Preek zondag 10 mei 2020

Preek zondag 10 mei 2020
Schriftlezing: Romeinen 14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de afgelopen week was ik twee keer op de begraafplaats,
afgelopen maandag en afgelopen donderdag.
Als je dan achter de familie loopt die bij de kist loopt, laat dat je nooit onbewogen.
Je ziet het verdriet van de familie voor je.
Je proeft iets van de band die er is geweest en je voelt aan dat er een heel gemis zal zijn.
Je merkt het ook aan anderen die meelopen achter de kist
dat een begraafplaats je nooit onberoerd laat.
Er is er altijd wel iemand die opmerkt dat er weer een aantal graven bijgekomen zijn
en dat de begraafplaats alleen maar groter wordt.
Het is een groot contrast om daar als levende te lopen.

Toch is er een overeenkomst tussen de mensen die daar begraven liggen
en degenen die over de begraafplaats lopen.
En dan bedoel ik niet dat die mensen die begraven zijn, ook mensen zijn geweest,

een leven hier op aarde hebben gehad,
een geschiedenis, die de moeite waard is om te vertellen,
maar dan denk ik aan wat we lazen bij Paulus:
dat de doden en de levenden één en dezelfde Heer hebben, namelijk Christus.
Hij is gestorven en opgestaan om zowel over levenden en doden te heersen.
Hij  regeert over de mensen die nu nog leven en ook over degenen die reeds gestorven zijn.
Er zijn heel wat grafstenen op de Ekelenburg die daarvan getuigen:
Grafstenen waar niet alleen de namen op staan, maar ook bijbelteksten, psalmen, liederen.
Je weet dan dat het voor hen een vreugde is om bij hun Heer te zijn.
Daar zal ik mijn Heer ontmoeten, zongen we van de week, luisteren naar Zijn liefdessstem,
daar geen rouw meer en geen tranen in het nieuw Jeruzalem.
Dat is dan wel weer een troost die er mag zijn, als je op die stenen kunt lezen,
dat ze Christus hebben geleefd en nu bij Hem mogen zijn.
Er zijn ook stenen, waar wel de namen op staan, maar een tekst of een lied ontbreekt.
Daar kun je dan je vragen over hebben: hoe zit het met hen?
Op welke manier ontmoeten ze Christus?
Ook zij, zegt Paulus zullen Christus erkennen:
alle knie – ook van degenen die niet geloofd  hebben.
Maar dat zal dan gedwongen zijn.
Waar zij zullen zijn – in Gods heerlijkheid, of in de verlorenheid, daar gaat onze Heer over.
Hij is rechter. Hij beslist over hun leven. Dat is niet aan ons om te oordelen.
Eerder in deze brief schrijft hij aan de gemeente: Als je Christus kent,
als je door het geloof met Hem verbonden bent geraakt, van Hem bent geworden,
dan hoef je dat oordeel niet meer te vrezen. Dán is er nog wel het oordeel,
maar dan hoef je door dat oordeel, dat God over je leven velt, niet meer verloren te gaan.
Dat is wel het verschil met degenen die daar begraven zijn: zij zijn het oordeel al voorbij.
Dat is dan al over hun leven uitgesproken. Wij staan er nog voor.
Christus is gestorven om Heer te zijn over levenden en over de overledenen.
Hij is gestorven en ook opgestaan om uw Heer, om jouw Heer te worden, te zijn.
Al zijn we al weer een paar weken verder na Pasen,
dat Christus is gestorven en is opgestaan, mag nog steeds aan de orde komen.
Het is belangrijk om een aantal weken lang bij de opgestane Heer stil te staan
en te na te denken, op ons te laten inwerken wat Zijn opstanding voor ons betekent.
Die betekenis is, dat we van Hem is en van Hem hoort te zijn.
De opstanding heeft niet alleen maar betekenis voor degenen die we begraven hebben,
maar ook voor ons, die nog in leven zijn: In beide gevallen is Christus onze Heer
en heeft Hij recht op ons leven, heeft Hij er recht op dat wij Hem dienen en eren.
Niet alleen maar met onze mond, maar ook met onze manier van leven.
Dat we Hem dienen met hoe we met elkaar omgaan.

Paulus begint opeens over de opstanding van Christus
en over de betekenis van de opstanding voor zowel degenen die leven
als voor degenen die gestorven zijn.
Hij doet dat als hij een discussie aansnijdt, die binnen de gemeente voor grote onrust zorgt.
Het is voor ons niet zo eenvoudig om te begrijpen, waarom die discussie zo hoog oplaait
en waarom het voor beide groepen in de gemeente zo’n principieel punt is,
dat hun relatie met Christus op het spel staat.
Paulus noemt de ene groep de ‘sterken’, gemeenteleden die sterk in hun geloof staan.

Het is ook niet helemaal duidelijk of zij zichzelf zo noemen of aanduiden
of dat Paulus hen deze naam geeft.
Deze sterken hebben Christus als hun Heer leren kennen en leren belijden.
Ze zijn Hem gaan dienen en hebben ervaren dat Christus hen bevrijdt.
Ze hebben een vrijheid ontvangen, die ze voorheen niet kenden,
toen ze Romein waren of Jood waren – vrij van de satan, bevrijd van de duivel.
Omdat Christus hun Heer geworden is,
heeft de satan en heeft de zonde geen macht meer over hen.
Alleen hoe zij hun vrijheid beleven, hoe zij ermee omgaan,
roept in de gemeente spanning op, zorgt voor verdeeldheid.

Het gaat om het eten van vlees en het gaat om het houden van bepaalde dagen.
Degenen die sterk zijn, voelen een bepaalde vrijheid om vlees te eten.
Het kan om vlees gaan, dat afkomstig is van dieren die volgens Joods gebruik onrein waren.
Deze gemeenteleden zeggen: God heeft alles geschapen, ook de onreine dieren.
Nu ik van Christus ben en Hem als Heer dien,
hoef ik me niet meer druk te maken om of dieren wel rein, wel kosjer zijn om te eten.
Zij kunnen dat met hun geweten rijmen.
Voordat zij gaan eten, danken ze God voor het voedsel dat ze ontvangen.
Voor een ander deel van de gemeente is dat een hele schok: Hoe kunnen ze dat doen?
Weten ze niet dat onrein voedsel hen bij God vandaan houdt,
een obstakel is voor de gemeenschap met God en hen bij Christus wegdrijft?
Paulus noemt hen de zwakken: ze zijn nog niet zo ver. Hun geloof is niet zo sterk.
Ze nemen het zekere voor het onzekere: Stel je voor dat die regels nog wel gelden
en dat de Heere het nog steeds afkeurt, dat er onrein vlees gegeten wordt.
Ze maken zich zorgen over het geloof van die sterken: nemen ze niet teveel risico?
Omgekeerd wordt die andere groep kriegelig: waarom doen ze zo moeilijk?
Hebben ze dan niet de bevrijding van Christus ervaren?
Dat is toch zo’n sterke ervaring, zo’n geweldige vrijheid, dat je nooit terug wilt?
Die andere groep mag wel eens wat harder groeien in geloof, niet zo treuzelen,
het is een gebrek aan vertrouwen dat ze niet kunnen meedoen.
De spanningen lopen op, want de gemeente is gewend om bij elkaar te komen,
om elkaar te versterken in het geloof, elkaar vast te houden.
Om samen de tijd voor elkaar te nemen en samen te eten.
Als ze dan bij elkaar komen, komt er al vanuit de keuken de geur van gebraden vlees
en wordt op tafel ook vleesmessen klaargelegd.
Een aantal aanwezigen beginnen ongemakkelijk te schuifelen: kunnen ze wel blijven?
En die anderen irriteren zich eraan: waarom wijzen ze af wat God geschapen heeft?
Wat een manier had moeten zijn om de onderlinge band te versterken
en samen bezig te zijn met de toewijding aan de Heere loopt uit op een verwijdering.
De irritatie en de verontwaardiging blijven.
Als ze naar huis gaan, zijn ze niet met zichzelf bezig  en ook niet met Christus
en wat ze die avond van Hem ontvangen hebben door samen te zijn,
maar zijn ze vooral met die ander bezig. Geïrriteerd, verontwaardigd.
En ook bezorgd: bezorgd over hun heil. Gaan ze zo niet verloren?
Midden in die discussie, die hen van elkaar verwijdert, schrijft Paulus:
Jullie hebben beiden dezelfde Heer.
Dat oordeel over het geloof van die ander komt jou niet toe.
Hoe hij het doet en hoe zij het redt en kan rijmen met haar geloof – dat is niet aan jou.
Dat komt alleen maar onze Heer toe.

Zo’n oordeel over een ander vellen, gaat soms wel heel makkelijk,
zo makkelijk dat je het niet van jezelf door hebt dat je dat oordeel velt.
Stel dat we geen beperkingen hadden om bij elkaar te komen
en dat we een gemeentedag wilden organiseren net als in september
en dat we uitgekomen waren op moederdag.
Dan was er snel bezwaar gekomen binnen de groep die voorbereidt:
Het is dan moederdag. Dan mis je een aantal gemeenteleden.

Dan had de reactie kunnen zijn: dan stellen ze hun familie boven de kerk.
Dan is de familie belangrijker dan het leven met Christus en zijn gemeente.
Of er is besloten om een jongerendienst te organiseren met wat alternatieve muziek
en dat een aantal gemeenteleden, die deze muziek niet begrijpen, het ongepast vinden
om zulke muziek in een eredienst te hebben.
Hoe kun je de Heere, die een heilig God is, nu dienen met zulke wereldse muziek.
Je kunt als gemeentelid bezig zijn met de gebedskring of met een bijbelkring
en je vindt dat zelf zo waardevol, maar je bent maar met weinig.
Je vraagt je af of andere gemeenteleden wel radicaal durven te zijn
en alles willen geven voor hun Heer, die voor hen is gestorven en opgestaan,
die Zijn leven gaf om hen dat nieuwe leven te geven.
Met deze voorbeelden bedoel ik niemand persoonlijk – ik zeg het er toch maar bij.
Ik noem alleen voorbeelden, waarbij je heel makkelijk een oordeel velt over een ander,
waarbij je bij jezelf denkt: hoe kan hij dat rijmen met God?
Hij heeft toch belijdenis gedaan? Toch zie ik hem een krat bier halen.
Zij geeft toch clubwerk. Als je ziet hoe zij de zondag besteedt?
Wie ben jij, dat je je medechristen beoordeelt? Het is je broer, het is je zus!
Jij bent God niet. Jij hoeft geen oordeel te vellen over hun geloof,
over wat zij met hun geloof doen, over hoe zij leven.
Hij spreekt hier allereerst de sterken in het geloof aan.
Hij schaart zich tot deze groep trouwens.
Jullie moeten ruimte bieden voor diegenen die nog niet zo ver zijn.
Je moet ze niet buiten sluiten en ze daardoor dwingen je manier van doen over te nemen.
Want dan gaat het in je dienen van Christus helemaal niet om Christus,
maar om jezelf. Die ander moet dan net als jij gaan doen. Op dezelfde manier leven.
Net zo ruim denken, niet meer van die benauwende regeltjes, die alle vreugde wegnemen.
Als je dan gaat denken dat Paulus vooral conservatief is en geen vernieuwing wil,
zegt hij tegen de groep die niet mee kan komen en op de rem trapt:
Doe niet of die groep van de sterken de deur voor de wereld open zet
en zo Christus naar de achtergrond wegdrukken en hun geloof op het spel zetten.

Je moet jezelf niet als uitgangspunt nemen, geeft Paulus aan.
Want je bent niet meer dan die ander, niet geloviger, niet beter.
Voor God sta je op hetzelfde niveau. In het oordeel van God ben je gelijk.
Je verschijnt allebei voor God.
En dan zul je moeten uitleggen welke keuzes je maakte.
Heb je in de keuze die je maakte Christus betrokken? Ging het om Zijn eer?  Zijn wil?
Of ging het erom dat jij wel even liet zien hoe het moest?
Ging het erom, dat jij kon laten zien waar de grens lag of hoe ver je kon gaan?
Als dat zo is, dan heb je niet begrepen waar het in het geloof om gaat.
Waarom het zo geweldig nieuws is, dat Christus kwam om te sterven en op te staan.
Waarom die boodschap van Zijn kruis en opstanding een kracht is die je redt,
die je redt van verlorenzijn, voor eeuwig verloren gaan.
Dat je bevrijd wordt van de zonde, die zonde die in je de macht wil hebben
en je de verkeerde kant op wilt laten gaan, tegen Gods wil in – ook al wil jij anders.
Doordat Christus stierf aan het kruis en opstond uit de dood
ben je nu in staat om in gesprek met God, al biddend, af te stemmen met Hem,
wat goed voor jou is en hoe je Hem op de beste manier dient.
Paulus noemt dat het geweten. Je kunt weer zelf je afweging maken,
maar niet een keuze, waarbij het om jezelf draaide.
Dat was juist de zonde,
die je aanzette tot een manier van leven die alleen maar om jezelf draaide.
Daar ben je van bevrijd. Daar in je zit niet meer dat egoïsme,
daar zit niet meer die neiging om je oren dicht te stoppen als die ander wat zei,
en je ogen dicht te doen als je van die ander wat zou kunnen opvangen.
Daar zit niet meer een hart, in jezelf, dat alleen maar vol van jezelf kan zijn.
Nee, je leeft voor Christus. Heel je bestaan is nu van Hem.
Heel je hart en je leert ook te kijken, zoals Hij keek en te luisteren zoals Hij luisterde.
Oprecht, met aandacht voor de ander. Benieuwd waarom die keuze gemaakt wordt.
Liefde noemt Paulus dat: zelf een stapje opzij kunnen zetten,
om de ander de ruimte te gunnen zijn of haar verhaal te doen, te vertellen waarom.
Om vertellen hoe hij of zij God wil dienen met deze levensstijl.
Of het nu een voorzichtige levensstijl is of een vrije uitbundige.
Om te vertellen wat de aarzelingen en bezwaren zijn, waar die ander zorgen om maakt.

Paulus rekent zichzelf tot de sterken en voelt zich niet snel gewetensbezwaard.
Maar hij gooit de boel niet ongecontroleerd open.
Hij is geen voorstander dat alles maar mag en je niets meer van een ander mag zeggen.
Dat je met Christus afstemt en daarin oprecht bent, dat is voor Paulus wezenlijk.
Zijn criterium is: kun je er Christus ervoor danken?
Leidt jouw keuze je bij jezelf tot intense dankbaarheid naar God toe
omdat je weet dat jij daarmee God de eer mag toebrengen?
Met zonde kun je God niet eren, maar geef je je weer over aan de duisternis.
Tegen verleidingen moet je strijden.
Daarop mag je elkaar wel aanspreken, want dan gaat het om je leven met Christus,
dan gaat het om je heil, want als je Christus opgeeft, komt dat oordeel alsnog weer
en verlies je je redding weer. Daar mag je wel je zorgen over maken.
Als je dat gesprek uit de weg gaat, is het ook weer niet goed.
Dan ben je de liefde ook weer kwijt en bouw je elkaar als gemeente ook niet op.

Er zit in dit hele betoog, naast het scherpe aanspreken, ook een zekere onbezorgdheid.
Juist in die opmerking dat Jezus Christus Heer is over levenden en doden.
Christus regeert over jouw leven. Hij is met je bezig. Hij houdt je staande
En dat je mag ook verwachten dat Hij dat bij die ander doet waar jij je zorgen over maakt.
Hij laat jou niet los, maar ook hem of haar niet.
Jij kunt het geloof niet geven. Jij kunt het geloof ook niet laten groeien, ook niet versterken.
Je kunt het wel belemmeren en tegenwerken en in de weg zitten
door jezelf als uitgangspunt nemen. Jezelf als norm.
Nee, je leeft niet voor jezelf, maar je bent nu van Christus.
Dat is ook bevrijdend. Want Hij zorgt dat het met jou goed komt. Dat je staande blijft.
Dat je bij Hem blijft, met Hem verbonden, Hem kunt danken
en dat je Hem je keuzes voorlegt – maar dat mag je ook voor die ander verwachten.
In de kerk is het zelden: Ik alleen, maar veel vaker: samen,
maar dan wel samen in de naam van Jezus.
Hij is de norm. Hij is het uitgangspunt. In Zijn naam zijn we samen.
Wanneer je dat samen in Hem gevonden hebt, kun je samen een loflied aanheffen,
al doe je het verschillend en maak je andere keuzes, wel diezelfde lof voor diezelfde Heer.
Samen bidden, samen zingen, samen getuigen, samen leven tot Zijn eer.

 

Preek Tweede Pinksterdag 2019

Preek Tweede Pinksterdag 2019
Romeinen 8:18-30
Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil,
maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen.
Maar ze heeft ook hoop gekregen (Romeinen 8:20)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als Paulus spreekt over de schepping die onderworpen is aan de zinloosheid
hebben we daar in de afgelopen week een voorbeeld van kunnen zien:
De wind die opeens kwam opzetten, met sterke rukwinden, een korte, hevige storm.
Door die rukwinden werden verschillende bomen omver geblazen.
Op de radio vertelde een bomendeskundige dat er geen verschil was in bomen:
Er waren jonge bomen, die heel buigzaam zijn, omgeblazen.
Zowel gezonde als zieke bomen – de wind maakte geen verschil.
Er vielen oude, diepgewortelde bomen om, waarvan je mocht verwachten
Dat ze door de diepe wortels stevig in de grond stonden,
bomen die al heel wat stormen hadden doorstaan waren nu toch omgevallen.
De man op de radio vertelde dat het vooral de wind was, die de bomen deed sneuvelen:
Rukwinden die uit een onverwachte hoek kwamen,
Want bomen zijn in staat om stevige wind uit eenzelfde hoek op te vangen.
Maar als de wind uit verschillende hoeken om de boom heen stormt,
wordt de boom gegrepen en is het gedaan met de boom.
Een voorbeeld van de zinloosheid, waaraan de schepping onderworpen is,
Want de wind is niet geschapen om verwoestend huis te houden,
maar eerder een beschermende kracht,
zoals de aarde, God deze schiep, geen verwoestende krachten had,
maar een paradijs voor de mens was, een plek om samen te zijn met God,
de aarde vol van Gods heerlijkheid. Alleen maar goed, goed in Gods ogen.
Maar zo is de aarde niet meer.
De aarde is een plek die onderworpen is aan de zinloosheid.
Ze heeft niet meer het doel, die de Heere aan de aarde gegeven had bij de schepping.
Zoals de wind niet meer de schepping bewaart en beschermt of dient en verzorgt,
maar tekeer gaat, verwoestend is.
In die wind die tekeer gaat en vernielen kan
en ook in de bomen die omgewaaid zijn door die rukwind
is een stem te horen.
Heere, hoe lang zult u toekijken?
HEERE, verlos mijn ziel van hun verwoestende daden. (Ps. 35:17)
En zij riepen met luide stem: Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen? (Openbaring 6:10)

Niet alleen de natuur die lijdt door de schade die is aangericht,
maar ook dat deel van de natuur dat de schade aanricht
en niet anders meer kan dan verwoesting brengen,
omdat het in een macht gekomen is – zinloosheid, zegt Paulus, losgezongen van haar doel
Ook voor de natuur geldt:
Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. (Rom. 7:19)
Onderworpen aan de zinloosheid, zegt Paulus.
Het meest waarschijnlijke is dat het God is
die de rest van de schepping laat delen in het lot van de mensen
Die in het paradijs tegen Hem ingingen en zondigden en het kwaad binnenhaalden.
Dit zei God nadat Adam en Eva ter verantwoording werden geroepen:
Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan,
Zwoegen zul je om ervan te eten, je hele leven lang.
Dorens en distels zullen er groeien, toch moet je van zijn gewassen leven.

De aarde geeft niet meer, waarvoor God de aarde schiep
En de tuin is niet meer de tuin die God schiep, maar een wildernis,
waarin de dorens en de distels de groei van het koren bemoeilijken,
maar ook het bewerken van de akker moeizamer maken.
De schepping zucht en daarmee bedoelt Paulus:
ook het niet-menselijke deel van de schepping, zoals de bomen en planten,
de dieren op het land en in de zee, de vissen en de vogels,
het water, de wind, de aarde.
Ze zuchten omdat ze niet altijd meer doen waarvoor God ze geschapen hebben.

Wij hebben 3 konijnen.
Als ze languit liggen, soms tegen elkaar aan,
dan zie je iets terug van het oorspronkelijke scheppingsdoel.
Maar als je bij het hok komt om ze eten te geven, vallen ze elkaar aan en jagen elkaar op.
Ze gunnen elkaar het eten niet. Ze moeten dan even laten weten wie de baas is.
De schepping is aan de zinloosheid onderworpen.
Ze beantwoordt niet meer aan haar doel, ze zucht onder het juk dat God opgelegd heeft.
In alles, heel de schepping zucht er onder, van het kleinste diertje tot de hoogste berg.
Als de schepping, zucht roept het tot God: bevrijd ons ervan!
Met dat zuchten zegt de schepping: Het is niet onze schuld.
Wij hebben niet de keuze tegen God gemaakt.
Met dat zuchten houdt de schepping ons een spiegel voor:
Wat heb je gedaan, daar in het paradijs, met het leven en de vrijheid die je van God kreeg,
de Schepper die je het leven gaf, die een wereld maakte,
de mens als kroon op de schepping, de mens: beeld van God?
Als de schepping zucht onder de last die God oplegt door onze zonde en klaagt ons aan:
Heel Uw werk, door ons vertreden, klaagt ons mensheid aan bij U.
Er zijn momenten waarop je dat zuchten naast je neer kunt leggen.
Als je foto’s ziet van exotische oorden met witte stranden, een blauwgroene oceaan
en groene bossen op de achtergrond,
dan kun je dat zuchten wegstoppen
en hoef je niet naar de aanklacht te horen die in dat zuchten schuil gaat.
De zonde wil ook niet dat we die aanklacht horen en dat we gaan nadenken,
wil niet dat we onrustig worden en gaan verlangen naar een ander leven, een beter leven.
De zonde wil juist dat we gaan denken dat deze wereld best te doen is
en de tactiek van de zonde is om alle negatieve kanten weg te duwen,
dat zuchten te overstemmen met andere geluiden,
waarbij we zeggen dat deze wereld zo gek nog niet is.
In de afgelopen week zag ik een filmpje van een strand:
strandgasten die aan het zonnebaden waren, aan het zwemmen, volop plezier.
Het was een filmpje van het strand in Latakia, het westen van Syrië.
Dat filmpje werd gedeeld door mensen die het niet zo’n goed idee vonden
dat Syriërs deze kant op kwamen en gaven bij dat filmpje aan:
Als dit Syrië is, waarom vluchten ze dan naar Europa?
Als je zo kunt genieten in je eigen land,
dan heb je toch geen reden om een veilig heenkomen te zoeken in een ander werelddeel?
Wat er niet bij gezegd werd was dat er nog geen tientallen kilometers landinwaarts
gevangenissen staan waar tegenstanders van het regime wreed gemarteld worden.
Ook werd niet gemeld waar het filmpje vandaan kwam.
Het kan ook uit het Assad-kamp zijn: propaganda dat het leven goed is onder zijn bewind.
De schepping zucht om ons wakker te houden.
Om ons niet te doen vergeten dat het hier beneden nog niet is,
ook al kleden we het leven hier nog zo mooi in
en zijn we in staat om alle rampen en narigheid vakkundig weg te poetsen
en de schijn op te houden – de schepping zucht.
Het zuchten van de schepping is niet alleen een aanklacht, een verwijt,
maar ook de stem van een diep geloof,
zoals in alle klachten in de Bijbel, in de klaagliederen uit het Oude Testament bijvoorbeeld

geloof naar voren komt in God, die alles bestuurt.
Want al die klachten die in de psalmen verwoord worden
En het zuchten van de schepping waar Paulus over spreekt,
weten dat God er iets aan kan doen, kan ingrijpen, kan redden, kan bewaren.
Als God het juk van de zinloosheid op de schepping gelegd heeft,
kan Hij dat juk er ook weg nemen en de schepping bevrijden
en weer tot haar doel brengen.
En hoe de mensheid ook zich nestelt in deze aarde en tevreden is hier.
De schepping zucht om ons onrustig te maken
om de illusies die wij als mensen kunnen hebben door te denken dat het hier wel meevalt
te doorkruisen met hun roepen, met hun gezucht.
Het is niet een enkel onderdeel van de schepping dat zucht, maar de hele schepping.
De gebieden die te onherbergzaam zijn om te bewonen net zo goed
Als de plekken waar mensen naar toe gaan om hun vakantie te vieren.
De dieren net zo goed als de planten.
De schepping is één, één in het juk van de doelloosheid, maar ook één in verlangen.
Reikhalzend verlangen: op de uitkijk gaan staan om te zien of je er al iets van verneemt.
Op je tenen gaan staan, om te kijken of het al dichter bij komt.
Want waar veel mensen het wel best vinden, het leven zoals het is,
Weet de schepping dat er een andere tijd komt, een tijd van bevrijding,
een tijd waarin de schepping weer is, zoals God die bedoelde.
Het zuchten van de schepping is daarom niet alleen maar lijden, niet alleen maar aanklacht,
maar ook evangelie: verkondiging dat er door Christus redding is, ook voor de schepping.
De schepping gelooft in haar Schepper,
gelooft in Christus als de hersteller van de schepping, die de zonde wegdroeg,
Waardoor er een tijd zal komen, dat het niet meer nodig is
om te lijden onder die zinloosheid en vergankelijkheid.
Zo getuigt de schepping, die door ons toedoen te maken kreeg met vergankelijkheid,
aan ons mensen van het heil dat er zal komen:
jullie zullen aangenomen worden als kinderen van God,
jullie die in opstand waren en niets van God moesten weten worden weer kinderen van God.
De schepping weet dat er meer is dan de zonde
en van een God die sterker is dan de zonde
En die ook het lot dat de schepping heeft getroffen door de zonde kan wegnemen.
Die de genade heeft, de barmhartigheid ook, om opnieuw te beginnen
met de mensen en daarom ook met de schepping,
Want de schepping blijft Zijn schepping. Hij geeft niet prijs van Zijn hand begon.
De schepping heeft dat geloof blijkbaar uit zichzelf, dat God zal redden
en dat er een nieuwe tijd zal komen.
De schepping lijdt wel aan de vergankelijkheid, kreunt en zucht eronder,
maar is niet het geloof kwijtgeraakt en ziet zelf de hand van de schepper
En getuigt ondanks de sterfelijkheid en vergankelijkheid,
ondanks de neiging om het verkeerde te doen van de Schepper.

Voor ons mensen is het een ander verhaal.
Wij hebben daarvoor de Heilige Geest nodig.
De Geest maakt ons onrustig en doet ons verlangen naar een andere tijd
Waarin God weer bij ons mensen is en wij van Hem zijn.
De Geest wekt in ons een verlangen om los van de zonde te komen
En niet meer gevangen te zitten in die neiging om het verkeerde te doen,
om alleen maar aan onszelf te denken, om het goede dat er is voor onszelf te misbruiken.
Ook wij zuchten, zegt Paulus, onder de zonde, onder het lot dat ons getroffen heeft,
dat ook weer door onszelf over onszelf is afgeroepen.
Maar ook voor ons is dat niet het laatste woord. Het is met de zonde niet afgelopen.
Ook wij mogen weten van die nieuwe tijd, die er door Christus is gekomen en zal komen.
Door Christus die de last van de zonde droeg, het oordeel van God, aan het kruis.
De nieuwe tijd die niet alleen maar iets van de toekomst is.
Als voorbode van die nieuwe toekomst van bevrijding, van weer kind van God zijn,
hebben wij van God de Geest gekregen: een teken dat die andere tijd komt
en dat God ons in die andere tijd wil hebben, wil meenemen, wil redden, bevrijden.
De Geest die ons de ogen opent voor onze neiging om de zonde te geloven
en er in mee te gaan als de zonde de negatieve gevolgen camoufleert
en ons wil doen geloven dat het zo wel gaat
en dat er een nieuwe wereld niet nodig is, omdat deze oude wereld nog voldoet.
De Geest die ons de oren opent voor het zuchten van de schepping
en ons doet luisteren naar de aanklacht die daarin klinkt, het lijden door ons veroorzaakt,
maar die ons ook meeneemt naar de God
aan wie de verzuchtingen van de schepping zijn gericht
om daar bij God ook ons zuchten te brengen.
In dat zuchten van ons zit een gebed, waar we de woorden niet voor kunnen vinden.
We hebben er geen woorden voor om te reageren als de schepping ons aanklaagt,
omdat we niet weten waar we met onze schuld naar toe moeten.
Wij kunnen die zelf niet dragen.
Die schuld kan ons alleen maar afgenomen worden.
In ons zuchten verwoordt de Geest voor ons een gebed waarin we onze schuld erkennen
en waarin we een beroep doen op God: Red ons van onze schuld,
zodat we weer met de schepping samen kunnen leven en samen kunnen uitkijken
naar de toekomst die U zult brengen.
Wij weten niet wat we bidden moeten, zegt Paulus.
We zuchten, omdat we uit onszelf de weg naar God niet vinden.
Dan neemt de Geest ons mee, via onze verzuchtingen, en brengt ze bij God.
En dan weten wij niet wat we bidden moeten en kunnen we alleen maar verzuchten,
de Geest weet van ons zuchten een gebed te maken tot God.
Bij Paulus heeft dat niet-weten wat we moeten bidden wellicht ook te maken
met de zonde waardoor we de wil van God niet meer kennen.
Wij kunnen niet meer zo bidden, door de zonde, dat in ons gebed het niet gaat om ons,
maar om de wil van God. Uw wil geschiede.
Wij weten niet hoe de bevrijding er uit zal zien.
We kunnen ons er geen voorstelling van maken, omdat we alleen deze wereld kennen.
Dit is de wereld waarin we leven.
Wat we erover weten, hebben we uit Gods mond gehoord, gelezen in de Bijbel.
We kunnen daar alleen maar over dagdromen in geloof.
Hoop noemt Paulus het: je kunt je er geen voorstelling van maken,
onze beperkte menselijke gedachten schieten tekort,
maar daarom is het nog wel waar, daarom komt die nieuwe tijd nog wel.
De tijd dat het juk van de schepping wordt afgenomen en ook wij als mensen bevrijd zijn,
samen met de schepping weer kinderen van God zijn en tot onze doel mogen komen.

Heer ons lot is in Uw handen
en het is uw hartewens,
naar uw beeld ons te veranderen
Jezus Christus, nieuwe mens.

Zie ons lijden, Heer, tezamen
met de ganse creatuur,
zie toch, hoe uw erfgenamen
zuchtend uitzien naar het uur,
dat zij ‘t juk mogen schudden
het vernederende juk
der vergeefsheid, ach wij bidden:
breek het stuk, Heer, breek het stuk.

Kom toch om de macht te breken
van de vorst der duisternis.
Geef dat de zege zeker is.
Amen

Preek zondagavond 19 mei 2019

Preek zondagavond 19 mei 2019
Romeinen 6:1-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn tijd op de middelbare school las ik een roman van de schrijver Gerard Walschap
over de verloren zoon, die na een tijd weggegaan was, weer was thuisgekomen.
In die roman was de verloren zoon, in het boek Gad uit Nazareth, weggegaan,
omdat het hem benauwde in het dorp waar hij opgevoed was.
Na enkele jaren keerde hij weer terug, om het leven van vroeger op te pakken.
Maar het lukte hem niet.
Hij liep tegen dezelfde bekrompenheid op, die hem eerder deden wegtrekken uit zijn dorp.
Hij vertrekt weer en zo gaat het in het boek eigenlijk steeds:
wegtrekken en weer in het dorp komen en in zijn plaats van herkomst niet kunnen aarden.

In Romeinen 6 gaat het er ook over hoe dat leven er uit ziet,
nadat je als verloren zoon (of verloren dochter) weer bent thuisgekomen met je doet.
Lukt het om te aarden in dat nieuwe leven,
waarin je weer bent aangenomen als zoon of dochter van God?
Heb je het naar je zin nu je thuisgekomen bent?
Geniet je om bij de hemelse Vader thuis te zijn?
En hoe ziet dat leven, nu je weer thuis bent bij God, er uit?
Mag je nog iets van dat oude leven hebben?
Van dat dwalen door de wereld, die losbandige levensstijl?

Paulus is blijkbaar mensen tegengekomen,
die vinden dat je best nog iets van die oude levensstijl mag hebben.
Als je nog iets van dat oude leven houdt, wordt de genade alleen maar groter.
Of misschien gaat het om mensen, die in geuren en kleuren vertellen over dat oude leven,
over wat ze allemaal wel niet verkeerd hebben gedaan,
net of ze er trots op zijn, wat ze allemaal hebben meegemaakt,
erop kunnen pochen hoe bijzonder het is dat zij door Christus gegrepen zijn.
Natuurlijk, het gaat om de eer van Christus,
Christus die zo genadig is en zo krachtig werkt en ook hen kon bekeren.
Maar het is net of dat bijzondere van Christus alleen maar zichtbaar wordt
als je zo kunt vertellen over wat er allemaal wel niet nodig was
om je tot inkeer te brengen.
Alsof ze net iets teveel van dat oude leven houden, teveel heimwee naar dat leven toen
En dat oude leven toch ergens nodig hebben om van Christus te genieten.
Of het voor hen niet genoeg is dat ze Christus hebben
en dat ze dat oude leven niet echt als een last ervaren.

Paulus is daar heel fel op: dat oude leven moet helemaal achter je liggen.
Je mag van dat oude leven niets in je overlaten.
Je moet er niet teveel aan terugdenken, niet te groots over zijn,
ook al is het je bedoeling om daarmee de genade van Christus groter te maken.
Want dat oude leven blijft bezig om je terug te winnen, om weer invloed op je te krijgen
en mee te nemen op de verkeerde weg, zodat je weer bij God vandaan gaat.
Als je teveel met dat oude leven bezig bent, ook al is dat om Christus’ genade te belichten,
voed je de kans om heimwee te krijgen, loop je het risico om de deur open te houden.
Het zijn begeerten, die in dat oude leven volop te kans kregen,
niet afgeremd werden, niet tegengehouden werden, niet bestreden werden,
Waarmee de zonde probeert in ons leven terug te komen.
Blijkbaar zijn die begeerten een zwakke plek van ons
En vormen ze voor de zonde een gemakkelijke en verborgen manier
om weer de macht in ons leven terug te krijgen.

We zijn bevrijd uit de macht van de zonde, omdat Christus gestorven is
en Hij in ons leven gekomen is
en toch blijft die zonde om ons heen cirkelen om bij ons weer binnen te dringen,
om ons te veroveren, zonder dat we dat door hebben.
Wat maakte het voor de verloren zoon zo aantrekkelijk om weg te gaan bij zijn vader,
naar een ver land af te reizen, waar hij kon leven, zoals hij dat wilde,
waar hij zich niet afgeremd werd door schaamte
of door mensen die naar hem toe kwamen en zeiden:
als je vader eens wist, waar je mee bezig bent, wat zou hij dan zeggen?
Als je moeder wist, dat je hier was, dan zou ze wel erg veel verdriet hebben.
De begeerte waar Paulus op doelt, is het verlangen in ons mensen
en dan vooral het verlangen naar wat verkeerd voor ons is, schadelijk voor ons is.
In Romeinen 13 noemt Paulus enkele van die begeerten:
zwelgpartijen en dronkenschappen, slaapkamers en losbandigheid, ruzie en jaloezie.
We hoeven dat niet eens uit te werken, omdat iedereen wel begrijpt waar het om gaat
en iedereen wel begrijpt, waarom dit begeerten zijn, waar we kwetsbaar voor zijn.
Je moet daar tegen strijden zegt Paulus, want die begeerten zijn sluiproutes
waardoor de zonde weer in je probeert te komen
En de zonde neemt geen genoegen met een klein plekje in je leven,
maar wil je hele leven hebben, je helemaal in dienst nemen.

Het is Paulus hier te doen om het conflict dat er is tussen Christus en de zonde.
De zonde, die aan het kruis het onderspit moest delven, zijn macht kwijtraakte.
Paulus zegt: u hebt zelf ervaren hoe u bevrijd bent van de macht.
Paulus dacht aan zijn gemeente, waarvan iedereen die er bij was een bekeerling was,
toegetreden was tot Christus en daarmee tot de gemeente
en in die gemeente met Christus opnieuw begonnen is.
Christus wil ook het liefst met u opnieuw beginnen
en hopelijk is Hij al met u, met jou begonnen
en zeg je: ja, ook voor mij is de macht van de zonde verbroken. Ik mag vrij zijn.
De zonde heeft over mij geen macht meer.
Ja, ik voel nog steeds wel de zonde aan mij trekken
en ik merk hoe de zonde in mij die begeerten aanwakkert, maar ik strijd ertegen.
Mijn enige troost is dat ik toebehoor aan Jezus Christus.
Ik ben niet meer van mijzelf, maar ben eigendom van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus,
die met Zijn eigen dood mij heeft vrijgekocht van uit deze macht en mij bevrijd heeft.

Of misschien moet je wel erkennen, dat je nog niet zover bent
En dat je, als je over jezelf nadenkt, merkt dat de zonde nog steeds macht over je heeft.
Dat Christus niet de enige in je leven is,
en dat je toch een deur openhoudt voor die begeerten, omdat ze je nog zoveel plezier geven
of omdat je zelf niet in staat bent om die invloed uit je leven weg te krijgen.
Je zou wel willen, maar je vecht nog steeds niet tegen de zonde, eerder tegen Christus,
om Hem nog niet alles in je leven te bepalen.
Dan wordt er om je gevochten, want Christus wil je niet in de macht van de zonde laten,
want Hij weet hoe nadelig die macht voor je is, hoezeer het een macht is die je kapot maakt,
in de greep houdt en je niet wilt laten gaan.

Of misschien merk je dat gevecht in jezelf wel: de strijd die geleverd,
Dat je aan de ene kant dat verkeerde aan je voelt trekken, maar dat je niet altijd wilt,
Dat je niet altijd mee wilt gaan en dat je voelt dat het niet meer kan op die manier,
maar toch ben je dan soms niet sterk genoeg en ga je toch onderuit.
De zonde laat je ook niet zomaar gaan.

Na een kerkdienst, waarin ik vraag 1 van de Heidelberger Catechismus voorlas,
werd ik door een van de aanwezigen aangesproken, een vrouw.
Ze vertelde dat ze geschrokken was van het antwoord van de Catechismus.
Dat antwoord had haar op een verkeerde manier geraakt.
Ze was vooral geschrokken van het woord ‘eigendom’ – je wordt eigendom van Christus.
Dat had voor haar heel beklemmend geklonken.
Wanneer er een woord verkeerd valt, is er vaak meer aan de hand
En raakt het aan een gevoeligheid die iemand heeft
en dat bleek ook bij deze vrouw te zijn.
Ze vertelde dat ze net gescheiden was, hoe haar huwelijk was vastgelopen,
omdat ze steeds meer van zichzelf kwijtraakte in het huwelijk,
hoe haar ex-man haar steeds minder van haarzelf in het huwelijk accepteerde.
Uiteindelijk zag ze maar één manier om zichzelf te redden: uit het huwelijk stappen.
Die jaren van haar huwelijk hadden echter zoveel invloed op haar gehad,
dat één woord genoeg was om haar weer even terug te brengen in die tijd,
waarin zij gevangen zat en alle vrijheid miste.

Ook dat oude leven in de zonde heeft iets beklemmends, waarin we onze vrijheid kwijtraken.
In een menselijke relatie kan iemand zijn slechte kant een tijd lang verborgen houden,
maar als het huwelijk eenmaal gesloten is, als je samen bent als man en vrouw
opeens die verkeerde kant laten zien, omdat je toch niet meer terug kunt.
Zo kan de zonde de slechte kant eerst verborgen houden
en het verkeerde eerst aanlokkelijk maken, dat je gek bent als je het laat lopen,
dat je toch heel wat mist, als je niet op die begeerten ingaat.
dat het geen kwaad kan om een keer op zo’n begeerte in te gaan.
En als je eenmaal binnen bent, in zijn greep, dan laat hij je niet meer gaan
hij heeft je wil heeft overgenomen:
in de macht van de zonde niet meer je zelf kunt bepalen wat je wilt doen,
En hij wakkert de strijd tegen Christus aan door te doen alsof je bij Hem je vrijheid kwijtraakt dat je bij Christus niets te zoeken hebt.
Zo maakt de zonde het je steeds moeilijk om van hem los te komen.
Hij is als een stalker, die je niet zomaar laat gaan, als je van hem bent geweest.

Zelfs als Christus voor je strijdt en in je leven wil komen,
zelfs als Christus de zonde in jouw leven, uw leven te sterk is,
geeft de zonde niet zich zomaar gewonnen.
De zonde heeft echter geen recht meer op je, zegt Paulus.
Je bent overgegaan naar een andere eigenaar:
van de macht van de zonde in Christus’ handen.
Het is de overgang van iemand die je geroofd heeft naar iemand die recht op je heeft.
Van iemand die je verleid heeft en meegenomen heeft op de verkeerde weg,
naar degene die je geschapen heeft en steeds op je wacht tot je weer thuis komt.
Die overgang naar Christus, weg uit de zonde gebeurde op een bijzondere manier:
Mee-gekruisigd met Christus – met Hem mee naar het kruis en het graf in.
Dat betekent dat de zonde je moest laten gaan en dat er een nieuw leven gekomen is.
Zo radicaal, dat je niets van je oude leven hebt kunnen meenemen.
Zoals je na een echtscheiding uit een moeizame relatie niets wilt meenemen,
niet de angst die je had, niet het gevoel van onvrijheid, niet het gevoel jezelf kwijt te raken,
zo mag er niets in dat nieuwe leven meekomen van dat oude leven.
Niet in de vorm van heimwee, niet in de vorm van grootse verhalen over hoe het toen was.
Je begint helemaal opnieuw.

In de uitleg wordt dit gedeelte nogal eens verbonden met de doop.
De doop, die voor de eerste christenen gebeurde met onderdompeling:
je gaat kopje onder: de oude mens sterft en je staat op als nieuw mens.
Of je zou het ook anders kunnen zeggen: je gaat helemaal onder in Christus,
zodat Hij je helemaal vervult, niet alleen je gedachten en je hart, maar ook je huid.
Heel je bestaan, heel je wezen, helemaal zoals je bent,
zodat alles van je, van top tot teen, binnenkant en buitenkant toegewijd wordt aan Christus
En er geen enkel stukje van je bestaan, van wie je bent, van je lichaam, je identiteit
nog aan de zonde toebehoort.
Want al zou er maar één stukje in de zonde zijn, dan zou er aan je getrokken worden
om je weer de verkeerde kant op te krijgen en zou je het risico lopen
weer terug te vallen in het oude bestaan en Christus ook de redding mis te lopen.
Daarmee zou ook onze redding op het spel staan en niet alleen onze redding,
maar ook de genade van God, de kracht van God,
die dan niet in staat zou zijn geweest om ons helemaal te redden.

Er is een nieuw leven, zegt Paulus, radicaal nieuw – geschonken in Christus:
In Zijn sterven en opstaan, waarin Hij ons meenam
en voor ons dat nieuwe leven gaf.
Dat vraagt ook van ons iets.
Dat vraagt ook van ons een strijd – een strijd tegen die begeerten,
waarmee de zonde ons wil heroveren.
Laat de zonde niet meer over u heersen – hij heeft er geen recht meer op.
Ga niet in de zonde mee, stel jezelf niet ter beschikking aan de zonde,
Want je hebt een nieuwe Heer, die je vrijkocht door zelf te sterven.
Stel je leven in dienst van God, want Hij heeft je levend gemaakt.
Amen

Preek 17 december 2017

Preek 17 december 2017
Preek jongerendienst. Thema: Wat trek jij aan met Kerst?
N.a.v. Romeinen 13:8-14
24232378_1724355950931116_7173329242606294367_nVanmiddag komt mijn broer met zijn vrouw
om hier bij ons het kerstdiner te gebruiken.
Ik ben de hele week al bezig met nadenken:
Wat doen we met dit kerstdiner? Wat zetten we op tafel?
Want ja, mijn broer heeft stijl.
Misschien komt dat wel door zijn vrouw…
En weet je hoe hij er altijd uitziet?
Het is altijd, ja hoe zal ik het zeggen: verrassend,
een soort sjiek, maar dan ook weer een soort losjes.
Als hij komt, dan kijk ik toch altijd naar zijn kleren
en dan heb ik het idee dat ik zelf er maar gewoontjes bijloop, wat ik ook aantrek.
Daarom ben ik er al een paar dagen mee bezig, wat ik aantrek.

[voorbeelden: colberts/gilet & pyjama]

Hebben jullie dat ook, dat je al heel lang van tevoren
erover nadenkt wat je zult aantrekken?

Ik weet nog goed hoe toen ik klein was
Er een kerstboom uit ons tuintje
in de kamer werd gezet.

Ach nee, bij ons werd er nooit een kerstboom in de tuin gezet,
dat was heidens.
Wat we wel eens deden: na nieuwjaar kerstbomen bij ons in de tuin zetten.
Hadden we toch een kerstboom.
En een kerstdiner hadden we ook niet,
want we moesten veel naar de kerk:
Op Eerste Kerstdag 2x
en op Tweede Kerstdag hadden we ‘s morgens een gewone kerkdienst
en ‘s middags een lange kerstviering van de zondagsschool in de kerk.
Daarom aten we altijd heel eenvoudig met kerst.
Heel af en toe hebben we met Kerst gegourmet,
als ik de foto’s mag geloven
maar ik kan me het niet meer herinneren.

En toch, weet je: de kerstvieringen vond ik altijd bijzonder.
Ook de kerstviering op school:
‘s avonds laat nog naar school (zo voelde het), de zondagse kleren aan.
in het donker op school, kaarsen aan, de kerstliederen,
de sfeer, de vertelling uit de Bijbel, het kerstverhaal.
Heb jij ook een mooie herinnering aan de kerstvieringen?
Ik weet nog goed hoe toen ik klein was
Weet je, voor mij hebben die kerstvieringen mij geholpen, denk ik zo,
om als kind te geloven in dat Kind dat kwam,
Gods eigen Zoon in de kribbe,
Dat Hij kwam voor mij.

Daarom is het voor mij een feest dat veel betekent, ik hoop voor jullie ook.
Maar ja, nu komt mijn broer met kerst
en ik ben nu veel meer bezig met hoe het in de kamer er uit moet zien, hoe de sfeer is,
Wat er op tafel moet staan, wat ik aantrek.
Kun jij ook zo er mee bezig zijn hoe anderen over je denken?
Hoe zij het bij jou vinden om bij jou in huis te zijn?

Ik ben daar haast meer mee bezig dan waarom ze komen
en waarom we feestvieren,
Waarom het gezellig is:
Omdat er een Kind geboren is, niet zomaar een Kind, de Redder.
Hij kwam in een wereld, die helemaal niet zo gezellig was,
in een stal, omdat niemand zijn ouders een plekje in huis wilde geven, nergens welkom.
De Redder – en nergens welkom!
Kun jij dat voorstellen, dat je nergens welkom bent
en dat je maar in een schuur geboren wordt
en neergelegd wordt in een kist waar eerst dierenvoer in zat?
Kun je je voorstellen dat je ouders nadat je geboren bent
snel hun spullen moeten pakken
en op de vlucht moeten naar een ander land,
omdat je anders gedood wordt?
Wat kunnen wij ons dan druk maken over wat we moeten aantrekken!
Is Hij bij jou wel welkom?
In jouw hart, in jouw leven?

Er komt een dag, waarop Jezus terugkomt, het Kind van Bethlehem.
Hij komt dan niet terug als kind, maar als Koning.
Ben jij daarop voorbereid?
Want je kunt je wel, net als ik, op een feestje met elkaar voorbereiden,
maar uiteindelijk gaat het erom, dat we deze Koning kunnen ontmoeten.
Dat betekent niet, dat je elk moment aan Hem moet denken,
maar wel dat als Hij komt, dat je dan niet verrast bent,
maar juist blij bent: Heere Jezus, mijn HEER, U bent gekomen!
Ik heb er naar uitgekeken!

Weet je, zegt Paulus, die dag komt snel dichterbij.
Nu is het nog donker op deze wereld, niet gezellig donker,
maar duister, verkeerd en dreigend.
Mensen die alleen maar denken aan zichzelf
en dat zij het maar goed hebben en een ander laten stikken.
Die van anderen kunnen stelen – ik kan me dat niet voorstellen
wat daar aan is, dat je van een ander steelt.
Die vriendschappen of relaties kapot maken, omdat ze alleen maar met zichzelf bezig zijn en hoe zij gelukkig kunnen worden,
ook al is dat ten koste van anderen.
Ze kunnen zich soms heel mooi voordoen, mooi aankleden,
de duurste kleren kopen
en indruk maken met hoe ze voor de dag komen
en toch is het leeg in hun leven, hebben ze niets en zijn ze niets.

Weet je wanneer je pas iets bent en iets hebt?
Als je gelooft in Jezus, als je Hem toegelaten hebt.
Weet je wat je er gebeurt als je gaat geloven?
Dan wordt het weer licht in je leven, dan wordt het dag,
het licht gaat schijnen in je leven en over je leven.
Net zoals toen de engel bij de herders kwam.
Het is dan niet meer donker, niet meer duister.
Je mag opstaan, een nieuw leven krijgen.

Er kunnen van die dagen zijn, waarop je moeilijk kunt opstaan.
Misschien heb je dat juist wel in deze dagen als het donker is en koud.
Je weet niet wat je aan moet trekken
en daarom ga je eerst maar eens naar beneden om te ontbijten
om als je wakker bent dan te kijken wat je aandoet.
Ook al is het donker, dan is er toch al een nieuwe dag begonnen.

Zo legt Paulus uit hoe het voor ons om uit te kijken naar de Wederkomst.
Het lijkt nog donker om je heen:
Je ziet zoveel mensen die niet geloven in Christus,
er niet mee bezig zijn dat er er een God is,
of er niet voor hen zelf mee bezig zijn.
Misschien jijzelf ook nog niet.
Dan slaap je nog, terwijl het al dag geworden is!
De dag is al begonnen zegt Paulus, want Jezus is al geboren,
Hij is al gestorven en jij mag geloven dat Hij ook voor jou gekomen is.
Maar dan moet je ook opstaan
en je pyjama uitdoen,
want in het echt ga je ook niet met je pyjama aan naar school,
naar de kerk, naar vrienden, naar de winkel.
Je trekt kleren aan, op een gewone dag misschien gewone kleren
en op een speciale dag speciale kleren
waar je al lang over nagedacht hebt.

Als je gelooft, heb je een nieuw leven, ben je aan de dag begonnen,
je slaapt niet meer, maar je bent wakker geworden.
Daar horen nieuwe kleren bij: Bekleed je met de Heere Jezus Christus.
Trek Christus aan, zoals je elke morgen aankleedt.

Hoe doe je dat dan?
Dat is allereerst: geloven. Geloven dat Jezus ook jouw Heer wil zijn.
Dat je zegt: Wilt U ook in mijn hart komen?
Heb je dat al eens gedaan?
Maar ook: dat je als christen leeft.
Dat je in wat je doet bewust bent: Ik hoor nu bij Christus.
Dat is ook wat anderen aan mij zien.
Liefde en bewogenheid, de liefde en bewogenheid van Christus.
Je doet een aantal dingen niet meer, omdat ze niet bij Christus horen.
Alles wat niet bij Christus past, dat doe je uit, zoals je je pyjama uitdoet.
Daarmee kun je Christus niet onder ogen komen
als Hij terugkomt.
Wat moet je dan uitdoen? Wat kan niet meer?
Teveel eten, vreten – want dan denk je alleen aan jezelf
en is je buik je god waarvoor je knielt.
Niet teveel drinken en niet dronken worden.
Niet steeds aan seks denken of porno kijken.
Geen ruzie meer maken
of ook niet ervoor zorgen dat twee anderen ruzie met elkaar krijgen.
Niet jaloers meer zijn.
Daarmee kun je niet voor Christus komen als Hij komt.
Alleen als je Hem aangetrokken hebt,
als je gelooft, als Hij in je hart leeft en ook als je leeft uit Hem.

Dat kan best moeite kosten – dat kost strijdt.
de werken van de duisternis afleggen
en de wapens van het licht aandoen
[Geestelijke wapenrusting: met Kerst uniform aandoen!]
Maar het is de moeite waard! Neem dat maar van mij aan.
En je bent goed voorbereid voor als Jezus terugkomt.

Dus … wat trek je aan met Kerst?
Dat mag van alles zijn. Zelfs je pyjama.
Als je maar de Heere Jezus hebt aangedaan.
Als je opgestaan bent en leeft alsof het al dag is,
alsof het al de dag is dat Christus is teruggekomen.
Dat als Hij komt je niet schrikt,
maar zegt: Welkom HEER. Ik had U al verwacht. Amen

Preek zondag 19 november

Preek zondag 19 november
Psalm 68:5-21 en Romeinen 8:18-25

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ik zal in dit vertrouwen leven – zongen we net.
Doet u dat eigenlijk?
Leven in het vertrouwen dat God uitkomst kan geven?
Dat dit geloof, dat God er zal zijn en redding zal brengen, u, jou overeind houdt
zelfs als het er niet op lijkt,
als het om je heen donker is, zo duister dat je er zelf niet meer uitkomt
en zo dreigend dat je zelf niet meer verder kan,
dat je niet de moed verliest en dat je daarom kunt zingen,
zelfs in de nacht, waarin alle licht om je heen weg is,
wanneer je wakker ligt van alle zorgen en allerlei piekergedachten in je rondspoken,
dat je kunt zingen van God, die er is,
in dat donker, terwijl je die zorgen hebt en niet kunt slapen
en zelf niet meer weet hoe het verder moet,
maar dat je weet: God zal zorgen dat het goed komt.
Leeft u wel uit dat vertrouwen?
Is dat wat jou opbeurt als je het moeilijk hebt?

Ik heb altijd bewondering als mensen zo kunnen leven,
zo op de Heere kunnen vertrouwen, dat ze altijd op Hem rekenen, in alle omstandigheden.
Ook je om je heen kijkt en zo weinig van God lijkt te merken.
Als het nieuws vol is van allerlei ellende, waarbij je denkt als je dat ziet:
Kan de Heere dat niet tegenhouden?
Je gaat haast denken dat er geen God meer is.
je hebt al je handen vol aan je eigen leven en je hebt tegenslag op tegenslag te verwerken.
Zingen? Dat kan ik niet meer, laat staan in de nacht, want die nacht is zo donker,
Ik zie zelf geen uitkomst meer – en waar is dan God?

En toch, het christelijk geloof is een geloof van hoop
– hoop dat God er is, dat de Heere ingrijpt, verandering brengt.
En dan niet in de vorm van een wens, waarvan je aanvoelt dat het onmogelijk is,
maar een overtuiging, rotsvast, omdat je weet dat God dat beloofd heeft
en die belofte zal waarmaken.

Van die hoop getuigen de beide Schriftlezingen:
Zing voor God, houdt Psalm 68 ons voor, want Hij blijft niet stil in de hemel zitten wachten
en zelfs als je het hier in deze wereld niet voor het zeggen hebt
en door veel mensen niet wordt gezien, voorbijgelopen wordt,
omdat je een weduwe bent, geen ouders meer hebt,
dan is er God die je ziet, die niet aan je voorbijgaat,
maar die voor jou, voor u uit de hemel neerdaalt en in actie komt.
Als niemand je ziet en je eenzaam bent,
Dan is God er die je eenzaamheid opheft omdat Hij mensen om je heen geeft,
bij wie je in huis mag komen, onderdeel mag worden van het huisgezin.
En tegelijkertijd de mensen die denken dat ze zich alles kunnen permitteren
en door niemand een strobreed in de weg gelegd worden
en hun gang maar lijken te kunnen gaan, die zich verrijken ten koste van anderen,
zij komen God op hun pad tegen en God stopt hun praktijken.
En berg je je maar als God niet vóór je opkomt, maar je tegenstander is,
want ontzagwekkend is God, krachtdadig en niet te stoppen, door niemand.
En toch wéér niet té groot voor een klein, eenvoudig mens die op de Heere vertrouwt.
Juist dan is er de Heere voor u, die voor u strijdt
Juist dan is God er die je niet alleen laat.
De sterkste macht zal verliezen van God, het onderspit delven
en God zal overwinnen.
Zelfs de dood, waar wij niet tegenop kunnen, waar wij ons gewonnen moeten geven,
Zelfs de dood, die machtige laatste vijand kan niet tegen God op.
Die God is een God van volkomen zaligheid (uitredding)
Bij de HEERE, de Heere, zijn uitkomsten tegen de dood.
Je kunt er van zingen, ook als je zelf de dood in de ogen kijkt.
Ook als je weet dat je zelf niet meer lang te leven hebt.
Hij kan, en wil en zal zelfs bij het naderen van de dood volkomen uitkomst geven.

Gelooft u dat ook?
Daarom zingen we erover, steeds weer opnieuw,
zodat we daar ook uit leven, dat God bij het naderen van de dood uitkomst geeft,
volkomen uitkomst.
Niet dat we onsterfelijk worden, of dat ons niets zal overkomen
of dat we geen angst meer hoeven te hebben,
maar wel dat we weten dat in het rumoer van de strijd,
als we de dood in de ogen zien,
als je weet dat je niet lang meer te leven hebt,
dat je weet dat God sterker is, sterker dan deze voor ons zo machtige vijand.
De dood en de angst voor de dood – dat wordt niet weggeduwd,
maar er wordt wel een weg gewezen naar God die ons kan beschermen, zal dragen,
die zelfs in de dood en door de dood heen een weg zal wijzen
naar een nieuw leven met Hem.

Die hoop op dat nieuwe leven dat God ons geeft ná de dood
Zien we ook in Romeinen 8.
Zoals Psalm 68 opkijkt naar de hemel en daar God verwacht,
die uit de hemel neerdaalt om te strijden, die komt,
ZO kijkt Romeinen 8 ook vooruit, naar Christus die komt, op de laatste dag,
de dag dat Christus wederkomt en er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen
de wereld die nieuw geschapen wordt.
Op die dag zal Gods heerlijkheid geopenbaard worden
en mag wie gelooft die heerlijkheid zien en zelf ook ontvangen,
Bekleed worden met deze heerlijkheid
en leven in deze heerlijkheid, de glans en glorie van God in de hemel.
Het is nog niet zover, maar het komt wel, we kijken er naar uit!
Dat is nu hoop, zegt Paulus, het is er nu nog niet.
Je ziet er om je heen nog niet veel van, maar je weet dat het zal komen,
Je weet dat Christus zal komen, dat die nieuwe hemel en die nieuwe aarde zullen komen.
Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde.
Ja, stil maar, wacht maar,
Dat is niet met de armen over elkaar zitten, maar dat is uitkijken naar Zijn komst.
Dat is op Hem je hoop vestigen, je leven bouwen.
Ook in tijden waarin je er weinig van ziet.
Als je alleen maar – zoals Paulus dat noemt – het lijden van je eigen tijd kunt zien.
Lijden, omdat deze wereld niet meer is zoals God die bedoelde bij de Schepping.
Je hoeft maar je ogen ervoor open te doen om het lijden te zien.
Ver weg, de ellende die door het nieuws, door internet of door een krant wordt gedeeld:
Oorlog, geweld, natuurrampen, klimaatverandering
of dichtbij iemand die ziek wordt, onverwacht overlijdt,
Heel de schepping zucht, want lijdt ook aan de zonde
en heel de schepping kijkt uit naar die dag waarop de schepping vrij mag zijn.
En toch – ook al is het nog niet zo ver: toch kan er nu al van gezongen worden,
Alsof het al zover is. Alsof die nieuwe wereld er al is,
omdat we weten dat die er – door God – zál komen.
Ook al zuchten we onder dat juk van de zonde, ook al kunnen wij onszelf niet bevrijden,
we weten dat Christus onze bevrijder is en zal zijn.
Naar Hem kijken we uit als het leven te zwaar wordt.
Daar is geen dood, geen rouw, geen leed, geen zielsangst meer,

maar eeuw’ge blijdschap wacht de ziel, daarboven bij de Heer.
We krijgen het alleen maar beter.
Ook al is ons leven nog zo mooi hier,
En soms kan dat ook zo zijn, maar dat is maar kwetsbaar,
het valt mij op in gesprekken
dat er altijd wel iets valt te delen van verdriet, van zorg, spanning.
Voor de buitenwereld lijkt iemand een mooi leven te hebben, zonder problemen,
maar als je bij iemand in huis stapt en zijn of haar verhaal hoort,
Dan weet je dat de uitdrukking: Ieder huis heeft zijn kruis niet zomaar is.
Maar ook als je het wel goed hebt, geldt: Je krijgt het alleen maar beter.
Het is niet alleen iets om naar uit te kijken als je diep in problemen zit,
maar een toekomst voor iedereen om naar uit te kijken, te grijpen.
Doe je dat ook? Doet u dat ook?
Wij verwachten het met volharding, zegt Paulus.
We zien het nog niet gebeuren, maar houden er wel rekening mee.
Heel ons leven is daarop afgestemd – op God die komt.
Het is een lied dat met je meegaat, dat je leven begeleidt, kleur geeft:
Die God is ons een God van heil;

Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,

Ons ’t eeuwig, zalig leven;
Amen

Vragen bij Romeinen 7

Vragen bij Romeinen 7

1) In de preek zijn twee mogelijkheden om het ‘ik’ te duiden: hier spreekt (a) of de oude mens buiten Christus (Adam en zijn nakomelingen) of (b) hier spreekt de mens die reeds met Christus verbonden is. Welk ‘ik’ is volgens jou aan het woord? Waarom?

2) In de preek wordt een gedeelte van zondag 1 van de Heidelberger Catechismus geciteerd: mijn troost is dat ik eigendom ben van Christus, verlost uit de heerschappij van de duivel. Zou je dat van jezelf kunnen zeggen? Waarom wel / niet?

3) In de preek wordt gekozen voor de visie dat het ‘ik’ de oude mens is. Tegelijkertijd wordt er gezegd: dat oude leven ligt nog op de loer. Door veronachtzaming van de bevrijding kan de zonde weer macht over je krijgen. Wanneer gebeurt dat? Maak dat eens praktisch!

4) In de preek wordt de herinnering van het door Christus bevrijd zijn gekoppeld aan de herinnering aan de doop en aan de voorbereiding van het avondmaal. Op welke manier ben je bezig met je doop? Houd je je doopdag in herinnering? Welke andere vormen heb je om het besef levend te houden dat je gedoopt bent?

5) En hoe ga je om met het avondmaal? Hoe bereid je je voor? Waar ligt het accent op: op de zonde, op de verlossing of op de dankbaarheid? Waar blijkt dat uit?

6) In de preek wordt wel heel stellig gezegd dat het nieuwe leven voor mij is. Is dat terecht? Moet daar het accent op liggen? Of meer op de waarschuwing? Op welke manier zou een waarschuwing kunnen klinken, die mensen echt aan het nadenken zet en bij Christus brengt?

7) In de preek wordt gezegd dat je je ellende alleen door God (of door Zijn wet) kunt kennen. Ben je het daarmee eens? Hoe is dat bij jouzelf gegaan?

 

Preek zondag 12 november 2017

Preek zondag 12 november 2017
Schriftlezing: Genesis 3:1-6; Romeinen 7:14-26
Tekst: vers 20-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wie is die ‘ik’ waar Paulus over spreekt?
De ik die zegt: Want het goede dat ik wil, doe ik niet,
maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.

Er zijn twee mogelijkheden:
De ‘Ik’ die hier spreekt is de oude mens, degene die niet van Christus is.
Of: de ‘ik’ is de gelovige, die reeds van Christus is, bij Hem hoort
en nog steeds – ondanks de band met Christus – een innerlijke worsteling in zich herkent:
de worsteling dat je in jezelf nog steeds een neiging hebt
om precies het tegenovergestelde te doen: het goede niet te doen en het kwade wel.
Wie is die ‘ik’ die hier aan het woord is?

Ik heb altijd meegekregen dat de ‘ik’ die hier aan het woord is
de gelovige is, die na verbonden te zijn met Christus
nog steeds in zich heeft om voor het verkeerde te kiezen.
Ook als je in Christus bent gaan geloven, ben je nog niet los
van die neiging die voor het verkeerde kiest.
Binnen in jezelf weet je dat je het niet moet doen,
maar je doet het toch, omdat er iets in jezelf sterker is waardoor je het toch doet.
Je weet dat je niet mag roddelen, maar toch is er die neiging
om dat verhaal toch door te vertellen – ook al ben je met Christus verbonden.
Je weet dat je iemand niet mag haten, en toch je hebt zo’n sterk gevoel
dat je iemand echt niet mag – ook al behoor je Christus toe.
Ook nadat we bij Christus zijn gekomen, aan Hem toebehoren,
heeft ons eigen ‘ik’ een neiging in zich die destructief is, die kapot kan maken,
dat ondanks alle waarschuwingen die je in de wet van God hoort, je er toch voor te kiest
omdat er in jezelf een neiging is die sterker is, die niet van God komt.
En al wil je het zelf niet, je doet het toch.
Een wil, een verkeerde wil, zondig en vijandig tegenover God, die de macht in je overneemt.

De vraag is alleen of deze uitleg wel helemaal recht doet
aan wat Paulus hier schrijft in zijn brief aan de gemeente in Rome.
Paulus is hier namelijk een verschil aan het uitleggen tussen vroeger en nu:
Vroeger in de tijd zonder Christus,
toen je Hem nog niet kende, toen je nog niet aan Hem verbonden was,
Toen je nog leefde in de macht van de zonde,
was je niet jezelf en kon je niet je eigen gang gaan,
maar was er een ander die over je heerste: de zonde was je te sterk.
Er is echter iets veranderd: een nieuw leven, een leven waarin die macht verbroken is.
Dat andere leven is ook zichtbaar gemaakt, gemarkeerd: door de doop.
De doop – ondergegaan in het water – betekent dat je een nieuw leven bent ingestapt.
De doop en ingaan in dat nieuwe leven betekent ook,
dat er ook een Ander gekomen is, die over uw leven heerst.
Niet meer de zonde die alle macht heeft in je leven,
die macht is verbroken en je hebt een andere Heer gekregen: Jezus Christus.
Je bent bevrijd!
Het is de troost waar zondag 1 van de Heidelberger Catechismus over spreekt:
Mijn enige troost in leven en sterven is, dat ik eigendom ben
van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus.
Hij heeft mij uit de heerschappij van de duivel verlost.
Geworden van een ander, de eigendom van een ander.
Ik behoor niet meer de zonde toe, maar Christus die voor mij stierf aan het kruis.

Ooit sprak iemand mij aan na een kerkdienst.
In de dienst had ik die eerste zondag van de Catechismus gebruikt als geloofsbelijdenis
en het had geklonken dat het een troost is, dat ik nu eigendom ben van mijn Heer.
Ze sprak mij aan, omdat ze zich stoorde aan het woord eigendom.
Het gaf haar helemaal geen troost dat ze eigendom geworden was van Christus.
Dat benauwde haar.
En toen vertelde ze haar levensverhaal.
Hoe ze vastgelopen was in haar relatie,
en dat ze in die relatie steeds meer zichzelf was kwijtgeraakt.
Ze had het gevoel dat ze steeds meer eigendom werd van haar man.
Die relatie was gesprongen, de breuk was heftig geweest
en nu ze op zichzelf woonde, kon ze weer zichzelf worden, vrij zijn, ademen, opleven.
Dat woord eigendom deed haar denken aan die relatie, waar ze juist net uit was.
Eigendom van Christus – dat gaf haar een benauwd gevoel.

Juist die bevrijding uit een band die knelt, waarin je niet meer jezelf kunt zijn,
maar gedwongen om anders te zijn dan je bent
En anders te doen dat je vanuit jezelf zou willen,
de ervaring van die bevrijding dat is juist wat Paulus hier wil aangeven}
en ook wat de Catechismus in het antwoord op zondag 1 aangeeft.
Nog intenser bij Paulus, bij de Catechismus,
Een echte bevrijding, omdat het oude leven, waarin er een macht over je heerst
verbroken is, de gevangenis van de zonde is opengegaan
En het mogelijk is dat die neiging die in ons is, gestopt wordt,
het niet meer voor het zeggen heeft
en dat het patroon om steeds het verkeerde te doen, het verkeerde dat God verboden heeft,
om dat toch te doen – dat het patroon verbroken is.
Romeinen 7 gaat over het oude leven, het schrikbeeld van een leven zonder Christus,
overgeleverd aan die destructieve macht die over ons wil heersen
en ons tegen God wil laten ingaan.
Zo was het vroeger – nu is het anders; God zij dank.
Dat was het oude leven – nu hebben we een nieuw leven ontvangen.
Door Christus onze redder, die ons bevrijdde uit die macht.
Waarom dan nog aandacht voor dat oude leven?
Waarom nog zo vertellen over dat oude leven, op zo’n levendige manier
waardoor je als gelovige, bevrijd en verbonden aan Christus,
jezelf nog kunt herkennen in wat Paulus hier in Romeinen 7 beschrijft?
Omdat dit oude leven nog op de loer ligt om je terug te trekken,
omdat de zonde je niet zomaar wilt laten gaan.

Onlangs was ik samen met Rianne in het Bevrijdingsmuseum in Groesbeek.
Toen we binnenkwamen, zei de mevrouw die bij de kassa zat:
Dit is een Bevrijdingsmuseum, geen oorlogsmuseum.
Er wordt wel over de oorlog verteld en dat maakte ook wel indruk.
De strijd die geleverd is in vanaf september 1944 tot in het voorjaar van 1945 in die regio
door de parachutisten en de grondtroepen, de vele soldaten die gesneuveld zijn.
(We zijn later ook bij een grote Canadese begraafplaats geweest,
indrukwekkend om daar te lopen, de leeftijden te zien
en ook te zien dat een aantal na de oorlog is overleden, waarschijnlijk aan verwondingen).
Het museum was een Bevrijdingsmuseum:
Het verhaal van de oorlog wordt verteld om aan de bezoeker te laten weten:
Je vrijheid is bijzonder. Daar is heel wat aan vooraf gegaan.
Er is een groot offer voor gebracht, door soldaten van ver weg,
die hier meestal vrijwillig kwamen om te strijden, om ons te bevrijden van een vijand.
Te bevrijden van een dictatuur.
Hoe ga je met die vrijheid om? Hoe waardeer je die vrijheid? Hoe vul je die in?
Dat de oorlog veel gekost heeft, dat was mij wel bekend.
Ook in Veenendaal, waar ik opgroeide, was dat besef er.
Omdat dit strijdtoneel geweest is, in de meidagen van 1940
en laat bevrijd als een van de laatste plaatsen.
Daar in dat museum en daar lopend in die regio van Groesbeek
maakte het weer indruk, welk offer er gegeven is.
En kun je het voorstellen hoe het leven er ongeveer uit zal zien
als we die vrijheid verkwanselen.
In een dictatuur terechtkomen zal niet snel gebeuren, daarvoor zit de vrijheid te diep.
Maar ook door onverschilligheid voor anderen, of door gemakzuchtig leven
zonder er bij stil te staan hoe bijzonder het is om in vrijheid te leven
dat we onze bevrijding te danken hebben aan dat offer dat gebracht is.

Zo schrijft ook Paulus over dat offer, dat Christus bracht voor onze bevrijding.
Een groot offer, we zijn bevrijd, we mogen in vrijheid leven.
Waar Paulus over schrijft, die macht die ons beheerste is verleden tijd, voorbij.
Maar pas op. Je moet er niet achteloos van worden.
Je moet scherp blijven, want die onvrijheid kan weer terug komen.
We kunnen onze vrijheid weer kwijtraken, weer in die gevangenschap van de zonde komen.
Daarom spreekt Paulus over deze ‘ik’.
Het is de ik van Adam, en niet alleen van de Adam die uit het paradijs is gestuurd,
maar van elke Adam die sindsdien leefde,
die erachter kwamen welke verwoestende gevolgen de zonde heeft gehad,
niet alleen op onze band met God, maar ook op ons innerlijk, op wat ons aanstuurt, aandrijft.

Hoe kom je er eigenlijk achter, dat de zonde verwoestend is.
Dat die verkeerde neiging er is, dat een ander in jou het stuur heeft overgenomen?
Ontdek je dat zelf? Kom je daar zelf achter, omdat je de negatieve gevolgen ervaart?
Nee, dat de zonde verwoestend werkt, daar kom je niet zelf achter.
Dat ontdek je door de wet.
De wet van God heeft verschillende betekenissen voor een christen.
Een van die betekenissen, een van de functies is dat de wet aanwijst  wat zonde is.
Het is de wet van God die de zonde ontmaskert, die de zonde onthult.
De wet, dat is Gods wil. De wet is heilig en komt bij God vandaan.
In dit gedeelte moet Paulus uitleggen waarom de wet goed is,
want hij heeft gezegd dat de zonde van de wet gebruik maakt om juist de zonde te doen.
Dat werkte aanlokkelijk: Wat je niet mag, dat ga je juist doen.
Wat God in Zijn wet verbood, dat ga je juist opzoeken, dat wil je doen.
Is de wet dan verkeerd, nee: de wet komt bij God vandaan.
Het zijn Gods woorden.
Maar de zonde is er mee aan de haal gegaan.
Toen God Adam verbood in het paradijs om niet van die ene boom te eten
liet God weten dat het niet goed is om te begeren,
dat het niet goed is om iets te pakken wat niet van jezelf is, wat God verboden heeft.
Maar juist daardoor werd die ene vrucht zo aantrekkelijk,
terwijl er duizenden andere vruchten waren, werd juist deze ene vrucht gegeten.
Als je niet mag roken of drinken, dan is het stoer om het wel te doen.
Als je niet veel te hard hard mag rijden of niet zonder licht mag rijden,
dan ga je dat juist wel doen. Om uit te dagen, te provoceren,
om zelf erachter te komen wat er zo slecht is
en dan valt het eerst vaak nog wel mee.
Zo maakt de zonde gebruik van de wet. Provocerend: Kijk mij eens doen wat verboden is
en het valt toch wel mee.

Nee, zegt Paulus het valt niet mee.
Het zorgt ervoor dat je niet meer jezelf bent, je vrijheid kwijt bent,
net als met een verslaving, dat je er niet tegenop gewassen bent, dat je het wel moet doen.
Het kwade dat ik niet wil, dat doe ik toch. Ik kan niet anders, die macht in mij.
Die macht in mij, die tegen God was, die ik in mijn leven heb toegelaten.
Die zorgt ervoor dat ik Gods wet niet meer kan houden.
Die zorgt voor een verscheurd ik, in mijzelf:

Mijn God, gewapend tot de tanden, voeren twee mannen in mij strijd:
één wil dat ik te rechter tijd voor U in liefde zal ontbranden,
de ander wil uw recht aanranden en drijft mij tot opstandigheid.

Ik zoek vrede, maar oorlog maak ik, roep vrede, en pleeg snood verraad.
Het goede willen geeft geen baat. Naar werken van vrede haak ik,
maar ‘t goede dat ik wil verzaak ik, en doe het kwade dat ik haak.

Kom mijn verscheurde hart genezen, o Heer, door uw genade groot;
Ik ben het zelf die weerstand bood. Herstel de eenheid van mijn wezen
en laat U dienen en U vrezen wie eens slaaf was van de dood.

Christus is gekomen, zegt Paulus – God zij dank.
Die verscheurdheid is niet het enige verhaal meer voor wie gelooft,
Die macht over je, die heeft niet meer het laatste woord over jou.

En toch is het goed om dat verleden, dat wat eens was, niet te vergeten,
omdat je er nog mee kunt worstelen,
Zoals er na de oorlog niet gelijk een nieuw bestaan was,
maar de schade hersteld moest worden van de steden die vernield waren,
huizen die bijgebouwd moesten worden, een woningnood die lang aanhield
En in Duitsland degenen die in Hitler en het nationaal-socialisme hadden geloofd
dat gedachtengoed uit hun hoofd moesten krijgen en anders moesten gaan denken,
anders leven, anders handelen, nu gericht op vrede en democratie.
Een nieuw leven, maar niet door dat oude leven te vergeten,
maar te herinneren als het verleden waar we vandaan kwamen, wat achter ons ligt
en wat ons steeds weer kan bedreigen als we losraken van Christus.

Ik kwam tegen dat dit gedeelte gelezen zou kunnen worden
bij een voorbereiding van het avondmaal.
Om weer helder te hebben waarom Christus moest komen, moest lijden, moest sterven
voor onze zonde die over ons leven gekomen was, omdat wij God inruilden
voor die andere macht, meer luisterden naar de slang dan naar God.
En dan dit gedeelte als verootmoediging.

Dit gedeelte zou ook gelezen kunnen worden als herinnering aan onze doop.
Meestal doen we niet zoveel met onze doop. Wellicht als er een doopdienst is.
Maar je zou op de dag waarop je gedoopt bent, dit gedeelte kunnen lezen.
Dat wat ik lees was mijn oude leven. Ik mag nu een nieuw leven hebben.
Maar ik moet wel waakzaam blijven.
Niet denken dat ik dat oude leven heb overwonnen,
maar dat ik dat nieuwe leven heb gekregen – genade van God, door Christus.
Dan lezen we dit gedeelte ook vanuit dankbaarheid.
zoals Paulus eindigt met dankbaarheid:
Ik ellendig mens, wie zou mij kunnen verlossen? Ik dank God, door Jezus Christus.
Ook bij de kinderdoop gaat het om dat verleden, dat wat eens was, dat oude leven
en het nieuwe leven dat gegeven wordt.
Belijd u dat deze kinderen, hoewel ze in zonde ontvangen en geboren zijn,
toch in Christus geheiligd zijn en daarom gedoopt horen te worden.
Ook voor onze kinderen mag het gelden: de macht van de zonde is al verbroken.
Dat nieuwe leven is er ook voor hen.
Ze zullen die strijd wellicht herkennen, maar ze hoeven niet hopeloos te zijn
als ze weer een nederlaag lijden, en toch weer een verkeerde keuze maken
en gehoor geven aan die neiging.
De zonde heeft de macht verloren – die neiging kan soms weer opvlammen,
die innerlijke strijd kan er zijn, je kunt er moedeloos van worden.
En toch, je mag danken, ook al lijkt het voor jezelf moedeloos,
Ik dank God, in Christus. Ons staat een sterke held terzij, die God ons heeft verkoren.
De strijd is reeds gestreden, de overwinning reeds behaald
en het is mogelijk om daar reeds in te delen,
maar dan moet je er wel naar leven.
Het verbond, dat ook met de doop twee kanten heeft: een leven in gehoorzaamheid.
Dat kan – ook al voel je vaak die neiging van de zonde.
Het kan, omdat Christus gekomen is, overwonnen heeft
en jou, u bevrijd heeft en Zijn Geest geeft om het goede te leren,
het goede te doen, te leven naar de richtlijnen en de geboden van God.
Dan wordt de wet niet alleen maar iets wat aanwijst waar het fout gaat
en de zonde onthult, ontmaskert, maar ook een aanwijzing voor hoe wij
moeten en ook kunnen leven – tot eer van God.
Ik kan dat niet uit mijzelf – ik was ten dode opgeschreven,
maar God kwam, in Christus, om mij te bevrijden en dat nieuwe leven te geven.

We vieren onze bevrijding door Christus:

W’ ontkwamen haast des vogelvangers net,

Den lozen strik, tot ons bederf gezet:

De strik brak los, en wij zijn vrij geraakt.

De Heer’ is ons tot hulp op ons gebed;

Die God, die aard’ en hemel heeft gemaakt.


Amen


Preek zondagmiddag 8 oktober 2017

Preek zondagmiddag 8 oktober 2017
Romeinen 3:21-31

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Volgens Paulus is het goed mis tussen mensen en God.
Als ik dat uitleg met een voorbeeld uit ons bestaan,
dan kom ik steeds weer uit bij hele heftige voorbeelden,
want het is ook geen kleinigheid, wat er is misgegaan vanuit ons mensen naar God toe.
Zozeer misgegaan, dat we God niet meer onder ogen kunnen en mogen komen.
Dat we daar geen recht meer hebben om voor Hem te komen.
We zouden kunnen denken aan iemand die een ingrijpend misdrijf heeft gepleegd,
die iemand verkracht heeft of iemand vermoord.
Wanneer dat is gebeurd, begrijpen we het als een slachtoffer of de familie aangeeft:
Ik wil jou niet meer in de buurt hebben, want je hebt mij zoveel pijn gedaan,
je hebt mij zo beschadigd.

Zo geeft Paulus hier aan: wat er gebeurd is met de zonde is zo ingrijpend
dat wij als mensen geen recht meer hebben om God onder ogen te komen.
Niemand is zonder schuld naar God toe
En die schuld kunnen wij niet wegpoetsen als wij voor God komen.
Wij kunnen die schuld ook niet wegwerken door ons goed te gaan gedragen.
Net zoals iemand die een ernstig misdrijf op zijn geweten heeft
het goed kan maken door zich goed te gedragen.
Het goede gedrag van iemand na die misdrijf maakt de schade niet ongedaan.
Dat is ook de moeite die Paulus heeft als mensen aangeven:
Wij leven toch goed? Wij leven toch zoals God dat van ons vraagt?
Wij houden immers de wet?
Wanneer iemand met ernstig delict op zijn geweten de regels blijkt te kennen
En daar naar gaat leven,
dan kan de enige oprechte reactie zijn dat iemand inziet
wat hij gedaan heeft, welke schade en welke pijn hij heeft aangericht
dat hij geen enkel recht meer heeft om slachtoffer of nabestaanden onder ogen te komen.
Er moet eerst iets worden rechtgezet en kan dat wel?
Kan er genoegdoening plaatsvinden?
Kan een misdrijf die tegen mensen gepleegd is ooit ongedaan gemaakt worden?

Voor Paulus is het in ieder geval duidelijk dat wij als mensen niet in staat zijn
om het weer goed te maken met God.
De fout zit aan onze kant en die is in de ogen van Paulus zo ingrijpend
dat geen enkel mens nog, niemand, God onder ogen kan komen.
Niemand kan God onder ogen komen zonder de ogen neer te slaan
En te voelen wat de zwaarte is van onze fout.
En als wij die zwaarte niet voelen, klinkt het oordeel van God over ons leven:
Het zit mis.
Er is niemand rechtvaardig, ook niet één.
Dat is niet alleen de last die Paulus zelf ervaart en die hij zo sterk ervaart
dat deze last voor ieder mens er moet zijn.
Maar het is een oordeel van God dat al in het Oude Testament klinkt:
God die afdaalt naar de aarde om te zien of er iemand is
die uit zichzelf God zoekt en uit zichzelf naar Gods wil verlangt te leven.
Het antwoord is negatief: nee, er is niemand die zo wil leven.
Voor God zijn we allemaal gelijk
– niet alleen gelijk omdat we allemaal door Hem geschapen zijn,
maar ook omdat we allemaal delen in die last
en dat voor ons allemaal het oordeel over ons leven is dat het mis zit
en dat er eerst iets moet gebeuren voor wij weer God onder ogen kunnen komen.

Paulus is hier hard op weg om een strenge prediker te worden,
Die aangeeft: vergeet niet dat God jouw rechter is
en over jouw leven een oordeel zal vellen en dat oordeel zal niet positief zijn.
Het zit mis en jij kan daar weinig aan veranderen.
Want daar is Paulus heel duidelijk over:
Wij kunnen het niet voor elkaar krijgen, dat het weer goed komt.
Wij kunnen die plek niet terug verdienen door ons goed te gedragen,
door zo te leven als Hij dat wil,
Want dan gaan we er aan voorbij dat er iets is gebeurd aan onze kant
dat zo ingrijpend is, dat wij niet meer voor God kunnen en mogen verschijnen.
Er moet eerst verzoend worden.
Niet God moet verzoend worden – nee, wij.
het moet weer voor ons worden goedgemaakt, alleen wijzelf kunnen dat niet.
het is hopeloos: er ligt een oordeel over deze wereld, over ons
wij kunnen daar niet aan ontkomen en dat oordeel kunnen wij niet meer veranderen.
De enige conclusie die je dan nog kan trekken:
Wij zijn verloren – voor eeuwig verloren
en God heeft het volste recht om ons verloren te laten gaan.

En dan schrijft Paulus: maar nu.
Zijn boodschap krijgt een radicale verandering,
waardoor het hopeloze verandert in een deur die voor ons opengaat:
Maar nu – er is iets gebeurd aan Gods kant.
Op Golgotha stond een kruis, waaraan Gods Zoon stierf
en dat gebeuren op Golgotha, de dood van Jezus, is zo ingrijpend,
een totaal nieuw begin.
God schenkt vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven, zo vertaalt de NBV.
Gerechtigheid van God tot allen en over allen die geloven, vertaalt de SV.
Gerechtigheid: dat houdt in dat we God onder ogen kunnen komen,
dat we de ogen niet hoeven neer te slaan in de ontmoeting met God vanwege de schuld
maar dat we God dankbaar en opgelucht kunnen aankijken.
Vrijspraak is wat er gebeurt – vrijspraak door God.
Waar het harde, maar terechte oordeel wordt verwacht:
Jij hoort niet bij Mij, Ik ken jou niet
heeft Paulus namens de hemelse rechter een andere boodschap:
de schuld is betaald, jij bent vrij van de schuld.

Op zondagsschool hoorde ik ooit het verhaal van een Russische tsaar
die ervan hield om incognito door zijn land te reizen,
om zo te weten wat er in het land en onder de bevolking leefde.
Op een dag neemt de tsaar de intrek bij een man, die rusteloos is, gespannen.
Wanneer deze man naar bed gaat, gaat de tsaar naar de kamer van deze man
om uit te zoeken waarom deze man zo gespannen en zo rusteloos is.
Hij ontdekt dat deze man een grote schuld heeft,
die hij veroorzaakt heeft door te stelen van de pachtopbrengst van zijn baas.
De volgende dag zou hij de pachtopbrengst moeten afdragen
En als hij het totaalbedrag niet kan overhandigen,
zou duidelijk worden, dat hij een deel van de opbrengst heeft ontvreemd.
Hij moet het totaalbedrag bij elkaar leggen,
maar heeft daarvoor het geld niet meer.
Ongerust en vol gespannen moet deze man de volgende dag afwachten
en vooral de reactie van zijn baas afwachten
en dat kan alleen maar een negatieve reactie zijn.
De volgende morgen is de tsaar al vroeg vertrokken,
voordat de man wakker is geworden.
Op de tafel van de man ligt een zak met geld, met een brief: je schuld is voldaan.
Ik weet niet of ik het verhaal goed herinner,
maar ik weet wel dat het verteld werd om ons duidelijk te maken
hoe de Heere Jezus onze schuld betaald
en het in onze plaats weer goed maakt tussen God en ons.

Maar nu – twee kleine woorden die het verschil aangeven dat God maakt:
een nieuwe tijd, een totaal nieuwe tijd,
waarin het mogelijk is om los te komen van de zonde,
om onder dat oordeel uit te komen, te ontsnappen,
niet doordat wij een handige sluiproute weten,
of dat wij ons zo verdienstelijk maken dat God ons wel moet aannemen,
maar omdat God zelf de schuld op zich neemt en betaalt.
Christus wordt middel tot verzoening, schrijft Paulus.
Wij hadden dat moeten betalen, moeten voldoen, maar konden niet,
en nu is daar God zelf, die Zijn eigen Zoon aandraagt: hij heeft het volbracht.

Die boodschap is niet nieuw.
Die is veel vaker verkondigd,
Als het goed is al die tijd dat deze kerk er staat.
Een boodschap van oordeel – namelijk dat het aan onze kant mis zit
en dat wij er niet aan kunnen bijdragen om het weer goed te maken,
een aan de andere kant, dat ontzaglijke aanbod van God:
het kan weer goed worden, de schuld kan worden weggedaan.
Die boodschap is bekend,
maar het spannende punt is vooral:
Hoe kan mijn schuld worden weggedaan?
hoe kan die vrijspraak over mijn leven klinken?
hoe kan ik die genade aannemen, die God in Christus aanbiedt?
hoe krijg ik een genadig God, hoe kan God mij genadig zijn?

het kan alleen maar van Gods kant.
Al onze pogingen van onze kant zijn tot mislukken gedoemd.
Zelfs al zouden we ons houden aan de wet, alle richtlijnen die God ons voorgehouden heeft.
Dat kunnen we niet, geeft Paulus herhaaldelijk aan,
Want er is altijd wel een gebod dat wij overtreden.
Wij zijn geen volmaakte mensen. Er is heel wat op ons aan te merken, zeker door God.
Die wet, die God ons heeft gegeven, herinnert ons er juist aan,
dat wij het van onze kant niet goed kunnen maken.
Wij kunnen die wet niet gebruiken, om God op andere gedachten over ons te brengen.

Dat was de gedachte van Luther toen hij in het klooster zijn intrek nam.
Door indruk te maken op God en daardoor God bewegen tot een gunstiger oordeel.
Luther werd er steeds extremer in, door steeds harder voor zichzelf te zijn,
tot aan zelfkastijding toe, en zich steeds meer te vernederen voor God.
Het hielp hem alleen niet.

Omdat zijn schuld niet wegging, niet weggenomen werd, maar bleef staan
en hij zelf het niet ongedaan kon maken, werd hij steeds wanhopiger.
Tot hij ontdekte: Ik kan het ook niet goed maken.
Het moet mij gegeven worden en het wordt mij ook gegeven.
Door God zelf
in de vorm van een vrijspraak, een gunstig oordeel van de hemelse rechter.
dat is de rechtvaardiging van de goddeloze.
De zondaar, de goddeloze krijgt van God te horen: je schuld is weg,
er is betaald door Christus.
het is niet een oordeel over iemand die van zichzelf vindt dat hij goed leeft,
of over iemand die van zichzelf vindt dat hij heel gelovig is.
het is de vrijspraak over iemand die weet ik zit mis, ik kan het niet goed maken.
Ik kan alleen maar bij God aankloppen: God, wees mij, zondaar genadig.
MEt lege handen

En zo wil God het juist geven: waar wij weten dat wij niets hebben
En niets hebben in te brengen
En alles in ons zegt daar horen we niet, maar we het kruis zien van Christus
Er is betaald, door Mij.
Wij kunnen er niets tegenover zetten dan alleen het aan te nemen.
Dan het te geloven dat Jezus gestorven is en niet zomaar gestorven,
maar ook voor Mij.
En geloven dat er ook voor ons die vrijspraak is.
Onvoorstelbaar, maar wel waar.
Als God mij vrijspreekt, kan niemand mij meer veroordelen:
de duivel niet, de zonde niet, ikzelf niet.

Mij heeft Hij zijn Zoon gegeven,

door ’t geloof nam ik Hem aan;

ja, ik weet, dat ik zal leven

en door Hem ten hemel gaan.

Mij heeft God in Hem verkoren,

zelfs eer ik nog was geboren,

eer de stem van zijne macht

immer iets had voortgebracht.

 

Wie zou hem nu nog verklagen,

die God zelf verkoren heeft,

wie zou te verdoemen wagen

hem, wie God de vrijspraak geeft?

Neen, geen hel kan mij vervaren,

nu God zelf mij wil bewaren

en geen schuld mij meer verdoemt,

daar mij God rechtvaardig noemt.

Amen

Preek zondag 24 september 2017

Preek zondag 24 september 2017
Romeinen 2:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Paulien en Chris zijn toch bij elkaar gekomen;
(Zie in de introductie van de preek van vorige week over Johannes 9)
hij heeft Paulien zien staan en het is wat geworden.
Ze zijn allebei wel heel verschillend.
Vaak is dat heel boeiend en kunnen ze daar van genieten.
Er zijn echter ook momenten waarop ze elkaar niet begrijpen.
Ook als ze een tijdje bij elkaar zijn en elkaar steeds beter gaan begrijpen,
zijn er momenten waarop het mis gaat tussen hen.
‘Als het weer een keer mis gaat, roept Paulien het wanhopig uit:
Je kan echt niet naar jezelf kijken; je legt de schuld altijd bij een ander neer.
Je kunt niet zien wat je eigen aandeel is.’

Dat is ook het verwijt dat Paulus maakt tegen zijn gesprekspartner:
‘Je kunt niet zien wat je eigen aandeel is. Je kijkt alleen maar naar de fouten van een ander.’
Paulus heeft net hiervoor geschreven
dat je aan de manier waarop heidenen leven kunt zien dat ze van God los zijn.
Ze hebben de levende God ingeruild voor afgoden,
hun natuurlijke driften, op het vlak van de seksualiteit kunnen ze niet beheersen.
Paulus is daarmee nog niet klaar met het aanwijzen van de fouten onder de heidenen:
Ze zijn vervuld van allerlei ongerechtigheid, hoererij, boosaardigheid, hebzucht, slechtheid. Ze zijn vol afgunst, moord, ruzie, bedrog, kwaadaardigheid
Kwaadsprekers zijn het, lasteraars, haters van God, smaders, hoogmoedigen, grootsprekers, bedenkers van slechte dingen, ongehoorzaam aan hun ouders,
onverstandigen, trouwelozen, mensen zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, onbarmhartig.
Dat is nogal een hele lijst.
Tijdens deze opsomming zijn er mensen die tijdens het luisteren zijn gaan knikken:
‘Paulus heeft het maar eens goed gezegd. Zo is het.
Hij draait er tenminste niet om heen, maar heeft alles eerlijk benoemd.
In zo’n tijd leven we. Goed dat Paulus daar iets van zegt en daartegen waarschuwt.’
Er zijn ook kerkmensen die,
wanneer er verteld wordt wat er in onze samenleving of kerk niet deugt
vooral aan anderen denken en niet bij zichzelf nagaan op welke manier zijzelf betrokken zijn.
Terwijl Paulus al deze zonden opnoemt, zeggen ze in zichzelf  ‘Goed zo, Paulus!’
en in andere kerken zouden ze opgestaan zijn en zouden ze ‘Amen!’ roepen met applaus.

Ze hebben niet op het gevolg van de preek van Paulus gerekend,
want terwijl zij instemmen met de preek, spreekt Paulus juist die mensen aan
die Paulus hardgrondig beamen bij het opnoemen van al die zonden:
‘Maar jij moet niet denken dat je goed zit.
Jij kijkt alleen naar de fouten van een ander, maar je ziet je eigen aandeel over het hoofd.
Denk maar niet dat jij op deze manier voor God kunt verschijnen!’
Nou, dat hadden ze vast gedacht dat ze dat wèl konden.
Zij behoorden immers tot het volk van God en waarom zou God Zijn eigen volk veroordelen?
De mens die Paulus hier aanspreekt is naar alle waarschijnlijkheid een Jood,
die kan wijzen op zijn geboorte als Jood en dat nog eens bevestigd door de besnijdenis.
Ik behoor tot het volk van God – dan zit ik toch goed?
Ik heb de wet van God, die houd ik, alle geboden.
Met mijn manier van leven die zuiver en oprecht is, verantwoord, kom ik toch in de hemel?
Denk maar niet dat jij, mens, te verontschuldigen bent
en dat jij aan Gods oordeel over je leven kunt ontsnappen omdat je Jood bent
en dat je na jouw sterven in de hemel komt omdat je je aan Gods wet houdt.

Je moet altijd heel voorzichtig zijn
om een vergelijking te maken tussen het Joodse volk en de kerk
maar houdt Paulus hier ook niet een spiegel voor als je van jezelf vindt
dat je in de hemel kan komen, omdat je zo goed leeft, of omdat je bent gedoopt
en tegelijkertijd van anderen vindt dat zij daar echt niet kunnen komen?
In ieder geval houdt Paulus ons voor om voorzichtig te zijn met een oordeel over anderen
en dan vooral het oordeel wie er wel en wie er niet een oprechte gelovige is
en een oordeel wie er wel en wie er niet in de hemel zal komen.
Dat oordeel komt ons niet toe.
Dat oordeel komt Christus toe.
En als je over anderen oordeelt, dan ga je op de plek van Christus zitten
en doe je dan niet net als die anderen, die ongelovigen, die een afgod dienen
of die de levende God hebben ingeruild voor iets anders?
Er is een uitspraak van de Heere Jezus, waarin Christus hetzelfde verwoordt:
Oordeelt niet opdat u niet geoordeeld wordt.
want met het oordeel waarmee u oordeelt, zult u zelf geoordeeld worden; en met welke maat u meet, zal er bij u ook gemeten worden.
Wat Paulus verwoordt, is de boodschap die Zijn meester ook had:
Wie zelf het oordeel velt over mensen,
die zal zelf aan het oordeel van God onderworpen worden.

Dit is toch een heel andere Paulus dan die wij rondom het avondmaal hadden,
Paulus die sprak over het evangelie als kracht van God tot behoud,
over vergeving van zonden en een nieuw leven dat door Christus mogelijk is.
Waarom eigenlijk?
Waarom houdt Paulus het niet bij die mooie boodschap, die je opbeurt?
Wat mij zelf altijd weer voorzichtig maakt met preken over God die oordeelt,
is dat er gemeenteleden zijn die te vaak hebben gehoord van een God die oordeelt,
zo vaak dat ze God alleen nog maar kunnen zien als een oordelende God
En vooral een God die hen veroordeelt en voor altijd afwijst.
Maar toch kunnen we er niet om heen,
want God oordeelt ook over wat wij doen, hoe wij in het leven staan.
Het was voor mij een verrassing om die tekst bij Paulus tegen te komen,
waarin Paulus aangeeft dat onze daden meetellen in het oordeel
dat God over ons leven uitspreekt als wij gestorven zijn,
wanneer wij voor God komen en God ons leven nagaat hoe we hebben geleefd.
God zal ieder vergelden naar zijn werken.
Ik dacht dat in het oordeel over ons leven het er alleen om gaat,
of je gelooft in de Heere Jezus en wanneer je gelooft dan ben je behouden,
dan mag je wanneer God als rechter over jouw leven oordeelt achter Hem schuilen
omdat Hij voor je zonden gestorven is en mag je de hemelse heerlijkheid binnengaan.
Nee, zegt Paulus, het doet ertoe hoe je hebt geleefd
En dan niet alleen maar in wat bij andere mensen zichtbaar is,
maar vooral ook hoe je van binnen bent geweest,
hoe je naar andere mensen gekeken hebt, welke mening je over hen had,
door welke emoties en driften jijzelf je liet beheersen.
Want je kunt wel zeggen dat je Gods wet houdt,
maar als dat alleen maar aan de buitenkant is,
als dat alleen maar is wat de mensen ervan zien
dan houd je die wet helemaal niet.
En je kunt wel zeggen dat je Jood bent, omdat je besneden bent
en daarmee het teken van het verbond hebt ontvangen,
maar daarmee red je het niet als er niet van binnen, in je hart niet iets is weggesneden,
Waardoor de zonde binnen in je leeft.
Daar eindigt het hoofdstuk ook mee: Jood-zijn zit niet aan de buitenkant,
maar van binnen, omdat daar – net als bij de besnijdenis – iets is weggesneden:
Alles wat je op het verkeerde pad brengt
en dat is veel vaker onzichtbaar voor de mensen om je heen.
Alleen God kent je hart en weet wat daar vanbinnen in je omgaat.
Ook als je van jezelf vindt dat het goed zit
en tegelijkertijd van mening bent dat het bij een ander goed mis zit,
heb je eraan te denken hoe God erover denkt en welk oordeel Hij velt,
over die ander, maar ook over jezelf.

Waarom begint Paulus daarover? Want ik heb daar nog geen antwoord op gegeven.
Omdat er als gelovige ook een trots kan komen,
Waarbij je vindt dat je het als mens, als gelovige beter doet dan die ander
Of waarbij je vindt dat jij als gelovige het evangelie beter hebt begrepen
en je jezelf omhoog werkt, hoger plaatst dan die ander, veel dichter bij God,
waarbij je bij jezelf denkt: zoals ik ben, zoals ik leef, zoals ik denk,
dan moet ik wel een plaatsje in de hemel krijgen.
Het gevaar om tevreden te zijn met jezelf, dat is wat Paulus wil bestrijden,
dat je denkt dat je op deze manier zo wel God onder ogen kunt komen na je sterven.
Dat is niet alleen gevaarlijk omdat je jezelf beter vindt dan een ander,
maar ook ervan uit gaat je wel in de hemel zult komen
zonder dat er over je geoordeeld wordt.
Ja, wel over die ander, maar niet over jezelf.
Je gaat eraan voor bij dat je alleen in de hemel kunt komen,
als je gelooft in de Heere Jezus, dat Hij voor je zonden gestorven is,
als je vrijgesproken bent van door God zelf.
Én je gaat eraan voorbij, dat het geloof in de Heere Jezus ook iets van je vraagt,
iets met je doet en dan niet alleen als gevoel iets doet,
dat je een warm gevoel van binnen krijgt, een enthousiasme voor God (dat kan zeker),
maar dat er iets gebeurt met hoe je naar jezelf kijkt, naar anderen kijkt, naar de wereld kijkt.
Dat je niet alleen maar de fouten van een ander kijkt,
maar ook inziet op welke manier jijzelf mis zit, naar God toe, naar anderen toe.
Dat je niet beter bent en het niet beter doet, alleen maar omdat je naar de kerk gaat,
alleen maar omdat je uit de Bijbel leest, alleen maar omdat je bent gedoopt.
Dat is allemaal goed, maar als het je niet verandert, niet een ander mens maakt,
blijf je zelf buiten schot en dat kan niet.
Want wat er moet iets met je gebeuren. Paulus gebruikt ergens anders een radicaal beeld.
De oude mens sterft en een nieuw mens staat op.
Zoals je nu bent, zo kun je niet blijven, want zo kun je niet voor God komen.
Er moet een ander hart komen, gereinigd van de zonde.
Je hart, dat gaat over de intentie waarmee je iets doet, je echte doel.

Nog even terug naar Paulien en Chris.
Chris kan een relatie met Paulien beginnen, waarbij hij aan zichzelf denkt,
om aan vrienden te laten zien bijvoorbeeld om zijn reputatie waar te maken
dat hij goed bij de meisjes ligt en makkelijk verkering krijgt.
Dan is het hem helemaal niet om Paulien te doen,
maar alleen hoe anderen naar hem kijken.
Wanneer het serieus wil worden, moet er iets bij Chris van binnen veranderen,
waardoor het echt iets wordt, dat de liefde leeft in het hart van Chris.
zo kan iemand zich aan de buitenkant gelovig voordoen,
maar van binnen in het hart niet met God bezig zijn, maar met zichzelf.
dan moet er van binnen iets veranderen, in het hart, waardoor echte liefde komt voor God
Daar hoort wel bij dat je inziet, dat je de liefde van God eerder hebt genegeerd,
Dat je niet open stond voor de boodschap die God had,
dat Hij in je leven wilde komen, dat Hij wat je verkeerd gedaan had wilde vergeven,
dat Hij je een nieuw mens wil maken.
Dat inzicht dat je verkeerd zat, dat hoeft geen voorwaarde vooraf te zijn,
Dat kan ook groeien in de loop van je leven met de Heere.
De relatie die wij hebben met de Heere, die wij krijgen,
is anders dan die tussen vriend en vriendin, een andere relatie dan die van Paulien en Chris.
Want God is degene die ons gemaakt heeft, Hij staat boven ons,
Hij is onze Heer – onze Meester, onze Chef, onze Baas. Wij zijn geen gelijke.

De preek begon ik met Paulien en Chris die af en toe niet op één lijn zitten.
Dat kan gebeuren, juist omdat ze zo verschillend zijn.
Maar als het goed is leren ze wel van die conflicten die ze hebben
en groeien ze in hun relatie.
Wanneer Chris van Paulien te horen krijgt
dat hij alle schuld buiten zichzelf legt en alleen maar naar anderen wijst,
Dan zal hij daar wellicht eerst boos over zijn,
maar al als het goed is er wel over nadenken, of Paulien toch niet ergens gelijk heeft.
Dat is wat Paulus ook beoogt met dit scherpe stuk in de brief aan Rome.
Zijn doel is dat de mensen die hij aanspreekt over zichzelf gaan nadenken
en hem gelijk geven dat ze zelf mis zitten.
Het is Paulus er niet om te doen om dat er fijntjes in te wrijven dat ze fout zitten.
Zijn doel is anders: Hij wil hen bij Christus brengen, dat is wat Hij beoogt.
Want alleen door de Heere Jezus kun je gered worden van het oordeel.
Hij hoopt door aan te geven dat ze mis zitten,
dat ze tot het inzicht komen dat er iets met hen moet gebeuren
en dat ze aan het juiste adres zullen zoeken: bij Christus die voor de zonde stierf.
Dat is ook de reden waarom we in de kerk over zonde praten.
Niet om ons daardoor beter dan anderen te voelen,
maar uit bewogenheid, zodat degenen die nog zonder de Heere Jezus leven
tot het besef komen, dat ze zonder hem niet kunnen leven, niet kunnen sterven.

We houden ons daarmee niet buiten schot,
Want we weten dat we niet beter zijn,
We weten dat uit de Bijbel, uit onze eigen ervaring,
Wat we wel weten is waar we het moeten zoeken
om bevrijd te worden, los te komen, om een ander mens te worden.
Bij Christus.
Vgl dankgebed doopformulier:  en onbevreesd voor de rechterstoel van Uw Zoon, Jezus Christus, mogen verschijnen

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven,

Die van de straf voor eeuwig is ontheven,

Wiens wanbedrijf , waardoor hij was bevlekt,

Voor ’t heilig oog des Heeren is bedekt.

Welzalig is de mens, wien ’t mag gebeuren,

Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,

En die in ’t vroom en ongeveinsd gemoed;

Geen snood bedrog maar blank’ oprechtheid voedt.

Rechtvaardig volk, verhef uw blijde klanken,

Verheugd in God, naar waarde nooit te danken.

Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t’ allen tijd,

Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.
Amen



Preek zondagavond 3 september 2017

Preek zondagavond 3 september 2017
Romeinen 1:1-20
Tekst: vers 11-12
Nabetrachting Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In het avondmaal worden we versterkt in onze band met Christus
en in onze band met elkaar.
We kunnen onze band met Christus niet versterken
als daar ook niet de onderlinge band in wordt meegenomen.
Ik word niet in mijn eentje opgebouwd en niet alleen mijn geloof wordt versterkt.
Daar aan de tafel zijn we een gemeenschap
en niet alleen als we aan de tafel zitten.
Zij die niet konden aangaan, zijn niet buitengesloten van deze gemeenschap.
Steeds weer kom ik onder de indruk van het bijzondere van de kerk als gemeenschap.
Het is makkelijk om te zeggen dat we als kerk geen een geheel zijn, geen gemeenschap,
maar ik kom daar steeds weer iets van tegen:
dat we als kerk bij elkaar horen, een gemeenschap met elkaar, om Christus heen.
Je hoeft maar in het ziekenhuis te komen bij een gemeentelid en de kaarten te zien.
Je hoeft maar een seizoen mee te draaien op de belijdeniscatechisatie
of een aantal jaar op de Bijbelkring om te zien hoe waardevol het is
om met elkaar het geloof te beleven, te belijden.
Steeds weer ontdek ik dat juist in dat samen optrekken zoveel genade gegeven wordt.
Je kunt bijvoorbeeld van elkaar leren,
van hoe iemand in zijn geloof staat,
bemoedigd worden door wat iemand vertelt over wat er is gebeurd in zijn of haar leven.
je kunt van elkaar leren hoe je omgaat met de dingen die je niet goed afgaan,
je worstelingen die je steeds het idee geven dat je niet verder komt
en dan hoor je een ambtsdrager of een ouder gemeentelid vertellen
dat zij die worstelingen maar al te goed kennen en daar soms nog wel te maken hebben.
Dat zijn de dingen die je ziet en die je hoort.
Er is ook een kant van de gemeenschap die je niet ziet, soms wel ervaart,
maar er wel degelijk is.
Bijvoorbeeld in het gebed voor elkaar.
Ik hoor dat wel eens terug dat er gemeenteleden zijn,
die in de week voor mij bidden of op zaterdagavond.
Dat is trouwens niet altijd makkelijk te aanvaarden,
want als ik in een slechte bui ben, denk ik:
je vertelt aan God dan ook hoe ik zou moeten preken.
Maar daarbij ga ik er aan voorbij dat zij voor mij bidden
en dat zij op hun eigen manier meewerken aan de preek
door mij bij God te brengen.
Het zou best eens een vorm van trots kunnen zijn
om de gebeden van een ander niet te kunnen verdragen.
Wat dat betreft kunnen we heel wat leren van Paulus.
Ik ben steeds weer onder de indruk van Paulus,
zo’n intelligente theoloog, zo’n grootse denken, zo’n harde werker.
Zijn grootheid, zo ontdek ik steeds meer, is dat hij voor zich laat bidden,
dat gebed nodig heeft
en omdat hij weet dat hijzelf dat gebed nodig heeft,
Steeds weer voor de gemeente bidt
vol dankbaarheid voor wat de Heere in de gemeente werkt.
Hij heeft daar oog voor; hij staat daar bewust bij stil.
En dat vind ik ook het bijzondere aan Paulus:
Dat hij zich niet verheven voelt boven anderen, meer dicht bij Christus,
maar dat hij andere mensen om zich heen nodig heeft,
een gemeenschap die voor hem bidt,
een groep mensen in wie hij kan zien hoe God bezig is.

Dat met elkaar bezig zijn met de dingen van de Heere – dat is het mooie aan de kerk.
Ik weet niet of in de afgelopen week in de voorbereiding van het avondmaal
alleen maar bezig geweest bent met uzelf.
Het kan zijn dat u de handen vol hebt aan uzelf, of u wel aan zou kunnen gaan.
In de week voor het avondmaal bid ik extra voor de gemeente,
voor degenen die naar het avondmaal uitkijken
en mijn gebed is dat die gemeenteleden, dat u, dat jij, sterker in het geloof wordt.
Ik bid voor degenen die aarzelen, die de worsteling kennen
en mijn gebed is dan dat u de ruimte ervaart om de uitnodiging aan te nemen
en dat u weet dat er ook voor u, voor jou bij de Heere aan de tafel een plek is.
En ook voor degenen die niet aan kunnen gaan,
of die op die zondagmorgen niet naar de kerk komen bid ik.
Het is bijzonder om zo voor bij de tafel te staan om te zien, hoe gemeenteleden opstaan
en de gang naar de tafel maken, naar voren komen.
Dan merk je de verbondenheid, ook omdat je van een aantal de achtergrond weet
of hebt mogen zien hoe ze in de afgelopen tijd zijn gegroeid,
bijvoorbeeld door belijdeniscatechisatie te volgen,
door mooie dingen die gebeurden: een huwelijk, een geboorte, of juist door tegenslag.
Het is bijzonder om te zien welke manieren de Heere gebruikt
om iemand verder te laten groeien in het geloof.
Ik kan me goed voorstellen dat het Paulus’ verlangen is om naar Rome te mogen gaan.
Want het is een voorrecht om te zien hoe de Heere werkt.
Dat zou ik ook willen meegeven aan de broeders
die door de kerkenraad op de lijst zijn geplaatst voor de verkiezing ambtsdragers
en ook tot degenen die opgelucht zijn, omdat zij juist niet op de lijst geplaatst zijn.
Ambtsdrager zijn is niet alleen een last, een opgave, natuurlijk dat kan het ook zijn,
maar ambtsdrager zijn is ook een genade en een voorrecht:
Het voorrecht om getuige te mogen zijn van wat God in een mensenleven doet.
Het is een extra voorrecht, omdat je zelf ook weer bemoedigd wordt
als je ziet hoe iemand verder komt in het geloof.
Hoeveel de gemeente voor Paulus betekent, blijkt wel in zijn gebed
en in de vele praktische aanwijzingen aan het einde van elke brief voor de gemeente.
Geloven heeft voor Paulus alles te maken met hoe je in de gemeente met elkaar omgaat,
hoe je je naar elkaar opstelt, of je bereid bent om een stapje terug te doen,
juist om de ander dichter bij Christus te brengen,
om de ander in staat te stellen God te leren kennen of beter te leren kennen.

Je bent nooit uitgeleerd, niet als beginnend gelovige, niet als ambtsdrager,
als ouderling of als predikant en ook niet als apostel.
Steeds weer heb je die gemeenschap om je heen nodig,
om meer te leren van de weg die Christus met mensen gaat.
Paulus schrijft dat graag naar Rome wil komen om zelf ook bemoedigd te worden.
Er zit iets wederzijds in – samen, we bemoedigen elkaar.
Geloven doe je niet alleen, maar met elkaar in een gemeente
en wanneer je wegblijft houd je iets wezenlijks achter voor je gemeenteleden,
namelijk hoe de Geest in jou bezig is
en laat je de mogelijkheid onbenut dat je voor een ander tot voorbeeld bent,
dat jij er aan mag bijdragen dat je het geloof van een ander versterkt.
Bemoedigd worden gaat voor Paulus niet één kant op, maar gaat twee kanten op:
Ik bemoedig de ander en de ander bemoedigt mij
en uiteindelijk komt die bemoediging van de Heere vandaan
– we worden bemoedigd samen, namelijk door God
en daar gebruikt Hij mensen voor, zoals Paulus, zoals een ouderling of een predikant,
iemand op de Bijbelkring of iemand die catechese geeft
of meedoet met de kindernevendienst of een morgen op zondagsschool leiding geeft,
maar ook degenen die maar een hele kleine taak heeft
of zelfs helemaal geen taak binnen de gemeente, maar alleen op zondag aanwezig is.
God gebruikt ons allemaal om elkaar te bemoedigen.
Daarom hoop ik trouwens dat er aanmeldingen zullen zijn
voor de belijdeniscatechisatie – om de Heere beter te leren kennen.
Juist als u voor uw gevoel niet zoveel te brengen hebt, dan bent u welkom.
Want juist het er open voor staan, het op zoek gaan om meer te weten
de bereidheid om te leren – maakt steeds weer indruk op mij
en het is mooi om te zien hoe iemand groeit in geloof,
van een aarzelend geloof, een geloof met misschien wel weinig kennis
naar een geloof dat bereid is om van Christus te zeggen: U bent mijn Heer, mijn Redder.
Bovendien: geloof is nooit een prestatie van onszelf, niet iets dat wij zelf moeten doen
en geloof is dus ook nooit een niveau dat we kunnen bereiken uit onszelf.
Geloof is voor Paulus een geschenk – en hij heeft dat zelf ervaren
toen hij op de weg naar Damaskus stil gezet werd.
Misschien is het wel een voordeel als u er weinig van weet,
en als u er niet zo goed in bent om het geloof in praktijk te brengen,
want dan staat u er misschien meer voor open om het geloof te ontvangen.
Veel kennis kan ook een belemmering worden, als het gepaard gaat met een trots,
een belemmering als je te trots bent om te buigen, omdat je het zo goed weet.
En ook dat kan een bemoediging zijn, als je ziet dat iemand die te trots is om te geloven
nederig wordt en bereid is om neer te knielen en zich over te geven aan God.
Laat het in ieder geval geen trots zijn, waardoor u niet verder komt in het geloof.
Want trots is nooit zo goed voor het geloof, eerder een belemmering.
Ik las in deze week bij een schrijfster die geregeld kloosters bezoekt,
dat deel uit maken van een klooster een oefening is in nederigheid.
Deze schrijfster was protestants opgevoed, maar van de kerk afgehaakt
omdat ze haar eigen weg wilde volgen, zichzelf ontwikkelen.
Als ze vastloopt in haar leven begint ze kloosters te bezoeken.
Juist om die wereld vreemd voor haar is, vallen de dingen op.
Als ze een keer het ontbijt klaar maakt voor een monnik, met wie ze bevriend raakt,
vraagt ze hem hoe hij zijn ei bij het ontbijt wil.
Hij kijkt haar verbaasd aan en weet eigenlijk niet goed wat hij moet zeggen.
Hij is dat niet gewend dat die keuze aan hem gevraagd wordt.
Hij krijgt zijn eten steeds voorgeschoteld zonder een keuze te kunnen maken.
De behoefte van de gemeenschap gaat voor het individu.
Ze voegt daar de waarneming aan toe dat het juist in deze tijd zo moeilijk is
om gelovig te leven, omdat alles in onze maatschappij erop gericht is
om je eigen keuze te maken, zelfs als dat ten koste gaat van de gemeenschap.
Eerst mijn eigen behoefte bevredigen en wat dat met de ander te maken heeft
dat zoekt die ander maar uit, dat is niet mijn pakkie-an.
Ik las dat gisteren in twee columns in Trouw terug:
de ene column ging over de politiek,
over de presidentsverkiezingen in de VS en de verkiezingen voor de Tweede Kamer.
Hoe je in die verkiezingen kunt zien, dat de ontwikkelingen in de afgelopen 50 jaar
ertoe hebben bijgedragen aan de vrijheid van het individu,
maar dat dat wel ten koste gaat van de gemeenschap en
dat zowel Trump als Clinton geen visie hadden hoe de gemeenschap gediend kan worden.
En dat we dat ook bij de kabinetsformatie kunnen zien
dat er steeds minder partijen bereid zijn om te denken aan het geheel van ons land
en alleen nog maar in achterbannen.
De ander ging over voetbal, dat je in de huidige generatie niet meer de bereidheid ziet
om jezelf dienstbaar te stellen in het bredere geheel.
Ik noem dit alleen om aan te geven, hoe kostbaar het evangelie is
en hoe zuinig we moeten zijn op de kerk als gemeenschap
en dat het niet iets vanzelfsprekends is dat we binnen de kerk elkaar dienen
en dat we daar steeds weer aan moeten werken
dat we steeds moeten beseffen dat we kwetsbaar zijn
als eigenbelang en trots vrij spel krijgen en niet bestreden worden.

Als ik de brieven van Paulus lees, voelt hij het haarscherp aan,
dat trots en eigenbelang haaks staan op het dienen van Christus.
Het moet wel dat hij dat zelf heeft herkend dat trots met je aan de haal kan gaan.
Paulus houdt mij daarom steeds weer een spiegel in – om te strijden tegen die trots,
Paulus die zelf gedwongen werd om te knielen,
omdat hij vanuit zijn trots tegen God streed in plaats van voor God werkte.
Paulus is dienaar geworden, je zou het ook kunnen vertalen als slaaf:
Hij heeft Christus een Meester gekregen die over zijn leven bepaalt.
Als hij schrijft dat hij niet kan komen, is dat niet omdat er geen financiën waren
en ook niet omdat hij een te volle agenda is, of dat het bezoek er bij in geschoten is,
Nee, Paulus heeft verscheidene keren plannen gemaakt,
maar hij kreeg geen groen licht van zijn Meester, hij mocht niet gaan,
omdat hij elders nodig was, waarschijnlijk op plekken waar het evangelie nog niet gebracht was, en Rome was minder nodig, want daar was al een gemeente ontstaan.
Groeien in geloof is voor Paulus groeien in gehoorzaamheid, in overgave,
groeien in nederigheid en niet meer denken vanuit je eigen belang,
en niet meer je laten leiden door je trots, maar Christus op de eerste plaats stellen.
Dat is groei in geloof.
Gebed voor de gemeente, voor elkaar is na de avondmaalszondag niet voorbij.
Het gaat er nu om te leven uit wat u gekregen hebt.
Vergeving van zonden is heel mooi, een kostbaar geschenk,
maar je verwaarloost dat geschenk ook weer als je die vergeving niet ziet
als een aansporing om in de komende tijd wel weer te proberen te leven in gehoorzaamheid.

laat ieder zijn of haar geweten onderzoeken of u ook gezind bent voortaan met uw hele leven waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht. En eveneens of u, terwijl hij van harte alle vijandschap, haat en afgunst aflegt, zonder enig huichelen, een ernstig voornemen heeft voortaan in waarachtige liefde en eensgezindheid met uw naaste te leven.


Ondanks dit alles, omdat wij door de genade van de Heilige Geest van harte bedroefd zijn over zulke gebreken en wij verlangen tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden van God te leven,

Ook daarom hebben we elkaar nodig,
om elkaar hierbij te helpen de weg van Christus te gaan,
om te strijden voor wat we kunnen, met hulp van de Heilige Geest
Zo word je door elkaar bemoedigd in het geloof.

Samen te strijden in woord en in werk.
Eén zijn in U, dat alleen maakt ons sterk.
Delen in vreugde, in zorgen, in pijn,
als uw kerk, die waarachtig wil zijn.

Zo samen in liefde te gaan, schouder aan schouder te dienen in Gods wijngaard,
is een voorrecht, die ons door God wordt gegeven,
want zo met elkaar kunnen we bij elkaar zien wie God is.

Heer, wat een voorrecht om in liefde te gaan,
schouder aan schouder in uw wijngaard te staan,
samen te dienen, te zien wie U bent.
Amen