Preek zondagmorgen 21 oktober 2018

Preek zondagmorgen 21 oktober 2018
Jesaja 44:1-8. Tekst: vers 3.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Dit jaar hebben we een heel droog jaar en de droogte is nog steeds niet voorbij.
Toen wij afgelopen zomer terug kwamen van vakantie
was het of we bij de grens met Nederland niet ons eigen land binnen kwamen rijden,
maar Spanje of een ander land rond de Middellandse Zee:
Nergens was meer groen gras te vinden, alles was bruin geworden.
Bomen waren verkleurd en lieten soms het blad al vallen.
De gevolgen van de droogte werden zichtbaar.
Aan het einde van de zomer was het de vraag: zijn die gevolgen blijvend?
Of komt de natuur er weer bovenop als er regen valt?
Zal er voor de boeren genoeg gras en maïs zijn, of zullen ze minder hebben?

Nu er in de tussentijd weer regen gevallen is, kunnen we zeggen
dat de natuur zich op een aantal plaatsen weer behoorlijk hersteld heeft.
Wel zijn er zorgen dat de droogte die nog steeds aanhoudt gevolgen heeft voor volgend jaar.
Dat de natuur toch ontregeld is, de bossen en de weilanden schade lijden
door de lage stand van het grondwater,
dat er voor de dieren in de natuur minder water en voedsel te vinden is.
Op een aantal plaatsen heeft de natuur zich aardig hersteld.
Of kunnen we zeggen: is door de zorg van God,  onze hemelse Vader,
de natuur weer opgeleefd – door de regen waardoor de natuur nieuwe kracht ontving.
Door God gestuurd om de natuur, Zijn schepping, weer te doen opleven.
Zeker in gebieden, zoals in Israël waar de natuur afhankelijk is van de regen die valt,
is het verschil goed te zien wat de regen doet:
Als de regen weer valt, dan loopt alles weer uit,
de planten die bruin geworden zijn worden weer groener.
De regen is de kracht van God die alles weer tot leven wekt, zegt Jesaja.
Wanneer de regen dan weer komt na een droge periode, wordt dat als een wonder ervaren.
Het dorre, doodse, komt weer tot leven, wordt groen en fris, draagt vrucht.
Zoals God door de regen de schepping weer tot leven kan wekken,
zo kan de Heere mensen weer tot leven wekken door de Heilige Geest.
Zoals een overvloedige regenbui op een verdroogd stuk land weer nieuw leven brengt,
brengt de Geest, die over ons kan worden uitgestort, ons weer tot nieuw leven.

 

Het kan zijn dat je hier nu zit en bij jezelf denk: zo zou ik ook wel opgefrist willen worden,
ik zou ook weer helemaal opnieuw tot leven willen komen.
De laatste tijd lukt het allemaal niet zo met je studie of opleiding, met je werk, in je relatie.
Zoals de weilanden en tuinen er afgelopen zomer bij lagen, zo droog en dor,
zo voel je jezelf eigenlijk ook wel.
Je was vol goede moed begonnen, je had er zo’n plezier in, het deed je zo goed.
Maar nu komt er niets meer uit je handen, het lukt niet meer op je werk,
je krijgt het niet meer voor elkaar met je studie,
je komt in je relatie niet dichter tot elkaar. Eerder het omgekeerde:
steeds meer verwijdering en onbegrip, ruzie.
En je weet zelf niet meer hoe het anders kan, hoe het weer de goede kant op kan gaan.

Als het met jezelf niet goed gaat, als je naar beneden getrokken wordt,
gaat het vaak met je geloof ook niet goed,
Juist als je dan de Heere zo nodig hebt, dan kun je Hem zo moeilijk bereiken,
dan lijkt het wel of Hij er niet is.

O, Heer, mijn ziel en lichaam hijgen en dorsten naar U in een land
dat dor en mat van droogte brandt, waar niemand lafenis kan krijgen.
Er kan net als in Psalm 63, die we voor de preek zongen, een heimwee zijn naar vroeger
toen je floreerde en dicht bij God leefde.
Het kan voor je zo dor en droog in je geloof zijn, dat je je afvraagt of het ooit nog goed komt.

Je hebt misschien alle hoop al wel opgegeven.

Is het dan mogelijk om weer opnieuw op te leven, om ook in je geloof opgefrist te worden?
Dat je weer als nieuw wordt, dat het weer gaat lukken

en dat je weer, net als voorheen, dicht bij God leeft?

Het kan zijn, dat je zulke vragen nooit hebt, omdat je altijd dicht bij de Heere leeft
en je zorgt dat je geestelijk niet uitdroogt
en je bouwt een voorraad op voor als er een moeilijke periode gaat komen,

waarop het wel eens dor en droog zou kunnen worden,
zodat je voorbereid bent en het je niet overvalt en niet wegduwt bij God vandaan.
Het zou zelfs kunnen zijn, dat je je verbaast over anderen, hier in de kerk of vrienden,
met wie je spreekt en die aangeven dat ze het moeilijk hebben in het geloof
en dat je je bij jezelf afvraagt: hoe kunnen ze de Heere zo verwaarlozen
en waarom hebben ze geen geestelijke voorraad opgebouwd,
waar je op kunnen terugvallen als ze tekort gaan komen.
Je zegt maar niets, want je weet ook dat het je opmerking verkeerd kan vallen,
dat je niet begrepen wordt.   
Kun je daar zelf iets aan doen, dat je weer helemaal opleeft,
dat je geloof helemaal weer groen en fris is, levend geworden,
of dat wat in de afgelopen tijd op je werk, met je opleiding of in je relatie niet meer lukte
weer gaat lopen, dat het weer goed gaat, dat je weer vertrouwen hebt.

Als het gaat om relatie, opleiding, werk dan kun je daar misschien nog zelf aan werken.
Hoewel het nooit zo eenvoudig ligt, vaak is er wat aan de hand,
speelt er van alles en heb je dat niet zomaar door
en heb je tijd nodig, misschien ook wel hulp van iemand anders,
om helder te krijgen wat je zo dwars zit en waarom het niet wil lukken.
Als het gaat om ons geloof kunnen wij dat niet zelf voor elkaar krijgen.
Dat is alleen maar Gods werk, we zijn van Hem afhankelijk.
Daarmee bedoel ik niet dat je maar met de armen over elkaar moet gaan zitten
en wachten tot God komt, tot Hij naar je toekomt.
Zo weer opleven, in je relatie met God een ander mens worden,
dat is alleen een wonder, zoals God dat alleen kan doen – en ook wil doen,
net zoals de regen het gras dat verdord was, weer helemaal groen kan maken.
De regen die het leven weer terugbrengt
– zo zal Ik Mijn Geest uitgieten over je nakomelingen.
Je denkt dat het afgelopen is met je, en dat jij geen toekomst meer hebt.
Misschien denkt u wel aan uw kinderen of kleinkinderen,
die niet meer naar de kerk gaan, of zelfs helemaal niets meer van willen weten.

Ze komen straks wel langs, ze weten dat u naar de kerk gegaan bent,
maar u moet maar niet over de preek beginnen, over de dienst.
Wat God hier belooft, is dat niet alleen uzelf, of jij weer kunt opleven,
maar dat het verder gaat dan alleen maar jouw persoonlijke leventje,
dat de Geest als zo’n overvloedige regenbui kan komen, zo overdadig,
zo alles vervullend, stromen van levend water, dat het teveel is voor u alleen
en dat het verder gaat dan jou alleen, maar dat het doorstroomt naar anderen.
Niet maar één persoon bij wie wat gebeurt, niet maar een enkeling die iets verneemt,
maar een hele gemeenschap die tot leven komt.
Pasen en Pinksteren op één dag.
Pasen – nieuwe kracht die in je komt
en niet zomaar nieuwe kracht, maar de kracht van Christus die je opwekt uit de dood,
Christus die zelf in de dood geweest is en de macht van de dood verbrak
en u, jou meeneemt een nieuw leven in.

Een hele gemeenschap waar de vitaliteit uit weg was, staat weer op, wordt weer levend,
krijgt de Geest weer over zich heen en verneemt hoe de Geest over de akkers stroomt,
de dorstige grond weer van water, levend water, voorziet.
Pinksteren: zelf nieuwe kracht ontvangen door deze Geest,
die verder gaat en ook anderen bereikt, verder stroomt.
De Geest over de nakomelingen, over de nazaten, de telgen.
Dat is net zo’n wonder geweest als wanneer hier kinderen of kleinkinderen
die niet meer naar de kerk gaan, weinig of niets meer met geloof op hebben,
zich weer gaan bezighouden met God, gegrepen worden door de Heere
en daarmee tot leven worden gewekt, het nieuwe leven in Christus.
In Israël waar deze profeet tegen spreekt, is er  in ieder geval weinig vertrouwen meer
in een toekomst met God
en ziet men dat de kinderen en de kleinkinderen er de brui aan geven.
Aan God heb je niets, aan de God van mijn vader of moeder zeker niet.

Moet je zien hoe God het volk weer van nieuwe kracht voorziet, het vitaal maakt.
Door ze aan te spreken: Jakob, Mijn knecht, Israël, Mijn dienaar,
luister nou toch eens naar Mijn woorden, naar je God die dit leven heeft gegeven
en die in staat is om de natuur weer tot leven te wekken,
het droge en verdorde weer kan laten uitlopen, zodat er bloesem komt
en straks de vrucht, die geplukt kan worden.
Ook nu kan dat de Heere uw geloof weer tot leven wekken door u aan te spreken,
door met jou in gesprek te gaan.
Op verschillende manieren kan de stem van de Heere tot je komen.
Dat kan doordat iemand in een gesprek met je iets tegen je zegt,
jou ergens op aanspreekt, waardoor je geraakt wordt en er over na gaat denken.
De stem van God komt tot je als je voor jezelf in de Bijbel leest,
je leest stil in jezelf of je leest hardop uit de Bijbel,
je denkt na over wat die woorden te zeggen hebben.
Daar mag je ook best tijd voor nemen, om die woorden op je in te laten werken.
Juist als het niet goed met je gaat, dan lukt het vaak niet goed om in de Bijbel te lezen
en dan mis je juist wat je zo nodig hebt: de stem van God die je aanspreekt.
Is het vaak niet zo, dat als je het moeilijk hebt dat je Gods stem wilt horen,
maar dat de manieren waarop de Heere je anders aanspreekt dan niet raken?
Dat het lezen in de Bijbel je weinig zegt
en dat liederen die je anders graag luistert je weinig doen.
DAt je wel in de kerk zit en maar er niet echt bij bent, omdat je hart te vol is van zorgen
En dat je niet naar de preek kunt luisteren,
terwijl dat ook een manier is waarop de stem van God tot je komt.
Luister dan! Maar nu, luister!
Een ommekeer, zoals God alleen maar kan doen,
waarbij je niet alleen maar aangesproken wordt, maar nieuwe kracht ontvangt,
weer tot leven komt, een levend geloof, fris en groen,
omdat de Geest als een overvloedige regenbui over je komt.

Maar dan moet u zich wel laten aanspreken.
Wat doet u als de stem van de Heere tot u komt,

Laat u zich wel aanspreken?
Het is wel God die het zegt!
Of zit uw hart te dicht, omdat u niet meer gelooft dat het nog anders kan worden.
Heb je er geen vertrouwen in dat de Heere met jou nog wat kan beginnen.
Dat is vaak al het begin van ongeloof: dat je niet gelooft dat God met jou iets kan beginnen,
omdat je zo moedeloos geworden bent,
geloof je dat God niet krachtig genoeg is, om het verlammende in jou te doorbreken,
Dit is wat God zelf zegt: Luister nu, doe je oren open, open je hart,
neem deze woorden op, zoals een droog stuk land het water opneemt.
als God komt is het niet met een klein beetje, is het niet te weinig,
maar is het overvloedig, royaal, zodat je echt genoeg hebt,
zodat je dorst naar God gelest wordt, zodat je weer in bloei komt,
als gelovige ook vrucht mag dragen.
Je bent niet afgeschreven maar verkoren,
vanaf dat je geboren bent en nog daarvoor, een speciale plek in Gods hart.
OOk met jou gaat de Heere Zijn weg.
Al heb je het in je leven verbruid, al was er in je leven geen plaats voor Hem
en is dat de oorzaak van de geestelijke droogte in je leven
en is dat de reden waarom alles zo verpieterd is – God geeft niet prijs wat Zijn hand begon.

Er wordt al aangekondigd dat het spreken van God echt effect heeft.
Als Hij Zijn Zoon kan roepen uit het graf, tot leven kan wekken,
dan kan Hij ook ons tot leven wekken.
Die Zoon die ons de Geest beloofde en daarmee aangaf dat die opstandingskracht

ook ons kan bereiken en in ons kan wonen.
Ik merk nogal eens dat gemeenteleden maar moeilijk een beeld van de Geest hebben,
zich weinig kunnen voorstellen van de Heilige Geest.
We hebben kunnen zien in de afgelopen maanden hoe het bruine gras weer groen werd,
hoe toch nog gewassen konden worden geoogst, ondanks de droogte.
Je zou het nu bijna weer gewoon vinden.
Zo werkt de Geest. Het is bijna net zo gewoon als een regenbui
En de groei die door de regenbui wordt veroorzaakt in de natuur.
Zo werkt de Geest bijna net zo gewoon,
maar als we er over nadenken is het net zo’n bijzondere wederopstanding
als wat de regen doet in de natuur – weer tot leven.
De profeet kondigt ook aan, wat er zal gebeuren, welk effect de Geest heeft.
Mensen die dachten dat God hen afschreef, gaan zeggen: Ik hoor bij Hem.
Mensen die zich onbereikbaar achten voor God, zeggen: Ik merk Hem in mijn leven.
Ik hoor bij Hem. Ik ben van Hem.
Ze schrijven het ook op om het nog eens officieel te maken,
Vergelijkbaar met onze belijdenis: je zegt het in een kerkdienst,
je spreekt je ja uit tegen de Heere. Ik ben van Hem.
Dat is wat de Heere kan doen.

Gelooft u dat Hij het ook kan doen in uw leven?
Daar zou u nog ‘nee’ op kunnen zeggen en dan is deze hele preek voor niets geweest.
Eigenlijk is het niet de goede vraag, omdat het nog ruimte open laat voor uw ‘nee’.
Merk je, zie je dat God in je leven bezig is.
Hoor je Zijn stem dan niet die je roept, die met je bezig is, die in je werkt,
zoals het water van de regenbui in de grond naar beneden zakt om de wortels te bereiken
zo is God bezig in jou door te dringen, Zijn Geest komt in je.
Het hangt niet af van of je het gelooft, of je het merkt.
De Heere is daar niet afhankelijk van. Hij werkt, zelfs ondanks ons ongeloof,
ook als we het niet opmerken.

 

Zie Heer, hier ben ‘k, maak mij een vat voor U,
woon in mijn hart, vernieuw het, doe het nu.
Verbreek mijn wil, maak m’ook van hoogmoed vrij.
‘k Wil in U blijven Heer, blijf Gij in mij.

O, heil’ge Geest, kom tot uw heerschappij,
schenk een herleving en begin bij mij.
Zegen uw volk,
maak ’t als een bruid bereid,
wachtend op Jezus’ komst in heerlijkheid.
Amen

Advertenties

Preek zondagavond 14 oktober 2018

Preek zondagavond 14 oktober 2018
Richteren 1:1-15

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We lezen in de Bijbel om onze band met de Heere te versterken,
om meer over de Heere te leren en Hem beter te leren kennen,
om van de Heere aanwijzingen te ontvangen hoe wij moeten leven
door middel van een toepassing van wat we gelezen hebben.

En dan is Richteren 1 een keer aan de beurt.
Omdat het aangegeven staat in het dagboekje dat gebruikt wordt,
of omdat het aan de beurt is als je de Bijbel hoofdstuk na hoofdstuk leest.
Je leest dat met elkaar aan tafel na het eten, of voor het slapen gaan om de dag af te sluiten
of aan het begin van de dag om de dag met God te beginnen.
Je hebt het gelezen, maar dan … wat moet je ermee?
Wie in de afgelopen weken een Bijbelkring gevolgd heeft over dit eerste hoofdstuk
heeft vast ontdekt dat dit Bijbelgedeelte de boodschap niet zomaar prijsgeeft.
Geregeld bevat de Bijbel gedeelten waar je niet zomaar klaar mee bent,
waar je niet bij de eerste keer als je het leest, weet wat het te zeggen heeft.
Ook als je er met elkaar op Bijbelkring over gesproken hebt,
kunnen er nog vragen overblijven bij dit gedeelte.

In Richteren worden steeds verhalen verteld,
waarbij de boodschap meegegeven wordt in de manier waarop het verteld wordt.
Dat kan ik uitleggen aan de hand van een alledaagse gebeurtenis.
Een vrouw komt thuis, bijvoorbeeld uit haar werk of is met vriendinnen op pad geweest.
Ze vertelt aan haar man wat ze heeft meegemaakt
De man luistert naar het verhaal van zijn vrouw, hij volgt het verhaal wel,
maar begrijpt niet waarom ze het vertelt en reageert daarom niet op wat zijn vrouw vertelt.
Zijn reactie blijft uit.
Op dezelfde manier kan bij het lezen van dit gedeelte de reactie uitblijven.
Je leest het wel, je hoort wel wat er verteld wordt,
maar je weet eigenlijk niet waarom dit verhaal verteld wordt
en daarom ontgaat je de betekenis.
Om te weten wat de Heere ons hier te zeggen heeft, moeten we nauwkeurig gaan lezen
en gaan letten op de manier waarop deze gebeurtenissen aan ons verteld worden.

Het allereerste vers: Het gebeurde na de dood van Jozua
Hier wordt gelijk al de toon gezet voor de rest van het Bijbelboek Richteren.
Jozua – wie was dat ook al weer en waarom wordt hij hier genoemd?
Als je niet zo thuis bent in de Bijbel, dan sta je hier op achterstand
en is het nog lastiger om de boodschap die God door wil geven te horen.
Jozua wordt voor de eerste keer in de Bijbel genoemd
als het volk Israël door de Amalekieten wordt aangevallen.
De Amalekieten vallen Israël in de rug aan, waar de ouderen lopen, de kwetsbaren, lafhartig.
Jozua is dan de aanvoerder van de soldaten van Israël die de strijd aangaan met Amalek.
Jozua won deze strijd op een bijzondere manier: steeds als Mozes zijn handen ophief
en zich tot God uitstrekte, streed de Heere zelf voor het volk.
Op die manier doet Jozua zijn intrede in de geschiedenis van Israël:
Op het moment dat er tot de Heere gebeden wordt en de Heere voor Zijn volk strijdt.
Zo leert Jozua de Heere kennen: God strijd voor Zijn volk Israël en brengt het in Kanaän.

Onderweg maakt Jozua nog heel wat mee.
Als het volk Israël bij de Sinaï komt, de berg waar God is, mag Jozua mee omhoog
en de 40 dagen dat Mozes bij de Heere is om de geboden te ontvangen,
wacht Jozua bovenaan de berg tot Mozes mee naar beneden gaat.
Jozua heeft gezien hoe het mogelijk is om naar de Heere toe te gaan,
om Hem te ontmoeten, om tot Hem te bidden,
om geboden van God te ontvangen, die aanwijzingen geven hoe je moet leven.

Jozua werd met Kaleb en 10 anderen uitgekozen om het land te onderzoeken,
het land dat de Heere hen in Egypte al beloofd had,
en waar ze naar op weg waren, het land van Abraham, Izak en Jakob.
Ze raakten onder de indruk van wat het land allemaal te bieden had:
een vruchtbaar land met indrukwekkende opbrengsten,
een land waarover de Heere Zijn zegen gegeven heeft.
Maar nog meer waren de meeste van deze verspieders onder de indruk
van de steden die er waren en de mensen die er woonden:
Grote steden, met imposante muren, goed verdedigd,
Kanaänieten die er woonden die lieten zien dat ze onverslaanbaar waren.
Zelfs met God aan onze zijde wordt het niets.
Hoe snel kan de moed in de schoenen zinken, ook als je weet dat de Heere bij je is.
Het vertrouwen dat Hij zal leiden, dat Hij Zijn belofte waar maakt, is dan weg.
Jozua heeft dat steeds weer gezien, toen hij met het volk Israël meetrok door de woestijn,
toen hij getuige was van het gemopper van de Israëlieten,
maar ook getuige was van Gods trouw en leiding, Gods geduld, steeds weer.
Jozua wilde in geloof gaan, we kunnen gaan, Kanaän in, want God is aan onze zijde.
En toch, ze gingen niet, want er was geen vertrouwen in God.
We kunnen Kanaän niet binnentrekken, dat wordt onze ondergang!
Toen kwam het oordeel van God: het volk moet langer in de woestijn blijven
en van de huidige generatie mogen alleen Jozua en Kaleb het land binnen gaan.
Onder Jozua’s leiding trok het volk de Jordaan over en veroverden ze Jericho.
Nu is Jozua gestorven: Jozua de uittocht uit Egypte nog had meegemaakt,
De reis door de woestijn, die onderweg zoveel van God had gezien
en wist hoe de Heere Zijn volk steeds weer hielp.
Hoe gaat het verder als die kennis over God verdwijnt,
als niemand die geschiedenis zelf nog heeft meegemaakt
en het alleen van horen zeggen heeft.
Na de dood van Jozua – hoe gaat het met Gods volk als de weg van God
slechts nog een verhaal is dat niemand meer zelf heeft meegemaakt.
Kan het volk dat aan? Blijft het op Gods weg gaan?
Het is ook een vraag aan ons – wat gebeurt er met ons geloof en onze kerkgang
als er steunpilaren in het geloof wegvallen?
Wat gebeurt er als er iemand is, die voor jouw geloof van grote betekenis is geweest,
Verhuist of overlijdt – kun je dan op eigen benen staan, of ga je onderuit?

Het lijkt eerst goed te gaan: de Israëlieten vragen de Heere om raad.
Hier worden ze gepresenteerd als eensgezind: niet als onderlinge rivalen,
die elkaar niet willen helpen en met elkaar in gevecht raken, zoals verderop in Richteren.
Israëlieten – de naam die verwijst naar de bijzondere roeping,
om in het land Kanaän als volk van God te leven, naar Gods geboden,
Israël, niet alleen een bijzondere status als volk door God uitgekozen,
maar ook een volk met een roeping, om tot zegen te zijn,
om in een donkere wereld te laten zien hoe God deze wereld heeft bedoeld.
Ze vragen God om raad, om advies.
Heeft u dat ook wel eens gedaan bij een ingrijpende keuze?
Als u nadenkt over een ander huis of een andere baan?
Heb jij dat ook gedaan toen je een keuze moest maken wat je na je school ging doen?
Of toen je verliefd was en verkering kreeg, heb je God erbij betrokken, om advies gevraagd?
En hoe krijg je daar antwoord op? Je krijgt dat zelden rechtstreeks,
misschien eerder als je rust krijgt op een beslissing en je ervaart dat het goed was.
Maar als je wel antwoord krijgt van God zelf op wat je moet doen?
De Israëlieten krijgen antwoord: Juda moet als eerste gaan en dan ga Ik mee.
Het land dat voor Juda bestemd is, zal Ik geven.
Het land ligt klaar – Juda hoeft alleen maar te gaan
om het geschenk van God aan te nemen, voor Juda bestemd.
Geen woord over strijd die geleverd moet worden, geen opdracht om geweld te gebruiken.
Alleen maar: Ga! Ga in vertrouwen en het komt goed, daar zal Ik voor zorgen.
Is dat genoeg?
Juda gaat, maar doet eerst iets anders. Simeon wordt meegevraagd.
Hoe moeten we dat zien? Is dat de zorg van Juda voor zijn broer.
Samen optrekken. Zoals we nog wel eens zingen:
Schouder aan schouder in Uw wijngaard te staan,
samen te dienen, te zien wie U bent.
Of is het anders? Het zou ook wel eens een gebrek aan vertrouwen kunnen zijn
God zegt wel dat Hij ons dat land geeft, dat het klaar ligt,
maar wonen er geen Kanaänieten? Zal er geen strijd geleverd moeten worden?
Moeten we niet wat hulp zoeken om sterker te staan.
Het lijkt heel mooi, maar het is een eerste stap bij de Heere vandaan.
Het inslaan van een weg bij de Heere vandaan gaat vaak heel subtiel.
Niet openlijk met een grote stap, maar met ontbreken van vertrouwen,
je gaat wel met God op pad, maar voor de zekerheid regel je toch iets anders.
zorg je ervoor dat je iets hebt, voor het geval God je niet zo blijkt te helpen als beloofd.
Hier bouwt Juda niet alleen een extra zekerheidje in voor het geval God niet thuis geeft,
maar grijpt Juda ook nog eens naar het middel van de macht.
Ik moet sterker staan, dan kan ik die Kanaänieten de baas.
Desnoods met geweld, samen staan we sterker.
Juda heeft succes en dan kunnen we zeggen dat God met hem is.
Zo verkeerd is het blijkbaar niet om Simeon mee te vragen.
Een klinkende overwinning: 10.000 man verslagen!
Een complete overwinning.
De vijand die zo sterk werd geacht, waardoor er extra steun nodig zou zijn:
wordt vernietigend verslagen.

Hoe kan dat nu, dat geweld in de Bijbel?
En dan ook nog eens geweld in naam van God?
Er zijn heel wat Nederlanders die als het gaat om geweld in de Koran zeggen:
maar in de bijbel kunnen ze er ook heel wat van.
We zien dat hier: alle Kanaänieten moeten worden gedood. Zodat Israël het land krijgt.
Maar is dat wel zo? Geeft de Bijbel hier een vrijbrief voor geweld?
Ook hier is het nodig om goed te lezen:
De koning die verslagen wordt, was zelf een geweldenaar, die nergens voor terugdeinsde:
70 koningen aangevallen en verslagen en hen hardhandig aangepakt.
De levens van die koningen die overwonnen waren, waren niet in tel.
Om te voorkomen dat ze in opstand zouden komen, worden de duimen en tenen afgehakt.
Doordat ze geen duimen meer hadden, konden ze geen speer of zwaard vasthouden
en zonder de grote tenen konden die koningen niet meer goed lopen.
Koning Adonibezek, die 70 koningen overwonnen heeft, maakt ze bespottelijk.
Ze zijn voor hem niet meer waard dan honden die de kruimels opeten die van de tafel vallen.
Het zijn geen mensen meer voor hem, maar uitschot.
Misschien kent u wel de verhalen van hoe Syriërs
worden gemarteld in de gevangenissen van Assad.
Niet meer in tel als mens.
Dan zegt Adonibezek, de koning die verliest van Juda: Nu dit met mij ook gebeurt,
is dat een straf van God. Boontje komt om zijn loontje.
Had ik maar niet zo wreed moeten zijn, ik moet niet raar opkijken dat God mij dit aandoet.
Maar vertelt Richteren dit aan ons door om te laten zien hoe God het onrecht straft?
Nee, er is een andere reden:
Juda gaat nog verder de fout in. Het begon al klein, bij gebrek aan vertrouwen,
Nu in de behandeling van de overwonnen koning zien we
dat het grote gevolgen kan hebben als je God uit het oog verliest.
Want het afhakken van duimen en tenen is de stijl van Kanaän.
Israël was bedoeld om te laten zien dat het anders kan: Gij geheel anders.
In een wereld van geweld, van wreedheid, het recht van de sterkste,
was Israël geroepen om te laten zien dat God een andere weg gaat.
Het kwetsbare Israël. Eén stam alleen die moet optrekken zonder hulp van anderen.
God kiest niet de weg van macht, van grote aantallen
En hoewel er vaak in de Bijbel gesproken wordt van geweld,
gebeurt dat niet omdat God geweld verheerlijkt en een gewelddadige God is.
Eén van de twaalf stammen wordt op pad gestuurd, kleiner dan het volk in zijn geheel.
Het is wat Paulus later noemt: Gods kracht wordt in zwakheid volbracht.

De Kanaänieten staan voor een andere levensstijl: geweld, minachting van je vijand,
ontmenselijken van je tegenstander, als een dier, een hond behandelen.
De Kanaänieten zijn daarom vijand van God, zoals Egypte dat ook is, de farao,
Die een hard bewind voerde en niemand ontzag,
zoals Assyrië, een andere grootmacht, met enorm veel geweld landen veroverde
En Babylon door veel wreedheid te gebruiken de wereld kon veroveren.
Kanaänieten, zijn net als de Egyptenaars en Babyloniërs machten van de dood,
die alleen de taal van geweld en onderdrukking kennen.
Om te laten zien dat God geen geweld hoeft te gebruiken, moet Juda alleen gaan,
zoals David, de kleine jongen, alleen ging tegen de reus Goliath.
Als David naar Goliath toegaat, zegt hij tegen de reus: Ik win van je,
omdat God wil laten zien dat je geen wapens nodig hebt om te winnen.
Vertrouwen op de levende God, de Heere van de legermachten,
die aan het hoofd van duizenden engelenlegers staan, dat vertrouwen is genoeg.
Maar wat doet Juda, als het de koning gevangen genomen heeft?
Juda hanteert de stijl van Kanaän.
Juda, geroepen om als volk van God een licht in een donkere wrede wereld te zijn,
heeft nog niet eens heel het land gekregen dat God zou geven
of hij gedraagt zich als Kanaäniet. Juda, zoon van Israël toont zich een heiden.
Ik ken verhalen uit de geschiedenis van de Hervormde Gemeente Oldebroek
Waarop het net zo ging: als het ging om welke richting het op moest gaan.
Dan konden er verschillende middelen ingezet worden om het doel te bereiken.
Hier houdt Juda een spiegel voor: Ook binnen de kerk kunnen we zomaar
Kanaäniet worden. Dan zeggen we: het doel is zo heilig – de eer van God!
De zuiverheid van de kerk! Of juist de andere kant op: meer ruimte voor ervaring, liederen.
We gaan dan niet meer als broeders en zusters met elkaar om,
maar verlaten de aanwijzingen van Christus
en vertrouwen er niet op dat Christus de gemeente bouwt,
maar dat wij dat maar moeten doen, ook al gaat dat niet al te christelijk aan toe.
Dan kunnen we zeggen: er is geen andere manier.
Wie de leiding heeft, moet vuile handen maken, moet wel eens beslissingen nemen,
en een aanpak hebben die niet altijd even sjiek is, niet zo christelijk.

Nee, zegt Richteren: het is de stijl van Kanaän.
Geweld is een gevaarlijk middel en als je denkt dat je in Gods naam moet handelen
maak je snel brokken.
Geweld kan je verteren, je kapot maken, al lijkt je strijd nog zo heilig.
Maar uiteindelijk is het ongeloof: je denkt dat God het niet doet,
dat de God van IsraËl niet strijdt, dat Christus Zijn gemeente niet bouwt
en dat we het daarom maar zelf moeten doen.

Maar is de weg van Israël dan wel te gaan?
Een weg in vertrouwen en het niet zelf uitvechten en voor elkaar maken
maar wachten totdat God het doet?
Kun je in de wereld vol Kanaänieten wel een Israëliet zijn?
Dat is toch de enige optie? Je kunt je niet ontrekken toch aan hoe het er aan toe gaat?

Daarom wordt ook het verhaal van Achsa verteld.
Achsa wordt de vrouw van Otniël, de eerste richter. Zoon van Kenaz.
Kenaz geeft aan dat Otniël bij de Kenieten hoort, een stam die Israël tegen kwam op reis,
Deze mensen hoorden niet bij Israël,
maar waren onder de indruk gekomen van de God van Israël.
Zij geloofden en traden toe tot het volk Israël en gingen erbij horen.
Hen tellen als in Israël ingelijfd en doen de naam van Sions kinderen dragen.
Zij geeft ook een voorbeeld voor hoe het moet.
Als ze een stuk land krijgt, dat niet zo vruchtbaar is, omdat er geen bronnen zijn,
kaart ze dat bij haar schoonvader aan.
Ze doet dat op een bijzondere manier: Ze zegt niet: “Ik heb er recht op!”
“Dat valt me van u tegen!” “U scheept me af!”
Nee, ze vraagt om een zegen – de zegen dat is Gods zorg en aandacht voor het land.
Gods betrokkenheid – Aan Gods zegen is alles gelegen.
Achsa houdt de spiegel voor: je kunt echt in vertrouwen op God gaan
en dan zal Hij ook Zijn zegen geven.
Je hoeft dat niet te bevechten als een Kanaäniet,
je hoeft dat niet op te eisen als een mopperende Israëliet.
Bidt en u zal gegeven worden, zoek en u zult vinden, zegt Jezus.
Achsa maakt het heel concreet. Zo houdt ze ook ons een spiegel voor.
Achsa biedt hoop: Als Israël een verkeerde weg inslaat
en niet laat zien hoe Gods volk hoort te zijn in deze wereld brengt God iemand,
Soms een enkele persoon om te laten zien dat het kan, in vertrouwen gaan.
Om met de woorden van de Bergrede te spreken: zout der aarde, licht op een berg.

In Richteren is er een profeet aan het woord,
De joden rekenen Richteren tot de (Vroege) Profeten die aan ons vraagt:
Leef je wel met God? Heb je echt dat vertrouwen?
Laat je je hart wel veranderen door God? Bepalen Zijn wetten je doen en laten
of kijk je naar wat je in de wereld om je heen tegenkomt.
Is aan je manier van omgaan met anderen te zien, dat je anders bent, anders hoort te zijn
of ben je Kanaäniet, net als alle anderen in deze wereld: Met jezelf bezig,
om je er boven op te werken, desnoods met je ellebogen, als jouw doel maar gehaald wordt,
een doel dat heel belangrijk kan zijn, heel heilig.
Het gaat om ons hart – bekering is niet alleen maar dat ons gevoel verandert
en dat we nadenken over God en Hem overal betrekken,
maar dat – zoals de doop dat zegt – we van binnen worden gereinigd.
De Kanaäniet in ons wordt uitgebannen en volk van God zijn in deze wereld
om te laten zien dat het anders kan.
Niet de weg van macht, niet de weg van mijn eigen gelijk, van wreedheid,
over lijken gaan, maar het in Gods handen leggen. Want Hij regeert.
Geef vrede, Heer, geef vrede, bekeer ons felle hart.
Deel ons uw liefde mede, die onze boosheid tart,
die onze mond leert spreken en onze handen leidt.
Maak ons een levend teken: uw vrede wint de strijd! Amen

Uitleg van Richteren / Rechters 1:1-15

Uitleg van Richteren / Rechters 1:1-15

Het Bijbelboek Richteren (NBV: Rechters) bevat veel verhalen. Wat de betekenis van die verhalen is, is niet zo maar duidelijk. Daarom wil ik van het eerste gedeelte van dit Bijbelboek een mogelijke uitleg delen.

Vertellen
Het begint met vertellen. Vertellen kan om verschillende redenen. Iemand kan graag vertellen om herinneringen uit het verleden te delen. Of om een bepaalde sfeer te scheppen. Er kan een verhaal verteld worden om subtiel een boodschap aan je door te geven. In de trant van: wie de schoen past, trekke hem aan. De verhalen die in Richteren worden verteld, geven een boodschap op een vertellende wijze door. Vaak gebeurt dat zo subtiel, dat het voor de hedendaagse lezer niet eenvoudig is om die boodschap op te pikken.

Nieuw tijdperk
De openingszin van een boek zet vaak de toon. Zo ook in Richteren: Het gebeurde na de dood van Jozua dat de Israëlieten de HEERE vroegen: Wie van ons zal het eerst optrekken tegen de Kanaänieten om tegen hen te strijden? Hier is sprake van een nieuw tijdperk: Jozua is gestorven.

Jozua
Wat was het tijdperk van Jozua? Jozua had de uittocht uit Egypte meegemaakt, de reis door de woestijn, de intocht in Kanaän en de vestiging in dit land. Jozua is degene die herinnert aan Gods handelen in die tijd: door Zijn sterke arm en krachtige hand werd Israël uitgeleid. Jozua was mee de berg op, toen Mozes de wet uit Gods hand ontving. Jozua was getuige van alle keren dat het volk mopperde op de leiding van God en zag ook hoe de Heere steeds weer opnieuw Zijn volk hielp. Soms na straf en oordeel. Jozua was mee naar het Beloofde Land als verspieder en was samen met Kaleb (die verderop aan de beurt komt) de enige die geloofde dat God hen dit land kon geven.

Verleden tijd
Met de dood van Jozua zijn al die gebeurtenissen verleden tijd. Niemand die zich de daden van God en de omwegen van het volk herinnert uit eigen ervaring. Degenen die nu de leiding hebben kennen dit alleen maar van horen zeggen. Hoe zal dat de leiders vergaan? En het volk? Zullen ze in het spoor van Gods wetten gaan? Of zullen ze ervan afwijken? In dit eerste hoofdstuk worden al de eerste signalen gegeven: Zonder de leiding van Jozua gaat het niet goed. Steeds zal het volk moeite hebben om op Gods weg te blijven wandelen.

Broederschap
In de eerste zin van Richteren wordt het volk nog als één geheel gepresenteerd: de kinderen van Israël. Die eenheid staat steeds onder druk of wordt verscheurd door conflicten en tegenstellingen. Geregeld zijn er burgeroorlogen. Broederschap is een van de thema’s van het Richterenboek. In het volgende verzen staat dat Juda Simeon meeneemt en later Simeon belooft te helpen het gebied dat hij toegewezen heeft gekregen te veroveren.

Volk van God
Met de aanduiding kinderen van Israël speelt er nog iets mee: Israël is geen gewoon volk. Israël is anders dan de Kanaänieten en de Ferezieten (Perizzieten). Israël is het volk van God en heeft de roeping om op een andere manier te leven in het Beloofde Land. Als Abram de opdracht krijgt om weg te trekken uit zijn land en familiekring, krijgt hij de belofte én opdracht mee om voor de andere volken tot zegen te zijn. In het Bijbelboek Richteren blijkt dat het volk niet in staat is om naar Gods wetten te leven en steeds weer de levensstijl van de volkeren in Kanaän overneemt.

 

Raadplegen

Het begin is goed: Israël gaat niet op eigen initiatief, maar raadpleegt de Heere. Er wordt niet verteld hoe het antwoord komt. Juda zegt later tegen Simeon dat dit de uitkomst is van het lot, dat geworpen is. In eerste instantie lijkt het erop dat Israël in vertrouwen op de Heere wil leven. Alleen werpt het Bijbelboek Richteren gelijk de vraag op: zit het wel goed met het vertrouwen. Want Juda neemt Simeon mee. Is dat een daad uit broederschap, omdat Juda de kleinere stam Simeon, die ook nog eens het grondgebied kreeg dat midden in Juda’s gebied ligt, bij wil staan? Of is het een signaal dat Juda niet alleen wil gaan, ook al mag het verwachten dat de Heere aan deze stam het land geeft dat aan hen is toegewezen? Juda zal optrekken. Zie, Ik heb het land in zijn hand gegeven (vers 2).

Geweld
Een van de thema’s die het voor christenen lastig maakt om de boodschap van Richteren op te pikken is het geweld. In dit hoofdstuk is het ook nog eens geweld in opdracht van de Heere. Hoe moet je daar als christenen tegenaan kijken? Hadden de Puriteinen gelijk, die met Richteren in de hand de indianen uitmoorden, omdat ze zich het nieuwe Israël waanden en de kolonie in Amerika als het door God aan hen Beloofde Land? Nee, Richteren wil juist het tegenovergestelde zeggen: voorzichtig met geweld. Wie geweld gebruikt, gaat snel grenzen over. Dat gebeurt ook in de strijd van Juda tegen Adonibezek. Moet er wel geweld gebruikt worden om het land te veroveren? Was het niet genoeg om te weten dat God het land  zal geven? Zal geven op Zijn manier? Als David op Goliath afloopt, zegt hij: En deze hele gemeente zal weten dat de HEERE niet door zwaard of door speer verlost. (1 Samuël 17:47a) God is bij machte om zonder geweld te winnen. Ook in het verhaal van Gideon wint verdrijft het volk de vijand zonder al te veel geweld te gebruiken.

Kanaänieten
Het is goed om te beseffen wie de Kanaänieten zijn. Als het volk de opdracht krijgt om de Kanaänieten te verdrijven uit het land gaat het niet om een idee dat de inwoners in dat land minderwaardig zijn. Het is vergelijkbaar met het Babylon waaruit Abram wegtrekt. Of met de farao uit Egypte die de Hebreeën op een gewelddadige manier knecht. De Kanaänieten staan voor een gewelddadig systeem, een harde, wrede, egoïstische levensstijl zonder respect voor de tegenstander. God haat de Kanaänieten niet omdat ze andere mensen zijn dan de Israëlieten. Want de Kenieten (vers 11-16) worden opgenomen in het volk Israël. Bovendien is God ook de Schepper van die mensen. Nee, Adonibezek laat zien welke stijl er in Kanaän gebruikelijk is.

Ban
Er is nog een andere reden, waarom Israël alle inwoners moet doden. Het land is aan de Heere gewijd. Alles wat er voor de intocht in Kanaän aanwezig is, is voor de Heere. Door mensen te sparen, kan Israël de Kanaänieten gebruiken voor eigen gewin. Bovendien loopt het volk Israël het risico om de levensstijl van Kanaän over te nemen.  (Ik besef dat het niet alle vragen over het geweld beantwoordt, omdat wij tegenwoordig geneigd zijn om naar de individuele mensen te kijken, omdat veel geweld in de afgelopen gewelddadige eeuw werd veroorzaakt door het kijken naar bevolkingsgroepen in plaats van de individuele mens te zien.)

Adonibezek
Adonibezek, heer van Bezek, laat zien wat er in Kanaän gebruikelijk was: overwonnen koningen werden verminkt. Duimen en tenen werden afgehakt. Door deze verminking waren de overwonnen koningen niet meer in staat om naar de wapens te grijpen of te marcheren als soldaten. Zonder duim konden ze geen zwaard of speer hanteren. Zonder de grote teen konden ze geen rechte lijn meer lopen. De koningen krijgen niet meer te eten dan de kruimels die van de tafel vallen: ze worden als honden behandeld. Als uitschot. Deze koning wordt bij Bezek verslagen, de plaats waar later Saul zijn soldaten voor het eerst verzameld om op te trekken. Vanaf Bezek gaan ze de Ammonieten verslaan.

Straf van God?
Als Adonibezek zelf gevangen genomen wordt en verminkt wordt op de manier waarop hij anderen verminkte, ervaart hij dat als straf van God. (Of van de goden, zo kun je het ook vertalen.) Zijn gedachte lijkt te passen bij het oog om oog, tand om tand: wat je de ander aandoet, mag jou worden aangedaan worden. Het lijkt te passen bij hoe het Oude Testament denkt over de gevolgen van een slechte daad: wanneer je een slechte daad verricht, komen de gevolgen als een boemerang naar je toe. Je draagt zelf de consequenties van een slechte daad.
Al het gegeven dat Adonibezek dat pas beseft nadat het hem zelf is overkomen, doet de vraag rijzen of hij gelijk heeft met zijn conclusie. (Zijn geweten sprak blijkbaar niet eerder, niet eerder leek hij te beseffen dat ook hij aan God verantwoording schuldig is voor zijn daden, alsof hij als koning boven Gods wetten stond.) Adonibezek, die als enige gespaard blijft, terwijl er 10.000 soldaten (dit aantal kan ook voor het totaal zijn: alle soldaten) zijn gesneuveld, lijkt op Agag die door Saul wordt gespaard. Daarmee overtreden de Judeeërs de gedachte van de ban: iedereen moet worden gedood.

Trofee
Bovendien wordt Adonibezek op deze manier een trofee. De overwonnen koning wordt geshowd. Bij het showen van een overwonnen koning kan al snel de gedachte opkomen: dat hebben wij zelf toch maar mooi voor elkaar gekregen. De overwonnen koning tonen kan snel leiden tot een op de borst kloppen. Een op de borst kloppen is niet ver verwijderd van een vergeten dat God de overwinning heeft geschonken.

Kanaänitische stijl
Nog problematischer is dat de Judeeërs een grote fout begaan met de behandeling van Adonibezek. Ze doen wat Adonibezek altijd zelf deed. Boontje komt om zijn loontje, zouden we kunnen zeggen. Richteren oordeelt anders: de Judeeërs nemen de levensstijl van de Kanaänieten over: de krijgsgevangen op een wrede, onmenselijke manier behandelen, hen verminken, hen minder dan een mens maken. Nog maar net in het land of ze handelen niet meer als volk van God, maar kopiëren het gedrag van de volken die ze aantreffen in het land. Niet de torah van de Heere, maar wat ze aantreffen in het land geeft het voorbeeld. Richteren laat zien: steeds weer begaat het volk Israël de fout om als de Kanaänieten te worden. God is een God van recht en leven. In de omgang met Adonibezek vervallen de Judeeërs in een ver-baä-isering en ver-kanaän-isering van hun levensstijl. Niet de Kanaänieten zijn het probleem, maar de gevoeligheid van Israël voor deze wrede, inhumane stijl van met elkaar omgaan. Richteren houdt ook christenen een spiegel voor: niet elk middel heiligt een doel. In hoeverre kunnen wij niet een Kanaänitische omgangsvorm hebben met degenen die anders denken binnen of buiten de kerk?

 

Achsa
Tot slot: Achsa. Wat is de reden dat dit verhaal is opgenomen in Richteren? Met andere woorden: wat is de boodschap? Othniël is de zoon van Kenaz. Kenaz is mogelijk de stamvader van de Kenieten, een stam die het volk onderweg tegenkomt en zich aansluit bij Israël omdat zij geloven in de God van Israël en Zijn weg willen gaan. Integratie in Gods volk voor mensen van buitenaf is blijkbaar mogelijk. Het bijzondere van Achsa is dat zij vraagt om een zegen. Een zegen is een geschenk van God. Ze vraagt niet om water of bronnen. Ze geeft aan dat ze afhankelijk wil zijn van Gods zegen. Aan Gods zegen is alles gelegen. Daarmee is zij een voorbeeld van een niet-Israëlitische die de weg van God wel gaat. Ze houdt Israël een spiegel voor: de weg van God is wel degelijk te bewandelen. In een donkere tijd mag zij het licht van God verspreiden.

Vragen bij Richteren 1:1-15

Vragen bij Richteren 1:1-15

 

  1. Wie kent er iemand die goed verhalen kan vertellen? Hoe doet hij/zij dat? En waarom?
    => Uitleg over de speciale manier waarop Richteren vertelt.
  2. Na de dood van Jozua komt er een nieuw tijdperk. Wanneer hebt u een wisseling van tijdperken meegemaakt?
  3. Na de dood van Jozua vragen de Israëlieten de Heere om raad. In welke situaties hebt u de Heere om raad gevraagd? Op welke manier gaf Hij antwoord?
  4. Het Bijbelboek Richteren is/lijkt een boek vol geweld. Hier in hoofdstuk 1 in opdracht van de Heere. Wat moeten wij als christenen van denken?
  5. Adonibezek is een gewelddadige koning. Als hem de vingers en tenen worden afgehakt, ziet hij dat als straf van God. Is dat terecht?
  6. In het Bijbelboek Richteren nemen de Israëlieten steeds weer de levensstijl van de Kanaänieten over. Hoe zien we dat in dit gedeelte? Op welke manier lopen wij het risico de ‘Kanaänitische levensstijl’ over te nemen? Hoe zouden we dat kunnen voorkomen?
  7. Waarom staat het verhaal van Otniël en Achsa in de Bijbel? Met andere woorden: Wat is de boodschap van deze anekdote?

Preek zondag 30 september 2018

Preek zondag 30 september 2018
Jesaja 43:1-7

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Vanmorgen zijn 4 kinderen gedoopt, die alle vier welkom waren.
Kinderen waarvan gehouden wordt.
Onze lieve zoon Renze Gerrit is geboren!

Op het kaartje van Jesse staat: Klein is de mens,
een zandkasteeltje langs het strand
maar kostbaar genoeg, om als parel te mogen liggen
in Uw eeuwige sterke vaderhand.

Bij Diede: Dat je hier bent, heb je niet zelf bedacht.
Er was een kracht die je ter wereld bracht.
We hopen dat je die kracht, die liefde heet,
overbrengt van mens tot mens. Dat is onze wens.

Heel trots zijn we op ons prachtige dochtertje Gerieke.

Mooi dat deze kinderen welkom zijn, er gelijk helemaal bij horen,
Dat van hen gehouden wordt,
dat ze iets kostbaars hebben: voor jullie en voor God.
Dat ze ook iets kostbaars hebben voor God is niet alleen iets
dat duidelijk wordt op de geboortekaartje.
Dat is vanmorgen ook zichtbaar geworden in het teken van de doop,
waarin God tegen deze kinderen heeft gezegd: Mijn liefde is ook voor jullie.
De liefde van God die jij hebt leren kennen, is er ook voor je kind.
We lezen over die liefde ook in Jesaja 43:1,
een tekst die vaker met de doop van een kind in verband wordt gebracht:
Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij. Gods kind!

Nu moet daar wel iets bij gezegd worden, zowel over de liefde die in Jesaja klinkt
als de liefde van God die zichtbaar wordt in de doop:
Het is een liefde die herstelt, Gods liefde die weer goed maakt wat verstoord was,
heelt wat gebroken is geweest.
In het formulier wordt als eerste over de doop gezegd,
dat de doop laat zien dat wij van binnen schoon gewassen moeten worden, gereinigd,
omdat we geen rein, geen zuiver hart hebben.
Ook onze kinderen ontkomen daar niet aan.
Net zoals zij delen in de liefde die God voor ons heeft, delen ze ook in onze zonde.
Ook zij hebben Gods vergeving nodig, ook voor hen moest Christus aan het kruis gaan.
En dat is ook gebeurd – Gerieke, Jesse, Renze, Diede,
je bent gedoopt in de naam van de Zoon: Hij stierf voor jou aan het kruis.

Ook in Jesaja 43 is er sprake van liefde die weer goed maakt, wat verstoord was,
Weer heel maakt in een relatie wat gebroken was, de relatie tussen Israël en God.
Als we deze tekst los nemen,
is het een mooie tekst bij hoe meestal tegen de doop wordt aangekeken:
Dat God van je houdt en dat Hij als schepper voor je wil zorgen.
Maar dan gaan we eraan voorbij dat deze tekst hier in Jesaja niet bedoeld is
voor kinderen die in een warm nest geboren worden, die welkom zijn,
die met open armen worden ontvangen en in liefde en geborgenheid kunnen opgroeien.
Deze woorden komen tot het volk Israël, dat de weg kwijt is
en dat zich vertwijfeld afvraagt of God ooit nog wel iets van zich laat horen.
Een volk in crisis, omdat echt alles tegen zit.
De Israëlieten zijn uit eigen land weggehaald, gedwongen,
het was niet eens hun eigen keuze, het was niet eens een vlucht, maar gedeporteerd,
zoals in de oorlog veel mensen, waaronder ook bijna alle Joden, zijn gedeporteerd.
In hun hart leeft nog de herinnering aan hun vaderland, het door God beloofde land.
Dan zagen ze echter niet de mooie glooiende heuvels met de wijngaarden erop,
de uitgestrekte vlakten waar de schapen en koeien op graasden,
De steden schitteren in de zon.
Nee, ze zagen in hun herinnering hoe de huizen waarin ze woonden
in vlammen opgingen, aangestoken door de soldaten die hen dwongen weg te gaan,
en langs de weg veel dode mensen, die omgekomen waren door het oorlogsgeweld,
of uit pure wreedheid door de vijanden waren vermoord.
Een situatie waarvan je hoopt dat je die nooit hoeft mee te maken
en dat je kind zulke ellende bespaard blijft,
waarvan we weten dat er heel wat kinderen op deze wereld dat wel meemaken:
opgroeien in een oorlog, de ouders gedood, zelf kindsoldaat.
En dan zegt Jesaja, de profeet: Israël dat is niet zomaar iets dat je toevallig overkomt.
Nee, al die ellende, dat is de hand van God.
Het is geen vreemde die je dit aandoet, maar je eigen God.

Wie heeft Jakob tot buit gegeven en Israël overgeleverd aan rovers?
Is het niet de HEERE, Hij tegen Wie wij gezondigd hebben?
Want zij wilden in Zijn wegen niet gaan en niet luisteren naar Zijn wet (Jesaja 42:24)

Is dit een beeld van God die je aan je kind wil meegeven?
Je wilt toch een positief beeld van God meegeven aan je kind,
zodat je kind de Heere ook gaat leren kennen, gaat geloven,
zijn of haar weg met Hem gaat – aan Zijn hand door het leven?
Maar niet alleen de mooie dingen komen uit Gods hand.
Soms kan ook als het tegenzit in je leven dat uit Gods hand komen.
Ik zeg niet dat dit altijd zo is: dat als je leven ingrijpend verandert
Door een overlijden, door een scheiding, doordat je ontslagen wordt op je werk
dat altijd de hand van God is.
Hier zegt God dat tegen Israël wel: het is wel een hardhandige manier,
maar het is om je wakker te schudden,
om te beseffen dat je geen plek in je leven hebt voor Mij.
Als kinderen waren wij thuis denk ik niet altijd de makkelijkste voor mijn moeder.
Dan dreigde ze nogal eens: als je nu niet luistert, dan pak ik mijn koffers en ga ik weg.
Wij lachten altijd, want dat zou ze nooit doen. Een moeder doet dat niet.
Totdat ze op een keer ook echt weg ging. Weliswaar niet voor lang,
maar toch, om te laten weten dat ze ook echt wel weg kon gaan.

Door al die ingrijpende gebeurtenissen die Israël overkomen, wil God laten weten:
Jullie kunnen niet zonder Mij. Als je aan Mij voorbij gaat, dan blijft er weinig van je over.
Het schok-effect, de Heere die Zijn volk verlaat, heeft een ander effect op het volk:
God geeft niets om ons.
Wij zijn voor Hem niets waard. Hij ruilt ons zo in voor een ander volk,
dat veel sterker is, aantrekkelijker, echt meetelt in de wereldpolitiek:
Egypte met zijn indrukwekkende geschiedenis,
Nubië aan de rand van de wereld met de lange mensen die daar wonen,
een volk van dappere strijders,
Seba, een rijk en welvarend land.
Vergeten, in de steek gelaten door God.
Wat is er nog over van dat verbond, die eeuwig durende afspraak die de Heere maakte?

En dan komt de ommekeer: Maar nu.
Vanaf nu wordt alles anders. Wat je overkomen is, al die ellende, dat is nu voorbij.
Er komt een nieuwe tijd.
Als je vertalingen naast elkaar legt, dan is er een verschil in tijd.
In de NBV is het een verlossing die nog moet komen: Ik zal je vrijkopen. (toekomst)
In de HSV is het een verlossing die al geweest is: Ik heb u verlost (het is al gebeurd).
De eerste is: je merkt er nu nog niets van. Je zit midden in de ellende, de wanhoop.
De tweede is: terwijl jij er niets van merkt, is God allang bezig met je redding.
Net zoals dat bij de tweede belofte ook klonk, de belofte van de Zoon:
Ik ben voor jou aan het kruis gegaan. Dat is al gebeurd
En toch kun je nog zoveel narigheid meemaken, verkeerde keuzes maken,
ermee worstelen dat het nog niet zo is als het zo moeten in je relatie met God.
Ik ben al aan het kruis gegaan – Ik heb je al verlost.
Ik heb wel degelijk een bijzondere band met je, zegt de Heere
Dat is geen inbeelding: Ik zeg dat met gezag tegen je. Zo zegt de HEERE.
Ik heb een bijzondere band met je, Israël: Ik ben je Schepper, Ik heb je gevormd.
Mijn hand is in jouw leven te zien, Ik ben persoonlijk op je betrokken.
Jou heb Ik bij je naam geroepen, omdat Ik je wilde laten weten dat je bij Mij hoort,
dat je van Mij bent. Ik je God.
Ook al heb je er niets van gemaakt, heb je alles verknoeid,
was je niet met Mij bezig en ging je een groot deel van je leven aan Mij voorbij,
Ik noem je nog steeds met die bijzondere naam, die Ik je gaf: Israël.
Vanmorgen zijn de namen van de kinderen ook genoemd, bij de doop.
Ik heb je bij je naam geroepen. Je bent niet alleen van je ouders, maar ook van de HEERE.

Dat is maar niet voor even, voor nu alleen, maar voor een heel leven.
De belofte klonk dat de hemelse Vader voor je kind zorgt, dat Hij meegaat op de levensweg.
Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn.
Door rivieren, ze zullen u niet overspoelen.
In september wordt altijd de Slag om Arnhem herdacht met soldaten die aan een parachute
uit het vliegtuig naar beneden komen, als herinnering aan de Britten en Polen uit 1944.
De parachutisten waren nodig om de bruggen te veroveren.
zonder brug was het niet mogelijk om over de rivier heen te gaan.
Zo kunnen er in ons leven heel wat barrières zijn, waar je moeilijk overheen komt
en kan het zijn dat je kind, dat nu gedoopt is, voor een rivier staat waar hij niet over kan.
Of door het water moet waden, waar een gevaarlijke stroming staat die je mee kan sleuren.
Er zijn heel wat dingen waar je je kind voor wilt bewaren:
Voor het gevaar thuis of onderweg, voor pijn die anderen kunnen aandoen, voor pesten.
Er kan heel wat in een leven gebeuren:
je kind kan ziek worden en behandelingen of operaties moeten ondergaan
en je zit er naast en je kunt er weinig aan doen, alleen maar toekijken en steunen.
Of je wordt zelf ziek en kunt er niet meer zijn voor je gezin zoals je zou willen.
Er kan een oorlog komen, of een slechte toekomst voor de kerk.
Ik denk dat elke ouder naast de dankbaarheid voor de komst van een kind
ook altijd wel de zorg heeft: wat komt er van mijn kind terecht?
In welke tijd groeit ze op? In welke wereld gaat hij verkeren?
Wat zullen ze allemaal meemaken?

Wanneer je door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden, geen vlam zal u aansteken.
Dat is een garantie die geen enkele ouder aan zijn of haar kind zal geven.
Je kunt het wel zeggen: Ik zal er altijd voor je zijn. Ik sta altijd voor je klaar.
Ik zal je overal voor beschermen.
Dat kunnen wij niet waarmaken.
En dan is er God, die zich vanmorgen bij de doop aan deze kinderen verbond.
Als Vader, Zoon en Heilige Geest.
Wat er ook in je leven komt, het zal je nooit helemaal kapot kunnen maken,
Hoe diep je ook moet gaan, je zult er nooit aan onderdoor gaan.
Hoeveel littekens er ook komen op je huid of op je ziel.
Er zijn momenten waarop dit te stellig overkomt.
Als je man heel onverwacht overlijdt en je nog zoveel samen had willen meemaken,
als het leven van je vader abrupt voorbij is.
Of je zoon komt vertellen dat zijn huwelijk over is en weggaat bij zijn vrouw
als je te horen krijgt dat je een ingrijpende operatie moet ondergaan
of chemokuren en je weet niet of je er ook echt baat bij zult hebben.
Juist in de afgelopen weken was het nieuws vol met ongelukken en rampen:
Oss nog niet zo lang geleden, gisteren Sulawesi, een aanslag maar net voorkomen.
En toch zegt de HEERE: IK ben bij je, Ik zal je niet verlaten.
Ik sta aan je zijde, hoe diep je ook moet gaan, hoe erg je ook moet lijden, je bent niet alleen.
Als ouder heb je je kind heel wat uit te leggen over God, over geloof.
Ook moeilijke vragen, zoals waarom mensen ziek worden of sterven.
Waarom er zulke rampen en drama’s gebeuren.
Ik denk niet dat je daar een goed antwoord op kunt geven:
Alleen maar dat wat er ook gebeurt God je niet los laat.
Een van de commentaren die ik nalas bij dit gedeelte:
Hier in deze tekst in Jesaja 43 komt het fundamentele geloof van Israël weer boven.
Dit is God, zoals Israël de Heere leerde kennen:
Na tijdenlange onderdrukking in Egypte ging de deur open.
Na jarenlange deportatie mochten ze terug naar huis, naar hun eigen land.
Juist als je je vertwijfeld afvraagt of er wel een God is, dan is Hij er.
Geloof op het nulpunt. Als je niet verder kunt zakken, niet dieper kunt gaan.
Het dodenrijk, de hel – ook daar ben Ik, zegt de Heere en Ik zal je eruit leiden.
Het is geen garantie van een zorgeloos leven.
Dat heeft bijna niemand.
Bijna iedereen kan wel meespreken over zorg, of gemis, of teleurstelling.
En toch is deze belofte niet een lege belofte.
Het is hier een concrete belofte aan Israël dat de verwoestingen in het land
Israël niet helemaal van de kaart hebben geveegd en dat Israël niet helemaal kapot is,
ook al is het ernstig beschadigd door het oorlogsgeweld.
Ik zie hier ook iets in van de dopeling die aan het kruis van Christus wordt verbonden,
maar ook aan de opstanding van Christus.
Wat er ook in je leven komt, je valt niet uit Gods hand, maar voor eeuwig geborgen.
Zelfs de dood, waar je tegen op kunt kijken, krijgt je niet uit Gods hand.
Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood, volkomen uitkomst geven.
Amen

Gerrit Immink over de preek -1

Gerrit Immink over de preek -1

In deze dagen ben ik bezig met het boek van Gerrit Immink, Over God gesproken. Preken in theorie en praktijk. Immink was tot voor kort hoogleraar Praktische Theologie aan de Protestantse Theologische Faculteit. Toen ik in Utrecht studeerde heb ik een aantal colleges bij hem gevolgd. Praktische theologie bestudeert de praktijk van geloven, van de  kerk en van de gelovige. Bij het bestuderen ervan kan op verschillende facetten gelet worden. Bijvoorbeeld: Hoe gebeurt het? Welke vormen en rituelen worden gebruikt? Wat doet het met de mensen die betrokken zijn? Op welke manier is God erin aanwezig?

9200000085931893

In zijn boek beschouwt Immink als een samenspel: een samenspel van God en mensen, van predikant en luisteraars. Preken heeft daarom altijd iets dubbels. Wie preken onderzoekt kan kijken naar de menselijke kant van de preek en ook naar de manier waarop God in en door de preek werkt. Vanuit mijn studie weet ik dat Immink zich graag bezighoudt met zowel de menselijke kant als de manier waarop God in en door de preek werkt. Ook in dit boek komt dat naar voren. Bij de menselijke kant kun je kijken of de preek als toespraak goed is voorbereid en opgebouwd en als toespraak goed wordt gehouden. Aandacht voor welsprekendheid is daarom van groot belang.

Over God gesproken
Over de manier waarop God in en door de preek werkt is Immink voorzichtig. De preek is niet bij voorbaat het woord van God. Immink zegt liever dat in de preek over God wordt gesproken. Daarom de titel: Over God gesproken. God is wel in staat om de preek te gebruiken als de manier waarop Hij tot mensen komt. God mag wel in de dienst verwacht worden, geeft Immink aan. De mensen die luisteren naar de preek, doen dat om meer over God te horen en geregeld ook om God te ervaren.

Luisteraar
In zijn boek heeft Immink niet alleen aandacht voor de predikant maar ook voor de luisteraar. De kerkganger is tijdens de preek niet passief. De luisteraar is meer dan een consument. Tijdens de preek luistert de kerkganger naar het betoog en betrekt de luisteraar wat hij of zij hoort op het eigen leven. De kerkganger maakt geregeld een eigen toepassing. Of de gedachten dwalen af. Soms door een enkel woord of een enkele zin. Dan denkt de luisteraar hierover na, omdat hij of zij daar vol van is. De ene luisteraar heeft liever een preek waarover nagedacht moet worden. De andere luisteraar hoort liever een preek waarin hij of zij innerlijk wordt geraakt. Het gehoor van een predikant is altijd divers. Tijdens het luisteren speelt ook altijd de situatie van de luisteraar en de gemeente mee.

Band
Voor het luisteren naar de preek kan een band tussen predikant en luisteraar behulpzaam zijn. Wanneer een predikant net op bezoek geweest is of betrokken is geweest bij de begrafenis van een geliefde, kan er anders naar de preek geluisterd worden dan wanneer er geen sterke band is. Voor een deel van de kerkgangers is het belangrijk om een band met de predikant te hebben om in de preek meegenomen te worden.

De vanzelfsprekendheden zijn verdwenen
Een predikant heeft er rekening mee te houden, dat niet iedereen goed thuis is in de Bijbel of goede kennis heeft van de christelijke leer. Er zijn gelovigen, die – zoals Immink dat noemt – religieus laaggeletterd zijn. In de preek kunnen zij toch kennis opdoen over God en over geloof. Door televisie, social media als Facebook en Twitter komt zo ontzettend veel informatie binnen, dat er een gevoel kan ontstaan de wereld niet meer te overzien. Er is dan sprake van desoriëntatie. Zeker voor de jongere generaties in de kerk geldt dat, die toch niet meer zo makkelijk kunnen terugvallen op vertrouwde wegen als de oudere generaties. De vanzelfsprekendheden als een christelijke school, het leren van een psalm, het hebben van gelovige voorbeelden kunnen verdwenen zijn. De preek kan helpen oudere en jongere gemeenteleden richting bieden.

Toe-eigening
In het boek zal ook aandacht zijn voor de toepassing. Immink spreekt liever van toe-eigening, omdat toepassing de suggestie kan wekken dat de boodschap kant-en-klaar kan worden toegepast. In de toe-eigening gaat het om de vraag: Wat heeft deze Bijbeltekst mij in het hier-en-nu te zeggen? In de preek gaat het daarom om de uitleg van de Bijbel en om het helpen van de gemeenteleden bij het toe-eigenen van de boodschap van dit gedeelte.

Volgende keer: verschillende visies op de preek in de Nederlandse kerkgeschiedenis.

N.a.v. Gerrit Immink, Over God gesproken. Preken in theorie en praktijk (Utrecht: Uitgeverij Boekencentrum, 2018), p. 9-30 (=hoofdstuk 1: De preek als godsdienstig samenspel)