan op het dienen van Christus.
Het moet wel dat hij dat zelf heeft herkend dat trots met je aan de haal kan gaan.
Paulus houdt mij daarom steeds weer een spiegel in – om te strijden tegen die trots,
Paulus die zelf gedwongen werd om te knielen,
omdat hij vanuit zijn trots tegen God streed in plaats van voor God werkte.
Paulus is dienaar geworden, je zou het ook kunnen vertalen als slaaf:
Hij heeft Christus een Meester gekregen die over zijn leven bepaalt.
Als hij schrijft dat hij niet kan komen, is dat niet omdat er geen financiën waren
en ook niet omdat hij een te volle agenda is, of dat het bezoek er bij in geschoten is,
Nee, Paulus heeft verscheidene keren plannen gemaakt,
maar hij kreeg geen groen licht van zijn Meester, hij mocht niet gaan,
omdat hij elders nodig was, waarschijnlijk op plekken waar het evangelie nog niet gebracht was, en Rome was minder nodig, want daar was al een gemeente ontstaan.
Groeien in geloof is voor Paulus groeien in gehoorzaamheid, in overgave,
groeien in nederigheid en niet meer denken vanuit je eigen belang,
en niet meer je laten leiden door je trots, maar Christus op de eerste plaats stellen.
Dat is groei in geloof.
Gebed voor de gemeente, voor elkaar is na de avondmaalszondag niet voorbij.
Het gaat er nu om te leven uit wat u gekregen hebt.
Vergeving van zonden is heel mooi, een kostbaar geschenk,
maar je verwaarloost dat geschenk ook weer als je die vergeving niet ziet
als een aansporing om in de komende tijd wel weer te proberen te leven in gehoorzaamheid.

laat ieder zijn of haar geweten onderzoeken of u ook gezind bent voortaan met uw hele leven waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht. En eveneens of u, terwijl hij van harte alle vijandschap, haat en afgunst aflegt, zonder enig huichelen, een ernstig voornemen heeft voortaan in waarachtige liefde en eensgezindheid met uw naaste te leven.


Ondanks dit alles, omdat wij door de genade van de Heilige Geest van harte bedroefd zijn over zulke gebreken en wij verlangen tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden van God te leven,

Ook daarom hebben we elkaar nodig,
om elkaar hierbij te helpen de weg van Christus te gaan,
om te strijden voor wat we kunnen, met hulp van de Heilige Geest
Zo word je door elkaar bemoedigd in het geloof.

Samen te strijden in woord en in werk.
Eén zijn in U, dat alleen maakt ons sterk.
Delen in vreugde, in zorgen, in pijn,
als uw kerk, die waarachtig wil zijn.

Zo samen in liefde te gaan, schouder aan schouder te dienen in Gods wijngaard,
is een voorrecht, die ons door God wordt gegeven,
want zo met elkaar kunnen we bij elkaar zien wie God is.

Heer, wat een voorrecht om in liefde te gaan,
schouder aan schouder in uw wijngaard te staan,
samen te dienen, te zien wie U bent.
Amen

Preek zondagmorgen 27 augustus 2017

Preek zondagmorgen 27 augustus 2017
Schriftlezing: Romeinen 1:1-20
Tekst: 1:5

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Deze preek gaat over genade, het mooiste, het diepste waar het in de kerk over kan gaan!
Genade betekent: iets dat je krijgt, zonder dat je er recht op hebt of verdient,
sterker nog: je verdient het helemaal niet, je hebt er geen recht op en toch krijg je het.
Voor Paulus heeft genade alles te maken met God, die deze genade geeft.
Hij geeft aan mensen, aan ons, aan jou, aan u, aan mij, iets
Waar we geen recht op hebben
– een goedheid die God laat zien, zonder dat Hij daartoe verplicht is.

Genade als een geschenk, een cadeau van God, is bijzonder,
omdat het een breuk herstelt,
een breuk die ontstaan is tussen God en ons door onszelf.
Die breuk is er niet door God gekomen, maar door ons.
Die breuk is er gekomen – tussen God en ons, doordat wij als mensen hebben gezegd:
Wat God geeft is op zich wel best, maar niet genoeg,
we hebben meer nodig om echt een keuze te kunnen maken
tussen wat verkeerd is en wat goed is.
Wij willen dat zelf kunnen bepalen, zelf een inschatting kunnen maken
en dat God aan ons die keuze niet gegeven heeft,
laat zien dat God eigenlijk geen hoge pet van ons op heeft.
Weet je niet, zei de slang, dat je om echt mens te zijn, zelf de keuze moet kunnen maken
tussen wat goed is en verkeerd, dat je de keuze kunt overzien – God kan dat ook.
God heeft dat alleen maar achter gehouden, omdat Hij dat jullie niet gunt.
Zo werd er twijfel in ons hart gezaaid over God, twijfel dat wantrouwen werd:
Hoe kunnen wij God nu vertrouwen als Hij iets wezenlijks achterhoudt,
waardoor we echt mens zouden kunnen zijn
en zonder die keuze zijn we maar half.
Het is misschien goed bedoeld, ter bescherming van ons, maar we kunnen het zelf.
De breuk die er kwam, tussen God en ons, had ermee te maken
dat we niet meer onbevangen naar God konden kijken
en niet meer onbevangen, als dankbare schepselen, zijn zegeningen konden aanvaarden.
Sindsdien is het: bedoelt God het wel echt goed, zit er niet iets achter,
of houdt Hij niet iets achter, wat Hij ons niet wil geven?
We willen wel van God aannemen, maar onszelf niet helemaal overgeven aan hem.
OF er kan ook het effect zijn, dat we ons helemaal van God afkeren,
Dat we niets van hem willen weten en dat je tegenover Hem staat,
niet meer als iemand die bij Hem hoort, maar als iemand die vijandig gezind is, een tegenstander.
Het ingewikkelde alleen is, dat we dat kunnen camoufleren met heel veel godsdienst:
in de brief aan de Romeinen zijn dat aan de ene kant de heidenen,
die hun vijandige houding naar God toe verbergen onder het dienen van afgoden.
Heel gelovig, heel vroom, maar niet de echte God, niet de enige God die er is:
Vader, Zoon en Heilige Geest, maar nepgoden.
Voor Paulus is dat een manier om te verbergen dat je met God eigenlijk helemaal niets wil.
een andere manier, die ook in deze brief naar voren komt is die van de Joden,
die hun vijandschap verpakken in een vroom en toegewijd leven,
maar een leven zonder Christus en daarmee zonder God.
Er is op deze hele wereld niemand die uit zichzelf bezig is met God, met hoe God echt is.
Niemand die uit zichzelf God zoekt.

En dan genade: met genade grijpt God in, in het leven van mensen,
om die vijandigheid weg te doen,
om mensen die zich tegenover Hem hebben gesteld, in afwerende positie, in verzet,
– of dat nu openlijk is of gecamoufleerd –
te openen voor Hem,
zodat ze bij Hem gaan horen, zodat ze naar Hem toe gaan komen,
in Hem gaan geloven, Hem wel vertrouwen.
Onverdiend is het, wij konden uit onszelf niet zeggen:
U moet ons weer terugnemen!
Als dat al bij ons op kwam, dan hadden we geen enkele recht om aan te kloppen.
Wij, mensen, wij hadden het contact verbroken, wij gingen onze eigen weg,
Als we dat van onszelf al bewust waren, dat het een verloren weg was,
een weg bij God vandaan.
Genade is juist dat God komt, dat Hij dat wantrouwen wegdoet,
dat Hij alles herstelt wat door ons kapotgemaakt is
– Hij maakt het weer goed, Hij herstelt – terwijl wij het hadden vergooid, verbruid.
Genade is dat God een diepe knieval maakt, om onze rotzooi, onze puinhoop weg te doen
En daar zelf de rekening voor te betalen,
dat zelf te dragen.

Genade heeft alles te maken met Christus, Jezus Christus de Zoon van God,
die naar de aarde kwam, naar de mens geboren uit het geslacht van David
Jezus Christus, die niet alleen maar mens was, maar God
en wie dat niet zag bij het kruis kon dat zien bij de opstanding,
toen Jezus uit het graf kwam, Hij die in de dood was, de macht van de dood verbrak,
weer levend werd, toen werd het helemaal zichtbaar wie Christus was: de Zoon van God.
Paulus spreekt hier nog niet over het kruis op Golgotha,
maar dat hoort er voor hem volop bij.
Dat Jezus opgewekt werd uit de dood, werpt wel een nieuw licht op het kruis.
Toen Jezus uit het graf kwam en de macht van de dood bleek te hebben overwonnen,
was het duidelijk dat het kruis op Golgotha geen mislukking is,
geen fatale afloop van wat iets moois had kunnen worden,
maar dat het kruis onderdeel was van het plan van God
om genade aan mensen te geven.
Al onze zonden zijn vergeven, zegt het avondmaalsformulier,
en dat is enkel en alleen gebeurd, doordat Hij stierf aan het kruis.
Het is helemaal betaald, de schuld is helemaal weg, er hoeft niets meer bij.
En dat wordt ons nu gegegeven: alsof u dat zelf voor elkaar had gekregen.
Genade is dat God niet naar ons oude leven kijkt, waar die breuk is,
een kloof tussen God en ons die wij zelf hebben veroorzaakt
en die wij zelf niet kunnen overbruggen,
maar dat God naar ons kijkt, alsof Hij naar Christus kijkt.
Hij kijkt naar ons en ziet Christus staan.
Hij ziet geen zondaren meer, geen mensen die Hem afwijzen of uit de weg gaan,
geen mensen die niet bij Hem horen,
maar Hij ziet mensen naar wie Zijn liefde uitgaat:
geliefden van God, zo worden de gemeenteleden in Rome genoemd.
En daarmee bedoelt Paulus niet dat God van hen houdt,
omdat deze mensen zijn gaan geloven,
nee Gods liefde was er eerst en deze mensen hebben gehoor gegeven aan Zijn liefde,
hebben zich laten winnen door de liefde van God
Geliefden van God, als er al iets van hun kant in zit, is dat die liefde in hun hart is gekomen,
dat ze vanuit die liefde zijn gaan leven,
dat Gods liefde in hun hart gekomen is,
dat hun hart door Christus wordt bewoond en niet meer door de zonde.
Bij deze mensen in Rome is gebeurd, wat er ook bij Paulus is gebeurd:
Genade – genade dat je bij God mag horen, dat je in Zijn dienst mag komen,
dat Zijn liefde in je hart komt,
dat je alleen van Hem nog wilt zijn en van niets of niemand anders.
Elke keer als Paulus daarover spreekt, is er verwondering, verbazing,
dat die genade er ook voor hem is,
Want als er iemand is, die deze genade niet verdiende, die tegen God inging,
die God tegenwerkte was hij dat wel en toch: ook voor hem genade.
En die verwondering heeft Paulus ook, als hij ziet dat in Rome
er ook mensen zijn die deze genade ontvingen, voor wie het ook was.
Ik hoop ook, dat u, dat jij die verwondering kent, dat je verbaasd bent,
op een positieve manier verrast, dat God ook in jouw leven wilde komen,
dat die genade er ook voor u is.
Al mijn zonden vergeven, alleen om het lijden en sterven van Christus.
Dat wordt mij geschonken!
En volgende week mag ik in alle verwondering aan de tafel gaan,
de tafel van Christus, de tafel waarop de genade zichtbaar wordt:
– in het brood dat gebroken wordt,
Het brood dat wij breken is de gemeenschap met het lichaam van Christus,
gedenkt en gelooft, dat het lichaam van onze Heere Jezus Christus
is verbroken tot volkomen verzoening van al onze zonden.
– de wijn die wordt uitgegoten
De beker van de dankzegging, waarover wij de dank uitspreken
is de gemeenschap met het bloed van Christus,
gedenkt en gelooft, dat het kostbaar bloed van onze Heere Jezus Christus
is vergoten tot volkomen verzoening van al onze zonden.
– in de vele plaatsen die er om die tafel zijn: ook voor u, voor jou de genade van Christus!

Om die genade te ontvangen zijn er geen voorwaarden.
Ja, het avondmaalsformulier noemt 3 voorwaarden:
dat je ziet hoe hopeloos het met je gesteld is zonder Christus,
dat je de genade wilt aannemen
en dat je je door die genade laat veranderen tot een nieuw mens,

Die voorwaarden laten alleen maar zien, dat het zo, zonder genade, zonder Christus
niet verder kan en dat er iets moet veranderen
en dat er ook iets kan veranderen, omdat God dat heeft gedaan,
omdat Christus op aarde is gekomen.

Soms kun je weten dat er iets met je mis is, omdat je dat zelf merkt.
Iemand die last van zijn gezondheid heeft, gaat naar de dokter toe,
voor een onderzoek, voor medicijnen, voor een behandeling.
zo gaan we naar Christus toe, voor die genade.
Maar niet altijd weet je dat er iets met je mis is,
omdat je op dat moment nog niet iets verneemt.
Ik heb dat wel gezien dat mensen met een onderzoek meededen
en verwachtten dat er niet zo veel zou uitkomen, want ze voelden zich goed
en dat er uit het onderzoek heel iets ingrijpends naar voren komt.
Dat is wat het avondmaal ook laat zien:
Het zit goed fout en als er niets gebeurt, gaat het de verkeerde kant op,
dan kom je, als je leven ten einde gaat niet door het oordeel heen
en is er geen plek in de hemel.
Maar die uitslag, dat inzicht is bedoeld om er wat aan te doen
om van Christus die genade te ontvangen,
het formulier bij het avondmaal is heel scherp, niet om ons weg te sturen,
maar juist om wat mis is aan het licht te brengen, zodat er wat aan gedaan kan worden,
zodat Christus, onze arts, ons kan genezen, Zijn medicijn kan geven: Zijn genade.

Als je inziet, dat het zo – zonder Christus  – niet kan,
dan wijst God je niet af, maar dan neemt Hij je aan, dan neemt Hij je in genade aan,
dan is er een plek aan de tafel,
om dat medicijn te ontvangen: brood waarin je de liefde van Christus proeft,
waarmee je het weer weet, weer proeft, hoe daar op Golgotha
Jezus zich gegeven heeft,
wijn waarmee je weer weet, dat alles wat verkeerd is, wat jij verkeerd gedaan hebt,
weggewassen kan worden doordat Jezus gestorven is, Zijn bloed heeft gegeven.
Het is een geschenk – een kostbaar geschenk, dat je mag ontvangen,
dat er voor u is, het wordt gegeven:
Neem het aan. Ontvang het!

Het is een kostbaar geschenk: God heeft er alles voor over gehad,
Christus heeft alles gegeven.
Er zijn cadeau’s, bijvoorbeeld met een verjaardag, of een afscheid,
die je niet gebruikt, die je hebt staan, waarmee je niets doet, staan in de weg,
maar als iemand zo’n groot geschenk geeft, als iemand zijn leven geeft,
om jou alles te geven, om je te redden van een verkeerde weg,
dan kun je dat toch niet anders dan aannemen,
dat kun je dan toch niet naast je neerleggen, daar niets mee doen?

Ja, kostbaar is het, genade is niet goedkoop.
Het wil ook effect op ons hebben: gehoorzaamheid.
We moeten gaan luisteren naar God, alleen maar van Hem zijn.
U alleen, U behoor ik toe.
In het avondmaal gaat het er niet om, dat we foutloos zijn,
dat we die gehoorzaamheid in praktijk kunnen brengen,
zonder dat we dan nog enige fout maken.
Het gaat om een verlangen, dat we gehoorzaam willen zijn.
Dat is al genoeg voorwaarde: dat je niets meer anders wilt
en dat wanneer je dat niet kunt zijn, gehoorzaam, dat je er dan aan lijdt,
omdat je weet: ik doe God tekort, ik doe mijn Redder, mijn Heiland tekort.
Gehoorzaam zijn is ook dat je komt naar het avondmaal,
ook al is je hart bezwaart en durf je het niet, omdat je al je zonden ziet.
want dan doe je alsof die genade er niet voor je is,
alsof er voor u geen vergeving is.
Uiteindelijk is dat een uit de weg gaan van God,
ook al neem je God heel serieus.
Avondmaal zegt: God wil ons niet uit de weg gaan,
Hij neemt ons serieus, ook in onze zonde,
want daarvan wil Hij ons juist bevrijden en reinigen.

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven,

Die van de straf voor eeuwig is ontheven,

Welzalig is de mens, wien ’t mag gebeuren,

Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,

Rechtvaardig volk, verhef uw blijde klanken,

Verheugd in God, naar waarde nooit te danken.

Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t’ allen tijd,

Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.

Amen

Een rondleiding door het oude Rome

Een rondleiding door het oude Rome

Dit jaar komt op de Bijbelkringen in onze gemeente de brief van Paulus aan de Romeinen aan de orde. Hoe zag de stad er in de tijd van Paulus uit? Er zijn enkele reconstructies gemaakt. Ze zijn niet echt de tijd van Paulus, maar betreffen wel het antieke Rome. Daarmee geven deze films toch een boeiende indruk van de stad waarin de gemeente van Rome aanwezig is.

Rome Reborn 2.1

Rome Reborn 2.2